Wegenverordening Zeeland 2010 met toelichtingDe staten der provincie Zeeland, gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 11 mei 2010, nr. 10018057/18 gelet op artikel 145 van de Provinciewet; gezien de raadpleging van de Provinciale Commissie Economie en Mobiliteit van 31 mei 2010; overwegende dat het in verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Dienstenwet en de Wet dwangsom en beroep wenselijk is een nieuwe Wegenverordening Zeeland 2010 vast te stellen, onder gelijktijdige intrekking van de Wegenverordening Zeeland 1994; besluiten: Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op de openbare wegen in Zeeland die in beheer zijn bij de provincie. De grens van de weg ligt: ingeval aan de buitenzijde van de weg een sloot of greppel aanwezig is, op de buiten insteek van die sloot; ingeval geen sloot aanwezig is, op 6 meter uit de zijkant van de verkeersbaan of verkeersbanen en op 3 meter uit de onderkant van taluds bij wegen die in ophoging liggen, dan wel zoveel minder als uit overeenkomsten voortvloeit of uit de kadastrale begrenzing van het wegperceel volgt. Artikel 2 Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: weg: een voor openbare verkeersdoeleinden bestemde strook grond met daarop tenminste één verkeersbaan, al dan niet voor beperkt gebruik, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en andere daartoe behorende voorzieningen, waaronder uitwegen; bebouwde kom: de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet; kunstwerk: een civieltechnisch bouwwerk dat dient om een weg of verkeersbaan over een andere weg of verkeersbaan, een spoorweg, een vaarweg of ander oppervlaktewater heen, dan wel daaronder door te voeren; beplanting: opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; beheer: de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de weg en voor het door die weg vervullen van zijn functie of functies van algemeen nut, met inbegrip van de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg; omgevingsvergunning: een vergunning die verleend wordt krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is krachtens deze verordening een besluit te nemen, zijnde GS, tenzij op grond van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht en/of deze verordening een ander bestuursorgaan wordt aangewezen als bevoegd gezag; uitweg: een constructie ter ontsluiting van percelen van derden, buiten de weg gelegen; verkeersbaan: de verhardingsconstructie van zowel een hoofdrijbaan, parallelweg, fiets- of voetpad. Hoofdstuk II Onderhoud Artikel 3 Onderhoudsplicht De verplichting tot onderhoud van een weg, dan wel het bijdragen daarin, rust op degene die daarmee is belast bij of krachtens wettelijk voorschrift of ingevolge een overeenkomst, ontheffing of vergunning. De verplichting tot onderhoud van beplanting op een weg rust op de rechthebbende op die beplanting, indien die rechthebbende niet is aan te merken als onderhoudsplichtige krachtens het eerste lid. De wegbeheerder kan, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan onderhoudsplichtige derden zich bij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden dienen te houden. Artikel 4 Omvang onderhoud Het onderhoud van een weg omvat al wat nodig is om deze in goede en veilig bruikbare staat te houden, zulks in overeenstemming met de eisen die de functie van de weg daaraan redelijkerwijs stelt. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt de beplanting op een weg ten minste zodanig onderhouden dat: tot 4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, niet zijnde fietspaden of andere paden, zich geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen; tot 3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden, zich geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden; wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11; delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, direct worden verwijderd. Van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en de onderdelen a, b en c, kan door of met instemming van de wegbeheerder worden afgeweken, indien de aard en de functie van de weg zich daartegen niet verzetten. Hoofdstuk III Beheerbepalingen Artikel 5 Aanbrengen en snoeien of verwijderen van beplanting Het is verboden op een weg beplanting aan te brengen, dan wel aanwezige beplanting - anders dan bij gewoon onderhoud - te snoeien of te verwijderen. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover het in strijd is met bevoegdheden van zakelijk gerechtigden ten aanzien van de beplanting. Het voornemen om krachtens een zakelijk recht beplanting op een weg aan te brengen of aanwezige beplanting te snoeien of te verwijderen, wordt door de zakelijk gerechtigde ten minste vier weken voordat deze daartoe overgaat, meegedeeld aan de wegbeheerder. Gedeputeerde Staten kan, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan de zakelijk gerechtigde zich bij de uitvoering van het voornemen dient te houden. Artikel 6 Wijzigen en aantasten van wegen Het is verboden: een weg op een bestaande weg aan te sluiten; naar een weg een uitweg te maken of te hebben of een bestaande uitweg te wijzigen; de aard en de afmetingen van een weg te wijzigen; in een weg te graven of deze op een andere wijze aan te tasten; enig ander werk uit te voeren waardoor in de toestand van een weg verandering wordt gebracht. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het uitvoeren van onderhoud aan bermsloten door of namens een waterschap, voor zover dat onderhoud in overeenstemming is met de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet en 5.2 Waterverordening Zeeland en /of artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet (Stb.1991/379, zoals sindsdien gewijzigd). Artikel 7 Zaken op, in en boven wegen Het is verboden op, respectievelijk in wegen: masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen te plaatsen of te hebben; kabels en leidingen te leggen of te hebben. Het is verboden: delen van bouwwerken die tot boven een weg reiken, te maken of te hebben; aan bouwwerken langs een weg, voorwerpen, die tot boven de weg reiken, te bevestigen of te hebben; touwen, draden of kabels over een weg te spannen of te hebben; uitstekende delen van buiten een weg aanwezige beplanting tot boven of in die weg te laten reiken, tenzij die beplanting wordt onderhouden overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, voor beplanting op een weg. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor middelen, gebruikt voor het openbaren van gedachten of gevoelens, bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen, waaraan de middelen als bedoeld in dit lid moeten voldoen. Artikel 8 Gebruik van en activiteiten op wegen Het is verboden: een weg anders dan voor verkeersdoeleinden te gebruiken. op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km per uur of meer geldt, (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben. op wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km per uur (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben, anders dan voor korte tijd op toegangsdammen buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 1,80 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan; op een weg stoffen of voorwerpen te deponeren en te hebben die de weg verontreinigen of de afwatering van de weg belemmeren, dan wel gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg en de veiligheid van het verkeer op de weg; een weg zodanig te gebruiken dat daardoor schade aan die weg ontstaat; beplantingen en andere vegetatie op een weg te bemesten of met chemische stoffen te behandelen, dan wel de vegetatie op bermen en in bermsloten te maaien; op een weg een standplaats in te nemen of in te richten voor het aanbieden en leveren van producten; zich met een voertuig op een weg te begeven, anders dan via een weg, een uitweg of werken die tot uitweg dienen; een uitweg of werken die tot uitweg dienen, voor een ander doel te gebruiken dan tijdens het maken daarvan gebruikelijk was in verband met de bestemming van het terrein waarvoor de uitweg dient. Het eerste lid, aanhef en onderdeel f, is niet van toepassing ten aanzien van maaiwerk aan bermsloten door of namens een waterschap, voor zover de zorg voor de waterbeheersing dat vereist. Artikel 9 Zaken en activiteiten langs wegen Het is verboden op terreinen langs een weg: masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen aan te brengen of te hebben binnen een afstand van 1,80 meter uit een verkeersbaan, niet zijnde een fietspad of ander pad, dan wel binnen een afstand van 0,60 meter uit een fietspad of ander pad; binnen een afstand van 5 meter uit de buiten insteek van bermsloten die niet staan aangegeven in een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet en 5.2 Waterverordening Zeeland en /of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, beplanting, grondwallen of andere zaken aan te brengen die het onderhouden van die sloot met machines vanaf de landzijde belemmeren, indien op de wegberm aanwezige beplanting of andere obstakels verhinderen zulk onderhoud vanaf de weg uit te voeren; handelingen te verrichten die de hoogteligging van die terreinen binnen een afstand van 7 meter uit de grens van de weg meer dan 0,50 meter beneden het oorspronkelijke niveau brengt; loslopende dieren te houden indien geen deugdelijke maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat die dieren op de weg kunnen komen. Artikel 10 Gedoogplicht voor eigenaren en gebruikers van gronden Eigenaren en gebruikers van erven of gronden die grenzen aan wegen zijn verplicht personen en werktuigen op hun erf of grond toe te laten voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden ingevolge de Wegenwet of deze verordening, door of namens de wegbeheerder, indien die werkzaamheden in redelijkheid niet vanaf de weg zijn uit te voeren. Schade die daarbij aan erven of gronden ontstaat wordt door de wegbeheerder vergoed. Artikel 11 Uitzichtstroken Het is verboden op en langs wegen buiten de bebouwde kom, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten, bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzichtbelemmerende voorwerpen te hebben dan wel te maken, waardoor het vrije uitzicht wordt belemmerd. Gedeputeerde staten kunnen de grens vaststellen van een gebied, waarbinnen het uitzicht moet worden vrijgehouden. Het verbod als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor bomen bij uitwegen op wegen mits deze hoog zijn opgesnoeid en tussen de stammen voldoende doorzicht voor verkeersdeelnemers aanwezig is. Artikel 12 Bebouwingsvrije stroken Het is verboden langs wegen buiten de bebouwde kom bouwwerken te maken of te hebben binnen een afstand van 40 meter uit de as van de hoofdverkeersbaan of, indien de weg twee hoofdverkeersbanen heeft, uit de as van de dichtst bij gelegen hoofdverkeersbaan.} Het is verboden bestaande bouwwerken binnen de in het eerste lid bedoelde stroken te vernieuwen, te wijzigen of uit te breiden. Dit verbod geldt niet voor interne verbouwingen en vernieuwingen van ondergeschikte betekenis waardoor de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot. Hoofdstuk IV Ontheffingen Artikel 13 Bevoegdheid De in hoofdstuk III van deze verordening opgenomen verbodsbepalingen gelden niet voor de provincie voor zover het activiteiten betreft die zij uitoefent met betrekking tot haar eigen wegen. Van het bepaalde in hoofdstuk III kan ontheffing worden verleend door het bevoegd gezag. Indien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is op de verboden als bedoeld in hoofdstuk III, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen. Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden: Als bedoeld in artikel 5 van deze verordening, voor zover er sprake is van het vellen of doen vellen van een houtopstand; Als bedoeld in artikel 6, eerste lid van deze verordening, voor zover er sprake is van het aanleggen van een weg, of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Als bedoeld in artikel 6, eerste lid van deze verordening, voor zover er sprake is van het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan te veranderen, als bedoeld in artikel 8 lid 1 sub i van deze verordening; Als bedoeld in artikel 7 en 9 van deze verordening, voor zover er sprake is van het maken of voeren van handelsreclame; Als bedoeld in artikel 8 en 11 van deze verordening, voor zover er sprake is van opslag van roerende zaken Het bestuursorgaan dat aangewezen is als bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is tevens het bevoegd gezag op grond van de in artikel 13 lid 3 van de verordening bedoelde gevallen. Het bestuursorgaan dat op grond van artikel 13 lid 4 van deze verordening aangemerkt wordt als bevoegd gezag, vraagt advies aan Gedeputeerde Staten. Alvorens het bevoegd gezag besluit af te wijken van het in artikel 13 lid 5 bedoelde advies, treedt zij in overleg met het bestuursorgaan dat haar ter zake adviseerde. Aan een ontheffing of omgevingsvergunning, als bedoeld in deze verordening, kunnen voorschriften worden verbonden. Het bevoegd gezag kan een verleende ontheffing of omgevingsvergunning wijzigen dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken. Het in artikel 13 lid 5 en 6 bepaalde is van overeenkomstige toepassing. Artikel 14 Motieven voor afwijzen, wijzigen en intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning Het afwijzen, wijzigen of intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning op grond van deze verordening, dan wel het verbinden van voorschriften aan een dergelijke ontheffing of omgevingsvergunning, geschiedt in het belang van: het verzekeren van de veiligheid van weggebruikers; het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; het voorkomen of beperken van aantasting van op de weg aanwezige beplanting en andere vegetatie; het verzekeren van mogelijkheden voor de uitvoering van onderhoud en voor uitbreiding of reconstructie van de weg. Een ontheffing of omgevingsvergunning op grond van deze verordening kan geheel of gedeeltelijk, ambtshalve worden gewijzigd of ingetrokken, indien: de in het eerste lid vermelde motieven dat vorderen; de ontheffing of omgevingsvergunning is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; de voorschriften, als bedoeld in artikel 13, zevende lid, niet worden nageleefd; gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen gebruik is gemaakt van de ontheffing of omgevingsvergunning of van de werken die daarin worden toegestaan. Artikel 15 Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen Op aanvragen om een ontheffing op grond de artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 11 en 12 van deze verordening, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 16 Schadevergoeding Indien belanghebbenden door het geven, weigeren, wijzigen of intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld op grond van deze verordening schade lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel voor hun rekening behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kent het bevoegd gezag hen op aanvraag bij afzonderlijke beschikking een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 17 Termijn behandeling aanvraag Tenzij uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht anders voortvloeit geeft het bevoegd gezag een beschikking op een aanvraag om verlening of wijziging van een ontheffing of omgevingsvergunning uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Hoofdstuk V Handhaving Artikel 18 Toezicht en opsporing Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaren. Onverminderd de bevoegdheid van de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen zijn met de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaren. Artikel 19 Straf bij overtreding Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Hoofdstuk VI Overgangs- en slotbepalingen Artikel 20 Overgangsbepalingen Een feitelijk verleende dan wel fictieve ontheffing op grond van Wegenverordening Zeeland 1994 wordt voor toepassing van de Wegenverordening Zeeland 2010 beschouwd als een ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13. Voor bestaande werken of toestanden die strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens de Wegenverordening Zeeland 2010, maar die op grond van Wegenverordening Zeeland 1994 niet waren verboden, wordt geacht ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13 te zijn verleend. Werken of toestanden als bedoeld in het tweede lid worden door de gebruiker of eigenaar daarvan zodanig onderhouden, dat de veiligheid van weggebruikers is verzekerd en de instandhouding en bruikbaarheid van de weg is gewaarborgd. Artikel 21 Citeertitel Deze wegenverordening kan worden aangehaald als "Wegenverordening Zeeland 2010". Artikel 22 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010. Toelichting Artikel 1 Deze verordening is een instrument voor het beheer van de wegen die in beheer zijn bij de Provincie Zeeland. Zij kent enkele beperkingen in haar toepassingsbereik. In de eerste plaats geldt de verordening slechts voor openbare wegen. Wegen zijn openbaar als die kwalificatie steunt op het bepaalde in hoofdstuk II van de Wegenwet (31 juli 1930, Stb. 1930, 342, zoals sindsdien gewijzigd). In de tweede plaats beoogt de verordening alleen regels te stellen voor openbare wegen. Om de reikwijdte van de verordening ook verder in detail af te bakenen, is in het tweede lid de grens van de weg omschreven. De hierbij aangehouden hoofdlijnen zullen, zeker waar wegsloten ontbreken, meestal niet corresponderen met kadastrale grenzen. Zo zal het dus kunnen voorkomen dat de grens van de weg in bepaalde situaties ruimer ligt dan de feitelijke grens van het kadastrale wegperceel. Dat kan ertoe leiden dat particulier eigendom gedeeltelijk binnen ‘de weg’ zou komen te liggen met alle mogelijke discussie van dien rondom de openbaarheid van de betrokken gronden. Dat is niet wat deze verordening beoogt. Vandaar dat in het tweede lid voor dergelijke situaties een uitzondering wordt gemaakt in die zin, dat particulier eigendom binnen de gedefinieerde grens van de weg als zodanig wordt gerespecteerd en niet tot de weg wordt gerekend. Tevens is rekening gehouden met de mogelijkheid van krappere begrenzingen die wegbeheerders met belanghebbende partijen kunnen zijn overeengekomen op basis van specifieke beheerregelingen. De in het tweede lid vermelde maat van 6 meter ten opzichte van verkeersbanen is verkregen door aan te sluiten bij de obstakelvrije zone zoals omschreven in het Handboek Veilige inrichting van bermen – Niet-autosnelwegen buiten de bebouwde kom (CROW publicatie 202, d.d. 1 november 2004). Een berm moet ruimte bieden voor weggebruikers die van de rijbaan raken en voor het bergen van gestrande voertuigen buiten de normale verkeersstroom. Een veilige inrichting van bermen kan ongevallen voorkomen. Artikel 2 weg: Het begrip 'weg' is zodanig omschreven dat taluds, bermen en bermsloten daar per definitie onder vallen. Bij 'andere daartoe behorende voorzieningen' valt te denken aan invoeg- en uitrijstroken, vlucht- en parkeerstroken, parkeerhavens, bushaltes, beplanting, geluidsschermen, wegverlichting, bebakening, vangrails, bewegwijzering, verkeerstekens, verkeersregelinstallaties en verdere voorzieningen voor hetzij een veilige en vlotte afwikkeling van het verkeer, hetzij de instandhouding en bruikbaarheid van de weg. Onder het zo-even gebruikte begrip 'bebakening' is te verstaan het totaal aan voorwerpen, aanwijzingen, verticale markeringen en andere voorzieningen ten behoeve van een goede geleiding en een veilige afwikkeling van het verkeer. bebouwde kom: Er is voor gekozen om aan te sluiten bij de bebouwde komgrens ingevolge de Wegenverkeerswet (artikel 20a) in plaats van de Wegenwet, nu de komgrens op grond van de Wegenverkeerswet in de praktijk door alle weggebruikers eenvoudig waarneembaar is, doordat deze op grond van de Uitvoeringsvoorschriften BABW (Stcr. 239, 1997, zoals sindsdien gewijzigd) is gemarkeerd met verkeersborden (H1 en H2). kunstwerk: Zoals de omschrijving al verraadt, betreft het hier in het algemeen bruggen, viaducten, tunnels en duikers. Echter, ook andere bouwwerken van civieltechnische aard en behorend tot de weg zijn hier bedoeld. beheer: De zorg voor de instandhouding en bruikbaarheid van een weg omvat aanmerkelijk meer dan het voldoen aan de onderhoudsplicht als bedoeld in de Wegenwet. De diverse voorschriften in de verordening, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik daarvan, illustreren dat. Hierin is aanleiding gevonden om in de verordening, in navolging van de wegenverkeerswetgeving en in overeenstemming met het normale spraakgebruik, de term 'beheer' te hanteren. Een algemeen aanvaarde definitie van het begrip beheer ontbreekt vooralsnog. Gekozen is daarom voor een omschrijving van "beheer" die goed aansluit bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de Memorie van toelichting bij de Wet herverdeling wegenbeheer (29 oktober 1992, Stb. 563, 1992). De verordening verkrijgt daardoor een ruimer begrippenkader dan wat de Wegenwet thans kent. Bezwaarlijk is dat niet, omdat die wet zich immers beperkt tot de vaststelling van (een aantal) voorschriften omtrent openbare wegen, zonder onnodig ingrijpen in het bestaande wegenrecht, waarvan de kern van oudsher ligt in de verordeningen en reglementen van het rijk, de provincies en lagere overheden. wegbeheerder: met de term wegbeheerder wordt verwezen naar (het orgaan van) de partij die beheerder is van een weg. Informatie daaromtrent kan worden verkregen bij de gemeente waarbinnen de weg is gelegen en tevens op de website http://www.rijkswaterstaat.nl/wegen/feiten_en_cijfers/wegbeheer/index.aspx. bevoegd gezag: Sommige besluiten die op grond van de Wegenverordening worden genomen zijn aan te merken als een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (6 november 2008, Stb. 2008, 496) (Wabo). Het bestuursorgaan dat ingevolge de Wabo bevoegd is om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning zal in veel gevallen niet tevens de wegbeheerder zijn. De term bevoegd gezag wordt in deze verordening gebruikt om het bestuursorgaan aan te duiden dat het besluit neemt op grond van deze Wegenverordening. Artikel 3 De onderhoudsplicht met betrekking tot openbare wegen is wettelijk geregeld in de Wegenwet, de Wet herverdeling wegenbeheer en de Wet inrichting landelijk gebied (7 december 2006, Stb. 2006, 666) (Wilg) maar ook het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (26 juli 1990, Stb. 1990,460) (BABW) in samenhang met het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (26 juli 1990, Stb. 1991, 513) (RVV). Als algemeen uitgangspunt geldt dat de beheerder van een weg tevens de onderhoudsplichtige is. Als het nog voorkomt dat de onderhoudsplicht geheel of gedeeltelijk bij een ander dan de beheerder berust, dan zijn daarover tussen partijen afspraken gemaakt. Uitgangspunt is dat de onderhoudsplicht voor de weg mede omvat die voor de beplanting op de weg. Toch is niet uit te sluiten dat op wegbermen beplanting aanwezig is krachtens historische of zakelijke rechten. Voor gevallen dat de onderhoudsplicht die met dergelijke rechten samenhangt, niet is op te vatten als een onderhoudsplicht overeenkomstig het eerste lid, is het tweede lid opgenomen. Artikel 4 Wat nodig is om een weg in goede en veilig bruikbare staat te houden, wordt bepaald door de beheerder van die weg. Deze moet er tevens voor zorgen dat wat nodig is ook wordt uitgevoerd. Een opsomming van wat het onderhoud in elk geval behelst, is voor de wegbeheerder overbodig. Voor belanghebbenden kan het echter wel zinvol zijn om te weten dat tot het in goede staat houden van een weg ten minste behoort: het handhaven van de aard, de afmetingen en de samenstelling van de verhardingen en de kunstwerken; het onder een behoorlijk profiel houden, ondermeer door het aanvullen van sporen of gaten in zowel de verharding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.