Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Roermond houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roermond 2020)De raad van de gemeente Roermond gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 oktober 2019; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, [2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); gezien het advies van de commissie BS van 3 december 2019; besluit: de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roermond 2020 vast te stellen; de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 en de verordening Jeugdhulp gemeente Roermond 2018 in te trekken per 1 januari
(30)dagen. 9.Voor cliënten met aantoonbare dubbele woonlasten, wordt de bijdrage voor een maatwerkvoorziening opvang verminderd met een forfaitair bedrag, gelijk aan 20% van de geldende bijstandsnorm. 10.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, lid 7, van de Wmo 2015, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 11.Geen bijdrage is verschuldigd voor een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt. Artikel13.Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en misbruik of oneigenlijk gebruik [Wmo/Jeugdwet] 1.Het college informeert de cliënt in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 of de Jeugdwet. 2.Naast het bepaalde in artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 3.Naast het bepaalde in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing over een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb; de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb niet of voor een ander doel gebruikt, of de cliënt die een maatwerkvoorziening heeft op grond van de Wmo 2015 langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. 4.Als het college een beslissing op grond van het vorige lid, aanhef en onder sub a, heeft ingetrokken en door de cliënt met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de waarde in geld vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of het ten onrechte ontvangen pgb. 5.Het college kan een terug te vorderen bedrag als bedoeld in lid 4 van dit artikel verrekenen met betalingen op grond van de Wmo 2015 dan wel de Jeugdwet, die nog uitgekeerd moeten worden. 6.Het college kan een beslissing tot verlening van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb intrekken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt. 7.Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening op grond van de Wmo 2015 is ingetrokken, dan kan het college deze voorziening terugvorderen. 8.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in de vorm van zorg in natura en in de vorm van pgb’s met het oog op de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan. 9.Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen over de beëindiging, wijziging, herziening of intrekking van een maatwerkvoorziening. Artikel14.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning [Wmo] 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Dit wordt onder meer bereikt door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt ontvangt; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 3.Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald. Artikel15.Meldingsregeling calamiteiten en geweld [Wmo/Jeugdwet] 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan, volgens artikel 6.1 van de Wmo 2015. 2.Aanbieders zijn verplicht iedere calamiteit en ieder geweldsincident, dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening, direct te melden aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel16.Klachtenregeling [Wmo/Jeugdwet] 1.Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten, die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle door hen te leveren voorzieningen. 3.Naast andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel17.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning [Wmo] 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2.Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel18.Prijs en kwaliteit levering dienst door derden [Wmo/Jeugdwet] 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a van dit lid. 2.Het college stelt de prijzen, op grond van lid 1, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, lid 2, onderdeel c, van de Wmo 2015, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, lid 2, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de prijzen, op grond van lid 1 van dit artikel, op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan lid 1, onderdeel b, van dit artikel buiten beschouwing laten als bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op lid 2 en 3 van dit artikel. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in lid 1 van dit artikel hij een overeenkomst aangaat. 6.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding en de kwaliteit van de uitvoering bij de vaststelling van de tarieven die het college hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie. Artikel19.Jaarlijkse waardering mantelzorgers [Wmo] 1.Een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers is beschikbaar op aanvraag bij het college. 2.Het college bepaalt in nadere regels op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers in de gemeente. Artikel20.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen [Wmo] 1.Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Het college kan nadere regels stellen over de tegemoetkoming volgens lid 1 van dit artikel. Artikel21.Betrekken van ingezetenen bij het beleid [Wmo/Jeugdwet] 1.Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg. Zij kunnen daarbij onderwerpen voor de agenda aanmelden en het college zorgt ervoor dat zij de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie krijgen. 3.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van lid 1 en 2 van dit artikel. Artikel22.Evaluatie [Wmo/Jeugdwet] Het gemeentebestuur evalueert zo nodig het gevoerde beleid. Als de evaluatie daartoe aanleiding geeft leidt dit tot aanpassing van het beleid. Het college stuurt hiervoor aan de gemeenteraad periodiek een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleidskader en de verordening in de praktijk. Artikel23.Hardheidsclausule [Wmo/Jeugdwet] 1.Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onevenredig benadeeld wordt. 2.In gevallen waarover in deze verordening voor de uitvoering niets is geregeld, beslist het college. Artikel24.Overgangsrecht [Wmo/Jeugdwet] 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 en de Verordening jeugdhulp gemeente Roermond 2018 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2020. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 of de Verordening jeugdhulp gemeente Roermond 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken, dan wel de periode waarvoor deze voorziening is verstrekt is geëindigd. 3.Een cliënt die volgens lid 2 van dit artikel recht houdt op een voorziening in de vorm van pgb, behoudt ook het recht op de hoogte van het daarbij behorende pgb. Voor zover het daarbij gaat om een pgb op grond van artikel 9 lid 4 sub a, onderdelen 4 of 5 van deze verordening, wordt de hoogte van het pgb pas aangepast wanneer het wettelijk minimumloon gelijk is aan de hoogte van het betreffende pgb. 4.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 of de Verordening jeugdhulp gemeente Roermond 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roermond 2020. 5.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 of de Verordening jeugdhulp gemeente Roermond 2018, wordt beslist op grond van die verordening. 6.Voorzieningen verstrekt op grond van voorgaande verordeningen kunnen op grond van deze verordening worden beëindigd, herzien, ingetrokken en/of teruggevorderd. Artikel25.Inwerkingtreding en citeertitel [Wmo/Jeugdwet] 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roermond 2020. Bijlage1 Beschikbare voorzieningen Jeugd Aldus besloten door de raad van de gemeente Roermond in zijn openbare vergadering van 19 december 2019.De griffier, J. VervuurtDe voorzitter, M.J.D. Donders - de LeestBijlage1Beschikbare voorzieningen Jeugd Voorzieningen op grond van de Jeugdwet De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: Basisvoorzieningen; Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG): Informatie en advies; Lichte opvoed-ondersteuning; Ambulante hulp; Veilig Thuis; Kindertelefoon; Vertrouwenspersoon; Onafhankelijke cliëntondersteuning. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: Persoonlijke verzorging; Begeleiding individueel en groep, welke niet verleend wordt door de basisvoorzieningen; Behandeling individueel en groep; Behandeling dyslexie; Logeren; Verblijf met begeleiding dan wel behandeling; Forensische zorg; Spoedeisende zorg (crisis); Gesloten jeugdzorg; Vervoer; Jeugdbescherming; Jeugdreclassering. Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roermond 2020 Toelichting Bij ieder artikel van deze verordening staat aangegeven of het van toepassing is op Wmo [Wmo], Jeugdhulp [Jeugdwet], of beide [Wmo en Jeugdwet]. Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. Deze wetgeving maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisaties naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. De voor de gemeenten nieuwe Wmo gerelateerde taken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning 2007. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociale netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Een van de uitgangspunten van de overheveling van de taken op het gebied van jeugdhulp was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), zoals al eerder was gebeurd met de Wmo. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente wordt bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig en bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dat plan legt de gemeenteraad het te voeren beleid vast met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp aan ingezetenen van de gemeente. Binnen de gemeente Roermond wordt het integraal werken als belangrijk instrument gezien, om de inwoners van de meest passende ondersteuning te kunnen voorzien. Vandaar dat de gemeente Roermond heeft gekozen voor een beleidsplan dat de drie domeinen (maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en participatie) met elkaar verbindt. In dit 3D beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot de taken op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en participatie. In navolging van dit beleidsplan is deze verordening tot stand gekomen, waarbij voor de domeinen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp een eenduidig kader is gemaakt. Algemene voorzieningen: vrij toegankelijke zorg In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en maatwerk (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kan de cliënt gebruik van maken zonder dat hij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig heeft. De cliënt kan zich voor deze hulp en ondersteuning dus rechtstreeks tot de betreffende aanbieder wenden. In bijlage 1 bij deze verordening is voor wat betreft de diverse vormen van jeugdhulp aangegeven welke al dan niet vrij toegankelijk zijn. Uit artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet in samenhang met de memorie van toelichting op de Jeugdwet blijkt dat op grond van de verordening voor de burger namelijk inzichtelijk moet zijn welke vormen van jeugdhulp door de gemeente worden geboden aan eenieder en welke vormen alleen na een besluit van de gemeente toegankelijk zijn. Toegang via de gemeente Als de gemeente een hulpvraag ontvangt, moet de gemeente iedere keer een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Dit is nodig om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Op deze manier kan de gemeente bepalen of en welke ondersteuning nodig is. Deze verordening legt de toegangsprocedure daarom op hoofdlijnen vast. De toegangsprocedure vindt plaats door middel van een onderzoek dat het college in samenspraak met de cliënt uitvoert. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door het college ingezette deskundige en de cliënt gekeken worden wat de cliënt eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een algemene voorziening is of een maatwerkvoorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de maatwerkvoorziening en verwijst de cliënt door naar een aanbieder die passende ondersteuning kan bieden. Als de cliënt het niet eens is met een besluit van het college, bijvoorbeeld omdat een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd, kan de cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter toetst dan of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van de cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en Jeugdwet en ook deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan legt het college (in mandaat) neer bij deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij voeren de taak dan uit namens het college. Waar in deze verordening, de Wmo 2015 en Jeugdwet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In deze verordening is deze wijze van toegang uitgewerkt in artikel 4 van deze verordening. Na een dergelijke verwijzing staat nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een cliënt precies nodig heeft. Een cliënt kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn expertise na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het te leveren voorzieningenpakket. De gemeenten en verwijzers maken verder afspraken over hoe zij goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een jeugdige. Dit zorgt ervoor dat de integrale benadering rond de jeugdige en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, geborgd is en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij een bepaald gezin betrokken zijn. Daarnaast moet de jeugdhulpaanbieder rekening houden met de regels die de gemeente bij deze verordening heeft gesteld. De verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. De gecertificeerde instellingen en de gemeente maken hier afspraken over. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft gecontracteerd. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze vorm van toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening heeft verstrekt of dat de toegekende maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen bezwaar maken bij het college. Eventueel kan betrokkene daarna nog in beroep gaan bij de rechtbank en in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). De rechter toetst dan of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begrippen[Wmo/Jeugdwet] Dit artikel geeft een omschrijving van een aantal begrippen die van belang zijn voor deze verordening. Alleen begrippen die niet in de Wmo 2015 en/of in de Jeugdwet staan omschreven zijn in dit artikel opgenomen. De Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn zogenaamde specifieke wetgeving, die binnen het bereik van de Awb vallen. Ook de Awb kent daarom een aantal (algemene) begrippen die voor deze verordening van belang zijn. Voorbeelden hiervan zijn: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, lid 3 Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 Awb). Sub c Onder het begrip ‘andere voorziening’ vallen ook voorzieningen op grond van een andere wettelijke bepaling dan de Wmo 2015 of de Jeugdwet. Sub f Onder budgetplan wordt mede verstaan een offerte. Sub g Sub g omschrijft het begrip cliënt. In het kader van de Jeugdwet gaat het hierbij om een jeugdige en/of een ouder als omschreven in artikel 1.1 van die wet. Sub r In de definitie van naaste familie worden naast de partner ook de eerste- en tweedegraads aan- en bloedverwanten genoemd. Dit zijn wettelijke termen die volgen uit het Burgerlijk Wetboek (art. 1:3 BW). Van een bloedverwant in de eerste graad is sprake bij: (adoptie)ouders, (adoptie)kinderen. Tweedegraads bloedverwanten zijn: broers, zussen, kleinkinderen en grootouders. Zie hierover verder ook: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/curatele-bewind-en-mentorschap/vraag-en-antwoord/bloedverwantschap en https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/curatele-bewind-en-mentorschap/vraag-en-antwoord/wat-isaanverwantschap. Artikel 2. Uitgangspunten van de ondersteuning[Wmo/Jeugdwet] Dit artikel is de inhoudelijke link tussen de verordening en het beleidskader Sociaal Domein Midden-Limburg Oost 2020-2028. In het beleidskader staan de uitgangspunten die de gemeente binnen het sociaal domein belangrijk vindt. Door deze uitgangspunten binnen de verordening te verankeren, legt de gemeente de intentie vast om bij al haar handelen op grond van deze verordening zoveel mogelijk binnen de geest van deze uitganspunten te werken. Artikel 3. Hulpvraag en onderzoek[Wmo/Jeugdwet] In dit artikel beschrijft op hoofdlijnen de procedure die het college moet doorlopen nadat er een hulpvraag is ontvangen. Eerste lid De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan bovendien ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld zijn vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Derde lid Het college moet ervoor zorgen dat er voor alle ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Bovendien moet de cliënt (en als van toepassing zijn mantelzorger) voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Vijfde lid Van spoedeisende gevallen en crisissituaties als bedoeld in dit lid is onder meer sprake in gevallen waarin direct opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. In het kader van de Jeugdwet gaat het om situaties met acute bedreiging van de lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van een jeugdige (of acute bedreiging van de omgeving, door toedoen van een jeugdige). De crisishulp wordt ingezet zolang de crisis aanhoudt dan wel het onderzoek op grond van het eerste lid is afgerond en hulp via de reguliere weg kan worden ingezet. Artikel 4. Toegang jeugdhulp bij directe verwijzing[Jeugdwet] Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook nog steeds de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet). Dit geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (maatwerk) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de cliënt rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de cliënt of zijn vertegenwoordiger(
- s)daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp en legt dit vast in een ondersteuningsplan. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Uiteraard is de aanbieder hierbij gehouden aan de afspraken die hij heeft gemaakt met de gemeente en de verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien. Het college maakt verder afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt (artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet). Deze afspraken zorgen ervoor dat de gemeente haar regierol kan waarmaken en de omvang van het voorzieningenpakket beheersbaar kan houden. De afspraken zullen ook ingaan op hoe de verwijzende artsen en degenen die namens de gemeente betrokken zijn bij de gemeentelijke toegang (zie artikel 3 van deze verordening) op passende wijze van elkaar op de hoogte blijven met betrekking tot verwijzingen en behandelingen, zodat het streven van een integrale benadering en het uitgangspunt van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, in het bijzonder bij multiproblematiek, zo goed mogelijk verwezenlijkt kan worden. Tweede lid Als de cliënt of zijn vertegenwoordiger(
- s)dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger(s). Op die manier wordt de cliënt en zijn vertegenwoordiger(
- s)de benodigde rechtsbescherming geboden. Derde lid In dit lid is bepaald dat een aanbieder, die na verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en/of de medische specialist de voorzieningen behandeling individueel zwaar (meer dan 50 uur) en/of verblijf met begeleiding dan wel behandeling wil inzetten, het college hiervan in kennis stelt. Omdat deze voorzieningen een grote impact hebben op het gezin, wil de gemeente actief regie kunnen voeren in afstemming met het gezin en de aanbieder. Het doel hiervan is de voorziening effectief en efficiënt voor de cliënt en het gezin in te zetten. Daarnaast wil de gemeente graag inzicht verkrijgen in het behandelgedrag van de door haar gecontracteerde aanbieders. Afhankelijk of de cliënt wel of geen toestemming verleent, stuurt de aanbieder het ondersteuningsplan al dan niet geanonimiseerd toe aan het college. Artikel 5. Aanvraag[Wmo/Jeugdwet] In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een hulpvraag kan indienen (zie toelichting artikel 3 van de verordening). Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking volgens de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Artikel 6. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening [Wmo/Jeugdwet] In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 onder sub a van de Jeugdwet, is bepaald de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Daar is in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. Een cliënt met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Deze voorzieningen vallen onder het begrip ‘andere voorziening’, zoals omschreven in artikel 1 van deze verordening. Tweede lid Sub e Bij de afweging of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, is ook van belang of de cliënt gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een voorziening is, onverminderd de definitie in artikel 1 van de verordening, in dit geval aan te merken als algemeen gebruikelijk als deze daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door de cliënt financieel kan worden gedragen (CRvB 10 oktober 2018, ECLI:NL:CRvB:2018:3093). Derde lid Maatwerkvoorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel de meest passend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip passend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer passend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de cliënt. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden[Wmo] Eerste lid Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Daarnaast moet de voorziening langdurig noodzakelijk zijn. Tweede lid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Sub a In de Wmo 2015 is geen algemene bepaling opgenomen dat andere wetten voorliggend zijn, of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo 2015. Dit met uitzondering van een (mogelijke) aanspraak op ondersteuning op grond van de Wet Langdurige Zorg (zie artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015). Wel is in de Wmo 2015 geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de Wmo 2015). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de Wmo 2015). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een algemene bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Op dat moment kan de cliënt de problemen of beperkingen wegnemen door gebruik te maken van een andere voorziening volgens artikel 6 lid 2 sub g van deze verordening. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Sub b Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een maatwerkvoorziening al heeft gerealiseerd of aangekocht, voor het college een besluit heeft genomen omtrent de toekenning daarvan. Omdat het college de noodzaak en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten niet vooraf heeft kunnen beoordelen, kan het college de voorziening weigeren. Als de kosten reeds zijn gemaakt dan wordt er vanuit gegaan dat de cliënt zijn beperkingen op eigen kracht kan oplossen. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Voor zover toepassing van deze bepaling ertoe leidt dat de betreffende cliënt duidelijk onevenredig benadeeld wordt, kan het college de hardheidsclausule toepassen. Sub c Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Sub e De in de aanhef van het tweede lid beschreven passage uit de memorie van toelichting in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24). Gelet op artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie 1 Zie in dit kader ook de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018, waarin de CRvB oordeelt dat de Wmo 2015, evenals de Wmo deed, ruimte biedt om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt echter evenmin als de Wmo ruimte, zo stelt de CRvB verder, om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk (ECLI:NL:CRVB:2018:2603). is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Sub e van het tweede lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gehouden een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Derde lid De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Vijfde lid Sub a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan bijvoorbeeld een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er, gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt, geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Sub b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Sub c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Sub d Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Sub e Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er kan een uitzondering worden gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Sub f Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat de cliënt een ongeschikte woning kiest en vervolgens een hulpvraag voor aanpassingen indient bij de gemeente. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a.. Zesde lid Het zesde lid kan ertoe leiden dat als maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een financiële tegemoetkoming (verhuisverkostenvergoeding). De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert. Artikel 8. Inhoud beschikking[Wmo/Jeugdwet] Als de cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger een formele aanvraag (artikel 5 van deverordening) of een verzoek om een beschikking (artikel 4 lid 2 van de verordening) bij het college indient, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen, waartegen de cliënt bezwaar en beroep op grond van de Awb kan indienen. Eerste lid Uitgangspunt van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om, waar de verordening dat expliciet toestaat (bijvoorbeeld artikel 7 lid 7 van deze verordening), een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Deze toevoeging is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de Wmo 2015 mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken 2 Zie de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2018 (ECLI:NL:CRV:2019:395 en 396).. Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Deze is geregeld in artikel 19 van deze verordening. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 voldoet. De Wmo 2015 verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is er voor gekozen, om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb). Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening. Tweede en derde lid Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Tweede lid, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Artikel 9. Regels voor pgb: algemeen[Wmo/Jeugdwet] Tweede lid Sub c Het pgb voor de in dit lid genoemde kosten worden waar mogelijk gebaseerd op de contractafspraken die de gemeente heeft met de aanbieders van de betreffende zorg in natura. Derde lid Een pgb is enkel bedoeld voor de vergoeding van zorgkosten. Andere kosten, zoals reiskosten of een eindejaarsuitkering, kunnen niet afzonderlijk worden betaald uit het pgb. Vierde lid In dit lid wordt beschreven op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Hierbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten hebben de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. In dit lid is daar uitvoering aan gegeven. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 lid 4 sub a van de Jeudgwet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Als op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning tegen lagere kosten kan worden ingekocht, mag voor de berekening van het pgb uitgegaan worden van deze lagere kosten. Sub d Onder een zaak worden alle tastbare voorzieningen begrepen. Hieronder vallen bijvoorbeeld sportvoorzieningen, woningaanpassingen en hulpmiddelen zoals een rolstoel of een traplift. Voor zover het college deze zaken niet in natura heeft ingekocht, geldt een door het college geaccepteerde offerte als basis voor de berekening van het pgb. Het college kan daarbij bouwkundig en/of sociaal/medisch advies en een daarbij behorende kostencalculatie inwinnen bij een derde. Artikel 10. Regels voor pgb: beschermd wonen en opvang [Wmo] In dit artikel wordt voor maatwerkvoorzieningen met betrekking tot beschermd wonen en opvang een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van artikel 9 lid 4 sub a van deze verordening. De gemeente Roermond heeft de taken met betrekking tot (de toegang tot) beschermd wonen en maatschappelijke opvang gemandateerd aan de (centrum)gemeente Venlo. Deze taken worden vanuit het Rijk rechtstreeks bekostigd aan de gemeente Venlo. De gemeente Venlo voert de taken mede namens alle gemeenten in Noord- en Midden-Limburg uit. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid is door alle betrokken gemeenten afgesproken het beleid van de centrumgemeente met betrekking tot beschermd wonen en opvang over te nemen. Met dit artikel wordt daar invulling aan gegeven. Artikel 11. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen [Wmo] Op grond van artikel 2.1.4 lid 1 sub a van de Wmo 2015 kan de gemeente een bijdrage vragen voor het gebruik van een algemene voorziening. Dit artikel geeft de kaders weer waarbinnen een dergelijke bijdrage kan worden gevraagd. Artikel 12. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen [Wmo] Dit artikel geeft invulling aan artikel 2.1.4 lid 1 sub b, lid 2 sub b en lid 7 van de Wmo 2015. Derde lid Geen bijdrage aan de gemeente is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening voor het collectief vervoer volgens artikel 7 lid 5 van deze verordening. Om gebruik te maken van het collectief vervoer is de cliënt een zonetarief verschuldigd aan de vervoerder. Voor de actuele tarieven wordt verwezen naar de website www.omnibuzz.nl. Artikel 13. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en misbruik of oneigenlijk gebruik[Wmo/Jeugdwet] Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het tweede, derde en vijfde lid bevatten in hoofdzaak een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is opgenomen (artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 van de Wmo 2015 en artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de Jeugdwet). Deze is voor wat betreft de Jeugdwet hier echter uitgebreid naar maatwerkvoorzieningen. Derde lid Sub d Onder de voorwaarden aan een maatwerkvoorziening vallen, naast de voorwaarden als genoemd in de beschikking, ook de bepalingen in een eventuele (bruikleen)overeenkomst die de cliënt aangaat. Sub f Een voorbeeld van een instelling als bedoeld in sub f is het ziekenhuis. Vijfde lid Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is voor wat betreft de Wmo 2015 getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de Wmo 2015 met vorderingen op grond van de Wmo