Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2020 Dienst SoZaWe Noardwest Fryslân 1 Inleiding en leeswijzer Deze beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening ‘maatschappelijke ondersteuning 2020 Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân’ (hierna: de Dienst). Samen met de genoemde verordening en het Financieel Besluit vormen deze regels de basis voor de wijze waarop de Dienst uitvoering geeft aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De Dienst doet dit namens de gemeenten Harlingen, Terschelling, Vlieland en Waadhoeke. De volgende opbouw wordt gehanteerd: Hoofdstuk 2: Procedure. Dit hoofdstuk geeft nadere uitleg over de toegangsprocedure tot de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo
(2011). 4.3 Individuele begeleiding (Basis, Plus en Specialistisch) Wanneer de cliënt onvoldoende in staat is tot zelfredzaamheid of maatschappelijke deelname, kan individuele begeleiding in de thuissituatie (ambulant) worden geboden middels een maatwerkvoorziening. Individuele begeleiding heeft als doel het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid of maatschappelijke deelname, zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen en opvang dan wel beschermd wonen kan worden voorkomen. Middels individuele begeleiding wordt met cliënten gewerkt aan het verhogen van participatie en het versterken van zelfredzaamheid op verschillende levensgebieden, zoals: financiën, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, psychisch functioneren, verslaving, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. We onderscheiden de volgende maatwerkvoorzieningen gericht op individuele begeleiding in de thuissituatie: Individuele begeleiding Basis Individuele begeleiding Plus Individuele begeleiding Specialistisch 4.3.1Individuele begeleiding Basis Bij individuele begeleiding Basis wordt de cliënt ondersteund bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven, zoals het regelen van dagelijkse bezigheden, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, het regelen van beheerszaken, communicatie, sociale relaties en organisatie van de huishouding. De cliënt beschikt meestal over enige mate van zelfregie. Individuele begeleiding Basis omvat onder meer de volgende activiteiten: Toezicht op of aansturing bij activiteiten en praktische vaardigheden (zowel thuis als buitenshuis); Ondersteuning bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie; Oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag; Ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, planning, administratie, geldzaken, regelzaken); Begeleiding bij het uitvoeren van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Kernbegrippen hierbij zijn stimuleren, coachen, helpen bij de dagelijkse taken en monitoren. Het uitgangspunt is inzet van individuele begeleiding Basis. Is er meer specialistische begeleiding nodig, dan kan individuele begeleiding Plus of Specialistisch worden ingezet. 4.3.2Individuele begeleiding Plus Naast de genoemde ondersteunende activiteiten bij individuele begeleiding basis, is er bij Individuele begeleiding Plus ook sprake van overname en regie. Overname betekent dat de zorgaanbieder taken van de cliënt overneemt, omdat de cliënt daartoe zelf niet of onvoldoende in staat is. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld het maken van afspraken of het voeren van de administratie (planning, geldzaken, etc.). Kernbegrippen hierbij zijn overname en regie. Individuele begeleiding Plus voorkomt daarmee verwaarlozing of verhuizing naar een (zorg-)instelling. Cliënten die in aanmerking komen voor Individuele begeleiding Plus kennen over het algemeen een complexe en zware problematiek. Bij afschalen is een warme overdracht essentieel en bestaat de mogelijkheid, indien wenselijk bij cliënt, naast de Maatwerkvoorziening individuele begeleiding Plus tijdelijk (maximaal 3 maanden) een Maat-werkvoorziening Individuele begeleiding Basis te indiceren. 4.3.3Individuele begeleiding Specialistisch Wanneer cliënten kampen met ernstige, complexe problemen op meerdere terreinen van wonen en leven kunnen zij worden ondersteund middels individuele begeleiding Specialistisch. Het kan hierbij gaan om cliënten die vanwege langdurige psychische en/of psychiatrische problematiek forse problemen ondervinden in hun zelfredzaamheid. Bij deze problemen zijn factoren als dakloosheid, geweld en/of maatschappelijke uitval aanwezig of vormen een dreigend perspectief. De ondersteuning is bedoeld om escalatie, zoals dak- of thuisloosheid, te voorkomen en de situatie te stabiliseren. Daarnaast kan deze ondersteuning worden ingezet als nazorg voor cliënten die tijdelijk verbleven in een instelling en terugkeren naar de thuissituatie, maar daarbij nog kampen met ernstige problemen, zoals hierboven benoemd. Let wel, het gaat bij deze vorm van nazorg nog steeds om ambulante ondersteuning en niet om een vorm van beschermd wonen, zoals ThuisPlus. Bij individuele begeleiding Specialistisch spreken we over intensieve inzet van ondersteuning, hierbij is voornamelijk sprake van een crisis. Als de crisis is afgewend en de situatie stabiel is, kan afgeschaald worden naar minder uren of naar lichtere vormen zoals individuele begeleiding Plus of Basis. In deze situaties kan tijdelijk Individuele Begeleiding Basis of Plus worden geboden naast Individuele Begeleiding Specialistisch. Er worden dan twee maatwerkvoorzieningen ingezet om een goede overdracht van ondersteuning te realiseren. Het moet hierbij om een tijdelijke situatie gaan, zo kort mogelijk, maar zo lang als nodig is om te komen tot een goede overdracht. Dit is in het belang van de cliënt. 4.4Dagactiviteit (Basis, Plus, Persoonlijke ontwikkeling en Vervoer) De ondersteuning middels de maatwerkvoorziening Dagactiviteit heeft als doel dat een cliënt met een beperkte zelfredzaamheid aan de maatschappij kan deelnemen en daarmee een goede en zinvolle invulling van de dag heeft. Het gaat veelal om activiteiten in groepsverband, waarbij met de cliënt wordt gewerkt aan het behoud en de ontwikkeling van (arbeids-)vaardigheden of het voorkomen of afremmen van achteruitgang in vaardigheden. Daarnaast kan deze maatwerkvoorziening worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. Doordat de cliënt tijdelijk uit de eigen omgeving is, wordt overbelasting van de mantelzorger voorkomen. Op die manier blijft de thuissituatie leefbaar voor de cliënt en mantelzorger. Bij de Dagactiviteit gaat het om vormen en activiteiten van onbetaald werk. De activiteiten zijn gericht op het bieden van dagstructuur en een zinvolle daginvulling. Voor cliënten jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bij elke aanvraag eerst gekeken welk perspectief er is op (beschut) werk. We onderscheiden de volgende varianten van de maatwerkvoorziening Dagactiviteit: Dagactiviteit Basis Dagactiviteit Plus Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling Vervoer van en naar de Dagactiviteit 4.4.1Dagactiviteit Basis Wanneer een cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft in het kader van dagstructuur of maatschappelijke deelname, kan Dagactiviteit Basis worden ingezet. Ook kan Dagactiviteit Basis als doel hebben dat de cliënt ‘even uit de eigen omgeving’ is en de mantelzorger van de betreffende cliënt wordt ontlast. Bij Dagactiviteit Basis gaat het om ondersteuning en activiteiten in groepsverband die erop gericht zijn om de cliënt te stimuleren tot het zelf vormgeven van zijn of haar dagstructuur en maatschappelijke deelname. De aangeboden activiteiten sluiten zoveel mogelijk aan bij de belangstelling en mogelijkheden van de cliënt. Ook kan er sprake zijn van helpen bij en toezicht houden op de uitvoering van die activiteiten. Er is geen noodzaak tot overname of het voeren van regie, de cliënt is in staat tot actieve deelname. De activiteiten vinden overdag plaats en buiten de eigen woonsituatie. Kernbegrippen bij de ondersteuning zijn stimuleren, coachen, laag intensief toezicht. 4.4.2 Dagactiviteit Plus Dagactiviteit Plus is bedoeld ter ondersteuning van cliënten met zware of complexe problematiek. Vanwege de problematiek is de cliënt niet in staat zelfstandig problemen op te lossen of besluiten te nemen. Er is directe nabijheid van ondersteuning en toezicht nodig gedurende de dagactiviteit. Hierbij gaat het niet alleen om begeleiding bij de dagactiviteiten, maar soms ook om overname van taken door een professional. Voor het voeren van regie is de cliënt afhankelijk van de professional. Cliënten die in aanmerking komen voor deze vorm van ondersteuning hebben vaak complexe problematiek als gevolg van fysieke, zintuiglijke, verstandelijke of psychogeriatrische beperkingen, psychische- of cognitieve aandoeningen, niet aangeboren hersenletsel of verslavingsproblematiek. Geheugenproblematiek en onvoldoende regievoering is vaak aan de orde. Indien mogelijk sluiten de activiteiten zoveel mogelijk aan bij de behoeften en mogelijkheden van de cliënt. 4.4.3Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling wordt ingezet in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden. De begeleiding is enerzijds gericht op ondersteuning, coaching (motivatie, werknemersvaardigheden) en anderzijds op het creëren van veiligheid en structuur. Cliënten kunnen zich zo in een veilige en vertrouwde omgeving maatschappelijk en sociaal ontwikkelen. Dit kan een goede stap zijn voor cliënten bij wie een traject vanuit de Participatiewet, waar de nadruk meer ligt op toe leiden naar werk, te vroeg is. De nadruk ligt bij dit product meer op ontwikkeling van de individuele mogelijkheden dan bij de basis- en plus-varianten van de dagactiviteit. Dagactiviteit Persoonlijke ontwikkeling dient bij te dragen aan de mogelijkheden om uit te stromen naar beschut, begeleid of ondersteund werk, deelname aan (basis-)voorzieningen in de buurt, vrijwilligerswerk of betaald werk. 4.4.4Vervoer Dagactiviteit Wanneer de cliënt niet in staat is om met eigen vervoer, openbaar vervoer of met behulp van het eigen netwerk naar de locatie van de Dagactiviteit te komen, kan vervoer van en naar de Dagactiviteit worden geïndiceerd. De zorgaanbieder is in dat geval verantwoordelijk voor het ophalen en brengen van de cliënt middels auto of autobus. De gebiedsteammedewerker onderzoekt wanneer vervoer noodzakelijk is. Het is de zorgaanbieder niet toegestaan een vervoersvergoeding aan de cliënt te vragen. De zorgaanbieder ontvangt een vergoeding voor de kosten van het vervoer van de Dienst. 4.5Kortdurend Verblijf Kortdurend Verblijf biedt de cliënt een logeerplek waarbij (permanent) toezicht en ondersteuning, zoals individuele begeleiding, kan worden geboden. Het is bedoeld voor cliënten met een chronische, complexe ondersteuningsbehoefte die normaal gesproken dagelijks door een mantelzorger worden ondersteund in de thuissituatie. Kortdurend Verblijf omvat het bieden van een onderdak met in ieder geval de basale voorzieningen die men thuis ook zou verwachten: een bed, toegang tot toilet en wastafel, eten en drinken. De cliënt moet kunnen voorzien in zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen. Kortdurend verblijf is gericht op het ontlasten van de mantelzorger door verblijf te bieden en de ondersteuning gedurende een deel van de week over te nemen. Bij kortdurend verblijf wordt alleen de ondersteuning overgenomen die normaliter door de mantelzorger wordt geleverd. Op die manier wordt overbelasting van de mantelzorger voorkomen en blijft de thuissituatie leefbaar/stabiel. Doel is langer thuis wonen mogelijk te maken. Daarbij geldt wel dat het verblijf ter aanvulling is op het wonen in de thuissituatie en niet bedoeld als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Kortdurend verblijf kan daarom voor maximaal drie etmalen per week worden ingezet. Bij uitzondering kunnen meer etmalen worden ingezet. Denk daarbij aan een crisissituatie waarbij geen andere passende oplossing beschikbaar is of aan het opsparen van etmalen zodat de mantelzorger met vakantie kan. Het is wel de bedoeling dat niet langdurig meer dan drie etmalen worden ingezet, maar alleen voor de periode om de crisis af te wenden of vakantie van de mantelzorger mogelijk te maken. Kortdurend Verblijf kan alleen worden ingezet wanneer: Ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is. Bij medische noodzaak ligt de verantwoordelijkheid bij de huisarts of medische specialist en de zorgverzekeraar. Andere vormen van overname van de ondersteuningstaken van de mantelzorger niet toereikend zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om dagactiviteiten, thuisondersteuning of inzet van vrijwilligers in huis. Duidelijk moet zijn dat dit niet te realiseren is of onvoldoende is om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen. De cliënt chronische complexe problemen heeft door een somatische, zintuiglijke of verstandelijke beperking of een psychische of cognitieve aandoening heeft. De cliënt maximaal drie etmalen nodig heeft, omdat de andere etmalen door gebruikelijke hulp en/of de mantelzorg worden geboden. Er kunnen ten behoeve van vakantie van de mantelzorger ook etmalen worden gespaard en achtereenvolgend gebruikt als zijnde een opname van maximaal drie weken. De cliënt geen Wlz-indicatie (Wet langdurige zorg) heeft. De cliënt geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn/haar aanvullende zorgverzekering. Bij een aanvraag voor Kortdurend Verblijf toetst de gebiedsteammedewerker of er mogelijkheden zijn om het netwerk in te schakelen of andere alternatieve voorliggende oplossingen in te zetten. Denk aan: respijthuis, kortdurend eerstelijnsverblijf vanuit Zorgverzekeringswet (via aanvullende verzekering) of logeren vanuit een indicatie Wet langdurige zorg, alarmering of video op afstand, inschakelen van anderen uit het netwerk en inzet van vrijwilligers. Als voorliggende mogelijkheden de ondersteuningsvraag voldoende oplossen, is er geen indicatie voor kortdurend verblijf. Er zijn twee variaties mogelijk op de maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf. 4.5.1Kortdurend Verblijf Basis ‘met aandacht’ Gedurende een etmaal (24 uur) verblijft de cliënt in een zorginstelling waarbij geen begeleiding bij de persoonlijke verzorging nodig is. De aanvulling ‘met aandacht’ geeft aan dat er in dit geval vaak wel enige mate van toezicht nodig is: een aanspreekpunt, iemand die een oogje in het zeil houdt, en die in voorkomende gevallen de cliënt even gerust kan stellen en/of een praatje maakt. Deze ‘met aandacht’ is de extra toevoeging die anders door de Mantelzorger wordt gedaan en is qua ondersteuning te vergelijken met de Maatwerkvoorziening Individuele Begeleiding Basis. 4.5.2Kortdurend Verblijf Plus ‘met zorg’ Gedurende een etmaal (24 uur) verblijft de inwoner in een instelling waarbij begeleiding bij de persoonlijke verzorging naast de reguliere begeleiding nodig is – de ondersteuning die normaal door de mantelzorger wordt geboden is te vergelijken met de Maatwerkvoorziening Individuele Begeleiding Plus. NB: Het kan voorkomen dat er naast vormen van Wmo-ondersteuning ook andere ondersteuning in de thuissituatie wordt geboden door een (andere) professionele aanbieder, zoals persoonlijke verzorging uit de Zorgverzekeringswet. Mocht dit het geval zijn, dan blijft diezelfde aanbieder verantwoordelijk voor deze vorm van ondersteuning tijdens kortdurend verblijf als daarbij een redelijke reisafstand kan worden gehanteerd. Dat betekent dat die aanbieder in plaats van in de thuissituatie de persoonlijke verzorging op de verblijfslocatie biedt. In die gevallen kan Kortdurend Verblijf Basis ‘met aandacht’ worden ingezet. Bij een aanzienlijke grotere reistijd kan ervoor worden gekozen om een deel van de persoonlijke verzorging over te laten nemen door de gecontracteerde zorgaanbieder voor Kortdurend Verblijf. In die gevallen wordt Kortdurend Verblijf Plus ‘met zorg’ ingezet. 4.5.3Vervoer Kortdurend Verblijf Wanneer een Inwoner voor de ondersteuning Kortdurend verblijf niet met eigen vervoer, openbaar vervoer of vanuit eigen netwerk naar de locatie kan komen waar de ondersteuning wordt geleverd, is de Opdrachtnemer verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer. Bij vervoer gaat het om verplaatsingen per auto of autobus. De Opdrachtnemer krijgt hiervoor een vergoeding op maat, afhankelijk van de gemaakte kosten voor het organiseren van het vervoer. Dit moet worden beschreven in de aanvraag van de voorziening. Het vervoer wordt daarbij als apart product geïndiceerd naast Kortdurend Verblijf. 4.6Beschermd wonen en opvang Voor een cliënt met psychische of psychosociale problemen of voor een cliënt die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen (BW) en Maatschappelijke opvang en Vrouwenopvang (MOVO). Het bieden van beschermd wonen en opvang dient op grond van de wet altijd middels maatwerk bereikt te worden. De taak om opvang en BW aan te bieden, is belegd bij de centrumgemeente Leeuwarden. Opvang wordt aangeboden als maatwerkvoorziening en algemene voorziening, beschermd wonen alleen als maat-werkvoorziening. De gebiedsteams vormen wel de doorverwijzing naar beschermd wonen en de opvang. De Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân volgt namens de gemeenten Harlingen, Terschelling, Vlieland en Waadhoeke het beleid van de gemeente Leeuwarden in haar rol als centrumgemeente ten aanzien van de regionale voorzieningen beschermd wonen en opvang (maatschappelijke opvang, OGGZ, Verslavingszorg) zoals vastgesteld in de Verordening WMO 2018 van de gemeente Leeuwarden, de Beleidsregels WMO 2018 van de gemeente Leeuwarden en het Financieel Besluit 2018 van de gemeente Leeuwarden en de eventueel navolgende gewijzigde versies hiervan voor zover het veranderingen betreft die voortvloeien uit de verantwoordelijkheden zoals vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling ‘Centrumregeling samenwerking sociaal domein Friese gemeenten’. 4.7Woonvoorzieningen Hoewel iemand primair zelf verantwoordelijk is voor de huur of aanschaf van een passend huis, kan er wel een beroep worden gedaan op de Wmo 2015 voor een woonvoorziening. We onderscheiden hierbij de volgende woonvoorzieningen: Losse woonvoorzieningen. Hieronder worden verstaan: woonvoorzieningen die niet nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn. Zoals een losse douchestoel, een drempelhulp of passieve en actieve tilliften. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Bouwkundige woonvoorzieningen. Hieronder worden verstaan: de woonvoorzieningen die nagelvast aan het huis vast zitten zoals een douchezitje, wandbeugels, een aanbouw of verbouw van een natte cel. Deze woonvoorzieningen worden ook wel woningaanpassingen genoemd. Een woonvoorziening wordt verstrekt om beperkingen bij het normaal gebruik van de woning te compenseren. Met normaal gebruik wordt bedoeld dat normale elementaire woonactiviteiten moeilijk of onmogelijk zijn geworden. Hierbij valt te denken aan het bereiden van eten, slapen, lichaamsreiniging en het verzorgen van kinderen. De ruimtes die bestemd zijn voor deze activiteiten moeten voor de normale functies bruikbaar worden gemaakt. Dit betekent dat een hobby-, werk- of recreatieruimte niet in aanmerking komt voor een woonvoorziening. Daarnaast geldt dat er sprake moet zijn van een hoofdverblijf of dat de woning na aanpassing het hoofdverblijf van de cliënt gaat worden. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden versterkt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft tot doel het tot rust doen brengen van personen met een specifieke beperking. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de persoon met beperkingen, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen en één of meer bouwkundige of woon technische kenmerken van de betreffende woning. In de afweging rondom het verstrekken van woonvoorzieningen dient meegenomen te worden of de cliënt niet had kunnen voorzien of vermijden, dat hij een beroep zou doen op deze voorziening. De situatie waarin een aanvraag voor een woonvoorziening in principe afgewezen kan worden, is wanneer een cliënt bij het betrekken van een nieuwe woning geen rekening heeft gehouden met zijn gezondheidssituatie op dat moment. Denk daarbij aan de situatie dat iemand die niet kan traplopen, verhuist naar een woning waar hij de trap op moet om zijn slaap- en badkamer te bereiken. Deze persoon is dan simpelweg naar een ongeschikte woning verhuisd. Hij had moeten weten dat hij in deze woning deze beperkingen zou ervaren. Dat is echter iets anders dan te verlangen dat de cliënt er rekening mee houdt dat hij in de toekomst op enig moment mogelijk beperkingen gaat ervaren, bijvoorbeeld op basis van leeftijd of woon- of gezinssituatie of omdat dit in de lijn der verwachtingen ligt. Dat kunnen wij niet verlangen. Er is geen wettelijk limiet aan de hoogte van de kosten van woonvoorzieningen. Wel moeten deze waar mogelijk geheel afbetaald worden door de aanvrager middels de bijdrage in de kosten. Bij verordening is geregeld dat verhuizen onder omstandigheden voorrang kan hebben op een eventuele woningaanpassing. Dit wordt het primaat van verhuizen genoemd. Om te beoordelen of er een primaat van verhuizen geldt moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen de belangen van de cliënt en die van de Dienst. De volgende aspecten moeten hierbij meegenomen worden: de kosten van de woningaanpassing, de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, de financiële gevolgen van verhuizing, de snelheid waarmee het probleem opgelost kan worden en de sociale omstandigheden. De kosten voor een verhuizing zijn in principe (algemeen) gebruikelijk. Van elke cliënt mag verwacht worden dat hij een budget reserveert voor de periode dat hij moet verhuizen naar een andere woning. Wel kan indien het primaat van verhuizen van toepassing is, een verhuiskostenvergoeding worden toegekend. 4.8Rolstoelen Wanneer iemand door zijn beperkingen problemen heeft bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen of bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en is aangewezen op zittend of liggend verplaatsen in en om de woning is het mogelijk een rolstoel als maatwerkvoorziening in te zetten. Een rolstoel wordt alleen verstrekt voor langdurig gebruik. Er moet dus sprake zijn van een noodzaak die langer is dan 26 weken. Voor kortdurend gebruik (26 weken of korter) is iemand aangewezen op een rolstoel vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). De rolstoel heeft als doel dat de cliënt zich kan verplaatsen met een snelheid en bereik zoals dit gebruikelijk is met lopen en is vooral bedoeld voor dagelijks zittend gebruik. Het is niet zo dat iemand de hele dag aangewezen dient te zijn op zittend verplaatsen, Als de cliënt bijvoorbeeld wel een bepaalde afstand te voet (bijvoorbeeld 100 meter) kan afleggen, maar daarna is aangewezen op zittend verplaatsen, dan kan een rolstoelvoorziening toch aangewezen zijn. We kennen verschillende rolstoelvoorzieningen te weten handbewogen rolstoelen, elektrische rolstoelen, sportrolstoelen, werkrolstoelen. Voor deze laatste categorie geldt dat rolstoelen die alleen op het werk worden gebruikt voor rekening komen van het UWV op grond van de WIA. Rolstoelen die thuis worden gebruikt en ook geschikt zijn voor het werk, vallen wel onder de Wmo
- Wat de sportrolstoel betreft, er is geen verplichting om (top)sportvoorzieningen te verstrekken. Speciale top-sportvoorzieningen dienen uit eigen middelen, fondsverwerving of sponsoring te worden gefinancierd. Iemand kan wel in aanmerking komen voor een recreatieve sportvoorziening wanneer het voor hem niet mogelijk is om een sport te beoefenen zonder de voorziening. Er moet dan sprake zijn van kosten die aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten voor iemand zonder beperkingen voor dezelfde sport. Daarnaast moet het gaan om een aantoonbare behoefte aan de sportvoorziening, in de vorm van lidmaatschap van een sportclub of –vereniging. Het gaat hier bijna altijd om sportrolstoelen. De verstrekking van sportvoorzieningen geschiedt in natura of middels een pgb. 4.9Vervoersvoorzieningen Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en het aangaan en onderhouden van sociale contacten, brengt met zich mee dat iemand zich in de directe woon-leefomgeving moet kunnen verplaatsen. Dit kan met behulp van een vervoersvoorziening. Ondersteuning middels een vervoersvoorziening is er op gericht langdurige beperkingen bij dit verplaatsen te compenseren. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken en vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Er wordt onderzocht in hoeverre de cliënt zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening of het openbaar vervoer. Voor het vervoer kunnen een taxipas, scootmobiel of andere individuele voorzieningen, zoals een driewielfiets, of auto-aanpassing worden verstrekt. Als openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk en bruikbaar is, dan kan de betreffende persoon in aanmerking komen voor een Collectief Vraagafhankelijk Vervoer-pas (CVV-pas). Met deze pas kan tegen betaling van het gebruikelijk openbaar vervoerstarief gereisd worden. Het instaptarief en vast tarief per kilometer staan uitgewerkt in het Financieel Besluit. Per rit kan maximaal in een straal van 25 km gereisd worden vanaf de woonplaats. Daarnaast zijn er puntbestemmingen waar cliënten uit alle gemeenten met de CVV-pas naar toe kunnen reizen, namelijk de volgende steden: Harlingen (behalve voor Harlingers zelf), Sneek, Leeuwarden en de crematoria in Goutum en Marsum. Voor verplaatsingen buiten de regio (dus buiten een straal van 25 km of de bovengenoemde steden) kan bovenregionaal vervoer worden gebruikt. Hiervoor is Valys beschikbaar, in opdracht van het Ministerie van VWS. Als algemene richtlijn geldt dat ongeveer 1.500-2.000 km per jaar toereikend is om in verreweg de meeste gevallen de beperkingen in mobiliteit weg te nemen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie. Hier bestaan wel uitzonderingen op. In sommige gevallen kan het zijn dat er meer vergoedbare kilometers zijn. Dit moet echter blijken uit onderzoek. Belangrijk is dat de cliënt in zo’n geval met concrete verifieerbare gegevens aannemelijk kan maken dat in zijn geval de vervoersbehoefte groter is dan de 1.500-2.000 km-norm per jaar. Wanneer iemand in het CVV is aangewezen op begeleiding, dan kan er een begeleiderspas worden toegekend. Wanneer de CVV pas niet kan voorzien in de vervoersbehoefte en de verplaatsingen liggen meer in de directe woonomgeving van de cliënt, dan kan een scootmobiel worden toegekend. In enkele gevallen is een scootmobielpool beschikbaar en voorliggend wanneer dit een passende oplossing is voor het vervoersprobleem van de cliënt. Wanneer dit niet het geval is, kan een scootmobiel als maatwerkvoorziening worden verstrekt. De scootmobiel kan worden meegenomen in het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer wanneer er sprake is van een noodzaak en het bevorderlijk is voor de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daarbij is het wel een strikte voorwaarde dat de scootmobiel veilig vastgezet kan worden tijdens de rit en dat de cliënt tijdens het vervoer op een reguliere zitplaats zit. De cliënt dient, eventueel met hulp van de chauffeur, de overstap naar de vaste zitplaats te maken via de normale ingang. Indien dat niet mogelijk is, dan kan de cliënt met hulp van de chauffeur via de lift in het voertuig stappen. De cliënt staat dan op de lift, moet zich vast houden aan de handrail en wordt ondersteund en begeleid door de chauffeur die tegelijk de lift bedient. De scootmobiel wordt altijd door de chauffeur op handkracht in het voertuig gezet en als bagage vastgezet. Indien bovenstaande opties niet mogelijk zijn, dan moet het vervoer worden geweigerd, omdat het niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden. Een autoaanpassing kan worden verstrekt wanneer dit voor de cliënt in zijn situatie de goedkoopst compenserende oplossing is. Dit betekent dat er geen goedkopere en duurzame vervoersalternatieven beschikbaar zijn voor de cliënt om zich te verplaatsen en de eigen auto alleen gebruikt kan worden wanneer die wordt aangepast. De aanpassingen kunnen onder meer betrekking hebben op de bediening en besturing, het in en uit de auto komen, de zithouding, het meenemen van noodzakelijke hulpmiddelen, de verzorging van de persoon met beperkingen, het inrijden van een rolstoel en de vergrendeling van een rolstoel. Een vergoeding van de kosten voor aanpassingen van een eigen auto is alleen mogelijk als de auto redelijk is aan te passen en in goede staat verkeert. De cliënt dient dan ook aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is, dus naar verwachting nog minimaal vijf tot zeven jaar mee kan. Een keuring van de auto kan worden verlangd om dat te kunnen inschatten. 5Vormen van verstrekking 5.1Inleiding Een maatwerkvoorziening kan in verschillende vormen worden verstrekt, namelijk als zorg in natura (ZIN), als persoonsgebonden budget (pgb) en als financiële tegemoetkoming. Wanneer de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, heeft hij de keuze om de voorziening als ZIN of als pgb te ontvangen. Dit is een recht op grond van de Wmo
- Het dagelijks bestuur heeft dan ook de verplichting om cliënten te informeren over deze keuzemogelijkheid en de gevolgen van de keuze voor een pgb. Dit doet de gebiedsteammedewerker namens het dagelijks bestuur. Er gelden echter wel aanvullende eisen en criteria voor een pgb. Indien de cliënt daar niet aan voldoet, kan de voorziening niet als pgb worden verstrekt, maar moet dat in natura. Daarbij komt ook dat een pgb niet in alle situaties aangevraagd kan worden, zoals tijdens een crisissituatie. De eisen en criteria voor een pgb worden in paragraaf 5.2 beschreven. Als laatste kennen we de financiële tegemoetkoming. Die kan worden verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer er geen passende oplossing is te realiseren in natura of met een pgb. Dit wordt beschreven in paragraaf 5.
- 5.2Zorg in natura (ZIN) Verstrekking van een maatwerkvoorziening als zorg in natura betekent dat de cliënt direct de voorziening ontvangt waarop hij aanspraak maakt. Dit kunnen hulpmiddelen, zoals een rolstoel of scootmobiel, woningaanpassingen, of diensten zijn zoals begeleiding of huishoudelijke ondersteuning. De Dienst kan het bieden van de maatwerkvoorziening als zorg in natura zelf organiseren. In veel gevallen wordt daarvoor een overeenkomst gesloten met een aanbieder of leverancier van hulmiddelen of diensten. De aanbieder of leverancier verstrekt de maatwerkvoorziening dan in natura aan de cliënt. 5.3Persoonsgebonden budget (pgb) Een persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee een cliënt zelf diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere voorzieningen kan inkopen. Het is dus een budget waarmee de cliënt zelf zijn zorg kan organiseren. Indien de cliënt dit wenst, kan een pgb worden verstrekt. Er moet echter wel voldaan worden aan de eisen uit artikel 2.3.6 van de Wmo
- In de kern komt het erop neer dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig dient te zijn. Het is daarom van belang dat de cliënt zelf na gaat wat hij en eventueel zijn vertegenwoordiger moet weten en kunnen om met een pgb om te gaan en een pgb te kunnen beheren. 5.3.1 Pgb-vaardigheid Onderstaande punten kunnen de cliënt helpen om na te gaan of het zelf organiseren van zorg met een pgb passend is voor hem of het gebiedsteam helpen bij het beoordelen of iemand pgb-vaardig is: De cliënt of zijn vertegenwoordiger overziet de situatie van de cliënt en heeft een duidelijk beeld van zijn zorgvraag; De cliënt of zijn vertegenwoordiger is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of hij weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden; De cliënt of zijn vertegenwoordiger is in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, heeft inzicht in de bestedingen van het pgb en kan die verspreiden over de periode waarvoor het pgb is afgegeven; De cliënt of zijn vertegenwoordiger is voldoende vaardig om te communiceren met instanties zoals de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en zorgverleners; De cliënt of zijn vertegenwoordiger is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; De cliënt of zijn vertegenwoordiger is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan de verstrekker van het pgb (het gebiedsteam van de desbetreffende gemeente en de Dienst); De cliënt of zijn vertegenwoordiger kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg middels een pgb passend en kwalitatief goed is; De cliënt of zijn vertegenwoordiger kan de inzet van zorgverleners coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof of ziekte; De cliënt of zijn vertegenwoordiger is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; De cliënt of zijn vertegenwoordiger heeft voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap of weet deze kennis te vinden. Alleen wanneer de cliënt en/of zijn vertegenwoordiging voldoen aan alle bovenstaande punten, wordt een pgb verstrekt. 5.3.2 Vertegenwoordiger Wanneer de cliënt niet in staat is om alleen een pgb te beheren, kan hij andere partijen inzetten voor hulp of vertegenwoordiging bij het pgb-beheer. Er zijn verschillende partijen die hulp kunnen bieden bij pgb-beheer of de cliënt in het pgb-beheer kunnen vertegenwoordigen, namelijk: curator; bewindvoerder (alleen bepaalde taken); mentor (alleen bepaalde taken); ouder/voogd; persoonlijk gevolmachtigde; informeel netwerk. Wat betreft de bewindvoerder en mentor geldt dat zij slechts enkele taken van het pgb-beheer namens de cliënt kunnen uitvoeren. Zo behartigt de bewindvoerder alleen de financiële belangen van de cliënt. De mentor behartigt vooral de belangen van de cliënt op persoonlijk vlak en niet op financiën. Daarnaast zijn zij niet bekend met het inkopen van zorg en het beoordelen of de zorg passend en van goede kwaliteit is. Om die redenen kunnen de bewindvoerder en mentor dus niet alle taken bij het pgb-beheer uitvoeren namens de cliënt, maar alleen onderdelen daarvan. De cliënt of andere vertegenwoordigers moeten in dat geval de overige taken bij het pgb-beheer uitvoeren. Lukt dat niet, dan wordt geen pgb verstrekt. De andere genoemde partijen kunnen in theorie wel alle taken van het pgb-beheer uitvoeren, maar dat dient per situatie te worden bekeken. Bij het beoordelen of één of meerdere van de hierboven genoemde partijen de cliënt kunnen ondersteunen of vertegenwoordigen bij het pgb-beheer, dient dus altijd te worden nagegaan of aan alle 10 punten is voldaan. Hierbij is essentieel dat de vertegenwoordiger zelf geen voordeel haalt uit de ondersteuning bij pgb-beheer. Om die reden komt een zorgaanbieder of zorgverlener bij wie de cliënt (een deel van) zijn zorg inkoopt of in wil kopen niet in aanmerking voor pgb-beheer. Er wordt dus geen pgb verstrekt wanneer de cliënt het beheer van een pgb uitvoert met hulp van of laat uitvoeren door de betrokken ondersteuner zelf of daaraan verbonden personen of organisaties, omdat daarmee ongewenste belangenverstrengeling kan ontstaan. Pgb-proces De cliënt ontvangt het pgb niet rechtstreeks, maar dient declaraties in bij de SVB, waarna de ondersteuner de betaling ontvangt. Dit wordt het trekkingsrecht genoemd. Een uitzondering hierop zijn de eenmalige pgb’s. Deze mogen direct verstrekt worden door de Dienst. Eenmalige pgb’s worden vrijwel alleen verstrekt voor een materiële voorziening. Als aan de voorwaarden is voldaan en de cliënt de beschikking heeft ontvangen, moet de cliënt samen met de ondersteuner een zorgovereenkomst ondertekenen. In deze overeenkomst zijn afspraken vastgelegd tussen de cliënt (budgethouder) en de met de pgb ingekochte ondersteuner. Op de website van de SVB staan voorbeeld-overeenkomsten die gebruikt kunnen worden. Deze overeenkomst wordt arbeidsrechtelijk getoetst door de SVB. 5.4 Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De cliënt is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren voorziening dan wel ondersteuning. Een financiële tegemoetkoming kan bij uitzondering worden ingezet, bijvoorbeeld wanneer de benodigde ondersteuning niet in zorg in natura of als pgb verstrekt kan worden of wanneer dit niet wenselijk is. Let wel, het gaat hier niet om een tegemoetkoming in de aannemelijke meerkosten zoals in de Wmo 2015 is vastgelegd. Het gaat hier om een verstrekkingsvorm van een maatwerkvoorziening naast zorg in natura en pgb. Een financiële tegemoetkoming is dus een tegemoetkoming in de door de cliënt gemaakte kosten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en wordt zoveel als mogelijk op maat verstrekt. Een financiële tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn, maar dient wel in de buurt te komen van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Om ‘op maat’ makkelijker te maken werken we voor veel voorkomende financiële tegemoetkomingen met een forfaitair bedrag. Van dat bedrag kan, indien noodzakelijk, gemotiveerd worden afgeweken naar boven of beneden. Die tegemoetkomingen en bedragen zijn vastgelegd in het Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning
- Naast de benoemde veel voorkomende financiële tegemoetkomingen, zoals de verhuiskostenvergoeding en vergoedingen voor vervoerskosten, zijn meer financiële tegemoetkomingen mogelijk. Het is aan de uitvoering om te beoordelen of een financiële tegemoetkoming in de desbetreffende situatie de beste verstrekkingsvorm is. Voor een financiële tegemoetkoming geldt geen eigen bijdrage. Het geldbedrag is namelijk bedoeld om de cliënt tegemoet te komen in gemaakte kosten. Het is niet logisch om daar vervolgens een eigen bijdrage over te vragen omdat de cliënt al eigen kosten maakt. In principe wordt een financiële tegemoetkoming aan de cliënt betaald. Financiële tegemoetkomingen kunnen echter zo hoog zijn dat cliënten mogelijk niet kunnen voorschieten. Om die reden kunnen er ook rechtstreekse betalingen plaatsvinden door de Dienst aan de leverancier van het product of de dienst. Voorafgaand aan de uitbetaling van de financiële tegemoetkoming, dient de cliënt een bon of factuur te overleggen van de gemaakte kosten als ‘bewijsstuk’. BijlageI: Afbakening Wmo – Wlz Schema Wlz Wmo 2015 Indicatie Wlz thuiswonend (pgb, volledig pakket thuis (VPT) en modulair pakket thuis (MPT)) Hulp bij het huishouden Begeleiding Logeeropvang