Verordening Zorg voor Jeugd 2020 gemeente ApeldoornDe raad van de gemeente Apeldoorn; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 10 juli 2019 en nummer 2019-058082; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet; gezien het advies van de Wmo-adviesraad d.d. 14 oktober 2019; overwegende dat - De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; - Het noodzakelijk is om regels vast te stellen: o over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen in het kader van de Jeugdwet, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; o over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; o over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald; o voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; o ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. - Het verder wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk; - De stichting Centrum voor Jeugd en Gezin namens het college van burgemeester en wethouders gemandateerd is om te besluiten over de toegang tot jeugdhulp en de toeleiding naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. besluit vast te stellen de Verordening Zorg voor Jeugd 2020 gemeente Apeldoorn Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: •Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van de belanghebbende behoort; •Andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet; •Budgethouder: de jeugdige aan wie een individuele voorziening is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget; •CJG: Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin; •Hulpvraag: een behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; •Gezinsplan: een plan van aanpak opgesteld door het college in samenspraak met de jeugdige of het gezin, al dan niet samen met de mantelzorgers, informele en formele hulpen. In dit plan staat welke vragen er zijn, welke doelen zijn gesteld en welke andere of overige voorzieningen (Jeugdwet) en/of (individuele) voorzieningen worden ingezet; •Individuele voorziening: een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een jeugdige of zijn ouders afgestemd geheel van jeugdhulpvoorzieningen in zorg in natura en/of pgb; •Overige voorziening: voorzieningen voor jeugdhulp als bedoeld in artikel 2; •Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; •Pgb-plan: een plan van de budgethouder waarin hij de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt. Het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting, de zorgovereenkomsten en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener; •Wet: Jeugdwet. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel2Overige voorzieningen De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: 1.CJG4kracht: ambulante ondersteuning voor de duur van maximaal 1 jaar; 2.Veilig Thuis: advies- en meldpunt met brede kennis op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het meldpunt geeft advies, is er voor consultatie, kan onderzoek doen naar een melding en zo nodig jeugdhulp inzetten; 3.(Meldpunt) Spoedeisende zorg: 24 uur per dag 7 dagen per week beschikbaarheid van een professional die interventiehulp biedt in het gezin. Artikel3Individuele voorzieningen De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: 1.Begeleiding individueel: activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven; 2.Begeleiding groep: een structurele tijdsbesteding binnen een agogisch klimaat met meetbare, duidelijk omschreven doelen, waarbij de begeleiding is gericht op een zinvolle dagbesteding of het in groepsverband aanleren van vaardigheden of leren omgang met een beperking; 3.Verblijf: opname en verblijf met een vorm van jeugdhulp in een instelling; 4.Zorgcoördinatie: coördinatie van de ondersteuning en zorg als meerdere professionals en informele ondersteuners betrokken zijn en de jeugdige en zijn ouders naar het oordeel van het college niet in staat zijn de zorg en ondersteuning zelf te coördineren; 5.Vervoer: het, naar het oordeel van het college, noodzakelijke vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid; 6.Ondertoezichtstelling: een rechterlijke maateregel gericht op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en de bedreiging van de fysieke en psychische veiligheid met als doel het realiseren van stabiliteit en continuïteit in de opvoedingssituatie; 7.Landelijke Transitiearrangement; vormen van hoog specialistische jeugdhulp die landelijk worden gecontracteerd; 8.Crisishulp: vormen van jeugdhulp in situaties waar sprake is van een niet uitstelbare hulpvraag en acute problematiek; 9.Behandeling individueel: individuele behandeling gericht op het opheffen dan wel verminderen van of leren omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen die de ontwikkeling van de jeugdige stagneren of leiden tot disfunctioneren; 10.Behandeling groep: behandeling op locatie van de aanbieder en in een groep gericht op het opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen die de ontwikkeling van de jeugdige stagneren of leiden tot disfunctioneren; 11.Pleegzorg: opvang van jeugdigen, waarbij jeugdigen niet door hun eigen( biologische) ouders, maar door vervangende ouders verzorgd en opgevoed worden; 12.Gezinshuis: opvang van een jeugdige in een stabiele gezinssituatie met professionele begeleiding en behandeling van de jeugdige met een ernstige opvoed- of behandelvraag; 13.Dyslexiezorg: diagnose en behandeling van ernstige enkelvoudige problemen bij lezen en spellen van kinderen van 7 jaar en ouder die basisonderwijs volgen; 14.(Specialistische) Geestelijke gezondheidszorg: diagnostiek, behandeling en/of verblijf van jeugdigen met psychische en psychiatrische basale stoornissen, ernstige psychische aandoeningen en in crisissituaties; 15.Respijtopvang Jeugd: opvang voor de jeugdige die permanent toezicht nodig heeft, waarbij de zorgtaken van ouders tijdelijk door anderen wordt overgenomen; 16.Overige jeugdhulp: vormen van benodigde jeugdhulp die niet vallen onder een van bovenstaande categorieën. Artikel4Jeugdbescherming en jeugdreclassering Op grond van artikel 2.4, tweede lid van de Jeugdwet is het college verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, van de jeugdreclassering en van de jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. Artikel5Toegang tot jeugdhulp 1.Jeugdigen of hun ouders met een hulpvraag kunnen het college verzoeken om toekenning van een individuele voorziening; 2.Het college zorgt voor de inzet van de goedkoopst adequate voorziening voor jeugdhulp na verwijzing door: de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is; de rechter of gecertificeerde instelling, indien hij dit nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel; de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële instelling als dit nodig is bij de uitvoering van de opgelegde maatregel jeugdreclassering; 3.Spoedeisende zorg kan zowel door het college als de gecertificeerde instelling worden ingezet. In spoedeisende situaties kan door het college of de gecertificeerde instelling ook een spoedmachtiging tot opname in een gesloten instelling worden aangevraagd conform artikel 6.1.3 van de Jeugdwet. Artikel6Mandaat CJG Het college heeft in het Mandaat- en machtigingsbesluit CJG Apeldoorn 2015 aan de Raad van Bestuur van het CJG mandaat en machtiging verleend inzake de bevoegdheden van het college tot verlening van toegang tot passende hulp en toeleiding naar het justitiële kader met inbegrip van het woonplaatsbeginsel. Artikel7Onafhankelijke cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning bij de procedure voor de aanvraag om een individuele voorziening als bedoeld in artikel 8 tot en met 16, waarbij het belang van de jeugdige en zijn ouders uitgangspunt is; 2.Het college wijst de jeugdige of zijn ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel8Aanvraag 1.Jeugdigen en hun ouders dienen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk in bij het college of via het aanvraagformulier op de website van het CJG; 2.Uit de aanvraag blijkt welke vorm van jeugdhulp wordt aangevraagd en met welk doel; 3.Het college kan een ondertekend verslag van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 10, aanmerken als aanvraag als de jeugdige en zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven; 4.De jeugdige en zijn ouders kunnen de jeugdhulpaanbieder machtigen de aanvraag namens hen te doen bij het college als er een verwijzing is als bedoeld in artikel 8 onder vier; 5.De jeugdige en zijn ouders kunnen binnen tien werkdagen na indiening van de aanvraag een familiegroepsplan opstellen als bedoeld in artikel 1.1 van de wet. Artikel9Onderzoek Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek en wordt gevoerd met de jeugdige en zijn ouders. De volgende factoren maken in ieder geval onderdeel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek: 1.De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid, en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; 2.Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; 3.Het vermogen van de jeugdige en zijn ouders om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; 4.De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; 5.De mogelijkheden om gebruik te maken van een overige voorziening; 6.De mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; 7.De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; 8.Hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; en 9.De mogelijkheden om te kiezen voor een verstrekking van de individuele voorziening in de vorm van een pgb, waarbij de jeugdige en zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze; 10.Het college informeert de jeugdigen en zijn ouders over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen zo nodig toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken; 11.Voor of tijdens het onderzoek verschaffen de jeugdige en zijn ouders het college alle voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens en bescheiden waarover zij op dat moment redelijkerwijs de beschikking hebben of kunnen krijgen. Onderdeel hiervan is het ter inzage verstrekken van een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; 12.Het college kan in overleg met de jeugdige en zijn ouders afzien van een onderzoek. Artikel10Verslag uitkomsten van het onderzoek 1.Na het onderzoek verstrekt het college binnen tien werkdagen aan de jeugdige of zijn ouders een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen; 2.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders melden zij binnen tien werkdagen na ontvangst van het verslag aan het CJG en worden aan het verslag toegevoegd. Artikel11Deskundig oordeel en advies Het college wint een specifiek deskundig oordeel of advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Artikel12Criteria voor een individuele voorziening Het college kent de goedkoopst adequate individuele voorziening toe voor zover wordt vastgesteld dat de jeugdige en zijn ouders geen passende oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: 1.Binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; het aanspreken van een verzekering die is afgesloten. 2.Door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke of overige voorziening; óf 3.Door gebruik te maken van een andere voorziening. Artikel13Vervoer 1.Vervoer wordt alleen toegekend als, na onderzoek door het college, blijkt dat ouders en het sociaal netwerk hierin niet kunnen voorzien; 2.De hoogte van de vervoersvergoeding per kilometer bij gebruik van eigen vervoer bedraagt maximaal het tarief zoals bepaald in het meest recente Handboek loonheffing van de Belastingdienst; 3.De hoogte van de vergoeding voor openbaar vervoer bedraagt maximaal de reiskosten van het openbaar vervoer 2e klas; 4.Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden een beroep kan worden gedaan op een vervoersvoorziening. Artikel14Algemene regels persoonsgebonden budget Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. 1.Binnen het toegekend pgb dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de in de beschikking genoemde periode te worden behaald, tenzij er zich nieuwe omstandigheden voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de resultaten; 2.Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel en wordt uitbetaald per feitelijk geleverde uren, niet zijnde maandloon; 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 9 onder 2 sub i wordt een pgb geweigerd als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; 4.Een pgb mag niet worden aangewend: voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland langer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periode langer dan zes weken, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college; voor bemiddelings- of administratiekosten, coördinatie, voortgezette diagnostiek, tussenpersonen of belangenbehartiging; voor het inkopen van voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten en voorzieningen; voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; 5.Het college bepaalt dat in verband met de kwaliteitsborging bepaalde individuele voorzieningen door een formele hulp moet worden geboden. Zie hiervoor bijlage 1 bij deze verordening. Artikel15De hoogte van het persoonsgebonden budget Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties: 1.Een aanbieder die door de gemeente Apeldoorn voor zorg in natura is gecontracteerd voor de betreffende ondersteuning; óf 2.Een aanbieder die voldoet aan de volgende criteria: heeft een inschrijving in de Kamer van Koophandel (KvK); én richt zich, blijkens de handelsbenaming uit de KvK, primair op de benodigde ondersteuning, zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan; én werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een geldende methodiek onderdeel is; én biedt een dienstverband aan minimaal twee medewerkers; én de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld en ontvangen een salaris dat daarmee overeenkomstig is; én degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de cliënt is geen partner, eerste of tweedegraads familie van deze cliënt; én beschikt als er sprake is van wonen/verblijf over een locatie van een instelling waar meerdere cliënten verblijven en waar sprake is van permanent toezicht, een therapeutisch leefklimaat en een beschermde woonomgeving; óf een zelfstandige zonder personeel of freelancer die blijkens de handelsbenaming uit de KvK zich primair richt op de benodigde ondersteuning, zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan én werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een geldende methodiek onderdeel is. 3.Ten behoeve van de formele hulp geldt dat de zelfstandige zonder personeel of freelancer of degene die wordt ingehuurd voor het leveren van de daadwerkelijke ondersteuning geen partner, eerste of tweedegraads familie van de hulpvrager is; 4.Indien niet wordt voldaan aan bovenstaande criteria is sprake van informele hulp. 5.Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp met een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: is de informele hulp in staat de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is; de belastbaarheid van de mantelzorger en/of informele hulp. Er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting. Indien sprake is van parttime of fulltime betaalde arbeid mag het maximum van de te verlenen informele hulp op basis van een pgb in combinatie met de betaalde arbeid tezamen het gemiddelde van 48 uur per week, gemeten over een periode van 16 aaneengesloten werkweken, niet overschrijden. Dit conform de Arbeidstijdenwet; de cliënt of de vertegenwoordiger, gewaarborgde regievoerder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit; de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten. 6.Bij de vaststelling van de hoogte van een pgb wordt ook het door de jeugdige of zijn ouders op te stellen pgb-plan betrokken, waarin in ieder geval uiteengezet wordt: welke jeugdhulp die tot de individuele voorzieningen behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget wil betrekken; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; de kosten van de jeugdhulp, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 7.De hoogte van een pgb: wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten van derden te betrekken. De benodigde jeugdhulp moet bij minimaal één aanbieder in te kopen zijn; wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst compenserende oplossing voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura; bedraagt voor informele hulp maximaal € 20,00 per uur, tenzij in bijlage 1 anders is vermeld. Is voor informele hulp jonger dan 21 jaar gelijk aan het wettelijk minimumjeugdloon inclusief vakantietoeslag. 8.In afwijking van het gestelde in het zevende lid, onder b, wordt de kostprijs van de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening vergoed, als uit het onderzoek is gebleken dat de cliënt een andere vorm van ondersteuning nodig heeft dan het college in natura heeft ingekocht. Artikel16Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2.Bij verwijzing door de huisarts of medisch specialist legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als de jeugdige of zijn ouders daarom vragen. 3.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: welke voorziening verstrekt wordt en wat de omvang en het beoogde resultaat is; de ingangsdatum en duur van de verstrekking; en indien van toepassing; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking vastgelegd: aan welk doel het pgb moet worden besteed; wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden. Artikel17Kwaliteit 1.De jeugdhulp die door een formele hulp in natura of op basis van een pgb wordt geboden, voldoet kwalitatief aan hetgeen daarover is bepaald in de wet. Formele hulp in natura voldoet daarnaast aan de meest recente voorwaarden voor de inkoop Jeugd, zoals door het college vastgesteld, met uitzondering van de administratieve eisen; 2.De jeugdhulp die door een informele hulp wordt geboden is veilig, adequaat, cliëntgericht en doeltreffend. Artikel18Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening of intrekking 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb; 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Jeugdwet, Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; de jeugdige en zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb; of de jeugdige en zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.Een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan door het college worden ingetrokken als blijkt dat hiervan binnen drie maanden na verlening geen gebruik wordt gemaakt. Artikel19Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1.Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; 2.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop jeugd, conform artikel 17 onder 1, en de naleving van rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening; 3.Het college stelt nadere regels vast over de bevoegdheden van de toezichthouder; 4.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen in natura en pgb met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan en, alleen voor individuele voorzieningen in natura, de extra gemeentelijke kwaliteitseisen; 5.De budgethouder bewaart de pgb-administratie gedurende vijf jaar vanaf de datum waarop het pgb is beëindigd. Artikel20Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een jeugdige of zijn ouders een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e van de wet; 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18 onder 2 sub d; 3.Het college stelt de budgethouder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel21Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: 1.De aard en omvang van de te verrichten taken; 2.De toepasselijke schalen in de voor de sector geldende Collectieve arbeidsovereenkomst in relatie tot de zwaarte van de functie; 3.Een redelijke toeslag voor overheadkosten; 4.Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; 5.Kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel22Vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen of hun ouders een beroep kunnen doen op een kosteloze onafhankelijke vertrouwenspersoon conform artikel 2.6, tweede lid van de wet; 2.Het college wijst jeugdigen of hun ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van de inzet van een vertrouwenspersoon. Artikel23Klachtregeling 1.Het college behandelt klachten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 (klachtbehandeling) van de Algemene wet bestuursrecht; 2.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle door hen aangeboden voorzieningen; 3.Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel24Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; 2.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning; 3.In de Verordening Cliëntenparticipatie 2015 zijn regels opgenomen ten aanzien van het eerste en tweede lid. Artikel25Intrekking Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2019 en overgangsrecht 1.De Verordening Zorg voor Jeugd 2019 wordt ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; 2.Een cliënt die op grond van de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn, recht heeft op een individuele voorziening, waarvoor deze verordening een overeenkomstige bepaling kent die voor de cliënt nadeliger is, behoudt tot 1 juli 2020 het recht op de reeds toegekende voorziening; 3.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de eerdere Verordening Zorg voor Jeugd, wordt beslist met inachtneming van de oude verordening; 4.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de nieuwe verordening; 5.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn, wordt beslist met inachtneming van de oude verordening. Artikel26Geen bepalingen In gevallen de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel27Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen een of meer artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de jeugdige en zijn ouders leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel28Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020; 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Zorg voor Jeugd 2020 gemeente Apeldoorn. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 19-12-2019.De griffier, ……………………,De burgemeester, …………….Toelichting Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Het doel van het jeugdhulpstelsel is dat jeugdigen en ouders waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp krijgen, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulp)voorzieningen; met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een informele hulp, bijvoorbeeld een persoon die behoord tot zijn sociale netwerk. Het persoonsgebonden budget wordt nader uitgewerkt in artikel 11. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet heeft vastgesteld. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Eveneens is de verordening gestoeld op de notitie Doorontwikkeling CJG, waarin het alleenrecht van het CJG is geregeld voor de gemeentelijke toegangstaak. Toeleiding naar jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden: Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugd (zie artikel 2 tot en met 5). Voor een deel van de hulpvragen kan worden volstaan met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze hulp dus rechtstreeks tot de aanbieder wenden. Naast de overige en individuele voorzieningen heeft de gemeente een taak bij de toeleiding van jeugdigen naar jeugdbescherming en jeugdreclassering (artikel 4 en 5). Toegang jeugdhulp Er zijn 4 verschillende manieren te onderscheiden waarop jeugdigen en gezinnen toegang kunnen krijgen tot jeugdhulp: Via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouders kan binnenkomen bij de gemeente. De gemeenteraad heeft bij besluit van 17 juli 2014 de Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn (hierna: CJG) het alleenrecht verleend om namens de gemeente te beslissen over de toegang tot jeugdhulp en de toeleiding naar de jeugdbescherming en jeugdreclassering (toeleiding naar het justitiële kader). De stichting voert haar werkzaamheden uitsluitend uit ten behoeve van de Gemeente Apeldoorn en ten behoeve van jeugdigen tot 23 jaar die conform de Jeugdwet onder verantwoordelijkheid van de Gemeente Apeldoorn vallen. Wordt overwogen een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen dan gaat daar een overleg van de jeugdbeschermingstafel aan vooraf. Het CJG is onderdeel van deze tafel en neemt het uiteindelijke besluit. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. Er wordt gekeken wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een andere of overige voorziening is. Is een individuele voorziening nodig, dan neemt de pedagoog van het CJG, namens het college, een besluit en bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders welke jeugdhulpaanbieder passend is om de betreffende problematiek aan te pakken. De toegang tot gesloten jeugdhulp verloopt veelal via de gecertificeerde instelling (instelling die de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen uitvoert). Gesloten jeugdhulp is een vorm van zorg en behandeling voor jongeren met ernstige en gecompliceerde gedragsproblemen die tegen zichzelf beschermd moeten worden of zich aan de noodzakelijke zorg dreigen te onttrekken. Jongeren worden ongeacht of ze dit willen, opgenomen en krijgen in hun eigen belang hulp in een gesloten omgeving. Dit gebeurt altijd op besluit van de kinderrechter en na toetsing door een onafhankelijke gedragswetenschapper. In veel situaties is de gecertificeerde instelling, betrokken bij gezinnen waarin complexe problematiek speelt. Zodra sprake is van een maatregel, heet dit gedwongen kader. Is in het gedwongen kader een machtiging gesloten jeugdhulp nodig, dan kan de gecertificeerde instelling deze aanvragen. In een aantal situaties is sprake van een machtiging gesloten jeugdhulp in het vrijwillige kader. De gecertificeerde instelling is (nog) niet bij het gezin betrokken en de jeugdige en zijn ouders stemmen in met een gesloten plaatsing. In deze situaties regelt de Jeugdwet dat het college een machtiging kan aanvragen na toetsing door een onafhankelijke gedragswetenschapper. Via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal de jeugdhulpaanbieder het CJG informeren over de verwijzing. De jeugdhulpaanbieder zal na de verwijzing in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders bepalen welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Binnen de marges van de toegekende individuele voorziening. Bij het vaststellen van de passende hulp dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de inkoop. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind. Hiermee wordt de integrale benadering bevorderd rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek. Voorkomen moet worden dat professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente onder de individuele voorzieningen valt en alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 3). Als de passende hulp is vastgesteld, moeten de jeugdige of zijn ouders een aanvraag jeugdhulp bij het college indienen. Het college beoordeelt of binnen de gemaakt afspraken en de verordening is gehandeld en geeft, indien akkoord, een beschikking af voor de goedkoopst adequate voorziening. Ook kunnen de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulpaanbieder machtigen de aanvraag jeugdhulp namens hen te doen bij het college (artikel 8 onder 4). Wettelijk is geregeld dat toegang tot jeugdhulp via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist mogelijk is. Deze verordening regelt slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 6). Op een aantal huisartsenpraktijken houdt het CJG spreekuur en wordt de patiënt door het CJG gesproken. Dan bepaalt het CJG welke jeugdhulp nodig is en in welke omvang. Via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die, na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval, hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. De gecertificeerde instelling stuurt een bepaling jeugdhulp aan het college, Jeugdige en ouders ontvangen geen beschikking, omdat tegen de uitspraak van de rechter geen bezwaar en beroep mogelijk is bij het college. Via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder niet terug in deze verordening. Artikelsgewijs Artikel 1 Begripsbepalingen Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening, draait het om het beantwoorden van de vraag of de jeugdige of zijn ouders ook over de voorziening kunnen beschikken als geen sprake is van een beperking. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals: De voorziening is algemeen verkrijgbaar; De voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking; De voorziening is niet aanzienlijk duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de jeugdige of zijn ouders, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de aanvrager. Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of langdurige zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b van de wet. De individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn opgenomen in artikel 3, 4 en 5. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 6 e.v. De budgethouder is degene voor wie de zorg is geïndiceerd en deze verstrekt krijgt in de vorm van een pgb. Hij ontvangt een pgb, dat wil zeggen een budget om zelf de individuele voorziening in te kopen die is afgesproken. De budgethouder is verantwoordelijk voor de besteding van het budget en voor de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp. Dit geldt ook als het een kind betreft. De ouder/verzorger kan wel de vertegenwoordiger zijn. Daarmee neemt hij alle rechten en plichten van de budgethouder over. Hij legt in een pgb-plan vast op welke manier de ingekochte hulp bijdraagt aan de oplossing van zijn probleem. De definitie van ‘hulpvraag’ is nodig omdat deze niet is gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. In een gezinsplan staan naast een omschrijving van de gezinssituatie en de hulpvraag onder andere de afspraken die met de jeugdige en zijn ouders zijn gemaakt. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdige en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt; en het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 2 tot 4 Vormen van jeugdhulp In deze artikelen wordt een nadere uitwerking gegeven van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de inwoners recht hebben op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Gerelateerd aan de passende jeugdhulp is soms vervoer van de jeugdige naar en van de locatie voor jeugdhulp nodig. Dit vervoer is derhalve ook een voorzieningen in het kader van de Jeugdwet. In artikel 2 tot en met 4 worden de verschillende voorzieningen nader geduid. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van zorg zal door de gemeente (artikel 5 tot en met 15) of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 5) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de inwoner zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. Artikel 2 Overige voorzieningen In artikel 2 zijn de overige voorzieningen beschreven. Jeugdhulp waarvan gebruik kan worden gemaakt met een lichte toets vooraf. CJG4kracht is ambulante hulp in het gezin. De ambulant hulpverlener van het CJG begeleidt het gezin gedurende maximaal 1 jaar. In situaties waarin vermoedens bestaan van huiselijk geweld of kindermishandeling kan een beroep worden gedaan op de deskundigheid van Veilig Thuis. Ook kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis. Een melding kan leiden tot een advies over hoe om te gaan met de situatie door bijvoorbeeld inzet van een (vrij toegankelijke) andere voorziening zoals het maatschappelijk werk of een toeleiding naar het CJG wanneer er toch een individuele voorziening nodig blijkt. Ook kan Veilig Thuis een melding doen bij de raad voor de kinderbescherming. Deze melding kan uiteindelijk leiden tot een rechterlijke maatregel; jeugdbescherming of jeugdreclassering. Een crisissituatie kan leiden tot een beroep op spoedeisende zorg (artikel 2, onder c). Het gaat om de 24/7 beschikbaarheid van een professional die interventiehulp biedt in het gezin. Onder spoedzorg/crisisopvang verstaan we een hulpvraag waarop binnen 24 tot 48 uur moet worden gehandeld. Het gaat om situaties waarin jeugdige mogelijk uit de huiselijke setting moet worden gehaald als gevolg van een onverwachte en voor de jeugdige ingrijpende gebeurtenis. Tijdens de crisisopvang wordt ingezet op: het stabiliseren van de crisissituatie en toeleiden naar een passende vervolgplek; indien noodzakelijk observatie verrichten om het vervolgtraject te bepalen; met de jeugdige/het gezin samen opstellen van een (voorlopig) zorgplan met doelen. Het is belangrijk dat het CJG en relevante lokale voorzieningen optimaal worden benut wanneer spoedeisende zorg geboden is. Opvang van een jeugdige op een crisisplek voor wonen/verblijf (met behandeling) is tijdelijk, daarna kan een jeugdige terug naar huis of doorstromen naar een individuele voorziening. Artikel 3 Individuele voorzieningen Artikel 3 geeft een overzicht van de individuele voorzieningen die door de gemeente zijn ingekocht. Binnen de zorgproducten begeleiding, behandeling en wonen/verblijf wordt een onderscheid gemaakt in basis, middel en complex. Daarnaast is begeleiding en behandeling zowel individueel als in groepsverband mogelijk. Verder onderscheiden we begeleiding crisis, behandeling crisis en wonen/verblijf crisis. De hulpvraag van jeugdigen en ouders is uniek en onderling verschillend. De duur van de hulpvraag kan kort of juist lang zijn. Maar deze kan ook verschillen in de intensiteit van de vraag: de ene hulpvraag is lichter of juist zwaarder dan de andere hulpvraag. Dit betekent dat een hulpvraag lang kan zijn, maar een licht karakter hebben. Een hulpvraag kan ook kort duren, maar in die korte tijd juist zwaar zijn. Op deze manier zijn 4 combinaties mogelijk tussen de duur van de hulp en zorg en de intensiteit van de hulpvraag. Die combinaties en de benaming ervan staan hieronder: Deze combinaties tussen duur en intensiteit kunnen gelden voor elk zorgproduct op individueel of groepsniveau, wonen/verblijf en behandeling. Binnen het zorgproduct bepaalt het CJG of de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige of zijn ouders welke jeugdhulp precies nodig is binnen de daarvoor door de gemeente gestelde kaders. Een nadere duiding van de zorgproducten is te vinden in het zorgproductenboek (http://www.zorgregiomijov.nl/images/Def.documenten_inkoop2019/Annex_2_zorgproductenboek.pdf) Ad 1: Begeleiding is zowel individueel als in groepsverband mogelijk. Ad 2: Verblijf vindt plaats op locatie van een aanbieder en omvat onder andere behandelgroepen, 3-milieusvoorzieningen, locaties voor JeugdzorgPlus (gesloten accommodaties) en locaties voor specialistische geestelijke gezondheidzorg. Ad 5: Ondertoezichtstelling (OTS): als de thuissituatie voor jeugdigen niet veilig is of ze in hun ontwikkeling worden bedreigd kan de rechter een OTS uitspreken. Een gezinsvoogd helpt dan de ouders (tijdelijk) met de opvoeding en verzorging van hun kinderen zodat de veiligheid terugkeert of de bedreiging wordt afgewend. Ad 6: Landelijke Transitiearrangement (LTA): een aantal vormen van jeugdhulp zijn hoog specialistisch en worden op een zeer beperkt aantal plaatsen in het land aangeboden. De inkoop van deze zorg is landelijk geregeld via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten die namens de gemeente de afspraken maakt. Onder het LTA vallen onder andere vormen van zeer specialistische jeugd Geestelijke GezondheidsZorg (GGZ) o.a. voor jongeren met een lichte verstandelijke beperking, eetproblemen en jongeren die doof, slechthorend, blind en/of slechtziend zijn. Ad 13: Respijtopvang wordt ingezet als aanvulling op het wonen thuis. Het biedt de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.