Verordening nazorgheffing stortplaatsen ZeelandDe Staten der provincie Zeeland gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 26 januari 1999, nr.990831/5; gelet op de artikelen 220 tot en met 221, artikelen 227 tot en met 232h van de Provinciewet en artikel 15.44 van de Wet milieubeheer; besluiten het navolgende vast te stellen. Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: storten van afvalstoffen: het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten; stortplaats: inrichting waar na 1 september 1996 afvalstoffen zijn of worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort; gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde verklaring is afgegeven; niet-bedrijfsgebonden stortplaats: stortplaats niet zijnde bedrijfsgebonden stortplaats of stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort; ton: gewichtseenheid van 1.000 kg; doelvermogen: het voor de eeuwigdurende nazorg benodigde vermogen, dat op het moment van aanvang nazorg moet zijn opgebracht; startvermogen: het voor de eeuwigdurende nazorg benodigde vermogen, dat op het moment dat het storten van afvalstoffen wordt beëindigd, als bedoeld in artikel 8.47, lid 3 onder a van de Wet milieubeheer, moet zijn opgebracht. Artikel 2 Aard van de heffing Onder de naam "nazorgheffing" wordt bij wijze van een directe provinciale belasting een heffing opgelegd ter bestrijding van de kosten gemoeid met: de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor de in de provincie Zeeland gelegen stortplaatsen; de afdracht van gelden aan het interprovinciaal fonds als bedoeld in artikel 15.48 van de Wet milieubeheer; de door de provincie Zeeland uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar in de provincie Zeeland afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten vóór 1 september 1996 is beëindigd en het onderzoek naar en systematische controle van de aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging aldaar; de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 6:176 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 3 Belastingplicht De nazorgheffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft. Artikel 4 Vrijstellingen De nazorgheffing wordt niet geheven ter zake van stortplaatsen waar baggerspecie is gestort én die worden gedreven of mede worden gedreven door de Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 5 Maatstaf voor de heffing De nazorgheffing wordt geheven per stortplaats. Artikel 6 Berekening van de heffing, het doelvermogen en het startvermogen Het doelvermogen, bedoeld in artikel 1 onder f, wordt berekend op grond van het IPO-model "Berekening van nazorgkosten en nazorgheffing" (versie 2.02), dat is opgenomen in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende bijlage
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.