← Nederland

Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet (Apeldoorn)

Obsah (4)Artikel 3Artikel 4Artikel 5Artikel 6

wet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet Wetstechnische informatie Gegevens van de regelingOverheidsorganisatie Gemeente Apeldoorn Officiële naam regeling Verzamelbesluit nadere regels en beleid

Artikel 3

.2 Commerciële prijs Artikel 3.3 (Gereserveerd) Paragraaf 2 Verlaging bijstand Artikel 3.4 Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten Artikel 3.5 Verlaging bijstandsnorm schoolverlaters Artikel 3.6 Herziening verlaging bij maatregel (inkeerregeling) Paragraaf 3 Vrijlatingen bij vermogen Artikel 3.7 Vrijlating bezit voertuig Artikel 3.8 Vrijlating giften Artikel 3.9 (Gereserveerd) Paragraaf 4 Krediethypotheek Artikel 3.10 Aanvullende begripsbepalingen Artikel 3.11 Vestiging krediethypotheek Artikel 3.12 Hoogte hypotheek, taxatie woning en vestigingskosten Artikel 3.13 Opname voorwaarden hypotheekakte Artikel 3.14 Aflossingsvoorwaarden hypotheek Artikel 3.15 Rentevordering Artikel 3.16 Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning Artikel 3.17 Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking bijstandsverlening Artikel 3.18 Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen Hoofdstuk 4 Inkomensondersteuning en Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Paragraaf 1 Individuele inkomenstoeslag Artikel 4.

Artikel 4

.2 Uitzicht op inkomensverbetering Paragraaf 2 Bijzondere bijstand Artikel 4.3 Aanvullende begripsbepalingen Artikel 4.4 Uitgangspunten en werkwijze bij de verlening van bijzondere bijstand Artikel 4.5 Termijn van indienen aanvraag Artikel 4.6 Draagkracht Artikel 4.7 Hoogte bijzondere bijstand en drempelbedrag Artikel 4.8 (Gereserveerd) Artikel 4.9 (Gereserveerd) Paragraaf 3 Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Artikel 4.10 Aanvullende begripsbepalingen Artikel 4.11 Doelgroep en voorwaarden Artikel 4.12 Algemene bepalingen over aanvraag en verstrekking Artikel 4.13 Tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten Artikel 4.14 Kidstegoed Artikel 4.15 Financiële tegemoetkoming Zwemdiploma-A Artikel 4.16 Tegemoetkoming verplicht eigen risico Artikel 4.17 Tegemoetkoming leges gehandicaptenparkeerkaart Artikel 4.18 Gegevensverstrekking en controle Hoofdstuk 5 Schuldhulpverlening Artikel 5.

Artikel 5

.2 Doelgroep en toegang Artikel 5.3 Vorm van ondersteuning Artikel 5.4 Weigeren en beëindigen Artikel 5.5. Herhaalde aanvraag Hoofdstuk 6 Herziening, terugvordering, invordering en verhaal Paragraaf 1 Herziening en terugvordering Artikel 6.

Artikel 6

.2 Gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid Artikel 6.3 Uitgangspunten terugvordering Artikel 6.4 Afzien van terugvordering (kruimelbedragen) Artikel 6.5 Brutering vordering Paragraaf 2 Invordering Artikel 6.6 Wijze van invordering Artikel 6.7 Ambtshalve afzien van (verdere) invordering na het voldoen van de betalingsverplichting Artikel 6.8 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding Artikel 6.9 Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek Artikel 6.10 Geen mogelijkheden tot buiten invordering stelling en kwijtschelding Paragraaf 3 Verhaal Artikel 6.11 Aanvullende begripsbepalingen Artikel 6.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Artikel 6.13 Ambtshalve afzien van verhaal Artikel 6.14 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek Artikel 6.15 Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel (her)onderzoek Artikel 6.16 Verhaal volgens rechterlijke uitspraak Artikel 6.17 Beslaglegging Hoofdstuk 7 Bestuurlijke boete Artikel 7.1 Beoordeling bestuurlijke boete Artikel 7.2 Afronding Artikel 7.3 Kwijtscheldingsmogelijkheden bij schuldenproblematiek Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 8.1 Onvoorziene omstandigheden Artikel 8.2 Intrekking oude beleidsregels en overgangsbepalingen Artikel 8.3 Inwerkingtreding en citeertitel Toelichting Algemeen en per artikel Bijlage Verstrekkingenlijst Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in dit verzamelbesluit worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ, het Bbz 2004, de Wgs, Awb, Gemeentewet en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2018, tenzij daar uitdrukkelijk van wordt afgeweken. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht; Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c, van de PW; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn; de raad: de gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn; inkomen: het inkomen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW. De uitkering die op grond van de PW voor de kosten van levensonderhoud wordt verstrekt, wordt ook tot het inkomen gerekend; inwoner: de inwoner van de gemeente Apeldoorn die als zodanig staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen en ook feitelijk op dit adres woonachtig is; inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW en IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; onverwijld: binnen zeven dagen nadat het feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel het kenbaar werd of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn voor de belanghebbende; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW, waaronder de bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 en de verleende inkomensvoorziening op grond van de IOAW en IOAZ; verordening: Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2018; Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; Wet SUWI: Wet Structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen. 3.Begripsbepalingen die slechts voor een bepaald hoofdstuk of paragraaf relevant zijn of daar een andere betekenis hebben, zijn voor de leesbaarheid alleen bij dat onderdeel vermeld. Artikel1.2Aanvraagformulier Aanvragen en verzoeken zoals in deze beleidsregels vermeld moeten schriftelijk worden ingediend en met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier, tenzij anders aangegeven. Hoofdstuk2Re-integratie en uitstroombevordering Paragraaf1Voorzieningen Artikel2.1Aanbieden van voorzieningen Het college bepaalt individueel welke voorziening aan de belanghebbende wordt aangeboden. De keuze voor de aan te bieden voorziening past in ieder geval binnen de wettelijke kaders en daarbij zijn de uitgangspunten en bepalingen uit de verordening leidend. Artikel2.2Werkvoorzieningen 1.Om in aanmerking te komen voor een werkvoorziening als bedoeld in artikel 21a van de verordening moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: de belanghebbende is woonachtig in Apeldoorn; er is geen sprake van een voorliggende voorziening of andere regeling waaruit de werkvoorziening kan worden bekostigd; de werkvoorziening is niet aan te merken als algemeen gebruikelijk en behoort niet tot de standaarduitrusting van de werkgever; de structurele functionele beperking van de belanghebbende heeft naar verwachting een duur van tenminste een jaar; de werkvoorziening is naar verwachting minimaal zes maanden nodig en is nog niet aangeschaft; de werkvoorziening is naar het oordeel van het college noodzakelijk. Het college kan hiervoor medisch of arbeidsdeskundig advies inwinnen; 2.De aanvraag om een werkvoorziening wordt door de belanghebbende schriftelijk ingediend bij het college. 3.In afwijking van het vorige lid kan de werkplekaanpassing ook door de werkgever worden aangevraagd, mits bij de aanvraag een schriftelijke verklaring is bijgevoegd waaruit expliciet blijkt dat de belanghebbende hiervoor toestemming heeft verleend. 4.Het college bepaalt individueel welke gegevens bij de aanvraag overgelegd worden. 5.Bij de vergoeding van een werkvoorziening wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate (meeneembare) werkvoorziening die kwalitatief verantwoord is en waarvan de kosten in verhouding staan tot de opbrengsten van uitstroom. 6.Afhankelijk van de aard en de levensduur van de (meeneembare) werkvoorziening wordt deze in de vorm van een financiële vergoeding of in natura verleend. De vergoeding in natura kan in eigendom of in bruikleen worden toegekend. 7.De werkplekaanpassing wordt in beginsel aan de werkgever verstrekt. 8.Bij de vervoersvoorziening wordt een eventuele vergoeding van de werkgever voor deze kosten op de te verlenen voorziening in mindering gebracht. Artikel2.3(Gereserveerd) Artikel2.4(Gereserveerd) Artikel2.5(Gereserveerd) Artikel2.6(Gereserveerd) Artikel2.7(Gereserveerd) Artikel2.8(Gereserveerd) Artikel2.9(Gereserveerd) Artikel2.10(Gereserveerd) Paragraaf2Zelfstandigen op bescheiden schaal Artikel2.11Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder: zelfstandige: de zelfstandige op bescheiden schaal die behoort tot de hierna omschreven doelgroep; zelfstandigenaftrek: de belastingaftrek zoals genoemd in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001; belastbaar inkomen: als belastbaar inkomen wordt aangemerkt de omzet minus de inkoop- en bedrijfskosten. Artikel2.12Doelgroep Tot de doelgroep behoort de zelfstandige die: a.voor eigen rekening en risico productieve activiteiten uitvoert die een bescheiden inkomen opleveren, maar geen recht geven op de zelfstandigenaftrek; en b.voldoet aan de wettelijke vereisten die verband houden met zijn zelfstandige activiteiten. Artikel2.13Voorwaarden 1.De zelfstandige kan telkens voor de duur van twaalf maanden toestemming krijgen om met behoud van uitkering de zelfstandige activiteiten uit te voeren. 2.Als de zelfstandige niet meer behoort tot de doelgroep of vanwege een andere reden niet meer voldoet aan de voorwaarden van dit verzamelbesluit, kan de toestemming als bedoeld in het vorige lid worden ingetrokken of niet meer worden verlengd; 3.De zelfstandige informeert het college over de omvang van de activiteiten, waaronder in ieder geval begrepen het maandelijks inleveren van een urenadministratie met inkomensoverzicht en het voor 1 juli na afloop van het boekjaar inleveren van de bedrijfsadministratie die aan de eisen van de Belastingdienst voldoet en de kopie van de belastingaangifte en -aanslag; 4.Het college legt in een plan van aanpak alle afspraken rond de bedrijfsvoering en overige verplichtingen vast. Artikel2.14Kosten en inkomsten 1.De zelfstandige hanteert marktconforme tarieven voor zijn product of dienst, zodanig dat concurrentievervalsing wordt voorkomen. 2.Kosten die verband houden met schulden, investeringen of kosten die niet passen bij het op bescheiden schaal als zelfstandige werken, kunnen in beginsel niet op de omzet in mindering worden gebracht. 3.Het belastbaar inkomen wordt zoveel als mogelijk maandelijks verrekend met de uitkering op basis van de inkomstenopgave, waarbij de inkomstenbelasting eerst in mindering wordt gebracht op het belastbaar inkomen en de wettelijke inkomstenvrijlating voor parttime inkomsten waar mogelijk wordt toegepast. 4.Aan de hand van de ingeleverde bedrijfsadministratie, aangifte en aanslag inkomstenbelasting, wordt het inkomen definitief vastgesteld. 5.Aan de hand van de definitieve verrekening wordt het teveel verrekende inkomen nabetaald of het te weinig verrekende inkomen alsnog verrekend of teruggevorderd op grond van artikel 58 van de PW. Hoofdstuk3Bijstandsverlening Paragraaf1Commerciële kostendeling Artikel3.1Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder: •basishuur: het deel van de (reken)huur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat voor rekening van de huurder blijft, zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag; •gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder b, van de PW; •kostganger: degene tegen een financiële vergoeding op basis van een schriftelijke overeenkomst kost en inwoning heeft bij een ander. Het verschil tussen de huurder en de kostganger is dat de kostganger naast het woongenot in ieder geval ook de maaltijden op kosten van de verhuurder nuttigt; •lage woonlasten: woonlasten zoals omschreven in dit artikel, maar lager dan de basishuur; •woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, van de Wet op de huurtoeslag alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de PW; •woonlasten: 1º. bij een huurwoning: de maandelijks verschuldigde huur, inclusief de servicekosten die op grond van de Wet op de huurtoeslag voor huurtoeslag in aanmerking komen; 2º.bij een eigen woning: de maandelijks verschuldigde hypotheekrente, verhoogd met de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud; 3º. bij kamerhuur: de maandelijks verschuldigde huur exclusief de bijdrage voor gas, water en elektra; 4º. bij anti-kraakbewoning of tijdelijke huur ingeval van leegstand: de maandelijks verschuldigde vergoeding voor bruikleen of tijdelijke huur, exclusief de bijkomende kosten. Artikel3.2Commerciële prijs Van een commerciële prijs is sprake indien de woonlasten ten minste gelijk zijn aan de basishuur. Woonlasten die lager zijn dan de basishuur kunnen als een commerciële prijs worden aangemerkt wanneer uit de beoordeling in ieder geval blijkt dat de woonlasten gebruikelijk zijn voor de ruimte die gehuurd wordt en de aanwezigheid van een zakelijke relatie tussen huurder en verhuurder door de belanghebbende aangetoond is. Voor een kostganger geldt als uitgangspunt dat een commerciële prijs aanwezig wordt geacht indien de verschuldigde bijdrage voor kost en inwoning tenminste 40% van de gehuwdennorm bedraagt. Artikel3.3(Gereserveerd) Paragraaf2Verlaging bijstand Artikel3.4Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten Wanneer de belanghebbende lagere algemene bestaanskosten heeft doordat hij geen of lage woonlasten heeft, kan de bijstandsnorm worden verlaagd. Bij die beoordeling is het verschil tussen de basishuur en de feitelijke woonlasten een belangrijke factor om de hoogte van de verlaging te bepalen. De verlaging bedraagt in ieder geval niet meer dan 15% van de gehuwdennorm. Artikel3.5[vervallen] Artikel3.6Herziening verlaging bij maatregel (inkeerregeling) 1.Indien aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd wegens het niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, kan deze maatregel op verzoek van de belanghebbende in ieder geval worden herzien indien: uit de houding van de belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat zijn gedrag gedurende die periode positief is gewijzigd; en het aannemelijk is dat het continueren van de maatregel zal leiden tot huisuitzetting van de belanghebbende en diens gezin of onaanvaardbare consequenties heeft voor de minderjarige kinderen. 2.De maatregel wordt niet herzien: binnen een maand na de ingangsdatum van de maatregel; en met ingang van een eerdere datum dan het schriftelijke verzoek van de belanghebbende is ontvangen. 3.Indien de maatregel is opgelegd wegens het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid vindt geen herziening van de maatregel plaats. Paragraaf3Vrijlatingen middelen Participatiewet Artikel3.7Vrijlating bezit voertuig Bij het vaststellen van het vermogen wordt de waarde van één of meerdere voertuigen die op naam van de belanghebbende(

  1. n)zijn geregistreerd in ieder geval vrijgelaten indien: a.de (gezamenlijke) waarde van het voertuig of de voertuigen niet hoger is dan € 3.200; of b.het om een voertuig gaat dat aantoonbaar wegens medische redenen is aangepast. Artikel3.8Vrijlating giften 1.Onder een gift wordt verstaan: een herleidbaar geldbedrag, een verstrekking in natura of een andere ontvangst die onverplicht door de belanghebbende wordt ontvangen. 2. De ontvangst van een gift wordt door de belanghebbende tijdig bij het college gemeld. Dit geldt niet als het gaat om een gift van een charitatieve instelling als bedoeld in het zesde lid. 3. Een gift wordt in ieder geval vrijgelaten tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar. 4. Het meerdere boven het bedrag van € 1.200,- wordt tot de middelen van de belanghebbende gerekend. Individueel wordt beoordeeld of het meerdere als vermogen of als inkomen in aanmerking wordt genomen, waarbij: ontvangen geldbedragen met een periodiek karakter als inkomen worden aangemerkt indien de vrijlating als genoemd in het derde lid wordt overschreden; incidentele ontvangsten in beginsel aan het vermogen worden toegerekend. 5. Niet herleidbare ontvangsten in de vorm van kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van de belanghebbende of zijn gezinsleden worden in beginsel niet als een gift aangemerkt. 6. Een gift in de vorm van een verstrekking door een charitatieve instelling wordt niet tot de middelen gerekend. 7. Een gift die aan de belanghebbende wordt verstrekt ter aflossing van een problematische schuld wordt in beginsel vrijgelaten als het aannemelijk is dat door de aflossing van de schuld een belemmering voor re-integratie of schuldhulpverlening wordt weggenomen. Artikel3.9(Gereserveerd) Paragraaf4Krediethypotheek Artikel3.10Aanvullende begripsbepalingen 1.In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van deze beleidsregels wordt deze paragraaf verstaan onder: bijstand: algemene bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onder b, van de PW; BW: Burgerlijk Wetboek; geldlening: een geldlening als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de PW; krediethypotheek: een te vestigen zekerheidsrecht in de vorm van een hypotheek indien bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend; pandrecht: het recht van pand op roerende zaken, bedoeld in artikel 3:227 BW; registergoed: een goed als bedoeld in artikel 3:10 BW; woning: het woonhuis, woonschip of de woonwagen welke door belanghebbende en zijn gezin wordt bewoond en waarvan hij eigenaar is. 2.De regels die in deze paragraaf zijn opgenomen over het vestigen van een hypotheek worden op vergelijkbare wijze toegepast ten aanzien van het vestigen van een pandrecht. Artikel3.11Vestiging krediethypotheek 1.Indien de eigenaar van een woning een aanvraag om bijstand doet, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van artikel 50 van de PW. 2.Het college verbindt aan de verlening van bijstand de verplichting dat de belanghebbende meewerkt aan de vestiging van de krediethypotheek. Artikel3.12Hoogte hypotheek, taxatie woning en vestigingskosten 1.De geldlening, bedoeld in artikel 3.11 van deze paragraaf is ten hoogste de waarde van de woning in het economische verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de PW. 2.Voor de waardevaststelling, als bedoeld in het eerste lid, kan worden uitgegaan van de meest recente beschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) jaarlijks aan de belanghebbende wordt uitgereikt. 3.Op verzoek van de belanghebbende kan van de WOZ-waarde worden afgeweken met een taxatie, indien de vastgestelde waarde geen recht doet aan de huidige waarde en belanghebbende aantoonbaar in verzet is gekomen tegen de WOZ-waardebeschikking; 4.Voor de waardevaststelling in een situatie als bedoeld in het derde lid, kan een taxatierapport gebruikt worden dat niet ouder is dan twaalf maanden. 5.Bij het ontbreken van een recent taxatierapport vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een gemeentelijke taxateur. 6.De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verleend. Artikel3.13Opname voorwaarden hypotheekakte 1.Aan de geldlening worden in ieder geval de voorwaarden verbonden zoals genoemd in de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16. 2.De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte. Artikel3.14Aflossingsvoorwaarden hypotheek 1.Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. 2.Aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats. 3.Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van twee jaar vastgesteld, tenzij de aflossing voldoende is om de geldlening binnen de periode van tien jaar af te lossen. De aflossing wordt als regel bepaald op 60% van het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 4.Bij een inkomen dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen aflossing gevergd. 5.Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager of hoger bedrag vastgesteld. 6.Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 7.Indien de belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar verwijtbaar nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. Artikel3.15Rentevordering 1.Indien door toepassing van artikel 3.14, vierde tot en met het zesde lid, van dit verzamelbesluit na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is de belanghebbende vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 2.De rente, bedoeld in het eerste lid, is drie-vierde deel van de wettelijke rente. 3.Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 4.Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 5.Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. 6.De totale betalingsverplichting aan rente en aflossing wordt als regel bepaald op 60% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel3.16Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning 1.Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de op grond van artikel 3.15, derde en vierde lid, van dit verzamelbesluit bijgeschreven rente, direct afgelost. 2.Bij verkoop van de woning wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende kan het college, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening, eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning binnen de gemeente, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de PW volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. 3.Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. Artikel3.17Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking bijstandsverlening Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek. Artikel3.18Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen Aan de belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen. Hoofdstuk4Inkomensondersteuning en Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Paragraaf1Individuele inkomenstoeslag Artikel4.1Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder: •peildatum: de datum waarop een persoon de individuele inkomenstoeslag aanvraagt; •referteperiode: een periode van 36 aaneengesloten volle kalendermaanden direct voorafgaand aan de peildatum; •uitzicht op inkomensverbetering: de mogelijkheid om een ruimer inkomen te kunnen verkrijgen binnen twaalf maanden vanaf de peildatum, dan wel binnen twaalf maanden na beëindiging van de studie. Artikel4.2Uitzicht op inkomensverbetering 1.Er is in ieder geval sprake van uitzicht op inkomensverbetering zoals bedoeld in artikel 36 van de PW wanneer de belanghebbende: op de peildatum of tijdens de referteperiode uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of heeft gevolgd; jonger is dan 27 jaar en waarvan het plan van aanpak (deels) uit scholing bestaat; het op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de belanghebbende binnen twaalf maanden een inkomen kan verkrijgen dat tenminste gelijk is aan de voor hem geldende bijstandsnorm. 2.Wanneer in de laatste twaalf maanden van de referteperiode een maatregel is opgelegd vanwege het niet of onvoldoende nakomen van een arbeids- of re-integratieverplichting, heeft de belanghebbende onvoldoende inspanningen verricht om tot inkomensverbetering te komen en wordt geen individuele inkomenstoeslag toegekend. Paragraaf2Bijzondere bijstand Artikel4.3Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder: •bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c, van de PW. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm; •draagkracht: het gedeelte van het inkomen en het vermogen dat de belanghebbende moet aanwenden om in de kosten te voorzien; •inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31 en 32 van de PW inclusief vakantietoeslag. De uitkering op grond van de PW wordt ook tot het inkomen gerekend. •vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW; •vermogensgrens: de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de PW. Artikel4.4Uitgangspunten en werkwijze bij de verlening van bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand kan worden verleend als bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan: waarvoor geen aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening; waarin het inkomen niet voorziet; en die niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan. 2.De eigen kracht en de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staan centraal. 3.Bij de bijstandsverlening wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. 4.De kosten van een wettelijke eigen bijdrage bij een voorliggende voorziening worden geacht te kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm of een daarmee gelijk te stellen inkomen, tenzij sprake is van een stapeling van meerdere en noodzakelijk geachte eigen bijdragen; 5.Medische en paramedische kosten komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor deze kosten vormen de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg een passende en toereikende voorliggende voorziening. Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt en zich tegen ziektekosten verzekert. Dat houdt in dat naast de verplichte basisverzekering ook een aanvullende verzekering en een tandverzekering zijn afgesloten, die op grond van zijn persoonlijke omstandigheden als passend kunnen worden aangemerkt. 6.Bijzondere bijstand wordt in beginsel verleend op basis van de informatie die de belanghebbende verstrekt. Hierbij wordt verondersteld dat die informatie juist en volledig is totdat anders is gebleken. Controles vinden steekproefsgewijs plaats en ten onrechte verleende bijzondere bijstand kan worden teruggevorderd. Artikel4.5Termijn van indienen aanvraag 1.Hoofdregel is dat de belanghebbende de aanvraag om bijzondere bijstand indient voordat de kosten zijn gemaakt. 2.In afwijking van deze hoofdregel kan bijzondere bijstand worden verleend voor kosten die voorafgaand aan de aanvraag zijn gemaakt, indien: de aanvraag is ingediend binnen een termijn van 31 dagen nadat de kosten zijn gemaakt en het college de noodzaak van deze kosten op het moment van aanvraag nog kan vaststellen; in geval van bewindvoering, curatele en mentorschap de eerste aanvraag om bijzondere bijstand voor de aanvangswerkzaamheden en de daaruit volgende periodieke kosten is ingediend binnen vier maanden na de datum waarop de rechtbank uitspraak over de benoeming heeft gedaan. 3.Bij vervolgaanvragen voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap zijn het eerste en het tweede lid, onder a, van toepassing. Artikel4.6Draagkracht 1.Geen draagkracht is aanwezig bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en bij een vermogen dat lager is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. 2.Bij een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op 25% van het meerinkomen. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor bijzondere bijstand voor woonlasten een draagkrachtgrens van 100%. Dit betekent dat al het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm volledig als draagkracht wordt aangemerkt. 4.De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden bij de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing gelaten. 5.De hoogte van het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand. 6.Bij een vermogen dat hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens wordt het meerdere volledig als draagkracht aangemerkt. 7.De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van een jaar, beginnend op: de dag waarop de kosten zich hebben voorgedaan indien sprake is van incidentele kosten; de ingangsdatum van de bijstandsverlening als het gaat om periodieke kosten. 8.Bij een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand binnen het draagkrachtjaar wordt, in afwijking van het vorige lid, aangesloten bij het reeds vastgestelde draagkrachtjaar. Artikel4.7Hoogte bijzondere bijstand en drempelbedrag 1.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de in die situatie noodzakelijk geachte kosten en met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende. 2.Bijstandsverlening voor kostensoorten waarvoor het college normbedragen hanteert, is in beginsel gemaximeerd tot de in de verstrekkingenlijst genoemde bedragen. De verstrekkingenlijst is als bijlage bij dit verzamelbesluit gevoegd. Periodiek bepaalt het college of deze bedragen worden geïndexeerd. 3.Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd. Artikel4.8(Gereserveerd) Artikel4.9(Gereserveerd) Paragraaf3Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Artikel4.10Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op en gedeeltelijk in afwijking van artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder: alleenstaande ouder: de alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de PW; bijstandsnorm: de voor de inwoner van toepassing zijnde bijstandsnorm zonder vakantietoeslag. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm; boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover verslag wordt gedaan van de resultaten van het eigen bedrijf of zelfstandig beroep. eigen risico: het verplicht eigen risico als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet; inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31 en 32 van de PW zonder vakantietoeslag. De uitkering op grond van de PW wordt ook tot het inkomen gerekend. Bij gehuwden en samenwonenden wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen; instelling: een inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub f, ten tweede, van de PW en gevestigd in Apeldoorn; inwoner: de inwoner als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit van 18 jaar en ouder en met een laag inkomen; kind: het kind dat jonger is dan 18 jaar en: 1°. in het gezinsverband van de inwoner leeft; 2°. in de Basisregistratie Personen ook op het adres van de inwoner staat ingeschreven; 3°. waarvoor de inwoner kinderbijslag ontvangt; en 4°. waarvan de ouders over een laag of laag besteedbaar inkomen beschikken. Een pleegkind waarvoor de inwoner op grond van de Jeugdwet een pleeggeldvergoeding ontvangt, wordt met een kind gelijkgesteld; kind in een instelling: het kind dat op de peildatum jonger is dan 18 jaar en: 1°. voltijds verblijft in een instelling; 2°. in de Basis Registratie Personen op het adres van deze instelling is ingeschreven; 3°. daar minimaal twee maanden verblijft of naar verwachting nog twee maanden zal verblijven; en 4°. op de peildatum aan al deze vereisten voldoet; leges: de geheven rechten als bedoeld in artikel 2 van de Legesverordening Apeldoorn en de daarbij behorende tarieventabel; partner: de persoon met wie de inwoner een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW; peildatum: de datum waarop de leeftijd van het kind wordt vastgesteld, te weten: 1°. voor het tegoed in verband met schoolkosten: 1 juni in het jaar van verstrekking; 2°. voor het feestdagentegoed: 1 november in het jaar van verstrekking laag inkomen: een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de bijstandsnorm; laag besteedbaar inkomen: het vrij te laten bedrag dat overblijft voor de kosten van levensonderhoud indien sprake is van een wettelijke schuldsaneringsregeling of een schuldregeling via de afdeling Realisatie Sociaal; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW, waaronder de bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 en de verleende inkomensvoorziening op grond van de IOAW en IOAZ. Artikel4.11Doelgroep en voorwaarden 1.Voor een participatievoorziening als bedoeld in artikel 35b van de verordening komt in aanmerking de inwoner of het kind voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de toekenning van de participatievoorziening zijn gesteld. 2.In afwijking van het eerste lid heeft geen recht op een participatievoorziening de inwoner die: onderwijs volgt en aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel niet rechtmatig in Nederland verblijft. 3.Het bepaalde in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing indien de inwoner een alleenstaande ouder is. Artikel4.12Algemene bepalingen over aanvraag en verstrekking 1.Het college verstrekt op aanvraag een participatievoorziening aan de inwoner of het kind. 2.De aanvraag om een participatievoorziening wordt ingediend door: de inwoner die een voorziening aanvraagt voor zichzelf, zijn partner of zijn kind; de ouder met een laag of laag besteedbaar inkomen die een voorziening aanvraagt voor het kind; de tekenbevoegde vertegenwoordiger van een instelling indien het gaat om een kind in een instelling. 3.In afwijking van het eerste lid kan het college een participatievoorziening ambtshalve verstrekken indien: sprake is van een aanvraag om een tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten en de inwoner een uitkering ontvangt of wanneer deze participatievoorziening in het voorgaande jaar ook aan de inwoner of het kind is verstrekt; het gaat om een kidstegoed en het kind in hetzelfde jaar een tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten is toegekend en op de peildatum aan de voorwaarden voldoet. 4.De beoordeling of de inwoner, zijn partner of het kind aan de voorwaarden van de participatievoorziening voldoet vindt plaats op de datum van aanvraag. De leeftijd van het kind wordt bepaald aan de hand van de peildatum. Het inkomen wordt vastgesteld op het gemiddelde inkomen over twee maanden voorafgaand aan de maand van aanvraag. 5. Bij een inkomen uit arbeid of uitkering wordt het inkomen vastgesteld op het gemiddelde inkomen over twee maanden voorafgaand aan de maand van aanvraag, tenzij anders aangegeven. 6. Voor de vaststelling van het inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep wordt het bedrijfsresultaat (winst uit onderneming) over het voorgaande boekjaar verminderd met: de over het bedrijfsresultaat verschuldigde inkomstenbelasting; de premies volksverzekeringen; en de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet. Dit jaarbedrag wordt omgerekend naar een maandbedrag. 7. In afwijking van het zesde lid kan het college een andere periode in aanmerking nemen of een andere berekeningsmethode hanteren indien naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden. Artikel4.13Tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten 1.Het tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten wordt eenmalig per kalenderjaar verstrekt. 2.Het tegoed bedraagt: € 75,- voor de inwoner met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm; € 75,- voor het kind van de inwoner met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm; € 50,- voor de inwoner met een inkomen van 110% tot 120% van de bijstandsnorm. 3.Het tegoed kan worden besteed in de periode van 1 maart tot en met 29 februari bij de deelnemende organisaties en bedrijven die het college bekendmaakt via de gemeentelijke website. 4.De aanvraag wordt ingediend in de periode van 1 maart tot en met 31 december van het betreffende jaar. 5.In geval van ambtshalve verstrekking als bedoeld in artikel 4.12, derde lid, onder a, wordt het tegoed vanaf 1 maart en uiterlijk tot en met 31 december verstrekt. 6. Het tegoed zoals genoemd in het tweede lid wordt in 2022 eenmalig verhoogd met € 25,-. Artikel4.14Kidstegoed 1.Het kidstegoed wordt eenmalig per kalenderjaar verstrekt aan het kind dat op de peildatum jonger is dan 18 jaar. 2.Het kidstegoed wordt verstrekt in de vorm van: een tegoed in verband met schoolkosten in de maand juni, maar uiterlijk tot en met 15 oktober; en een feestdagentegoed in de maand november, maar uiterlijk tot en met 31 december. 3.De hoogte van het tegoed in verband met schoolkosten en het feestdagentegoed wordt vastgesteld aan de hand van de peildatum en bedraagt: € 50,- voor het kind in de leeftijd van 1 tot 12 jaar; € 100,- voor het kind in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. 4.Voor een feestdagentegoed als bedoeld in het tweede lid, onder b, komt tevens in aanmerking het kind in een instelling. De hoogte van het tegoed bedraagt € 50,-. 5.Het tegoed kan worden besteed bij de deelnemende organisaties en bedrijven die het college bekendmaakt via de gemeentelijke website. Besteding is mogelijk in de periode van: datum verstrekking tot 15 oktober als het gaat om het tegoed in verband met schoolkosten; datum verstrekking tot 1 februari wanneer het om het feestdagentegoed gaat. 6.De aanvraag ten behoeve van het kind van de ouder met een laag besteedbaar inkomen wordt ingediend gedurende de periode dat het betreffende tegoed kan worden besteed, maar uiterlijk tot en met 31 december indien het een aanvraag om een feestdagentegoed betreft. Artikel4.15Financiële tegemoetkoming Zwemdiploma A 1.Voor een financiële tegemoetkoming komt in aanmerking de inwoner die voor het kind aantoonbare kosten maakt voor het volgen van zwemlessen gericht op het behalen van zwemdiploma A. 2.De tegemoetkoming wordt eenmalig per kind op aanvraag verstrekt en op declaratiebasis uitbetaald. 3.De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en de leeftijd van het kind. Een specificatie van de maximale tegemoetkoming is opgenomen in de verstrekkingenlijst. 4.De aanvraag wordt ingediend binnen een jaar nadat de kosten zijn gemaakt. Artikel4.16Tegemoetkoming verplicht eigen risico 1.De inwoner komt in aanmerking voor een tegemoetkoming van zorgkosten die binnen het eigen risico van de zorgverzekering zijn gemaakt. 2.De tegemoetkoming wordt eenmalig per kalenderjaar op aanvraag verstrekt. 3.De hoogte bedraagt 50% van het verbruikt eigen risico. 4.De aanvraag wordt ingediend in het kalenderjaar waarop de zorgkosten betrekking hebben, maar uiterlijk op 31 januari van het daarop volgende jaar. Na afloop van deze termijn is in beginsel sprake van een te laat ingediende aanvraag en wordt geen tegemoetkoming verstrekt. 5.In afwijking van het vorige lid is geen sprake van een te laat ingediende aanvraag indien: de inwoner aantoonbaar niet eerder kon beschikken over de zorgnota of het overzicht van het verbruikt eigen risico; en de aanvraag uiterlijk is ingediend op 31 december in het jaar waarin de zorgnota of het overzicht van het verbruikt eigen risico is ontvangen. Artikel4.17Tegemoetkoming leges gehandicaptenparkeerkaart 1.Voor vergoeding van de verschuldigde leges komt in aanmerking de inwoner aan wie als bestuurder of passagier een gehandicaptenparkeerkaart is toegekend. 2.De aanvraag wordt ingediend binnen zes maanden na afgifte van de gehandicaptenparkeerkaart. 3.Vergoed wordt het tarief zoals genoemd in de tarieventabel van de Legesverordening van de gemeente Apeldoorn. 4.Verschuldigde leges in verband met verlies of diefstal van de gehandicaptenparkeerkaart of voor het wijzigen van de tenaamstelling komen niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel4.18Gegevensverstrekking en controle 1.De participatievoorzieningen worden in beginsel toegekend op basis van de door de inwoner verstrekte informatie. Hierbij wordt verondersteld dat de verstrekte informatie juist en volledig is totdat anders is gebleken. 2.In afwijking van het eerste lid bepaalt het college welke stukken bij de aanspraak op een participatievoorziening worden aangeleverd indien: sprake is een inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep; de inwoner bij een eerder toegekende participatievoorziening onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt. 3.Het college controleert steekproefsgewijs of de participatievoorziening rechtmatig is verstrekt en bepaalt welke bewijsstukken daarvoor aangeleverd worden. 4.De bewijsstukken als bedoeld in het tweede en derde lid kunnen betrekking hebben op alle voorwaarden die aan de toekenning van de participatievoorziening zijn gesteld. 5.Het college kan het recht op een participatievoorziening intrekken indien: in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en deze gegevens tot een onrechtmatige toekenning van de voorziening hebben geleid; de participatievoorziening niet aan het doel is besteed waarvoor de voorziening bestemd is. 6.Verstrekkingen die vanwege onjuiste of onvolledige inlichtingen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn uitgekeerd kunnen door het college worden teruggevorderd. Bedragen tot € 50,- worden niet teruggevorderd. Hoofdstuk5Schuldhulpverlening Artikel5.1Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in dit hoofdstuk verstaan onder: cliënt: persoon aan wie op grond van de Wgs schuldhulpverlening wordt gegeven; inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven; schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg; traject integrale schuldhulpverlening: het totaal van dienstverlening vanaf aanvraag schuldhulpverlening tot en met de afronding van de minnelijke schuldregeling, inclusief het opstellen van een aanvraag voor de wet schuldsanering natuurlijke personen en de nazorg; Artikel5.2Doelgroep en toegang 1.Iedere inwoner van 18 jaar en ouder kan bij het college een verzoek indien om toegelaten te worden tot de schuldhulpverlening. 2.Onder de inwoner als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de vreemdeling die als ingezetene rechtmatig verblijf houdt in Nederland. 3.Het college verleent aan de inwoner schuldhulpverlening indien de noodzaak hiervoor door het college aanwezig wordt geacht. Artikel5.3Vorm van ondersteuning 1.Het college verleent aan de inwoner schuldhulpverlening, gebaseerd op de uitgangspunten zoals neergelegd in de kaderstelling schuldhulpverlening. 2.Of en in welke vorm het college schuldhulpverlening aanbiedt, is van meerdere factoren afhankelijk en kan dus per situatie verschillen. De factoren die een rol kunnen spelen zijn: de aard en omvang van de schulden; de financiële situatie van de inwoner, waaronder verstaan de inkomsten, uitgaven en het recht op inkomensondersteunende voorzieningen; de achterliggende problematiek in relatie tot de oorzaak van de financiële problemen; de afstemming met en benutting van dienstverlening buiten de werking van de Wgs; een eventueel eerder gebruik van (een deel van
  2. de)integrale schuldhulpverlening; de behoeften en vaardigheden van de inwoner in relatie tot de kosten van de schuldhulpverlening en de hoogst mogelijke opbrengst voor de schuldeisers. Artikel5.4Weigeren en beëindigen 1.De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan worden geweigerd of beëindigd, indien de inwoner of cliënt: niet of niet langer behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 5.1 van dit hoofdstuk; de verplichtingen van de Wgs niet of niet voldoende nakomt; het traject integrale schuldhulpverlening (succesvol) is afgerond; zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden; op grond van, zo later is gebleken, onjuiste gegevens heeft verstrekt, terwijl als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het traject integrale schuldhulpverlening, ernstig misdraagt; zelf uitdrukkelijk verzoekt om de toegang tot de integrale schuldhulpverlening te beëindigen; zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schulden te willen oplossen; is komen te overlijden; schulden heeft die zijn ontstaan door fraude, als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wgs; 2.De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan tevens worden geweigerd of beëindigd indien de integrale schuldhulpverlening door het college niet (langer) noodzakelijk of passend wordt geacht, dan wel één van de factoren van artikel 5.3, tweede lid een belemmerende rol voor de schudhulpverlening spelen. 3.Alvorens te besluiten tot weigering of beëindiging, wordt de inwoner of cliënt een hersteltermijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen of informatie te verstrekken. Artikel5.5Herhaalde aanvraag 1.Indien in twee jaar tijd driemaal de toegang tot de integrale schuldhulpverlening is beëindigd, kan tot 24 maanden na de datum van de laatste beëindiging de toegang tot integrale schuldhulpverlening geweigerd worden. 2.In afwijking van het vorige lid kan een gezin met inwonende, minderjarige kinderen opnieuw toegang krijgen tot de integrale schuldhulpverlening als naar het oordeel van het college de oorzaak van de tussentijdse beëindiging vanwege de benodigde hulpverlening is weggenomen. Hoofdstuk6Herziening, terugvordering, invordering en verhaal Paragraaf1Herziening en terugvordering Artikel6.1Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in dit hoofdstuk verstaan onder: •bedrijfskapitaal: bijstand die op grond het Bbz 2004 in de vorm van een geldlening is verleend ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal; •beslagvrije voet: het deel van het inkomen waarop geen beslag gelegd mag worden, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; •bruteren: het verhogen van de vordering met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten als bedoeld in artikel 58, vijfde lid, van de PW en artikel 25, vijfde lid, van de IOAW en IOAZ; •draagkracht: dat deel van het inkomen dat de belanghebbende geacht wordt te kunnen aflossen aan een vordering waarbij rekening is gehouden met de wettelijke bepalingen omtrent de beslagvrije voet; •inlichtingenplicht: de verplichting als genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet SUWI; •niet-verwijtbare vordering: vordering die is ontstaan doordat in een bepaalde periode te veel of ten onrechte uitkering is verleend, zonder dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalatigheid van de belanghebbende zelf; •signaal: relevante informatie van de belanghebbende die een uitkering ontvangt waaruit het college concreet kan afleiden dat sprake is van een dusdanige fout dat op grond daarvan direct actie moet worden ondernomen om de uitkering aan te passen; •verwijtbare vordering: vordering die ontstaan doordat in een bepaalde periode te veel of ten onrechte uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht of anderszins het gevolg is van verwijtbaar handelen of nalatigheid van de belanghebbende. Artikel6.2Gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: •herziening of intrekking als bedoeld in artikel 54, derde lid en vierde lid, van de PW en artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW en IOAZ; •terugvordering als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 6.4, van de PW, waaronder artikel 12, tweede lid, onder c, en hoofdstuk 5 van het Bbz 2004 en hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de IOAW en IOAZ. Artikel6.3Uitgangspunten terugvordering Algemeen uitgangspunt is dat teveel of ten onrechte verstrekte uitkering wordt teruggevorderd en de belanghebbende de vordering volledig dient terug te betalen. Dit geldt ook voor bijstand die verleend is als bedrijfskapitaal. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat hierbij voorop. Artikel6.4Afzien van terugvordering (kruimelbedragen) Terugvordering blijft achterwege indien de hoogte van de teveel of ten onrechte verleende uitkering niet meer bedraagt dan € 50, tenzij: sprake is verwijtbaar gedrag van de belanghebbende; of de teveel of ten onrechte verleende uitkering kan worden verrekend met het tegoed aan vakantiegeld. Artikel6.5Brutering vordering De te veel of ten onrechte verleende uitkering wordt bruto teruggevorderd, tenzij: a.de vordering is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de aflossing van de vordering niet is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft; b.de vordering nog kan worden terugbetaald of verrekend voor het einde van het kalenderjaar (boekjaar) waarin de vordering is ontstaan. Paragraaf2Invordering Artikel6.6Wijze van invordering 1.Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering en verleend bedrijfskapitaal ineens binnen de gestelde termijn moet voldoen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van de PW en artikel 28, tweede lid, van de IOAW/IOAZ en met voorbijgaan aan de in het eerste lid genoemde betalingstermijn, gaat het college indien mogelijk over tot onmiddellijke verrekening met de uitkering als bedoeld in artikel 60, derde lid van de PW en artikel 28, derde lid, van de IOAW en IOAZ; 3.Indien volledige aflossing binnen de in het eerste lid genoemde betalingstermijn niet mogelijk is, stelt het college de maandelijkse aflossing in beginsel vast op: het bedrag boven de beslagvrije voet indien de belanghebbende een inkomen heeft ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm; 60% van de draagkracht met een minimumbedrag zoals vastgesteld onder a, indien het inkomen van de belanghebbende hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. 4.In afwijking van het derde lid, onder a, wordt de maandelijkse aflossing voor de als geldlening verstrekte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen op grond van artikel 51, van de PW vastgesteld op 5% van de van toepassing zijnde uitkeringsnorm. 5.In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, kan het aflossingsbedrag op verzoek van de belanghebbende lager worden vastgesteld indien: de vordering met het door de belanghebbende voorgestelde bedrag binnen een termijn van 36 maanden is afgelost; en het aflossingsbedrag minimaal € 20 per maand bedraagt. 6.Het onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden wordt periodiek en signaal gestuurd uitgevoerd door middel van gegevensuitwisseling met het Inlichtingenbureau. 7.Bij het niet (meer) nakomen van een opgelegde betalingsverplichting en bij het ontbreken van mogelijkheden tot verrekening met de uitkering, kan het college overgaan tot: een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; andere beslagen in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij ook tot executoriaal beslag op (on)roerende zaken of tot executoriaal beslag onder derden kan worden overgegaan door middel van het inschakelen van een deurwaarder; een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of een executoriaal beslag op onroerende zaken of onder derden overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door middel van het inschakelen van een deurwaarder. 8.In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder zoals vermeld in het zevende lid, kan de vordering worden verhoogd met de invorderingskosten met een minimum van € 40 en tot maximaal € 450 en met de wettelijke rente. Artikel6.7Ambtshalve afzien van (verdere) invordering na het voldoen van aan de betalingsverplichting Het college besluit ambtshalve om geheel of gedeeltelijk van (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende: a.gedurende 36 maanden zijn aflossingsverplichting voor de als geldlening verstrekte bijstand voor duurzame gebruiksgoederen als bedoeld in artikel 51, van de PW onafgebroken en naar draagkracht is nagekomen; b.gedurende een periode van twee jaar niet of zeer onregelmatig heeft afgelost op een vordering en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 125; c.gedurende vijf jaar geen aflossingen aan een niet-verwijtbare vordering heeft gedaan en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog gaat verrichten; d.de in onderdeel c genoemde termijn bedraagt tien jaar indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht. Artikel6.8Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding 1.Het college kan op mondeling of schriftelijk verzoek van de belanghebbende besluiten om een vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien de belanghebbende: zorgdraagt voor een gemotiveerd verzoek; en zijn aflossingsverplichting naar het oordeel van het college naar behoren is nagekomen; of zijn aflossingsverplichting naar het oordeel van het college niet naar behoren is nagekomen, maar een reëel bedrag van de nog openstaande vordering alsnog in één keer aflost. 2.De aanvragen zoals in het eerste lid vermeld, worden individueel beoordeeld. Deze beoordeling is afhankelijk van diverse factoren, maar in de afweging kan onder meer worden betrokken: de reden en de motivering van de aanvraag; de omvang en de ontstaansgrond van de vordering in relatie tot het huidig inkomen en aflossingsgedrag; de eventuele aanwezigheid van andere schulden, welke initiatieven de belanghebbende ter vermindering van de schuld heeft ondernomen of nog kan ondernemen; de vraag of deze vordering de belanghebbende in zijn uitstroom naar arbeid belemmert en op basis waarvan dit aannemelijk kan worden geacht; het huidig inkomen en de aanwezigheid of het ontbreken van perspectief, waaronder de kansen op betaald werk met verbetering van inkomen; de vraag of deze vordering tot problematische gezinsomstandigheden leidt, al dan niet in samenhang met eventuele medische en/of psychosociale problematiek. 3.Indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden. 4.In afwijking van het eerste tot en met derde lid is kwijtschelding van een vordering wegens verleend bedrijfskapitaal alleen mogelijk indien sprake is van een situatie als omschreven in artikel 42 en 43 van het Bbz 2004. Artikel6.9Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek 1.Het college kan op aanvraag van of namens de belanghebbende besluiten om een vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien: sprake is van een schuldregeling of redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling zonder een zodanig besluit niet tot stand kan komen; de belanghebbende naar het oordeel van het college zijn aflossingsverplichting naar behoren is nagekomen, waarbij de beoordelingscriteria van artikel 6.8, tweede lid, mede van toepassing zijn; en de vordering bij het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Het besluit tot kwijtschelding treedt niet eerder in werking dan het moment dat de schuldregeling tot stand is gekomen. 3.Het besluit tot kwijtschelding wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: de schuldregeling niet binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit tot stand is gekomen; de belanghebbende zijn schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en het college een ander besluit zou hebben genomen indien de verstrekte gegevens wel juist en volledig waren geweest. 4.Indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden. Artikel6.10Geen mogelijkheden tot buiten invordering stelling en kwijtschelding Het buiten invordering stellen of kwijtschelden van een vordering zoals bedoeld in de artikelen 6.7 tot en met 6.9 is in beginsel niet mogelijk indien: a.niet is voldaan aan de gestelde voorwaarden; b.de terugvordering van de uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende, tenzij voldaan is aan een van de criteria genoemd in artikel 58, zevende lid, van de PW of artikel 25, zevende lid, van de IOAW en IOAZ in samenhang met artikel 6.7 tot en met 6.8 van dit verzamelbesluit; c.de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden; d.de vordering een bestuurlijke boete betreft, tenzij voldaan wordt aan de criteria zoals bedoeld in artikel 7.3 van dit verzamelbesluit. Paragraaf3Verhaal Artikel6.11Aanvullende begripsbepalingen In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder: •onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van het levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak; •verhaalsbijdrage: kosten van bijstand die worden verhaald vanwege onderhoudsplicht, schenking of nalatenschap, zoals bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW Artikel6.12Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand als bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW. Artikel6.13Ambtshalve afzien van verhaal 1.Het college ziet in ieder geval af van het nemen van een besluit tot verhaal indien: de op te leggen verhaalsbijdrage lager of gelijk is aan het in de Trema-normen vastgestelde minimale alimentatiebedrag voor twee kinderen; daarvoor naar het oordeel van het college sprake is van zwaarwegende omstandigheden bij degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen; de kosten van bijstand zijn gemaakt meer dan vijf jaar voor de datum van het besluit tot verhaal, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62f, onder b, ten tweede, van de PW en dus sprake is van verhaal op de nalatenschap van de persoon aan wie bijstand is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht. 2.In geval van oninbaarheid kan het college besluiten om af te zien van het toepassen van verder verhaal, de inning van achterstallige verhaalsbijdragen of een combinatie hiervan. Van oninbaarheid is in ieder geval sprake indien de onderhoudsplichtige: gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of; gedurende twee jaar al dan niet betalingen heeft verricht en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 125. 3.Het college ziet af van verhaal in rechte als bedoeld in artikel 62g van de PW, indien: het totaal te verhalen bedrag naar verwachting niet hoger is dan € 600; het te verhalen bedrag naar verwachting lager is dan de door de rechtbank te maken kosten inzake de procedure voor personen “verdwenen onbekend waarheen”. Artikel6.14Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek 1.Het college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten om geheel of gedeeltelijk kwijtschelding te verlenen voor zover het verschuldigde verhaalsbedragen betreft die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, en indien: redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van het college wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Bij de toepassing van dit artikel is artikel 6.9 van dit verzamelbesluit onverkort van toepassing. Artikel6.15Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel (her)onderzoek 1.De verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 van de PW wordt opgelegd met ingang van de eerste maand volgend op de datum van aanschrijving van de debiteur. 2.Het college verricht tenminste eenmaal per 36 maanden een onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage. 3.Gewijzigde omstandigheden leiden in beginsel tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbijdrage, tenzij de eerdere verhaalsbijdrage voldoet aan de wettelijke maatstaven en de onderhoudsplichtige deze periodieke verplichting nakomt. 4.Het derde lid is niet van toepassing indien de onderhoudsplichtige vanwege de aflossing van schulden een hogere verhaalsbijdrage kan worden opgelegd. Artikel6.16Verhaal volgens rechterlijke uitspraak 1.Indien de belanghebbende de rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 62b, eerste lid, van de PW niet nakomt, wordt het besluit tot verhaal per brief aan de belanghebbende meegedeeld waarbij een betalingstermijn van 30 dagen van toepassing is. 2.Bij het uitblijven van betaling wordt de rechterlijke uitspraak bij dwangbevel ingevorderd, waarbij de bekendmaking van het dwangbevel plaatsvindt door middel van toezending per post. 3.In geval van beslaglegging als bedoeld in voorgaande lid, kan de vordering overeenkomstig het Besluit buitengerechtelijke kosten worden verhoogd met incassokosten en wettelijke rente. Artikel6.17Beslaglegging Indien degene aan wie de verhaalsbijdrage is opgelegd zijn betalingsverplichting na verzending van een laatste betalingsverzoek niet of onvoldoende nakomt, volgt invordering door middel van vereenvoudigd derdenbeslag of executoriaal beslag door middel van inschakeling van een deurwaarder. Hoofdstuk7Bestuurlijke boete Artikel7.1Beoordeling bestuurlijke boete Bij de beoordeling van een bestuurlijke boete zijn de bepalingen van de PW, IOAW en IOAZ en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten leidend. Artikel7.2Afronding In afwijking van de wettelijke bepalingen wordt de op te leggen bestuurlijke boete naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10. Artikel7.3Kwijtscheldingsmogelijkheden bij schuldenproblematiek Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Daarbij geldt als uitgangspunt dat aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Hoofdstuk8Slotbepalingen Artikel8.1Onvoorziene omstandigheden Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien het toepassen van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Daarnaast beslist het college in situaties waarin deze beleidsregels niet voorzien. Artikel8.2Intrekking oude beleidsregels en overgangsbepalingen 1.De Verzamelbeleidsregels 2018 Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van dit verzamelbesluit. 2.Aanvragen en verzoeken die zijn ingediend voor 1 januari 2020 en waarop nog niet is beslist, worden op grond van dit verzamelbesluit afgehandeld. 3.Bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de vorige verzamelbeleidsregels worden beoordeeld op grond van dit verzamelbesluit. Artikel8.3Inwerkingtreding en citeertitel 1.Dit verzamelbesluit treedt met ingang van 1 januari 2020 in werking. 2.In afwijking van het eerste lid werkt artikel 2.2 terug tot en met 1 januari 2019. 3.Dit verzamelbesluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn op Burgemeester en wethouders van Apeldoorn,de secretaris,de burgemeester,Toelichting Algemeen Dit verzamelbesluit bevat in hoofdzaak beleidsregels die een uitwerking zijn van de van toepassing zijnde wetgeving en de daaraan ten grondslag liggende Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2018. Sinds 1 januari 2018 zijn de eerdere afzonderlijke verordeningen op dit terrein gebundeld in één verzamelverordening. In navolging daarvan werden vanaf genoemde datum ook de beleidsregels geclusterd in een totaaldocument. Ingegeven door de actualisatie van het Sociaal Vangnet per 1 januari 2020 zijn deze beleidsregels met ingang van 1 januari 2020 gewijzigd. Hierbij is tevens sprake van een naamswijziging. Naast beleidsregels (die aangeven hoe het college met een bepaalde bevoegdheid omgaat) gaat het in twee hoofdstukken ook om nadere regels (zie hierna). Om dit in de naam tot uitdrukking te laten komen, maar zonder afbreuk te doen aan het uitgangspunt om te werken met één verzameldocument, zijn de eerdere verzamelbeleidsregels opnieuw vastgesteld. De bevoegdheid voor het opstellen van nadere regels (algemene regels op detailniveau) is alleen mogelijk indien het college daarvoor de bevoegdheid heeft gekregen. Deze bevoegdheid wordt ontleend aan de verordening en dit geldt alleen voor re-integratie en uitstroombevordering (hoofdstuk 2) en de Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet (hoofdstuk 4, paragraaf 3). In deze hoofdstukken zijn artikelen opgenomen die verder gaan dan een beleidsregel (over de wijze van uitvoering) omdat er voor bepaalde voorzieningen en doelgroepen rechten worden uitgebreid of beperkt (verplichtingen en voorwaarden die worden opgelegd). Voor het overige geldt dat dit verzamelbesluit beleidsregels en –kaders voor onder meer commerciële kostendeling, bijzondere bijstand, schuldhulpverlening en terug- en invordering bevat. Omschreven is op welke wijze het college uitvoering geeft aan de wettelijke beoordelingsruimte. Daar waar dat noodzakelijk wordt geacht, is vrij exact aangegeven hoe in een bepaalde situatie met een bevoegdheid omgegaan wordt. Dit is onder meer het geval bij het hanteren van de draagkrachtregels bij de verlening van bijzondere bijstand. Daarnaast is de beleidsvrijheid van het college op bepaalde onderdelen vrij gering en bepaalt de wetgever in belangrijke mate hoe in voorkomende situaties gehandeld dient te worden. Hierbij kan vooral worden gedacht aan terugvordering van te veel of ten onrechte verleende uitkering die het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht en daaruit volgende verplichting tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Op de terreinen waarbij wel sprake is van beleidsvrijheid, is uitdrukkelijk de keuze gemaakt om zoveel mogelijk regelruimte te creëren en wordt volstaan met (enkel) het formuleren van uitgangspunten en het bieden van een afwegingskader. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de inzet van re-integratievoorzieningen, het beoordelen van kwijtscheldingsverzoeken en aanvragen om bijzondere bijstand. Immers, het verlenen van maatwerk staat voorop en dat leent zich niet tot het formuleren van zeer gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Deze beleidsregels hebben dan ook zoveel mogelijk het karakter van een afwegingskader die voor de uitvoerende professional in nadere richtlijnen wordt uitgewerkt. Daarnaast bevatten deze beleidsregels alleen die items die in beleidsregels vastgelegd dienen te worden. Al hetgeen in de wetgeving en in de verzamelverordening is geregeld en wat in de toelichtingen van die regelgeving is vermeld, wordt niet of slechts zeer beperkt in deze beleidsregels beschreven. Toelichting per artikel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1Begripsbepalingen Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen. Begrippen die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de van toepassing zijnde wetgeving en de verordening. Artikel 1.2 Aanvraagformulier De belanghebbende dient gebruik te maken van de formulieren die het college heeft ontwikkeld voor aanvragen of verzoeken van bepaalde voorzieningen. Dat kan een ook digitaal formulier zijn. Voor alle verzoeken geldt als eis dat deze schriftelijk worden ingediend, tenzij anders is aangegeven. Hoofdstuk 2Re-integratie en uitstroombevordering Paragraaf 1Voorzieningen Artikel 2.1 Aanbieden van voorzieningen In de verordening is een overzicht opgenomen van door de re-integratievoorzieningen die het college in ieder geval kan inzetten. Daarbij is per voorziening aangegeven wat het doel van de voorziening is, voor welke duur die maximaal kan worden ingezet en waar nodig zijn aanvullende bepalingen vermeld. Artikel 2.2Werkvoorzieningen In dit artikel is omschreven onder welke voorwaarden de belanghebbende in aanmerking kan komen voor een werkvoorziening. Wat er onder een werkvoorziening wordt verstaan is neergelegd in artikel 21a van de verordening. Bij werkvoorzieningen gaat het per definitie om maatwerk. Daarom is volstaan met het formuleren van algemene voorwaarden en bepalingen waaraan in ieder geval moet worden voldaan. De verdere beoordeling van het recht op een werkvoorziening en de vorm waarin deze verstrekt wordt, is afhankelijk van de individuele omstandigheden. Artikel 2.3(Gereserveerd) Artikel 2.4 (Gereserveerd) Artikel 2.5(Gereserveerd) Artikel 2.6 (Gereserveerd) Artikel 2.7 (Gereserveerd) Artikel 2.8 (Gereserveerd) Artikel 2.9 (Gereserveerd) Artikel 2.10(Gereserveerd) Paragraaf 2Zelfstandigen op bescheiden schaal Artikel 2.11 Aanvullende begripsbepalingen In dit artikel wordt een toelichting gegeven bij enkele in deze beleidsregels gebruikte begrippen en afkortingen. Artikel 2.12Doelgroep In dit artikel wordt omschreven wanneer iemand voldoet aan het begrip ‘zelfstandige op bescheiden schaal’ en dus een beroep kan doen op de bepalingen van dit hoofdstuk. Het is bij dit artikel van belang dat de grens wordt aangegeven vanaf wanneer een persoon onder de werking van de Bbz 2004 valt, namelijk vanaf het moment dat er recht bestaat op de zelfstandigenaftrek van de Belastingdienst. Dit valt samen met het wettelijke urencriterium dat voor deze aftrek geldt van gemiddeld 23,5 uur per week. Vuistregel is dus dat er niet meer uren aan de zelfstandige activiteiten besteed kunnen worden met behoud van uitkering. De vestigingseisen moeten voorkomen dat onrechtmatig wordt gestart met gevaar, schade, hinder, overlast etc. voor de omgeving waarin het bedrijf/beroep is gevestigd. Formele vestigingseisen zijn controleerbaar via inzage in vergunningen/verklaringen. Daarnaast moet de zelfstandige ook alle wettelijk vereiste inschrijvingen hebben. Artikel 2.13Voorwaarden De zelfstandige moet vooraf toestemming vragen om met behoud van uitkering als zelfstandige op bescheiden schaal te gaan werken. De toestemming kan telkens voor twaalf maanden worden verleend. Uitgangspunt is hierbij dat de zelfstandige aan de voorwaarden moet blijven voldoen om verlenging van de toestemming te verkrijgen. Gedurende de periode waarvoor toestemming wordt verleend, is er frequent contact tussen de zelfstandige en het college. De toestemming om gebruik te maken van de mogelijkheden van deze beleidsregels kan ingetrokken worden of niet worden verlengd. Hiervoor geeft artikel 6, tweede lid, een aantal mogelijkheden. In de eerste plaats is intrekking van de toestemming mogelijk als de belanghebbende niet meer tot de doelgroep behoort. Daarnaast is intrekking mogelijk als de zelfstandige zich niet aan de voorwaarden of verplichtingen houdt. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen, het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen en het niet bijhouden van een deugdelijke boekhouding. Maar ook als er sprake is van een blijvend negatief bedrijfsresultaat kan besloten worden om geen toestemming (meer) te verlenen. Een deel van de administratie die de zelfstandige bij moet houden bestaat uit de urenadministratie. Via deze overzichten kan beoordeeld worden of het urencriterium niet wordt overschreden. Daarnaast kan aan de hand van een maandelijks inkomensoverzicht het inkomen per maand berekend worden. Uitgangspunt is de zelfstandige voor het bijhouden van zijn administratie en boekhouding zich moet houden aan de eisen die de Belastingdienst hiervoor heeft opgesteld. De boekhouding moet bestaan uit een jaarrekening (inclusief balans en verlies- en winstrekening) en eventueel een kasboek (in combinatie met een BTW-aangifte). Het ontbreken van zo’n administratie wordt gelijk gesteld met oneigenlijk gebruik en/of misbruik van de uitkering en kan leiden tot intrekking van de toestemming, terugvordering van de uitkering en het opleggen van een bestuurlijke boete of maatregel. In het plan van aanpak worden alle afspraken vastgelegd die met de zelfstandige zijn gemaakt. Het is van belang dat in het plan van aanpak alle administratieve verplichtingen en gevolgen van het niet nakomen van deze verplichtingen goed worden opgenomen. Artikel 2.14Kosten en inkomsten Deze regeling is niet bedoeld om ondernemers met een uitkering een betere positie te bieden op de markt dan fulltime ondernemers. Het is dan ook van belang dat de zelfstandigen tarieven hanteren die marktconform zijn. Of het gehanteerde tarief marktconform is, wordt bepaald door het college. Als leidraad wordt hiervoor genomen: de gemiddelde tarieven die door vergelijkbare ondernemers in de regio worden gehanteerd. Met opgevoerde kosten wordt rekening gehouden voor zover deze vanuit bijstandsoogpunt redelijk te achten zijn. De Belastingdienst kan hierbij mogelijk een afwijkend oordeel geven. Bij zelfstandige activiteiten op bescheiden schaal is het uitgangspunt dat deze activiteiten op korte termijn beëindigd kunnen worden. Er kunnen dus in beginsel geen langlopende verplichtingen aangegaan worden. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor opgevoerde kosten die samenhangen met de huur van een bedrijfspand of het aannemen van personeel. Daarnaast kan er (indirect) geen bijstand worden verleend voor schulden of investeringen in het bedrijf. Ook de afschrijvingen die plaatsvinden met betrekking tot deze investeringen worden niet meegenomen als kosten. Ondernemers moeten inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen afdragen over hun inkomsten uit bedrijf. Bij het vaststellen van de inkomsten uit de werkzaamheden als zelfstandige op bescheiden schaal wordt hiermee rekening gehouden. Het omrekenen van ‘bruto omzet’ naar ‘netto omzet’ vindt plaats door de toepasselijke belastingtarieven en -schijven van de Wet inkomstenbelasting 2001 te hanteren. Voor mensen met een bijstandsuitkering hebben we het dan in principe over de eerste schijf. Voor de IOAW geldt dat het belastbare inkomen uit onderneming als inkomen wordt aangemerkt. Dit betekent dus dat voor deze doelgroep geen rekening wordt gehouden met af te dragen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. De inkomensvrijlating van de PW en de IOAW kan ook op de inkomsten uit onderneming toegepast worden. Wanneer de zelfstandige onder de doelgroep van de vrijlating van inkomsten op grond van de PW of IOAW valt, wordt over het te korten bedrag aan inkomsten uit eigen bedrijf/beroep de vrijlating berekend. Er vindt een maandelijkse verrekening plaats van de inkomsten die de zelfstandige op bescheiden schaal genereert uit de zelfstandige activiteiten. Dit betreft een voorlopige verrekening. Aan de hand van de jaarcijfers en kopie belastingaangifte wordt het inkomen definitief vastgesteld. Er volgt eventueel terugvordering of nabetaling afhankelijk van het definitieve inkomen. Is er geen sprake van winst maar van verlies, dan volgt geen nabetaling boven bijstandsniveau. Dit zou namelijk betekenen dat een niet-levensvatbaar bedrijf in stand wordt gehouden. Hoofdstuk 3Bijstandsverlening Paragraaf 1Commerciële kostendeling Artikel 3.1Aanvullende begripsbepalingen Het begrip woning is in de PW niet gedefinieerd. Uit de totstandkoming en de wetsgeschiedenis van de PW volgt dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Anti-kraak en tijdelijke bewoning in geval van leegstand worden in de regel door professionele commerciële partijen aangeboden. Veelal is de belanghebbende daarvoor een vergoeding verschuldigd, maar bestaat er geen recht op huurtoeslag. Vanaf 1 januari 2020 zijn ook de (verschuldigde) vergoedingen voor bruikleen of tijdelijke huur als woonlasten gedefinieerd en kan bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering met deze vergoeding rekening worden gehouden. Net als bij reguliere huur of kamerhuur geldt dat bijkomende kosten voor bijvoorbeeld energie, water of containergebruik buiten beschouwing worden gelaten. Artikel 3.2 Commerciële prijs In artikel 22a van de PW en artikel 5 van de IOAW en IOAZ wordt gesproken over een commerciële prijs. De hoogte van deze prijs is niet in deze wetsartikelen of de memorie van toelichting vastgelegd. In dit beleidsartikel is aangegeven wat in de verschillende woonsituaties als een commerciële prijs wordt aangemerkt, waarbij aansluiting is gezocht bij de begrippen uit de Wet op de huurtoeslag. Artikel 3.3(Gereserveerd) Paragraaf 2Verlaging bijstand Artikel 3.4 Verlaging bijstandsnorm bij geen of lage woonlasten Om meer recht te doen aan het onderscheid tussen een belanghebbende die lage woonlasten heeft en de belanghebbende die geen woonlasten heeft, is de formulering zodanig dat daarmee beoordelings- en dus regelruimte ontstaat. Afhankelijk van de feitelijke woonsituatie kan de hoogte van de verlaging binnen de aangegeven marge individueel afgestemd worden. De norm wordt met (maximaal) 15% verlaagd als de belanghebbende geen woning bewoont. Deze bepaling ziet onder andere op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die een woning bewonen. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een verlaging van maximaal 15% van de gehuwdennorm. Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie is in ieder geval sprake: 1. bij het niet aanhouden van een woning; 2. bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden; 3. indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door de belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm te verlagen op grond van artikel 27 van de PW. Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 van de PW noch in het kader van artikel 33, eerste lid, van de PW rekening wordt gehouden met de situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het individualiseringsbeginsel van artikel 18, eerste lid, van de PW. Artikel 3.5 [vervallen] Artikel 3.6Herziening verlaging bij maatregel (inkeerbepaling) Sinds 1 januari 2015 is een aantal arbeidsverplichtingen in de PW geüniformeerd. Die verplichtingen zijn opgenomen in artikel, vierde lid, van de PW en in de verordening ingedeeld in artikel 26, vijfde lid. In artikel 18, elfde lid, van de PW is de zogeheten inkeerregeling neergelegd die het mogelijk maakt de verlaging te herzien zodra de uit de houding en de gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de betreffende verplichtingen (alsnog) nakomt. Dit gebeurt alleen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende indien hij daarbij aantoont dat hij voldoet aan het bepaalde in het eerste lid. Het is aan de belanghebbende om te bepalen op welke manier hij dit aantoont. De maatregel wordt niet eerder stopgezet dan nadat één maand is geëffectueerd. Wanneer bijvoorbeeld op grond van artikel 30 van de verordening in de eerste maand 35% van de maatregel wordt verrekend, is stopzetting van de maatregel mogelijk vanaf de tweede maand. Dit betekent dat feitelijk maar 35% geëffectueerd wordt. De overige 65% vervallen met toepassing van de inkeerbepaling. In geval van recidive wordt altijd minimaal 100% ingehouden in de eerste maand. Vanaf de tweede maand is toepassing van de inkeerbepaling mogelijk. Daarnaast wordt de maatregel niet eerder gestopt dan met ingang van de datum dat het verzoek van belanghebbende is ontvangen. Wanneer de maatregel is opgelegd wegens niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, wordt de maatregel niet gestopt. Paragraaf 3Vrijlatingen bij vermogen Artikel 3.7Vrijlating bezit voertuig Bij het vaststellen van het vermogen wordt de waarde van één of meerdere voertuigen die op naam van de belanghebbende of één van zijn gezinsleden geregistreerd staan in ieder geval vrijgelaten voor zover de (gezamenlijke) waarde niet hoger is dan € 3.200. De toevoeging ‘in ieder geval’ laat ruimte om in uitzonderlijke situaties een hogere waarde vrij te laten. Dit geldt vooral in relatie tot de arbeids- en re-integratieverplichtingen en uiteraard binnen redelijk te achten grenzen. Gedacht kan worden aan de situatie waarin de belanghebbende de auto aantoonbaar nodig heeft voor zijn werk, bijvoorbeeld werk in een buitengebied, onregelmatige werktijden, nachtdiensten, etc. Wanneer de overschrijding van de vrijlatingsgrens zo gering is dat het inruilen van deze auto geen meerwaarde heeft, kan de waarde van deze auto volledig worden vrijgelaten. Dit is ter beoordeling van het college. Artikel 3.8 Vrijlating giften Op grond van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder m, van de Participatiewet worden giften niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan vrijlating van giften niet onbeperkt zijn. Door giften (tot een bepaalde grens) niet in aanmerking te nemen als middelen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. In dit artikel zijn bepalingen opgenomen hoe met de ontvangst van een gift wordt omgegaan, al blijft dit per definitie een individuele beoordeling (en dus maatwerk). Dit artikel is alleen van toepassing als sprake is van een gift die uit vrijgevigheid en zonder een vorm van tegenprestatie door een derde aan de belanghebbende wordt verstrekt. De gift moet herleidbaar zijn, hetgeen betekent dat er geen onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de gift en de bestemming daarvan. De vrijlatingsbepaling in dit artikel kan geen betrekking hebben op inkomsten uit of in verband met (vrijwilligers)werk. Daarvoor gelden andere wettelijke (vrijlatings)bepalingen. De belanghebbende dient de ontvangst van een gift altijd en tijdig bij de gemeente te melden. Dat valt onder inlichtingenplicht en geldt ook als het ontvangen bedrag lager is dan het vrijlatingsbedrag. Door een tijdige individuele beoordeling (is er sprake van een gift en kan deze – volledig - worden vrijgelaten) wordt getracht om een eventuele terugvordering van bijstand zoveel mogelijk te voorkomen. Een uitzondering geldt voor de gift die wordt ontvangen van een charitatieve instelling (zie hierna). Deze hoeft niet te worden gemeld. Een gift kan zowel eenmalig worden ontvangen of een bepaalde periodiciteit kennen. Daarnaast kan de gift in verschillende vormen ontvangen worden, zoals een overschrijving per bank, contant of in natura. Giften worden vrijgelaten voor zover op jaarbasis een bedrag van € 1.200,- niet wordt overschreden. Dit bedrag is voor alle uitkeringsnormen gelijk. Het hanteren van één bedrag zorgt voor gelijkheid onder alle belanghebbenden met een bijstandsuitkering, ook wanneer men gedurende het jaar verschillende uitkeringsnormen ontvangt. Is de gift - of het totaal aan giften - hoger dan de vrijlatingsgrens, dan wordt het meerdere tot de middelen van de belanghebbende gerekend. Alleen indien sprake is van bijzondere omstandigheden en de gevolgen voor de inwoner zeer onredelijk uitpakken, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. In ieder geval geldt daarbij de vereiste dat de gift vanuit bijstandsoogpunt verantwoord moet zijn. Wanneer het een gift in natura betreft wordt de waarde daarvan bepaald door de waarde in het economisch verkeer. Dit geldt niet voor verstrekkingen door een charitatieve instelling, waarbij gedacht kan worden aan de Voedselbank, de Kledingbank, Stichting Leergeld of een kerkelijke instelling. Die verstrekkingen worden niet tot de middelen gerekend en blijven volledig buiten beschouwing. Niet-herleidbare ontvangsten zijn ontvangsten waarvan de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gift. Deze ontvangsten worden tot de middelen gerekend en aangemerkt als inkomen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien de belanghebbende aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat de ontvangen bedragen als een gift kunnen worden aangemerkt. Giften in de vorm van betaling voor schulden kunnen worden vrijlaten als de aflossing van de schuld naar het oordeel van het college de eventuele re-integratie en/of schuldhulpverlening ten goede kan komen. Artikel 3.9.(Gereserveerd) Paragraaf 4Krediethypotheek Artikel 3.10Begripsbepalingen Voor wat betreft het onderscheid tussen een krediethypotheek en een pandovereenkomst is relevant dat op grond van artikel 3, zesde lid, van de PW een woonwagen en een woonschip met een woning worden gelijkgesteld. Ook bij bewoning van woonwagen of een woonschip dient de bijstand (bij overschrijding van het vrij te laten vermogen) daarom als lening te worden verstrekt. Net als woonschepen onder een bepaald tonnage zijn woonwagens geen registergoederen. Hierdoor is het vestigen van een hypotheek in deze gevallen niet aan de orde. Wel kan er een pandovereenkomst worden gesloten, die zoveel mogelijk op dezelfde wijze als de hypotheek kan worden opgezet en afgewikkeld. Artikel 3.11 Vestiging krediethypotheek De aanvraag voor een krediethypotheek wordt beoordeeld aan de hand van artikel 50 van de PW. Uit dat artikel volgt dat de bijstand alleen in de vorm van een geldlening wordt verstrekt indien de te verlenen bijstand over de periode van een jaar naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de PW en het vermogen dat is gebonden aan de woning en het bijbehorende erf hoger is dan de vrijlatingsgrens als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de PW. De medewerkingsverplichting wordt ontleend aan artikel 48, derde lid, van de PW. Artikel 3.12 Hoogte hypotheek, taxatie woning en vestigingskosten ten laste van belanghebbende Met de in het eerste lid genoemde “daarop drukkende schulden” worden alleen schulden bedoeld die zijn aangegaan ten behoeve van de woning, zoals de financiering van de aankoop of een verbouwing. Nadrukkelijk niet in aanmerking komen onder meer consumptieve kredieten waarvoor de woning als zekerheid is gesteld, of opnames van overwaarde die niet zijn aangewend ten behoeve van de woning. Voor de in het tweede lid genoemde WOZ-waarde geldt dat de vastgestelde waarde in de meest recente WOZ-waardebeschikking bepalend is. Op verzoek van de belanghebbende kan een taxatie plaats vinden als de WOZ-waarde naar zijn mening niet overeenstemt met de waarde in het economische verkeer, maar dan zal wel door de belanghebbende aangetoond moeten worden dat er een bezwaarschrift is ingediend tegen de WOZ-beschikking conform het derde lid. Het kan immers niet zo zijn dat ten tijde van (het onderzoek naar) het vestigen van een krediethypotheek pas naar voren wordt gebracht dat de WOZ-beschikking niet overeenstemt met de waarde van de woning. Indien belanghebbende in bezit is van een taxatierapport als bedoeld in het vierde lid kan dit rapport gebruikt worden voor de waardevaststelling van het derde lid. Wanneer een dergelijk rapport ontbreekt, kan een taxatie plaatsvinden door een taxateur of erkend makelaar die in overleg met belanghebbende belast wordt met de taxatie. Een waardebepaling wordt niet aangemerkt als een taxatierapport als bedoeld in dit artikel. De kosten verbonden aan taxatie, vestiging van de hypotheek, inschrijving van de hypotheekakte en bijkomende kosten als bedoeld in het zesde lid komen voor rekening van belanghebbende. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verleend, indien aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. Bijzondere bijstand kan niet in de vorm van krediethypotheek verstrekt worden en dus wordt deze bijzondere bijstand als bijstand om niet verstrekt. Artikel 3.13 Opname voorwaarden in hypotheekakte Bij gebruikelijke bedingen die ook in de hypotheekakte of de akte van geldlening moeten worden opgenomen kan gedacht worden aan het beding tot beperking van de bevoegdheid tot verhuur of verpachting. Artikel 3.14 Aflossingsvoorwaarden hypotheek De aflossingsperiode van de lening wordt in het eerste lid bepaald op ten hoogste tien jaar. Dit komt erop neer dat jaarlijks in beginsel 10 procent van de schuld moet worden terugbetaald. Door de duur waarin een aflossing gevergd wordt beperkt te houden, is deze voor zowel de belanghebbende als de gemeente overzienbaar. In het tweede tot en met vijfde lid wordt geregeld dat de maandelijkse aflossing na beëindiging van de bijstandsverlening in beginsel gelijk is aan het bedrag dat zou volgen uit tien jaar aflossing, dus 1/120 van de geldlening. De aflossing wordt als regel bepaald op 60% van het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm, maar afhankelijk van de omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Dit kan op initiatief van de gemeente en op verzoek van de belanghebbende zelf. Aangezien de hoogte van het inkomen en de noodzakelijke uitgaven geen vast gegeven hoeven te zijn, is bepaald dat het maandelijkse aflossingsbedrag telkens voor twee jaar wordt vastgesteld, tenzij het vastgestelde aflossingsbedrag toereikend is om de geldlening binnen de periode van tien jaar af te lossen. Geregeld is dat bij een inkomen op bijstandsniveau geen aflossing wordt gevergd. Daardoor blijft het inkomen tot dat niveau beschikbaar voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Op grond van het zesde lid kan rekening worden gehouden met bijzondere bestaanskosten. Dit geldt overigens niet als in die bijzondere bestaanskosten op een andere manier is of kan worden voorzien. Wanneer belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar verwijtbaar nalatig is om de vastgestelde aflossing te voldoen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening op grond van het zevende lid terstond opeisbaar en is daarover de wettelijke rente verschuldigd. Wanneer het vanwege een opstelling van de belanghebbende niet mogelijk is om hiervoor een regeling te treffen, staan in het uiterste geval middelen als beslag op het inkomen en executoriale verkoop van de woning ter beschikking. Artikel 3.15Rentevordering Het beperken van de aflossingsperiode betekent niet dat in alle gevallen de geldlening binnen tien jaar volledig zal zijn terugbetaald. Er wordt immers rekening gehouden met de hoogte van het inkomen na de bijstandsperiode. Wanneer na tien jaar niet het volledige geleende bedrag blijkt te zijn afgelost, wordt het restant in ieder geval afgerekend bij verkoop of vererving van de woning. Aan belanghebbende wordt dan geen vooraf vastgestelde aflossingsverplichting meer opgelegd. Wel is het redelijk om rente in rekening te brengen. Er is immers reeds tien jaar gelegenheid gegeven om rentevrij af te lossen en dus ook om het vermogen terug op te bouwen. De renteverplichting die na tien jaar ingaat, stimuleert wel het verrichten van aflossingen. Het kan zich voordoen dat belanghebbende naar het oordeel van de gemeente de rente of een gedeelte daarvan kan opbrengen, maar dat belanghebbende daardoor niet aan aflossen toe kan komen. De renteverplichting belemmert dan het aflossen. Om dit te vermijden, is aangegeven dat de betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de renteverplichting wordt aangemerkt als aflossing. Dit is in overeenstemming met het gegeven dat in de eerste tien jaar voorrang wordt gegeven aan het aflossen van de geldlening. De bij de schuld bij te schrijven rente die telkens niet betaald kan worden zal, omdat er wordt afgelost, op termijn afnemen. Is er naar het oordeel van de gemeente voor belanghebbende geen mogelijkheid om de rente te betalen, dan wordt deze bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Het is dan niet te vermijden dat de totale schuld blijft oplopen. Omdat over de bijgeschreven rentevordering geen rente is verschuldigd, loopt de totale schuld niet oneindig op. Wanneer de geldlening geheel is afgelost, zal de renteverplichting die op dat moment moet worden berekend nihil zijn. Het tot dat moment bijgeschreven totaalbedrag aan rentevorderingen wordt verder op de gebruikelijke wijze afgewikkeld. Voor zover dat bedrag niet betaald kan worden, wordt dat afgerekend bij verkoop van de woning zoals ook gebeurt als een deel van de geldlening niet kan worden afgelost. Artikel 3.16 Aflossing hypotheek bij vererving en verkoop woning Terugbetaling van de geldlening zoals vermeld in het eerste lid geldt ook bij verkoop tijdens het ontvangen van bijstand wanneer er dringende redenen zijn om te verhuizen. Er zal eerst afgerekend moeten worden voordat een nieuwe hypotheek kan worden gevestigd. Expliciet is geregeld dat de krediethypotheek naar een andere koopwoning binnen de gemeente Apeldoorn kan worden meegenomen wanneer bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van betrokkene daartoe aanleiding geven. Het omzetten van de krediethypotheek naar een andere woning, als de belanghebbende de gemeente verlaat, wordt niet wenselijk geacht. Deze mogelijkheid komt er dus op neer dat belanghebbende het vrijgekomen vermogen niet hoeft in te zetten voor de bestaansvoorziening, maar daarmee een meer passende woning kan aankopen. Aangezien de laatste hypotheek in verband met de bijstandverlening is afgelost, ontbreken deze middelen voor de aankoop van een andere woning. Burgemeester en wethouders kunnen deze middelen als nieuwe lening onder verband van krediethypotheek ter beschikking stellen. Als voorwaarde hiervoor geldt dat belanghebbende het na afrekening vrijgekomen vermogen volledig inzet bij het kopen van een vervangende woning. Met deze uitzondering op het inzetten van vrijgekomen vermogen voor de bestaansvoorziening en de mogelijkheid tot het verstrekken van een nieuwe geldlening wordt vermeden dat een verhuizing wegens bijzondere omstandigheden nadeliger uitwerkt dan het aanhouden van de woning. Een verkoop van de woning hoeft niet meteen gepaard te gaan met een financiële afwikkeling. Dit zal doorgaans plaatsvinden bij de overdracht van de woning. Vanaf het moment waarop belanghebbende over de opbrengst kan beschikken, zal de resterende geldlening aan de gemeente in één keer moeten worden terugbetaald. Wanneer de woning wordt verkocht tegen een prijs die doelbewust beneden de geldende marktwaarde ligt, is er geen aanleiding om het resterende bedrag van de lening kwijt te schelden. Overigens zal, als de woning wel tegen de geldende marktwaarde is verkocht, de volledige opbrengst moeten worden aangewend ter aflossing van de hypothecaire schulden, waaronder de krediethypotheek. Pas als dit niet toereikend is, wordt de vordering kwijtgescholden. Artikel 3.17Toepassing laatst gevestigde hypotheek bij niet-duurzame onderbreking bijstandverlening In de praktijk blijkt het voor te komen dat iemand na beëindiging van de bijstandverlening in de vorm van een krediethypotheek opnieuw op bijstand aangewezen raakt. Bij gelegenheid van de nieuwe aanvraag behoort dan een nieuwe vaststelling van het maximaal te lenen bedrag. Bij een niet al te lange onderbreking van de bijstandverlening moet er echter van worden uitgegaan dat de nieuwe bijstandsbehoeftigheid niet los kan worden gezien van die daarvoor. Voor zover het maximale bedrag van die geldlening nog niet is aangesproken, hetzij door een voortijdige beëindiging van de bijstand, hetzij door inmiddels verrichte aflossingen, wordt de te verlenen bijstand ten laste daarvan geboekt. Is het maximale bedrag wel volledig aangesproken, dan wordt de bijstand verder om niet verleend. Artikel 3.18Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen Ook na afloop van de maximale aflossingsperiode van tien jaar wordt, als er nog een deel van de geldlening moet worden afgelost, aan belanghebbende een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de eventueel bijgeschreven rentevorderingen. Hoofdstuk 4 Inkomensondersteuning en Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet Paragraaf 1Individuele inkomenstoeslag Artikel 4.

De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum en kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om de individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de jurisprudentie daarover. De referteperiode is door het college vastgesteld op een periode van 36 aaneengesloten maanden, direct voorafgaand aan de peildatum. Daarbij is verondersteld dat bij een minimuminkomen na een periode van drie jaar niet of nauwelijks nog sprake is van reserveringsruimte. Ook het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is van mening dat na drie jaar de reserverings-mogelijkheden minimaal worden. Artikel 4.2 Uitzicht op inkomensverbetering In artikel 36 van de PW zijn de voorwaarden genoemd om in aanmerking te komen voor een individuele inkomenstoeslag. In de verordening zijn regels vastgesteld over de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en ten aanzien van de begrippen langdurig en laag inkomen. In dit artikel is invulling gegeven aan het begrip uitzicht op inkomensverbetering. In het eerste lid is aangegeven bij welke groepen in ieder geval sprake is van uitzicht op inkomensverbetering. De beoordeling of er al dan niet sprake is van ‘uitzicht op inkomensverbetering’ dient aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval plaats te vinden. Hierbij is de visie van de betreffende trajectregisseur van grote betekenis. Een student heeft geen recht op een individuele inkomenstoeslag omdat hij uitzicht heeft op inkomensverbetering, ook wanneer de studie nog meer dan twaalf maanden duurt. Uiteraard kan hier in bijzondere individuele omstandigheden van worden afgeweken. De term ‘uit Rijks kas bekostigd onderwijs’ volgt uit de PW. Omwille van een eenduidige begripsvorming en om misverstanden te voorkomen, wordt in dit verzamelbesluit daarom bij dat begrip aangesloten. Naast leerlingen en studenten die een opleiding of studie volgen waarvoor aanspraak op Studiefinanciering bestaat, gaat het hierbij om leerlingen die de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) volgen. Bij de volgende groepen wordt verondersteld dat hun krachten en bekwaamheden onvoldoende zijn om uitzicht te hebben op inkomensverbetering: - belanghebbenden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%; - belanghebbenden met uitkering PW met een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting. Niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag komt de belanghebbende aan wie in de laatste twaalf maanden van de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens het niet (voldoende) nakomen van de arbeids- en/of re-integratieverplichting. Paragraaf 2Bijzondere bijstand Artikel 4.3 Aanvullende begripsbepalingen Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 4.4 Uitgangspunten en werkwijze bij verlening van bijzondere bijstand Het in het eerste lid neergelegde uitgangspunt omvat het wettelijk kader zoals dat in artikel 35 van de PW is neergelegd. Het recht op bijzondere bijstand voor bepaalde kosten is sterk afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval en kan dan ook slechts van geval tot geval worden beoordeeld. De uitgangspunten in dit artikel zijn dus/daarbij richtinggevend, maar niet allesbepalend. Waar nodig wordt maatwerk geboden. Uiteraard binnen de kaders van de wet en de vaste rechtspraak, maar wel met zoveel mogelijk regelruimte. In bijzondere situaties kan het noodzakelijk zijn om van bepaalde uitgangspunten af te wijken. Dat is waar maatwerk om draait. Het beoogde effect is daarbij ook van grote betekenis. Werken volgens de maatwerkgedachte betekent niet dat ‘alles kan’. Centraal staat de vraag: wat is nodig? Beoordeeld wordt of en op welke manier de gevraagde ondersteuning kan worden geboden. Deze paragraaf bevat derhalve geen opsomming van te onderscheiden kostensoorten. Waar nodig wordt voor de uitvoerend medewerkers in uitvoeringsrichtlijnen aangegeven welke afwegingen in een bepaalde situatie relevant zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Omdat gemeente Apeldoorn sinds 1 januari 2020 geen collectieve aanvullende zorgverzekering meer kan aanbieden, dient de belanghebbende zelf zorg te dragen voor een passende aanvullende zorgverzekering. Wettelijk uitgangspunt is dat voor medische en paramedische kosten geen bijzondere bijstand kan worden verleend. De Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg gelden als een passende en toereikende voorliggende voorziening, ook wanneer de kosten niet volledig worden vergoed of wanneer een wettelijke eigen bijdrage is verschuldigd. De eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende brengt met zich mee dat hij zich passend verzekert, hetgeen ook inhoudt dat hij zorgdraagt voor een passende aanvullende verzekering. Gebruikmaking van digitale keuzemodellen kan ondersteuning bieden bij het kiezen van een goede en passende verzekering. Met de term ‘passend’ wordt bedoeld dat keuze voor een aanvullende verzekering recht doet aan de individuele omstandigheden van de belanghebbende én zijn eigen verantwoordelijkheid hierin. Van de belanghebbende die reeds bekend is met een bepaalde ziekte of aandoening – en daardoor bepaalde kosten maakt, mag verwacht worden dat hij hiermee rekening houdt bij het afsluiten van een aanvullende verzekering. Het is de verantwoordelijkheid van de belanghebbende om onderverzekering (het gelet op zijn situatie afsluiten van een te geringe aanvullende verzekering) te voorkomen. Aan de andere kant is het ook niet de bedoeling dat belanghebbende onnodig een te uitgebreid pakket met hoge kosten afsluit (oververzekering). Eerdergenoemde digitale keuzemodellen kunnen hierbij als hulpmiddel dienen. In dit verband heeft het college bijzondere aandacht voor (para)medische kosten voor kinderen. Kosten die noodzakelijk en niet-uitstelbaar zijn om ernstige of toekomstige (blijvende) schade aan minderjarige kinderen te voorkomen, kúnnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als deze kosten niet door de zorgverzekering worden vergoed omdat de ouder(s) niet passend aanvullend verzekerd zijn. Eventuele bijstandsverlening zal slechts tijdelijk en in uitzonderingssituaties aan de orde kunnen zijn. Bij deze bijstandsverlening kunnen door het college verplichtingen worden verbonden, zoals het alsnog (beter) aanvullend verzekeren met ingang van een volgend kalenderjaar of aanmelding voor schuldhulpverlening. Ook de vorm waarin de bijstand wordt verleend wordt aan de hand van individuele omstandigheden door het college bepaald. Artikel 4.5 Termijn van indienen aanvraag Bijzondere bijstand kan op grond van artikel 44 van de PW in beginsel niet met terugwerkende kracht worden verleend. Een aanvraag om bijzondere bijstand moeten worden ingediend voordat de kosten zijn gemaakt. In afwijking van deze (wettelijke) hoofdregel is in dit artikel bepaald binnen welke termijn en onder welke voorwaarden bijzondere bijstandsverlening met terugwerkende kracht mogelijk is. Het vooraf aanvragen van bijzondere bijstand is niet alleen een wettelijk vereiste, maar is ook van belang om te voorkomen dat de belanghebbende kosten maakt waarvan op voorhand niet zeker is dat deze voor bijstandsverlening in aanmerking komen. Door de aanvraag vooraf in te dienen, kan nog naar alternatieven worden gezocht. Daarnaast is het in een aantal situaties sowieso niet mogelijk om de noodzaak van de kosten achteraf vast te stellen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inwinnen van deskundigenadvies noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Het is ook van belang bij aanvragen die betrekking hebben op algemene bestaanskosten, zoals een wasmachine of koelkast. De termijn van 31 dagen betekent dat de nota van de kosten maximaal 31 dagen oud mag zijn en de aanvraag om bijstand ook binnen die termijn moet zijn ingediend. Mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend. Bij bewindvoering, curatele en mentorschap wordt verwacht dat de bewindvoerder zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen een termijn van vier maanden na de rechtelijke uitspraak tot benoeming, de nota van de aanvangswerkzaamheden en de daaruit volgende periodieke kosten bij de belanghebbende in rekening brengt. Om met ingang van de datum van benoeming voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen, is vereist dat de aanvraag binnen vier maanden na de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank is ingediend. De termijn van vier maanden is een afgeronde termijn. Strikt genomen is een aanvraag ook tijdig als die binnen drie maanden en 31 dagen na de uitspraak van de rechtbank wordt ingediend. Aanvragen die na afloop van deze termijn worden ingediend komen niet in aanmerking voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht. Voor alle vervolgaanvragen van de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap geldt de 31-dagen-termijn met de daarbij behorende criteria. Artikel 4.6 Draagkracht De vaststelling van de draagkracht behoort tot de beleidsvrijheid van het college. In dit artikel is aangegeven hoe het college hier invulling aan geeft. Hoofdregel is dat 25% van het meerinkomen als draagkracht wordt aangemerkt indien sprake is van een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt niet voor bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag), waarbij het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht wordt aangemerkt. Jongmeerderjarigen (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar) die in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand. Omdat er voor deze groep geen afzonderlijke bijstandsnorm is vastgesteld, wordt voor de vaststelling van de draagkracht uitgegaan van de bijstandsnormen als genoemd in artikel 23 van de PW (normen bij verblijf in een inrichting voor personen van 21 jaar en ouder). Dit betekent dat bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde inrichtingsnorm geen draagkracht aanwezig is. Is het inkomen hoger dan 110% van deze inrichtingsnorm, dan wordt 25% van het meerdere als draagkracht aangemerkt. Het vermogen wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dat de vermogensgrens van artikel 34, derde lid, van de PW niet te boven gaat. Bij een vermogen dat hoger is dan deze vermogensgrens, wordt het meerdere vermogen voor 100% meegenomen als draagkracht en dient dit bedrag eerst aangewend te worden voor de betaling van de betreffende kosten. Een vermogensoverschrijding die lager is dan de aangevraagde bijzondere bijstand kan (eenmalig) op de toe te kennen bijstand in mindering worden gebracht. De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor de duur van een jaar. Wanneer de omstandigheden van de belanghebbende en/of de duur van de kosten daartoe aanleiding geven, kan de draagkrachtperiode over een andere periode worden vastgesteld. Wordt er tijdens een lopende draagkrachtperiode opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd, dan wordt bij deze nieuwe aanvraag aangesloten bij de reeds vastgestelde draagkrachtperiode. Dit voorkomt dat bij meerdere aanvragen in dezelfde periode verwarring ontstaat doordat de draagkrachtperioden elkaar deels overlappen. Tot slot wordt hier aangegeven dat één van de uitgangspunten van het armoedebeleid is dat werk moet lonen. Gezinnen met een inkomen iets hoger dan het sociaal minimum, komen soms niet meer (volledig) in aanmerking voor bijzondere bijstand, terwijl het besteedbare inkomen in sommige situaties niet toeneemt vanwege de kosten van kinderopvang. Deze armoedeval – minder besteedbaar inkomen ook al wordt er meer gewerkt – is een ongewenste situatie. Het zorgt immers voor een belemmering om te participeren op de arbeidsmarkt. Bij het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand kan daarom rekening worden gehouden met de eigen bijdrage die deze huishoudens betalen voor noodzakelijke kosten van officieel geregistreerde kinderopvang op grond van de Wet kinderopvang. Deze eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op de maandelijkse draagkracht. Ook andere noodzakelijk te achten eigen bijdragen die tot een vermindering van het besteedbaar inkomen leiden, kunnen indien daar in een individueel geval aanleiding toe is, op de draagkracht van een belanghebbende in mindering worden gebracht. Artikel 4.7 Hoogte bijzondere bijstand en drempelbedrag Omdat het hanteren van een drempelbedrag tot de beleidsvrijheid van het college behoort, wordt in het tweede lid expliciet aangegeven dat van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt. Voor een gering aantal kostensoorten hanteert het college richtbedragen. Deze zijn vermeld in de verstrekkingenlijst, die als bijlage deel uitmaakt van deze beleidsregels. Jaarlijks wordt beoordeeld of deze bedragen gewijzigd of geïndexeerd moeten worden. Artikel 4.8 (Gereserveerd) Dit artikel is gereserveerd voor mogelijke toekomstige aanvullingen. Artikel 4.9 (Gereserveerd) Zie artikel 4.8. Paragraaf 3Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet De participatievoorzieningen van het Sociaal Vangnet hebben tot doel het maatschappelijk participeren te bevorderen. Mensen met een laag inkomen maken – gehinderd door hun financiële omstandigheden – relatief weinig gebruik van maatschappelijke en culturele voorziening. Juist voor deze groep is het van belang om sociale contacten te onderhouden door middel van sport en sociaal-culturele activiteiten. Kinderen nemen hierbij een bijzondere plaats in. Huishoudens kunnen om verschillende redenen financieel in de problemen in de problemen komen. Ongeacht de hoogte van het inkomen kan sprake zijn van een lage bestedingsruimte. Kinderen uit gezinnen met (problematische) schulden ervaren dezelfde gevolgen van armoede als kinderen in gezinnen met een laag inkomen. In de door de raad van de gemeente Apeldoorn vastgestelde beleidsnotitie “Sociaal Vangnet, met oog voor de toekomst 2020 – 2024” is opgenomen welke participatievoorzieningen voor de doelgroep openstaan. De regels in deze paragraaf strekken tot uitwerking van artikel 35a en 35b van de verordening, waarin de kaders voor de verschillende participatievoorzieningen zijn aangegeven. Artikel 4.10 Aanvullende begripsbepalingen Voor de leesbaarheid van deze paragraaf is een aantal begripsbepalingen van artikel 35a van de verordening en artikel 1.1 van dit verzamelbesluit hier herhaald. Daarnaast is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bepalingen van de PW. Artikel 4.11 Doelgroep en voorwaarden De inwoner van 18 jaar en ouder die studerend of schoolgaand is valt niet onder de doelgroep van deze regeling. Enerzijds voorziet de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in een sluitend systeem van financiële ondersteuning voor deze groep. Gezien de positie die studenten en scholieren in de samenleving innemen in relatie tot hun toekomstperspectief, kan niet worden gesteld worden dat zij in een isolement verkeren of daarin dreigen te geraken. Hierin verschilt hun situatie aanmerkelijk van de positie van mensen die (langdurig) op bijstand of een ander minimuminkomen zijn aangewezen. Daarnaast staan er voor studenten en scholieren vaak diverse andere (reductie)regelingen open, waardoor ook om die reden een toereikend aanbod voor participatie aanwezig wordt geacht. Artikel 4.12 Algemene bepalingen over aanvraag en verstrekking Hoofdregel is dat de participatievoorziening op aanvraag wordt verstrekt. Anders dan een aantal andere participatievoorzieningen wordt het tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten en het kidstegoed jaarlijks verstrekt. Deze participatievoorzieningen kunnen ambtshalve worden verstrekt aan de inwoner die een uitkering ontvangt op grond van de PW, IOAW, IOAZ of het Bbz 2004. De relevante gegevens over het inkomen e.d. zijn al bekend en hoeven niet opnieuw opgevraagd te worden. Ambtshalve verstrekking is ook mogelijk indien sprake is van een laag inkomen waarvan verwacht wordt dat daarin geen wijzigingen volgen. Dit geldt met name voor de inwoner met een AOW-pensioen. Als het tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten eerder op aanvraag is toegekend worden de vervolgaanspraken (jaarlijks) ambtshalve verstrekt. Deze inwoner zal echter altijd een eerste aanvraag moeten indienen. Heeft het kind van de inwoner met een laag inkomen (dus tot maximaal 120% van de bijstandsnorm) in het betreffende jaar al een tegoed voor sportieve, culturele, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten ontvangen, dan geeft dat automatisch recht op een Kidstegoed. Daarvoor is wel vereist dat het kind op de peildatum van het betreffende tegoed ook nog aan de voorwaarden voldoet. In die situaties wordt het kidstegoed ambtshalve verstrekt (´automatisch toegekend`). Inwoners met een laag inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep behoren tot de doelgroep van het Sociaal Vangnet. Veel zelfstandig ondernemers, waaronder de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers), zijn financieel al langere tijd in meer of mindere mate getroffen door de coronacrisis. De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) is per 1 oktober 2021 beëindigd. Een deel van de ondernemers zal op zichzelf een levensvatbaar bedrijf of beroep hebben, maar financieel nog niet op orde zijn. Ook voor hen moet het mogelijk zijn om te (blijven) participeren. Het inkomen wordt normaliter vastgesteld op grond van financiële (jaar)stukken van het voorgaande boekjaar. De voortdurende coronacrisis vormt op zichzelf geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Uiteraard kan wel sprake zijn van omstandigheden waarin deze berekeningsmethode volgens het college onevenredig uitpakt. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan bedrijven die vanwege de coronacrisis nog altijd met een (gedeeltelijke) verplichte sluiting geconfronteerd worden. Maar er zijn ook bedrijven die in het vorig kalenderjaar niet of niet volledig open mochten zijn en nu wel weer volledig kunnen ondernemen. Een ander voorbeeld is een onderneming die recentelijk is opgerich

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.