Procedureverordening tegemoetkoming in planschade gemeente Bussum 2008 De raad van de gemeente Bussum; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nummer RV08.0075; Gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening; b e s l u i t: vast te stellen de volgende verordening: Procedureverordening tegemoetkoming in planschade gemeente Bussum 2008 Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient; aanvraag: het verzoek om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening; adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon of commissie als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening; besluit: Besluit ruimtelijke ordening; college: het college van burgemeester en wethouders; derde-belanghebbende; degene als omschreven in artikel 6.4a lid 2 en 3 Wet ruimtelijke ordening; drempelbedrag: het recht dat de aanvrager verschuldigd is voor het in behandeling nemen van de aanvraag; gemeente: gemeente Bussum; planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening; planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening; wet: Wet ruimtelijke ordening. Artikel2.Indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst 1.Een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade wordt bij het college ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2.Het college tekent de datum van ontvangst van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid onverwijld aan op het formulier waarmee de aanvraag is ingediend. Het college zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin de ontvangstdatum van de aanvraag wordt vermeld. 3.Van de aanvraag als bedoeld in lid 1 wordt een afschrift toegezonden aan de derde-belanghebbende. Artikel3.Heffen recht 1.In de mededeling van ontvangst als bedoeld in artikel 2 lid 2 wijst het college de aanvrager erop dat voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag verschuldigd is van € 300,- en deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel op een aangegeven plaats moet zijn gestort. 2.Indien op de aanvraag geheel of ten dele positief wordt beslist, wordt het door de aanvrager betaalde recht terug betaald, tegelijk met de uitbetaling van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12. Artikel4:Besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvrager Indien het drempelbedrag niet binnen de in artikel 3, lid 1 genoemde termijn is bijgeschreven of gestort, verklaart het college de aanvrager niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat aanvrager in verzuim is geweest. Artikel5:Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid 1.Indien het aanvraagformulier als bedoeld in artikel 2 lid 1 naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet of niet voldoende is ingevuld of aanvrager verzuimt om de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan hebben aan te leveren, stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om het verzuim te herstellen binnen vier weken na verzending van de brief waarin op het verzuim gewezen wordt. 2.Het college is bevoegd de aanvraag binnen vier weken na ontvangst, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn verstreken is gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen, af te wijzen, indien de aanvraag kennelijk ongegrond is. 3.Een besluit om een onvolledig aanvraag niet, onderscheidenlijk niet verder in behandeling te nemen, wordt aan de aanvrager bekend gemaakt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen. 4.Het college kan de laatste in het derde lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. Artikel6Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 5 verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 4 of 5 van deze verordening of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel7.Adviseur of adviescommissie 1.Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 2.Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. 3.Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering. 4.Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen. 5.Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. 6.De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan. Artikel8.Deskundigheid en onafhankelijkheid Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 7, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 9. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 6 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: een adviseur als bedoeld in artikel 7, eerste lid, of; meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 7, vierde lid. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel10.Werkwijze adviseur of adviescommissie 1.Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2.Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.