← Nederland

Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2020 (Gemert-Bakel)

Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2020Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen 1.In deze regels wordt verstaan onder: aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren (artikel 1.1.1 Wmo 2015); algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1 Wmo 2015); begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015); Beschermd thuis: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een inwoner afgestemd geheel van diensten en activiteiten in het kader van intensieve ambulante individuele (woon-) begeleiding. Bedoeld voor personen met langdurige psychiatrische, psychische of psychosociale problemen, of een combinatie daarvan met een verstandelijke beperking of gedragsstoornissen, die niet volledig in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving c.q. niet geheel zelfstandig kunnen wonen. Deze intensieve ambulante individuele begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. De individuele begeleiding kan, indien nodig, aangevuld worden met een vorm van dagbesteding (begeleiding groep). Beschermd thuis kan in die zin zowel begeleiding groep als begeleiding individueel omvatten waarbij begeleiding groep altijd aanvullend is op begeleiding individueel en niet los van begeleiding individueel kan worden ingezet. De maatwerkvoorziening Beschermd thuis wordt ingezet bij de afschaling van beschermd wonen naar zelfstandig (begeleid) wonen of ter voorkoming van opname in een beschermd wonen voorziening (opschaling). Daartoe behoort eveneens, in geval van individuele begeleiding, het bieden van 24-uurs bereikbaarheid van de begeleiding en deels planbare en deels onplanbare begeleiding. beschermd wonen: wonen en verblijf in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend 24-uurs toezicht en begeleiding in de directe nabijheid, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (artikel 1.1.1 Wmo 2015); bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015; cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoongsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; college: college van burgemeester en wethouders (artikel 1.1.1 Wmo 2015); diensten: maatwerkvoorziening niet zijnde hulpmiddelen of woning-aanpassingen; dienstverlener: de zorgverlener die ingevolge een pgb diensten verleent aan een budgethouder; ho: huishoudelijke ondersteuning; kortdurend verblijf: de noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent aan een persoon met een beperking aangewezen op permanent toezicht en / of 24 uur per dag zorg in de nabijheid middels het laten verblijven van mensen met een beperking buitenshuis, tot een maximum van 52 etmalen op jaarbasis; maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang (artikel 1.1.1 Wmo 2015); maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang (artikel 1.1.1 Wmo 2015); mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzeke- ringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (artikel 1.1.1 Wmo 2015); ondersteuningsplan HO: document dat wordt conform opdracht en aanwijzing van het college opgemaakt door aanbieder huishoudelijke ondersteuning en cliënt en waarin de afspraken vastliggen om te komen tot een schoon en leefbaar huis en het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Na akkoord door het college wordt het plan als bijlage toegevoegd aan de toekenningsbeschikking en maakt het onderdeel uit van de besluitvorming door het college; opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (artikel 1.1.1 Wmo 2015); particuliere inzet: inzet die niet wordt geleverd door een professionele dienstverlener. Onder particuliere inzet wordt mede begrepen inzet door het sociaal netwerk; pgb: persoonsgebonden budget (artikel 1.1.1 Wmo 2015); professionele dienstverlener: een entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) die beroepsmatig zorg, maatschappelijk en / of aanpalende diensten aanbiedt aan burgers. Van een beroepsmatig aanbod van diensten zoals genoemd in de eerste zin, is sprake wanneer de entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en daarnaast uit overige feiten en omstandigheden blijkt dat de entiteit of de dienstverlener als onderneming respectievelijk als ondernemer kan worden aangemerkt; pgb-plan: het door de cliënt bij het college in te dienen plan ter ondersteuning van zijn wens tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015); uitvoeringsbesluit Wmo 2015: landelijke AMvB ingevolge artikel 2.1.4, vierde lid, Wmo 2015; verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zorg in natura: maatwerkvoorziening die wordt verstrekt door het college. De voorziening bestaat uit goederen of diensten; zorgverlener: medewerker die onder de verantwoordelijkheid van een aanbieder of dienstverlener de ondersteuning verleent. 2.Alle begrippen die in onderhavige Nadere Regels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven in het eerste lid hebben dezelfde betekenis als de begrippen in de verordening, de Wet maatschappelijke ondersteuning en /of de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.Alle bedragen die in onderhavige Nadere Regels worden genoemd zijn netto bedragen inclusief BTW, tenzij anders vermeld. Hoofdstuk2Maatwerkvoorzieningen Artikel2.1Maatwerkvoorziening HO 1.Huishoudelijke ondersteuning wordt toegekend volgens de norm:'een schoon en leefbaar huis' en het beschikken over schone en draagbare kleding. 2.Als een cliënt verzoekt om het aantal uren huishoudelijke hulp in de beschikking op te nemen, wordt de norm en de benodigde tijd voor een ‘schoon en leefbaar huis’ en ‘het beschikken over schone en draagbare kleding’ beoordeeld op basis van het normenkader zoals opgenomen in bijlage 1. Dat gebeurt ook als sprake is van een beslissing op een hiertegen ingediend bezwaarschrift. Ter beoordeling of voldaan wordt aan de norm 'een schoon en leefbaar huis' en een huis ook daadwerkelijk schoon is, hanteert het college een toetsingskader, zoals bedoeld in artikel 3.2, derde lid van de verordening. Het toetsingskader "Meetsysteem schoon en leefbaar huis" is als bijlage 2 toegevoegd aan de Nadere Regels. 3.De huishoudelijke activiteiten in het kader van een maatwerkvoorziening HO worden uitgevoerd in de leefvertrekken van het woonhuis die wekelijks worden gebruikt (inclusief aangrenzende hal, trap of overloop). 4.Bij het bepalen van de frequentie waarin de activiteiten (die door de zorgaanbieder worden overgenomen) moeten worden verricht om tot het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ en ‘het beschikken over schone en draagbare kleding’ te komen, wordt in eerste instantie aansluiting gezocht bij de frequentie zoals weergegeven in bijlage 1. Afwijking van deze norm is mogelijk indien de persoonlijke situatie en leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van de cliënt dat noodzakelijk maakt. Artikel2.2Procedure maatwerkvoorziening HO – zorg in natura 1.Voor de maatwerkvoorziening HO geldt, aanvullend op de algemene procedurele bepalingen zoals neergelegd in hoofdstuk 2 in de verordening, het navolgende: uitgangspunt is dat na een melding door een cliënt een huisbezoek plaatsvindt; van het huisbezoek dan wel een andersoortig contact ter beoordeling van de situatie van de cliënt in combinatie met overige relevante constateringen tijdens het vooronderzoek, maakt het college een verslag op. Zie hiertoe ook artikel 2.6 van de verordening; na een aanvraag en het voornemen van het college tot toekenning van de maatwerkvoorziening HO, wordt een opdracht tot opmaak van een ondersteuningsplan naar de aanbieder (naar keuze cliënt) gestuurd. Het college vermeldt in de opdracht, indien nodig, specifieke c.q. relevante aspecten ten behoeve van de opmaak van het ondersteuningsplan: de (

  1. on)mogelijkheden van de cliënt en zijn netwerk tot het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken; de eventuele aanwezigheid van een voor HO relevante algemene voorziening; eventuele aanwijzingen over de frequentie van uit te voeren taken alsook andere specifieke aangelegenheden; eventuele noodzaak tot vakantievervanging. De aanbieder maakt, met inachtneming van de aanwijzingen van het college in de opdracht, met de cliënt samen het ondersteuningsplan op, waarin de huishoudelijke activiteiten en de frequentie hiervan worden afgestemd op de woon- en leefsituatie van de cliënt. Het ondersteuningsplan dient, ten blijke van akkoord, door zowel de aanbieder als de cliënt ondertekend te worden waarna de aanbieder het ondersteuningsplan naar het college stuurt. Indien de aanbieder en cliënt niet tot overeenstemming komen over het ondersteuningsplan neemt de aanbieder contact op met het college. Het college intervenieert vervolgens in het proces tot opmaak ondersteuningsplan. het college toetst of het ondersteuningsplan voldoet aan wet- en regelgeving, in overeenstemming is met hetgeen de cliënt nodig heeft en voldoende concreet is; Indien het college niet akkoord is met het ondersteuningsplan, neemt het college daartoe contact op met de aanbieder en eventueel de cliënt. Indien nodig wordt een nieuw ondersteuningsplan opgemaakt conform de aanwijzingen van het college; na akkoord wordt het ondersteuningsplan ondertekend door het college en als bijlage aan de toekenningsbeschikking toegevoegd. Zo wordt het ondersteuningsplan expliciet onderdeel van het besluit. 2.In verband met wijzigingen van omstandigheden na een eerdere toekenning en een melding van de cliënt hierover volgt het college de procedure zoals gesteld in lid 1 opnieuw. 3.Bij beperkte wijzigingen van de ondersteuning kan het college met instemming van de klant volstaan met een loutere aanpassing van het ondersteuningsplan via een seperaat mutatieformulier zonder het doorlopen van de procedure zoals genoemd in lid 1. 4.Het besluit tot toekenning HO in de vorm van zorg in natura, behelst het recht op een schoon en leefbaar huis en het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding, waarbij de omvang van de ondersteuning wordt uitgedrukt in activiteiten en frequentie zoals benoemd in het ondersteuningsplan. Bij toepassing van artikel 2.1 lid 2 wordt de omvang ook in tijd uitgedrukt. Artikel2.3Puntensysteem pgb-huishoudelijke ondersteuning 1.Met inachtneming van hetgeen bepaald in artikel 5.4 van de verordening, hanteert het college het puntensysteem pgb huishoudelijke ondersteuning. Dit puntensysteem ligt vast in bijlage 3 bij deze Nadere Regels. 2.De factor zoals genoemd in artikel 5.4 van de verordening bedraagt per 1 januari 2020: 32,18. Artikel2.4Maatwerkvoorziening Primaire levensbehoeften De maatwerkvoorziening Primaire levensbehoeften kan bestaan uit: het middels het doen van boodschappen voorzien van de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en schoonmaakartikelen; en / of de noodzakelijke bereiding van maaltijden. Artikel2.5Maatwerkvoorziening begeleiding 1.Begeleiding individueel wordt toegekend in tijd per week of per beschikkingsperiode. Bij het bepalen van de aard en omvang van de begeleidingsinzet wordt gebruik gemaakt van het Normenkader begeleiding Peelgemeenten, opgenomen als bijlage 4. 2.Begeleiding groep wordt toegekend in dagdelen per week. Bij het bepalen van de aard en omvang van de begeleidingsinzet wordt gebruik gemaakt van het Normenkader begeleiding Peelgemeenten, opgenomen als bijlage 4. 3.Vervoer van en naar de dagbesteding / begeleiding groep; Indien de cliënt niet op eigen kracht of met gebruikelijke hulp dan wel via de inzet van het sociaal netwerk in staat is om de dagbestedingslocatie te bereiken, is het college verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de dagbesteding. In geval van zorg in natura organiseert de aanbieder dan het vervoer. Dit betekent dat de cliënt dan niet gerechtigd is tot inzet van een door het college toegekend Wmo-collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv) als vervoermiddel van en naar de dagbesteding. Artikel2.6Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf 1.De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf omvat het feitelijk verblijf elders. Het gaat om logeren met faciliteiten direct daaraan gerelateerd, te weten: bed, voeding en zelfverzorgingsmogelijkheden. 2.In geval van kortdurend verblijf is sprake van permanent toezicht en / of 24 uur per dag toezicht in de nabijheid gericht op: het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig ingegrepen kan worden bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte; en / of het verlenen van zorg op ongeregelde en / of frequente tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; en / of het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). 3.Gelet op het bepaalde in lid 2 behelst kortdurend verblijf geen integraal pakket van voorzieningen. Eventuele noodzakelijke aanvullende voorzieningen (behandeling, verpleging, verzorging en begeleiding) die nodig zijn tijdens het verblijf moeten apart worden geïndiceerd. De aanbieder of dienstverlener hoeft deze inzet niet zelf te kunnen plegen, maar dient in ieder geval daartoe de faciliteiten te bieden. 4.Vervoer van en naar de locatie maakt geen onderdeel uit van de voorziening. 5.Kortdurend verblijf is in omvang beperkt tot maximaal 52 etmalen (aaneengesloten periode van 24 uur) per jaar. Artikel2.7Maatwerkvoorziening beschermd wonen en begeleiding plus 1.Om in aanmerking te kunnen komen voor beschermd wonen dan wel beschermd thuis dient sprake te zijn van een psychiatrische aandoening of beperking. 2.[vervallen] 3.[vervallen] Hoofdstuk3Kwaliteit Artikel3.1Huishoudelijke ondersteuning zorg in natura 1.Ingevolge artikel 9.1 van de verordening worden de navolgende kwaliteitseisen gesteld aan de aanbieder HO en de zorgverlener in het bijzonder: goede beheersing van de Nederlandse taal in woord en in geschrift passend bij de werkzaamheden; zelfstandig werken; beschikken over kennis en vaardigheden met betrekking tot schoonmaken en hygiëne; een verzorgd uiterlijk en gepaste kleding; goede sociale en communicatieve vaardigheden; respect voor geloofsovertuiging en/of leefwijze van de cliënt; zelfredzaamheid stimuleren van de cliënt; discreet omgaan met vertrouwelijke informatie; resultaatgericht werken; in staat zijn om wijzigingen in de situatie van de cliënt op te merken waaronder mede begrepen relevante wijzigingen in de situatie van het netwerk van de cliënt en indien noodzakelijk adequate vervolgacties te initieren; de client kunnen ondersteunen bij de coördinatie van de huishoudelijke taken indien een ondersteunende regietaak nodig is; het kunnen combineren van hands-on inzet op huishoudelijke taken met het geven van advies, instructie en voorlichting aan de cliënt betreffende huishoudelijke ondersteuning. Dit indien dit nodig is ten gevolge van psychische of psychiatrische problematiek van de cliënt. De beoordeling hiertoe is aan het college. Indien dit is beoordeeld door het college is tevens aantoonbare ervaring met en / of aantoonbare deskundigheid in het omgaan met gedragsproblematiek een vereiste. 2.De inzet van leer-en werkstages en vrijwilligers is altijd aanvullend op en onder aansturing en verantwoordelijkheid van de direct bij de cliënt betrokken zorgverlener. 3.Aanbieder beschikt over een vastgelegde klachtenregeling ter afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van aanbieder jegens een cliënt. Artikel3.2Begeleiding zorg in natura Ingevolge artikel 9.1 van de verordening wordt een voorziening in elk geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt. Dit betekent o.a. dat de aanbieder de maatwerkvoorziening begeleiding: uitvoert in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard waaronder begrepen het “Model basisset kwaliteitseisen Wmo-ondersteuning voor zeer kwetsbare burgers”; uitvoert met de zorgvuldigheidsmaatstaven zoals die worden gehanteerd in de bedrijfstak waartoe aanbieder behoort; uitvoert met inzet van deskundige beroepskrachten. Dit betekent ook dat de inzet van leer-en werkstages en vrijwilligers altijd aanvullend op en onder aansturing en verantwoordelijkheid van de direct bij de cliënt betrokken zorgverlener is; afstemt op de reële behoefte van cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die cliënt ontvangt; beschikt over een vastgelegde klachtenregeling ter afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van aanbieder jegens een cliënt. Artikel3.3Kortdurend verblijf zorg in natura De aanbieder zorgt voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te verstrekken; het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie en reële behoefte van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; de maatwerkvoorziening uit te voeren in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard, zoals geldend in de branche; het treffen van een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van aanbieder jegens een cliënt. Artikel3.4Kwaliteit maatwerkvoorziening pgb 1.Ingevolge het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c van de wet, wordt een pgb verstrekt indien sprake is van een veilige, doeltreffende en cliëntgerichte maatwerkvoorziening. Hierbij weegt het college, ingevolge artikel 2.3.6, derde lid, van de wet, mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2.Voor wat betreft de beoordeling of sprake is van een veilige, doeltreffende en cliëntgerichte maatwerkvoorziening ingevolge artikel 2.3.6., tweede lid, onder c van de wet, houdt het college ten aanzien van te verlenen diensten door een professionele dienstverlener in ieder geval rekening met de kwaliteitsnormen zorg in natura zoals neergelegd in artikel 3.1, leden 1 en 2, artikel 3.2 sub a tot en met d en 3.3 sub a tot en met c. De genoemde kwaliteitsnormen zorg in natura gelden als factoren die mede bepalen of sprake is van een veilige, doeltreffende en cliëntgerichte voorziening. 3. De kwaliteit van begeleiding, die wordt ingekocht met een persoonsgebonden budget, dient verder te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in bijlage 5. Hoofdstuk4Overige en slotbepalingen Artikel4.1Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Het college bepaalt ieder kalenderjaar waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers in de gemeente bestaat. 2.Het college kan, bij het nemen van het besluit zoals genoemd in lid 1, advies vragen aan ingezeten van de gemeente onder wie cliënten of hun vertegenwoordigers en mantelzorgers van cliënten. Artikel4.2Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze regels, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel4.3Intrekking oude Nadere Regels en overgangsrecht 1.De Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2018 worden ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige Nadere Regels. 2.Besluiten, genomen krachtens de eerdere Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2018 en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de onderhavige Nadere Regels, worden afgehandeld krachtens de onderhavige Nadere Regels. 4.Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat is genomen voor de inwerkingtreding van deze Nadere Regels, wordt beslist met inachtneming van het bepaalde in de onderhavige Nadere Regels. Artikel4.4Inwerkingtreding Deze Nadere Regels treden in werking per 1 januari 2020. Bijlage1:Normenkader Huishoudelijke ondersteuning bij een urenindicatie en bij vaststelling van een pgb Bijlage 1. Normenkader Huishoudelijke ondersteuning bij een urenindicatie en bij vaststelling van een pgb Deze bijlage bevat het kader voor het beoordelen van de omvang en noodzakelijke activiteiten voor huishoudelijke ondersteuning als de cliënt verzoekt om het aantal uren in de beschikking op te nemen. Het kader is gebaseerd op het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van bureau HHM en de aanvullende instructie voor toepassing van dit normenkader d.d. september 2022. Dit normenkader is in 2025 geactualiseerd. Het normenkader is gebaseerd op onderzoeken in verschillende gemeenten, waarbij gekeken is naar o.a. de tijdsbesteding, professionele ervaringen, onafhankelijk experts en cliëntinterviews. Voor onderdelen die niet in deze bijlage zijn opgenomen, is het normenkader 2025 integraal van toepassing. Begrenzing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning gaat over een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone en draagbare kleding. Daarbij geldt de volgende afbakening: De ondersteuning ziet op de binnenkant van het huis. Het gaat altijd om de "binnenkant" van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen dus per definitie niet onder de maatwerkvoorziening HO. Het gaat om activiteiten die algemeen gebruikelijk zijn Huishoudelijke ondersteuning omvat activiteiten die algemeen gebruikelijk zijn. Onder algemeen gebruikelijke activiteiten wordt volgens deze Nadere Regels verstaan: activiteiten die naar algemeen aanvaarde opvattingen tot de dagelijkse dan wel periodieke huishoudelijke activiteiten behoren. Het strijken van onderkleding of beddengoed is een voorbeeld van een niet­ algemeen gebruikelijke schoonmaakactiviteit. Deze activiteit valt daarom niet binnen de maatwerkvoorziening. Kan een schoonmaakactiviteit door cliënt uitgevoerd worden met aan algemeen gebruikelijk technisch hulpmiddel, dan valt deze evenmin onder de maatwerkvoorziening HO. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke technische hulpmiddelen zijn een wasmachine/droger en een vaatwasser. Indien algemeen gebruikelijke hulpmiddelen niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing kunnen zijn voor een probleem, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de cliënt om dergelijke apparatuur aan te schaffen. Dit geldt eveneens voor aanpassingen zoals bijvoorbeeld een verhoging voor een wasmachine of droger. Hierbij geldt de restrictie dat het technische hulpmiddel voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt. Zie daartoe ook CRvB 27-01-2016 (ECLI:NL:CRvB: 2016:373) en CRvB 17-12-2014 (ECLl:NL:CRvB:2014:4276). Het gaat om ‘schoon’ en ‘leefbaar’ Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Schoon betekent dat de leefvertrekken schoon moeten zijn. De woning dient zodanig schoon te zijn dat deze niet vervuilt. Het gaat om een basisniveau van schoon houden. Wat minimaal nodig is wordt gedaan. Dit kan heel praktisch betekenen dat de uitvoering niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van cliënten. Activiteiten en frequentie huishoudelijke ondersteuning 2.1 Een schoon en leefbaar huis Onderstaand zijn de activiteiten en frequentie opgenomen voor de inzet van huishoudelijke ondersteuning voor een schoon en leefbaar huis. Tabel 1. Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis. Schoon en leefbaar huis Woonkamer Slaapkamer(
  2. s)Keuken Badkamer en toilet Hal Afnemen nat en droog Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. Deurlichten Zitmeubels afnemen (droog/nat) Radiatoren reinigen Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stofzuigen en dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Trap stofzuigen (binnenshuis) Ramen en gordijnen Gordijnen wassen Lamellen/jaloezieën reiniging Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen. luxaflex reiniging Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen. luxaflex reiniging Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen/jaloezieën reiniging Ramen binnenzijde wassen Bed verschonen Bed verschonen Matras draaien Keuken schoonmaken Keukenblok en –apparatuur (buitenzijde) Afval opruimen Keukenkastjes (binnenzijde) Koelkast (binnenzijde) Oven/magnetron Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) Afzuigkap reinigen (binnenzijde) Bovenkant keukenkastjes Tegelwand (los van keukenblok) Sanitair schoonmaken Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen) Toilet schoonmaken Tegelwand badkamer afnemen Opruimen Opruimen Opruimen Tabel 2. Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten). Activiteit Frequenties Woonkamer (en andere kamers) Stof afnemen hoog incl. luchtfilters 1 x per 2 weken Stof afnemen midden 1 x per week Stof afnemen laag 1 x per week Opruimen 1 x per week Stofzuigen 1 x per week Dweilen 1 x per week Slaapkamer(
  3. s)Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters 1 x per 6 weken Stof afnemen midden 1 x per week Stof afnemen laag 1 x per week Opruimen 1 x per week Stofzuigen 1 x per week Dweilen 1 x per 2 weken Bed verschonen of opmaken 1 x per 2 weken Keuken Stofzuigen 1 x per week Dweilen 1 x per week Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel 1 x per week Keukenapparatuur (buitenzijde) 1 x per week Afval opruimen 1 x per week Afwassen 1x per week Sanitair Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen) 1 x per week Toilet schoonmaken 1 x per week Hal Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters 1 x per week Stof afnemen midden 1 x per week Stof afnemen laag 1 x per week Stofzuigen 1 x per week Trap stofzuigen (binnenshuis) 1 x per week Dweilen 1 x per week Tabel 3. Frequentie benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten). Activiteit Frequenties Woonkamer (en andere kamers) Gordijnen wassen 1 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 2 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Zitmeubels afnemen (droog/nat) 1 x per 8 weken Radiatoren reinigen 2 x per jaar Slaapkamer(
  4. s)Gordijnen wassen 1 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 2 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 2 x per jaar Matras draaien 2 x per jaar Keuken Gordijnen wassen 2 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 3 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 3 x per jaar Keukenkastjes (binnenzijde) 2 x per jaar Koelkast (binnenzijde) 3 x per jaar Oven/magnetron (grondig schoonmaken) 4 x per jaar Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) 1 x per jaar Afzuigkap reinigen (binnenzijde) – vaatwasserbestendig 2 x per jaar Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig 2 x per jaar Bovenkant keukenkastjes 1 x per 6 weken Tegelwand (los van keukenblok) 2 x per jaar Sanitair Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 2 x per jaar Tegelwand badkamer afnemen 4 x per jaar Gordijnen wassen 1 x per jaar Ramen binnenzijde wassen 4 x per jaar Reinigen lamellen/luxaflex 3 x per jaar Hal Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten 2 x per jaar Radiatoren reinigen 2 x per jaar 2.2 Wasverzorging In onderstaande tabel zijn de activiteiten en frequentie opgenomen voor de wasverzorging. Tabel 4. Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging Activiteit Frequenties Wasgoed sorteren 1x per week Behandelen van vlekken 5x per 2 weken (indien nodig) Was in de wasmachine stoppen (incl. wasmachine aanzetten) 5x per 2 weken Wasmachine leeghalen 5x per 2 weken Sorteren naar droger of waslijn 5x per 2 weken Was in de droger stoppen 5x per 2 weken Droger leeghalen 5x per 2 weken Was ophangen 5x per 2 weken Was afhalen 5x per 2 weken Was opvouwen 5x per 2 weken Was strijken 1x per week Was opbergen/opruimen 5x per 2 weken Omvang huishoudelijke ondersteuning In onderstaande overzichten is de tijd opgenomen die nodig is per week en per jaar voor de inzet van de verschillende vormen van huishoudelijke ondersteuning. Soms kan er minder of juist meer nodig zijn dan de basisnorm. De toelichting voor die situaties komt hierna aan de orde. Tabel 5. Overzicht in minuten per week en uren per jaar voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis Kenmerk Basis-inzet Minder inzet (minuten/week) Meer inzet (minuten/week) Minder inzet (uur/jaar) Meer inzet (uur/jaar) Basis-cliëntsituatie volledige overname 125 minuten/week (108 uur per jaar) 108 uur Mogelijkheden van de cliënt zelf of het netwerk 15 minuten 13 uur Enige extra inzet vanwege beperkingen van de cliënt 30 minuten 26 uur Veel extra inzet vanwege beperkingen van de cliënt 60 minuten 52 uur Extra kamer schoonmaken (geen slaapkamer) 5 minuten 4 uur Extra kamer schoonmaken (in gebruik als slaapkamer) 18 minuten 16 uur Extra inzet door vervuiling vanwege een hulphond 15 minuten 13 uur Bewerkelijke woning 15 minuten 13 uur Extra inzet in huishouden met kinderen Maatwerk (tijdelijk) Maatwerk (tijdelijk) Tabel 6. Overzicht in minuten per week en uren per jaar voor de wasverzorging. Kenmerk Basis-inzet Minder inzet (minuten/week) Meer inzet (minuten/week) Minder inzet (uur/jaar) Meer inzet (uur/jaar) Wasverzorging éénpersoons huishouden 41 minuten/week (35 uur per jaar) Wasverzorging tweepersoons huishouden 50 minuten/week (43 uur per jaar) Strijken (1 of 2 personen) 22 minuten per week (19 uur per jaar) Eigen mogelijkheden cliënt of netwerk 20 minuten 17 uur Extra wasmachine vanwege beperkingen cliënt 19 minuten 16 uur Minder inzet nodig dan de basisnorm De in het normenkader opgenomen (omvang van) ondersteuning is gebaseerd op volledige professionele overname van alle activiteiten. Als geen volledige overname van taken nodig is omdat een cliënt of het netwerk van de cliënt bepaalde activiteiten zelf kan uitvoeren, kan er minder ondersteuning worden ingezet. Als de cliënt of een huisgenoot bepaalde activiteiten kan uitvoeren, spreken we van gebruikelijke hulp. Naast gebruikelijke hulp mag ook rekening gehouden worden met de inzet van (andere) personen uit het sociale netwerk of mantelzorgers, mits zij die ondersteuning inderdaad (blijven) bieden. 4.1 Schoon en leefbaar huis Uit onderzoek van HHM is gebleken dat cliënten die géén volledige overname nodig hebben omdat ze zelf (of het netwerk) bepaalde activiteiten uitvoeren, gemiddeld 15 minuten per week minder ondersteuning nodig hebben voor het schoon en leefbaar huis. Veelal gaat het dan om situaties waarin de cliënt (of het netwerk) zelf kan schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het verminderen van de in te zetten ondersteuning kan alleen als een substantieel aantal activiteiten zelf wordt uitgevoerd. Zoals wekelijks stof afnemen op ooghoogte in de woon- én slaapkamer of de badkamer poetsen of de woonkamer én gang stofzuigen. Kan de cliënt of een huisgenoot meer activiteiten uitvoeren dan schoonmaken op middenniveau, dan kan op basis van de aanwezigheid van gebruikelijke hulp nog één of zelfs tweemaal extra mindering met 15 minuten plaatsvinden. Dat geldt ook als het sociale netwerk meer activiteiten uitvoert. 4.2 Wasverzorging Als de cliënt (of het netwerk) zelf activiteiten kan uitvoeren op het gebied van de wasverzorging, kan de in te zetten ondersteuning op dit punt met 20 minuten per week worden verminderd. Dit speelt veelal als de cliënt zware/grote wasstukken niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding en ondergoed e.d. Meer inzet nodig dan de basisnorm Er kunnen verschillende omstandigheden zijn die maken dat méér inzet van huishoudelijke ondersteuning nodig is dan de basisnorm. Deze omstandigheden worden hierna toegelicht. 5.1 Schoon en leefbaar huis Beperkingen en belemmeringen cliënt Bij de cliënt kan sprake zijn van beperkingen waardoor het huis vaker of intensiever schoongemaakt moet worden. Dit kan veroorzaakt worden door medische beperkingen, bijvoorbeeld ernstige incontinentie of COPD. In dat geval kan extra ondersteuning worden ingezet. De noodzaak voor meer inzet is daarbij leidend, niet de aanwezigheid van de aandoening op zich. Als enige extra inzet nodig is door uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week, wordt 30 minuten hulp extra ingezet. Als veel extra inzet nodig is, veelal met een tweede bezoek/werkmoment per week, wordt 60 minuten hulp extra ingezet. Bij de beoordeling van (enige) extra inzet wordt nadrukkelijk het begrip eigen kracht betrokken. In alle redelijkheid mag van mensen worden verlangd dat zij bepaalde acties ondernemen of juist nalaten om hun beroep op de Wmo zoveel als mogelijk te beperken waardoor extra inzet vanwege extra vervuiling niet aan de orde behoeft te zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: dragen van deugdelijk incontintentiemateriaal; zorgdragen voor een deugdelijke schoonrolmat ter minimalisering van vervuiling door het gebruik van een rolstoel binnen en buiten; mogelijkheden om apparatuur zoals een koelkast op ooghoogte te brengen; ergonomisch aangepast bestek, borden, pannen en drinkgerei. Samenstelling van het huishouden Als in het huishouden kinderen aanwezig zijn, kan het zo zijn dat het huis sneller vervuilt en vaker of intensiever schoongemaakt moet worden. Als dit noodzakelijk is, kan hiervoor extra ondersteuning worden ingezet. Dit is maatwerk. De professionele inschatting van de Wmo-consulent is hierin leidend. Aanwezigheid in het huishouden van meerderjarige kinderen (van 18 jaar of ouder) alleen leidt niet tot toekenning van extra punten. Deze kinderen kunnen weliswaar zorgen voor extra vervuiling, maar zij kunnen ook een bijdrage leveren in het schoonhouden van de woning. Dit is uiteraard anders indien meerderjarige kinderen door stoornis en/ of gebrek deze activiteit niet kunnen vervullen. Extra kamers Naast de woonkamer, slaapkamer, keuken, het sanitair en de hal, kan de cliënt nog een of meerdere extra kamer(
  5. s)in gebruik hebben die wekelijks moet worden schoon gemaakt, zoals een intensief gebruikte hobbykamer en/of een extra slaapkamer die permanent in gebruik is. Een kamer betreft een afsluitbare inpandige verblijfsruimte. Een uitbouw van een woonkamer betreft in die zin geen extra kamer tenzij de woonkamer wordt afgescheiden van de aanbouw (serre) middels een deur of schuifpui. Een woonkamer die uiteenvalt in 2 delen (ensuite) heeft voor te gelden als één (woon-)kamer. Als sprake is van een extra kamer die in gebruik is als slaapkamer (naast de hoofdslaapkamer van de cliënt(en)), dan wordt hier 18 minuten extra ondersteuning per week voor in gezet. Denk bijvoorbeeld aan een stel dat altijd apart slaapt of de slaapkamer van een (minderjarig) kind, mits dit kind de slaapkamer niet zelf kan schoonhouden en op dit punt dus geen gebruikelijke hulp kan bieden. Voor een andere extra kamer, niet zijnde een slaapkamer, wordt 5 minuten extra per week ingezet. Vervuiling huisdier De cliënt kan één of meerdere huisdieren hebben waardoor de woning intensiever schoongemaakt moet worden, bijvoorbeeld omdat het huisdier veel haren verliest. Dit wordt echter als een ‘eigen keuze van de cliënt’ beschouwd, en leidt niet tot extra inzet. Een uitzondering hierop vormen de aanwezigheid van (opgeleide) hulphonden in de woning die leiden tot extra vervuiling van de woning. Zo nodig leidt dit extra inzet (+15 min per week). Andere omstandigheid, zoals omvang/staat van de woning en bewerkelijkheid Er kunnen andere - hierboven niet genoemde – redenen zijn waardoor het huis sneller vervuilt en vaker of intensiever schoongemaakt moet worden, bijvoorbeeld vanwege de staat van onderhoud en inrichting/bewerkelijkheid van de woning (wat niet beïnvloed kan worden door aanpassing/eigen kracht). In dat geval wordt 15 minuten per week extra ondersteuning ingezet. 5.2 Wasverzorging In een eenpersoonshuishouden wordt uitgegaan van 4 x wassen per twee weken, in geval van een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van 5 x wassen per twee weken. Als een cliënt bovenmatig veel was heeft ten gevolge van ziekte of gebrek of als er minderjarige (jonger dan 18) kinderen in het huishouden wonen, dan wordt extra tijd toegekend voor de was. Voor iedere extra was bovenop 4 dan wel 5 wassen per 2 weken, wordt 19 minuten per week toegekend. Bijlage2:Beoordelingskader “schoon en leefbaar huis” 1. Begrenzing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuningDe door het college te verstrekken Wmo-maatwerkvoorzieningen zijn gericht op: het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en / of participatie; of het stabiliseren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt dan wel het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid en / of participatie; of het verbeteren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt. In de context van de gradaties sub a, b en c zoals benoemd, wordt de cliënt zoveel als mogelijk in staat gesteld om een huishouden te voeren, waaronder mede wordt verstaan:het beschikken over een schoon en leefbaar huis. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning gaat over een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone en draagbare kleding. De volgende afbakening vindt plaats: - Het gaat om de leefvertrekken die wekelijks in gebruik zijn De huishoudelijke activiteiten worden uitgevoerd in de leefvertrekken van de woning die wekelijks worden gebruikt (inclusief aangrenzende hal en/of trap en/of overloop). Onderdelen van de woning die niet wekelijks in gebruik zijn vallen in beginsel niet onder de reikwijdte van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, tenzij eventueel als een zgn. incidentele activiteit. - Binnenkant huis Het gaat altijd om de “binnenkant” van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen dus per definitie niet onder de maatwerkvoorziening HO. - Het gaat om activiteiten die algemeen gebruikelijk zijn Huishoudelijke ondersteuning omvat activiteiten die algemeen gebruikelijk zijn. Onder algemeen gebruikelijke activiteiten wordt volgens deze Nadere Regels verstaan: activiteiten die naar algemeen aanvaarde opvattingen tot de dagelijkse dan wel periodieke huishoudelijke activiteiten behoren. Het strijken van onderkleding of beddengoed is een voorbeeld van een niet-algemeen gebruikelijke schoonmaakactiviteit. Deze activiteit valt daarom niet binnen de maatwerkvoorziening. Kan een schoonmaakactiviteit door cliënt uitgevoerd worden met aan algemeen gebruikelijk technisch hulpmiddel, dan valt deze evenmin onder de maatwerkvoorziening HO. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke technische hulpmiddelen zijn een wasmachine/droger en een vaatwasser. Een robotstofzuiger is geen algemeen gebruikelijk hulpmiddel nu niet gesteld kan worden dat mensen, met of zonder beperking, worden geacht te beschikken over een dergelijk apparaat. Indien algemeen gebruikelijke hulpmiddelen niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing kunnen zijn voor een probleem, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de cliënt om dergelijke apparatuur aan te schaffen. Dit geldt eveneens voor aanpassingen zoals bijvoorbeeld een verhoging voor een wasmachine of droger. Hierbij geldt de restrictie dat het technische hulpmiddel voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt. Zie daartoe ook CRvB 27-01-2016 (ECLI: NL: CRvB: 2016:373) en CRvB 17-12-2014 (ECLI:NL:CRvB:2014:4276). - Huishoudelijke ondersteuning uitgedrukt in activiteiten De basisactiviteiten die nodig zijn om de resultaten ‘een schoon en leefbaar huis’ en ‘het beschikken over schone en draagbare kleding’ te bereiken, zijn opgenomen in bijlage 1. Naast de hierboven benoemde basisactiviteiten, omvat huishoudelijke ondersteuning eveneens zogenaamde incidentele activiteiten. Incidentele activiteiten kenmerken zich door een bepaalde mate van uitstelbaarheid en lage frequentie in de uitvoering. Denk aan het wassen van de ramen (binnenkant), wassen van de vitrage, poetsen van deuren enz. Daarom is ook voor deze incidentele taken een niveau van schoon gedefinieerd (zie hierover nader paragraaf 3). De frequentie waarin de activiteiten moeten worden verricht om tot het resultaat schoon en leefbaar huis en het resultaat schone en draagbare kleding te komen wordt bepaald overeenkomstig artikel 2.1 lid 4. Dit is dus is mede afhankelijk van de persoonlijke situatie en leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van de cliënt. Ook de aard van de activiteit bepaalt de frequentie (basis dan wel incidenteel). Kortom, bijlage 1 vormt de basis, maar heeft niet één op één (altijd) te gelden in een individuele situatie. Maatwerk vindt altijd plaats en komt tot uitdrukking in het ondersteuningsplan. 2. Wat is schoon, wat is leefbaar ?Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Schoon betekent dat de leefvertrekken schoon moeten zijn volgens de norm zoals toegelicht onder punt 3. De woning dient zodanig schoon te zijn dat deze niet vervuilt. Het gaat om een basisniveau van schoon houden. Wat minimaal nodig is wordt gedaan. Dit kan heel praktisch betekenen dat de uitvoering niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van cliënten. 3. De norm “schoon”Wanneer is een huis schoon? Hoe beoordeel je dat ? Daarvoor heeft de gemeente een beoordelingskader aangelegd. Dit beoordelingskader bevat een aantal algemene regels die er op zijn gericht een zo redelijk en eenduidig mogelijk geobjectiveerd oordeel te verkrijgen over de vraag of een huis schoon is. Schoon is het tegenoverstelde van vuilBeoordelen of een huis schoon is betekent controleren of en in welke mate sprake is van vervuiling. Van vervuiling is sprake indien in een bepaalde mate stof, vlekken, vingertasten en aanslag aanwezig zijn op de in het huis aanwezige elementen (delen of onderdelen van de inventaris). Een dergelijke constatering leidt tot een fout. De optelsom van het aantal afzonderlijke fouten maakt vervolgens de beoordeling als geheel. Sommige elementen moeten stof- en / of vlekvrij zijn. Er zijn ook elementen waarbij enige lichte verontreiniging aanwezig mag zijn. Zie daartoe de beschrijving van de afzonderlijke elementen. Beoordelen of een element schoon of vuil is, is een momentopname. Dat geldt ook voor het schoonmaken zelf: hetgeen vandaag wordt schoongemaakt blijft niet schoon. Dit betekent dat bij een controle rekening wordt gehouden met zogenaamde hervervuiling: vervuiling van een eerder schoongemaakt element. In concreto betekent dit dat de controleur een woning beoordeelt met inachtneming van het gegeven dat dagelijks vuil een gegeven is en onderscheiden moet worden van cumulatief vuil (ophoping van dagelijks vuil). Controleren en beoordelen vereist dus meer dan de enkele constatering vuil of schoon. Daarom dient de controleur gediplomeerd te zijn als VSR-KMS-controleur. Daartoe moeten zij een diploma hebben behaald bij SVS B.V. te Capelle aan de IJssel. Overigens kunnen zich individuele situaties voordoen dat hervervuiling zeer beperkt aanwezig mag zijn vanwege de specifieke medische problematiek van een cliënt. In die situaties heeft de zorgaanbieder de opdracht gekregen van de gemeente om vaker dan gebruikelijk schoon te maken, waardoor hervervuiling in mindere mate plaats vindt. De controleur kan op basis van het ondersteuningsplan beoordelen of de aanbieder zich aan de afgesproken frequentie van schoonmaken houdt. De controleur zal, indien dat niet het geval is en er dus een mate van hervervuiling aanwezig is die niet toelaatbaar is gelet op afgesproken frequentie, dit als vuilfout aanmerken. Navolgend een toelichting op de beoordeling van de elementen in alfabetische volgorde. Het gaat om de beschrijving van het vereiste schoonmaakniveau direct na schoonmaak, dus zonder de invloed van hervervuiling. Afvalbak/prullenbak: De afvalbak moet leeg zijn gemaakt. De binnenkant behoeft niet vlekvrij te zijn, maar mag geen aangekoekt vuil vertonen. Dit geldt ook voor de binnenkant van een eventueel aanwezig deksel. Indien de afvalbak van een kunststof binnenzak is voorzien, geldt het voorgaande voor de kunststof binnenzak.De buitenkant van een eventueel aanwezige deksel moet stof en vlekvrij zijn. Op de buitenkant van de afvalbak mogen een paar spetten zitten. Armatuur/bureaulamp: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Asbak: De asbak moet leeg zijn gemaakt en moet vrij zijn van teer- en nicotinevlekken. De buitenkant van de asbak moet stof- en vlekvrij zijn. Binnenzijde van een bad: Indien een bad aan de binnenzijde is vervuild met huidvetten en/of kalkzeepresten, wordt dit zichtbaar gemaakt door stromend water langs het bad-oppervlak te laten lopen. Bij een bad dat is schoongemaakt, loopt het water als een film langs de wand naar het afvoerpunt. Bij een bad dat niet juist is schoongemaakt, loopt het water parelend in gebroken straaltjes langs de wand naar beneden. Binnenzijde van dichte kasten: De binnenzijde van dichte kasten wordt niet gecontroleerd nu de binnenzijde van kasten de verantwoordelijkheid van mensen zelf is. Het controleren van kasten aan de binnenzijde raakt ook de privacy van mensen. Uitzondering hierop betreft de keukenkasten waaronder begrepen de koelkast. Buitenzijde van een bad: Moet stof- en vlekvrij zijn. Bad-garnituur: Moet stof- en vlekvrij zijn. Bed: Ombouw moet stof- en vlekvrij zijn. Borstelhouder: Moet stof- en vlekvrij zijn. Bureau: Het bovenblad van het bureau en de handgrepen van de laden moeten stof- en vlekvrij zijn. Computer en randapparatuur: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Deuren/deurposten: Op deuren en deurposten mogen geen vlekken en stof aanwezig zijn. Schopstrepen van schoenen moeten niet als fout worden aangemerkt. Bij de deuren vooral letten op het gebied rond de deurknop. Doorspoelinstallatie: De met de hand te bedienen drukker of trekker van de doorspoelinstallatie, een laag geplaatste stortbak en de aansluiting van de valpijp op de toiletpot of het urinoir, moeten stof- en vlekvrij zijn. De rest van de installatie, zoals een hoog geplaatste stortbak, moet er verzorgd uitzien; een vlekje of licht stof mag aanwezig zijn. Douche: De douche wordt voor de beoordeling verdeeld in drie elementen, te weten: de doucheinstallatie, de douche-/natte vloer inclusief afvoerputje en de douchewand. Voor alle drie elementen geldt dat ze stof- en vlekvrij moeten zijn. Het afvoerputje moet vrij van haren en dergelijke zijn. Indien een douche aan de binnenzijde is vervuild met huidvetten en/of kalkzeepresten wordt dit zichtbaar gemaakt door stromend water langs de douchewand te laten lopen; Bij een douche die is schoongemaakt, loopt het water als een film langs de wand naar het afvoerpunt. Bij een douche die niet juist is schoongemaakt, loopt het water parelend in gebroken straaltjes langs de wand naar beneden. Gordijnen/vitrages: Gordijnen/vitrages dienen stof- en vlekvrij te zijn. Gordijnrail: Licht stof is toelaatbaar. Kabelgoten: Licht stof is toelaatbaar. Kapstok: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Kast: Deuren en handgrepen dienen stof- en vlekvrij te zijn. Lichte stof is toelaatbaar op bovenzijde kast. Keukenblok (inclusief tegelwand, kookplaat en spoelbak): Moet stof- en vlekvrij zijn. Keukenkastjes: Op de bovenzijde mag licht stof aanwezig zijn. Deuren en handgrepen dienen stof- en vlekvrij te zijn. De binnenkant van de keukenkasten behoeft niet vlekvrij te zijn maar mag geen aangekoekt vuil vertonen. Keukenapparatuur: Buitenkant: Op de bovenzijde mag licht stof aanwezig zijn. Buitenkant behoeft niet vlekvrij te zijn maar dient wel vrij te zijn van aangekoekt vuil. Binnenzijde moet stofvrij zijn maar behoeft niet vlekvrij te zijn. Wel dient binnenzijde vrij te zijn van aangekoekt vuil. Lamellen: Zie raamdecoratie. Leidingen en buizen: Op horizontale leidingen is licht stof toelaatbaar. Leuningen: Leuningen moeten stof- en vlekvrij zijn. Luchtroosters: Moeten vlekvrij zijn. Lichte stof is toegelaten. Planchet: Moet stof- en vlekvrij zijn. Plafondrooster: Moet vlekvrij zijn. Licht stof is toegelaten. Plinten: Op plinten mag licht stof aanwezig zijn. Printer: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Prullenbak/pedaalemmer: De prullenbak moet leeg zijn gemaakt. De binnenkant behoeft niet vlekvrij te zijn, maar mag geen aangekoekt vuil vertonen. Dit geldt ook voor de binnenkant van een eventueel aanwezig deksel. Indien de prullenbak van een kunststof binnenzak is voorzien, geldt het voorgaande voor de kunststof binnenzak. De buitenkant van een eventueel aanwezige deksel moet stof- en vlekvrij zijn. Op de buitenkant van de prullenbak mogen een paar spetten zitten. Raamdecoratie: Licht stof mag aanwezig zijn. Ramen binnenzijde: Op kozijnen mag licht stof aanwezig zijn. De ramen zelf dienen vlekvrij te zijn. Radiatoren: Op de bovenzijde mag licht stof aanwezig zijn. Richel/rand/kabelgoot: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Schilderijen en (foto-) lijsten: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Schakelaars en wandcontactdozen: Moeten stof- en vlekvrij zijn. Schappen: Mag licht stof aanwezig zijn. Spiegel: Moet stof- en vlekvrij zijn. Spinrag: Spinrag mag niet aanwezig zijn. Stoel/bank/kruk: Mag hier en daar een vlekje en licht stof aanwezig zijn. Tafel/bijzettafeltje: Bovenzijde moet stof- en vlekvrij zijn. Op de poten mag licht stof aanwezig zijn. Tegelwand keuken (los van keukenblok): Moet stof- en vlekvrij zijn. Telefoon: Op de telefoon mogen geen vlekken of stof aanwezig zijn. Let bij telefoons vooral op het hoor- en spreekgedeelte van de hoorn. Televisie, (andere) monitoren, radio en boxen: Licht stof mag aanwezig zijn. Toetsenbord: Hierop mag licht stof aanwezig zijn. Toiletpot: De binnenkant van de toiletpot moet vlekvrij zijn. Kalkaanslag mag niet aanwezig zijn. De buitenkant van de toiletpot moet stof- en vlekvrij zijn. Er moet vooral worden gelet op plaatsen waar de WC-bril op de toiletpot is bevestigd, waar de afvoerbuis de toiletpot verlaat en op de voet van de toiletpot met de bevestigingsbouten. Toiletrolhouder: Moet stof- en vlekvrij zijn. Trappen: Moeten stof- en vlekvrij zijn. Uitstortgootsteen: De binnenkant van de gootsteen moet vlekvrij zijn. Kalkaanslag mag niet aanwezig zijn. De buitenkant van de gootsteen moet stof- en vlekvrij zijn. Urinoir: De binnenkant van het urinoir moet vlekvrij zijn. Kalkaanslag mag niet aanwezig zijn. De buitenkant van het urinoir moet stof- en vlekvrij zijn. Vensterbanken: Op de vensterbank mag licht stof aanwezig zijn. Vloeren in sanitaire ruimten: De vloeren moeten stof- en vlekvrij zijn. Bij betegelde vloeren mag lichte randaanslag op de scheiding wand/vloer aanwezig zijn. Vloeren in andere ruimten: Vlakke vloeren moeten stof- en vlekvrij zijn. Grof vuil mag niet op de grond voorkomen. Hier en daar mag een vlekje op de vloer aanwezig zijn. Vloerbedekking van textiel moet vrij zijn van zichtbaar los vuil. Wandcontactdozen: Buitenzijde moet stof- en vlekvrij zijn. Wastafel: De wastafel moet stof- en vlekvrij zijn. Ook de kranen moeten vlekvrij zijn. Op het afdekplaatje van de afvoer mogen geen haren en dergelijke voorkomen. Indien een wastafel aan de binnenzijde is vervuild met huidvetten en/of kalkzeepresten wordt dit zichtbaar gemaakt door stromend water langs de wand te laten lopen; Bij een wastafel die is schoongemaakt, loopt het water als een film langs de wand naar het afvoerpunt. Bij een wastafel die niet juist is schoongemaakt, loopt het water parelend in gebroken straaltjes langs de wand naar beneden. WC-bril: De WC-bril, zowel de onder- als bovenzijde, moet stof- en vlekvrij zijn. Vooral scharnierpunten en bevestigingspunten moeten goed worden bekeken. Indien zich in een woning een element bevindt dat niet is beschreven in bovengenoemde lijst, is het uitgangspunt dat het element, zoveel als mogelijk, op een gelijke wijze wordt beoordeeld als een enigszins vergelijkbaar element dat wel wordt benoemd in de lijst dan wel dat beoordeling plaatsvindt conform de redelijkheid en billijkheid. 4. Toelichting meetsysteem VSR-DKSMaar hoe meet je of sprake is van een schoon en leefbaar huis? Als een enkel element niet het vereiste niveau van schoon heeft, kan dan nog worden gesproken van een schoon en leefbaar huis? Aan dergelijke begrippen kun je (vanuit een subjectieve interpretatie) immers in verschillende situaties verschillende betekenissen toekennen. Daarom is er behoefte aan een geobjectiveerd meetinstrument op basis van uniforme en duidelijk omschreven uitgangspunten. Daarover gaat dit toetsingskader. De basis voor dit kader is de zogenaamde NEN 2075:2000, het geobjectiveerde kwaliteitssysteem voor de schoonmaakdienstverlening, tot stand gekomen na onderzoek door VSR4De Vereniging Schoonmaak Research (VSR) is het onafhankelijke platform voor professioneel schoonmaken. Als kennisinstituut voor alle marktpartijen op het gebied van schoonmaakonderhoud, streeft VSR al meer dan 35 jaar naar objectivering en professionalisering van het schoonmaakvak door middel van onderzoek, voorlichting en opleiding. en TNO. Normgegevens uit NEN 2075 zijn, met (niet overdraagbare) toestemming van NEN te Delft overgenomen. De opgenomen normgegevens uit NEN 2075 zijn cursief verwerkt in dit kader. Ontleend aan de NEN 2075:2000 hanteert het college het meetsysteem VSR-DKS. A. Uitleg over het Toetsingskader "Meetsysteem schoon en leefbaar huis"- VSR-DKSOmdat de gemeente zorginzet, of beter gesteld het resultaat, wil meten, heeft de gemeente in samenwerking met deskundigen een methodiek ontwikkeld die haar in staat stelt om via (onafhankelijke) controles een zo objectief mogelijke uitspraak te kunnen doen over de prestaties van de zorgaanbieder. Deze methodiek is ontleend aan de NEN 2075:2000. De NEN 2075:2000 is niet de norm maar dient wel als basis voor het toetsingskader. De methodiek die de gemeente hanteert is specifiek gebaseerd op het meetsysteem VSR-DKS. - VSR – DKS nader toegelichtVSR-DKS staat voor: Dagelijkse Kontrole Systeem en is een systeem waarmee op eenvoudige en duidelijke wijze de fouten van een schoonmaker inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Voorts kan op basis van deze bevindingen een werkinstructie aan de desbetreffende schoonmaker worden gegeven voor het verbeteren van de werkzaamheden. Het betreft in schoonmaakland, voor zover bekend, de enige methodiek die toegepast wordt om het werk van een schoonmaker te controleren. De VSR-DKS-methodiek wordt door leidinggevenden van schoonmaakbedrijven gebruikt om hun personeel te ondersteunen in het verbeteren van hun werk. Schoonmaakbedrijven passen deze methodiek periodiek toe, per medewerker, verschillend tussen om de week, maandelijks, of een lagere frequentie per jaar. Middels de VSR-DKS-methode vindt een beoordeling plaats van één of meerdere ruimten in een gebouw waarbij wordt onderzocht of de in de ruimte aanwezige elementen schoon zijn en methodisch juist zijn schoongemaakt. In het "Meetsysteem schoon en leefbaar huis" zijn de reinheidseisen per element beschreven. De reinheidseisen zijn beschreven conform de NEN 2075:2000 en met toestemming van de NEN gebruikt. De reinheidseisen zijn op een aantal specifieke onderwerpen uitgebreid voor Wmo- dienstverlening omdat in particuliere huishoudens elementen voorkomen die in de reguliere schoonmaakdienstverlening (bedrijven en instellingen) niet of nauwelijks van toepassing zijn. Middels de VSR-DKS-methode kan het schoonmaakbedrijf (en dus ook de gemeente) vervolgens zelf een waarde of een cijfer toekennen aan het aantal geconstateerde fouten in relatie tot het aantal ruimten zoals gecontroleerd. Dit, zolang het voor alle betrokken partijen vooraf duidelijk is en het herleidbaar is. Aan dit belangrijke uitgangspunt voldoet de gemeente middels het hanteren van een rekenregel / formule zoals neergelegd in het toetsingskader. De VSR-DKS wordt door de gemeente toegepast met behulp van onafhankelijke controleurs die VSR zijn opgeleid en gecertificeerd. Welke controleur er ook komt, zij zien (door hun VSR-opleiding) dezelfde zaken, noteren dezelfde zaken en komen dus met eenzelfde eindresultaat. - VSR-DKS in de praktijkVolgens deze methode wordt door een daarvoor gekwalificeerde controleur genoteerd welke foutsoorten in welke ruimte voorkomen. Deze foutsoorten geven de controleur inzicht in de kwaliteit van het werk van de schoonmaker. Ook methodische fouten komen hiermee snel aan het licht. Methodische fouten maken duidelijk dat er een instructie aan de desbetreffende schoonmaker nodig is op een specifiek onderdeel. In de VSR-DKS-methodiek onderscheiden we drie verschillende foutsoorten: vuil, methodischefouten en periodieke fouten. Periodieke fouten zijn fouten die ontstaan door het langdurig niet uitvoeren van werkzaamheden, denk aan verkalking van een kraan. In ons systeem maken we een (vereenvoudigde) tweedeling tussen vuilfouten (V) en methodische fouten (M). Periodieke fouten worden als een vuilfout geteld. De formule die de basis vormt voor de optische controle is: Cijfer = ((1- (Aantal fouten V + M / Aantal SE2)) * 0,8 ) *10 In onze methodiek hebben we het aantal SE’s per ruimtesoort op de volgende wijze gestandaardiseerd: Entree 4; Gang 6; Toilet 8; Woonkamer 12; Keuken 8; Berging 4; Trap 3; Slaapkamer 6;en Badkamer 12. Zie onder C. voor wat betreft specificatie van de SE’s. De SE’s zijn per ruimte verschillend en afhankelijk van het aantal voorkomende elementen in de betreffende ruimte. Een badkamer bevat bijvoorbeeld meer elementen om schoon te maken dan een entree of een berging. Het aantal fouten in een badkamer mag dan ook hoger zijn. Alleen de ruimtes die in gebruik zijn worden gecontroleerd en meegenomen in de berekening. Voor de beeldvorming: Een gemiddelde woning (met entree, gang, toilet, woonkamer, keuken, badkamer en twee slaapkamers) bevat 62 SE’s per controle. Indien bij een controle 5 verstoringen/ fouten worden geconstateerd, dan levert dat afgerond het cijfer 7,4 op. Eén enkele verstoring in deze woning levert een 7,9 op. C. Specificatie van SE’sEntree 4 Ruimte zelf, vloer, deur, lichtknop Gang 6 Ruimte zelf, vloer, deur, plint, lichtknop, rand / richel Toilet 8 Ruimte zelf, vloer 2x, deur, wand 2x, toiletpot, wastafel Woonkamer 12 Ruimte zelf, vloer, deur, plint, lichtknop, kast, 2 x tafel, armatuur, fauteuil, bank, vensterbank Keuken 8 Ruimte zelf, vloer , deur, plint, lichtknop, afvalbak, tafel, keukenblok boven- en voorzijde Berging (inpandig) 4 Ruimte zelf, vloer, deur, lichtknop Trap 3 Ruimte zelf, vloer, plint Slaapkamer 6 Ruimte zelf, vloer, deur, plint, lichtknop, kast Badkamer 12 Ruimte zelf, vloer 2x, deur, wand 2x, lichtknop, douche /bad, douche-bad-installatie, wastafel, spiegel, afvalbak Korte toelichting: Vloer 2 x toilet: vloergedeelte onder toiletpot + vloergedeelte onder wastafel; Vloer 2 x badkamer: vloergedeelte onder wastafel en vloergedeelte douche; Wand 2 x toilet: wand achter wastafel en wand achter toilet; Wand 2 x badkamer: wand achter wastafel en wand douche / bad. 5. Het begrip schoon beoordeeldDe basis voor de beoordeling betreft de basisactiviteiten zoals beschreven in het ondersteuningsplan. Ook incidentele activiteiten worden gecontroleerd en, indien aan de orde, wordt in het beoordelingsrapport, een opmerking geplaatst. Een fout-constatering betekent echter niet dat de woning niet schoon en leefbaar is. Gelet op het fenomeen hervervuiling is het praktisch namelijk onmogelijk om incidentele activiteiten goed te beoordelen. Tenzij de incidentele activiteit zeer recent voor de controle is uitgevoerd, betekent beoordeling namelijk nagenoeg altijd een fout-constatering. Het resultaat van de controle wordt weergegeven in een punt. Dit is een punt variërende van een 4 tot en met een 8. Beoordeling in een range van 4 tot en met 8 betekent dat de cijfers in de range van 4 tot 6 als onvoldoende worden betiteld en de cijfers 6 tot en met 8 als voldoende. Deze becijferingsmethode is gangbaar binnen de Wmo-huishoudelijke ondersteuning. Door aansluiting te zoeken bij deze methode zijn we in staat om – indien gewenst – te benchmarken. Iedere fout telt even zwaar. Per element kan er niet meer dan één fout worden geteld. Er kunnen twee soorten fout worden onderscheiden: Methodefout: Niet juist schoongemaakt. Het vuil is wel (gedeeltelijk) verwijderd, maar op een manier die sporen van het schoonmaken heeft achtergelaten; Vuil-fout: Niet schoongemaakt. Het vuil is niet verwijderd. De gehanteerde formule voor het berekenen van het resultaat / punt: Cijfer = ((1-(Methodefout + Vuil-fout)/aantal SE))*0.8)*10. SE staat voor het begrip “steekproef eenheid” en zijn de elementen die binnen de systematiek gelden als meest essentiëel. De gemeente heeft het aantal SE’s per ruimtesoort gestandaardiseerd en gespecificeerd. Zie daartoe de toelichting. Bijlage 3:Normenkader begeleiding Peelgemeenten ( maart 2025) Normenkader begeleiding, versie 2.0 Instrument voor het indiceren van Wmo-begeleiding Dit Normenkader Begeleiding is ontwikkeld door bureau HHM en Factum Advies, op basis van opdrachten uitgevoerd voor meerdere gemeenten en een gezamenlijke doorontwikkeling en validatie door beide bureaus. Algemeen 1.1Inleiding Dit normenkader is ontwikkeld om gemeenten te helpen bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en het afwegen en onderbouwen van de aard en omvang van indicaties voor Wmo-begeleiding. Het Normenkader Begeleiding is als versie 1.0 in 2022 uitgewerkt op basis van voorgaande ontwikkel- en implementatie-trajecten door bureau HHM (Normenkader Begeleiding) en Factum Advies (FAQT-V) met en voor meerdere gemeenten. In de jaren 2022 - 2024 hebben beide bureaus het normenkader samen doorontwikkeld tot versie 2.0 van het Normenkader Begeleiding. In het separate Ontwikkelverslag Normenkader Begeleiding 2.0 (bureau HHM, Factum Advies, 2024) is de ontwikkelhistorie en validatie van het normenkader beschreven. In geschillen rondom de Hulp bij het huishouden heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aangegeven dat gemeenten voor de onderbouwing van indicaties gebruik mogen maken van een normenkader, mits dit normenkader tot stand is gekomen op basis van objectief, deskundig en onafhankelijk uitgevoerd onderzoek 1 ECLI:NL:CRVB:2016:1402 . Een goed onderzocht normenkader leunt daarbij op drie pijlers (triangulatie): data-onderzoek in de praktijk de oordelen van cliënten expertopinies In het Ontwikkelverslag Normenkader Begeleiding 2.0 beschrijven wij hoe we vorm en invulling hebben gegeven aan deze drie pijlers bij de uitwerking van het Normenkader Begeleiding 2.0. In deze handleiding de uitwerking: hoe kan het Normenkader Begeleiding worden toegepast door gemeentelijk consulenten. 1.2Doel Normenkader Begeleiding Veel inwoners van de gemeente regelen alleen of samen met anderen de vraagstukken die zij tegenkomen in hun leven. Een deel van de inwoners heeft hierbij tijdelijk of langdurend ondersteuning nodig, bijvoorbeeld in de vorm van Wmo-begeleiding: individuele begeleiding en/of dagbesteding. De Wmo 2015 kent als hoofddoel: Inwoners van de gemeente zo nodig ondersteuning bieden ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie. Als een cliënt2 Op grond van de woordkeuze in de Wmo 2015 gebruiken we het woord ‘cliënt’ en niet ‘inwoner’. om ondersteuning vraagt, doet de gemeente hier onderzoek naar. De gemeente onderzoekt de gehele ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Bepaalt daarna wat de mogelijkheden zijn om hierin te voorzien vanuit eigen kracht, het netwerk en overige voorliggende voorzieningen. Om tot slot te bepalen welke maatwerkvoorziening hierop aanvullend nodig is. Deze maatwerkvoorziening (ondersteuning op maat van het individu) wordt vastgelegd in een beschikking ofwel een indicatie. De cliënt ‘verzilvert’ de indicatie vervolgens ‘in natura’ en/of met een persoonsgebonden budget (pgb). De cliënt wil daarbij weten “wat ga ik nu krijgen en waarom krijg ik dit?”, de gemeente moet dit ook inzichtelijk maken. De Wmo-consulent3 Voor deze functie worden verschillende namen gebruikt. Voor ‘Wmo-consulent’ mag hier ook worden gelezen Wmo-klantmanager, toegangsmedewerker, etc. van de gemeente heeft behoefte aan een kader om transparant en zo objectief mogelijk te kunnen bepalen welke ondersteuning de cliënt nodig heeft, binnen de lokale en wettelijke kaders. De aanbieder wil weten welke inzet van ondersteuning van hen wordt verwacht. Met dit normenkader helpen we de Wmo-consulent om diens professionele afweging - nog meer - transparant, afgewogen en eenduidig te maken. In de indicatie wordt de aard, omvang en duur van de te bieden ondersteuning vastgelegd, in overeen¬stemming met het juridisch kader zoals bepaald door de CRvB. Het is aan de gemeente om te bepalen hoe zij dit normen¬kader willen implementeren in hun eigen werkprocessen. Dit vraagt om situationeel maatwerk. Dit normenkader is algemeen van karakter en is daarmee voor alle gemeenten bedoeld. N.B.: het indiceren van Wmo-begeleiding is geen ‘harde wetenschap’ met vaste uitkomsten op basis van harde ‘rekenregels’. Het indiceren van begeleiding vraagt om een professionele afweging, op basis van veel elementen, met als doel onder¬steuning op maat te bieden voor de inwoner. Dit normenkader helpt dit transparant en afgewogen te doen, maar vereist wel een basisdeskundigheid van de Wmo-consulent om het te kunnen gebruiken. N.B.: in het normenkader volgen we de lijn van het algemene werkproces van Wmo-indicatiestelling met als focus de aard, omvang en duur van de te indiceren ondersteuning. We beschrijven daarom niet het gehele werkproces in al zijn facetten. Dit bevat meer stappen en elementen, zoals het wijzen op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning, het kunnen kiezen tussen zorg in natura of pgb, hoe wordt omgegaan met het vastleggen van gegevens, de mogelijkheid van het aanreiken van een persoonlijk plan, de mogelijkheid tot het maken van bezwaar en dergelijke. 1.3 Disclaimer Bureau HHM en Factum Advies spannen zich in om dit Normenkader Begeleiding juridisch houdbaar te laten zijn in geval van bezwaar en beroep. Wij kunnen succes bij juridische toetsing echter niet garanderen en aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele schade die hierdoor kan ontstaan. Wij bevelen sterk aan om – voordat men met het normenkader gaat werken - een training te volgen over het werken met het Normenkader Begeleiding zodat het normenkader wordt gebruikt zoals het is bedoeld. 1.4 Leeswijzer Na de algemene inleiding in hoofdstuk 1, schetsen we in hoofdstuk 2 het proces van indicatiestelling voor begeleiding. In hoofdstuk 3 beschrijven we de start van het proces van indicatiestelling: het integrale onderzoek en het beschrijven van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt (stappen 1, 2 en 3, conform de CRvB-uitspraak). In hoofdstuk 4 beschrijven we stap 4 (conform de CRvB-uitspraak) van het proces, het onderzoeken van de eigen mogelijkheden van cliënt en netwerk en overige voorliggende oplossingen. In hoofdstuk 5 beschrijven we de afsluitende stap 5 (conform de CRvB-uitspraak) van het proces: het vertalen van de nog in te vullen ondersteuningsbehoefte van de cliënt naar een Wmo-maatwerkvoorziening. Proces indicatiestelling De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak4 ECLI:NL:CRVB:2018:819 vastgelegd welke vijf stappen een gemeente moet doorlopen om op een zorgvuldige wijze tot een besluit te komen. Het proces om te komen tot een indicatie voor begeleiding hebben wij uitgewerkt in deze vijf stappen, zie figuur 1. Figuur 1. Proces besluitvorming Wmo-begeleiding Stap 1. Wat is de hulpvraag van de cliënt? De cliënt meldt zich met een hulpvraag. De Wmo-consulent start het onderzoek en gaat met de cliënt in gesprek. De cliënt heeft recht op onafhankelijke cliëntondersteuning en kan een persoonlijk plan uiterlijk binnen 7 dagen indienen. Stap 2. Wat is het probleem? Tijdens het onderzoek bevraagt de Wmo-consulent de cliënt, gerelateerd aan het gebruik van het Normenkader Begeleiding, op drie aspecten: de problematiek bij de participatie en zelfredzaamheid (aandoeningen, stoornissen en beperkingen) van de cliënt; inventarisatie van de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte per leefgebied; inventarisatie van overige cliëntkenmerken. Stap 3. Welke ondersteuning is naar aard en omvang nodig? Vaststellen aard en omvang van de bruto ondersteuningsbehoefte van de cliënt bij participatie en/of zelfredzaamheid. Stap 4. Afweging voorliggende oplossingen? Vervolgens weegt de Wmo-consulent af welke andere oplossingen dan wel voorliggende oplossingen beschikbaar zijn voor de cliënt om tot oplossingen te komen voor diens ondersteuningsbehoefte: onderzoek oplossingen door eigen kracht en/of netwerk; onderzoek overige voorliggende voorzieningen5 Voorliggende voorzieningen zijn alle mogelijke oplossingen die ‘voorgaan’ op een Wmo-maatwerkvoorziening, zoals vanuit de Wlz of andere regelingen/wetten. . Stap 5. Maatwerkvoorziening? Tot slot komt de Wmo-consulent in drie substappen tot de voor de cliënt benodigde maatwerkondersteuning op grond van de Wmo 2015 (netto): definitief maken van de benodigde Wmo-maatwerkvoorziening(en); kiezen van het best passende profiel, dat richting geeft aan het uiteindelijk te nemen besluit; afweging op basis van alle verzamelde informatie: definitieve aard, omvang en duur van te indiceren ondersteuning. Onderzoek Dit hoofdstuk omschrijft de eerste drie stappen uit het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep: De cliënt meldt zich met een hulpvraag. De Wmo-consulent start het onderzoek in samenspraak met de cliënt en waar nodig met de mantelzorger(
  6. s)dan wel een vertegenwoordiger van de cliënt. De Wmo-consulent bespreekt met de cliënt diens problematiek ten aanzien van participatie en/of zelfredzaamheid (aandoeningen, stoornissen en beperkingen), inventariseert diens ondersteuningsbehoefte en de effecten hiervan op verschillende leefgebieden en inventariseert de situatie van de cliënt op een aantal specifieke kenmerken. Vaststellen aard en omvang van de (bruto) ondersteuningsbehoefte. Stap 1. Cliënt meldt zich, start onderzoek Wanneer de cliënt zich meldt, bespreekt de Wmo-consulent diens hulpvraag met de cliënt. De Wmo-consulent onderzoekt ook de leefsituatie van de cliënt (gezinssituatie et cetera). Cliënten hebben de mogelijkheid een persoonlijk plan aan te dragen, dat de Wmo-consulent vervolgens meeneemt in het proces. Stap 2. Wat is het probleem? Tijdens het onderzoek bevraagt de Wmo-consulent de cliënt, voor zover nodig en gerelateerd aan het gebruik van het Normenkader Begeleiding, op drie aspecten: problematiek leefgebieden overige cliëntkenmerken Ad a. De problematiek (aandoeningen, stoornissen en beperkingen) t.a.v. zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt De Wmo-consulent brengt het functioneren van de cliënt in kaart aan de hand van de aandoeningen, stoornissen en beperkingen. De onderzoeksmethodiek ICD/ICF6 ICD/ICF: International Classification of Diseases and Health Related Problems/ International Classification of Functioning, Disability and Health kan hierbij helpend zijn. Ad b. Inventarisatie van de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte per leefgebied De Wmo-consulent brengt de ondersteuningsbehoefte van de cliënt in kaart aan de hand van elf leefgebieden7 Zie het Ontwikkelverslag met uitleg over de keuze van deze 11 leefgebieden. . Per leefgebied wordt bekeken op welke manier de aandoeningen, stoornissen en beperkingen invloed hebben en leiden tot zelfredzaamheids- of participatieproblemen. Belangrijk is hierbij dat de Wmo-consulent per leefgebied beschrijft welke ondersteuning de cliënt nodig heeft. Ook als dit nu op een andere manier wordt opgelost of wanneer een cliënt geen ondersteuning op dit gebied wenst. Zo doe je het meest recht aan de feitelijke situatie van de cliënt en wordt de ‘bruto’ behoefte aan ondersteuning van de cliënt duidelijk. In stap 4 worden de voor de cliënt al beschikbare of andere nog in te zetten mogelijke oplossingen op deze leefgebieden geïnventariseerd, waardoor deze uiteindelijk niet meewegen in de toe te kennen ‘netto’ maatwerkvoorziening. Let op: we bevelen aan ieder leefgebied aan de orde te stellen, waarbij alleen de voor het onderzoek relevante informatie wordt vastgelegd in de rapportage. De elf leefgebieden beschrijven we op volgende pagina’s. De elf leefgebieden: Psychische gezondheid (Persoonlijk functioneren): dit leefgebied gaat over het zelfbeeld/zelfinzicht van de cliënt en de controle over het gedrag. Kan de cliënt zelf een hulpvraag formuleren en kan de cliënt deze ook uitstellen? Dit omvat bijvoorbeeld ook het begrijpen van consequenties, omgaan met veranderingen, keuzes maken, emoties reguleren, eigen grenzen aangeven en agressie. Sociale contacten (Sociaal functioneren): dit leefgebied gaat over het gedrag van cliënt in relatie tot anderen. Is de cliënt beïnvloedbaar? Kan de cliënt rekening houden met anderen? Is de cliënt in staat om te functioneren binnen het gezin, de familie of binnen de vriendengroep? Kan de cliënt vriendschappen aangaan, deze behouden en onderhouden? Lichamelijke gezondheid & zelfzorg (Gezondheid en zelfzorg): dit leefgebied gaat over de zelfzorg en het inzicht van de cliënt in gezondheidsrisico’s. Denk hierbij aan problematiek gerelateerd aan slapen, evenwichtig dag- en nachtritme, volhouden van een gezond voedingspatroon, uiterlijke verzorging en tijdig medische professionals inschakelen wanneer er iets speelt. Verplaatsen en vervoer: dit leefgebied richt zich op het zelfstandig verplaatsen buiten de woning. Kan de cliënt gebruikmaken van een eigen vervoersmiddel (bijvoorbeeld een fiets of auto) of van het openbaar vervoer? Ook zaken als het bepalen van een route vallen onder dit leefgebied. Huisvesting (Wonen): dit leefgebied focust zich op problematiek rondom het onderhouden van de woning, zelfstandig kunnen wonen, het veroorzaken van dan wel omgaan met overlast en het contact met de eigenaar van de woning. Hieronder valt bijvoorbeeld ook het hebben van een veilige, passende woning en het veilig bewonen van de woning. Huishouden (Regie bij het huishouden): dit leefgebied gaat over de problemen die de cliënt ervaart bij het organiseren van huishoudelijke taken. Het gaat dan om het doen van de was, zorgen voor een schoon en leefbaar huis en ook het doen van de boodschappen en het bereiden van de maaltijd. Dagbesteding (Werk/school): dit leefgebied richt zich op problematiek ten aanzien van school of het werk van de cliënt. Aandachtpunten hierbij zijn onder andere het hebben van een structuur, maken van keuzes voor de toekomst, aanwezigheid, op tijd komen of groepsgeschiktheid. Vrije tijd: dit leefgebied gaat over eventuele begeleiding die de cliënt nodig heeft bij het invullen van zijn vrije tijd of participatie in de samenleving. Problemen hierbij kunnen bijvoorbeeld gaan over sport, deelnemen aan verenigingen of het hebben van een zinvolle invulling van de dag. Financiële situatie (Financiën/administratie): dit leefgebied gaat over het om kunnen gaan met geld, het hebben en het oplossen van schulden en het hebben van een bron van inkomsten. Ook gaat dit leefgebied over het omgaan met post en de acties die hieruit voortkomen. Justitie: dit leefgebied richt zich op de noodzaak voor begeleiding van de cliënt op het gebied van gedrag en/of risicobeperkingen waarbij mogelijk reeds sprake kan zijn van een overtreding, contact met de politie of een lopende justitiële maatregel. Verslaving: dit leefgebied gaat over de invloed die een eventuele verslaving heeft op het dagelijks leven van de cliënt, zoals het meedoen in het gezin, school of werk. Zie bijlage 3 voor een aanvullende lijst met aandachtspunten per leefgebied. Dit is een hulpmiddel wat kán helpen bij het concreet in kaart brengen van de specifieke problemen van de cliënt per leefgebied, zowel tijdens het huisbezoek als bij het uitwerken van het verslag. In bijlage 4 zijn indicatieve beschrijvingen opgenomen die kunnen helpen om de zwaarte van de problematiek en de daaruit volgende ondersteuningsbehoefte per levensgebied te bepalen. Per leefgebied wordt door de Wmo-consulent aangegeven (gescoord) of sprake is van: 0. Geen ondersteuningsbehoefte De cliënt heeft op dit leefgebied geen problemen waarbij ondersteuning nodig is. 1. Lichte ondersteuningsbehoefte, er is toezien nodig (lichte problematiek) De cliënt heeft op dit leefgebied weinig problemen. De cliënt kan de activiteit zelf uitvoeren, maar een ander moet toezien, stimuleren en controleren. De cliënt kan zelf ondersteuning vragen en kan wachten op deze ondersteuning. 2. Matige ondersteuningsbehoefte, er is hulp nodig (matige problematiek) De cliënt heeft op dit leefgebied meer problemen, waardoor de cliënt deze activiteit slechts met moeite kan. Een ander moet helpen, stimuleren, instrueren en controleren. De cliënt kan meestal zelf ondersteuning vragen en kan soms wel en soms niet goed wachten op deze ondersteuning. 3. Zware ondersteuningsbehoefte, er is overname nodig (zware problematiek) De cliënt heeft op dit leefgebied grote problemen. De cliënt kan de activiteit niet zelf uitvoeren, een ander moet overnemen, aansturen, instrueren en controleren. De cliënt heeft moeite met ondersteuning vragen en meestal ook moeite met wachten op deze ondersteuning. Let op: het gaat hier om de mate waarin ondersteuning nodig is naar het oordeel van de Wmo-consulent. Ad c. Inventarisatie van overige kenmerken van de cliënt Tot slot van stap 2 inventariseert de Wmo-consulent een aantal overige kenmerken van de cliënt (zie tabel 1). Deze overige kenmerken worden in combinatie met de scores op de leefgebieden later in stap 5 gebruikt bij de definitieve bepaling van de aard, omvang en duur van de in te zetten ondersteuning. Kenmerk Score 1 Aard van de problematiek Acuut Fluctuerend/wisselend Stabiel (continu aanwezig) 2 Zelfinzicht cliënt eigen handelen en mogelijkheden Beperkend Neutraal-gemiddeld Bevorderend 3 Motivatie van de cliënt Beperkend Neutraal-gemiddeld Bevorderend 4 Lerend vermogen van de cliënt Beperkend Neutraal-gemiddeld Bevorderend 5 Belastbaarheid van de cliënt Beperkend Neutraal-gemiddeld Bevorderend 6 Sociaal netwerk van de cliënt Beperkend Neutraal-gemiddeld Bevorderend 7 Draagkracht netwerk van de cliënt Hoog Gemiddeld Laag 8 Verwachting ontwikkeling van de cliënt Achteruitgang Gelijkblijvend / stabiel Verbetering 9 Complexiteit van de problematiek Hoog Gemiddeld Laag 10 Risico voor cliënt, netwerk of samenleving als geen of minder ondersteuning wordt geboden Hoog Gemiddeld Laag Tabel 1. Overige kenmerken van de cliënt Toelichting overige cliëntkenmerken Aard van de problematiek: Is de problematiek acuut van aard, fluctuerend/wisselend in de tijd of continu/stabiel? Zelfinzicht: In hoeverre begrijpt de cliënt zijn aandeel in de situatie/in de problematiek? Indien de cliënt inzicht heeft in zijn eigen handelen en dit kan beïnvloeden, werkt dit bevorderend. Kan de cliënt dit niet, dan werkt dit beperkend. Motivatie: Staat de cliënt open voor hulpverlening en wil deze ook zelf aan de slag gaan met zijn hulpvragen, dan is dit bevorderend. Lerend vermogen: Is de cliënt in staat om nieuw gedrag aan te leren en dit toe te passen? Wat ook belangrijk is om mee te wegen, is in hoeverre de cliënt in staat is om dit geleerde gedrag te generaliseren naar andere situaties. Belastbaarheid cliënt: De belastbaarheid van de cliënt kan beperkend werken wanneer de cliënt onvoldoende energie of mentale capaciteit heeft om met zijn begeleidingsdoelen aan de slag te gaan. Andersom kan dit ook juist bevorderend werken wanneer de belastbaarheid goed is. Sociaal netwerk: Is het sociale netwerk van de cliënt helpend in de situatie of is het netwerk onderdeel van het probleem. Als de cliënt geen netwerk heeft, scoor je dit als neutraal. Draagkracht van het netwerk: De draagkracht van het netwerk is hoog/gemiddeld/laag. In geval van overbelasting of afwezigheid van het netwerk is de draagkracht laag. Overbelasting of afwezigheid van het netwerk kán problematiserend zijn. Bij een gemiddelde draagkracht kan het netwerk de cliënt op een reguliere wijze ondersteunen. Als sprake is van een hoge draagkracht, dan helpt het netwerk nadrukkelijk om de problematiek van de cliënt op te lossen of te laten verminderen. Verwachting ontwikkeling situatie cliënt (wat is er mogelijk?): De situatie van de cliënt richting de toekomst met inzet van ondersteuning: gaat achteruit/blijft stabiel/verbetert. Complexiteit van de problematiek: De complexiteit van de problematiek is over het geheel gezien hoog/gemiddeld/laag. In de afweging ten aanzien van de complexiteit van de problematiek als geheel speelt een rol: Problemen op enkele of meerdere levensgebieden? Ondersteuningsvraag is meer of minder voorspelbaar? Hoe gaat de omgeving om met de problematiek van de cliënt? Kun je goed met de cliënt communiceren over de problematiek? Risico: Het risico voor de cliënt zelf of diens omgeving op ernstig nadeel voor de cliënt zelf of diens omgeving, is in deze cliëntsituatie hoog/gemiddeld/laag. Beschrijving scoremogelijkheden op de overige cliëntkenmerken 2 tot en met 6 De Wmo-consulent scoort de mate van invloed van de kenmerken op de omvang en duur van de in te zetten begeleiding: Beperkend: Dit kenmerk heeft een belemmerende invloed op de te bieden begeleiding. Door dit kenmerk komt de cliënt minder snel of minder makkelijk tot een oplossing voor het ervaren probleem. Neutraal/gemiddeld: Dit kenmerk heeft bij deze cliënt geen specifiek beperkend en ook geen specifiek bevorderend effect ten aanzien van de intensiteit van de in te zetten begeleiding, dit komt overeen met wat cliënten voor begeleiding gemiddeld aankunnen. Bevorderend: Dit kenmerk is helpend op de te bieden begeleiding. Door dit kenmerk komt de cliënt sneller of makkelijker tot een oplossing voor het ervaren probleem. Stap 3. Vaststellen aard en omvang ondersteuningsbehoefte De Wmo-consulent bepaalt, zoveel als mogelijk in samenspraak met de cliënt en/of het netwerk, de te behalen aandachtspunten per leefgebied en de noodzakelijke ondersteuning hiervoor. Zodat duidelijk wordt wat de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte is van de cliënt en waar ook eventuele prioriteiten en keuzes van de cliënt liggen. Hierbij kan onder andere gebruik worden gemaakt van een zorginventarisatie, het persoonlijk plan of het ondersteuningsplan van de cliënt. Stap 4. Afweging In stap 4 weegt de Wmo-consulent vervolgens af welke andere oplossingen dan op grond van de Wmo 2015 beschikbaar zijn voor de cliënt om diens ondersteuningsbehoefte in te vullen. De Wmo-consulent bespreekt met de cliënt en onderzoekt de mogelijkheden van de cliënt zelf, van het cliëntsysteem en het netwerk van de cliënt om oplossingen te vinden voor de door de cliënt ervaren zelfredzaamheids- en/of participatie-problemen. Dit betreft naast de mogelijkheden van de cliënt persoonlijk ook mogelijkheden om gebruik te maken van andere regelingen dan de Wmo. Deze oplossingen kunnen onder andere zijn: algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen, laagdrempelige steunpunten, de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en/of de Wet langdurige zorg (Wlz). Alle oplossingen die voorliggend zijn op een Wmo-maatwerkvoorziening worden als eerste benut. Hierover wordt de cliënt geadviseerd in het gespreksverslag. Daarbij is het conform de uitspraak van de CRvB van belang dat de Wmo-consulent nadrukkelijk onderzoekt of de voorliggende oplossing daadwerkelijk een oplossing biedt voor het probleem van de cliënt én ook voor de cliënt beschikbaar is. Het is ook mogelijk dat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt ingevuld door een combinatie van eigen kracht en/of voorliggende oplossingen met daarop aanvullend een maatwerkvoorziening. Stap 5. Maatwerkvoorziening In de laatste stap van het indicatieproces volgen de substappen 5a, 5b en 5c: 5a. Concreet maken benodigde Wmo-maatwerkvoorziening. 5b. Kiezen van het best passende profiel, dat richting geeft aan het uiteindelijk te nemen besluit. 5c. Afweging op basis van alle verzamelde informatie: definitieve aard, omvang en duur van de te indiceren ondersteuning. 5.1Stap 5a - Concreet maken benodigde Wmo-maatwerkvoorzieningen Na de stappen 3 en 4 is duidelijk voor welke aandachtspunten op welke leefgebieden een Wmo-maatwerkvoorziening nodig is om de cliënt te helpen diens zelfredzaamheids- en/of participatieproblemen op te lossen. De Wmo-consulent maakt in deze stap ook keuzes over: of individuele begeleiding of dagbesteding (in groepsverband) nodig is of een combinatie hiervan; of de ondersteuning ontwikkelgericht of behoudgericht moet zijn (primaire focus). Ad b-1. Ontwikkelgerichte begeleiding Primair doel van de begeleiding is het realiseren van een duidelijke ontwikkeling (leren, groeien, versterken) van de mogelijk¬heden van de cliënt om zich (meer) zelfstandig te redden in het leven. Hiervoor wordt een overzichtelijke periode bepaald, bijvoorbeeld een aantal maanden tot een jaar (eventueel twee jaar). Hierbij kan dus ook een secundair element van behouden aan de orde zijn. Binnen de Peelgemeenten geldt de afspraak dat er voor een periode van maximaal drie jaar een ontwikkelgerichte indicatie afgegeven kan worden. Ad b-2. Behoudgerichte begeleiding Primair doel van de begeleiding is het behouden of zoveel als mogelijk behouden van de mogelijkheden van de cliënt om zich zelfstandig te redden in het leven. Er kan ook sprake zijn van begeleiding bij achteruitgang. Hierbij kan dus ook een bijkomend element van ontwikkeling aan de orde zijn. De keuze voor ontwikkelgericht dan wel behoudgericht heeft niet zozeer gevolgen voor de omvang van de te indiceren ondersteuning. Maar wel voor de opdracht die wordt meegegeven aan de aanbieder en voor de duur van de indicatie. 5.2Stap 5b - Profiel kiezen Op basis van onderzoek in de uitvoeringspraktijk hebben we ‘profielen’ uitgewerkt. Zowel voor individuele begeleiding als voor dagbesteding en voor beide een ontwikkelgerichte en een behoudgerichte versie. Deze profielen geven een beschrijving van cliëntgroepen aan de hand van de mogelijke scores op de set met leefgebieden en overige cliëntkenmerken zoals hiervoor beschreven. Aan ieder profiel is een omvang van de te indiceren ondersteuning gekoppeld. Deze omvang is richtinggevend en dus niet dwingend bepalend. Want: het kiezen van een profiel gebeurt op basis van de inhoudelijke beschrijving van de ondersteuningsvraag van de cliënt. Maar: er zijn ook altijd cliënten waarbij zodanige bijzonderheden aan de orde zijn dat het nodig is buiten de bandbreedte van het profiel te indiceren. En dat kan dan uiteraard, op grond van twee stelregels: ‘Pas toe of leg uit’ en ‘Het enige doel dat je hebt, is ondersteuning op maat voor de cliënt indiceren’. In stap 5b kiest de Wmo-consulent op basis van alle over de cliënt verzamelde informatie het voor deze cliënt best passende profiel. Dit doet de Wmo-consulent op basis van het totaalbeeld uit stap 2: de problemen van de cliënt, de scoring op de leefgebieden en de scoring op de overige cliëntkenmerken. Dit kunnen ook twee profielen zijn: één voor individuele begeleiding en één voor dagbesteding. Hierna geven we een nadere beschrijving van deze twee typen profielen. I. Profielen individuele begeleiding We onderscheiden vier indicatieprofielen voor individuele begeleiding met een behoudgericht karakter en drie profielen met een ontwikkelgericht karakter. Er is geen cliëntprofiel opgesteld voor cliënten met lichte problematiek met een ontwikkelgericht karakter daar dit in het voorliggend veld opgevangen kan worden. Deze profielen zien er als volgt uit; Uitgangspunt is dat we uitgaan van het gemiddelde van de bandbreedte vanuit het Normenkader Begeleiding. Aan de hand van cliëntkenmerken en problematiek kan je hierop gemotiveerd afwijken. Wat moet extra worden gemotiveerd? Als er buiten de bandbreedte van Factum wordt toegekend. Want dan gaat het om de juridische insteek. De (indicatieve) bandbreedtes in de productkaarten van de Peelgemeenten zijn -voor wat betreft het maximum- soms wat ruimer dan de bandbreedtes vanuit het normenkader. Van deze extra ruimte zal door de Wmo-consulenten gebruik worden gemaakt als de cliëntkenmerken en de aard van de problematiek hiertoe aanleiding geven. De ontwikkelgerichte individuele begeleiding wordt in het algemeen voor relatief kortere duur geïndiceerd. Uitgangspunt is dat ontwikkelgerichte producten in totaliteit worden afgegeven voor een maximale duur van 3 jaar. Zie tabel 2 voor een samenvatting hiervan. In bijlage 1 zijn deze indicatieprofielen uitgeschreven. ONTWIKKELGERICHT BEHOUDGERICHT Licht Voorliggend veld (IBO-1) Individuele Begeleiding Behoudgericht 1 Waakvlam (IBB-1) Lichte problematiek weinig mogelijkheden tot verbetering verwacht, primair behoudgericht Max 1 uur per week (uren per maand) Normenkader: maximaal 1 uur per week Matig Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht 1 (IBO-2) Matige problematiek, primair ontwikkelgericht 1 t/m 3 uur per week (uren per beschikking) Gemiddelde normenkader: 2 uur per week Individuele Begeleiding Behoudgericht 2 (IBB-2) Matige problematiek weinig mogelijkheden tot verbetering verwacht, primair behoudgericht 1 t/m 3 uur per week Gemiddelde normenkader: 2 uur per week Matig zwaar Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht 2 (IBO-3) Matig tot zware problematiek, primair ontwikkelgericht 2 t/m 5 uur per week (uren per beschikking) Gemiddelde normenkader: 4 uur per week Individuele Begeleiding Behoudgericht 3 (IBB-3) Matig tot zware problematiek weinig mogelijkheden tot verbetering verwacht, primair behoudgericht 2 t/m 5 uur per week Gemiddelde Normenkader: 4 uur per week Zwaar Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht 3 (IBO-4) Zware problematiek kortdurende inzet, primair ontwikkelgericht 4 t/m 10 uur per week (uren per beschikking) Gemiddelde normenkader: 8 uur per week Individuele Begeleiding Behoudgericht 4 (IBB-4) Zware problematiek weinig mogelijkheden tot verbetering verwacht, primair behoudgericht 4 t/m 10 uur per week Gemiddelde normenkader: 8 uur per week Tabel 2. Indicatieprofielen individuele begeleiding Uit het door ons uitgevoerde data-onderzoek blijkt dat bij een ontwikkelgericht profiel, de volgende kenmerken naar voren komen: De verwachte ontwikkeling van de cliënt: de situatie van de cliënt is in de toekomst verbeterd. Lerend vermogen van de cliënt: het lerend vermogen van de cliënt is neutraal/gemiddeld of bevorderend. Als sprake is van een behoudgericht profiel, komen de volgende kenmerken naar voren: De verwachte ontwikkeling van de cliënt: de situatie van de cliënt is in de toekomst stabiel of gaat achteruit. Lerend vermogen van de cliënt: het lerend vermogen van de cliënt is beperkend. Op basis van data-onderzoek in het uitvoeringsveld hebben we nader inzicht gekregen welke leefgebieden en overige cliënt¬kenmerken welke mate van invloed hebben op de keuze van een profiel. In figuur 2 hebben we dit zichtbaar gemaakt. N.B.: het kiezen van het voor deze cliënt best passende profiel blijft een nadrukkelijke kwalitatieve component houden. Maar op basis van onderzoeksdata kunnen we wel aangeven wat de denkrichting is. En nogmaals: het gaat om het kiezen van het best passende profiel en dus niet om een 100% match met een profiel. In figuur 2 is te zien dat: Er eerst volledig onderzoek wordt gedaan (stappen 1 – 2 – 3). Vervolgens worden eigen kracht en voorliggende oplossingen onderzocht (stap 4). Volgende vraag: ‘Wat is de verwachting van de ontwikkeling in de situatie van de cliënt? Daarna is de mate van complexiteit van de problematiek sterk bepalend of je bij de lagere of hogere profielen uitkomt. Bij IBO-1 en IBO-2 is daarna de motivatie van de cliënt heel bepalend. Bij IBO-3 en IBO-4 is vooral de mate van risico heel bepalend. Tot slot is het aantal leefgebieden en de zwaarte van de ondersteuningsbehoefte daarop heel bepalend. Bij de IBB-profielen zijn met name de aard van de problematiek en het risico bepalend. Wederom in combinatie met het aantal leefgebieden en de zwaarte van de ondersteuningsbehoefte daarop van de cliënt. Figuur 2. Individuele begeleiding De ‘totaalscore’ die in figuur 2 wordt benoemd = de optelling van de scores op alle leefgebieden. Zie de beschrijving van de profielen voor individuele begeleiding in bijlage 1 voor de bijbehorende getallen. II. Profielen dagbesteding We onderscheiden één indicatieprofiel voor dagbesteding met een ontwikkelingsgericht karakter en we onderscheiden twee indicatieprofielen voor dagbesteding met een behoudgericht karakter. Bij alle profielen kan begeleiding groep ingezet worden voor 1 tot en met 9 dagdelen per week. De ontwikkelgerichte dagbesteding wordt in het algemeen voor relatief kortere duur geïndiceerd (uitgangspunt in totaliteit maximaal 3 jaar). De behoudgerichte dagbesteding wordt in het algemeen voor lange duur geïndiceerd. Zie tabel 3 voor een samenvatting van de profielen. In bijlage 2 zijn de profielen uitgeschreven. ONTWIKKELGERICHT BEHOUDGERICHT Dagbesteding Ontwikkelgericht 1 (DBO-1/2) Matige ondersteuningsbehoefte/problematiek Doel: Ontwikkelen van vaardigheden van de cliënt. 1 tot en met 9 dagdelen per week Dagbesteding Behoudgericht 1 (DBB-1) Matige ondersteuningsbehoefte/problematiek Doel: Behouden van vaardigheden, ontlasting mantelzorg 1 tot en met 9 dagdelen per week Dagbesteding Behoudgericht 2 (DBB-2) Zware ondersteuningsbehoefte/problematiek complex ziektebeeld en gedragsproblematiek kan aan de orde zijn Doel: Behouden van vaardigheden, ontlasting mantelzorg 1 tot en met 9 dagdelen per week Tabel 3. Indicatieprofielen dagbesteding Als sprake is van een ontwikkelgericht profiel, komt het volgende kenmerk naar voren: De verwachte ontwikkeling van de cliënt: de situatie van de cliënt is in de toekomst verbeterd. Als sprake is van een behoudgericht profiel, komt het volgende kenmerk naar voren: De verwachte ontwikkeling van de cliënt: de situatie van de cliënt is in de toekomst stabiel of gaat achteruit. Een ander aspect dat bij de keuze voor een profiel voor dagbesteding heel bepalend is, is de hoofdvraag binnen de ondersteuningsbehoefte van de cliënt: Primaire vraag van de cliënt = zinvolle daginvulling Voor een deel van de cliënten is de primaire vraag het bieden van een zinvolle daginvulling, ter vervanging van werk of studie. Waarbij de cliënt ook wordt gesteund en gestimuleerd bij het persoonlijk functioneren. Bijkomend kan sprake zijn van het ontlasten van mantelzorg/netwerk. Primaire vraag van de cliënt = ontlasten van mantelzorg/netwerk Voor een deel van de cliënten is de primaire vraag gericht op het ontlasten van mantelzorgers of het netwerk. Zodat de cliënt samen of alleen zo lang mogelijk in een zelfstandige huisvestingssituatie kan verblijven. Aan de cliënt zelf wordt een zinvolle daginvulling geboden en deze wordt gesteund en gestimuleerd bij het persoonlijk functioneren. Het data-onderzoek in het uitvoeringsveld liet niet zien dat bepaalde leefgebieden of overige cliënt¬kenmerken een duidelijke statistisch te bepalen invloed hebben op de keuze van een dagbestedingsprofiel. De leefgebieden werk/school en vrije tijd zijn van belang voor de keuze óf inzet van dagbesteding zinvol is voor de cliënt. Op basis van aanvullend kwalitatief onderzoek werd duidelijk welke elementen belangrijk zijn in de keuze voor het aantal dagdelen dagbesteding. In figuur 3 hebben we dit zichtbaar gemaakt. In figuur 3 is te zien dat: Er eerst volledig onderzoek wordt gedaan (stappen 1 – 2 – 3). Vervolgens worden eigen kracht en voorliggende oplossingen onderzocht (stap 4). Daarna is de vraag ‘Wat is de verwachting van de ontwikkeling in de situatie van de cliënt? leidend voor de keuze tussen een ontwikkelgericht of behoudgericht profiel. Vervolgens is de kernvraag in de keuze voor het aantal in te zetten dagdelen dagbesteding: ‘Kun je zelf(standig) de dag doorkomen?’ Bij alle profielen zijn de belastbaarheid van de inwoner en de belastbaarheid van het netwerk sterk bepalend in de keuze voor het aantal dagdelen. Bij DBO-1 en DBO-2 zijn daarbij het lerend vermogen en de motivatie van de cliënt mede bepalend voor de omvang. Bij DBB-1 en DBB-2 zijn daarbij de behoefte van het netwerk en het risico mede bepalend voor de omvang. Bij alle profielen is tot slot van belang om de situatie van de cliënt op het persoonlijk functioneren, het sociaal functioneren en gezondheid en zelfzorg mee te wegen in de invulling van en de omvang van de ondersteuning middels dagbesteding die de cliënt nodig heeft. Figuur 3. Afweging omvang dagbesteding 5.3Stap 5c - Laatste afweging, vaststellen definitieve indicatie Het in stap 5b gekozen profiel geeft richting aan de te stellen indicatie: ‘dit is de aard en omvang van de indicatie die bij deze cliënt, gezien de ondersteuningsbehoefte en kenmerken van de cliënt, verwacht mag worden nodig te zijn’. In stap 5c maakt de Wmo-consulent de definitieve afweging over de omvang en de duur van de te stellen indicatie. Zo wordt gekomen tot een indicatie op maat voor deze cliënt. Omvang ondersteuningstijd bepalen In het gekozen profiel (individuele begeleiding en/of dagbesteding) is de mogelijke omvang van de benodigde ondersteuning indicatief in een bandbreedte aangegeven. Op basis van de specifieke situatie van de cliënt weegt de Wmo-consulent af of er meer of minder omvang van de ondersteuning nodig is dan gemiddeld in het profiel staat. In eerste instantie gebeurt dit binnen de aangegeven bandbreedte. Maar dit kan daar ook buiten zijn, als dit de daadwerkelijk benodigde ondersteuning voor de cliënt is. Cliënten kunnen zo nodig voor individuele begeleiding en dagbesteding tegelijk een indicatie krijgen. Bij het definitief afwegen, het finetunen van de omvang van de indicatie, maakt de Wmo-consulent gebruik van het totaalbeeld dat deze heeft van de cliënt en maakt een gemotiveerde inschatting of de cliënt, afgezet tegen de ‘gemiddelde cliënt in het profiel’, hoger of lager dan dit gemiddelde moet worden geïndiceerd. Voor alle profielen kan het risico-aspect een doorslaggevende factor zijn voor de aard, omvang en duur van de ondersteuning. Als sprake is van een groot risico voor de cliënt of de omgeving, dan kan deze factor belangrijker zijn dan bijvoorbeeld leerbaarheid, motivatie of de draagkracht van het netwerk. Dan is afdoende ingrijpen belangrijker. Bij individuele begeleiding gericht op het ontwikkelen van vaardigheden zijn vooral de leerbaarheid en motivatie van de cliënt leidend bij de beslissing of meer ondersteuning wordt geboden tijdens een kortere termijn. Of dat juist minder ondersteuning tegelijk wordt geboden, maar gedurende een langere termijn. Bij individuele begeleiding gericht op het behouden van vaardigheden is vooral leidend wat minimaal nodig is om de situatie van de cliënt stabiel te houden. Als de ondersteuningsvraag van de cliënt dagbesteding betreft die is gericht op het behoud van vaardigheden, speelt meestal de belastbaarheid van het netwerk een grote rol in het toekennen van het aantal dagdelen. Naast de belastbaarheid van de cliënt zelf. Soms moet een gebalanceerd evenwicht worden bereikt tussen deze twee. Wanneer het gaat om ontwikkelgerichte dagbesteding dan is met name de belastbaarheid en het lerend vermogen van de cliënt zelf doorslaggevend. Is sprake van een positieve verwachting van het kunnen leren door of ontwikkelen van de cliënt, dan kan worden overwogen een groter aantal dagdelen in te zetten voor een kortere termijn. Als de leerbaarheid en belastbaarheid beperkt is, dan is een lagere omvang van de inzet gedurende een langere periode meer aangewezen. Verder spelen bij alle profielen de ondersteuningsmogelijkheden van het netwerk van de cliënt een rol. Positief of negatief. Is er geen netwerk: dan heeft dit geen extra invloed op het indicatiebesluit. Heeft het netwerk enige of veel ondersteuningscapaciteit: dan is mogelijk minder inzet van ondersteuning nodig. Het netwerk kan ook de oorzaak zijn van extra problemen: in dat geval is mogelijk juist meer ondersteuning nodig. Duur van de ondersteuning bepalen De Wmo-consulent bepaalt op cliëntniveau de best passende duur8 Op landelijk niveau wordt gewerkt aan nadere normering ten aanzien van het bepalen van de indicatieduur. Het leertraject Passend Beschikken

(2024), onder andere uitgevoerd door de VNG, levert hier een bijdrage aan. Controle of herijking is vaak belastend voor cliënten omdat zij zich steeds opnieuw zorgen maken over het voortzetten van hun begeleiding. van de indicatie. Bij de duur van een indicatie is vooral de verwachting van de snelheid van ontwikkeling of situatie van de cliënt bepalend. Als snelle ontwikkeling wordt verwacht, is sprake van ontwikkelgerichte ondersteuning en is een indicatie voor korte duur passend. Zodat controle of herijking van het indicatiebesluit kan plaatsvinden. Als geen snelle ontwikkeling of situatie van de cliënt wordt verwacht of sprake is van langdurig behoudgerichte ondersteuning, is een indicatie voor lange duur passend. Binnen de Peelgemeenten sluiten wij aan bij onderstaande indicatieve richtlijnen. De Wmo consulent bepaalt op cliëntniveau de best passende duur van de indicatie. Resultaat op korte termijn haalbaar (einde ondersteuning/doorgeleiding voorliggend): indicatieduur/ondersteuningsplan herzien over drie tot zes maanden Resultaat waarschijnlijk snel haalbaar: indicatieduur/ondersteuningsplan herzien over zes maanden Resultaat vergt langere inzet: indicatieduur/ondersteuningsplan herzien over één jaar Resultaat is gericht op het behouden van de huidige situatie (onderhoud): indicatieduur/ondersteuningsplan herzien over twee jaar Levenslange ondersteuning verwacht indicatieduur evt. onbeperkt/ondersteuningsplan herzien over vijf jaar Bijlage 1.Profielen individuele begeleiding Afwegingen die gemaakt kunnen worden om te kiezen tussen ontwikkel- en behoudgerichte profielen bij individuele begeleiding: Individuele Begeleiding Behoudgericht (IBB-profielen) Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht (IBO-profielen) De verwachte ontwikkeling van de cliënt: De situatie van de cliënt in de toekomst blijft stabiel of gaat achteruit. De verwachte ontwikkeling van de cliënt: De situatie van de cliënt is in de toekomst verbeterd. Lerend vermogen van de cliënt: Het lerend vermogen van de cliënt is beperkend of neutraal/gemiddeld. Lerend vermogen van de cliënt: Het lerend vermogen van de cliënt is neutraal/gemiddeld of bevorderend. Individuele Begeleiding Behoudgericht 1 (IBB-1) Individuele Begeleiding Behoudgericht 2 (IBB-2) Individuele Begeleiding Behoudgericht 3 (IBB-3) Individuele Begeleiding Behoudgericht 4 (IBB-4) Algemeen Deze cliëntgroep heeft lichte problematiek, op een beperkt aantal leefgebieden, weinig of geen verbetermogelijkheden. De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, onderhouden en behouden. De ondersteuning is meestal planbaar. De ondersteuning is meestal langdurig nodig. Deze cliëntgroep heeft matige problematiek, op wat meer leefgebieden, weinig of geen verbetermogelijkheden. De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, onderhouden en behouden. De ondersteuning is meestal planbaar. De ondersteuning is meestal langdurig nodig. Deze cliëntgroep heeft matige problematiek, op meer leefgebieden, weinig of geen verbetermogelijkheden. De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, onderhouden en behouden, waarbij ook overname nodig kan zijn. De ondersteuning is meestal planbaar, maar moet op afstand, maar wel makkelijk beschikbaar zijn. De ondersteuning is meestal langdurig nodig. Deze cliëntgroep heeft zware problematiek, op veel leefgebieden, weinig of geen verbetermogelijkheden. De cliënt heeft behoefte aan toezien, stimuleren en behouden, vaak ook aan overname. De ondersteuning is vaak niet planbaar, moet (vrij) nabij beschikbaar zijn. Deze intensiteit van begeleiding in de thuissituatie is in principe tijdelijk. Zelfinzicht Cliënt heeft zicht op eigen problematiek en herkent wanneer het nodig is hulp te vragen. Cliënt heeft zicht op eigen problematiek, maar herkent niet altijd wanneer het nodig is hulp te vragen. Cliënt heeft beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek en herkent vaak niet wanneer het nodig is hulp te vragen. Cliënt heeft beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek en herkent nauwelijksen soms niet wanneer het nodig is hulp te vragen. Belastbaarheid Cliënt is belastbaar Cliënt is wisselend tot beperkt belastbaar Cliënt is beperkt belastbaar Cliënt is beperkt belastbaar. Complexiteit van de problematiek De complexiteit is laag of gemiddeld. De complexiteit is laag of gemiddeld. De complexiteit is hoog. De complexiteit is hoog. Aard van de problematiek De problematiek is altijd aanwezig (stabiel). De problematiek is altijd aanwezig (stabiel). De problematiek is fluctuerend / er is acute problematiek. De problematiek is fluctuerend / er is acute problematiek. Risico Het risico is laag of gemiddeld. Het risico is laag of gemiddeld. Het risico is hoog. Het risico is hoog. Beoogde inzet De indicatie is maximaal één uur per week. Gemiddelde normenkadermaximaal 1 uur per week. De indicatie is één t/m drie uur. Gemiddelde normenkader: twee uur per week. De indicatie is twee tot en met vijf uur. Gemiddelde normenkader: vier uur per week. De indicatie is 4 t/m 10 uur per week. Gemiddelde normenkader:acht uur per week. Zwaarte van de problematiek Het aantal leefgebieden met geen (score = 0) en lichte (score = 1) problematiek neemt af naarmate het profiel hoger wordt. Het aantal leefgebieden met matige (score = 2) en zware (score = 3) problematiek neemt toe naarmate het profiel hoger wordt. De totaalscore van de leefgebieden neemt toe naarmate het profiel hoger wordt. Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht 2 (IBO-2) Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht 3 (IBO-3) Individuele Begeleiding Ontwikkelgericht 4 (IBO-4) Algemeen Deze cliëntgroep heeft matige problematiek, op wat meer leefgebieden, er is ruimte voor ontwikkeling. De cliënt heeft behoefte aan toezien, stimuleren en aanleren. De ondersteuning is meestal planbaar. De ondersteuning is voor een beperkteperiode nodig. Deze cliëntgroep heeft matige tot zware problematiek, op meer leefgebieden, er is ruimte voor ontwikkeling. De cliënt heeft behoefte aan toezien, stimuleren en aanleren, soms ook aan overname. De ondersteuning is vaak planbaar. De ondersteuning is voor een beperkte periode nodig. Deze cliëntgroep heeft zware problematiek, op veel leefgebieden, er is ruimte voor ontwikkeling, zij het met intensieve begeleiding. De cliënt heeft behoefte aan toezien, stimuleren en aanleren, en vaak ook aan overname. De ondersteuning is vaak niet planbaar. Als de ondersteuning met deze intensiteit niet in een beperkte periode kan worden afgebouwd, dan kan een oplossing buiten de thuissituatie nodig zijn. Zelfinzicht Cliënt heeft zicht op eigen problematiek maar herkent niet altijd wanneer het nodig is hulp te vragen. Cliënt heeft beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek en herkent vaak niet wanneer het nodig is hulp te vragen. Cliënt heeft beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek en herkent nauwelijks en soms niet wanneer het nodig is hulp te vragen. Belastbaarheid Cliënt is wisselend tot beperkt belastbaar. Cliënt is beperkt belastbaar. Cliënt is voldoende belastbaar om intensieve begeleiding aan te kunnen. Complexiteit van de problematiek De complexiteit is laag of gemiddeld. De complexiteit is hoog. De complexiteit is hoog. Motivatie De motivatie van de cliënt is neutraal/gemiddeld. De motivatie van de cliënt is neutraal/gemiddeld. De motivatie van de cliënt is neutraal/gemiddeld. Risico Het risico is gemiddeld. Het risico is gemiddeld. Het risico is hoog. Beoogde inzet De indicatie is één t/m drie uur. Gemiddelde normenkader: tweeuur per week De indicatie is 2 t/m 5 uur. Gemiddelde normenkader:vieruur per week De indicatie is 4 t/m 10 uur. Gemiddelde normenkader:acht uur per week Zwaarte van de problematiek Het aantal leefgebieden met geen (score = 0) en lichte (score = 1) problematiek neemt af naarmate het profiel hoger wordt. Het aantal leefgebieden met matige (score = 2) en zware (score = 3) problematiek neemt toe naarmate het profiel hoger wordt. De totaalscore van de leefgebieden neemt toe naarmate het profiel hoger wordt (kan van 0 tot maximaal 33 variëren). Individuele Begeleiding Behoudgericht 1 (Lichte problematiek) Lichte problematiek, weinig mogelijkheden tot verbetering, primair behoudgericht Cliëntkenmerken De cliënt heeft lichte problematiek, waarbij ondersteuning nodig is op één of enkele leefgebieden. Er is sprake van weinig mogelijkheden tot verbetering. Zelfinzicht: cliënt heeft inzicht in eigen problematiek en herkent meestal wanneer het nodig is om hulp te vragen. Motivatie: cliënt is gemotiveerd en staat open voor hulpverlening. Belastbaarheid: de cliënt is belastbaar. Leren vermogen: cliënt heeft een beperkt lerend vermogen. Hierdoor is het niet mogelijk om de stap naar volledige zelfstandigheid of zelfstandigheid met ondersteuning vanuit voorliggende voorzieningen te zetten. Er is sprake van langdurig te tekortschietende zelfregie. Eventuele onderliggende problematiek is stabiel van aard. Kenmerken product De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, onderhouden en behouden. Aandachtspunten product: Doel is met enige ondersteuning toezien, onderhouden en behouden van vaardigheden om zelfstandig te kunnen leven. Er is sprake van een lichte tot matige complexiteit van de ondersteuning. Er is geen sprake van een risico voor de veiligheid van de cliënt en/of de omgeving. De ondersteuning is meestal planbaar. Met deze extensieve begeleiding blijven de problemen van de cliënt onder controle en kan deze zijn leven verder bijna zelfstandig leven Hiervoor heeft de zorgaanbieder ook een signalerende functie. ‘Vinger aan de pols’ Het te verwachten rendement van de begeleiding is dat de situatie van de cliënt gelijk blijft en eventueel geleidelijk achteruitgaat. Begeleiding kan gedurende langere tijd incidenteel of periodiek worden aangeboden. Beoogde inzet De client krijgt x uur begeleiding per maand met als uitgangspunt dat de omvang van begeleiding niet structureel boven 1 uur per week uitkomt. Individuele Begeleiding Behoudgericht 2 (IBB-2) Matige problematiek, weinig mogelijkheden tot verbetering, primair behoudgericht Cliëntkenmerken De cliënt heeft matige problematiek, waarbij ondersteuning nodig is op meerdere leefgebieden. De verwachting is dat er weinig of geen ontwikkeling in de situatie van de cliënt kan worden bereikt. Zelfinzicht: cliënt heeft inzicht in eigen problematiek, maar herkent niet altijd wanneer het nodig is om hulp te vragen. Motivatie: cliënt is beperktgemotiveerd en heeft problemen bij het initiëren van taken. Cliënt staat open voor hulpverlening en is afspraaktrouw met een redelijke mate van zelfstandigheid. Belastbaarheid: de cliënt is wisselend tot beperkt belastbaar. Leren vermogen: cliënt heeft een beperkt lerend vermogen. Het lukt niet of heel langzaam om te ontwikkelen naar een hogere mate van zelfstandigheid. Eventuele onderliggende problematiek is stabiel, fluctuerend of eventueel acuut van aard. Kenmerken product De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, onderhouden en behouden. Doel van de begeleiding is het stabiel houden van de situatie van de cliënt, samen oppakken van zaken en observeren en signaleren om escalatie van problemen te voorkomen. Hierbij is het ook van belang om tijdig op te schalen. Er is sprake van een matige complexiteit van de ondersteuning. De zorgaanbieder heeft een regiefunctie en aansluiting met het voorliggend veld. Er is sprake van een laag tot gemiddeld risico voor de veiligheid van de cliënt en/of de omgeving. Cliënt heeft een klein netwerk of netwerk is niet steunend. De ondersteuning is meestal planbaar, omdat de situatie van de cliënt voorspelbaar is. De verwachting ten aanzien van de ontwikkeling van de situatie van de cliënt is dat deze gelijk blijft en eventueel achteruitgaat. Het te verwachten rendement van de begeleiding is dat de stabiliteit van de cliënt behouden blijft. Beoogde inzet De beoogde inzet ligt tussen de 1 tot en met 3 uur begeleiding per week. Individuele Begeleiding Behoudgericht 3 (IBB-3) Matige tot zware problematiek, weinig mogelijkheden tot verbetering, primair behoudgericht Cliëntkenmerken De cliënt heeft matige tot zware problematiek, waarbij ondersteuning nodig is op veel leefgebieden. De verwachting is dat er weinig of geen ontwikkeling in de situatie van de cliënt kan worden bereikt. Zelfinzicht: cliënt heeft beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek, en herkent vaak niet wanneer het nodig is om hulp te vragen. Motivatie: cliënt is beperktgemotiveerd en heeft problemen bij het initiëren van complexe en soms ook eenvoudige taken. Cliënt staat niet altijd open voor hulpverlening. Belastbaarheid: de cliënt is wisselend tot beperkt belastbaar. Leren vermogen: cliënt heeft een beperkt tot zeer beperkt lerend vermogen. Eventuele onderliggende problematiek is stabiel, fluctuerend of eventueel acuut van aard zoals bij life events. Er kan sprake zijn van bijkomende problematiek met risico voor ernstige ontregeling, zoals crimineel gedrag, verslaving, verwaarlozing, wat kan leiden tot ontregeling in de dagelijkse praktijk. Er is sprake van een complex ziektebeeld. De cliënt kan zorg mijdend zijn, wispelturig in gedrag en overlast gevend zijn.. Kenmerken product De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, stimuleren en behouden, waarbij ook overname nodig kan zijn. Aandachtspunten product: Doel van de begeleiding is primair en langdurig gericht op het stabiliseren van de situatie van de cliënt. Het lukt niet of heel langzaam om te ontwikkelen naar een hogere mate van zelfstandigheid. Er is sprake van een matige tot zware complexiteit van de ondersteuning. De zorgaanbieder heeft een regiefunctie en aansluiting met het voorliggend veld. Er is sprake van een gemiddeld tot eventueel hoog risico voor veiligheid van de cliënt en/of de omgeving. De ondersteuning is meestal planbaar maar begeleiding moet op afstand beschikbaar zijn. Het te verwachten rendement van de begeleiding is er sprake kan zijn van enige vooruitgang bij de cliënt, maar deze kan ook achteruitgaan. Afweging van Wlz GGZ dient bij deze cliëntgroep gemaakt te worden. Beoogde inzet De beoogde inzet ligt tussen de 2 tot en met 5 uur begeleiding per week. Individuele Begeleiding Behoudgericht 4 (IBB-4) Zware problematiek, weinig mogelijkheden tot verbetering, primair behoudgericht Cliëntkenmerken De cliënt heeft zware problematiek op vrijwel alle leefgebieden. De verwachting is dat er weinig of geen ontwikkeling in de situatie van de cliënt kan worden bereikt. Zelfinzicht: cliënt heeft beperkt tot geen inzicht in eigen problematiek, en herkent vaak niet wanneer het nodig is om hulp te vragen. Cliënt is niet in staat om zijn hulpvraag uit te stellen tot het volgende begeleidingsmoment. Motivatie: cliënt is beperktgemotiveerd en heeft problemen bij het initiëren van complexe en soms ook eenvoudige taken. Cliënt staat niet altijd open voor hulpverlening. Belastbaarheid: de cliënt is beperkt belastbaar. Leren vermogen: cliënt heeft een beperkt tot zeer beperkt lerend vermogen. Eventuele onderliggende problematiek is stabiel, fluctuerend of acuut van aard. Er is sprake van een complex ziektebeeld. De cliënt kan zorg mijdend zijn, wispelturig in gedrag en overlast gevend zijn. Er kan sprake zijn van bijkomende problematiek met risico voor ernstige ontregeling, zoals crimineel gedrag, verslaving, verwaarlozing, wat kan leiden tot ontregeling in de dagelijkse praktijk. Kenmerken product De cliënt heeft behoefte aan begeleiding gericht op toezien, stimuleren en behouden, waarbij ook overname nodig kan zijn. Aandachtspunten product: Doel van de begeleiding is primair en langdurig gericht op het stabiliseren van de situatie van de cliënt en aansluiting blijven vinden met hulpverlening. Er is sprake van een zware complexiteit van de ondersteuning. Er is sprake van een gemiddeld tot hoog risico voor veiligheid van de cliënt en/of de omgeving. Het netwerk kan zowel beperkend als bevorderend zijn voor het functioneren van cliënt. De zorgaanbieder heeft een regiefunctie en aansluiting met het voorliggend veld. De ondersteuning is vaak onplanbaar, omdat de situatie van de client onvoorspelbaar is en de cliënt de zorgvraag niet uit kan

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.