← Nederland

Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) (Zaanstad)

Obsah (6)Artikel 2Artikel 4Artikel 7Artikel 3Artikel 10Artikel 5

wet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, de artikelen 39, 39c, 39d van de Wet bodembescherming, het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming. Besluit: Vast

Artikel 2

:10 (vergunning) Artikel 5.50 (vergunning) Artikel 2:11 (vergunning) Artikel 5.51 (vergunning) Artikel 2:12 (vergunning) Artikel 5.52 (vergunning) Artikel 2:22 (ontheffing) Artikel 5.20 (ontheffing) Artikel 4:6 (ontheffing) Artikel 5.43 (ontheffing) Artikel 4:13 (vergunning) Artikel 5.44 (vergunning) Meldingen gedaan op grond van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad (‘oud’), gelden als melding op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Artikel 4

:3 (melding) Artikel 5.40 (melding) Vergunningen verleend op grond van de Bouwverordening Zaanstad 2008 (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Artikel 7

.3.1 (vergunning) Artikel 5.77 (vergunning) Aanwijzingen op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad (‘oud’), gelden als aanwijzingen op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Artikel 3

(aanwijzing) Artikel 4.2 (aanwijzing) Artikel 4 (aanwijzing) Artikel 4.6 (aanwijzing) Artikel 8 (aanwijzing) Artikel 4.7 (aanwijzing) Artikel 20 (aanwijzing) Artikel 4.8 (aanwijzing) Vergunningen verleend op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Artikel 10

(vergunning) Artikel 5.72 (vergunning) Artikel 16 (vergunning) Artikel 5.73 (vergunning) Artikel 17 (vergunning) Artikel 5.76 (vergunning) Artikel 23 (vergunning) Artikel 5.75 (vergunning) Meldingen gedaan op grond van de Verordening bodemsanering Zaanstad 2017 (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Artikel 5

(melding) Artikel 5.7 (melding) Artikel 6 (melding) Artikel 5.8 (melding) Artikel 8.5 Bouwverordening De artikelen 3.7, 5.3, 5.4 en 5.77 gelden als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel8.6Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2020. Artikel8.7Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad. Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Zaanstad, 12 december 2019. De griffier, De voorzitter, Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Bijlage 5.6 Aanvullende gegevens voor het bodemsaneringsplan a. algemene gegevens: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een recente (maximum 3 maanden oude) kadastrale kaart, waarop het geval van bodemverontreiniging en de oppervlakte van het te saneren gedeelte is aangegeven; een uittreksel van het kadaster waaruit de eigendomssituatie blijkt en dat niet langer dan drie maanden voor de indiening van het bodemsaneringsplan door het kadaster is afgegeven; het huidig en toekomstig gebruik van de bodem; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder 1, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de bodemsanering zal plaatsvinden; een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval de datum waarop met de bodemsanering naar verwachting zal worden begonnen is aangegeven; een specificatie van de bij de uitvoering van de bodemsanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het bodemsaneringsplan bekend zijn; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en instemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; de wijze waarop belanghebbenden bij de uitvoering van de bodemsanering zullen worden betrokken; de wijze van milieukundige begeleiding; b. keuze bodemsaneringsvariant: indien slechts een deel van de verontreiniging wordt verplaatst: het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet; indien na de bodemsanering restverontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een argumentatie op grond waarvan dit gebeurt; c. de te nemen maatregelen: een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving; een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten; een beschrijving van de maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten en overlast als gevolg van de bodemsanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; gegevens over de kwaliteit van het eventueel te gebruiken aanvulmateriaal; grondbalans; Bijlage5.9Aanvullende gegevens voor het bodemevaluatieverslag a. algemene gegevens: adres van de locatie; naam, adres van de opdrachtgever; naam van de locatie met kadastrale gegevens, coördinaten van het werk en de oppervlakte van het gesaneerde deel; samenvatting van de verontreinigingssituatie, de bodemopbouw en de geohydrologie, volgend uit bodemonderzoeken (met rapportnummers); type bodemsanering: deelsanering / gefaseerde bodemsanering / volledige bodemsanering; doelstelling van de bodemsanering voor grond en/of grondwater, met verwijzing naar het (goedgekeurde) bodemsaneringsplan (met rapportnummer) en de beschikking (met nummer) waarmee ingestemd wordt met het bodemsaneringsplan; naam, adres directievoerder, aannemer, milieukundige begeleider, tanksaneerder; nummer bestek, indien er een bestek bestaat; veiligheidsklassen, veiligheids- en gezondheidsplan (ontwerpfase en uitvoeringsfase); b. vergunningen: opsomming van vergunningen en meldingen die van belang waren voor de uitvoering van de bodemsanering (ook meldingen aan arbeidsinspectie, verkeerspolitie, wegbeheerder, besluit bodemkwaliteit etc); data van verstrekking en inwerkingtreding van deze vergunningen (nummer vermelden); verstrekte afvalstroomnummers; c. werkzaamheden voor grondsanering: start en einddatum van de periode waarop het bodemevaluatieverslag betrekking heeft, alsmede de totale duur van de grondsanering; beschrijving van de voorbereidende werkzaamheden, zoals sloop van opstallen, inrichting van werkterrein en uitvoering van verkeersmaatregelen, overleg met omgeving of projectgroep; maatregelen voor kabels en leidingen; wijze van bemalen en zuiveren van het grondwater voor ontgraving in den droge (filterstelling, debiet, invloed op de omgeving zoals zettingen en influentconcentraties); overzicht van de hoeveelheid vrijgekomen grond (uitgedrukt in tonnen en kubieke meters) en de bestemming daarvan (inclusief de wijze van verwerking en afvalstroomnummers) verdeeld in de volgende categorieën: ongereinigd storten reinigen ongereinigd hergebruiken tijdelijke opslag overzicht van de hoeveelheden overige vrijgekomen materialen (zoals eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en ondergrondse tanks) en hun bestemmingen; afmetingen van de ontgravingen; inrichting van gronddepot(s); beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten opzichte van de in het bodemsaneringsplan beschreven situatie en gegevens waaruit blijkt dat dit gemeld is bij Burgemeester en Wethouders; eventueel aangelegd onttrekkingssysteem voor een nog uit te voeren grondwatersanering; d. grondwatersanering / bodemluchtonttrekking: start en einddatum van de periode waarop het bodemevaluatieverslag betrekking heeft, alsmede de totale duur van de grondwatersanering; wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van water en lucht bij in-situ-technieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten verontreiniging); beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten opzichte van de in het bodemsaneringsplan beschreven situatie of prognoses; wijze van onttrekken en zuiveren van het grondwater; e. bemonstering bij grondsanering: bespreking van analyseresultaten controlemonsters en de consequenties daarvan; bespreking analyseresultaten van de depotmonsters, monsters van de afgevoerde grond e.d. en de consequenties daarvan; bespreking van analyseresultaten van de effluentmonsters (bouwputmaling) in relatie tot de verleende vergunning(en); certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond en steenachtige bouwmaterialen; f. bemonstering bij grondwatersanering: bespreking van analyseresultaten van de influentmonsters voor het volgen van het verloop van de bodemsanering; bespreking analyseresultaten van de effluentmonsters in relatie tot de verleende vergunning(en); bespreking analyseresultaten van de grondwatermonsters uit peilbuizen; g. conclusies en aanbevelingen: uiteenzetting of is voldaan aan de doelstellingen van de bodemsanering zoals die zijn geformuleerd in het bodemsaneringsplan en de beschikking van de instemming; omschrijving redenen van eventuele afwijkingen van het bodemsaneringsplan; h. bijlagen en tabellen bij het bodemevaluatieverslag: locatiekaart; begrenzing van het bodemsaneringsterrein met een uittreksel uit het kadaster; verontreinigingsituatie uit het nader onderzoek of bodemsaneringsplan; ontgraving volgens het bodemsaneringsplan; kaart met het tijdens de bodemsanering ontgraven gebied met dieptes en talud ingetekend; kaart locatie van bemaling en lozingspunt tijdens de grondsanering; overzicht het in-situ-maatregelen; overzicht grondwateronttrekking (debieten, totale onttrokken hoeveelheid, eventueel de vracht aan onttrokken verontreinigen); eventueel grafische weergave van de analyseresultaten, debieten, onttrokken vracht etc.; kaart met locatie van onttrekkingssysteem voor grondwatersanering of in-situ-sanering; kaart met locaties van genomen bodemmonsters; kaart met locaties van peilbuizen met filterstelling; grondbalans; certificaten met betrekking tot ondergrondse tanks; afvoerbewijs van eventueel vrijgekomen chemische afvalstoffen (zoals sludge), inclusief afvalstroomnummers en bestemming; analyseresultaten van grond- en grondwatermonsters en toetsing (“nacontrole”); analysecertificaten van eventueel aangevoerde grond en toetsing; overzicht van de bij de bodemsanering betrokken instanties en bedrijven; toetsingstabel en referentiekader; kadastrale tekening met eventuele restverontreiniging; lijst van klachten tijdens de uitvoering en de afhandeling hiervan; l ijst van calamiteiten tijdens de uitvoering en de afhandeling hiervan; i. overige tekeningen / kaarten: ontgravingskaart; ontgravingsgebieden (diepten); ontgravingsvoorzieningen (damwanden etc); ligging tijdelijke voorzieningen; grondkaart; aard en omvang van de restverontreinigingen (grond en grondwater); kadastrale kaart van restverontreinigingen; aard en omvang van de gebruiksbeperkingen; plaats van toepassing van herschikkingsgrond; plaats van toepassing van grond afkomstig buiten de locatie; grondwatersaneringskaart; ligging van voorzieningen (b.v. drains en pompen); invloed op omgeving en mogelijke effecten (isohypsen); kabel- en leidingen Bijlage5.10Aanvullende gegevens voor het bodemnazorgplan a. overzicht organisatie: overzicht betrokken instanties (naam- en adresgegevens contactpersonen), taken en verantwoordelijkheden; verantwoordelijkheden (juridisch/organisatorisch/financieel); administratieve werkzaamheden; b. aanvangssituatie: gehalten en plaats (grond/grondwater en locatie) van de restverontreiniging; beschrijving locatie en omgeving: geohydrologie, kwetsbare objecten; c. maatregelen: onderhoud en investering: indien de restverontreiniging wordt geïsoleerd: de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen worden gewaarborgd en gecontroleerd; de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van de verontreiniging wordt beheerd; een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik; de relatie tussen restverontreiniging en eventuele gebruiksbeperkingen; indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een monitoringsplan met bemonsteringsfrequentie, geplande activiteiten met actiewaarden, ijkmomenten en verwachtte tijdsduur; een onderbouwing van dit monitoringsplan middels een inschatting van de te verwachten mobiliteit/verspreiding; plaats en filterstelling monitoringspeilbuizen; een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik; wijze waarop het ruimtegebruik de ontwikkelingen beïnvloedt; toets of de voorgestelde maatregelen adequaat zijn met het oog op doelstellingen. Een rol hierbij spelen de aard van de maatregelen, de frequentie en de duur. d. overig: beschrijving welke beperkingen van het terreingebruik noodzakelijk zijn als gevolg van de restverontreiniging of nazorgmaatregelen; welke risico’s de nazorg bedreigen; een beschrijving van de maatregelen om te zorgen dat de bodemsaneringsmaatregelen in stand blijven; een beschrijving van de evaluatie van de nazorg; hoe wordt gehandeld wanneer de feitelijke situatie afwijkt van de beoogde situatie; een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten, met vermelding van aanspreekpunt; een beschrijving hoe wordt gehandeld wanneer het terreingebruik of de bestemming verandert; benodigde vergunningen, meldingen; veiligheids- en arbeid hygiënische aspecten. Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) Algemene toelichting Op 1 januari 2021 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, de beheersverordeningen, milieuregels en regels uit (andere) lokale verordeningen, die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. Lokale verordeningen De regels over de fysieke leefomgeving staan verspreid over diverse verordeningen. Daarbij is er geen overzicht over welke regels het precies gaat. Daarom is besloten om als tussenstap naar het omgevingsplan één Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (hierna: VFL) te maken waarin de regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen worden gebundeld. De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gefaseerd verwerkt in het omgevingsplan. Deze verordening bevat beleid, dat al is vastgesteld door de raad. Bij het omzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet. Veel redactionele en technische wijzigingen, maar wel beleidsluw. In de eerste tranche van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad worden de regels uit 6 verordeningen gebundeld. Hiervan gaan de regels van 4 verordeningen volledig op in de VFL en worden daarom ingetrokken. Dit betreft: Bouwverordening Zaanstad 2008 Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017 Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad Brandbeveiligingsverordening 2012 2 verordeningen wijzigen, omdat slechts een deel van de regels overgaan naar de VFL. Dit betreft: Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013 Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(

  1. en)voor de gemeente Zaanstad. Aan het eind van deze toelichting staat een Transponeringstabel waarin is opgenomen waarop een artikel in deze verordening is gebaseerd. Structuur VFL De structuur van deze verordening biedt enerzijds een goede wettelijke basis, zodat de (professionele) gebruikers er bij inwerkingtreding in 2021 goed mee kunnen werken en sluit anderzijds aan op het stelsel van de Omgevingswet en het toekomstige omgevingsplan. De bouwstenen zijn zichtbaar gehouden, zodat later de regels per onderdeel verwerkt kunnen worden in het omgevingsplan. Er is ruimte gereserveerd voor regels uit andere verordeningen. Met deze verordening wordt een belangrijke stap gezet richting de Omgevingswet. Om dit te onderstrepen zijn 2 algemene zorgplicht bepalingen uit deze toekomstige wet opgenomen in de VFL en zijn de procedurele bepalingen onder de Omgevingswet als uitgangspunt genomen. Toelichting op artikelen Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Een aantal begrippen uit de Omgevingswet wordt opgenomen in deze verordening, omdat de Omgevingswet nog niet van kracht is. Deze artikelen kunnen vervallen op het moment dat Omgevingswet van kracht wordt. Bouwwerk Dit is de definitie uit de voormalige Bouwverordening. Deze definitie is gebaseerd op jurisprudentie. De bestuursrechter heeft uitgemaakt dat het begrip bouwwerk in de Woningwet én in de Wabo zo moet worden uitgelegd. Deze wetten kennen zelf geen definitie van het begrip bouwwerk. Fysieke leefomgeving Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van ‘fysieke leefomgeving’ is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Inrichting De Omgevingswet kent het begrip inrichting niet. In deze verordening werken wij vooralsnog met het begrip inrichting. Immers in huidige wetgeving wordt hiermee gewerkt. Openbare plaats Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Dit artikel is nieuw. De eerste tranche van de VFL bevat (een deel van
  2. de)regels die voorheen waren opgenomen in de Bouwverordening Zaanstad 2008, Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad, Brandbeveiligingsverordening 2012, Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017 en een deel van de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen. Deze verordening wordt in tranches aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijde van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2021 van kracht wordt. Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening samen met de bestemmingsplannen opgenomen in het toekomstige omgevingsplan. Artikel 1.3 Doelen van de verordening Eerste lid Dit lid geeft het doel van deze verordening. Tweede lid Het tweede is gebaseerd op de Omgevingswet. Het geeft het overkoepelende doel van de regels in deze verordening aan. Hoofdstuk 2 Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.6 van de Omgevingswet. In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel actoren worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving lopen sterk uiteen. De algemene zorgplicht houdt in dat een ieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. De functies van de zorgplicht zijn: bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen, bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie). Het is de verwachting dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten. Artikel 2.3 Algemene zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 13.11 en 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 13 model Erfgoedverordening 2016 en is ter vervanging van een deel van de artikelen 10, 17 en 23 van de Erfgoedverordening. Eerste lid Dit verbod geldt ook voor een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument. Zie artikel 4.9. over de voorlopige aanwijzing van een gemeentelijk monument. Tweede lid en 3 Deze zorgplicht geldt voor al het onroerend cultureel erfgoed, te weten gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten, beschermd stads- en dorpsgezicht en archeologische monumenten. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7. Artikel 2.7 Specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7. Artikel 2.9 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting Dit artikel is ter vervanging van artikel 2:21 APV. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2.10 Oplaten van ballonnen Dit artikel is ter vervanging van artikel 4:9a APV. Het is wenselijk het oplaten van ballonnen te verbieden. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op. Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts). Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is opgenomen dat het alleen ballonnen betreft die zonder sturing wegdrijven. Hoofdstuk 3 Proces, procedure en adviescommissie Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Deze verordening kent een aantal die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden behandeld. Hiervoor gelden dan de regels uit de Wabo en daaruit voortvloeiende regelgeving. Een van de regels is dat burgemeester en wethouders niet altijd het bevoegd gezag zijn dat beslist over de aanvraag. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om in plaats van bevoegd gezag altijd burgemeester en wethouders op te nemen. Als er sprake is van een andere bevoegd gezag voor burgemeester en wethouders wordt gelezen het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als hiervan bij een vergunningplicht sprake kan zijn, dan is dit in de toelichting bij het artikel vermeld. Aanvragen kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Zij zenden de aanvraag door aan het bevoegd gezag en stellen de aanvrager daarvan op de hoogte. De behandeling van de aanvraag wordt dan voortgezet door het bevoegd gezag. Deze doorzendplicht is geregeld in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.1 Wabo. Artikel 3.2 Indienen aanvraag, melding of verzoek om ontheffing Op de (onvolledige) aanvraag zijn tevens de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In het bijzonder de bepalingen van hoofdstuk 4 Awb. Eerste lid Geeft de procedure voor de indiening van aanvraag van een vergunning, de melding van activiteiten en de indiening van plannen, verslagen of andere stukken daarover. Er wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgestelde digitale procedure met formulieren. De indiening vindt plaats via www.zaanstad.nl. Tweede lid Een aanvraag of melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt ingediend via www.omgevingsloket.nl. Een aanvraag mag strikt genomen nog op papier worden ingediend maar dit is gezien de voortschrijdende digitalisering van de procedures niet wenselijk. Het gebeurt nog maar zeer beperkt. Om deze redenen is hiervoor geen aparte procedure meer opgenomen. In het enkele geval dat een aanvraag op papier is ingediend, krijgt de aanvrager naast het digitale besluit ook het besluit op papier toegestuurd. Wanneer de aanvrager geen digitale post kan ontvangen of geen mailadres heeft opgegeven, ontvangt hij het alleen op papier. Artikel 3.3 Beslistermijn Deze termijn is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet. Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager krijgt hiervan bericht van B&W met het verzoek om de aanvraag aan te vullen. Dit is een uitnodiging in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het bericht bevat een termijn waarbinnen de gelegenheid is om de aanvraag aan te vullen. Geadviseerd wordt om een aanvraag tijdig in te dienen, bij voorkeur veertien weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Door het tijdig indienen van de aanvraag bereikt de aanvrager dat burgemeester en wethouders tijdig een besluit kunnen nemen over de benodigde vergunning. Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt verklaard, nemen burgemeester en wethouders binnen 6 maanden een besluit. Artikel 3.4 Voorschriften Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur. Voorschriften kunnen ook beperkingen inhouden. Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen. Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden. Artikel 3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 1:6 APV, artikel 5.40 Omgevingswet en artikel 15 model erfgoedverordening. Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kennen de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden. Zo geeft artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat een vergelijkbare regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen. Bij de omgevingsvergunning wordt het besluit om te wijzigen of deels of geheel in te trekken van de vergunning of ontheffing op artikel 5.19 van de Wabo gebaseerd. Artikel 3.7 Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad Dit artikel is gebaseerd op het voormalige hoofdstuk 9 Welstand en bijlage 9 van de Bouwverordening. De overige bepalingen over de samenstelling, taakstelling en werkwijze van de adviescommissie zijn vastgelegd in het ‘Reglement van Orde te gebruiken voor de Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 februari 2014. Dit reglement blijft van kracht. Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. Artikel 3.8 Gemeentelijk erfgoedregister Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 12 van de model Erfgoedverordening 2016. Vierde lid Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed. Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking tot de fysieke leefomgeving. Artikel 4.2 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 5 en 6 van de model Erfgoedverordening 2016. Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve concreet worden onderzocht. Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de over onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Vierde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 4.3 Voorbescherming Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7 van de model Erfgoedverordening 2016. Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Artikel 4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 9 van de model Erfgoedverordening 2016. Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedrgister Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 10 van de model Erfgoedverordening 2016 Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 11 van de model Erfgoedverordening 2016 Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Artikel 4.8 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de model Erfgoedverordening 2016. Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen[, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Artikel 4.9 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van de model Erfgoedverordening 2016. Het derde lid is gewijzigd. Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten Paragraaf 5.2 Deze paragraaf bevat regels, die voorheen waren opgenomen in de Verordening bodemsanering en in de Bouwverordening. Artikel 5.2 Doel van de regels Vierde lid Deze paragraaf is niet van toepassing op waterbodems, omdat waterbodems niet onder de Wet bodembescherming vallen, maar onder de Waterwet. De Waterwet is van toepassing op het beheer van de bodem en oevers van oppervlaktewaterlichamen (de waterbodem). De Wet bodembescherming is van toepassing op de overige bodem. Bij de uitvoering op basis van de Waterwet is het Waterschap het bevoegd gezag. Artikel 5.3 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.4.1 en 2.4.2 van de Bouwverordening. In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is de verplichting opgenomen dat de aanvrager bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit een onderzoeksrapport verstrekt betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Wat verstaan moet worden onder "bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven" werd in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij "enige tijd" moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. Artikel 5.4 Bodemonderzoek Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2.1.5 van de Bouwverordening. De artikelen over het bodemonderzoek hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Eerste lid Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. Derde lid De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Vierde lid Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. Vijfde lid De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot de stukken die ook later kunnen worden ingediend. Artikel 5.5 Melden en aanvragen beschikking bodemsanering Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 3 van de verordening Bodemsanering. Hierin wordt verwezen naar de digitale meldingsformulieren op de website van de gemeente Zaanstad. Artikel 5.6 Het Bodemsaneringsplan Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4 verordening Bodemsanering. Deze bepaling is van toepassing op de in artikel 39, eerste lid, van de wet bedoelde saneringsplannen, die moeten worden ingediend indien sprake is van een voornemen tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging of tot het verrichten van handelingen waardoor die verontreiniging wordt verminderd of verplaatst. In dit saneringsplan dienen naast de wettelijke vereisten ook de in bijlage 5.6 bij deze verordening vermelde gegevens te worden opgenomen. Zowel bij de beoordeling van saneringsplannen van derden als bij het opstellen van eigen saneringsplannen zal de gemeente de in Bijlage 5.6 opgenomen eisen in acht nemen. De functie van het saneringsplan is dat B&W zich een goed oordeel kunnen vormen over de aard en omvang van de verontreiniging, over de voorgenomen maatregelen en kan toetsen of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd. Derde lid In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is te voldoen aan de eisen die in de wet en de gemeentelijke verordening ten aanzien van het saneringsplan worden gesteld. Tevens zijn de nadere eisen uit de verordening niet altijd relevant. Daarom is in het derde lid een bepaling opgenomen om indiening van de aanvullende gegevens achterwege mogen laten. Deze bepaling betreft alleen de gemeentelijke uitwerkingsbevoegdheid op basis van artikel 39, eerste lid, laatste volzin, van de Wet bodembescherming. Van de wettelijke eisen in artikel 39, eerste lid, kan niet worden afgeweken. Het gaat in feite om een tweetal situaties. Ten eerste kunnen wettelijk gegevens vereist zijn, die in het geval in kwestie feitelijk irrelevant zijn of waarvan de gegevens eenvoudigweg niet aanwezig zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien geen grondontgraving plaatsvindt, maar alleen een grondwatersanering, of indien geen ontgraving plaatsvindt maar isolatie geschiedt door het plaatsen van een gebouw. In dergelijke situaties worden alleen die gegevens geleverd, waarvan in redelijkheid kan worden gesteld dat deze ook geleverd kunnen worden. Ten tweede kan zich de situatie voordoen waarin de verstrekking van bepaalde gegevens de indiener van het saneringsplan niet zinvol voorkomt of het verzamelen van de gevraagde gegevens disproportioneel is in verhouding tot het belang dat met de sanering is gediend. In dergelijke gevallen kan de indiener een motivering opstellen waarom hij afwijkt van de eisen. Ontbreekt een motivering of is de motivering niet voldoende, dan kan een termijn worden gesteld (op grond van artikel 29, derde lid, van de wet, dan wel artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht) waarbinnen de ontbrekende gegevens alsnog moeten worden verstrekt. Artikel 5.7 Melding wijziging bodemsaneringsplan Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 5 van de verordening Bodemsanering. Op basis van de wet Bodembescherming gaat het bij bodemsaneringen om een “harde” melding, waarbij het expliciet verboden is een activiteit uit te voeren zonder dit tijdig te hebben gemeld. Artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming schrijft voor dat wijziging van door B&W goedgekeurde saneringsplan dient te worden gemeld. Tevens opent de wet de mogelijkheid voor de raad om nadere gegevens te eisen bij deze melding. B&W kunnen naar aanleiding van die melding aanwijzingen geven over de verdere uitvoering van de sanering. Indien B&W van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken, heeft het een goed inzicht nodig in de geplande wijzigingen en wat deze wijzigingen voor het resultaat van de sanering en daardoor voor de bodemkwaliteit betekenen. Daarom worden in dit artikel nadere gegevens vereist die het precieze inzicht voor B&W kunnen verschaffen. Artikel 5.8 Melding start en einde bodemsanering Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 6 van de verordening Bodemsanering. Op basis van de wet Bodembescherming gaat het bij bodemsaneringen om een “harde” melding, waarbij het expliciet verboden is een activiteit uit te voeren zonder dit tijdig te hebben gemeld. De melding voor aanvang sanering biedt de mogelijkheid om effectiever toezicht op de sanering te organiseren. Indien de datum van de aanvang van de saneringswerkzaamheden bekend is, zijn inspecteurs beter in staat om het juiste moment te kiezen voor het houden van inspectie. De bepaling van Tweede lid strekt tevens ter vergemakkelijking van handhaving. Indien de datum van de beëindiging van de saneringswerkzaamheden bekend is, kan ook de termijn voor het indienen van het evaluatieverslag vastgesteld worden. Het eindpunt van de beëindiging van de saneringswerkzaamheden wordt in de beschikking instemming saneringsplan opgenomen. Dit wordt bepaald op grond van het ingediende saneringsplan. De saneringswerkzaamheden worden in hoofdregel geacht beëindigd te zijn indien het grondwerk klaar is en het terrein geruimd is (de laatste vrachtwagen het terrein heeft verlaten) dan wel de leeflaag is aangebracht. In overige situaties waarop deze omschrijving niet van toepassing is (bij voorbeeld als een betonnen vloer wordt aangebracht of als er grondwatersanering plaats vindt) wordt het eindpunt van de sanering op grond van de omschrijving van de werkzaamheden in het saneringsplan bepaald. Artikel 5.9 Het bodemevaluatieverslag Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7 van de verordening Bodemsanering. Het evaluatieverslag geeft B&W inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het verslag kunnen B&W beslissen dat de sanering naar behoren is afgerond dan wel dat aanvullende saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn. Eerste lid De Wet bodembescherming stelt geen concrete termijn voor het indienen van het evaluatieverslag. Artikel 39c, eerste lid van de wet bepaalt alleen dat het verslag “zo spoedig mogelijk” na de uitvoering van de sanering ingediend wordt. Om meer duidelijkheid voor de saneerders en voor de toezichthouders te scheppen, is besloten de formulering te concretiseren. Daarom is een termijn van vijftien weken in de verordening opgenomen. Indien bij overschrijding van de termijn gehandhaafd wordt, moet de termijn in overeenstemming gebracht worden met de wettelijke bepaling van “zo spoedig mogelijk”. Dit betekent dat de inspecteurs na moeten gaan of de termijn van vijftien weken in redelijkheid voldoende was voor de saneerder om een verslag op te stellen. Indien het blijkt dat de saneerder in redelijkheid binnen vijftien weken het verslag had kunnen opstellen, kan gehandhaafd worden op overtreding van artikel 39c, Eerste lid van de wet. Hierbij wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de termijn in de verordening geen zelfstandige normstelling inhoudt; het dient alleen ter concretisering van de wettelijke bepaling. Daarom moet op schending van de Wet bodembescherming gehandhaafd worden. De opname van een concrete indieningstermijn betekent ook dat niet gehandhaafd kan worden als de termijn nog niet is verstreken, ondanks dat naar het oordeel van het bevoegd gezag de saneerder al eerder zijn verslag had kunnen indienen. Dan brengt het rechtszekerheidsbeginsel met zich mee dat B&W zich aan de termijn in de verordening houdt. Tweede lid Artikel 39c van de Wet bodembescherming houdt een opsomming in van gegevens die in het verslag in ieder geval vermeldt staan. In Derde lid van dat artikel is de bevoegdheid aan de raad gedelegeerd om nadere regels te stellen ten aanzien van het verslag. De ervaring leert dat de eisen van de wet te minimaal zijn en in de meeste gevallen onvoldoende beeld geven van de uitgevoerde sanering. Verdere gegevens, precies aangegeven op plattegronden en/of kaarten, zijn daarom onontbeerlijk. Derde lid Voor toelichting over de toepassing van het derde lid, zie de uitleg bij het derde lid van artikel 5.6. Vierde lid De benodigde informatie om te kunnen beoordelen of het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen is uitgevoerd volgens de eisen van de ‘subsidieregeling Bodemonderzoek en – sanering Zaanstad 2017 - 2020 (particuliere woningeigenaren)’, is veel beperkter dan de informatie die nodig is om een volledige sanering te kunnen beoordelen. Daarom kan het verslag sneller worden ingediend dan aangegeven in Eerste lid en hoeft niet de informatie te worden aangeleverd zoals aangegeven in Tweede lid en 3. Artikel 5.10 Het bodemnazorgplan Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 1 en 8 verordening Bodemsanering. Hierin zijn enkele begrippen opgenomen die niet als zodanig in de wet zijn gedefinieerd, maar wel in de parlementaire stukken en in de literatuur zo worden genoemd. Het bevoegd gezag mag slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen voldoende zijn om er voor te zorgen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot kwaliteitsvermindering van de bodem. Eerste lid Net als bij het evaluatieverslag, stelt de Wet bodembescherming ook geen concrete indieningstermijn voor het nazorgplan. Artikel 39d, eerste lid van de wet bepaalt dat het plan tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van het evaluatieverslag ingediend moet worden. Voor het nazorgplan is een termijn van zes weken opgenomen. Voor toelichting op de handhaafbaarheid van deze bepaling zie de uitleg bij artikel 5.9, eerste lid. Tweede lid Aangezien artikel 39d van de wet minimale eisen stelt aan het nazorgplan, is het nodig een nadere aanvulling te geven aan die wettelijke vereisten zodat het bevoegd gezag de bovenvermelde beoordeling op de juiste wijze kan maken. Om die reden zijn concrete (en praktische) gegevens in de verordening opgenomen die het bevoegd gezag een precies beeld kunnen geven over de aard en omvang van de restverontreiniging en over de manier waarop risico’s voor mens, plant of dier beperkt worden. Derde lid Voor toelichting over de toepassing van het derde lid, zie de uitleg bij het derde lid van artikel 5.6. Artikel 5.11 Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 9 van de verordening Bodemsanering. Artikel 48 van de wet houdt bijzondere bepalingen in voor saneringen in opdracht van de overheid (i.c. burgemeester en wethouders van Zaanstad). Het grootste verschil tussen saneringen door overheid en door particulieren - voor zover hier van belang - is dat de procedurele voorschriften met betrekking tot het saneringsplan, evaluatieverslag en nazorgplan, almede de bijhorende instemmingsbeschikkingen niet van toepassing zijn. In Zaanstad werd echter al onder het regime van de eerste verordening bodemsanering (uit 2001) besloten dat ook voor saneringen in eigen beheer de gewone procedure geldt. De achterliggende gedachte was dat de overheid als opdrachtgever gelijk behandeld dient te worden met de ‘gewone’ saneerder en geen voorrechten dient te hebben. Om het gelijkheidsbeginsel en het recht van belanghebbenden op inspraak te handhaven wordt daarom de huidige praktijk voortgezet dat voor saneringen uitgevoerd door B&W ook een saneringsplan opgesteld dient te worden en dat voorbereiding van het instemmingsbesluit via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure loopt. Artikel 5.20 Verbod plaatsen objecten onder hoogspanningslijn Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:22 van de APV. Voor de aanleg van een hoogspanningslijn wordt veelal in het bestemmingsplan een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. Dit artikel is een vangnet voor het geval dat een bestemmingsplan ontbreekt. Het biedt een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Artikel 5.40 (Aanwijzing) collectieve festiviteiten Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:2 van de APV. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. NB Dit is geen aanwijzing in de fysieke leefomgeving, dus geen onderdeel van hoofdstuk 4. Tweede lid De uitvoering van de regeling is neergelegd bij B&W. B&W hebben collectieve feestdagen aangewezen. Zie ook artikel 8.3, derde lid Derde lid Het maximum aantal aan te wijzen collectieve festiviteiten is door de raad vastgelegd in deze verordening. B&W is zeer terughoudend met het gebruik van de mogelijkheid om de collectieve festiviteit terstond aan te wijzen als de festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was. Vijfde lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zesde lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 5.41 Incidentele festiviteiten Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:3 van de APV. Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De raad heeft de bevoegdheid om in dit artikel het aantal te verlagen. Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. De raad heeft ook hier voor Zaanstad het maximum op 9 keer per jaar gesteld. Vijfde en zevende lid B&W hebben nadere regels gesteld voor incidentele festiviteiten op het Hembrugterrein. Zie artikel 8.3, eerste lid. Artikel 5.42 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:5 van de APV. Gemeenten hebben in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in een gemeentelijke verordening. Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van artikel 2.20 en 2.17 (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek. Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In dit lid wordt gesproken over oefenen. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is. Artikel 5.43 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:6 van de APV. Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van divers geluid producerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. Voorts kunnen onder artikel 5.43 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Vooral voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder. En welke maatregelen vervolgens kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. B&W kunnen ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Wegonderhoudswerkzaamheden en onderhoud aan spoorwegen zijn van het verbod uitgezonderd. Deze werkzaamheden mogen dan niet langer dan 5 dagen duren. De uitzondering geldt dus niet voor grotere projecten waarbij binnen het project meerdere keren de geluidsnormen door dit soort werkzaamheden worden overschreden. Daarvoor dient wel een ontheffing te worden aangevraagd. Het op de hoogte brengen van omwonenden over de mogelijke geluidhinder is een belangrijke voorwaarde. Dit betreffen in ieder geval de omwonenden die zich binnen een afstand van 50 m afstand van de geluidsbron bevinden. Wat als tijdig informeren gezien wordt, is afhankelijk van de omstandigheden. Het informeren korter dan een week voor de start van de uit te voeren werkzaamheden is in ieder geval niet tijdig. De omwonende dienen volledig te worden geïnformeerd over de uit te voeren werkzaamheden en maatregelen die worden genomen om ernstige hinder en/of overlast zoveel mogelijk te beperken. Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen. Artikel 5.50 Plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:10 APV. Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting op artikel 3.1. Door de gemeenteraad is voor het plaatsen van gedenktekens ‘Beleidskader plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad’ vastgesteld. In dit beleidskader zijn 10 randvoorwaarden gesteld voor de plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad, die bij haar in beheer en onderhoud zijn. Dit artikel geeft B&W de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Feitelijk is met dit artikel voor burgers en bedrijven een zorgplicht vastgelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan. De burger dient dat zelf af te wegen. Eerste lid Door het gebruik van het begrip openbare plaats kan het artikel ook worden toegepast bij de aanpak van het illegaal in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond door burgers. Dit artikel geeft een rechtsgrond om op te treden tegen de in gebruik neming. Vierde lid Om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen door B&W nadere regels worden vastgesteld. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend. Er zijn door B&W nadere regels gesteld voor de plaatsing van voorwerpen zoals tijdelijke bouwobjecten, uitstallingen en plantenbakken en banken. Zie artikel 8.3 tweede lid. Indien een te plaatsen object voldoet aan de criteria uit de nadere regels, kan volstaan worden met een melding. Deze melding kan via een digitaal formulier op de website van Zaanstad worden ingediend. Vijfde lid Om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen gebieden aanwijzen waar het verboden is om voorwerpen te plaatsen. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend. B&W hebben Inverdan aangewezen als gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen worden. Zie artikel 8.3 vierde lid. Artikel 5.51 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:11 APV. Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1. Eerste lid Aan dit artikel ligt als motief ten grondslag om de bruikbaarheid van die weg te borgen. Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor alle wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogeheten “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor hulpdiensten voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Derde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is het geregeld in de Telecommunicatiewet en de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur. Vierde lid Hiermee is aangesloten bij de Wabo. In deze wet is bepaald dat op de omgevingsvergunning paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing is. Artikel 5.52 Maken of veranderen van een uitweg Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:12 APV. Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders (zie verder toelichting artikel 3.1). Om te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan of dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen of de schaarse parkeerruimte in Zaanstad, is een vergunningplicht opgenomen. B&W hebben vastgesteld ‘Beleidsregels Uitwegen Gemeente Zaanstad 2008.’ Deze beleidsnotitie geeft een uitwerking van criteria voor vergunningverlening van uitwegvergunningen. Deze beleidsnotitie heeft als doel een eenduidig beleidskader te hebben bij het beoordelen van aanvragen voor vergunningen. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrec

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.