Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2020De raad van de gemeente Heerde; gelezen het voorstel van het College, d.d. 16 december 2019; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet; en de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, en artikel 2.1.5., 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 lid 4, en 2.6.6, eerste lid van de Wmo 2015; en artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gezien het advies van de Commissie Samenleving overwegende dat het Rijk middels de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving. Besluit: Vast te stellen de volgende verordening: Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2020. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet of de Wmo 2015, op het gebied van zorg, onderwijs, of werk en inkomen; bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015; cliënt: de persoon conform omschrijving artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 en de jeugdige en zijn ouders conform artikel 1.1 van de Jeugdwet; college: het college van de gemeente Heerde; familie: familieleden van de eerste en tweede graad, zijnde ouders, kinderen, grootouders, kleinkinderen, broers en zusters; formele hulp: ondersteuning en zorg, uitgevoerd door een persoon die beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is in deze ondersteuning en zorg, wat blijkt uit de inschrijving van de Kamer van Koophandel van hemzelf of de organisatie waarvoor hij werkzaam is en die geen familie is van de cliënt; gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking of mensen met een behoefte aan jeugdhulp en die niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; gezinsplan: het hulpverleningsplan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 en 4.1.3, van de Jeugdwet; hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet of behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo 2015; individuele voorziening: op de cliënt toegesneden jeugdhulp voorziening als bedoeld in artikel 7, tweede lid, die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt. Een individuele voorziening is niet vrij toegankelijk; Hulp vanuit het sociale netwerk: ondersteuning en zorg die blijkens de definitie van formele hulp niet voldoet aan de voorwaarden van formele hulp; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; ten behoeve van beschermd wonen en opvang; mantelzorg: langdurige en onbetaalde zorg voortkomend uit een sociale relatie tussen personen. Het gaat hierbij om meer dan de gebruikelijke zorg die in een huishouden aan elkaar wordt geleverd; mantelzorgcompliment: de waardering van mantelzorg door de gemeente; mantelzorger: persoon die 18 jaar of ouder is en minimaal acht uur per week en langer dan zes maanden in het betreffende kalenderjaar mantelzorg verleend aan de zorgvrager; melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Jeugdwet of artikel 2.3.2., eerste lid van de Wmo 2015; ondersteuningsplan: schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 achtste lid van de Wmo 2015; overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Wmo 2015 en artikel 2, eerste lid van de Jeugdwet; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo2015; professional: persoon die betaalde zorg verleent aan een zorgvrager; voordrager: persoon die een mantelzorger voordraagt voor het mantelzorgcompliment. De voordrager is altijd de zorgvrager of de professional; voorliggende voorziening: iedere regeling of voorziening al dan niet op grond van een andere wet, waar inwoners gebruik van kunnen maken en waarmee de participatieproblemen of problemen bij het zelfstandig wonen verholpen kunnen worden; Wmo: de Wmo 2015; zaak: roerend hulpmiddel of woningaanpassing dat bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen; zorgvrager: persoon die door zijn/haar fysieke, verstandelijke of psychische beperking(
- en)mantelzorg ontvangt van een naaste en/of gebruik maakt van een individuele voorziening Wmo of Jeugdhulp of zorg op basis van de Wet Langdurige Zorg. Artikel2.Cliëntondersteuning Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger ten tijde van de melding op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel3.Criteria voor een individuele en maatwerkvoorziening Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele of maatwerkvoorziening als: de cliënt op eigen kracht of met de hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; de cliënt geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening, of; de cliënt geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorziening. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn handelen had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een individuele of maatwerkvoorziening. Als een individuele of maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de adequate én meest goedkope voorziening. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten waarvoor door de cliënt na het maken van de kosten ondersteuning is aangevraagd, moet kunnen worden nagegaan of de voorziening noodzakelijk is en als adequate én meest goedkope voorziening aan te merken valt. Wanneer het vanwege technische afschrijving noodzakelijk is een door de gemeente toegekende voorziening te vervangen binnen de periode van 9 jaar, wordt deze automatisch door de aanbieder verstrekt. In het geval van door nalatigheid en/of verwijtbare veroorzaakte kosten wordt een reële bijdrage gevraagd aan de cliënt ten behoeve van het vervangen van de voorziening. Wanneer de cliënt geen gebruik meer maakt van een maatwerkvoorziening of woningaanpassing kan het college besluiten om de voorziening te beëindigen. Artikel4.Integrale bouwstenen De volgende individuele- of maatwerkvoorzieningen kunnen ingezet worden als Wmo- zowel als Jeugdhulp voorziening: Crisis Wonen/verblijf Crisis Basis Wonen/verblijf Crisis Hoog Begeleiding Crisis Begeleiding Begeleiding Individueel Licht Begeleiding Individueel Basis Begeleiding Individueel Complex Begeleiding Groep Begeleiding Groep Licht Begeleiding Groep Basis Begeleiding Groep Complex Wonen/Verblijf (excl. Crisis) Wonen/verblijf Individueel met begeleiding Perspectief Wonen/verblijf Groep met begeleiding Perspectief Wonen/verblijf Groep met begeleiding Intensief Wonen/verblijf Groep met begeleiding Duurzaam Wonen/verblijf Groep met begeleiding Intensief – partnerplaats Wonen/verblijf Groep met begeleiding Intensief (scheiden wonen/zorg) Wonen/verblijf Groep met begeleiding Duurzaam – partnerplaats Wonen/verblijf groep met begeleiding Duurzaam (scheiden wonen/zorg) Wonen/verblijf Groep met begeleiding Perspectief – partnerplaats Wonen/verblijf groep met begeleiding Perspectief (scheiden wonen/zorg) Wonen/verblijf Individueel met begeleiding Perspectief – partnerplaats Wonen/verblijf individueel met begeleiding perspectief (scheiden wonen/zorg) overige integrale voorzieningen Time-out voorziening Zorgcoördinatie Vervoer Vervoer Plus Opslag kindplaats De tarieven behorende bij de bouwstenen zijn vastgesteld in een regionaal inkoopproces, en zijn terug te vinden in bijlage 1. Artikel5.Toegang (maatwerk)voorzieningen Wmo en Jeugdhulp Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.2.1 tot en met 2.3.5 van de Wmo 2015 bij nadere regels op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een algemene dan wel maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Het college stelt met inachtneming van artikel 2.9, onderdeel a van de Jeugdwet nadere regels met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Onderdeel van deze voorwaarden is de wijze waarop in samenspraak met de jeugdige en/of ouders de vraag om toegang tot een individuele voorziening (juridisch) wordt geformaliseerd. Het college bepaalt met inachtneming van artikel 2.9, onderdeel b van de Jeugdwet dat de toegang tot en het toekennen van een individuele voorziening Jeugdhulp wordt afgestemd met reeds toegekende of toe te kennen voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Artikel6.Afwijzingscriteria Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien: de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Heerde; er een voorliggende voorziening is; de voorziening voor de cliënt gebruikelijk is; het gebruik van een voorziening voor de cliënt zelf of voor derden onveilig is of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; de aanvraag betrekking heeft op reeds gemaakte kosten en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was; er geen sprake is van aantoonbare meerkosten; de maatwerkvoorziening uitsluitend therapeutische doeleinden heeft. Artikel7a.Inhoud beschikking In de beschikking tot verstrekking van een individuele of maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Bij het verstrekken van een individuele of maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt; indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Bij het verstrekken van een individuele of maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Als sprake is van een door de cliënt te betalen bijdrage wordt hij daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel7b.Geen beschikking individuele voorziening in natura Jeugd Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, wordt geen beschikking afgegeven indien het gezinsplan, inhoudende een maatwerkvoorziening in natura, door cliënt is ondertekend en akkoord bevonden. Een beschikking overeenkomstig artikel 7b moet wordt afgegeven wanneer: de cliënt en/of de gezinscoach het niet eens zijn over het aanbod van de ondersteuning; om een pgb is verzocht in plaats van een voorziening in natura; de cliënt daartoe een aanvraag heeft ingediend; de gezinscoach dit nodig acht. Artikel8.Persoonsgebonden budget Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet of artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Onverminderd artikel 8.1.1, tweede en vierde lid van de Jeugdwet en artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld bestedingsplan voor het pgb, waarin is aangegeven; welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, de cliënt van het budget wil betrekken en; indien van toepassing, welke de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. wordt berekend op basis van een prijs of tarief; waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken; waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en ; wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; bedraagt voor een materiële maatwerkvoorziening waaronder een hulpmiddel maximaal de kosten die het college verschuldigd is aan dezelfde voorziening in natura; bedraagt voor formele hulp niet meer dan de 100 % van de geldende gemeentelijke inkooptarieven in natura; bedraagt voor hulp vanuit het sociale netwerk een ander tarief dan voor formele hulp. Hierbij worden de volgende tarieven aangehouden: individuele begeleiding niet meer dan € 20,00 per uur; dagbesteding niet meer dan € 5,00 per uur; persoonlijke verzorging of regie op gestructureerd huishouden niet meer dan € 20,00 per uur; hulp bij het huishouden niet meer dan €12,50 per uur; deeltijdverblijf, logeeropvang en respijtopvang een symbolische vergoeding van maximaal €141 per kalendermaand, en; De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak in natura, indien deze door het college zou zijn verstrekt en rekening houdend met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; huishoudelijke hulp, Begeleiding Individueel (Licht, Basis en Complex) en Begeleiding Groep (Licht, Basis en Complex), door een daartoe opgeleid persoon (in het bezit van bijzondere deskundigheid) in dienst bij een zorgaanbieder: op basis van het toepasselijke tarief per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd voor een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. hulp door personen uit het sociale netwerk: huishoudelijke hulp: op basis van ten minste het wettelijk minimumloon; individuele begeleiding of groepsbegeleiding: op basis van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg; een autoaanpassing: op basis van de laagste offerte van de noodzakelijke aanpassingen blijkend uit drie aangeleverde offertes; Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, niet zijnde op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, als: het tarief of de prijs bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onder 1, voor maatschappelijke ondersteuning, minimaal het wettelijke minimumloon bedraagt tot ten hoogste de kostprijs van de daarvoor in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura als noodzakelijk is om: te verzekeren dat het budget de cliënt in staat stelt tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en ; op gepaste wijze rekening te houden met de gezinssituatie en de relevante werkervaring en kwalificaties van deze persoon. Voor hulp uit het sociaal netwerk in de vorm van deeltijdverblijf, logeeropvang en respijtzorg, bestaande uit onverplichte maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 kan vanuit het pgb een forfaitaire tegemoetkoming worden verstrekt van maximaal €141,00 per kalendermaand in die maanden dat ondersteuning wordt geleverd; Tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald. Artikel9.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Aanbieders die formele Wmo-hulp bieden, in natura of op basis van een pgb, voldoen kwalitatief aan hetgeen daarover is bepaald in de Wmo 2015 en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop Wmo, zoals door het college vastgesteld. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel10.Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene kwaliteitsvoorwaarden voor de inkoop Wmo, conform artikel 13 van de Wmo 2015, en de naleving van rechtmatige uitvoering van de Wmo, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. Het college stelt in samenwerking met de regio nadere regels vast over de bevoegdheden van de toezichthouder voor Wmo en Jeugd. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar of aan de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Hoofdstuk2.Bijzondere bepalingen Jeugdhulp Artikel11.Bouwstenen Jeugd De volgende individuele voorzieningen kunnen ingezet worden als voorziening voor Jeugdhulp (voor tarieven zie bijlage 1): Behandeling Jeugd Behandeling Basis Behandeling Hoog Behandeling Groep Behandeling Jeugd-SGGZ Behandeling Basale stoornissen Behandeling Stabilisatie Behandeling EPA Behandeling Jeugd GGZ - Beschikbaarheidscomponent Crisis (per traject) Behandeling Jeugd-GGZ Diagnostiek (volumenorm 1.500 min) Behandeling Jeugd-GGZ Crisis (volumenorm 1.800 min) Verblijf Jeugd Verblijf gezinsgericht Verblijf Behandelgroep Jeugd Verblijf Driemilieu-voorziening Jeugd JeugdzorgPlus Verblijf Jeugd-GGZ categorie A Verblijf Jeugd-GGZ categorie B Verblijf Jeugd-GGZ categorie C Verblijf Jeugd-GGZ categorie D Verblijf Jeugd-GGZ categorie E Verblijf Jeugd-GGZ categorie F Verblijf Jeugd-GGZ categorie G Verblijf Jeugd-GGZ categorie H Pleegzorg jeugd Pleegzorg Pleegzorg LVB Respijtopvang Jeugd Respijtopvang Laag Jeugd Respijtopvang Basis Jeugd Respijtopvang Hoog Jeugd Jeugdreclassering en Jeugdbescherming Consultatie en advies Zicht op veiligheid (vrijwillig kader) Preventieve Jeugdbescherming Begeleiding tijdens Raadsonderzoek (BTR) Nazorg Forza OTS < 1 jaar (1 stuk/maand) OTS > 1 jaar (1 stuk/maand) Voogdij + VOVO (1 stuk/maand) Opslag bijzondere pupilkosten (1 stuk/maand) Reguliere JR (1 stuk/maand) ITB- Harde Kern (1 stuk/maand) ITB - Criem (1 stuk/maand) Scholings- en trainingsprogramma (STP) (1 stuk/maand) Gedragsbeïnvloedende maatregel advies (GBM) Gedragsbeïnvloedende maatregel begeleiding (GBM) (1 stuk/maand) Samenloop (1 stuk/maand) Instemmingsverklaring gedragswetenschapper Jeugdzorg Plus Dyslexie Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Pre-screening Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Diagnostiek Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Behandeling Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Verlenging behandeling overige Jeugdvoorzieningen ADHD-zorg (traject van 1 jaar) Psychische en psychiatrische zorg (traject van 1 jaar) Landelijke expertise team (LET) jeugdbescherming De tarieven behorende bij de bouwstenen zijn vastgesteld in een regionaal inkoopproces, en zijn terug te vinden in bijlage 1. Artikel12.Vertrouwenspersoon Het college zorgt ervoor dat een cliënt een beroep kan doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Het college informeert de cliënt dat hij zich desgewenst kan laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 12a Het college voert geen controle uit op rechtmatigheid van verwijzingen van huisarts of medisch specialist dan wel jeugdarts als bedoeld in artikel 2.6 lid 1 aanhef en sub e, Jeugdwet. De raad besluit geen financiële consequenties te verbinden aan het niet-naleven van de eis dat een geldige verwijzing aanwezig dient te zijn. Hoofdstuk3Bijzondere bepalingen Maatschappelijke ondersteuning Artikel13.Bouwstenen Wmo De volgende maatwerkvoorzieningen kunnen ingezet worden als Wmo voorziening (voor tarieven zie bijlage 1): Huishoudelijke hulp Schoon Huis Regie op gestructureerd huishouden Persoonlijke verzorging Begeleiding Begeleiding duurzaam Begeleiding duurzaam intensief Respijtopvang Wmo en Maatschappelijke Ondersteuning / Beschermd Wonen Respijtopvang Thuis Respijtopvang Basis Respijtopvang Hoog Verpleging De tarieven behorende bij de bouwstenen zijn vastgesteld in een regionaal inkoopproces, en zijn terug te vinden in bijlage 1. Artikel14.Tegemoetkoming meerkosten Het college verstrekt aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Een tegemoetkoming meerkosten is geen maatwerkvoorziening, zoals bedoeld wordt in de Wmo 2015. Het college stelt in het Besluit Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning nadere regels ten aanzien van de tegemoetkoming meerkosten. Artikel15.Aanvullende criteria voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang In aanvulling op artikel 5, lid 1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als hij: feitelijk dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek of na detentie, en; beperkt redzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en; niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke dakloosheid kunnen opheffen. In aanvulling op artikel 5, lid 1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: hij psychische of psychosociale problematiek heeft, en; er sprake is van een noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychische of psychosociale problematiek, en; hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen kunnen opheffen. Het college stelt nadere regels inzake toelating in de maatschappelijke opvang naar aanleiding van afspraken met andere gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten en inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Artikel16a.Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening Wmo of pgb Wmo, met ingang van de 1e van de maand volgend op de toekenning van de maatwerkvoorziening of het pgb, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt tot en met de laatste dag van de maand waarin van de voorziening gebruik wordt gemaakt. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening Wmo met ingang van de 1e van de maand volgend op de startdatum van het gebruik van deze voorziening tot en met de laatste dag van de maand waarin van deze voorziening gebruik wordt gemaakt. De bij verordening aangewezen algemene voorzieningen zijn: Een schoon en leefbaar huis 4a. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening, pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, is gelijk aan de kostprijs van de voorziening, tot ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, geen of een lagere bijdrage verschuldigd is. In geval van samenloop van een dienst en een zaak wordt de bijdrage geïnd op de maatwerkvoorziening die het langst loopt. De bijdrage is verschuldigd per maand. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorzieningen opgenomen in artikel 3.8 lid 4e en 4.d van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouders samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Artikel16b.Bijdrage in de kosten van vervoer Collectief vraagafhankelijk vervoer is uitgesloten van de bijdrage in de kosten zoals bedoeld in artikel 16a van deze verordening. In plaats daarvan is de cliënt een ritbijdrage verschuldigd voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer. De ritbijdragen zijn te vinden in bijlage 2. De in het eerste lid genoemde bedragen zijn conform het prijspeil 2019 en worden jaarlijks regionaal geïndexeerd. De hoogte van de indexatie is vastgelegd in de inkoopdocumenten. Een cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd (zoals bedoeld in artikel 16a van deze verordening) voor het gebruik van het trajectvervoer. Hoofdstuk4Overige bepalingen Artikel17.Verhouding prijs en kwaliteit levering individuele en maatwerk-voorzieningen door derden Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.11 van de Jeugdwet en artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van overeenkomsten met derden; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en ; de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015; rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.13 van de Jeugdwet en artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis- en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid zij een overeenkomst aangaat. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren hulpmiddelen en overige maatwerkvoorzieningen, in ieder geval rekening met: de marktprijs van de voorziening en de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening; verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel18.Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele of maatwerkvoorzieningen en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet of de Wmo 2015 Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele of maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet of de Wmo 2015. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 of 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.5 of 2.3.6 van Wmo 2015. Onverminderd 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 of 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet langer op de individuele of maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb is aangewezen; de individuele of maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de individuele of maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb verbonden voorwaarden, of; de cliënt de individuele of maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb niet of voor een ander doel gebruikt; de cliënt aanspraak blijkt te kunnen maken op de Wet langdurige zorg. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van het ten onrechte genoten pgb. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Artikel19.Opschorting betaling uit pgb Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d, of e, van de Jeugdwet en artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo 2015. Artikel20.Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid Het college kan onderzoek verrichten, al dan niet steekproefsgewijs, naar het gebruik van individuele of maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Hoofdstuk5Klachten, medezeggenschap en waardering Artikel21.Klachtenregeling Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de Verordening behandeling klachten gemeente Heerde. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en door het verrichten van een periodiek cliëntervaringsonderzoek. Artikel22.Medezeggenschap bij aanbieders Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een periodiek cliëntervaringsonderzoek. Artikel23.Betrekken van inwoners bij beleid Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. Het college stelt inwoners en vertegenwoordigers van cliëntgroepenvroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel24.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het mantelzorgcompliment voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt jaarlijks door het college vastgesteld en heeft een waarde van maximaal €100 per mantelzorgcompliment. Het college stelt nadere regels over de procedure omtrent het mantelzorgcompliment. Hoofdstuk6Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel25Evaluatie Het door het college gevoerde beleid kan, naast het gebruik maken van alle overige evaluatie instrumenten, apart geëvalueerd worden. Artikel26.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als een strikte toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel27.Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen. Artikel28.Intrekking oude verordening en overgangsrecht De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2019 wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2019, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2019, waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2019, wordt beslist met inachtneming van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2019, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht houdt. Artikel29.Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerde 2020". Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 16 december 2019.Griffier, Voorzitter, Bijlage1 Bijlage 1. Tarieven bouwstenen 2019 De tarieven weergegeven in onderstaande tabel, betreffen de tarieven voor 2019. De indexering van de tarieven voor 2020 zal nog plaatsvinden. De tarieven voor 2020 zullen te vinden zijn in de regionale productcodetabel (zorgregiomijov). Integrale producten Product- naam 2019 Eenheid Frequentie Integraal Wmo Jeugd Integraal uurtarief Wmo uurtarief Jeugd uurtarief Begeleiding Crisis minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,18 €1,60 €70,80 €96,00 Begeleiding Groep licht minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,14 €8,40 Begeleiding Groep Basis minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,19 €11,40 Begeleiding Groep Complex minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,28 €0,32 €16,80 €19,20 Begeleiding Individueel Licht minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,87 €52,20 Begeleiding Individueel Basis minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,01 €60,60 Begeleiding Individueel Complex minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,18 €70,80 Huur-betaling stuk 4 weken Wmo / maand Jeugd €50,0 €54,17 Opslag kindplaats etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €6,85 Time-Out Voorziening etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €180,70 Vervoer etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €15,00 Vervoer Plus etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €25,00 Wonen/ verblijf Crisis Basis etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €164,12 Wonen/ verblijf Crisis Hoog etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €226,24 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Intensief etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €180,70 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Intensief – partner- plaats etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €153,30 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Intensief bij scheiden wonen/zorg etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €143,30 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Duurzaam etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €111,98 Wonen/verblijf Groep met begeleiding Duurzaam – partner- plaats etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €84,59 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Duurzaam bij scheiden wonen/zorg etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €74,59 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Perspectief etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €136,72 €183,40 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Perspectief – partner- plaats etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €108,87 Wonen/ verblijf Groep met begeleiding Perspectief bij scheiden wonen/zorg etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €98,87 Wonen/ verblijf Individueel met begeleiding Perspectief etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €89,94 Wonen/ verblijf Individueel met begeleiding Perspectief – partner- plaats etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €76,84 Wonen/ verblijf Individueel met begeleiding Perspectief bij scheiden wonen/zorg etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €66,48 Zorg- coördinatie (max. 1 per week) stuk totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €70,80 Specifieke bouwstenen Wmo Product- naam 2019 Eenheid Frequentie Wmo tarief Wmo uurtarief Huishoudelijke hulp: Schoon huis minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,43 €25,80 Huishoudelijke hulp: Regie op gestructureerd huishouden minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,48 €28,80 Begeleiding groep duurzaam minuut Totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,18 €10,80 Begeleiding groep duurzaam intensief minuut Totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,22 €13,20 Persoonlijke verzorging minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,48 €28,80 Respijtopvang Thuis etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €155,47 Respijtopvang Basis etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €120,17 Respijtopvang Hoog etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €162,49 Specifiek bouwstenen Maatschappelijke ondersteuning / Beschermd wonen Product- naam 2020 Eenheid Frequentie MO/BW tarief Verpleging 1,36 etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €12,34 Verpleging 1,45 etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €13,15 Verpleging 4,74 etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €43,00 Respijtopvang Thuis etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €155,47 Respijtopvang Basis etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €120,17 Respijtopvang Hoog etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €162,49 Specifieke bouwstenen Jeugd Product- naam 2019 Eenheid Frequentie Tarief Jeugd Jeugd uurtarief Behandeling Jeugd GGZ - Beschikbaar- heidscomponent Crisis (per traject) stuk totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €703,80 ADHD-zorg kinderartsen stuk totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (12 maanden) €277,71 Psychische en psychiatrische zorg kinderartsen stuk totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (12 maanden) €327,07 Behandeling Basis minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,46 €87,60 Behandeling Hoog minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,60 €96,00 Behandeling Jeugd-GGZ Diagnostiek (volumenorm 1.500 min) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (3 maanden) €1,79 €107,40 Behandeling Jeugd-GGZ Basale Stoornissen (volumenorm 8.000 min) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (12 maanden) €1,77 €106,20 Behandeling Jeugd-GGZ Stabilisatie (volumenorm 10.000 min) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (24 maanden) €1,71 €102,60 Behandeling Jeugd-GGZ EPA (volumenorm 1.200 min) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (24 maanden) €1,88 €112,80 Behandeling Jeugd-GGZ Crisis (volumenorm 1.800 min) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (2 maanden) €1,88 €112,80 Dyslexie pre-screening (volumenorm 60 min.) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,45 €87,00 Dyslexie Diagnostiek (volumenorm 900 min.) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,59 €95,40 Dyslexie Behandeling (volumenorm 3480 min.) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,45 €87,00 Dyslexie Verlenging behandeling (volumenorm 720 min.) minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1,45 €87,00 Behandeling Groep minuut totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €0,50 €30,00 Verblijf Jeugd-GGZ categorie A etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €146,34 Verblijf Jeugd-GGZ categorie B etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €210,91 Verblijf Jeugd-GGZ categorie C etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €241,94 Verblijf Jeugd-GGZ categorie D etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €281,19 Verblijf Jeugd-GGZ categorie E etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €347,31 Verblijf Jeugd-GGZ categorie F etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €382,65 Verblijf Jeugd-GGZ categorie G etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €504,77 Verblijf Jeugd-GGZ categorie H etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €453,30 Verblijf Gezinsgericht etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €136,56 Verblijf Behandelgroep etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €248,51 Verblijf 3-milieu etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €289,59 Pleegzorg etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €39,85 Pleegzorg LVB etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €41,58 JeugdzorgPlus etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €380,66 Respijtopvang Laag etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €151,10 Respijtopvang Basis etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €205,90 Respijtopvang Hoog etmaal totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €229,73 Specifieke bouwstenen Jeugdbescherming / Jeugdreclassering Product- naam 2019 Eenheid Frequentie Tarief Jeugd OTS < 1 jaar stuk maand €814,48 OTS > 1 jaar maand €681,02 Voogdij + VOVO maand €477,08 Opslag bijzondere pupil kosten stuk maand €19,04 Reguliere JR stuk maand €607,09 ITB - Harde Kern stuk maand €1.386,04 ITB – Criem stuk maand €1.838,01 Scholings- en trainingspro- gramma (STP) stuk maand €1.838,01 Gedrags- beïnvloedende maatregel advies (GBM) stuk totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €1.629,32 Gedrags- beïnvloedende maatregel begeleiding (GBM) stuk maand €605,97 Samenloop stuk maand €152,33 Instemmings- verklaring gedragsweten- schapper (jeugdzorg plus) uur totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €110,40 Landelijke expertise team (LET) jeugd- bescherming stuk maand €1.702,55 Consultatie en advies (volumenorm 5 uur) uur totaal binnen de geldigheid van de toewijzing €99,00 Zicht op Veiligheid (vrijwillig kader) (volumenorm 50 uur) uur totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (2 maanden) €99,00 Preventieve jeugd- bescherming (volumenorm regulier: 100 / LVB: 150 uur) uur totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (regulier: 4 maanden / LVB: 6 maanden) €99,00 Begeleiding tijdens Raads- onderzoek (volumenorm 20 uur) uur totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (2 maanden) €99,00 Nazorg (volumenorm 12 uur) uur totaal binnen de geldigheid van de toewijzing (2 maanden) €99,00 Forza stuk maand (3 maanden) €1.080,00 Bijlage 2. Eigen bijdragen vervoer De tarieven weergegeven in onderstaande tabel zijn regionaal geïndexeerd en betreffen de tarieven voor 2019. De actuele tarieven zijn te vinden op plusov. Dienst/product Eigen bijdrage 1 (eenmalige) aanschaf van een vervoerspas € 8,00 2 Binnen een vervoersgebied van max. 20 km om de woonplek: opstaptarief ritbijdrage per km € 0,95 € 0,17 per km 3 Binnen een vervoersgebied van 20 - 40 km om de woonplek: opstaptarief ritbijdrage per km € 0, € 1,80 4 Meereizen sociale begeleider tarieven onder 1 en 2 5 Meereizen medische begeleider het college stelt nadere regels Artikelsgewijze toelichting Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2020 Inleiding Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet en de Wmo 2015. De gemeente is sinds 1 januari 2015 bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wetten. Deze verordening vervangt de verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2019 per 1 januari 2020. In deze verordening zijn de relevante landelijke, regionale en lokale beleidswijzigingen doorgevoerd die in de loop van 2019 hebben plaatsgevonden. Net als in 2019 is gekozen voor een integrale verordening, voor zowel Jeugd als maatschappelijke ondersteuning. Dit biedt de volgende voordelen: Het doel van de decentralisaties, namelijk komen tot een geïntegreerd beleid: “één gezin, één plan” wordt hiermee ook in juridische zin vormgegeven. De uitvoeringspraktijk van Jeugd en Wmo 2015 kunnen uitgaan van één kader, wat de integratie en samenwerking ondersteunt. Vanuit de netwerkgedachte kan een jongere soepel overgaan naar mogelijke vervolgondersteuning, zoals ambulante maatschappelijke ondersteuning of beschermd wonen. Waar op dit moment al eenduidig gewerkt wordt, wordt dit in deze verordening expliciet gemaakt door te kiezen voor dezelfde omschrijvingen. Toch kan het niet anders dan dat er ook in deze verordening ruimte moet zijn voor het specifieke karakter van de Jeugdwet dan wel de Wmo 2015. In deze verordening is dan ook ruimte gemaakt voor de specifieke bepalingen van beide wetten, die ieder een eigen juridisch kader en achtergrond hebben. Dit laat onverlet dat de bedoeling van beide wetten identiek is, namelijk: één gezin, één plan; aanspreken, versterken en faciliteren van de inwoner en zijn sociale omgeving; ondersteunen, niet overnemen; aanvullend voorzieningen bieden op wat de inwoner zelf (in samenwerking van zijn sociale omgeving) al kan regelen. Jeugdwet De Jeugdwet maakte in 2015 onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen naar gemeenten. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg is hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Wmo 2015 De Wmo 2015 maakte eveneens onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken zijn toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wmo. Hierbij is voortgeborduurd op de weg die met de ‘oude’ Wmo al was ingezet. Er wordt onderzocht wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal, waar nodig, de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Wettelijk kader Zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 schrijven voor dat de gemeenteraad regels opstelt in de verordening over verschillende onderwerpen waaronder: de wijze en op basis van welke criteria een cliënt voor een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning of individuele voorziening bij Jeugdhulp in aanmerking komt; op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; de wijze waarop inwoners, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wetten. Deze en andere regels zijn in de huidige verordening geïntegreerd opgenomen. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan Jeugdhulp en Wmo, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet en artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen, en het beleidsplan Maatschappelijke ondersteuning. In het beleidsplan Jeugdhulp wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Naast preventie gaat het om het voorzien in een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp en jeugdzorg: ambulante jeugd en opvoedhulp, de gesloten jeugdzorg, jeugd-ggz, ggz in het kader van het jeugdstrafrecht, residentiele voorzieningen, Veilig Thuis, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. In het beleidsplan Maatschappelijke ondersteuning wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. De gemeente Heerde hecht waarde aan efficiëntie als het gaat om de uitvoering van haar beleid. Om die reden wil ze professionals zoveel mogelijk de ruimte geven om hun werk doelmatig uit te voeren en zo de transformatieopdracht van het Rijk te realiseren. Dit leidt tot de keuze om slechts wettelijke verplichtingen in de verordening op te nemen, en werkinstructies en zienswijzen over te hevelen naar de nadere regels. Dit bevordert het werken op maat, slagvaardigheid en een efficiënte uitvoering, omdat de gewenste kaders relatief eenvoudig en met een korte doorlooptijd doorgevoerd kunnen worden. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Eerste lid Er wordt in artikel 1 gekozen om begrippen die omschreven zijn in de Jeugdwet, de Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet niet te herhalen in deze verordening, daar deze begrippen door de wet reeds bindend zijn voor deze verordening. Omwille van de toegankelijkheid en leesbaarheid van de verordening worden hieronder een aantal begrippen uit de Jeugdwet en de Wmo 2015 opgenomen. Jeugdwet advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1 Wmo 2015; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend; gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4 Jeugdwet; huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015; jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid; jeugdhulp: 1°.ondersteuning van hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; 2°.het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°.het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht; jeugdhulpaanbieder: 1°.natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college; 2°.solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college; jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent; jeugdige: persoon die: 1°.de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°.de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of 3°.de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet: is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen; kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel; maatschappelijke ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in Wmo 2015; opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen: 1°.psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; 2°.beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en 3°.een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; ouder: gezaghebbende ouder, adoptief ouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder; pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek; pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt; preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen; vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling; woonplaats: 1° woonplaats als bedoeld in titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; 2° ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige; 3° ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is dan wel buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag; 4° ingeval de jeugdige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt: de woonplaats van de jeugdige, bedoeld in artikel 10 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Wmo 2015 aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; AMHK: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1 Wmo 2015; begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°.ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°.ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°.ten behoeve van beschermd wonen en opvang; mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden heeft betrokken; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; toezichthoudende ambtenaar: persoon als bedoeld in de artikelen 4.3.1, 6.1 en 6.2 Wmo 2015; vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; vertrouwenspersoon: vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van de Jeugdwet; woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte; zaak: roerend hulpmiddelen of woningaanpassing dat bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen. zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Tweede lid In het tweede lid worden de begrippen uit deze verordening nader uitgelegd. Sommige begrippen worden integraal gebruikt, zowel binnen de jeugdzorg als binnen de maatschappelijke ondersteuning. Andere begrippen zijn nog wel specifiek voor jeugd of maatschappelijke ondersteuning. In deze toelichting wordt hier nadere uitleg over gegeven. In de begripsomschrijving zijn een aantal ‘soorten’ voorzieningen opgenomen die in alfabetische volgorde in het tweede lid zijn opgenomen. In deze toelichting worden deze begrippen samen met een aantal begrippen die in de Jeugdwet en de Wmo 2015 zijn opgenomen gezamenlijk en in samenhang toegelicht. Voorzieningen algemene voorziening (artikel 1, tweede lid onder a.): Dit begrip is omschreven in de Wmo 2015. Een algemene voorziening is gericht op maatschappelijke ondersteuning en wordt georganiseerd en/of gefaciliteerd door de gemeente. andere voorziening (artikel 1 tweede lid onder b.): voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet of de Wmo 2015, op het gebied van zorg, onderwijs, of werk en inkomen; Een andere voorziening is niet per definitie een voorliggende voorziening. Bij een voorliggende voorziening (zie ook begripsbepaling voorliggende voorziening) moet het gaan om een voorziening waarbij aan de hulpvraag tegemoet wordt gekomen. Een andere voorziening is breder en algemener. Voorbeelden van een voorliggende voorziening zijn voorzieningen vanuit de Wet langdurige zorg, wanneer de cliënt hier een indicatie voor kan krijgen. gebruikelijke voorziening (artikel 1 tweede lid onder h.): voorheen algemeen gebruikelijke voorziening. Voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een behoefte aan jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning en die niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Dit begrip vindt zijn oorsprong binnen de Wmo 2015, waarbij goederen of ondersteuning die voor een persoon als de cliënt gebruikelijk zijn, niet wordt verstrekt als voorziening. Dit begrip wordt in deze verordening in brede zin toegepast op zowel jeugd als maatschappelijke ondersteuning. Denk in het kader van jeugdhulp bijvoorbeeld aan huiswerkbegeleiding. Om verwarring te voorkomen met het begrip algemene voorziening wordt niet langer gesproken over algemeen gebruikelijke voorziening, maar over gebruikelijke voorziening. individuele voorziening (artikel 1 tweede lid onder k.): op de cliënt toegesneden jeugdhulp voorziening als bedoeld in artikel 7, tweede lid, die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt. Een individuele voorziening is niet vrij toegankelijk. Individuele voorziening is het begrip voor een voorziening vanuit de Jeugdwet, net zoals maatwerkvoorziening dat is voor een voorziening vanuit de Wmo 2015. maatwerkvoorziening (artikel 1 tweede lid onder m.): op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°.ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°.ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°.ten behoeve van beschermd wonen en opvang; Het begrip maatwerkvoorziening is zoals hierboven opgenomen omschreven in de Wmo 2015 en betreft de voorziening die door het college op individueel niveau wordt beschikt na afronding van het onderzoek. Maatwerkvoorziening is het begrip voor een voorziening vanuit de Wmo 2015 net zoals individuele voorziening dat is voor een voorziening vanuit de Jeugdwet. overige voorziening (artikel 1 tweede lid onder p.) : overige voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Wmo 2015 en artikel 2, eerste lid van de Jeugdwet. Overige voorziening is een begrip dat gebruik wordt binnen de uitvoering van de Jeugdwet om die voorzieningen aan te duiden die zonder beschikking toegankelijk zijn. Voorliggende voorziening (artikel 1 tweede lid londer r.): iedere regeling of voorziening al dan niet op grond van een andere wet, waar inwoneers gebruik van kunnen maken en waarmee de participatieproblemen of problemen bij het zelfstandig wonen verholpen kunnen worden. Wanneer er een voorliggende voorziening is waarmee aan de hulpvraag tegemoet gekomen kan worden, wordt deze voorziening niet verstrekt vanuit de Jeugdwet of de Wmo 2015. Personen en gemeentelijke organen cliënt: de persoon conform omschrijving artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 en de jeugdige en zijn ouders conform artikel 1.1 van de Jeugdwet; Het begrip cliënt omvat zowel de personen met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de jeugdige en zijn ouders die behoefte hebben aan jeugdhulp. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde. mantelzorger: persoon die 18 jaar of ouder is en minimaal acht uur per week en langer dan zes maanden in het betreffende kalenderjaar mantelzorg verleend aan de zorgvrager. voordrager: persoon die een mantelzorger voordraagt voor het mantelzorgcompliment. De voordrager is altijd de zorgvrager of de professional. Definities omtrent hulp hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn/haar ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet of behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo 2015; Net als het begrip cliënt wordt het begrip hulpvraag zowel voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als voor de behoefte aan jeugdhulp gebruikt. melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Jeugdwet of artikel 2.3.2., eerste lid van de Wmo 2015; ondersteuningsplan: schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 achtste lid van de Wmo 2015; Het ondersteuningsplan is een term die uitsluitend wordt gebruikt binnen de uitvoering van de Wmo 2015. Binnen de uitvoering van de Jeugdwet wordt dit het gezinsplan genoemd. gezinsplan: het hulpverleningsplan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 en 4.1.3, van de Jeugdwet; Het gezinsplan is een term die uitsluitend wordt gebruikt binnen de uitvoering van de Jeugdwet. Binnen de uitvoering van de Wmo 2015 wordt dit het ondersteuningsplan genoemd. formele hulp: ondersteuning en zorg, uitgevoerd door een persoon die beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is in deze ondersteuning en zorg, wat blijkt uit de inschrijving van de Kamer van Koophandel van hemzelf of de organisatie waarvoor hij werkzaam is en die geen familie is van de cliënt; Het begrip formele of informele hulp (zie ook onder l.) is van belang bij het vaststellen van de tarieven voor ondersteuning of jeugdhulp. Bij verordening is vastgelegd dat voor informele hulp andere (lagere) tarieven gelden dan voor formele hulp. Bij de definiëring is tevens toegevoegd dat wanneer familie de ondersteuning/hulp biedt dit nooit formele hulp is, ook niet als de ondersteuner wel al aan de andere voorwaarden voldoet. Hulp vanuit het sociale netwerk: ondersteuning en zorg die blijkens de definitie van formele hulp niet voldoet aan de voorwaarden van formele hulp; Zie de toelichting onder het begrip “formele hulp”. mantelzorg: langdurige en onbetaalde zorg voortkomend uit een sociale relatie tussen personen. Het gaat hierbij om meer dan de gebruikelijke zorg die in een huishouden aan elkaar wordt geleverd. mantelzorgcompliment: de waardering van mantelzorg door de gemeente. Financiële begrippen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wmo 2015; De bijdrage wordt ook wel het abonnementstarief genoemd. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo; Artikel 2 Cliëntondersteuning Lid 1 Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015. De Wmo 2015 benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Deze cliëntondersteuning moet niet smal geïnterpreteerd worden als zou deze beperkt zijn tot vragen rond de Wmo 2015, maar geldt ook voor jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. Lid 2 In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 bepaald dat het college de cliënt na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van de gratis cliëntondersteuning. Artikel 3. Criteria voor een individuele en maatwerkvoorziening In de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid onder a. van de Wmo 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. In deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt echter aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Lid 1 In dit lid wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college hanteert bij toekenning van een individuele of maatwerkvoorziening. Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het al dan niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige of andere voorziening, goed te beoordelen. De Wmo 2015 is explicieter ten aanzien van het vastleggen van de criteria, maar dit laat onverlet dat deze criteria onverkort toepasselijk zijn bij het beoordelen van de individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Lid 2 Om de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt te benadrukken is in het tweede lid opgenomen dat het college kan besluiten om geen individuele of maatwerkvoorziening te verstrekken als de cliënt met zijn eigen handelen een hulpvraag die hij zou kunnen voorzien, had kunnen voorkomen. Lid 3 Het college verstrekt de adequate en tevens meest goedkope voorziening. De begrippen ‘goedkoopst’ en ‘adequaat’ moeten in onderlinge samenhang worden bekeken. Pas als er meerdere adequate voorzieningen zijn, kan de goedkoopst adequate voorziening worden gekozen. Lid 4 Maatwerkvoorzieningen worden in de regel verstrekt voor 9 jaar. Bij de noodzakelijke vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening binnen de periode van 9 jaar, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven met uitzondering van de omstandigheden zoals genoemd in lid 4. Is de voortijdige afschrijving geheel aan de cliënt te wijten, dan wordt rekening gehouden met de door hem geheel of gedeeltelijk te betalen tegemoetkoming in de veroorzaakte kosten. Artikel 4. Integrale bouwstenen Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. In de voorliggende verordening wordt deze bepaling uitgebreid naar de Wmo, en worden alle bouwstenen die zijn ingekocht voor 2019 besproken. In artikel 3 worden de integrale bouwstenen - bouwstenen die zowel ingezet kunnen worden voor cliënten van Jeugd als cliënten van Wmo - besproken. Voor bouwstenen specifiek voor Jeugd en Wmo zie (de toelichting
- op)artikel 9 en artikel 11. Bij het ontwikkelen van de productstructuur is onderscheid gemaakt in vier cliënt typen: Crisis, Intensief, Perspectief en Duurzaam. Bij de uitwerking per cliënttype wordt ingegaan op het cliëntperspectief en het hulpverlenersperspectief. De onderverdeling in cliënttypen kan een hulpmiddel zijn bij de toekenning, maar heeft geen dwingend karakter. De diversiteit onder cliënten is groot, de onderverdeling is echter voor de meeste cliënten passend. Als de onderverdeling niet passend is, zal op basis van de zorgvraag een maatwerkproduct worden toegekend. Voor alle zorgproducten geldt dat de toegangsverlener de duur en omvang van de ondersteuning individueel, op basis van wat de cliënt nodig heeft, bepaald. Artikel 5. Toegang (maatwerk)voorzieningen Wmo en Jeugdhulp Lid 1 Het college stelt nadere regels op (met inachtneming van de artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5. van de Wmo 2015) over op de wijze waarop in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een algemene dan wel maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de nadere regels worden procedures besproken met betrekking tot de melding, het (voor)onderzoek, het gesprek, de verslaglegging en de aanvraag. De keuze voor het delegeren van de procedureregels naar de nadere regels vloeit voort uit het uitgangspunt dat er zoveel mogelijk flexibiliteit moet zijn ten behoeve van een efficiënte uitvoering. Lid 2 Het college stelt nadere regels op (met inachtneming van artikel 2.9 van de Jeugdwet) met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In de nadere regels is bijvoorbeeld opgenomen op welke wijze in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders de aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening wordt geformaliseerd. Lid 3 In artikel 2.9, onderdeel b van de Jeugdwet is vastgelegd dat het college regels stelt over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. In het derde lid wordt deze verplichting gedelegeerd naar de nadere regels. In de nadere regels wordt daarbij aandacht besteedt aan eventuele samenloop van verschillende voorzieningen en wordt bekeken of er doorverwijzing nodig is naar andere domeinen (denk bijvoorbeeld aan schuldhulp) in het kader van één gezin, één plan, één regisseur. Artikel 6. Afwijzingscriteria In dit artikel worden de afwijzingscriteria voor een individuele voorziening maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten weergegeven. Als aan één of meerdere van de criteria wordt voldaan wordt er in de regel geen voorziening verstrekt. Dit artikel hangt samen met artikel 4, waarin de criteria tot verstrekking van een individuele of maatwerkvoorziening zijn vastgelegd. Ad a. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Heerde. Dit onderdeel hangt samen met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet. Dit beginsel houdt in dat de gemeente waar de gezaghebbende ouder(
- s)van een jeugdige woont/wonen verplicht is om de Jeugdhulp te verstrekken. Daar waar onder a. gesproken wordt over de woonplaats in Heerde, verwijst dit naar de woonplaats van de ouders/wettelijk vertegenwoordiger(
- s)van de jeugdige. Dit onderdeel hangt ook samen met de compensatieplicht uit de Wmo 2015. In artikel 2 van de Wmo is opgenomen dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen. Dit uitgangspunt geldt niet voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiervoor worden de uitgangspunten handreikingen landelijke toegang maatschappelijke opvang en beschermd wonen gevolgd. Voor het begrip woonplaats wordt aangesloten bij het begrip woonstede uit het Burgerlijk Wetboek, namelijk het verblijf in een woning meer als zes maanden per jaar. Ad b. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien er een voorliggende voorziening is. Wanneer er een voorliggende voorziening is op grond van bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg, wordt de aanvraag voor een individuele voorziening of maatwerkvoorziening afgewezen. Ad c. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien de voorziening voor de cliënt gebruikelijk is. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, los van beperkingen of de behoefte aan jeugdhulp, zou kunnen beschikken. Hiervan is sprake als: de voorziening niet specifiek gericht is op mensen met een beperking al dan niet in combinatie met een behoefte aan jeugdhulp, én; algemeen verkrijgbaar/toegankelijk is, én; niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten/diensten met hetzelfde doel. Algemeen gebruikelijke voorzieningen behoeven dus niet te worden verstrekt, omdat zij algemeen toegankelijk zijn. Dit beginsel wordt al tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip zoals opgenomen in artikel 1 van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name de financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Ad d. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien het gebruik van een voorziening voor de cliënt zelf of voor derden onveilig is of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Onder een onveilige voorziening of een voorziening die gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, valt bijvoorbeeld de situatie dat het voor de persoon met een visuele beperking of een slecht reactievermogen niet verantwoord is gebruik te maken van een scootmobiel. Ad e. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien de aanvraag betrekking heeft op reeds gemaakte kosten en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Onder noodzakelijk wordt verstaan het treffen van een voorziening waarbij er geen ruimte voor uitstel bestond voor de aanschaf of het organiseren van de voorziening. Hierbij wordt mede betrokken het moment van melden van de cliënt in relatie tot de noodzaak van de voorziening. Ad f. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten. Uitgangspunt is dat inwoners met of zonder beperkingen of behoefte aan jeugdhulp kosten maken voor bepaalde zaken. Er wordt geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening verstrekt, wanneer er geen sprake is van aantoonbare meerkosten ten opzichte van inwoners zonder beperkingen of behoefte aan jeugdhulp. Ad g. Er wordt geen individuele voorziening, maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten verstrekt indien de maatwerkvoorziening uitsluitend therapeutische doeleinden heeft. De bepaling onder g. is uitsluitend van toepassing op voorzieningen op grond van de Wmo 2015. Hier wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een voorziening op therapeutische basis. Voorzieningen op therapeutische basis zijn voorzieningen die nodig zijn vanwege een behandelplan gericht op genezing of instandhouding van de gezondheid op een bepaald niveau. Artikel 7a. Inhoud beschikking Lid 1 Uitgangspunt van de Jeugdwet en de Wmo 2015 is een individuele of maatwerkvoorziening in natura. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget, waarbij de voorwaarden zoals gesteld in deze verordening en de nadere regels in acht worden genomen. In het eerste lid zijn de rechten van de cliënt opgenomen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikkingen en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien de cliënt in bezwaar en beroep wil gaan, heeft hij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de inwoner op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. Lid 2 Het tweede lid geeft aan welke elementen de beschikking voor een voorziening in natura ten minste moet bevatten. Lid 3 Het derde lid geeft aan welke eisen een beschikking voor het verlenen van een pgb ten behoeve van een individuele of maatwerkvoorziening dient te bevatten. Lid 4 Het vierde lid regelt de verplichting om de cliënt in de beschikking te informeren dat er een bijdrage verschuldigd is, als hier sprake van is. Artikel 7b. Geen beschikking individuele voorziening in natura Jeugd Lid 1 Om de administratieve lasten terug te dringen, start de gemeente Heerde per 1 januari 2020 met een pilot om alleen onder bepaalde voorwaarden een beschikking af te geven voor jeugdhulp. Bij de toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening voorziet de VNG modelverordening Jeugdhulp in twee varianten voor de uitvoering hiervan (beschikking jeugd vng). Wettelijk heeft iedere burger recht op een beschikking bij elk besluit over niet vrij-toegankelijke zorg. Bij de toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening kan er standaard een beschikking worden afgeven, of alleen als de cliënt erom vraagt en/of als het noodzakelijk is voor het juridische proces. Als de cliënt en de gemeente het eens zijn over het hulpaanbod op de hulpvraag en de cliënt dus niet van plan is bezwaar te maken, heeft een beschikking uit oogpunt van rechtsbescherming geen toegevoegde waarde. In het gesprek met de cliënt wordt deze expliciet gewezen op de mogelijkheid van het maken van bezwaar. In het gezinsplan wordt opgenomen of een beschikking wel of niet gewenst is. Lid 2 In het gezinsplan wordt opgenomen: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is, wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is, hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing welke andere voorzieningen in samenhang hiermee relevant zijn of kunnen zijn. Artikel 8. Persoonsgebonden budget Lid 1 Het college kan op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 Wmo 2015 een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan binnen de Wmo 2015 zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie Wmo 2015, artikel 2.3.6, tweede lid onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). De motivatie-eis houdt in dat de persoon aangeeft waarvoor hij het PGB in wil zetten. Ten aanzien van de Jeugdwet geldt in principe hetzelfde, zij het dat de motivatie-eis zwaarder is dan onder de Wmo 2015 (artikel 8.1.1 tweede lid onder b. en c.). Bij de vraag om een pgb binnen de Jeugdwet, moet de cliënt tevens motiveren, waarom hij de individuele voorziening die door een aanbieder geleverd wordt niet passend acht. Voorts is expliciet in de Jeugdwet opgenomen, dat de kwaliteit van de voorziening die de cliënt vanuit het pgb wil betrekken van goede kwaliteit moet zijn. Lid 2 Het tweede lid geeft aan dat het in de regel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Het college kan hierop een uitzondering maken wanneer achteraf na is te gaan of de voorziening waarvoor de kosten worden aangevraagd: noodzakelijk was; De gerealiseerde voorziening de adequate en tevens meest goedkope voorziening was. In artikel 2.1.3, tweede lid, onder b. van de Wmo 2015 is opgenomen dat in de verordening in ieder geval de essentialia worden bepaald. Door gerechtelijke uitspraken is bepaald dat de tarieven en berekening van de hoogte van het pgb behoren tot de essentialia. Besloten is om in deze verordening deze verplichting analoog te interpreteren voor het pgb binnen de Jeugdwet en uit te werken in het derde, vierde en vijfde lid. In de memorie van toelichting van het genoemde artikel binnen de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Lid 3 Sub a. De hoogte van het pgb wordt door het college vastgesteld aan de hand van een persoonlijk plan dat opgesteld wordt door de cliënt ten aanzien van de besteding van het toe te kennen pgb. Sub b. De gemeente Heerde heeft in de nadere regels opgenomen wat onder redelijke overheadkosten verstaan wordt. Sub c. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief of de prijs van de door hen gewenste aanbieder hoger ligt dan de voorziening in natura van het college. Het college weigert dan dat deel van het PGB dat boven het tarief of de prijs die door hem voor zorg in natura wordt betaald. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd tot maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie adequate én meest goedkope voorziening van de door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Sub d. Het is mogelijk om voor pgb’s ten behoeve van formele hulp door zzp’ers een percentage beschikbaar te stellen van de geldende gemeentelijke inkooptarieven in natura, omdat zzp’ers minder overheadkosten hebben dan andere aanbieders. De gemeente Heerde heeft er echter voor gekozen voor zzp’ers 100% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven in natura beschikbaar te stellen. Sub e. Voor pgb’s ten behoeve van informele hulp worden andere tarieven aangehouden dan voor pgb’s ten behoeve van formele hulp. Het tarief voor individuele begeleiding (maximaal €20,00 per uur) is gebaseerd op artikel 5.22, lid 1 van de Regeling langdurige zorg. In dit lid staat beschreven dat het uit pgb te betalen bruto loon of de te betalen vergoeding aan een zorgaanbieder maximaal €20,00 per uur of per dagdeel bedraagt, tenzij de verzekerde kan aantonen dat de zorg verleend is door een formele hulpaanbieder. De overige tarieven zijn afgeleid van het tarief voor individuele begeleiding, met uitzondering van het tarief voor hulp bij het huishouden (maximaal €12,50 per uur), dat gebaseerd is op de cao VVT 2018-2019. Verder gelden de volgende voorwaarden waaronder een ontvanger van een pgb diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen kan ontvangen van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Ten eerste mag de informele aanbieder van hulp geen tarief hanteren dat hoger is dan het door het college bij de berekening van de hoogte van het pgb gehanteerde tarief (overeenkomstig het derde lid). Bovendien mogen er geen tussenpersonen of belangenbehartigers uit het pgb betaald worden. Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Hulp vanuit het sociale netwerk bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. In geval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015). Met ingang van 1 januari 2018 is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) ook van toepassing bij overeenkomsten van opdracht. Dat betekent dat bij overeenkomsten van opdracht met zorgverleners deze ten minste het minimumloon en 8% vakantiebijslag moeten verdienen. De geldende tarieven zijn te vinden op www.svb.nl/pgb. Deze wijziging heeft effect op overeenkomsten van opdracht in het pgb, met afspraken over hulp vanuit het sociale netwerk op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet. Per 1 mei 2019 geldt de ministeriële regeling voor hulp vanuit het sociale netwerk (te betalen uit een pgb). De regeling maakt een tegemoetkoming en een onkostenvergoeding mogelijk voor onverplichte hulp vanuit het sociale netwerk. De gemeente Heerde kiest voor een symbolische tegemoetkoming van maximaal € 141,- euro, per kalendermaand voor deeltijdverblijf, logeeropvang en respijtzorg. In de nadere regels legt het college vast wanneer het maximumtarief geldt en in welke situaties een lager bedrag wordt uitbetaald. Lid 4 Het college is verplicht in de verordening regels te stellen over de berekeningswijze van de hoogte van pgb’s, rekenschap gevende van het derde lid (dat de ‘essentialia’ bevat) in samenhang met het wettelijke kader. Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning. Lid 5 Sub a. Dit lid behoeft geen nadere toelichting. Sub b. Dit lid behoeft geen nadere toelichting. Sub c. Dit lid behoeft geen nadere toelichting. Artikel 9. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. De gemeente heeft ervoor gekozen de kwaliteitseisen geldende voor de Wmo tevens te hanteren voor Jeugdhulp. Lid 1 In dit lid is vastgelegd dat formele aanbieders van Wmo-hulp en Jeugdhulp moeten voldoen aan de kwalitatieve eisen zoals die gesteld worden in de Wmo 2015 én de meest actuele voorwaarden van de inkoop Wmo. Informatie over de inkoop Wmo is terug te vinden op de website van de regionale inkoop 2019. Lid 2 In het tweede lid zijn een aantal kwaliteitseisen nader uitgewerkt. Lid 3 Het in dit lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 10. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De meldingsregeling calamiteiten is een aanvulling op de calamiteitenregeling beveiliging van de gemeente Heerde. Deze meldingsregeling betreft om die reden geen uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeente. Lid 1 In artikel 5.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college, personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. De gemeente Heerde heeft ervoor gekozen tevens een toezichthoudend ambtenaar te belasten met toezicht op Jeugdhulp. De toezichthoudend ambtena(a)r(en): is bevoegd om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, mits in die woning aan een cliënt een maatwerkvoorziening wordt geleverd; is bevoegd om dossiers in te zien wanneer dat voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is (in afwijking van de Awb, artikel 5:20, lid 2); is gehouden aan dezelfde beroeps zwijgplicht als de beroepskracht, in het geval er gegevens verstrekt zijn aan de toezichthoudend ambtenaar Lid 2 In dit lid is vastgelegd dat de gemeente een toezichthouder kan aanwijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (artikel 5.11 Awb). In de Jeugdwet is, anders dan in de Wmo 2015, niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Deze voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders en op een rechtmatige besteding van het persoonsgebonden budget door de jeugdige casu quo zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. Lid 3 Overeenkomstig het eerste en tweede lid kan het college bij nadere regels bepalen welke verdere eisen en bevoegdheden gelden voor de toezichthoudend ambtena(a)r(en). De keuze voor het delegeren van deze zaken vloeit voort uit het algemene uitgangspunt dat er zoveel mogelijk flexibiliteit moet zijn voor een efficiënte uitvoering. Op basis hiervan stelt het college nadere regels met betrekking tot de bevoegdheden van de toezichthoudend ambtenaar. Lid 4 Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 4.1.8, lid 1 van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling onverwijld melding doen aan de toezicht belaste ambtenaar, van: iedere calamiteit die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft plaatsgevonden, en; geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f van de Wmo 2015 waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 3.4, eerste lid van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 5.1 van de Wmo 2015, onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening: De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 5.1 Wmo 2015, onverwijld melding van: iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden; geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Jeugdhulp Artikel 11. Bouwstenen Jeugd Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Daarnaast komt uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. De wetgever geeft in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Een voorziening kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. De volgende vormen van zorg- en ondersteuning producten zijn een resultaat van de inkoop 2019, en zijn uitsluitend voor jeugdigen beschikbaar: Behandeling Jeugd Behandeling Basis Behandeling Hoog Behandeling Groep Behandeling Jeugd-SGGZ Behandeling Basale stoornissen Behandeling Stabilisatie Behandeling EPA Verblijf Jeugd Verblijf gezinsgericht Verblijf Behandelgroep Jeugd Verblijf Driemilieu-voorziening Jeugd JeugdzorgPlus Pleegzorg Respijtopvang Jeugd Respijtopvang Laag Jeugd Respijtopvang Basis Jeugd Respijtopvang Hoog Jeugd Jeugdreclassering en Jeugdbescherming Consultatie en advies Zicht op veiligheid (vrijwillig kader) Preventieve Jeugdbescherming Begeleiding tijdens Raadsonderzoek (BTR) Nazorg Forza Dyslexie Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Pre-screening Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Diagnostiek Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Behandeling Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) Verlenging behandeling overige Jeugdvoorzieningen ADHD-zorg (traject van 1 jaar) Psychische en psychiatrische zorg (traject van 1 jaar) De tarieven behorende bij de verschillende vormen van jeugdhulp zijn te vinden in bijlage 1 van deze verordening. Artikel 12. Vertrouwenspersoon In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Jeugdwet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen Maatschappelijke ondersteuning Artikel 13. Bouwstenen Wmo Zoals reeds besproken in de toelichting bij artikel 3 (integrale bouwstenen) en artikel 9 (bouwstenen Jeugd) beschrijft de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. In deze is ervoor gekozen om deze bepaling uit te breiden naar de Wmo. De volgende vormen van zorg- en ondersteuningsproducten zijn een resultaat van de inkoop 2019, en zijn uitsluitend voor Wmo-cliënten beschikbaar: Huishoudelijke hulp Schoon Huis Regie op gestructureerd huishouden Persoonlijke verzorging Respijtopvang Wmo en Maatschappelijke Ondersteuning / Beschermd Wonen Respijtopvang Thuis Respijtopvang Basis Respijtopvang Hoog Verpleging De tarieven behorende bij de verschillende Wmo-voorzieningen zijn te vinden in bijlage 1 van deze verordening. Artikel 14. Tegemoetkoming meerkosten Lid 1 Op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 kan het college een tegemoetkoming meerkosten verstrekken aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die om deze reden aannemelijke meerkosten hebben. Lid 2 Omdat de tegemoetkoming geen maatwerkvoorziening is, geldt hier ook niet de verplichting om de hoogte hiervan bij verordening te regelen mede gezien het feit dat voor een tegemoetkoming geen eigen bijdrage verschuldigd is. Mocht uit onderzoek blijken dat de tegemoetkoming meerkosten geen afdoende oplossing is, dan moeten de mogelijkheden van een maatwerkvoorziening alsnog worden onderzocht. Lid 3 De voorwaarden en hoogte van de tegemoetkoming worden beschreven in de nadere regels en het Besluit Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning. Artikel 15. Aanvullende criteria voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang Lid 1 en 2 Deze aanvullende criteria voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn aanvullend op de algemene criteria genoemd in artikel 5, lid 1 van deze verordening. Lid 3 Het college stelt nadere regels wat betreft de (prioritering van doelgroepen bij
- de)toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang en afspraken tussen gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten. Omdat Apeldoorn als centrumgemeente beschermd wonen en maatschappelijke opvang gemandateerd door de regio uitvoert, zijn deze aanvullende criteria identiek voor de gehele Apeldoornse regio. Artikel 16a. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Dit artikel is opgesteld naar artikel 12 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s van de Model Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015. Lid 1 Met ingang van 1 januari 2019 vallen alle maatwerkvoorzieningen Wmo onder het abonnementstarief zoals omschreven in artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Een belangrijke aanleiding voor de invoering van het abonnementstarief is dat een zeer groot deel van de mensen die ondersteuning op basis van de Wmo 2015 ontvangen, eveneens het eigen risico in de Zvw vol maakt. Met de invoering van een abonnementstarief wordt de stapeling van kosten naast het eigen risico van de ZVW beperkt. Het abonnementstarief geldt niet in de volgende gevallen: voor een rolstoelvoorziening en collectief vraagafhankelijk vervoer. voor het meerpersoonshuishouden waarvan één of meer personen nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. wanneer de cliënt of de echtgenoot van de cliënt reeds een bijdrage betaalt voor verblijf in een instelling. wanneer de cliënt of zijn/haar echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de bijdrage periode in een instelling voor opvang verblijft. wanneer het college (na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het AMHK) van oordeel is dat het verschuldigd zijn van de bijdrage in de kosten kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder. wanneer de cliënt de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt (m.u.v. woningaanpassing). wanneer het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt. wanneer het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente. Lid 2 Vanaf 1 januari 2020 vallen ook algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie onder het abonnementstarief. Door ook algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen, wordt het tegengaan van stapeling van kosten voor zorg beter bereikt. Niet alle algemene voorzieningen worden onder het abonnementstarief gebracht. Er zijn tal van laagdrempelige algemene voorzieningen waarbij een maandelijkse bijdrage van € 19,- niet passend is, gelet op het incidentele karakter van het gebruik. Dit zou leiden tot een ongewenste toename aan bureaucratie en administratieve lasten. Met het oog op deze overwegingen is het begrip ‘duurzame hulpverleningsrelatie’ geïntroduceerd. Om te bepalen of er sprake is van een algemene voorziening waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan, is met name de aard van de band tussen de cliënt en hulpverlener van belang. Deze afweging wordt per voorziening gemaakt, niet per cliënt. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie gaat het om: algemene voorzieningen waarbij er in belangrijke mate sprake is van persoonlijke hulpverlening, waarbij arbeid verreweg de grootste kostencomponent is, waarbij de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk is voor de ondersteuning van de cliënt waar langdurig gebruik van wordt gemaakt. Lid 3 Op grond van artikel 2.1.4 derde lid, van de wet (Wmo 2015) heeft de gemeente Heerde, de algemene voorziening ‘een schoon en leefbaar huis’ aangewezen als voorziening waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie en die onder het abonnementstarief valt. Lid 4 Sub a. De hoogte van de bijdrage in de kosten bedraagt €19,- per maand voor één of meerdere voorzieningen in het kader van de Wmo 2015. Dit betekent dat het aantal voorzieningen waar de persoon gebruik van maakt niet van belang is. Het bedrag van €19,- is gelijk voor ongehuwde cliënten en echtparen, en kan jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex, bij ministeriële regeling. In lijn met de bestaande regelgeving is geen eigen bijdrage verschuldigd door het meerpersoonshuishouden waarin minstens een van beide partners nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Zij het dat de regeling verder versoepeld is doordat daar, in tegenstelling tot voorgaande jaren, ook geen inkomens- en vermogensgrens meer aan gesteld is. Op grond van de “Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening” (artikel 2.1.4, lid 5) kan de gemeente ervoor kiezen bepaalde doelgroepen korting te geven op de bijdrage in de kosten of uit te sluiten van de plicht tot bijdrage in de kosten. De gemeente Heerde kiest niet voor generieke uitsluiting van doelgroepen in de verordening, maar laat de mogelijkheid open om maatwerk te verrichten, voor zover dat binnen de Memorie van Toelichting van de wijziging van de Wmo 2015 inzake het abonnementstarief (Artikel I, onderdeel A, tweede lid) wordt toegestaan in de volgende gevallen: bij onvoldoende betalingscapaciteit (als iemand wel inkomen en vermogen heeft, maar geen vrije beschikking heeft over zijn middelen). Daarbij interpreteren we het niet vrijelijk kunnen beschikken over middelen als een situatie waarin de persoon formeel onder curatele staat of onderworpen is aan enige andere vorm van budgetbeheer waardoor men geen zeggenschap meer heeft over het eigen inkomen en vermogen. In Heerde vinden we het belangrijk dat inwoners met schulden in staat worden gesteld, deze op te lossen. Het opleggen van een eigen bijdrage kan daarin contraproductief zijn. Indien het college, na advies van een inkomensconsulent of een medewerker schulddienstverlening, tot het oordeel komt dat het opleggen van een bijdrage in de kosten een contraproductieve invloed heeft op het proces van schulddienstverlening, zien wij af van het opleggen van een eigen bijdrage. Dit voor zover en zolang als de schulddienstverlening loopt. indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming, Stichting Veilig Thuis of CJG, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder. in het kader van een integrale persoonsgerichte aanpak bij mensen die met politie of justitie in aanraking zijn gekomen of zorg mijden ten gevolge van een psychische beperking. Sub b. Gemeenten kunnen meerdere hulpmiddelen en woningaanpassingen (met kostprijs) aan een burger verstrekken. In dat geval bewaken wij alleen de langst lopende kostprijs. Met langst lopende kostprijs wordt de verstrekking bedoeld waarbij het moment van volledig afbetalen het verst in de toekomst ligt. Om de langst lopende kostprijs te berekenen houdt de gemeente een ‘virtuele’ einddatum van de lopende kostprijzen bij. Hierbij kan gerekend worden met het daarvoor landelijk vastgestelde maximumtarief (in 2020 is dat € 19,00 per maand). Lid 5 Voor uitvoering van het abonnementstarief is het berichtenverkeer via het Gegevensknooppunt uitgebreid met een module voor het CAK. Voor een landelijke uniforme uitvoering is besloten om de periode waarover inwoners een eigen bijdrage verschuldigd zijn, vast te stellen op een maand. Lid 6 Dit lid somt de maatwerkvoorzieningen op waarvoor geen eigen bijdrage conform het abonnementstarief is verschuldigd. Indien een cliënt onder het 18e jaar een maatwerkvoorziening toegekend krijgt, is de cliënt vrijgesteld van de bijdrage in de kosten.