Verordening Provinciale Commissie Omgevingsbeleid ZeelandProvinciale staten van Zeeland gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van 22 september 2009, nr. 09031204; gezien het advies van de commissie Ruimte, Ecologie en Water van 11 september 2009; gelet op artikel 82 van de Provinciewet, artikel 2.41 van de Wet milieubeheer, artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening; Besluiten vast te stellen de navolgende Verordening Provinciale Commissie Omgevingsbeleid Zeeland. Artikelen Artikel 1 Er is een provinciale commissie omgevingsbeleid, hierna te noemen de commissie. Dit is tevens de commissie als bedoeld in artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening, artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding en artikel 2.41 van de Wet milieubeheer. De commissie heeft tot taak het overleg over en de coördinatie van zaken betreffende het provinciale ruimtelijk beleid. Daarnaast wordt de commissie door provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf gehoord over maatregelen en plannen die van betekenis zijn voor het provinciale milieubeheer en voor het provinciale beleid inzake de ruimtelijke ordening, de waterhuishouding, de natuur en het landschap. De commissie is bevoegd om binnen haar taak provinciale staten en gedeputeerde staten uit eigen beweging te adviseren. De commissie brengt elk jaar schriftelijk verslag van haar werkzaamheden uit aan provinciale staten en gedeputeerde staten. Artikel 2 In de commissie hebben zitting: een onafhankelijke voorzitter; de regionaal inspecteur VROM, regio Zuid West; de senior accountmanager gebiedsontwikkeling van VROM de directeur van de Directie Regionale Zaken, vestiging Zuid, van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Zeeland; de senior regioconsulent van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; een ambtenaar van de Directie Ruimtelijk Economisch Beleid van het Ministerie van Economische Zaken; twee leden op voordracht van de besturen van de Zeeuwse gemeenten; één lid op voordracht van de besturen van de Zeeuwse Waterschappen; één lid op voordracht van het bestuur van de Zeeuwse Milieufederatie; één lid op voordracht van de regioraad Zeeland van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie; één lid op voordracht van het bestuur van de Kamer van Koophandel Zuidwest Nederland; één lid op voordracht van de verenigingen Recron, Hiswa, VeKaBo Zeeland en Koninklijke Horeca Nederland; één lid op voordracht van het Zeeuws Instituut voor Sociale & Culturele Ontwikkeling (Scoop); één lid op voordracht van de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging BZW en één lid op voordracht van het MKB-Zeeland. Voor elk lid kan een plaatsvervanger worden voorgedragen. Een lid van het provinciaal bestuur of een persoon die is aangesteld in dienst van de provincie, kan geen lid of plaatsvervangend lid zijn van de commissie. Artikel 3 Gedeputeerde staten benoemen de voorzitter. Voorafgaand aan de benoeming horen zij de commissie. Het lid van de commissie, genoemd in artikel 2, eerste lid, onder b, is ambtshalve lid van de commissie. De overige leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd door gedeputeerde staten. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. De leden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c tot en met n, alsmede de voorzitter en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een periode van vier jaren, na afloop waarvan zij kunnen worden herbenoemd. Tussentijdse benoeming geschiedt voor het nog resterende deel van de zittingsperiode. De leden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c tot en met n, alsmede de voorzitter en de plaatsvervangende leden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan gedeputeerde staten. In bijzondere gevallen kunnen zij door gedeputeerde staten worden geschorst en ontslagen. Artikel 4 Gedeputeerde staten voorzien in het secretariaat van de commissie. Artikel 5 De commissie kan voor de behandeling van bepaalde onderwerpen uit haar midden werkgroepen instellen. De commissie en de werkgroepen kunnen zich doen bijstaan door deskundigen. De commissie en de werkgroepen kunnen leden van het provinciaal bestuur en ambtenaren van de provincie uitnodigen om ter vergadering toelichting of informatie te verstrekken. Artikel 6 De commissie vergadert zo vaak de voorzitter dat nodig oordeelt of indien ten minste drie leden van de commissie hem daarom schriftelijk en met opgave van redenen hebben verzocht. De vergaderingen van de commissie en van de werkgroepen zijn openbaar. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad. Artikel 7 Een advies van de commissie wordt vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Op verzoek van een lid wordt zijn ter vergadering uitgebracht afwijkend standpunt in het advies van de commissie opgenomen. Het afwijkend standpunt kan tevens in een afzonderlijke nota bij het advies worden gevoegd. Een advies van de commissie wordt door de voorzitter gezonden aan gedeputeerde staten en in afschrift aan provinciale staten, dan wel aan provinciale staten en in afschrift aan gedeputeerde staten. Artikel 8 De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de werkwijze van de werkgroepen en doet daarvan mededeling aan provinciale staten en gedeputeerde staten. Artikel 9 De leden van de commissie en de deskundigen kunnen, voor zover zij uit anderen hoofde geen aanspraak kunnen doen gelden op een vergoeding wegens reis- en verblijfskosten, een vergoeding ontvangen overeenkomstig het bepaalde in het Provinciaal reisbesluit Zeeland. Artikel 10 Leden van de commissie die door gedeputeerde staten zijn benoemd op grond van artikel 2.3 van de Provinciale Milieuverordening Zeeland, te weten besluit der staten van Zeeland van 12 januari 1999 (provinciaal blad nr. 1 en 2 van 1999), laatst gewijzigd bij besluit van 16 februari 2007 (provinciaal blad nr. 7 van 2007), worden geacht tot 1 april 2011 te zijn benoemd op grond van de onderhavige verordening. Leden van de commissie die op grond van artikel 38, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, zoals dit gold tot 1 juli 2008, ambtshalve lid zijn van de commissie, worden geacht tot 1 april 2011 te zijn benoemd op grond van de onderhavige verordening. Op het moment dat artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.1, tweede lid, aanhef en sub e, van de Invoeringswet Waterwet (Eerste Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31858, A) in werking treedt, vervalt de zinsnede ", artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding" in artikel 1, eerste lid. Artikel 11 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening Provinciale Commissie Omgevingsbeleid Zeeland". Toelichting op de Verordening Provinciale Commissie Omgevingsbeleid Zeeland Voorgeschiedenis Gedeputeerde staten hebben bij besluit van 7 augustus 2001 de Provinciale Planologische Commissie en de Provinciale Commissie Milieubeheer en Waterhuishouding samengevoegd tot één Provinciale Commissie Omgevingsbeleid (PCO) en de "Regeling Provinciale Commissie Omgevingsbeleid en Subcommissie gemeentelijke plannen" vastgesteld. Aanleiding hiervoor vormde de voorbereiding van het Omgevingsplan Zeeland. Met het oog hierop werd de behoefte gevoeld om de wettelijke advisering over het omgevingsbeleid - ruimtelijke ordening, milieu en waterhuishouding - integraal te laten plaatsvinden. De planologische adviescommissie is gebaseerd op de Wet op de Ruimtelijke Ordening (zoals deze gold tot 1 juli 2008) en op de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (ingetrokken per 1 juli 2008). De adviescommissie milieubeheer en waterhuishouding vindt zijn grondslag in de Wet milieubeheer en de Wet op de waterhuishouding. In de Wet milieubeheer was bovendien bepaald dat de nadere regeling van de adviescommissie milieu zijn beslag diende te krijgen in de provinciale milieuverordening. De adviescommissies voor milieu en waterhuishouding waren in Zeeland al eerder samengevoegd tot één commissie milieubeheer en waterhuishouding en nader geregeld in de Provinciale Milieuverordening Zeeland (PMV). Ingevolge de instelling van de PCO werd bij verordening tot wijziging van de PMV van 12 november 2004, de regeling voor de commissie milieubeheer en waterhuishouding aangepast aan de instelling van de PCO. Wettelijk kader Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden op 8 maart 2006 zijn de wettelijke grondslagen voor de provinciale milieucommissie en de provinciale waterhuishoudingscommissie gewijzigd. Omdat deze commissies zowel aan provinciale staten als aan gedeputeerde staten adviseren, bepalen de van toepassing zijnde wetsartikelen, artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding, dat provinciale staten en gedeputeerde staten gezamenlijk, in plaats van voorheen alleen provinciale staten, de adviescommissie instellen. Met het oog op een evenwichtige samenstelling van de commissie is bovendien de bepaling opgenomen dat provinciale staten en gedeputeerde staten elk een gelijk aantal leden benoemen. De inspecteur is ambtshalve lid van de commissie. Met de inwerkingtreding van de Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden is ook artikel 1.2, tweede lid onder c, van de Wet milieubeheer vervallen. In dat artikel was bepaald dat in de provinciale milieuverordening regels dienen te worden opgenomen over de samenstelling en de werkwijze van de provinciale milieucommissie. Van belang is ook dat door inwerkingtreding van de Wet dualisering provinciebestuur in 2003, in de Provinciewet is vastgelegd dat de commissaris en de gedeputeerden geen lid zijn van een door provinciale staten ingestelde commissie en dat leden van provinciale staten geen lid zijn van een door gedeputeerde staten ingestelde commissie (artikel 81 en 82 Provinciewet). Naar verwachting zal in december 2009 de nieuwe Waterwet in werking treden. Deze wet voegt de acht bestaande waterbeheerwetten samen, waaronder de Wet op de waterhuishouding en de Grondwaterwet. In de nieuwe wet is de verplichting voor het provinciebestuur om een onafhankelijke adviescommissie inzake de waterhuishouding in te stellen, vervallen. Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De provinciale planologische commissie is gehandhaafd. De commissie heeft in het verleden haar goede diensten bewezen en de wetgever heeft het nut en belang van een adviesorgaan op provinciaal niveau van blijvend belang geacht. Het provinciaal bestuur heeft in de nieuwe wet een belangrijke taak op het gebied van de ruimtelijke ordening. Provinciale staten en gedeputeerde staten kunnen immers het ruimtelijke ordeningsbeleid binnen de provincie gestalte geven en gemeenten aan kaders binden. In artikel 9.1, eerste lid, Wro is voorgeschreven dat elke provincie een provinciale planologische commissie heeft ten behoeve van het overleg over en de coördinatie van zaken betreffende provinciaal ruimtelijk beleid. Uit artikel 9.1 Wro volgt rechtstreeks dat er een planologische adviescommissie is. De nieuwe wet en het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening geven in tegenstelling tot de oude wet en besluit geen regels meer over de wijze van benoeming van de leden en over de samenstelling van de commissie. In de oude wet was bepaald dat gedeputeerde staten nadere voorschriften kunnen geven omtrent de taak en de werkwijze van de commissie. De nieuwe Wro bepaalt dat de benoeming, samenstelling, taak en werkwijze van de commissie bij provinciale verordening geregeld moeten worden. Uit de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening volgt dat het kabinet zich op het standpunt heeft gesteld dat indien bevoegdheden aan bestuursorganen op een ander niveau worden toegekend, in beginsel op dat overheidsniveau het best kan worden bepaald of advisering noodzakelijk is en op welke wijze dat gestalte zou kunnen krijgen. Dit geldt a fortiori waar het de interne coördinatie van beleid op dat overheidsniveau betreft. De vraag of een regeling bij wettelijk voorschrift noodzakelijk is, is mede bezien in het licht van de nieuwe opzet van de Wro en de sturingsinstrumenten die daarin zijn opgenomen. Het kabinet acht het dan ook vanzelfsprekend dat de provinciale bestuursorganen zich zullen doen bijstaan door een adviesorgaan, waarin de meest betrokken maatschappelijke belangen en deskundigen vertegenwoordigd zijn. Hierbij denkt het kabinet niet alleen aan mensen uit de wereld van waterschappen of natuur- en milieubeschermingsorganisaties, maar ook aan bijvoorbeeld deskundigen op het gebied van oudheidkundig bodemonderzoek. Ook ligt het voor de hand dat het provinciaal bestuur zich zal laten adviseren door een vertegenwoordiger van het ministerie van VROM om een afstemming van het provinciale beleid op het rijksbeleid te realiseren. Omdat op provinciaal niveau het scharnierpunt ligt tussen het rijksbeleid en het gemeentelijk beleid, acht de regering het tevens van belang dat voor een adequate advisering vertegenwoordigers van het Rijk en de waterschappen deel uit kunnen maken van de provinciale commissie. Mede vanwege de toenemende noodzaak tot afstemming en de voortschrijdende integratie van het ruimtelijke ordeningsbeleid, milieubeleid en waterbeleid, kunnen de provincies een voorkeur geven aan een hechtere bundeling van bestaande provinciale commissies op het gebied van ruimte, milieu en water. De nieuwe Wro staat daaraan niet in de weg, aldus de toelichting op het wetsvoorstel. Verordening Provinciale Commissie Omgevingsbeleid Zeeland Om te voldoen aan de wettelijke verplichting tot instelling, benoeming, samenstelling, taak en werkwijze van adviescommissies op het gebied van ruimte, milieu en water, hebben provinciale staten op voorstel van gedeputeerde staten de onderhavige "Verordening Provinciale Commissie Omgevingsbeleid Zeeland" vastgesteld. Uitgangspunt van de nieuwe verordening is dat alleen daar waar gewijzigde wetgeving of wijziging van feiten of omstandigheden daartoe verplichten, de tekst ten opzichte van de voorheen geldende regeling is aangepast. Dit geldt bijvoorbeeld voor de samenstelling van de commissie. Om een evenwichtige advisering op het brede gebied van het provinciale omgevingsbeleid te waarborgen, is een aantal instanties niet meer als lid opgenomen en zijn een aantal andere organisaties (de recreatiesector en Scoop) toegevoegd. De bepalingen met betrekking tot het secretariaat van de commissie, de instelling van werkgroepen, bijstand door deskundigen en het geven van een toelichting door leden van het provinciaal bestuur of door ambtenaren zijn identiek aan de vigerende regeling. Hetzelfde geldt voor de vergaderfrequentie, de openbaarheid van de vergaderingen en het opstellen van een huishoudelijk reglement. Gelijktijdig met de vaststelling van de onderhavige verordening hebben provinciale staten bij verordening tot wijziging van de Provinciale Milieuverordening Zeeland, Hoofdstuk 2 van de Provinciale Milieuverordening Zeeland, waarin de Provinciale Commissie Omgevingsbeleid was geregeld, ingetrokken. De "Regeling Provinciale Commissie Omgevingsbeleid en Subcommissie gemeentelijke plannen" heeft nog betekenis voor de taak van de Subcommissie gemeentelijke plannen ten aanzien van gemeentelijke bestemmingsplannen, waarvan het ontwerpplan ter inzage is gelegd voor 1 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.