Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet 2020De burgemeester van de gemeente Nuenen c.a.; gelet op artikel 13b van de Opiumwet en artikel 2 van de Politiewet; besluit: onder intrekking van het ‘Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet gemeente Nuenen c.a. 2018’ (vastgesteld op 31 oktober 2018), vast te stellen de "Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet 2020" 1. Inleiding Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met illegale (verkoop)punten van verdovende middelen of productieplaatsen daarvan. De Opiumwet verbiedt in artikel 2 en 3 om verdovende middelen (soft- en harddrugs) te telen, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren alsmede aanwezig te hebben en te vervaardigen. Drugshandel, alsmede de aanwezigheid van een illegale hoeveelheid drugs, in woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven en/of de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs (voorbereidingshandelingen) vormen een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid, het beschermen van de volksgezondheid en van het woon- en leefklimaat van de inwoners van de gemeente. Vanuit dit oogpunt maakt de burgemeester gebruik van artikel 13b Opiumwet, het juridische instrument om bestuursrechtelijk op te treden tegen de illegale aanwezigheid en de illegale verkoop van drugs in woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven en/of de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs (voorbereidingshandelingen). 2. Juridisch kader Voor de bestuurlijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, lijst I) en artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, lijst II) van de Opiumwet en/of de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs (voorbereidingshandelingen), is in die wet het artikel 13b opgenomen. Artikel 13b van de Opiumwet luidt als volgt: De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. 3. Doel van de beleidsregel Met de toepassing van deze beleidsregel streeft de burgemeester telkenmale een of meerdere van de navolgende doelen na: te realiseren dat geconstateerde overtredingen van artikel 13b Opiumwet opgevolgd worden door een reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit); te bewerkstelligen dat er door de gekozen maatregel een einde komt aan de verboden situatie; te bewerkstelligen dat door de gekozen maatregel het drugspand definitief uit het drugscircuit wordt verwijderd, door de loop uit het drugspand te halen en de bekendheid als verkooppunt bij handelaren, gebruikers en derden te weg te nemen; te bewerkstelligen dat herhaling van de overtreding wordt voorkomen; door het treffen van de gekozen maatregel de negatieve effecten en risico’s voor de openbare orde en veiligheid van handel in en het gebruik van drugs zoveel mogelijk te beheersen; voorkomen dat strafbare feiten plaatsvinden; het beschermen van de rechten van anderen door een voor een ieder zichtbare sluiting; kenbaar te maken aan de burger welke maatregelen hij van de overheid kan verwachten na een overtreding van de Opiumwet; de handhavingsactiviteiten van politie, openbaar ministerie en gemeente op elkaar af te stemmen en complementair te laten zijn. 4. Omschrijving van begrippen Ter verduidelijking van deze beleidsregel is onderstaand een aantal begrippen omschreven. drugs: Een middel als bedoeld in lijst I en lijst II behorende bij de Opiumwet en/of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II is aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet. Wanneer in deze beleidsregel wordt gesproken over drugs, omvat dat ook de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs ("voorbereidingshandelingen"). drugshandel: De verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van drugs in een woning of lokaal en/of de daarbij behorende erven. erf: Al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. lokaal: Een al dan niet voor publiek toegankelijke ruimte, niet zijnde een woning. Onder de in deze rubriek bedoelde panden vallen de voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven zoals winkels en horecabedrijven en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven zoals loodsen, magazijnen en andere bedrijfsruimten. Ook kunnen bijvoorbeeld een hotelkamer, andere recreatieverblijven en een kantoor, voor zover zij geen ‘woning’ zijn, onder het begrip lokaal vallen. recidive: Een herhaalde overtreding van het bepaalde in artikelen 2 en/of 3 van de Opiumwet en/of het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet binnen een periode van 3 jaar na de laatste overtreding. Hierbij is niet relevant of de laatste overtreding is gegrond op artikel 2 of 3 van de Opiumwet dan wel op het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet. voorbereidingshandelingen: Het voorhanden hebben van een voorwerp of een stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. Deze artikelen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Een en ander kan reeds blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof (opslag van 2000 liter zoutzuur in een woonwijk) of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (een drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw), maar soms ook uit de uit een opsporingsonderzoek verkregen resultaten van tapgesprekken of observaties. Sluiting is aan de orde zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Niet alle strafbare voorbereidingshandelingen staande in artikel 10 of 11a van de Opiumwet vallen binnen de reikwijdte van deze beleidsregel. woning: Een voor bewoning gebruikte ruimte. Een woning is te karakteriseren als een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand – eventueel in een gemeenschappelijke huishouding met andere personen – zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden. Of een ruimte een woning is, wordt niet alleen bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Er dient ‘de facto’ en ‘de animo’ gewoond te worden. Of dit het geval is kan onder meer blijken uit de Basisregistratie personen (BRP), de inrichting en het feitelijke gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt. De woning behoeft niet in een woonhuis te zijn gelegen. Onder omstandigheden kan ook een hotelkamer of ander recreatieverblijf als woning gelden. Een persoon die incidenteel overnacht in een woning en niet op dit adres in de BRP staat ingeschreven, wordt niet aangemerkt als bewoner. Als er wél sprake is van een bewoner, dan leidt diens tijdelijke afwezigheid, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname in een ziekenhuis, er niet toe dat de ruimte het karakter van woning verliest. Niet tot een woning behoren die ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn bestemd en ook niet als zodanig worden gebruikt en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden. Een voor bewoning bestemde ruimte die niet gebruikt wordt als woning kan aangemerkt worden als een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en valt daarmee onder het handhavingsbeleid dat voor lokalen geldt. Als er sprake is van een woning waarin kamerverhuur plaatsvindt en de illegale drugshandel in één van de verhuurde kamers is geconstateerd dan kan een gedeeltelijke sluiting van de woning worden overwogen. Gelet op het feitelijke gebruik ervan kan deze kamer in principe worden aangemerkt als afzonderlijke woning. Beleidsuitgangspunt is een gehele sluiting van de woning. Dit met het oog op de doelstelling van Opiumwet 13b, het verwijderen van een drugspand uit het drugscircuit. Doorgaans zal een woning als zodanig en niet (alleen) een zich daarin bevindende specifieke kamer bekend staan als drugspand. 5. Damoclesbeleid (Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet) Deze beleidsregel ziet op de bevoegdheid van de burgemeester om over te gaan tot het sluiten van panden met bijbehorende erven, indien er sprake is van verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs vanuit woningen of lokalen en/of de daarbij behorende erven en/of voorbereidingshandelingen daartoe. Last onder bestuursdwang Zoals de redactie van artikel 13b Opiumwet aangeeft, heeft de burgemeester om handhavend op te kunnen treden tegen drugshandel in woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven en/of voorbereidingshandelingen daartoe, de mogelijkheid om bestuursdwang toe te passen. Teneinde betrokkenen niet in de gelegenheid te stellen een financiële belangenafweging te maken en vanwege het gewenste effect van de last onder bestuursdwang, wordt er in beginsel geen gebruik gemaakt van het opleggen van een last onder dwangsom. Waarschuwing Uitgangspunt is dat bij een overtreding van de Opiumwet met toepassing van artikel 13b van deze wet direct wordt overgegaan tot toepassing van bestuursdwang. Dit leidt tot sluiting van het drugspand. Is sprake van een woning, dan kan uitsluitend bij een eerste overtreding een waarschuwing worden overwogen. Dit geldt alléén als sprake is van minder ernstige gevallen. In ernstige gevallen wordt geen waarschuwing gegeven en wordt direct overgegaan tot sluiting van de woning. Hiermee wordt recht gedaan aan artikel 8 EVRM. Bij een lokaal wordt in principe altijd bestuursdwang toegepast. Reikwijdte Eigen gebruik Bij de beoordeling of bestuursdwang wordt toegepast in het kader van artikel 13b Opiumwet moet in ieder geval sprake zijn van het verkopen, verstrekken of afleveren dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe. De hoeveelheid van de in een drugspand kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn. In deze beleidsregel wordt hiertoe aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria. Volgens die criteria worden een hoeveelheid harddrugs van: maximaal 0,5 gram (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in grammen uitgedrukte hoeveelheden cocaïne, heroïne, amfetamine (speed), MDMA (XTC) of andere stof van lijst I), of; maximaal 1 bolletje of 1 ampul of 1 wikkel of 1 pil/tablet (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in hoeveelheid bolletjes, ampullen, wikkels of pillen/tabletten uitgedrukte hoeveelheden MDMA (XTC), amfetamine (speed) of andere stof van lijst I) (in elk geval een aangetroffen hoeveelheid van maximaal 0,5 gram), of; maximaal 5 milliliter (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in milliliters uitgedrukte hoeveelheden GHB of andere stof van lijst I; en een hoeveelheid softdrugs van: maximaal 5 planten of maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik aangemerkt. Handelshoeveelheid Worden de voornoemde drempelhoeveelheden voor eigen gebruik overschreden, dan wordt aangenomen dat de drugs geheel of gedeeltelijk voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en kan artikel 13b Opiumwet worden toegepast. Uitsluitend bij het aantreffen van een hoeveelheid softdrugs in een pand van: meer dan 5 planten maar minder dan 15 planten, of; meer dan 5 gram maar minder dan 30 gram wordt een nadere belangenafweging verricht en wordt, vanuit het oogpunt van proportionaliteit en evenredigheid, bezien welke bestuurlijke maatregel voor dat specifieke geval passend is. Ernstig geval softdrugs Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een drugspand worden overgegaan in ernstige gevallen. Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen ingeval van een aangetroffen hoeveelheid van meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten. In dat geval wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Er is dan geen sprake van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Bij hennepknipperijen, drogerijen en buitenteelt is doorgaans sprake van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep of hasjiesj. Ook bij een hoeveelheid van 30 gram of meer hennep of hasjiesj wordt een ernstig geval van drugshandel aangenomen. Dit – de aanwezigheid van meer of gelijk aan 15 planten of meer of gelijk aan 30 gram softdrugs – wordt in deze beleidsregel in ieder geval beschouwd als hoeveelheid drugs die aanwezig is voor de verkoop, aflevering of verstrekking in de zin van artikel 13b Opiumwet. Bij deze hoeveelheden wordt in beginsel direct overgegaan tot toepassing van bestuursdwang. Ernstig geval harddrugs Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een drugspand worden overgegaan in ernstige gevallen. Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen ingeval van een aangetroffen hoeveelheid meer is dan de voornoemde drempelhoeveelheden waarbij sprake is van een eigen gebruikshoeveelheid. Is hiervan sprake dan wordt in beginsel direct overgegaan wordt tot toepassing van bestuursdwang. Aanvullende grondslag Indien de drugshandel in en vanuit een woning of lokaal en/of daarbij behorende erven en/of voorbereidingshandelingen daartoe gepaard gaat met een verstoring van het openbare leven rondom dat pand, kan artikel 174a van de Gemeentewet tevens een grondslag geven voor de sluiting van het pand. Categorieën in beleid Het beleid betreffende de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet is onderverdeeld in de volgende categorieën: Woningen en bijbehorende erven: de drugshandel en/of voorbereidingshandelingen daartoe in woningen dan wel bij de woningen behorende erven. Lokalen en bijbehorende erven: de drugshandel en/of voorbereidingshandelingen daartoe in (al dan niet voor het publiek opengestelde) lokalen dan wel bij zodanige lokalen behorende erven. In het geval dat zich een combinatie voordoet van woning en lokaal (zoals bijvoorbeeld wanneer sprake is van een café met bovenwoning) wordt, in het geval een handelshoeveelheid verdovende middelen in beide wordt aangetroffen dan wel wanneer tussen woning en lokaal een duidelijke samenhang bestaat (bijvoorbeeld middels de stroom- of watervoorziening) in beginsel voor iedere afzonderlijke categorie het in deze beleidsregel opgenomen handhavingsarrangement toegepast. 6. Woningen en daarbij behorende erven Doordat de sluiting van woningen zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.