de waterschappen aanpassing behoeven; gelezen het voorstel van beide colleges van Gedeputeerde Staten van Zeeland en Noord-Brabant d.d. 18 december 2007; gelet op artikel 2 en 6 van de Waterschapswet; gelezen de Memorie van Antwoord van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant d.d. 22 januari 2008; besluiten vast te stellen de bijgevoegde en als zodanig gewaarmerkte verordening 'Reglement voor het waterschap Brabantse Delta', met bijbehorende kaart. Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Dit reglement verstaat onder: categorie bedrijven: de categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als bedrijfsruimte; categorie ingezetenen: de categorie waartoe behoren degenen die hun werkelijke woonplaats in het waterschap hebben als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet; categorie natuurterreinen: de categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c, van de wet; categorie ongebouwd: de categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, tenzij in het reglement anders is bepaald; watersysteem: samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; wet: Waterschapswet. Hoofdstuk 2 Gebied, zetel en taak van het waterschap Artikel 2 Gebied van het waterschap Er is een waterschap met de naam Waterschap Brabantse Delta, verder aan te duiden als het waterschap. Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit reglement behorende kaart. De grenzen van het in het tweede lid bedoelde gebied kunnen nader worden aangegeven op door Gedeputeerde Staten vast te stellen detailkaarten. Van elk van de kaarten, bedoeld in het tweede en derde lid, berust een exemplaar bij het waterschap en bij de provincies Zeeland en Noord-Brabant. Artikel 3 Vestigingsplaats van het waterschap Het waterschap is gevestigd in een door het algemeen bestuur te bepalen gemeente. Artikel 4 Taak van het waterschap De taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voorzover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. De taak, bedoeld in het eerste lid, omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater, hieronder mede begrepen het stedelijk afvalwater dat afkomstig is vanuit het beheersgebied van een aangrenzende waterkwaliteitsbeheerder en dat om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een zuiveringstechnisch werk dat in beheer is bij het waterschap. Hoofdstuk 3 De samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur § 1. Het algemeen bestuur Artikel 5 Benaming bestuursorganen Het algemeen bestuur wordt aangeduid als algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur wordt aangeduid als dagelijks bestuur. De voorzitter wordt aangeduid als dijkgraaf. Artikel 6 Omvang algemeen bestuur Het algemeen bestuur bestaat uit 30 leden, waarvan: 23 leden die de categorie ingezetenen vertegenwoordigen; 3 leden die de categorie ongebouwd vertegenwoordigen; 1 lid dat de categorie natuurterreinen vertegenwoordigt; 3 leden die de categorie bedrijven vertegenwoordigen. Artikel 7 Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels Voor de categorie bedrijven worden door de Kamer van Koophandel 3 vertegenwoordigers benoemd op voordracht van de regionale raad van de regio Zuid l; Voor de categorie ongebouwd worden door de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie 3 vertegenwoordigers benoemd. Artikel 8 Reglement van orde Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, de openbaarheid van de vergaderingen, het vergader- en het besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden. § 2. Het dagelijks bestuur Artikel 9 Omvang dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en een door het algemeen bestuur te bepalen aantal andere leden dat ten minste 2 en ten hoogste 5 bedraagt. Artikel 10 Benoeming leden dagelijks bestuur Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 41, tweede lid van de wet. De tot lid van het dagelijks bestuur benoemde wordt geacht de benoeming niet aan te nemen, indien op de tiende dag na kennisgeving van de benoeming door middel van een aangetekende brief nog geen mededeling van hem is ontvangen dat hij de benoeming aanvaardt. Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming. De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen bestuur besluit het aantal leden van het dagelijks bestuur te verminderen dan wel indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid. Artikel 11 Ingang benoeming leden dagelijks bestuur In het geval van artikel 10, eerste lid gaat de benoeming van degene, die de benoeming tot lid van het dagelijks bestuur heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop tenminste de helft van het aantal leden van het dagelijks bestuur zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip. Vanaf het tijdstip van aftreden van de leden van het dagelijks bestuur tot het tijdstip waarop tenminste de helft van het aantal leden van het dagelijks bestuur de benoeming heeft aangenomen, treedt de voorzitter in de plaats van het dagelijks bestuur. Artikel 12 Ontslag op eigen initiatief Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. Artikel 13 Vervanging leden dagelijks bestuur Bij langdurige afwezigheid van een lid van het dagelijks bestuur, of indien een lid van het dagelijks bestuur met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast, kan hij worden vervangen door een lid van het algemeen bestuur, aan te wijzen door het algemeen bestuur. Degene die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken voor een lid van het dagelijks bestuur heeft waargenomen, geniet een vergoeding ten bedrage van de voor dat lid vastgestelde bezoldiging. De vergoeding wordt verminderd met hetgeen als lid van het algemeen bestuur als vergoeding wordt ontvangen. Artikel 14 Reglement van orde Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden. In het reglement van orde worden voor de vergaderingen in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, het vergaderquorum, het besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden. § 3. De voorzitter Artikel 15 Benoeming voorzitter Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de voorzitter als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet, wordt opgemaakt, wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een open sollicitatieprocedure gevolgd. Indien de aanbeveling uit meer dan één persoon bestaat, wordt over iedere plaats op de aanbeveling afzonderlijk gestemd. Voor de toepassing van artikel 46, derde en vijfde lid, van de wet wordt onder Gedeputeerde Staten verstaan: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Samen met de aanbeveling voor de benoeming van de voorzitter wordt een uittreksel uit de notulen van de gehouden stemming aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gezonden. De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel 50 van de wet, vindt plaats in handen van de Commissaris van de Koning in de provincie Noord-Brabant. Artikel 16 Woonplaats voorzitter De voorzitter heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap. Het algemeen bestuur kan voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap te hebben. § 4. De secretaris Artikel 17 Taken en bevoegdheden Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de secretaris. Hoofdstuk 4 Toezicht Artikel 18 Toezichtsbevoegdheid Voor de toepassing van de bepalingen in de Waterschapswet met betrekking tot het toezicht op het waterschapsbestuur, en voor de toepassing van artikel 4.7, eerste lid, van de Waterwet wordt onder Gedeputeerde Staten verstaan: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant. Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Meldingen Het dagelijks bestuur zendt aan Gedeputeerde Staten ter kennisneming besluiten tot oprichting of deelneming in een rechtspersoon. Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 21 Wijzigingen van beperkte strekking Provinciale Staten van Noord-Brabant zijn bevoegd tot wijziging van dit reglement, tenzij het desbetreffende besluit een regeling bevat van de in artikel 5 van de wet genoemde onderwerpen. Artikel 22 Intrekken reglement Het Reglement voor het Waterschap Brabantse Delta van 4 juli 2004, goedgekeurd bij besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 1 oktober 2003, nr. HDJZ/WAT/2003-2035 wordt ingetrokken. Artikel 23 Overgangsrecht Onder de zorg voor het watersysteem, bedoeld in artikel 1, onder lid f van dit reglement wordt tot de inwerkingtreding van de Waterwet niet verstaan het grondwaterbeheer, voor zover dit beheer niet reeds bij het waterschap berust. Ten aanzien van de voorzitter die zijn functie bekleedt op de datum van inwerkingtreding van dit reglement, is tot zijn ontslag, artikel 16 niet van toepassing. Ten aanzien van de methode van kostentoedeling die betrekking heeft op de belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2009 blijft artikel 18 van het Reglement voor Waterschap Brabantse Delta van toepassing zoals dit luidt voor de inwerkingtreding van dit reglement. De artikelen 6 tot en met 13 over samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur van het Reglement voor Waterschap Brabantse Delta behouden hun gelding tot en met 8 januari 2009 voor de op het moment van inwerkingtreden van dit reglement zitting hebbende leden van het algemeen en dagelijks bestuur. Artikel 24 Inwerkingtreding Dit reglement treedt in werking op 31 maart 2008. Artikel 25 Citeertitel Dit reglement wordt aangehaald als 'Reglement voor het Waterschap Brabantse Delta 2008'. Toelichting op het Reglement voor Waterschap Brabantse Delta Algemene toelichting Sinds de totstandkoming van de Waterschapswet in 1991 hebben zich belangrijke ontwikkelingen in het waterbeheer voorgedaan. Zo heeft het beleidsconcept integraal waterbeheer zijn intrede gedaan. Dit betekent dat het waterbeheer gericht is op alle aspecten van watersystemen in hun onderlinge samenhang. Daarnaast kenmerkt integraal waterbeheer zich door de externe samenhang met het beheer van de relevante omgeving van het watersysteem. Dit komt tot uitdrukking in de relaties met andere beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich steeds meer van object naar functie. De afgelopen jaren heeft het waterbeheer tevens een sterke impuls gekregen door een aantal externe ontwikkelingen. In 2000 is de Europese kaderrichtlijn water in werking getreden. Deze kaderrichtlijn gaat ook uit van een watersysteembenadering, nu per (internationaal) stroomgebied. De hierboven geschetste ontwikkelingen hebben ook hun weerklank gevonden in de waterschapsorganisatie. Dit komt tot uiting in de vorming van all-in waterschappen (waarbij het kwantiteitsbeheer, de zorg voor de waterkering en het waterkwaliteitsbeheer in dezelfde hand gelegd zijn), maar vooral ook in de schaalvergroting van de waterschappen. Ten tijde van het ontstaan van de Waterschapswet waren er nog ruim 200 waterschappen. Deze waren divers van omvang en ook de taken varieerden. Er waren veel waterschappen waaraan slechts één van de waterschapstaken was toebedeeld. Sommige provincies hadden zuiveringsschappen ingesteld voor de uitvoering van de waterkwaliteitstaak, of hielden deze taak in eigen hand. Inmiddels heeft een forse stroomlijning en opschaling plaatsgevonden. Sinds 1 januari 2005 telt Nederland nog 26 all-in waterschappen. Op grond van deze ontwikkelingen is de Waterschapswet gewijzigd. Zo worden bijvoorbeeld de taken waterkering en waterhuishouding niet meer afzonderlijk in de wet genoemd en wordt voor deze taken niet meer in separate heffingen voorzien. Het onderscheid aan taken en heffingen is in de huidige waterschapsstructuur niet meer relevant, sterker nog, het past niet meer bij de hedendaagse praktijk van het (integrale) watersysteembeheer. De wettelijke bevoegdheid waterschappen in te stellen en te reglementeren ligt bij Provinciale Staten. Artikel 2 van de Waterschapswet bepaalt dat de bevoegdheid tot het opheffen en het instellen van waterschappen, tot regeling van hun taken en inrichting en van de samenstelling van hun besturen en tot de verdere reglementering van waterschappen aan Provinciale Staten behoort en dat de uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt bij provinciale verordening. In verband met het interprovinciale karakter van Waterschap Brabantse Delta dienen Provinciale staten van Noord-Brabant en Zeeland gezamenlijk het reglement vast te stellen. Tussen beide provincies is overeengekomen dat het toezicht op het waterschap berust bij de provincie Noord-Brabant. Als gevolg van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei 2007, Staatsblad 2007, nr. 208), die de Waterschapswet wijzigt, moeten alle provinciale waterschapsreglementen worden aangepast. De belangrijkste aanpassingen die voortvloeien uit de herziene Waterschapswet richten zich op het volgende. Ten eerste is in het reglement een uitspraak gedaan over de omvang van het algemeen bestuur. De wet maximeert de omvang van het algemeen bestuur op 30 leden. Het minimum aantal leden is 18. Ten tweede is in het reglement een keuze gemaakt voor het aantal zetels voor de specifieke belangencategorieën. De wet onderscheidt voor de bestuurssamenstelling drie specifieke belangencategorieën te weten bedrijven, natuurterreinen en ongebouwd. De wet geeft aan dat aan deze categorieën minimaal 7 en maximaal 9 zetels moeten worden toegedeeld. Dit zijn de zogenoemde "geborgde zetels". De overige zetels zijn voor categorie ingezetenen. Ten derde zijn in het reglement de organisaties aangewezen die de kandidaten voor de geborgde zetels voor de specifieke belangencategorie ongebouwd mogen benoemen. Daarbij is tevens aangegeven op welke wijze deze organisatie tot de benoeming komen. Ten vierde is in het reglement een keuze gemaakt voor het al dan niet behouden van de kiesdistricten. Omdat zowel Gedeputeerde Staten als de Brabantse waterschappen geen voorstanders zijn van het invoeren van kiesdistricten is er voor gekozen om in het reglement geen artikel daarover op te nemen. Naast de wijzigingen die voortvloeien uit de wet is tevens getracht de waterschapsreglementen interprovinciaal te uniformeren. Bij het opstellen van het onderhavige reglement is dan ook gebruik gemaakt van een modelreglement dat door het IPO, in overleg met de Unie van Waterschappen, is opgesteld. De aanpassingen van het reglement hebben door alle wijzigingen een dusdanige impact dat er ten behoeve van de transparantie en de leesbaarheid voor is gekozen een geheel nieuw reglement op te stellen. Het onderhavige reglement schept in aansluiting op de Waterschapswet het kader voor het waterschap. Het beperkt zich tot de essentiële aspecten betreffende de inrichting en het functioneren van het waterschap. De belangrijkste onderwerpen die worden geregeld, zijn het gebied, de taak, het bestuur, de verdeling van de geborgde zetels over de specifieke belangencategorieën, het aanwijzen van de organisaties die de vertegenwoordigers voor categorieën bedrijven en ongebouwd mogen benoemen en het toezicht. De kostentoedeling en het kiesrecht wordt thans uitputtender geregeld in de Waterschapswet en de daarbij behorende Algemene Maatregel van Bestuur. Artikelsgewijs toelichting Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Op grond van artikel 1, tweede lid van de Waterschapswet kunnen als "hoofdtaken" aan de waterschappen de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van het afvalwater op de voet van artikel 15a Wet verontreiniging oppervlaktewateren worden opgedragen. In dit reglement is het begrip watersysteem nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de terminologie van de Waterwet. De Waterwet is op 28 september 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het zuiveren van het afvalwater is niet nader gedefinieerd omdat deze definitie afdoende is geregeld in de Waterschapswet en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Hoofdstuk 2 Gebied, zetel en taak van het waterschap Artikel 2 Gebied van het waterschap Bij het bepalen van het gebied van het waterschap is rekening gehouden met het uitgangspunt voor de bestuurlijke organisatie van de waterstaatszorg, dat bij de vorming van waterschappen zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de waterstaatkundige eenheden. Een waterstaatkundige eenheid bestaat uit een samenhangend stelsel van oppervlaktewateren en gronden (inclusief mensen en gebouwen), die belang hebben bij de instandhouding van dat stelsel. Het gebied van het waterschap is niet gewijzigd. Het gebied van het waterschap wordt aangegeven op een kaart die deel uitmaakt van het reglement. Op de kaart zijn de grenzen van het waterschapsgebied zo eenduidig mogelijk vastgelegd. Er kunnen gebiedsspecifieke situaties zijn waarbij het noodzakelijk is de grens van het waterschapsgebied nauwkeuriger vast te stellen (bijvoorbeeld daar waar de grens door bebouwd gebied loopt). In het reglement is de mogelijkheid opgenomen voor de precieze aanduiding van de grenzen van het waterschapsgebied detailkaarten vast te stellen. Het vaststellen van de detailkaarten is opgedragen aan Gedeputeerde Staten. Artikel 4 Taak van het waterschap In artikel 1, eerste lid van de Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. Deze taak wordt vervolgens in het tweede lid nader gespecificeerd in de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op de voet artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In de Waterschapswet worden de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding dus niet meer als aparte taken onderscheiden. In artikel 4 van het reglement is aangesloten bij de wet en de huidige situatie door aan het waterschap de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op te dragen. De zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Onder de zorg voor de waterhuishouding moet ook het regelen van de grondwaterstanden via het peilbeheer van het oppervlaktewater worden gerekend. Het gebruik van de term "zorg voor het watersysteem" benadrukt dat de tot op heden afzonderlijk benoemde taken een nauwe onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. De toekenning van "de zorg voor het watersysteem" aan het waterschap impliceert overigens niet dat alle zorg voor het watersysteem of de watersystemen in het waterschapsgebied aan het waterschap wordt toegekend. Ook andere overheden oefenen taken ter zake uit. In het eerste lid van artikel 4 is daarom aangegeven dat het waterschap verantwoordelijk is voor de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voorzover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. In artikel 4, tweede lid is ook de zuivering van afvalwater aan het waterschap opgedragen. Sinds 2002 ligt de zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater via artikel 15a van de Wvo al wettelijk bij het waterschap. Hoofdstuk 3 De samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur Dit hoofdstuk geeft een aanvulling op de bepalingen in de Waterschapswet en het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen. De wet regelt onder meer de vereisten voor het lidmaatschap van het bestuur, de verkiezingen, nevenfuncties, onverenigbare betrekkingen en het afleggen van de eed (dan wel verklaring en belofte). Voorts bevat de wet bepalingen over de vergaderingen van algemeen en dagelijks bestuur. Het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen bevat regels over rechtspositionele aangelegenheden aangaande de voorzitter, zoals benoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie, ontslag, uitkering bij ontslag en aanspraken ingeval van ziekte. Paragraaf 1 Het algemeen bestuur Artikel 6 Omvang algemeen bestuur In de Waterschapswet is, uit oogpunt van uniformering, maar ook vanwege doelmatigheid en slagvaardigheid, de minimale en maximale omvang van het algemeen bestuur vastgelegd. Het waterschapsbestuur kan bestaan uit minimaal achttien en maximaal dertig leden. Daarvan zijn zeven tot negen zetels gereserveerd voor de specifieke categorieën gezamenlijk, waarbij iedere categorie minimaal één zetel toegewezen krijgt om vertegenwoordiging zeker te stellen. De overige zetels zijn voor categorie ingezetenen. Met dit stelsel wordt verzekerd ("geborgd") dat bij de taakuitoefening door het waterschap met alle onderscheiden taakbelangen, de algemene én de specifieke, rekening wordt gehouden. Deze benadering doet recht aan het functionele karakter van het waterschap, dat zich daarmee onderscheidt van de organen van algemene democratie. Doel van de geborgde zetels is het zekerstellen van de vertegenwoordiging van alle onderscheiden belangen in het waterschapsbestuur. Bij de bepaling van de omvang van het bestuur en de aantallen zetels per categorie is rekening gehouden met de mate van het belang van iedere categorie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de omvang van de betaling door een categorie niet meer als zelfstandig criterium wordt gehanteerd omdat dit uit het wetsartikel is geschrapt. De omvang van de betaling is gebruikt als globale indicator voor het belang van elke categorie. Daarnaast is de mate van diversiteit van de belangen binnen categorieën betrokken bij de bepaling van de zetelaantallen. Door te kiezen voor een bestuursomvang van 30 zetels en een beperkt aantal geborgde zetels krijgt het algemeen bestuur een hoog democratisch gehalte. Het zijn dan voornamelijk de inwoners die de samenstelling van het algemeen bestuur bepalen doordat er een groot aantal zetels beschikbaar is voor verkiezingen door middel van het lijstenstelsel. Dat draagt bij aan de transparantie en de herkenbaarheid van het waterschapsbestuur. In het conceptontwerp reglement dat ter inzage is gelegd waren aanvankelijk 8 zetels voor de geborgde categorieën opgenomen. Gedeputeerde Staten hadden daartoe besloten wegens uniformiteit tussen de in principe gelijkwaardige waterschappen; het aanwezig zijn van 'existentiële' belangen binnen de geborgde categorieën (daarom 8 in plaats 7 geborgde zetels), waarbij er toch rekening kon worden gehouden met de regionale diversiteit en de verschillende wensen van de drie Brabantse waterschapsbesturen. De zienswijze van het bestuur van Waterschap Brabantse Delta (en Waterschap Aa en Maas), zijn om bestuurlijke redenen vervolgens aanleiding geweest om ten aanzien van het aantal geborgde zetels, de uniforme benadering van de drie Brabantse waterschappen los te laten en het voorstel te wijzigen. Gelet op de overwegend agrarische aard van het beheersgebied van het Waterschap Brabantse Delta en de wens van het waterschap zelf, is een extra geborgde zetel ingesteld (het totaal komt daarmee op 9); deze wordt toegekend aan de categorie ongebouwd (agrarisch). Hiermee ontstaat voor de Waterschap Brabantse Delta binnen de geborgde zetels een gelijk krachtenveld tussen het bedrijfsleven en de landbouw; de verdeling wordt 4:1:4. Voor de verdeling van de zetels dient er volgens de wet gekeken te worden naar de aard en omvang van het belang van de categorie. Als vertrekpunt voor het bepalen van de mate van belang is er gekozen voor de economische waarde van de onroerende zaak. Dit geeft een goede weergave van de aard en omvang van het door het waterschap te beschermen belang en het is een eenvoudige en transparante methode die goed aansluit bij de nieuwe financieringssystematiek. Gelet op de door het waterschap opgegeven waardeverhouding tussen de economische goederen van bedrijven, agrariërs en natuur werd aanvankelijk gekozen worden voor bedrijven 4 zetels, agrariërs 3 zetels en natuur 1 zetel. Als afgeleide van de economische waarde is nog aanvullend naar de betalingsomvang gekeken. Hoewel er geen lineaire relatie is tussen zeggenschap en financiering kan worden gesteld dat, nu er een indirecte relatie tussen zeggenschap en betaling blijft bestaan, dit betekent dat de verhouding tussen de toe te delen zeggenschap en de mate waarin de kosten worden gedragen reëel moet zijn. Zoals hierboven aangegeven is daar vanwege de agrarische aard van het waterschap, een negende zetel voor de categorie ongebouwd (agrarisch) toegevoegd. Deze zetelverdeling past tevens bij de aard en omvang van de natuurbelangen en -opgaven binnen dit waterschap. De natuurbelangen geven dan ook geen aanleiding om de zetelverdeling verder te corrigeren. Overigens kan de natuur net als de andere bijzondere categorieën, aanvullend haar positie binnen het waterschapsbestuur versterken via de vrij verkiesbare zetels. Gelet op de totale omvang van het algemeen bestuur blijft ook bij 9 geborgde zetels een groot aantal zetels beschikbaar voor de verkiezingen onder de ingezetenen. Artikel 7 Benoemen vertegenwoordigers geborgde zetels Voor categorie natuurterreinen is het Bosschap belast met de benoeming van kandidaten. Nadere regeling van de benoeming van deze kandidaten in het reglement is niet noodzakelijk. De kandidaten voor categorie bedrijven worden benoemd door de Kamers van Koophandel en Fabrieken. Aangezien in het waterschapsgebied twee Kamers van Koophandel en Fabrieken bevoegd zijn, is in artikel 14 van de wet bepaald dat bij reglement wordt bepaald op welke wijze de Kamers tot een voordracht komen. Om het systeem zo transparant en eenvoudig mogelijk te houden is er voor gekozen elke Kamer, naar rato van het aantal leden en het belang van de Kamer bij de taakbehartiging, een vastgesteld aantal vertegenwoordigers te laten benoemen. De verhouding tussen het aantal leden van de Kamers en het belang van de Kamers bij de taakbehartiging door het waterschap is bepalend voor de vastgelegde keuze. Bij de bepaling van de verhouding tussen het aantal leden van de Kamers en het belang van de Kamers bij de taakbehartiging door het waterschap kan gebruik worden gemaakt van het bestaande stemwaardebesluit. Voor categorie ongebouwd is het aan de provincie overgelaten de organisatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.