Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Roerdalen 2020)HET COLLEGE VAN DE GEMEENTE ROERDALEN gezien het voorstel d.d. 17 december 2019; gelet op het bepaalde in artikel 156 van de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020; besluit: vast te stellen het Besluit Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Roerdalen 2020; het Besluit Maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen gemeente Roerdalen 2018 in te trekken per 1 januari 2020. Hoofdstuk1.Algemeen Artikel1.Begrippen 1.In deze nadere regels betekent: chronische ziekte: een langdurige lichamelijke of geestelijke aandoening, waarbij geen uitzicht is op volledige genezing; huishouden: de gehuwden/samenwonenden, de alleenstaande, of de alleenstaande ouder, zoals staat in artikel 3 en 4 van de Participatiewet; laag inkomen: een inkomen dat minder of gelijk is aan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm alleenstaande (ouder) of gehuwden, volgens artikel 22 onder a en b van de Participatiewet. De kostendelersnorm van artikel 22a van de Participatiewet is voor de vaststelling van het lage inkomen niet van toepassing; meerkosten: de directe en indirecte extra kosten van de belanghebbende door een chronische ziekte; sociaal netwerk: personen zoals staat in artikel 9 lid 4 sub a onderdeel 4 en 5 van de verordening; tegemoetkoming: een financiële bijdrage; verordening: de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zorgplan: plan dat de aanbieder moet opstellen voor de start van de ondersteuning, waarin een beschrijving van de doelen van de behandeling omschreven staat; zorgvrager: inwoner die zorg, hulp of ondersteuning ontvangt van een mantelzorger. 2.Alle begrippen die in dit besluit staan en die geen nadere beschrijving hebben, betekenen hetzelfde als in de verordening, de wet en/of de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk2.Melding en onderzoek Artikel2.Melding van de hulpvraag 1.Een cliënt kan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning melden bij het college. De melding is ook mogelijk namens de cliënt. 2.Het college bevestigt, behalve als de cliënt hier geen behoefte aan heeft, de ontvangst van een melding schriftelijk. Het college wijst de cliënt voor de start van het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. De cliënt kan de cliëntondersteuning ook gebruiken om de ondersteuningsbehoefte beter duidelijk te maken. Artikel3.Gesprek 1.Na ontvangst van de melding volgt het onderzoek met een gesprek. Dit gesprek vindt niet plaats in spoedeisende gevallen of als het college een gesprek niet nodig vindt, al dan niet na overleg met de cliënt. 2.Voor zover een aanbieder al betrokken is bij de cliënt, kan deze bij het gesprek aanwezig zijn. 3.Huisgenoten van de cliënt moeten de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. 4.Als het van belang is voor het onderzoek kan het college, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet: de cliënt, en bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen om persoonlijk te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een gesprek; de cliënt, en bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen persoonlijk te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een gesprek en/of onderzoek door een of meer daarvoor aangewezen deskundigen. Artikel4.Onderzoek 1.Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding en voor zover nodig in aansluiting op artikel 2.3.2 lid 4 en artikel 2.3.5, lid 3 en lid 4 van de wet: wat de precieze hulpvraag van de cliënt is; welke problemen de cliënt heeft bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, of het zich kunnen handhaven in de samenleving; welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt of het zich kunnen handhaven in de samenleving; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; of en in hoeverre specifieke deskundigheid moet worden ingeschakeld; wat het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning moet zijn en binnen welke termijn dit resultaat moet zijn behaald. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan, zoals staat in artikel 2.3.2 lid 2 van de wet, aan het college geeft, betrekt het college dat plan bij het onderzoek op grond van lid 1. Artikel5.Onderzoeksverslag 1.Na afloop van het onderzoek verstrekt het college aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger een schriftelijk verslag van de uitkomsten van het onderzoek (het onderzoeksverslag). 2.De cliënt ondertekent het onderzoeksverslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 14 dagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd. 4.Als de cliënt alleen ondertekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Artikel6.Aanvraag 1.De cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen door een aanvraagformulier in te vullen en te ondertekenen, of door ondertekening van het onderzoeksverslag. 2.Als de cliënt op basis van het onderzoeksverslag niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, heeft de cliënt het recht om toch een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen. 3.De dag waarop de in lid 1 genoemde ondertekende aanvraag is ontvangen door het college geldt als aanvraag-datum. 4.Het college kan zo nodig een nieuw onderzoek starten als de cliënt de aanvraag later dan vier weken, nadat het onderzoeksverslag aan de cliënt is verzonden, ondertekend retourneert. Hoofdstuk3.Maatwerkvoorzieningen Artikel7.Aanvullende criteria en voorwaarden voor een maatwerkvoorziening 1.Het college kent aan een cliënt een maatwerkvoorziening voor het vervoer toe als hij, op basis van zijn beperkingen, het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. 2.Het college kent alleen een maatwerkvoorziening voor het vervoer in de vorm van een individuele voorziening toe, als de cliënt voldoende verkeersinzicht heeft om veilig aan het verkeer deel te kunnen nemen. Het college kan hiertoe een rijvaardigheidsproef laten afnemen door een deskundige. 3.Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe in de vorm van een sportvoorziening, wanneer hij als gevolg van zijn beperkingen niet kan deelnemen aan een sport en er geen of onvoldoende andere participatiemogelijkheden zijn. 4.Bij een toekenning van een maatwerkvoorziening voor een zaak die hij in bruikleen krijgt, geldt als voorwaarde dat de cliënt voor de maatwerkvoorziening de bruikleenovereenkomst aangaat die door het college is vastgesteld. Hoofdstuk4.Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel8.Regels voor pgb: algemeen 1.Toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vindt alleen plaats op basis van een gemotiveerd verzoek van de cliënt of zijn vertegenwoordiger, door indiening van een budgetplan bij de aanvraag. 2.Uit het budgetplan moet blijken: wat de hulpvraag is en wat de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn; op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is; welke maatwerkvoorziening met het pgb zal worden aangeschaft of ingekocht; waarom de cliënt een pgb wenst; dat cliënt in staat is, of met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, om als opdrachtgever op te treden, aanbieders uit te kiezen, een zorgovereenkomst met ondersteuners te sluiten, werkbriefjes en rekeningen goed te keuren en de kwaliteit van de ondersteuning te beoordelen; hoe en door wie de cliënt de maatwerkvoorziening wil laten realiseren, en hoe hij tot deze keuze is gekomen; hoe de kwaliteit van de ondersteuning en de aanbieder wordt gewaarborgd. 3.Het pgb mag niet besteed worden aan de bemiddeling bij het aanvragen van een voorziening of aan het administratieve beheer van het pgb. Er is geen sprake van een vrij besteedbaar bedrag. 4.Het pgb voor diensten kan enkel worden besteed door declaratie achteraf van de daadwerkelijk geleverde uren ondersteuning, op basis van een overeengekomen uurtarief. Gebruik van een maandloon is daarbij niet toegestaan. 5.De cliënt is niet toegestaan om het administratieve beheer van het pgb en tegelijkertijd de levering van de maatwerkvoorziening uit te besteden aan dezelfde organisatie of persoon. 6.De cliënt en zijn vertegenwoordiger overleggen bij het budgetplan een schriftelijke machtiging en verklaring dat het beheer van het pgb op verantwoorde wijze wordt uitgevoerd. 7.In geval van pgb voor aanpassing van een bestaande zaak, waarvan het als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd dat deze verzekerd is, wordt geen aanvullend pgb verstrekt voor de (meer)kosten van de verzekering. 8.Bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening voor het wonen in de vorm van een woningsanering, wordt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode: -100% indien het artikel niet ouder is dan twee jaar; -75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; -50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; -25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is; -0% indien het artikel ouder is dan tien jaar. 9.De cliënt die een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor een zaak is toegekend, legt binnen zes weken na aanschaf of realisatie van de voorziening verantwoording af over de besteding van het pgb. Hiertoe overlegt de cliënt aan het college de factuur dan wel het betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening. 10.In bijlage 1 van dit besluit zijn de pgb tarieven opgenomen, die volgen uit artikel 9 lid 4 van de verordening. Artikel9.Regels voor pgb: kwaliteit 1.Bij diensten geleverd door anderen dan personen uit het sociaal netwerk moet de aanbieder aan de volgende voorwaarden voldoen: de organisatie of (zelfstandig) ondernemer dient als aanbieder van ondersteuning in de zin van de wet ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel; de organisatie of ondernemer voldoet aan de eisen van de kwaliteit, zoals gesteld in hoofdstuk 3 van de wet en in artikel 14 van de verordening; De organisatie of ondernemer voldoet aan de eisen van goed zelfstandig ondernemerschap, en: heeft vervangingsplannen in geval van ziekte; voert de noodzakelijke administraties; werkt conform arbeidstijdenbesluit en indien deze niet van toepassing is maximaal 40 uur per week. de organisatie of ondernemer voldoet aan de normen voor verantwoorde zorg, zoals die voor de branche gelden; er wordt gebruik gemaakt van een zorgplan met begeleidingsdoelen en termijnen als onderdeel van verantwoorde zorg en dit plan is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt waarbij rekening is gehouden met zijn persoonskenmerken; cliëntbetrokkenheid en continuïteit van zorg maakt onderdeel uit van de bedrijfsvoering. er is systematische kwaliteitsbewaking; de (door de aanbieder in het kader van de geboden voorziening aangewezen) beroepskracht is vakbekwaam en heeft de diploma’s die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende en efficiënte ondersteuning van specifieke cliënt; de beroepskrachten, vrijwilligers en ervaringswerkers beschikken over een verklaring omtrent het gedrag volgens artikel 28 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de organisatie of ondernemer ging werken; de organisatie of ondernemer beschikt over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling; de organisatie of ondernemer meldt alle calamiteiten en geweldsincidenten bij de door het college aangewezen toezichthoudend ambtenaar. er zijn geen feiten of omstandigheden bekend waarbij de organisatie of de ondernemer onprofessioneel gehandeld hebben, ondeskundige zorg hebben verleend en/of gehandeld hebben in strijd met relevante regelgeving waardoor niet voldaan wordt aan artikel 2.3.6 lid 2 van de wet. 2.Bij diensten geleverd door personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: deze persoon beschikt over een verklaring omtrent het gedrag volgens artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden voor het tijdstip waarop betrokkene start met de uitvoering van de betreffende ondersteuning; deze persoon dient in staat te zijn om de gevraagde ondersteuning en kwaliteit te bieden; er zijn geen aanwijzingen dat de persoon die de ondersteuning moet bieden overbelast is of dreigt te geraken; er is een zorgplan met vermelding van begeleidingsdoelen en termijnen; er is een afspraak over het melden van calamiteiten en geweld. 3.Bij ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden geldt voor ZZP’ers of freelancers, in afwijking van het gestelde in artikel 9 lid 4 sub a onderdeel 2 van de verordening, dat deze hiervoor niet gediplomeerd hoeven te zijn. 4.Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor een zaak, kan het college een programma van eisen vaststellen. Het programma van eisen bevat de inhoudelijke (kwaliteits)eisen aan de voorziening. De door de cliënt te betrekken voorziening dient te voldoen aan het programma van eisen. Artikel10.Regels voor pgb: vaardigheden 1.Als de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst, wordt getoetst of de cliënt voldoende in staat is om op eigen kracht, of met behulp van zijn vertegenwoordiger of sociaal netwerk: zijn eigen belangen te behartigen; de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2.De toets volgens lid 1 wordt uitgevoerd aan de hand van het gesprek als bedoeld in artikel 3 en/of het ingevulde budgetplan. 3.Toetsing van de vaardigheden vindt plaats op de volgende onderdelen, waarbij beoordeeld wordt of de cliënt: de eigen situatie overziet en een duidelijk beeld heeft van de ondersteuningsvraag; op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb; in staat is om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en aanbieders; in staat is om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een aanbieder te kiezen; in staat is om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb; in staat is te beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat is inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan in geval van verlof of ziekte; in staat is om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners te contracteren, aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; Over voldoende (juridische) kennis beschikt over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden en te gebruiken. 4.Als de cliënt ervoor kiest om het pgb beheer door een derde te laten uitvoeren, geldt dat deze derde: onafhankelijk moet zijn van de organisatie of persoon die de voorziening levert, en voldoende nabij de cliënt staat in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd. Hoofdstuk5.Waardering mantelzorgers Artikel11.Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Een blijk van waardering wordt door het college op verzoek verstrekt aan mantelzorgers indien aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de mantelzorger verleent mantelzorg aan een zorgvrager die ingezetene is van de gemeente; de mantelzorger staat geregistreerd bij het lokale steunpunt mantelzorg; de mantelzorger verleent langer dan drie maanden en meer dan acht uur per week onbetaalde zorg aan een zorgvrager. 2.De waardering wordt ook verstrekt aan mantelzorgers van zorgvragers die gebruik maken van de Wet langdurige zorg (Wlz) indien zij voldoen aan de in lid 1 onder a tot en met c gestelde voorwaarden. 3.Per zorgvrager kan één mantelzorger vragen om een jaarlijkse blijk van waardering. Indien er meerdere mantelzorgers voor één zorgvrager zijn, neemt de mantelzorgondersteuner contact op met de zorgvrager om af te stemmen wie de waardering ontvangt. 4.De mantelzorgwaardering wordt eenmaal per jaar verstrekt en kan alleen in datzelfde jaar worden aangevraagd in de periode van april tot en met december. 5.De jaarlijkse waardering voor mantelzorgers bestaat uit: 4 nationale bioscoopbonnen ter waarde van €10,- per stuk voor jonge(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.