Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020De raad van de gemeente Laarbeek; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2019, gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met het vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gezien het advies van Commissie Sociaal Domein; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving zijnde een samenleving waar iedereen tot zijn recht kan komen en kan participeren; Besluit: vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 in te trekken de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 HOOFDSTUK1BEGRIPSBEPALINGEN Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Aanvraag: een verzoek aan het college om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening; Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers, toegankelijk is, dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning en waarmee aan de ondersteuningsbehoefte wordt tegemoet gekomen; Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten en voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt; Begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015); Beschermd thuis: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een inwoner afgestemd geheel van diensten en activiteiten in het kader van intensieve ambulante individuele (woon-) begeleiding. Bedoeld voor personen met langdurige psychiatrische, psychische of psychosociale problemen, of een combinatie daarvan met een verstandelijke beperking of gedragsstoornissen, die niet volledig in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving c.q. niet geheel zelfstandig kunnen wonen. Deze intensieve ambulante individuele begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. De individuele begeleiding kan, indien nodig, aangevuld worden met een vorm van dagbesteding (begeleiding groep). Beschermd thuis kan in die zin zowel begeleiding groep als begeleiding individueel omvatten waarbij begeleiding groep altijd aanvullend is op begeleiding individueel en niet los van begeleiding individueel kan worden ingezet. De maatwerkvoorziening Beschermd thuis wordt ingezet bij de afschaling van beschermd wonen naar zelfstandig (begeleid) wonen of ter voorkoming van opname in een beschermd wonen voorziening (opschaling). Daartoe behoort eveneens, in geval van individuele begeleiding, het bieden van 24-uurs bereikbaarheid van de begeleiding en deels planbare en deels onplanbare begeleiding; Beperkingen: moeilijkheden die een cliënt heeft met het uitvoeren van activiteiten; Beschermd wonen: wonen en verblijf in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend 24-uurs toezicht en begeleiding in de directe nabijheid, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (artikel 1.1.1 Wmo 2015); Bezoekbaar maken van een woning: aanpassen van een woonruimte opdat de woonkamer, één toilet en de buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf, bereikt kunnen worden; Bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; College: college van burgemeester en wethouders; Diensten: maatwerkvoorziening niet zijnde hulpmiddelen of woningaanpassingen; Dienstverlener: de zorgverlener die ingevolge een pgb diensten verleent aan een budgethouder; Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; Huisgenoot: iedere persoon met wie cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont; Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Ingezetene van een gemeente: inwoner van een gemeente waarbij de feitelijke plek / plaats waar een cliënt verblijft of woont bepalend is; Klacht jegens een aanbieder: iedere uiting van onvrede over een handeling, of het nalaten daarvan, dat gevolgen heeft voor een cliënt, door de aanbieder of door een persoon die voor een aanbieder werkzaam is; Kortdurend verblijf: de noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent aan een persoon met een beperking aangewezen op permanent toezicht en / of 24 uur per dag zorg in de nabijheid middels het laten verblijven van mensen met een beperking gedurende maximaal drie etmalen buitenshuis, tot een maximum van 52 etmalen op jaarbasis; Maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang; Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang. onder een maatwerkvoorziening wordt, met inachtneming van hetgeen bepaald in deze verordening, tevens een financiële tegemoetkoming verstaan; Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Particuliere inzet: Particuliere inzet betreft de inzet die niet wordt geleverd door een professionele dienstverlener. Onder particuliere inzet wordt mede begrepen inzet door het sociaal netwerk; Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; Professionele dienstverlener: Een entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) die beroepsmatig zorg, maatschappelijke en / of aanpalende diensten aanbiedt aan cliënten. Van een beroepsmatig aanbod van diensten zoals genoemd in de eerste zin, is sprake wanneer de entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en daarnaast uit overige feiten en omstandigheden blijkt dat de entiteit of de dienstverlener als onderneming respectievelijk als ondernemer kan worden aangemerkt; Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Trekkingsrecht: het pgb – met uitzondering van het eenmalige pgb – wordt beheerd door de SVB. De SVB betaalt vervolgens in opdracht van de cliënt rechtstreeks de dienstverlener; Uitvoeringsbesluit Wmo 2015: landelijke AMvB ingevolge artikel 2.1.4., vierde lid, Wmo 2015; Voorliggende voorziening: een voorziening ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de Wmo 2015 waarmee aan de ondersteuningsvraag wordt tegemoetgekomen; Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Wlz-instelling: instelling die zorg levert die valt binnen de Wet langdurige zorg (Wlz); Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. HOOFDSTUK2PROCEDURE MAATWERKVOORZIENING EN TEGEMOETKOMING VOOR MEERKOSTEN Artikel2.1De melding en het meldingsonderzoek 1.De melding van een hulpvraag kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch door of namens een cliënt bij het college worden ingediend. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. 2.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het meldingsonderzoek zoals vermeld in artikel 2.3 van de verordening. Artikel2.2.Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het meldingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel2.3Meldingsonderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het meldingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het meldingsonderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een meldingsonderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel2.4De medewerkingsverplichting van de cliënt en huisgenoten 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening: de cliënt en diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; de cliënt en diens huisgenoten op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of te onderzoeken. 2.De cliënt alsook diens relevante huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp, zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b. 3.Deze medewerkingsplicht van de cliënt en diens huisgenoten behelst ook de verplichting om: aan het college, gevraagd en ongevraagd, mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening; medewerking te verlenen aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie, een optische controle of een controle anderszins van een verstrekte of te verstrekken dienst of middel. 4.Wanneer het college gebruik maakt van zijn controlebevoegdheden, houdt het college rekening met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die zijn verbonden aan het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Artikel2.5Gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundige(
- n)(namens het college) en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(
- s)en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of de samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; de bijdrage in de kosten die de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het meldingsonderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel2.6Verslag 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het meldingsonderzoek. 2.Na het gesprek bevestigt het college aan de cliënt schriftelijk de uitkomsten van het meldingsonderzoek via een verslag. 3.De cliënt heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van 14 dagen naar aanleiding van de verzending van het verslag zoals genoemd in lid 2 opmerkingen of aanvullingen te plaatsen. Dit kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch. Deze worden aan het verslag toegevoegd. Artikel2.7De aanvraag Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch door of namens de cliënt bij het college worden ingediend. Artikel2.8Nadere regels Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening. HOOFDSTUK3TE BEREIKEN RESULTATEN Artikel3.1De te bereiken resultaten 1.De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen zijn gericht op: het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en / of participatie; of het stabiliseren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt dan wel het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid en / of participatie; of het verbeteren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt. 2.In de context van de gradaties sub a, b en c zoals benoemd in lid 1, wordt de cliënt zoveel als mogelijk in staat gesteld om: een huishouden te voeren, waaronder wordt verstaan: het beschikken over een schoon en leefbaar huis; het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; het bereiden en neerzetten van de maaltijden; het beschikken over schone en draagbare kleding. de woning normaal te kunnen gebruiken, waaronder wordt verstaan: het bereiken van de woning; het zich kunnen verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; regie te voeren over het dagelijkse leven, waaronder met name verstaan kan worden: het vermogen om op eigen kracht zelfstandig of met ondersteuning te wonen waaronder mede wordt begrepen (het voorkomen dan wel afschalen van) beschermd wonen; het voeren van regie over de zelfzorghandelingen; stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld; het voorkomen van verwaarlozing, gevaar voor de cliënt of anderen of maatschappelijke overlast; het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis, en in relatie met vrienden, familie en de woonomgeving; het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; het vermogen om zelf te voorzien in het structureren van de dag; het beheren van financiën en administratie; het aanleren van oplossingsvaardigheden. een dagstructuur te hebben, waaronder wordt verstaan: het hebben van een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van vaardigheden; het hebben van een evenwichtig dag- en nachtritme. Artikel3.2Nadere regels in verband met de uitwerking van de te bereiken resultaten 1.Het college kan in nadere regels per maatwerkvoorziening zo nodig nadere deelresultaten benoemen en / of deze nader concretiseren, ter uitwerking van de resultaten, zoals genoemd in artikel 3.1. 2.Het college stelt in nadere regels vast welke kernactiviteiten en/of taken in ieder geval moeten worden verricht om de resultaten, zoals vermeld in artikel 3.1, te kunnen bereiken alsmede, indien noodzakelijk, een aanduiding van de mate van frequentie van uitvoering. 3.Het college kan in nadere regels de objectieve norm stellen waaraan de kernactiviteiten, en/of taken en indien noodzakelijk de frequentie moeten voldoen. In verband met de bepaling en uitwerking van wat een schoon en leefbaar huis omvat, zoals genoemd in artikel 3.2, tweede lid, sub 1, hanteert het college een normenkader gebaseerd op de NEN 2075:2000. Artikel3.3Bevoegdheid tot het vaststellen van algemene voorzieningen 1.In verband met de te bereiken resultaten kan het college besluiten tot de vaststelling van een algemene voorziening. Wanneer het college hiertoe overgaat, legt zij in nadere regels de voorwaarden en verplichtingen vast, zoals die gelden voor cliënten. 2.Bij de nadere ontwikkeling en uitwerking van algemene voorzieningen, houdt het college waar mogelijk in het bijzonder rekening met de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers waardoor zij in staat zijn, zoveel als mogelijk, hun taken als mantelzorger of vrijwilliger te kunnen uitvoeren. HOOFDSTUK4CRITERIA MAATWERKVOORZIENING Artikel4.1Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Hierbij wordt rekening gehouden met de uitkomsten van het meldingsonderzoek zoals beschreven in artikelen 2.1 tot en met 2.6 van de verordening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De maatwerkvoorziening levert, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3.Een cliënt komt voor een maatwerkvoorziening zoals genoemd in de leden 1 en 2 in aanmerking indien en voor zover de beperkingen of problemen niet verminderd of weggenomen kunnen worden middels: inzet van eigen kracht van de cliënt; en/of inzet van gebruikelijke hulp; en/of inzet van mantelzorg; en/of inzet van hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of mogelijkheden tot gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; en/of mogelijkheden tot inzet van voorliggende voorzieningen. 4.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen genoemd in lid 1 en problemen genoemd in lid 2 op te heffen of te verminderen. Uitzondering hierop is de maatwerkvoorziening voor diensten die voor korte duur kan worden geïndiceerd. 5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Artikel4.2Criteria specifieke maatwerkvoorzieningen 1.De maatwerkvoorziening HO wordt ingezet ter realisatie van het te bereiken resultaat “voeren van een huishouden” en het meest in het bijzonder een “schoon en leefbaar huis” en “schone en draagbare kleding” zoals gesteld in artikel 3.1. Een schoon huis betekent dat de leefvertrekken schoon moeten zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel. 2.De maatwerkvoorziening Primaire levensbehoeften wordt ingezet ter realisatie van het te bereiken resultaat “voeren van een huishouden” en meer in het bijzonder “het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften” en ”het bereiden en neerzetten van de maaltijden” zoals gesteld in artikel 3.1. 3.De maatwerkvoorziening begeleiding wordt ingezet ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 in lid 3 tot en met 6. De maatwerkvoorziening kan bestaan uit begeleiding groep (dagbesteding) en begeleiding individueel. 4.De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf wordt ingezet ter noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent zodat deze de zorg langer kan volhouden. Kortdurend verblijf heeft tot doel de cliënt in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen zoals gesteld in artikel 3.1, lid 5 onder a. 5.De intramurale maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt ingezet ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 in lid 5 en 6. Voor de maatwerkvoorziening beschermd thuis gelden dezelfde te behalen resultaten waarbij de maatwerkvoorziening wordt ingezet ter voorkoming dan wel afschaling van beschermd wonen (artikel 3.1 lid 5 onder a). 6.Het college stelt in nadere regels aanvullende criteria vast op uitvoerend niveau in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke maatwerkvoorziening. Artikel 4.2a Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen en beschermd thuis volgens het daartoe vastgesteld beleid van gemeente Helmond, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze gemeente. Artikel4.3Weigeringsgronden maatwerkvoorziening 1.Een gevraagde voorziening wordt niet toegekend of een gevraagde voorziening wordt afgewezen: indien de cliënt niet aan het bepaalde in artikel 4.1 leden 1 tot en met 4 voldoet; indien cliënt geen ingezetene is conform artikel 2.3.5 eerste lid sub a van de wet en de begripsbepaling “ingezetene” van artikel 1.1 van deze verordening, met uitzondering van beschermd wonen en opvang ingevolge artikel 2.3.5 eerste lid sub b van de wet; voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen of psychische of psychosociale problemen waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd; Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de persoon met beperkingen of problemen voorafgaand aan het moment van beschikken op de aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven, of als er sprake was van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. indien een gevraagde maatwerkvoorziening reeds eerder krachtens deze, of een eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn of haar huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.4 van deze verordening; indien: de noodzaak tot ondersteuning ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; en van de cliënt redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat hij maatregelen zou hebben getroffen die de gevraagde maatwerkvoorziening overbodig had gemaakt nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt; voor zover de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolge de voorliggende voorziening; indien de gevraagde voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is; als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht. 2.Het college kan bij nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke maatwerkvoorziening dan wel een specifieke tegemoetkoming in de meerkosten. Artikel 4.4 Weigeringsgronden woonvoorziening 1. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; in gemeenschappelijke ruimten, met uitzondering van automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; HOOFDSTUK5HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) EN DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING Paragraaf1:Het persoonsgebonden budget Artikel5.1Regels voor pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid Wmo 2015, vindt verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een pgb plaats indien de cliënt dit wenst. 3.Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015, wordt een pgb alleen verstrekt indien: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden ingezet. Hierbij weegt het college, ingevolge artikel 2.3.6, derde lid, Wmo 2015, mee of de voorzieningen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 4.Indien het pgb wordt aangevraagd voor een dienst, dan overlegt de cliënt desgevraagd een volledig ingevuld pgb-plan conform een daartoe voorgeschreven model. Door of namens het college zal vervolgens worden getoetst of er in de situatie van een cliënt concrete belemmeringen zijn, gelet op het gestelde in lid 3, die gegronde reden zijn voor afwijzing van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van pgb. 5.Indien de verwachting bestaat dat binnen afzienbare tijd een vervanging van de voorziening nodig is dan wel de verwachting is dat de voorziening kortdurend wordt gebruikt, wordt geen pgb verstrekt. Wat heeft te gelden als “afzienbare tijd” of “kortdurend” hangt mede af van het typevoorziening in relatie tot de eventuele gebruikelijke afschrijvingsduur (in geval van hulpmiddelen). 6.Indien de toekenning van een pgb het voortbestaan van een collectieve voorziening (individueel verstrekt) in gevaar kan brengen, wordt geen pgb verstrekt. Artikel5.2De hoogte van het pgb algemeen 1.Het pgb wordt zo vastgesteld dat de cliënt daarmee redelijkerwijs een voorziening kan kopen, huren of betrekken die inhoudelijk gelijkwaardig is aan een voorziening in natura. Hierbij geldt dat de prijs of het tarief van het pgb zo is vastgesteld dat een cliënt daarmee redelijkerwijs verzekerd is dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 2.In de regel is het pgb gelijk aan de werkelijke kosten van de door de cliënt aan te schaffen, te huren of te betrekken voorziening. 3.Het maximumbedrag van het pgb is de kostprijs die het college aan haar leverancier of aanbieder betaalt voor de in de betreffende situatie goedkoopst adequate, in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Artikel5.3Hoogte pgb voor woningaanpassing 1.De hoogte van het pgb voor woningaanpassing wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. 2.Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige- of woontechnische woningaanpassing komen voor vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, in aanmerking: de aanneemsom excl. BTW (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed; het architectenhonorarium tot ten hoogste € 1.500,- excl. BTW; Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien toezicht noodzakelijk is, tot een maximum van twee procent van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor advisering over de te treffen aanpassing; de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting. Artikel5.4Hoogte pgb voor HO 1.De huishoudelijke ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt uitgedrukt in een budget en wordt bepaald aan de hand van een empirisch onderbouwd en geobjectiveerd puntensysteem. Afhankelijk van welke resultaten moeten worden behaald en de individuele kenmerken van de cliënt waaronder begrepen mogelijkheden van cliënt en zijn sociaal netwerk tot inzet ho, gezinssamenstelling, hoeveelheid kamers, mate van vervuiling, wordt een aantal punten toegekend. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met een factor, afgerond op 1 decimaal achter de komma. De uitkomst van die vermenigvuldiging levert het budget op jaarbasis op. 2.Het puntensysteem zoals genoemd in lid 1 wordt opgenomen in Nadere regels. 3.De factor zoals genoemd in lid 1 is gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorend bij de loonschaal van de functie hulp bij het huishouden in de CAO VVT, zoals deze voor de betreffende periode geldt, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. 4.Minimaal eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van de factor zoals genoemd in de leden 1 en 3, uitgaande van de CAO VVT zoals die dan geldt. Artikel5.5Hoogte pgb voor Primaire levensbehoeften 1.De hoogte van het pgb-tarief voor wat betreft het verwarmen, bereiden en neerzetten van maaltijden is gelijk aan het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura. 2.Voor wat betreft het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen en toiletartikelen, is de hoogte van het pgb een bedrag dat aansluit bij de goedkoopst adequate oplossing. Artikel5.6Hoogte pgb voor begeleiding 1.Voor pgb gelden, voor zowel begeleiding individueel als begeleiding groep, twee tarieven: een tarief voor de professionele dienstverlener; en een tarief voor particuliere inzet. 2.De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding door een professionele dienstverlener wordt afgeleid van het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura. Het pgb is het rekenkundig gemiddelde van de som van de gemiddelde tarieven per bandbreedte zoals van toepassing in geval van zorg in natura. Deze regel geldt zowel in geval van begeleiding groep als begeleiding individueel. 3.De hoogte van het pgb-tarief voor begeleiding is gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 4.Minimaal eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het pgb-tarief, uitgaande van de alsdan vigerende CAO VVT. Artikel5.7Hoogte pgb voor kortdurend verblijf Het pgb voor kortdurend verblijf is bij professionele dienstverlening en particuliere inzet gelijk aan de stuksprijs per etmaal waarvoor het product wordt ingekocht bij gecontracteerde aanbieders. Artikel5.8Hoogte pgb voor beschermd wonen en beschermd thuis Het pgb voor beschermd wonen en/of beschermd thuis wordt vastgesteld volgens het daartoe vastgesteld beleid van gemeente Helmond, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze gemeente. Artikel5.9Begrenzing van de bestedingsvrijheid van de pgb-houder 1.Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan het doel/resultaat waarvoor het is verstrekt. Dit betekent dat het pgb in ieder geval niet besteed kan worden aan: bemiddelings- en administratiekosten; kosten verbonden aan opstellen pgb-plan; reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de dienstverlener; overheadkosten van de dienstverlener waaronder mede begrepen kosten van de dienstverlener tot opstellen van een zorg- of werkplan; en feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan dienstverlener; en een overlijdensuitkering voor de dienstverlener. 2.Het persoonsgebonden budget mag niet besteed worden aan kosten die zijn te beschouwen als algemeen gebruikelijk. 3.Het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd. 4.Het is cliënt niet toegestaan om met dienstverlener een vast maandloon overeen te komen dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg. 5.Uitbetaling van een eenmalige pgb vindt plaats na overlegging van factuur waaruit realisatie van de gemaakte kosten blijkt door storting op de rekening van de cliënt of degene die als diens wettelijke vertegenwoordiger optreedt. Artikel5.10Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet alsook hetgeen in algemene zin over de weigering van een maatwerkvoorzieningen bepaald in artikel 4.3 van deze verordening, verstrekt het college geen pgb indien: de cliënt, op verzoek daartoe zijdens het college, geen volledig ingevuld pgb-plan heeft overgelegd conform een daartoe voorgeschreven model; de cliënt weigert het pgb-plan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het pgb-plan te bespreken; de cliënt het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de dienstverlener (professioneel dan wel particulier) die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze dienstverlener; [vervallen] Paragraaf2:Financiële tegemoetkoming Artikel5.11Regels voor financiële tegemoetkoming 1.Ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 kan het college aan een cliënt een financiële tegemoetkoming verstrekken. 2.De regels inzake maatwerkvoorziening en in het bijzonder de regels inzake pgb’s zijn van overeenkomstige toepassing op de financiële tegemoetkoming tenzij de aard van de financiële tegemoetkoming zich tegen analoge toepassing verzet waaronder begrepen het opleggen van een bijdrage zoals bedoeld in artikel 6.2. 3.Het college kan een tegemoetkoming verstrekken in geval van: woningsanering; tijdelijke huisvesting; verhuis- en inrichtingskosten bezoekbaar maken van een woning niet zijnde het hoofdverblijf; vervoerskosten; sportvoorziening. 4.Het college kan in nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke financiële tegemoetkoming. Artikel5.12Tegemoetkoming voor woningsanering 1.De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming voor meerkosten van woningsanering, te weten het vervangen van zachte door harde vloerbedekking of vervanging van stoffering, is gelijk aan de werkelijke kosten met een maximum van de bedragen zoals genoemd in Prijzengids Nibud. 2.Bij de vaststelling van de tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product. Artikel5.13Tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting 1.Een cliënt die tijdens het aanbrengen van woonvoorzieningen niet in zijn/haar eigen woonruimte kan blijven, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting. 2.De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming voor de meerkosten van tijdelijke huisvesting is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de Huurtoeslag. 3.De maximale duur voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting bedraagt zes maanden. Artikel5.14Tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten 1.Indien het college heeft beoordeeld dat cliënt geen recht heeft op een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing vanwege toepassing van het primaat verhuizing, kan het college een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten verstrekken ter hoogte van de werkelijke kosten tot maximaal een door het college vast te stellen bedrag. Het college kan toestaan dat de tegemoetkoming door de cliënt wordt benut voor een woningaanpassing, als het woonprobleem hiermee duurzaam wordt verholpen. 2.Bij de afweging tot het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing zoals het college die maakt ingevolge artikel 4.1 wordt, tevens beoordeeld of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning. 3.Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en bruikbaar is, wordt geen maatwerkvoorziening voor woningaanpassing verstrekt voor de huidige woning, rekening houdende met de criteria in het vierde lid. Een verhuiskostenvergoeding kan dan verstrekt worden en, indien noodzakelijk, een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing van de woning waar naar toe wordt verhuisd. 4.De beoordeling of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning vindt in ieder geval plaats indien: de woning waar naartoe kan worden verhuisd voor de cliënt geschikter is of verhuizing goedkoper is dan aanpassing van zijn huidige woning; er geen contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische of sociale redenen; de kosten van een door het college te verstrekken bouwkundige of woontechnische woonvoorziening van de door de cliënt bewoonde woning meer bedragen dan een door het college te bepalen bedrag--, en er binnen een tijdsbestek van een jaar of binnen een medisch aanvaardbare termijn een woning beschikbaar komt waar naartoe kan worden verhuisd. 5.Indien het verhuisprimaat wordt toegepast en de cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de cliënt de mogelijkheid geboden worden van een tegemoetkoming tot maximaal € 10.000,00 onder de voorwaarde dat de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt uitgevoerd conform de aanwijzingen van het college. Artikel5.15Tegemoetkoming voor bezoekbaar maken van een woning 1.Een tegemoetkoming kan worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van één woning indien: het bezoekbaar maken noodzakelijk is voor de cliënt om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; en de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar. 2.Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening waarmee één verblijfsruimte en het toilet kan worden gebruikt. Het college kan voor de voorziening een maximumbedrag vaststellen. Artikel5.16Tegemoetkoming voor vervoerskosten 1.Indien er een contra-indicatie bestaat voor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer dan kan een tegemoetkoming verstrekt worden als individuele vervoersvoorziening. Deze vergoeding kan worden aangewend voor vervoer per personenauto dan wel reguliere taxi. 2.De hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in lid 1 wordt nader vastgesteld door het college. 3.Indien de cliënt aangewezen is op vervoer uitsluitend per rolstoeltaxi, wordt, indien sprake is van een contra-indicatie voor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer, een tegemoetkoming verstrekt van tot een door het college te bepalen maximumbedrag per jaar. 4.Indien de cliënt voor de korte en middellange afstanden gebruik kan maken van een scootmobiel of daar waar het echtelieden betreft die beiden een tegemoetkoming ontvangen, wordt de tegemoetkoming vastgesteld op 50% van de bedragen die krachtens de leden 2 en 3 zijn vastgesteld door het college. 5.De client woonachtig in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming welke 50% bedraagt van de bedragen die krachtens de leden 2 en 3 van dit artikel zijn vastgesteld door het college. Artikel5.17Tegemoetkoming voor sportvoorziening 1.Het college verstrekt een tegemoetkoming voor een sportvoorziening indien de voorziening noodzakelijk is om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. 2.Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening tot een door het college vast te stellen maximumbedrag. 3.Voor wat betreft de looptijd van tegemoetkoming dan wel de afschrijvingsduur wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn die gangbaar is voor de voorziening. Indien de sportvoorziening na verstrijken van de gestelde afschrijvingsduur nog adequaat is, kan een tegemoetkoming voor onderhoud van de voorziening verstrekt worden in plaats van verstrekking van een nieuwe tegemoetkoming. Artikel5.18Uitbetaling en verantwoording tegemoetkoming 1.Uitbetaling van de tegemoetkoming vindt plaats na overlegging van de bewijsstukken waaruit realisatie blijkt van de gemaakte kosten en uitvoering conform de gestelde eisen door de gemeente (eventueel middels een Programma van Eisen) dan wel indien de situatie waarvoor de tegemoetkoming is verstrekt is gerealiseerd door storting op de rekening van de aanvrager of degene die als diens wettelijke vertegenwoordiger optreedt. 2.Bij de verstrekking van een tegemoetkoming zoals genoemd in artikel 5.16, vindt betaling plaats per kalenderjaar. De eerste betaling vindt plaats na verzending van de beschikking. HOOFDSTUK6BIJDRAGE VOOR VOORZIENINGEN Artikel6.1Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Een inwoner die gebruik maakt van het collectief vervoer ingevolge de regeling Toegang cvv doelgroep 70+ is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik. De bijdrage is € 1,25 per zone. Artikel6.2Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.Voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid van dit artikel geen bijdrage is verschuldigd. 3.In afwijking van het eerste lid is geen abonnementstarief verschuldigd voor de voorziening collectief vraagafhankelijk vervoer. 4.In het kader van het minimabeleid: Stelt CAK het (verzamel)inkomen vast van een cliënt op wie het gemeentelijk minimabeleid van toepassing is. Bepaalt de gemeente de inkomensgrens waaronder geen bijdrage verschuldigd is (0-factuur). Deze inkomensgrens wordt door de gemeente jaarlijks doorgegeven aan CAK. Wordt voor de inkomensgrens zoals genoemd in lid b aansluiting gezocht bij de standaardparameter 2018 (laagste bijdrageplichtig inkomen) volgend uit artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zoals dit tot 1 januari 2019 luidde. Dit bruto bijdrageplichtig inkomen wordt vervolgens geïndexeerd op basis van de Prijsindex voor de gezinsconsumptie. De inkomensgrens wordt vastgesteld op 91,67% van dit bruto bijdrageplichtige inkomen. Indien het (verzamel)inkomen van cliënt (zoals berekend door CAK) beneden de inkomensgrens ligt dan wordt de bijdrage op nihil gesteld. 5.Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Die bijdrage bestaat uit een opstaptarief per rit en een kilometertarief, afgeleid van het tarief voor regulier openbaar vervoer. Het opstaptarief en het kilometertarief kunnen ieder opvolgend kalenderjaar worden gewijzigd aan de hand van prijsindex voor het reguliere openbaar vervoer. Reist een cliënt meer dan 25 kilometer dan is cliënt vanaf 25 kilometer het commerciële kilometertarief verschuldigd. Het college kan nadere regels stellen m.b.t. de hoogte van de bijdrage. 6.De kostprijs van een: maatwerkvoorziening of algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 7.De bijdrage voor de maatwerkvoorziening opvang, dan wel het pgb voor deze voorziening, wordt vastgesteld en geïnd volgens het daartoe vastgesteld beleid van gemeente Helmond, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze gemeente. 8.Een bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. HOOFDSTUK7INHOUD BESCHIKKING Artikel7.1Verstrekking in natura 1.Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de te treffen voorziening is en voor welk resultaat de verstrekking in natura verstrekt wordt; de eventuele duur en eventuele omvang van de verstrekking; hoe de voorziening in natura verstrekt wordt; en of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is geregeld. 2.Als er sprake is van een bijdrage wordt cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel7.2Verstrekking als pgb 1.Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een Programma van Eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden; wat de omvang van het pgb is en hoe deze omvang tot stand is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb bedoeld is en welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van de besteding van het pgb. 2.Als er sprake is van een bijdrage wordt cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. HOOFDSTUK8PROCEDURELE BEPALINGEN ROND WIJZIGING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel8.1Wijziging situatie Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk en uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Artikel8.2Intrekking en beëindigen 1.Het college kan onverminderd artikel 2.3.10 van de wet een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken of het verleende recht beëindigen indien: niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening waaronder gestelde voorwaarden en verplichtingen in de toekennings-beschikking begrepen; op grond van gegevens een besluit is genomen en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 2.Een besluit tot het verlenen van een maatwerkvoorziening of pgb wordt ingetrokken als blijkt dat de cliënt niet langer ingezetene is conform artikel 4.2 onder b van deze verordening, tenzij het beschermd wonen of opvang betreft. 3.Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling van het geldbedrag niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel8.3Terugvordering en invordering 1.Ingeval de aanspraak op een maatwerkvoorziening of pgb is ingetrokken of beëindigd kan een op basis daarvan reeds uitbetaalde pgb dan wel een verstrekte maatwerkvoorziening in natura al dan niet in geldswaarde geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd. 2.Bij de invordering van de ten onrechte verleende geldsom maakt het college, indien mogelijk, gebruik van haar bevoegdheid tot verrekening met in de toekomst uit te betalen pgb. HOOFDSTUK9KWALITEIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel9.1Kwaliteitseisen aanbieders en dienstverleners 1.Aanbieders en dienstverleners zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door in ieder geval: de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te verstrekken; het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard, zoals geldend in hun branche. 2.Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen door overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. In beleidsregels kan het college hieraan nadere invulling geven. Artikel9.2Kwaliteit pgb Het college kan, uit het oogpunt van beoordeling kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoek doen naar de bestedingen van pgb’s. Artikel9.3Verhouding prijs en kwaliteit levering maatwerkvoorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt bij nadere regels de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel9.4Klachtregeling aanbieders 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen, krachtens deze verordening, geleverde maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door overleggen met de aanbieders, en een cliëntervaringsonderzoek. Artikel9.5Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders van diensten stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door overleggen met de aanbieders en een cliëntervaringsonderzoek. HOOFDSTUK10BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel10.1Fraudepreventie Het college informeert de cliënt over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel10.2Onderzoek rechtmatigheid Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel10.3Nadere regels Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen. HOOFDSTUK11OVERIGE BEPALINGEN Artikel11.1Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Mantelzorgers van cliënten in de gemeente ontvangen jaarlijks een blijk van waardering voor hun inzet. 2.Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel11.2Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Krachtens de Adviesraad Sociaal Domein betrekt het college, ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK12SLOTBEPALINGEN Artikel12.1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze regels, indien toepassing van het besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel12.2Besluitvorming en beleidsregels 1.Voor zover in deze verordening geen beperkingen zijn opgelegd is het college bevoegd tot alle besluiten ter uitvoering van deze verordening en de wet. 2.Het college kan hierover beleidsregels vaststellen. Artikel12.3Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige verordening. 2.Besluiten, genomen krachtens de eerdere Verordeningen maatschappelijke ondersteuning en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van onderhavige verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018. 4.Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat is genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met inachtneming van het bepaalde in de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018. Artikel12.4Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Laarbeek van 12 december 2019.De raad voornoemd, de raadsgriffier,M.L.M.Heijnsbergen de burgemeester van Laarbeek,F.L.J. van derMeijdenToelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 AlgemeenAchtergrondVoor u ligt de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020, opvolger van de verordening maatschappelijke ondersteuning Peelgemeente Laarbeek 2018. Als basis voor deze verordening is de modelverordening maatschappelijke ondersteuning 2015 van de VNG van 8 maart 2017 genomen. Tevens is gebruik gemaakt van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Peelgemeente Laarbeek 2018. Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken zijn per 1 januari 2015 toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de oude Wmo al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. In de Wmo 2015 ligt deze toegangsprocedure daarom (in hoofdlijnen) vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning kwam te vervallen, werd een recht op een zorgvuldige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Middels deze structuur wordt de eigen verantwoordelijkheid van cliënten voorop gesteld. Eerst wordt gekeken wat mensen zelf, eventueel met behulp van hun netwerk, kunnen. De ondersteuning van de overheid (Wmo) is altijd aanvullend daarop. Hierbij dient altijd gekeken te worden wat redelijkerwijs van cliënten en hun netwerk verwacht mag worden. Het thema respijtzorg heeft dan ook een belangrijke plek binnen de Wmo 2015. Maar middels deze toegangsprocedure komt ook de maatwerkgedachte tot uiting: iedere cliënt is anders, geen enkele situatie is dezelfde en dus volgt uit een melding telkens een afzonderlijk onderzoek naar de feiten en omstandigheden in de betreffende individuele situatie. Situaties van cliënten die ogenschijnlijk, op het eerste gezicht, gelijk lijken, blijken dat niet te zijn waardoor uitkomsten van een proces van melding / aanvraag verschillen. De cliënt als zodanig bestaat eigenlijk niet. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of het college zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Wat de gemeente bij verordening dient te bepalen, maar ook kan bepalen is in grote lijnen vastgelegd in de Wmo 2015. Zie de artikelen 2.1.3 tot en met 2.1.7, artikel 2.3.6 en artikel 2.6.6 van de Wmo 2015. Evenals de oude verordening, legt de verordening 2018 een bevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders tot het bepalen van nadere regels. Voor wat betreft de keuze om zaken in de verordening zelf te regelen dan wel te delegeren aan het college, is ook gekeken naar de nieuwste modelverordening van de VNG d.d. maart 2017. Een opvallende tendens is dat het niet zozeer de wetgever is die vorm geeft aan de doorontwikkeling van lokale regelgeving maar de Centrale Raad van Beroep als zijnde de hoogste rechterlijke instantie voor de sociale zekerheid. Artikelsgewijze toelichtingHOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGENArtikel 1. 1 BegripsbepalingenDe Wmo 2015 kent een flink aantal definities (artikel 1.1.1). Deze zijn bindend voor deze verordening. Ook definitiebepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn voor deze verordening van belang. Voor de duidelijkheid is een aantal definities zoals genoemd in deze wetten herhaald. Daarnaast is een aantal definities, zoals niet benoemd in de wet, in dit artikel gedefinieerd. Een aantal definities nader toegelicht: b. Algemene voorziening Volgens de wettelijke definitie gaat het bij een ‘algemene voorziening’ om het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Hoewel deze voorzieningen niet specifiek bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle inwoners, zijn ze anderzijds door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken. Deze zeer brede wettelijke definitie heeft via de rechtspraak een nadere duiding gekregen (CRvB 18 mei 2016 / ECLI:NL:CRVB:2016:1404 - overweging 7.5.4). Van een algemene voorziening ingevolge de Wmo 2015, is, naast de criteria ingevolge de wet, sprake indien het gaat om voorziening door of namens het college georganiseerd. Door deze vernauwing wordt voorkomen dat ook een lokaal aanbod van diensten waar de gemeente geen bemoeienis mee heeft onder de reikwijdte van het begrip algemene voorziening valt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een boodschappenservice georganiseerd door een supermarkt. Voorbeelden – in algemene zin -zijn (mits georganiseerd door of namens de gemeente): Was- en strijkservice; Dagrecreatie; Algemeen maatschappelijk werk; Sociale alarmering; De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschappenhulp; Maaltijdservice en het eetcafé; Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice; (Ramen)wasservice; Rolstoel-pools en scootmobiel-pools; Kortdurende huishoudelijke hulp; Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen. Een algemene voorziening is dus per definitie geen maatwerkvoorziening (individueel verstrekt middels beschikking). Hiervoor kan ook met toepassing van de Wmo-regels een eigen bijdrage gelden (artikel 6.1). Vaak gaat het om voorzieningen waarbij de inzet van vrijwilligers een grote rol speelt. c. Algemeen gebruikelijke voorziening: Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, zodat de voorziening ook op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en dus niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare producten (bijvoorbeeld een elektrische fiets). Een ander belangrijk element binnen het criterium “algemeen gebruikelijke voorziening” is dat de voorziening voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt. Ook hierbij geldt een zekere redelijkheidstoets. Dit element komt nadrukkelijk terug in de uitspraak van de CRvB van 27-01-2016 (ECLI:NL:2016:373 - overweging 4.2). In deze uitspraak stelt de CRvB dat een maaltijdservice een algemeen gebruikelijke voorziening is die aan het verstrekken van een voorziening voor het bereiden van maaltijden in de weg staat, niet in strijd is met de Wmo, onder de voorwaarden dat deze maaltijdservice daadwerkelijk beschikbaar is, door de cliënt financieel kan worden gedragen en adequate compensatie biedt. Ten aanzien van de vraag of de algemeen gebruikelijke voorziening door cliënt ook daadwerkelijk financieel gedragen kan worden, heeft de CRvB in zijn uitspraak van 17-12-2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4276 - overweging 5.9) aangegeven dat hieronder verstaan wordt dat het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen ook voor een cliënt met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum, financieel haalbaar moet zijn. Als het college dit aannemelijk kan maken, dan is het aan de cliënt om te onderbouwen dat zijn of haar financiële situatie van dien aard is, dat het gebruik van de algemene voorziening, al dan niet in combinatie met het gebruik van andere algemeen gebruikelijke voorzieningen, voor hem of haar financieel niet haalbaar is. r. Ingezetene van een gemeente: Ingevolge artikel 2.3.5, eerste lid onder a van de Wmo 2015, dient de aanvraag voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie te worden gedaan bij de gemeente alwaar men ingezetene is. Omdat dit in de praktijk niet altijd geheel duidelijk is wordt voor het begrip ingezetene aansluiting gezocht bij het woonplaatsbegrip als bedoeld in artikel 40 eerste lid van de Participatiewet 2015. Uit de uitspraken van de CRvB 11-10-2011 (ECLI:NL:2011:BT8937) en CRvB 12-07-2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2713) blijkt dat hierbij leidend is de feitelijke plaats waar een cliënt zijn of haar centrum van maatschappelijk leven heeft. Van welke gemeente iemand ingezetene is en dus de vraag waar iemand zijn woonadres heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Aan de inschrijving in het GBA komt daardoor geen doorslaggevende betekenis toe, aldus de CRvB. De CRvB is verder van oordeel dat iemand niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben. Bij de bepaling van de vraag van welke gemeente iemand ingezetene is, kan ook de intentie van cliënt een rol spelen: waar speelt iemands centrale leven zich af (de omvang van het sociale leven ter plaatse (waar iemand zijn vrienden ontvangt) en het gebruik van diverse (maatschappelijke) voorzieningen ter plaatse) alsmede de plaats van waaruit de cliënt vertrekt om een bepaalde activiteit te verrichten en waar cliënt naar terugkeert na afloop van deze activiteit. Zie overigens ook artikel 2.3.5 eerste lid onder b van de Wmo 2015. Als het gaat om een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor opvang en beschermd wonen heeft als criterium te gelden dat men ingezetene van Nederland dient te zijn. v. Maatwerkvoorziening Nieuw ten opzichte van de oude verordening is de toevoeging van het begrip financiële tegemoetkoming aan de definitie van het wettelijke begrip maatwerkvoorziening. Een uitgebreide verhandeling over de financiële tegemoetkoming en de reikwijdte van de analoge toepassing is neergelegd in hoofdstuk 5 van deze verordening. y. en aa. Particuliere inzet en professionele dienstverlener: Voor de verstrekking van pgb’s is het relevant om een onderscheid te maken tussen inzet door de professionele dienstverlener en particuliere inzet. Professionele dienstverlener: Of sprake is van een professional hangt van de feiten en omstandigheden. Niet alleen wordt gekeken of sprake is van inschrijving bij KvK. Ook uit andere feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) een onderneming dan wel ondernemer is. Denk hierbij aan de zichtbaarheid van de dienstverlener als ondernemer in de maatschappij (bijvoorbeeld via website, promotieactiviteiten ...), het hebben van meerdere opdrachtgevers, het lopen van ondernemersrisico, het plegen van investeringen, wijze van gebruik maken van een modelovereenkomst van de belastingdienst (opvolger VAR) ... Wanneer er sprake is van inzet door een persoon uit het sociaal netwerk die tevens aangemerkt kan worden als professioneel dienstverlener, zal het college aan de hand van het zwaartepunt van de concrete activiteiten van deze persoon, afgezet tegen noodzaak van de zorg en de ondersteuning van de zorgvrager, bepalen of er sprake is van particuliere inzet of van een professionele dienstverlener. In concreto betekent dit dat het college de vraag dient te beantwoorden of professionele deskundigheid noodzakelijk is in het belang van de cliënt. Indien die vraag met “ja” beantwoord wordt, is het aan het college om het pgb-tarief te hanteren voor de professionele dienstverlener. Maar dit dus alleen indien de persoon uit het sociale netwerk conform de definitief zoals neergelegd in deze verordening daadwerkelijk als een professioneel dienstverlener is aan te merken. HOOFDSTUK 2 PROCEDURE EN CRITERIA MAATWERKVOORZIENING EN TEGEMOETKOMING VOOR MEERKOSTENIn de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet zijn regels neergelegd inzake het proces tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. De artikelen 2.1 tot en met 2.8 in deze verordening vormen een uitwerking van deze wettelijke bepalingen. De afhandelingstermijnen voor melding en aanvraag liggen verankerd in de Wmo 2015. Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid Wmo 2015 dient een onderzoek naar aanleiding van een melding uitgevoerd te worden binnen een termijn van zes weken. Deze meldingsfase van 6 weken is in de verordening benoemd als zijnde het meldingsonderzoek. Op deze meldingsfase / meldingsonderzoek volgt de aanvraagfase. Op een beslissing op een aanvraag dient de gemeente te beslissen binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 2.3.5, tweede lid Wmo 2015). Dit maakt dat het proces van melding / aanvraag in totaal 8 weken duurt. Met inachtneming van artikel 4:14, eerste lid, Awb, kan in individuele gevallen door de gemeente een afwijkende termijn worden gesteld. Artikel 2.1 De melding en het meldingsonderzoekIn artikel 2.1 wordt ingegaan op de verschillende wijzen waarop de melding kan plaats vinden: vormvrij dus. De datum van melding wordt vervolgens door de gemeente in haar digitale systeem verwerkt. Een bevestiging van de melding is eveneens vormvrij en vindt veelal plaats via de uitnodigingsbrief voor een gesprek. Artikel 2.3 MeldingsonderzoekIn het vierde lid van dit artikel is geregeld dat het college de cliënt op de hoogte brengt van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en hem of haar gedurende zeven dagen na de melding, in de gelegenheid stelt het plan te overhandigen. In dit persoonlijk plan zet de cliënt, kort gezegd, uiteen welke ondersteuning in zijn geval nodig is en waarom. Daarbij gaat de cliënt ook in op eventuele ondersteuningsmogelijkheden door huisgenoten, mantelzorgers en anderen uit zijn netwerk. Zie de precieze omschrijving van de te beschrijven onderwerpen in een persoonlijk plan in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet. Hierbij wordt nadrukkelijk uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om desgewenst zelf een eigen persoonlijk plan te ontwikkelen alsmede om dit plan tijdig in te dienen binnen zeven dagen na de melding. Voor een aantal cliënten is dit passend. Het merendeel van de cliënten laat deze mogelijkheid echter lopen. Hiermee is de cliënt zijn (schriftelijke) invloed op het proces niet kwijt. Immers, op grond van artikel 2.3.2, lid 8 Wmo 2015 is het college verplicht om aan de cliënt een verslag van het meldingsonderzoek toe te sturen. De cliënt heeft vervolgens recht op het aanbrengen van opmerkingen en aanvullingen op dat verslag. Bij het in behandeling nemen van de aanvraag zal het college hierop gemotiveerd moeten reageren. Deze verplichting voor het college volgt uit het gestelde in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2017 waarin staat dat het college bij de behandeling van de aanvraag rekening moet houden met de resultaten van het meldingsonderzoek. Zie artikel 2.6, lid 3 van de verordening. Indien de cliënt een persoonlijk plan indient, betrekt het college het plan (uiteraard) bij het meldingsonderzoek (artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet). Zie dat expliciet opgenomen in artikel 2.5, tweede lid, van de verordening. Artikel 2.4 De medewerkingsverplichting van de cliënt en huisgenotenIn dit artikel worden twee typen onderzoek van elkaar onderscheiden, te weten een uitwerking van de medewerkingsverplichting van de cliënt zelf, welke in artikel 2.3.8, lid 3 van de wet algemeen is benoemd, alsmede de medewerkingsverplichting van huisgenoten, waarover in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo nadrukkelijk gesproken wordt in verband met de beoordeling van een maatwerkvoorziening. Geregeld is in lid 1 dat het college twee mogelijkheden heeft voor een te verrichten onderzoek. Het college kan allereerst iemand oproepen op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden die nodig zijn om tot een zorgvuldig besluit te komen. Voor wat betreft het bepalen van de locatie van onderzoek houdt het college, zoveel als mogelijk, rekening met de persoonlijke omstandigheden van cliënt dan wel de huisgenoot, bijvoorbeeld een mobiliteitsbeperking. De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Het college zal, zoveel als mogelijk, de gevraagde inzet tot bevraging en onderzoek (laten) verrichten in de gemeente zelf. Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit onderzoek een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is. In lid 2 is daarom geregeld dat in In principe mag van de cliënt en diens huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp mag verwacht worden mee te werken aan het genoemde onderzoek. Is de cliënt niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat niet mogelijk dan zal het college de aanvraag moeten afwijzen omdat de cliënt dan niet voldaan heeft aan zijn aantoon- en inlichtingenverplichting, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij of zij voldoet aan de voorwaarden voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening. Een zelfde benadering geldt in de situatie dat een huisgenoot zijn of haar medewerkingsverplichting niet nakomt (in het kader van beoordeling gebruikelijke hulp). Ook dan volgt uit de jurisprudentie van de bestuursrechter dat de aanvraag afgewezen moet worden. Leidend is dan dat de aanvraag afgewezen moet worden omdat de noodzaak van de gevraagde maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld. De niet-medewerking van een huisgenoot wordt dus toegerekend aan de cliënt. Deze komt in bewijsnood omdat hij / zij de noodzaak niet kan aantonen van de aanvraag. Zie hiertoe CRvB 25-07-2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090). Wat betreft de term gebruikelijke hulp zoals gebezigd in dit artikel: zie ook de definitie zoals neergelegd in artikel 1.1. Bij gebruikelijke hulp gaat het om de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten redelijkerwijs geacht worden elkaar onderling te bieden. Het betreft dus een onderzoek op maat: iedere situatie is anders. Daarbij kunnen in ieder geval de volgende aspecten van belang zijn: persoonskenmerken van de cliënt; de benodigde ondersteuningsintensiteit; kennis en vaardigheden (waaronder begrepen de leerbaarheid) van huisgenoten om de benodigde ondersteuning te leveren; gezondheidssituatie van huisgenoot / (dreigende) overbelasting van huisgenoten; fysieke aan- en afwezigheid van huisgenoten; bijdrage van kinderen waarbij rekening kan worden gehouden met hun leeftijd en psychosociaal functioneren. In artikel 2.4, lid 3 is de medewerkingsverplichting van de cliënt en diens huisgenoten nader aangevuld. Namelijk, dat zij, naast een (actieve) informatieplicht, ook dienen mee te werken aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie, een optische controle of een controle anderszins van een verstrekte of te verstrekken dienst of middel. Onder optische controle wordt verstaan dat de Wmo-consulent of een andere medewerker van de gemeente, in de gelegenheid moet worden gesteld door de cliënt om concreet te kunnen kijken naar de feitelijke situatie dan wel een dienst of middel. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een cliënt is in lid 4 nadrukkelijk bepaald dat er een noodzaak moet zijn voor een dergelijk onderzoek. Die noodzaak kan ook zijn gelegen in de beleidsdoelstelling ter voorkoming van oneigenlijk dan wel misbruik van voorzieningen. Vaste lijn in de rechtspraak is dat het college gehouden is om de minst in de persoonlijke levenssfeer van de cliënt ingrijpende methode van onderzoek te volgen. Dit vloeit direct voort uit de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit betekent dat het gebruikte middel in een goede verhouding moet staan tot het doel dat wordt gediend. Subsidiariteit betekent dat, indien je de keuze hebt uit verschillende methodes, je de lichtste methode dient in te zetten. Artikel 2.5 Het gesprek / het Keukentafelgesprek:Kern van dit procedurele hoofdstuk is het gesprek zoals uitgewerkt in artikel 2.5: het zogenaamde keukentafelgesprek. Hierbij is direct aansluiting gezocht bij het gestelde in artikel 2.3.2, lid 4 Wmo 2015. Een keukentafelgesprek is het gesprek dat cliënten samen met de gemeente voeren om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit de gemeente. Cliënten kunnen zich daarbij laten ondersteunen door anderen. Doel van het gesprek is om voor iedere individuele cliënt tot passende oplossingen te komen. Hierbij gaat het om oplossingen die bijdragen tot het participeren aan de maatschappij alsmede tot de bevordering van zelfredzaamheid van een cliënt. Tijdens het keukentafelgesprek komt de specifieke situatie van de cliënt uitgebreid aan bod: hoe ziet zijn leven eruit, wat is precies zijn vraag, wat wil hij daarmee bereiken. Eerst wordt de vraag van de cliënt verhelderd, voordat er over maatwerk en oplossingen gesproken wordt. Het gesprek is een wederzijds proces. Het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is niet een eenzijdige actie van (of namens) de gemeente, vergelijkbaar met het doorlopen van een beslisboom. Het is een dialoog waarbij cliënt en gemeente in gezamenlijkheid de situatie van de cliënt in kaart brengen om zo vast te stellen op welke onderdelen ondersteuning nodig is om te participeren. Zie de onderdelen van het gesprek uitgewerkt in artikel 2.5. De term “keukentafelgesprek” suggereert dat het uitgangspunt is dat gesprekken lokaal bij de mensen thuis plaatsvinden. Dit behoeft evenwel niet altijd het geval te zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat het gaat om behoefte aan beschermd wonen. Maar denk ook aan de situatie dat de cliënt reeds afdoende bekend en in beeld is bij de gemeente en een gesprek bij de cliënt thuis niet nodig is voor het onderzoek zoals benoemd in artikel 2.5 lid 1. Artikel 2.6 VerslagOp grond van artikel 2.3.2, lid 8 is het college gehouden aan de cliënt een verslag te verstrekken van de resultaten van het meldingsonderzoek. In dit artikel wordt dit bevestigd. Hieraan wordt toegevoegd de principiële bevoegdheid van een cliënt op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens tot lees- en correctierecht. Om het meldingsonderzoek slagvaardig te kunnen afronden is in de praktijk de noodzaak gebleken tot het stellen van een termijn voor reactie gerelateerd aan het verslag. Een termijn van 14 dagen na verzending van het verslag, wordt een redelijke termijn geacht. Het betreft hier wel een termijn van orde en geen fatale termijn. Dat wil zeggen, het college wordt geacht een zekere vorm van redelijkheid in acht te nemen bij een kleine overschrijding van de termijn van 14 dagen waarin een reactie van een cliënt nog kan binnenkomen. Los van deze termijn gerelateerd aan het verslag c.q. het proces van melding / aanvraag, kan de cliënt altijd verzoeken, ook na een gestelde termijn voor het geven van een reactie, om een correctie van hem betreffende gegevens bij de gemeente. Artikel 2.7 De aanvraagUit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat het doen van de aanvraag schriftelijk wordt vastgelegd in het verslag zoals vermeld in artikel 2.6, lid 2. Dit sluit aan bij de rechtsopvatting die de wetgever heeft neergelegd in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015, waarin is aangegeven dat de beoordeling van een maatwerkvoorziening afgestemd moet worden op de resultaten van het meldingsonderzoek. Artikel 2.8 Nadere regelsIn dit artikel is voor het college een regelgevende bevoegdheid opgenomen om nadere regels te kunnen stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening. De reden hiervan is dat mocht in de uitvoeringspraktijk blijken dat er behoefte is aan nadere procedurele kaders (denk bijvoorbeeld aan huishoudelijke ondersteuning), dan kan het college in nadere regels hier invulling aan geven. HOOFDSTUK 3 TE BEREIKEN RESULTATENIn artikel 2.1.1, lid 1 Wmo 2015 is bepaald dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.2 Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Onderdeel hiervan is de bevordering en ondersteuning van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van cliënten opdat zij zo lang als mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. In verband met de wettelijke opdracht heeft de landelijke wetgever aan de gemeente een ruime mate van beleidsvrijheid gegeven om hieraan nadere invulling te geven. Echter tegelijkertijd heeft de wetgever in artikel 2.1.3 lid 2 onder a Wmo 2015 bepaald, dat voor zover hieruit rechten en verplichtingen voortvloeien voor een cliënt, het college dit moet vastleggen in een verordening. Dit sluit ook aan bij de considerans, zoals vermeld in de aanhef van deze verordening. Dat zo zijnde, is het onmiskenbaar dat de beleidskeuze om een maatwerkvoorziening en eventueel een algemene voorziening ter bevordering van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, nader uit te werken middels het resultaatgericht indiceren hoe dan ook meerdere raakvlakken heeft met de rechten en verplichtingen van een cliënt. Het is om deze reden dat de keuze is gemaakt om een afzonderlijk hoofdstuk te besteden aan de te bereiken resultaten als uitwerking van de zorgplicht van de gemeente voor de bevordering van maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.1.1 Wmo 2015. Artikel 3.1 De te bereiken resultatenIn lid 1 van dit artikel worden uitgaande van de taakstelling van de gemeente op grond van artikel 2.1.1 Wmo 2015 de belangrijkste resultaten benoemd bij de vaststelling van maatwerkvoorzieningen. In het tweede lid is vervolgens een verbijzondering aangebracht waarbij naast de gebruikelijke resultaten zoals die voorheen ook golden op grond van de Wmo 2007 (sub 1 tot en met sub 4), ook de resultaten worden benoemd in relatie tot de nieuwe taken vanaf 1 januari 2015 (sub 5 en 6). Artikel 3.2 Nadere regels in verband met de uitwerking van de te bereiken resultatenIn het eerste lid wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om nadere regels vast te stellen. Dit omdat de uitvoeringspraktijk kan vragen om een nadere verfijning in deelresultaten van de in artikel 3.1. benoemde resultaten op hoofdlijnen. Ter voorkoming dat alle regels over de vaststelling van maatwerkvoorziening gedetailleerd in nadere regels worden vervat, is in lid 2 bepaald dat het college in nadere regels een nadere verfijning geeft in de vorm van het benoemen van kernactiviteiten en/of taken alsmede, indien de noodzaak daartoe blijkt, het benoemen van de mate van frequentie. Aanvullend is in lid 3 bepaald dat het college in nadere regels de (objectieve) norm kan stellen waaraan kernactiviteiten en / of taken moeten voldoen. Expliciet gaat het dan in ieder geval om een geobjectiveerd normenkader voor huishoudelijke ondersteuning (hoe bepaal je of een huis schoon
- is)met de NEN 2075:2000 als basis. Artikel 3.3 Bevoegdheid tot het vaststellen van algemene voorzieningenIn dit artikel is in het eerste lid de bevoegdheid van het college bepaald om indien dat naar zijn oordeel van belang is in verband het bereiken van de beoogde resultaten zoals genoemd in artikel 3.1 en 3.2, algemene voorzieningen vast te stellen. In lid 2 is nadrukkelijk bepaald dat als het college besluit tot de vaststelling van algemene voorzieningen, in ieder geval waar mogelijk rekening gehouden wordt met de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers waardoor zij in staat zijn, zoveel als mogelijk, hun taken als mantelzorger of vrijwilliger te kunnen uitvoeren. HOOFDSTUK 4 CRITERIA MAATWERKVOORZIENINGArtikel 4.1 Criteria voor een maatwerkvoorzieningIn artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. De tweede volzin van de leden 1 en 2 (rechtstreeks ontleend aan artikel 2.3.5 Wmo 2015) stelt enkele inhoudelijke eisen aan de aard en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorziening. De volzin in het eerste lid formuleert allereerst de eis dat de te verstrekken maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het bereiken van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. In het tweede lid is de eis dat de te verstrekken maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en het bereiken van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te kunnen handhaven in de samenleving. De beoordeling of een maatwerkvoorziening een passende bijdrage is, hangt uiteraard af van de individuele feiten en omstandigheden (maatwerk). De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. Een maatwerkvoorziening kan in die zin ook gericht zijn op stabilisatie van een situatie (voorkomen teruguitgang) of ondersteuning van een situatie van teruguitgang. Bij de beoordeling voor een maatwerkvoorziening wordt, ingevolge het derde lid, eerst bepaald of beperkingen of problemen niet langs een andere weg dan de inzet van een gemeentelijke maatwerkvoorziening, kunnen worden verminderd of weggenomen. Het gaat dan primair om de vraag wat mensen zelf of met behulp van hun omgeving kunnen bewerkstelligen. Hierbij dient altijd de toets van de redelijkheid te worden ingezet: wat mag redelijkerwijs aan ondersteuning van anderen verwacht worden. Hierbij wordt de feitelijke situatie van een cliënt en zijn omgeving gewogen. Ten aanzien van mantelzorg betekent dit, - afgezien van het gegeven dat mantelzorg nooit dwingend kan worden opgelegd -, dat een mogelijk gevaar voor overbelasting van de mantelzorger in ogenschouw wordt genomen. Middels lid 4 wordt bepaald dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn. Op deze regel bestaat, een expliciete uitzondering: maatwerkvoorziening voor diensten. Wat een maatwerkvoorziening voor diensten is, staat geformuleerd in artikel 1.1. Uit de definitiebepaling volgt dat een maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer ook een dienst betreft. Langdurig wil zeggen dat degene die beperkingen ondervindt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de aard van de beperking van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Cliënt kan onder andere een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die zijn opgezet in het kader van de Zvw voor de uitleen van een hulpmiddel wordt een indicatie gesteld door een thuiszorgorganisatie. Uitleen is in beginsel voor 13 weken met een eventuele verlenging tot maximaal 26 weken. Is het hulpmiddel langer dan 26 weken nodig, dan kan de cliënt een melding indienen ingevolge de Wmo. Wanneer een hulpmiddel vanuit een thuiszorgorganisatie niet voldoende toereikend is, dient onderzocht te worden in hoeverre er vanuit de Wmo ondersteuning geboden moet worden. Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie. In ieder geval dient een voorziening voor een cliënt die terminaal is, gerekend te worden tot langdurig noodzakelijk. De maatwerkvoorziening zal immers iemand gehele verdere leven noodzakelijk zijn. Onder lid 5 wordt bepaald dat de voorziening als de goedkoopst adequate voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om een voorziening die adequaat is voor de ondervonden problemen. Maar wanneer dan meerdere voorzieningen adequaat blijken te zijn, mag volstaan worden met de goedkoopste adequate voorziening. Artikel 4.2 Criteria specifieke maatwerkvoorzieningen In dit artikel is middels de leden 1 tot en met 5 op hoofdlijnen aangegeven wat de essentie is van een aantal maatwerkvoorzieningen. De uitwerking op uitvoerend niveau ligt vast in de nadere regels. Zie daartoe lid 6. Onder lid 6 is bepaald dat het college in nadere regels aanvullende criteria vaststelt op uitvoerend niveau in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke maatwerkvoorziening. Zie dat uitgewerkt in: artikel 2.1 nadere regels voor wat betreft HO; artikel 2.4. nadere regels v.w.b. Primaire levensbehoeften; artikel 2.5 nadere regels v.w.b. begeleiding; artikel 2.6 nadere regels v.w.b. kortdurend verblijf; en artikel 2.7 nadere regels v.w.b. beschermd wonen en begeleiding plus. Artikel 4.3 Weigeringsgronden maatwerkvoorziening In dit artikel worden in het eerste lid de zogenaamde afwijzingsgronden benoemd. Onder a. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend c.q. een gevraagde voorziening wordt afgewezen indien niet aan het bepaalde van artikel 4.1, leden een tot en met vier is voldaan. Onder b. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de cliënt niet als ingezetene van een gemeente (in geval van aanvraag maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie) dan wel Nederland (in geval van aanvraag ten behoeve van opvang en beschermd wonen) kan worden aangemerkt. Zie het begrip ingezetene reeds eerder toegelicht bij artikel 1.1. Onder c. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de gevraagde voorziening, voor de persoon van de cliënt, niet in een directe relatie staat met beperkingen van cliënt. Denk hierbij bijv. aan de situatie dat cliënt al vele jaren een hulp in het huishouden heeft. Op het moment dat cliënt beperkingen gaat ondervinden en op die grond een geldelijke vergoeding wil ontvangen ter dekking van de kosten voor hulp in het huishouden, dan volgt in beginsel een afwijzing. Het gaat immers niet om meerkosten ten opzichte van de situatie vóór het intreden van de beperkingen. Beoordeeld wordt of de situatie van de cliënt als zodanig veranderd is. Onder d. wordt bepaald dat een voorziening niet wordt toegekend als niet meer is na te gaan of de voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst adequate voorziening, bijvoorbeeld omdat de voorziening door de betrokkene al aangeschaft is. In artikel 2.1, lid 2 van deze verordening wordt in de lijn met artikel 2.3.3 Wmo 2015 voorzien in een spoed-meldings- en aanvraagprocedure. Omdat deze procedurele mogelijkheid er is, geldt dat onder zeer strikte voorwaarden nog de mogelijkheid geboden wordt voor een toekenning van een aanvraag met terugwerkende kracht. Om de striktheid nader aan te scherpen, is er aan het gestelde in sub d toegevoegd dat de cliënt dan ook moet aantonen dat de zelf gekozen voorziening ook daadwerkelijk de goedkoopst adequate voorziening is. Tegelijkertijd blijft onverkort gelden dat deze zelf gekozen voorziening ook aangemerkt moet kunnen worden als een passende bijdrage aan de gestelde hulpvraag, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015. Onder e. wordt de situatie benoemd dat cliënt een aanvraag doet voor een voorziening terwijl de afschrijvingsduur van een eerder verstrekte voorziening nog niet is verstreken. Een afwijzing is het gevolg tenzij het cliënt niet kan worden aangerekend. Zie ook Rb Breda 10-01-2011 (ECLI:NL:RbZWB:2011:BP1517): in redelijkheid kon de gemeente de aanvraag ingevolge de Wmo om de kosten van reparatie van een op vakantie beschadigd geraakte handbike te vergoeden, weigeren. Het was aan cliënt geweest om te zorgen voor een (reis-) verzekering die eventuele schade afdoende zou dekken. Als een dergelijke verzekering niet mogelijk of onbetaalbaar was, had cliënt ervoor kunnen kiezen om de handbike niet mee te nemen naar het buitenland. Onder f. wordt de situatie bedoeld dat cliënt geen medewerking verleent aan een onderzoek ter beoordeling van het recht op een maatwerkvoorziening. Zie ook de toelichting onder 2.4. Vaste jurisprudentie is dat een aanvraag voor een maatwerkvoorziening geweigerd kan worden wanneer de cliënt en, indien van toepassing, diens huisgenoten zijn of haar inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet nakomen alsmede de specifieke inlichtingen- en medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 2.4 van deze verordening, waaronder begrepen ook de beoordeling van gebruikelijke hulp van huisgenoten indien dit van toepassing is. Met de eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt wordt, onder sub g gesteld dat de aanvraag voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie (dus niet in geval van opvang en beschermd wonen) dient te worden afgewezen indien cliënt zich (verwijtbaar) in een situatie heeft gebracht die aanleiding is voor de hulpvraag aan de gemeente, nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt. De toevoeging beoogt nadrukkelijk een verband te leggen tussen enerzijds de voorzienbaarheid van de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij en anderzijds de voorzienbaarheid van de maatregelen die een cliënt, gelet op zijn of haar eigen verantwoordelijkheid, redelijkerwijs zelf kan treffen. Onder h. is als weigeringsgrond opgenomen de situatie dat de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolgde voorlopige voorziening. Belangrijk vertrekpunt is dat deze weigeringsgrond de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt beoogt te benadrukken om, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Voorts beoogt deze weigeringsgrond aan te geven dat indien de noodzaak van de gevraagde kosten reeds is afgewezen binnen een voorliggende voorziening, dat het dan niet aangaat dat binnen de Wmo 2015 deze beoordeling doorkruist wordt. Voor de volledigheid: formeel kent de wet het begrip voorliggende voorziening niet maar wordt gesproken over een afstemmingsverplichting (artikel 2.3.5 lid 5). In de uitvoeringspraktijk is het evenwel gangbaar gebleven om de term voorliggende voorziening te blijven hanteren. Onder i. is als weigeringsgrond opgenomen de situatie waarin de maatwerkvoorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. In de definitiebepalingen van deze verordening wordt reeds uitgezet wat het begrip “algemeen gebruikelijke voorziening” inhoudt. Dat zo zijnde, volgt hieruit dat het college een aanvraag kan afwijzen wanneer de gevraagde kosten als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt. Gelijk aan de opbouw van artikel 4.1 en de verwijzing in lid 6 van dat artikel naar nadere regels in verband met een specifieke maatwerkvoorziening, zo wordt ook voor de weigeringsgronden eenzelfde benadering gevolgd. Vandaar de invoeging van een afzonderlijk lid 2. Hierin wordt het college de bevoegdheid gegeven tot het vaststellen in nadere regels, van aanvullende criteria in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke maatwerkvoorziening dan wel een specifieke tegemoetkoming in de meerkosten. HOOFDSTUK 5 HET PGB EN DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMINGParagraaf 1: Het persoonsgebonden budgetIn deze paragraaf liggen de regels vast voor pgb-verstrekking. Ten opzichte van de oude Wmo-verordening is er aantal evidente wijzigingen. Deze wijzigingen zijn voornamelijk het gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Een uitspraak die, kort gezegd, nadere richting geeft aan gemeenten over medebewind en delegatie. Tariefdifferentiatie pgb behoort tot de zgn. essentialia van het voorzieningenpakket welke in de verordening dienen te worden vastgelegd. Het is vanwege deze uitspraak dat de keuze is gemaakt om het systeem dat ten grondslag ligt aan de hoogte van pgb’s (de artikelen 5.3 tot en met 5.8) in de verordening neer te leggen en niet langer in de Nadere regels. Artikel 5.1 Regels voor pgbIn plaats van een maatwerkvoorziening in zorg in natura (zin) kan een cliënt, indien hij dat wenst, een voorziening toegekend krijgen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Zie daartoe artikel 2.3.6, eerste lid, Wmo 2015. Aan deze regel ligt het principe ten grondslag dat een pgb voor mensen met een beperking kan bijdragen aan het behouden van de regie over hun eigen leven. Dit betekent niet dat de gemeente zondermeer gevolg geeft aan het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een pgb. De wetgever heeft in artikel 2.3.6, tweede lid, Wmo 2015, een drietal voorwaarden benoemd, verwerkt in het derde lid van artikel 5.1. a. Bekwaamheid van de cliënt:De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de cliënt. Allereerst wordt van een cliënt verwacht dat deze zelfstandig een redelijke waardering kan maken van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag. Een persoon kan bijvoorbeeld door de gemeente worden gevraagd duidelijk te maken welke problemen hij heeft, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning de cliënt gebaat zou zijn. Ten tweede wordt van de cliënt verwacht dat deze de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan het kiezen van een zorgverlener die in de zorgvraag voldoet, het aangaan van een contract, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de cliënt getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden van een pgb, dan kan de gemeente het pgb weigeren. Dat is een beslissing van de gemeente waarop een cliënt vervolgens bezwaar kan maken. b. Motivering door de cliënt:De tweede voorwaarde betreft de motivering door de cliënt. De cliënt dient te motiveren dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de cliënt. In deze gevallen kan de gemeente het pgb omwille van de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Uiteindelijk ligt de keuze om wel of geen beschikking af te geven bij de gemeente. Als de gemeente weigert een pgb te verstrekken, dan is dat een besluit waartegen een cliënt in bezwaar kan gaan. c. Gewaarborgde kwaliteit van dienstverleningDe derde en laatste voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb betreft de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteit dient naar het oordeel van het college gewaarborgd te zijn. De budgethouder heeft zelf de regie over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert. Daarmee krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen. Het college kan op basis van deze bepaling vooraf toetsen of de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid voldoende is gegarandeerd. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Lid 4:Ter ondersteuning van de toets aan de voorwaarden in het derde lid, is in het vierde lid bepaald dat de cliënt desgevraagd een pgb-plan dient over te leggen indien het pgb wordt aangevraagd voor een dienst. Dit pgb-plan dient overigens niet verward te worden met het persoonlijk plan zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, Wmo 2015 alsook artikel 2.5, tweede lid, van de verordening. Lid 5:Op het moment dat de verwachting reëel is dat een voorziening binnen afzienbare tijd aan vervanging toe is of slechts kortdurend wordt gebruikt, mag de gemeente, mede uit oogpunt van efficiency en het kostenaspect, besluiten dat een voorziening in natura heeft te prevaleren boven een pgb. Denk hierbij bijvoorbeeld aan (kortdurende) huishoudelijke ondersteuning (
- ho)na een ziekenhuisopname. Indien niet vaststaat dat de ho ook op de lange termijn nodig zal zijn, mag de gemeente een pgb weigeren en volstaan met zin. Lid 6:Een duidelijk voorbeeld hierbij is het collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv). Zodra een collectieve voorziening niet meer in stand te houden zou zijn vanwege het feit dat men daarvoor massaal een persoonsgebonden budget aanvraagt, kan dat een overwegend bezwaar zijn en hoeft er geen persoonsgebonden budget voor worden toegekend. Het persoonsgebonden budget mag niet leiden tot het ondergraven van het systeem. Artikel 5.2 Hoogte van het pgbDit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Ook in de rechtspraak is de vraag over de toereikendheid van een pgb actueel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit overweging 4.4 van de uitspraak van de CRvB 09-03-2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:982) waarin gesproken wordt over “kwalitatief goed - met zorg in natura vergelijkbare – in te kopen zorg”. Hiermee is een inhoudelijke vergelijking beoogd tussen in casu huishoudelijke ondersteuning in natura en huishoudelijke ondersteuning in pgb en niet een vergelijking in geld. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Uitgangspunt is dus dat het pgb niet hoger is dan de kosten van een voorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Hierbij geldt nadrukkelijk ook dat het college in een concrete situatie moet onderzoeken of er aldus een inhoudelijk gelijkwaardig in te kopen dienst overblijft in vergelijking met een voorziening in natura. Dit sluit bij de vaste jurisprudentie van de CRvB dat het college een vergewisplicht heeft om na te gaan in de concrete situatie of het eindresultaat voor de cliënt ook daadwerkelijk compenserend is. Tegelijkertijd geldt dat het college bij deze concrete toetsing van de hoogte van het te verlenen pgb voor de in te kopen dienst, bevoegd is om deze af te stemmen op de goedkoopst adequate voorziening in natura . Onverkort geldt als ondergrens dat de verleende maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb passend is in de concrete klantsituatie. Hieruit volgt dat het college in een concrete casus van een cliënt gehouden is tot een redelijke belangenafweging om zo te komen tot maatwerk, gelet op het algemene beginsel van behoorlijke bestuur van het gebod tot een redelijke belangenafweging op grond van artikel 3:4, lid 1 Awb. Artikel 5.3 Hoogte pgb voor woningaanpassingDe hoogte van de maatwerkvoorziening pgb voor een woningaanpassing wordt ingevolge lid 1 gerelateerd aan de door het college geaccepteerde offerte. In lid 2 wordt gespecificeerd uiteengezet welke kosten worden geaccepteerd. Wat betreft de aanneemsom (sub
- a)en het architectenhonorarium (sub
- c)wordt gesproken over een vergoeding excl. BTW. Zie evenwel sub h: ook de verschuldigde en niet verrekenbare-of terugvorderbare omzetbelasting komt voor vergoeding in aanmerking. Artikel 5.4 Hoogte pgb voor HOHet systeem pgb is tot stand gekomen in samenspraak met onderzoeksbureau HHM. Vanwege de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 18 mei 2016 inzake huishoudelijke ondersteuning ontstond de behoefte om – als opvolger van het niet meer door ons gehanteerde CIZ-protocol (“Wmo richtlijn indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden”) – te komen tot een nieuwe werkwijze en normenkader. Een normenkader dat recht doet aan resultaatgericht werken en aan de individuele ondersteuningsbehoefte van een cliënt. Bureau HHM en KPMG ontwikkelden reeds voor verschillende gemeenten een normenkader: een normenkader tot stand gekomen via een uitgebreid empirisch geobjectiveerd onderzoek. Op basis van tijdbestedingsonderzoek, professionele ervaring en cliëntinterviews werden activiteiten HO, frequentie en tijdbesteding bepaald ter realisatie van een schoon en leefbaar huis. Onderzocht en bepaald werd welke factoren van invloed zijn op benodigde tijd en frequentie en hoe groot deze invloed is. Met behulp van deze cijfermatige basis was bureau HHM in staat om voor Helmond en de Peelgemeenten, een geobjectiveerd normenkader te ontwikkelen. Dat normenkader komt tot uitdrukking in een puntensysteem. Met het puntensysteem bepaalt de Wmo-consulent kort gezegd welke ondersteuningsbehoefte een inwoner heeft, welke resultaten moeten worden behaald en welke individuele kenmerken er zijn. Voor elk resultaat en voor elk kenmerk wordt een bepaald aantal punten toegekend. Op basis van bovengenoemd objectief normenkader en het door ons gehanteerde pgb-tarief van 125% WML is vervolgens een rekenfactor berekend. Het totaal aantal punten wordt vermenigvuldigd met deze rekenfactor en dit resulteert in een bedrag dat kan worden toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het pgb wordt toegekend als een bedrag op jaarbasis. Door de pgb-omvang op jaarbasis te indiceren, wordt tot uitdrukking gebracht dat een schoon en leefbaar huis niet wil zeggen dat alle activiteiten standaard wekelijks in dezelfde omvang moeten plaatsvinden. Indiceren op jaarbasis geeft ruimte aan de cliënt om te variëren met de frequentie/omvang van de werkzaamheden binnen het toegekende jaarbudget (een week overslaan, ene week 1 uur en andere week 3 uur ...). Voor wat betreft de hoogte van een pgb voor ho wordt ingevolge het derde lid aansluiting gezocht bij de Wet minimumloon (Wml): het uurtarief bedraagt 125% van het Wml inclusief vakantietijd en vakantiegeld. Het uurtarief bedraagt altijd 125% van het Wml, ongeacht de vraag wie de zorg daadwerkelijk gaat verlenen: een zorgaanbieder, een particulier of iemand uit het sociaal netwerk van de betrokkene. Achterliggende gedachte hierbij is het gegeven dat 125% Wml heeft te gelden als een gangbaar / marktconform loon en het tarief dus toereikend mag worden geacht om ho in te kopen. Ho betreft immers ongeschoolde arbeid. Zie in dat kader ook de landelijke Regeling dienstverlening aan huis. Dit betekent overigens niet dat de cliënt geen duurdere zorg zou mogen / kunnen inkopen c.q. dat het college een aanvraag pgb weigert indien de kosten van de door de cliënt beoogde inzet meer bedragen dan 125% Wml. Cliënten kunnen in die gevallen zelf bijbetalen aan de SVB. Ten aanzien van particuliere inzet waaronder mede begrepen de inzet door iemand uit het sociaal netwerk dient te worden toegelicht dat in het proces van melding / aanvraag zoals beschreven in hoofdstuk 2 van de verordening altijd onderzocht wordt of een cliënt met behulp van gebruikelijke zorg, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is om (deels) tot een oplossing te komen anders dan de inzet van een maatwerkvoorziening Wmo. Indien die mogelijkheden er (deels) niet zijn (naast de toets aan andere criteria) wordt overgegaan tot de inzet van een maatwerkvoorziening waarbij de cliënt zijn voorkeur kan uitspreken voor een pgb. Bij de inzet van het pgb kan vervolgens iemand uit het sociaal netwerk worden betrokken om de diensten te leveren (tegen betaling). Dit lijkt op het eerste gezicht haaks te staan op de kantelingsgedachte c.q. de toets zoals die gemaakt is bij de melding / aanvraag als het gaat om de inzet van het sociaal netwerk. Indien een pgb wordt ingezet met behulp van iemand uit het netwerk is evenwel tijdens het proces van melding / aanvraag de conclusie geweest dat er geen ruimte is voor de betreffende persoon om op basis van vrijwilligheid de inzet te leveren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat de betreffende persoon op basis van vrijwilligheid al dusdanige inzet levert, dat aanvullende vrijwillige inzet niet geleverd kan worden en / of de betreffende persoon niet bereid is om op basis van vrijwilligheid inzet te leveren. Mantelzorg is immers – in tegenstelling tot gebruikelijke hulp – niet afdwingbaar. Dit speelt niet alleen in geval van huishoudelijke ondersteuning maar eveneens in geval van begeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen. Ingevolge lid 4 wordt het pgb-tarief jaarlijks, per 1 januari, geïndexeerd. Daarbij wordt uitgegaan van het Wml-bedrag (125% daarvan) zoals dat gold op 1 juli van het voorafgaande jaar. Voorheen werd uitgegaan van geldende Wml-bedrag op diezelfde 1 januari. Nu de gemeente ruimschoots voor 1 januari, op een moment dat de Wml-tarieven per 1 januari nog niet bekend zijn, aan de Sociale Verzekeringsbank de pgb-tarieven per het nieuwe kalenderjaar dient door te geven is de praktische keuze gemaakt om de hoogte van het pgb-tarief per 1 januari te koppelen aan de Wml per 1 juli van het voorgaande jaar. Artikel 5.5 Hoogte pgb voor primaire levensbehoeftenVoor wat betreft de hoogte van een pgb inzake het bereiden en neerzetten van maaltijden wordt één op één aansluiting gezocht bij het tarief zoals dat geldt in geval van verstrekking zorg in natura. Het tarief is gebaseerd op een gemiddelde inzet van 15 minuten per maaltijdverzorging. Maaltijdverzorging kenmerkt zich door: Er is geen sprake van uitstelbaarheid; De frequentie van inzet is hoog (tot 2x per dag en alle dagen van de week indien eigen systeem geen inzet kan plegen); de duur van de ondersteuning per keer is zeer kort. Dit maakt het een lastig te plannen en relatief duur product. Voor wat betreft het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen en toiletartikelen wordt voor wat betreft de hoogte van het pgb aansluiting gezocht bij de goedkoopst adequate oplossing. Dit laatste houdt verband met het feit dat deze taak, met name gelet op de inzet door de klant en zijn netwerk zelf en / of de aanwezigheid van een boodschappendienst normaliter niet aan de orde is mede gelet op het feit dat nagenoeg alle supermarkten de mogelijkheid van een bestel- en bezorgservice kennen. In die sporadische gevallen dat het wel aan de orde is, dient per casus (maatwerk) gekeken te worden naar de hoogte van het pgb waarbij in