← Nederland

Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (Zeeland)

Provinciale Staten van Zeeland Op het voorstel van gedeputeerde staten van 26 september 2000, nr. 51; Gelet op de artikelen 125, tweede lid, en 134, tweede lid, van de Ambtenarenwet en de artikelen 145 en 152 van de Provinciewet; Overwegende: dat de provincies hebben besloten de regelingen inzake bezoldiging, verlof en overige onderdelen van de rechtspositie te harmoniseren en te vernieuwen, een en ander voor zover deze aangelegenheden met het oog op de bedrijfsvoering niet in elke provincie afzonderlijk zullen worden geregeld; dat de provincies daartoe in het SPA-akkoord 1997/1999 met de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn overeengekomen afspraken te maken over een uniforme, transparante en vereenvoudigde collectieve arbeidsvoorwaardenregeling op hoofdlijnen voor de provincies die ruimte biedt voor een eigen lokale inkleuring en waarin een nieuw evenwicht is te vinden tussen rechtsbescherming en rechtszekerheid enerzijds en flexibiliteit en slagvaardigheid van de organisatie anderzijds; dat in het kader van het SPA-akkoord per 1 januari 2000 overeenstemming is bereikt over de invoering op 1 oktober 2000 van een Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP), welke beantwoordt aan de hierboven geschetste kwalificaties, een en ander met inbegrip van in verband hiermee noodzakelijke overgangsvoorzieningen; dat in het SPA overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel wordt gevoerd over de invoering en wijziging van arbeidsvoorwaardenregelingen voor het provinciaal personeel en dat het lokaal overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel zich richt, meer algemeen, op de algemene gang van zaken in de provincie welke van belang is voor het provinciaal personeel en meer in het bijzonder op de spelregels en personele gevolgen van reorganisaties, de lokale werkgelegenheid, alsmede op de regeling van alle zaken die uitsluitend of hoofdzakelijk de rechtstoestand van het provinciaal personeel betreffen welke sociale partners in het SPA aan de sociale partners in de afzonderlijke provincies opdragen of overlaten; dat het overleg over regelingen die elke provincie afzonderlijk met het oog op de bedrijfsvoering treft zal worden gevoerd met de ondernemingsraad, met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden; Besluiten de navolgende Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) vast te stellen. Hoofdstuk A Algemene bepalingen Artikel A.1 Definities In deze verordening en in haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder: ambtenaar: degene die door of vanwege de provincie is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn; functie: het samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar is opgedragen; passende functie: een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. salaris: hetgeen aan de ambtenaar is verschuldigd krachtens artikel 1 onder b van het Bezoldigingsbesluit Zeeland 1984; bezoldiging: hetgeen aan de ambtenaar is verschuldigd krachtens artikel 1 onder i van het Bezoldigingsbesluit Zeeland 1984 en eventuele andere aan de ambtenaar toegekende vaste toelagen die door het bevoegde bestuursorgaan als bezoldiging zijn aangemerkt; partner: de echtgenoot of echtgenote van de ambtenaar dan wel de persoon met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, alsmede de geregistreerde partner; reorganisatie: elke wijziging van de organisatiestructuur, van de omvang van de provinciale organisatie of van de taakinhoud van de provincie of een onderdeel daarvan - daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de provincie - waaraan personele consequenties zijn verbonden; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; FPU-uitkering: uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het pensioenreglement; IWV: Interprovinciaal Werkgeversverband, zijnde de commissie, bedoeld in artikel 23 van de gemeenschappelijke regeling "Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg"; SPA: Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden, zijnde het overleg tussen het IWV en de daarvoor aangewezen vakorganisaties van overheidspersoneel; WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO; Arbo-dienst: Arbo-dienst als bedoeld in artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998; beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; dienstongeval: ongeval dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Artikel A.2 Wijziging Deze verordening wordt gewijzigd indien het IWV daartoe besluit op grond van in het SPA bereikte overeenstemming. Wijziging vindt plaats met inachtneming van het betreffende besluit. Vaststelling en wijziging van besluiten van algemene strekking ter uitvoering van deze verordening vindt slechts plaats in de gevallen waarin deze verordening dat uitdrukkelijk bepaalt en onder de daarbij aangegeven voorwaarden. Artikel A.3 Bevoegdheid besluitvorming individuele gevallen Waar in deze verordening en in haar uitvoeringsbesluiten besluitvorming in individuele gevallen is vereist zijn gedeputeerde staten daartoe bevoegd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Artikel A.4 Bijzondere voorziening Indien zich gevallen voordoen waarvoor deze verordening geen voorziening biedt of waarin toepassing van deze verordening naar hun oordeel ernstige bezwaren zou opleveren kunnen gedeputeerde staten daarin, zo nodig onder afwijking van deze verordening, ten voordele van de individuele ambtenaar voorzien. Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap De provincie en de ambtenaar zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen. Artikel A.6 Bekendmaking Gedeputeerde staten dragen zorg dat de ambtenaar kennis kan nemen van alle door of vanwege het provinciaal bestuur vastgestelde algemene regels inzake de ambtelijke rechtspositie. Hoofdstuk B Aanvang, wijziging en einde arbeid Paragraaf 1 Aanvang arbeid Artikel B.1 Bevoegdheid tot aanstelling Tenzij bij of krachtens wet of bij besluit van provinciale staten anders is bepaald, wordt de ambtenaar door gedeputeerde staten aangesteld. Artikel B.2 Aanstelling De ambtenaar wordt aangesteld in dienst van de provincie. De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. Aan een aanstelling voor onbepaalde tijd kan een aanstelling voor bepaalde tijd op proef, overeenkomstig artikel B.3, zesde lid, voorafgaan. Artikel B.3 Aanstelling voor bepaalde tijd Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege zodra die tijd is verstreken. Indien de aanstelling voor bepaalde tijd na het verstrijken van die tijd voortduurt wordt de ambtenaar geacht voor dezelfde tijd, doch ten hoogste voor een jaar, op dezelfde voorwaarden als daarvoor te zijn aangesteld. Vanaf de dag dat: aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd; meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd. Het bepaalde in het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een aanstelling voor bepaalde tijd, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling voor 36 maanden of langer. Voor de toepassing van het derde lid worden mede in aanmerking genomen dienstverbanden bij een werkgever waarvan de provincie ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet worden de opvolger te zijn. Een aanstelling voor bepaalde tijd op proef wordt verleend voor ten hoogste een jaar, zo nodig met ten hoogste een jaar te verlengen. Zodra de omstandigheid, die leidde tot de aanstelling voor bepaalde tijd op proef, zich niet meer voordoet wordt een aanstelling voor onbepaalde tijd verleend, tenzij daartegen op andere gronden bezwaar bestaat. Artikel B.4 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid Voor aanstelling komt slechts in aanmerking degene die voldoet aan de gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid. Ter beoordeling van die bekwaamheid en geschiktheid kan de kandidaat aan een psychologisch onderzoek en, met inachtneming van artikel E.2, aan een medische keuring worden onderworpen. Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld dat de kandidaat een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag overlegt. Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, een lijst van functies vaststellen waarvoor de in de eerste volzin bedoelde verklaring vereist is. Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld, indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit, of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet. Artikel B.5 Informatie bij indiensttreding De ambtenaar ontvangt vóór zijn indiensttreding schriftelijk bericht van zijn aanstelling. Daarin worden, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel II, tweede lid, onderdelen a tot en met i, van de Wet van 2 december 1993 (Staatsblad 1993, 635), in elk geval vermeld: de geboorteplaats en geboortedatum van de ambtenaar; indien de aanstelling voor bepaalde tijd geschiedt de reden van de aanstelling; het organisatieonderdeel waarbij hij is geplaatst; de periode van benoeming in de functie; de salarisschaal en de toelagen die hem zijn toegekend; zijn deelname aan de pensioenregeling. Artikel B.6 Algemene dienst De ambtenaar wordt steeds voor een periode van in de regel ten minste drie jaar en maximaal vijf jaar in een functie benoemd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Paragraaf 2 Wijziging arbeid Artikel B.7 Andere functie of werkzaamheden De ambtenaar is verplicht na afloop van de periode van benoeming in een functie als bedoeld in artikel B.6, een hem aangeboden andere passende functie te aanvaarden. Bij het aanbieden van een andere passende functie wordt een aanzegtermijn van ten minste twee maanden in acht genomen. De ambtenaar kan na afloop van bedoelde periode ook opnieuw in dezelfde functie worden benoemd. Zolang er na afloop van de in de eerste volzin bedoelde periode geen passende functie beschikbaar is en de ambtenaar niet overeenkomstig het vierde lid tijdelijk is belast met andere werkzaamheden dan wel met de waarneming van een andere functie, blijft hij zijn functie vervullen. Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar in een andere functie benoemd dan wel tijdelijk met ander werk belast als hij voldoet aan de daaraan gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. De ambtenaar is verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht om, al dan niet binnen de provinciale organisatie, tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen, mits deze tijdelijke werkzaamheden, onderscheidenlijk tijdelijke waarneming hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Als belang van de dienst in de zin van het derde en vierde lid wordt voor de toepassing van die leden in elk geval aangemerkt de bevordering van de interne mobiliteit van het personeel. De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten, tenzij dat naar het oordeel van gedeputeerde staten met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst noodzakelijk is. Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel en ter uitvoering van artikel B.6 nadere regels inzake de rechtspositie vast nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden. Artikel B.8 Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden De ambtenaar kan worden verplicht in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de provincie in die tijden heeft of zal krijgen dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is te allen tijde verplicht de opleidingen te volgen en deel te nemen aan oefeningen die verband houden met zijn in dat lid bedoelde taak. Artikel B.9 Procedure en flankerend beleid reorganisaties Bij reorganisaties worden de procedures en de hoofdlijnen van het flankerend beleid in acht genomen die zijn vastgelegd in bijlage 1 van deze verordening, die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels vaststellen omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van reorganisaties. Paragraaf 3 Einde arbeid Artikel B.10 Bevoegdheid tot ontslag Ontslag wordt verleend door het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan. Artikel B.11 Ontslaggronden De ambtenaar kan ontslag worden verleend: op aanvraag, met inachtneming van het bepaalde in artikel B.12; wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, met inachtneming van het bepaalde in artikel B.13; met het oog op een FPU-uitkering, met inachtneming van het bepaalde in artikel B.14; wegens reorganisatie, met inachtneming van het bepaalde in artikel B.15; indien hij, naar het oordeel van het bevoegd bestuursorgaan, na afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan worden; indien hij, naar het oordeel van het bevoegd bestuursorgaan, na afloop van het hem krachtens artikel D.19 verleend langdurig buitengewoon verlof, niet in een passende functie herplaatst kan worden; wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, met inachtneming van het bepaalde in artikel E.9; wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder g; wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt; wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot terbeschikkingstelling; wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij of in verband met indiensttreding of keuring, zonder welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld; als disciplinaire straf, met inachtneming van het bepaalde in artikel G.4; op andere dan de in dit artikel genoemde gronden. Artikel B.12 Ontslag op aanvraag Aan de ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend. Het ontslag gaat niet eerder in dan één maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Met de ambtenaar kan in afwijking hiervan een ander tijdstip worden afgesproken waarop het ontslag ingaat. Artikel B.13 Ontslag wegens pensionering Aan de ambtenaar die de volgens artikel 6.1 van het pensioenreglement de voor het recht op ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de dag waarop de bedoelde leeftijd is bereikt ontslag verleend. Artikel B.14 Ontslag wegens FPU Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een FPU-uitkering wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op uitkering ontstaat. Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het eerste lid genoemde ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de in de vorige volzin bedoelde arbeidsduur. Ontslag voor een gedeelte uit een dienstverhouding waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op een FPU-uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur. Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast inzake voorzieningen bij deeltijdontslag en aansluitend volledig ontslag als bedoeld in het eerste en tweede lid, in aanvulling op de FPU-uitkering, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. Artikel B.15 Reorganisatie ontslag De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken hem te benoemen in een passende functie. Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is benoemd in een andere functie kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van uiterlijk een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie hem is opgedragen, blijkt dat de desbetreffende functie niet passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie te benoemen. Bij ontslagverlening op grond van het eerste en tweede lid wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. Artikel B.16 Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast inzake voorzieningen bij werkloosheid in aanvulling op de Werkloosheidswet, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. Artikel B.17 Overlijden ambtenaar De aanstelling eindigt door het overlijden van de ambtenaar. Aan de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar wordt over de periode vanaf de dag na het overlijden tot en met de laatste dag van de derde maand na die waarin het overlijden plaatsvond een bedrag uitgekeerd gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging vermeerderd met een bedrag gelijk aan de vakantie-uitkering over die periode. De overlijdensuitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekking ter zake van het overlijden van de ambtenaar toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering of zou zijn toegekomen indien daarop ten gevolge van het toedoen van de ambtenaar geen aanspraak bestaat. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de nabestaande partner, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, of, bij ontbreken van deze, de minderjarige kinderen of, indien ook deze ontbreken, degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar. Hoofdstuk C Bezoldiging (gereserveerd) Hoofdstuk D Arbeidsduur, werktijden en verlof Paragraaf 1 Arbeidsduur en werktijden Artikel D.1 Arbeidsduur Gedeputeerde staten bepalen de arbeidsduur voor de ambtenaar met inachtneming van de uitkomsten van het overleg met de organisaties van overheidspersoneel in het SPA. De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een volledige functie is daarbij gelijk aan het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, vermenigvuldigd met 7,2 uur per dag. Onder feestdagen worden verstaan de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag, de beide kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en - eenmaal in de vijf jaar in lustrumjaren - 5 mei. De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt evenredig aan het deeltijdpercentage bepaald. Artikel D.2 Werktijdenregelingen Gedeputeerde staten stellen een algemene werktijdenregeling vast nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden. Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde onderdelen van de organisatie of voor bepaalde functies een bijzondere werktijdenregeling vaststellen nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden. Gedeputeerde staten kunnen in afwijking van de in het eerste of tweede lid vastgestelde werktijdenregeling met de ambtenaar een individuele werktijdenregeling afspreken, daaronder begrepen een werktijdenregeling voor een langere periode dan één kalenderjaar, waarbij de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur wordt berekend naar evenredigheid van de langere periode. De afgesproken individuele werktijdenregeling wordt schriftelijk vastgelegd. De werktijdenregelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden zodanig vastgesteld, dat een goede bedrijfsvoering is gewaarborgd en dat, zo mogelijk, wordt rekening gehouden met de individuele wensen en arbeidsomstandigheden van de ambtenaar. De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht: tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem geldende werktijden; zich buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden. Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen Gedeputeerde staten kunnen, nadat met inachtneming van de Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, elk jaar maximaal 7 werkdagen aanwijzen als collectieve roostervrije dagen. Artikel D.4 Werktijdvermindering oudere ambtenaren1) Gereserveerd voor de regelingen van werktijdvermindering voor oudere werknemers, niet zijnde de FPU-plusregeling provincies, waarover in het SPA-akkoord 2000/2001 afspraken zijn gemaakt en welke zijn opgenomen in de regeling ter uitvoering van artikel B.14, derde lid. Paragrafen 2 en 3 Algemeen en bijzonder verlof (gereserveerd; afspraken ter zake in het SPA-akkoord per 1 januari 2000 zullen hier worden verwerkt) Paragraaf 2 Algemeen verlof Artikel D.5 Aanspraak op algemeen verlof De ambtenaar heeft per kalenderjaar aanspraak op 180 uren algemeen verlof met behoud van de volle bezoldiging. Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt deze aanspraak bepaald evenredig aan het deeltijdpercentage. Bij aanvang of einde van het dienstverband in de loop van het kalenderjaar wordt de aanspraak op algemeen verlof vastgesteld naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat jaar. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd wordt de aanspraak op algemeen verlof over het eventueel resterende deel van het kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. Artikel D.6 Verminderde aanspraak op algemeen verlof Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling geen arbeid, onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeid verricht heeft hij geen aanspraak op algemeen verlof, onderscheidenlijk aanspraak op algemeen verlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop de arbeid volgens de werktijdregeling is verricht. Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens: genoten algemeen verlof; niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte, voor zolang de verhindering om arbeid te verrichten korter duurt dan 26 weken, waarbij werkhervatting van 4 weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt; zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel D.13.; buitengewoon verlof van korte duur op grond van de artikelen D.14 en D.15 en op grond van de Wet op de ondernemingsraden. Het eerste lid is evenmin van toepassing op algemeen verlof dat met toepassing van artikel D.11 is gekocht. Artikel D.7 Opnemen van het algemeen verlof De ambtenaar kan het algemeen verlof waarop hij aanspraak heeft opnemen, tenzij hem daarvoor om redenen van dienstbelang geen toestemming is verleend. De ambtenaar meldt het voornemen om algemeen verlof op te nemen tijdig. De ambtenaar neemt als regel in ieder kalenderjaar het algemeen verlof zodanig op dat hij in ieder geval 2 weken aaneengesloten vrij van dienst is. De ambtenaar wordt, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, in de gelegenheid gesteld algemeen verlof op te nemen op officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof en/of culturele achtergrond, anders dan de dagen genoemd in artikel D.1, derde lid, bij het huwelijk en geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad, bij verhuizing en bij overlijden van bloed- en aanverwanten in de derde en vierde graad van de ambtenaar of diens partner. Het algemeen verlof wordt als regel opgenomen in het kalenderjaar waarop het betrekking heeft. Algemeen verlof dat in enig kalenderjaar niet is opgenomen wordt in het volgend kalenderjaar opgenomen. Voor zoveel het in enig kalenderjaar niet opgenomen algemeen verlof meer is dan de helft van het jaarlijks algemeen verlof vervalt dit, tenzij het niet is opgenomen: om redenen van dienstbelang; wegens niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte van 6 weken of langer aaneengesloten , zulks tot ten hoogstehet aantal uren algemeen verlof, dat in die ziekteperiode is opgebouwd en/of is verleend op dagen, gelegen in die ziekteperiode; wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel D.13; wegens toepassing van artikel D.10; Wanneer zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen dat noodzakelijk maken kan de aan de ambtenaar verleende toestemming om algemeen verlof op te nemen, worden ingetrokken, zowel vóór als tijdens het algemeen verlof. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming om algemeen verlof op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed. Artikel D.8 Algemeen verlof en ziekte Indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, indien aan hem geen toestemming zou zijn ver-leend om algemeen verlof op te nemen, wegens ziekte op uren van het algemeen verlof verhinderd zou zijn geweest zijn arbeid te verrichten, worden die uren als niet opgenomen algemeen verlof aange-merkt. Artikel D.9 Algemeen verlof en einde dienstverband Voor ieder uur algemeen verlof dat de ambtenaar niet heeft kunnen opnemen op de dag dat het dienstverband anders dan door overlijden eindigt wordt hem een vergoeding toegekend voor zoveel het algemeen verlof betreft dat wegens redenen, genoemd in artikel D.7, vierde lid, derde volzin, onderdelen a tot en met d, niet kan vervallen. Voor ieder uur algemeen verlof dat de ambtenaar op de dag van overlijden niet heeft kunnen opnemen wordt aan de nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel B.17, vierde lid, een vergoeding toegekend. De vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, is voor ieder van die uren algemeen verlof gelijk aan het salaris per uur van de ambtenaar tot ten hoogste het aantal uren aan jaarlijks algemeen verlof. Indien op de dag dat het dienstverband eindigt blijkt dat de ambtenaar teveel algemeen verlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten algemeen verlof een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur. Artikel D.10 Sparen van verlof Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag onder nader te stellen voorwaarden toestemming worden ver-leend gedurende een vooraf vast te stellen periode algemeen verlof op te sparen zodanig dat hij gedu-rende een minimale periode van 2 maanden en een maximale periode van 6 maanden aaneengesloten verlof kan opnemen. De afspraken worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Artikel D.11 Het kopen van algemeen verlof De ambtenaar kan een aanvraag indienen om gedurende een kalenderjaar de duur van het algemeen verlof te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding ter hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Een dergelijke aanvraag dient, onder voorbehoud van bijzondere omstandigheden, vóór 1 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zijn aanvraag betrekking heeft, bij gedeputeerde staten te zijn ingediend. Voor de ambtenaar met een volledige functie bedraagt de vermeerdering als bedoeld in het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het maximale aantal uren evenredig aan het deeltijdpercentage bepaald. Gedeputeerde staten wijzen de aanvraag als bedoeld in het eerste lid toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. De ambtenaar van wie een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is toegewezen kan over het kalenderjaar waarop zijn aanvraag betrekking heeft geen aanvraag doen tot vermindering van het algemeen verlof als bedoeld in artikel D.12. Artikel D.12 Het verkopen van algemeen verlof De ambtenaar kan een aanvraag indienen om gedurende een kalenderjaar de duur van het algemeen verlof te verminderen in ruil voor een vergoeding ter hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Een dergelijke aanvraag dient, onder voorbehoud van bijzondere omstandigheden, vóór 1 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zijn aanvraag betrekking heeft, bij gedeputeerde staten te zijn ingediend. Voor de ambtenaar met een volledige functie bedraagt de vermindering als bedoeld in het eerste lid maximaal 36 uren. Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het maximale aantal uren evenredig aan het deeltijdpercentage bepaald. Gedeputeerde staten wijzen de aanvraag als bedoeld in het eerste lid toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. De ambtenaar van wie een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is toegewezen kan over het kalenderjaar waarop zijn aanvraag betrekking heeft geen aanvraag doen tot vermeerdering van het algemeen verlof als bedoeld in artikel D.11. Paragraaf 3 Buitengewoon verlof Artikel D.13 Zwangerschaps- en bevallingsverlof De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof. Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging overeenkomstig het bepaalde in de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in artikel E.8, eerste lid. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige, aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen 6 weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan 4 weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van 10 weken vanaf de dag, volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste 16 weken voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte, minder dan 6 weken heeft bedragen. Artikel D.14 Buitengewoon verlof De ambtenaar heeft, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, recht op verlof van korte duur met behoud van de volle bezoldiging: voor de uitoefening van het kiesrecht, voorzover dit niet in vrije tijd kan geschieden of omzetting van de dienst niet mogelijk is ; voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, tenzij deze is ontstaan door schuld of nalatigheid van de ambtenaar en voor zover zulks niet in vrije tijd kan geschieden of omzetting van dienst niet mogelijk is; bij overlijden van de partner, ouders, stiefouders, kinderen, pleeg-, stief- en aangetrouwde kinderen van de ambtenaar of diens partner: 4 dagen; bij overlijden van bloed- en aanverwanten in de tweede graad van de ambtenaar of diens partner: 2 dagen, tenzij de ambtenaar is belast met de regeling van de begrafenis en/of nalatenschap, in welk geval verlof voor ten hoogste 4 dagen wordt verleend; bij ernstige ziekte van de partner, ouders, stiefouders, kinderen, pleeg-, stief- en aangetrouwde kinderen van de ambtenaar of diens partner; bij huwelijk en geregistreerd partnerschap van de ambtenaar voor 1 dag; bij bevalling van de partner voor 2 dagen. De ambtenaar behoudt het recht op bezoldiging voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij tengevolge van andere dan de in het eerste lid genoemde zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, die aangemerkt kunnen worden als een calamiteit, verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten. Desgevraagd dient de ambtenaar aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake was van een calamiteit. Artikel D.15 Buitengewoon verlof voor activiteiten van vakorganisaties Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten worden per kalenderjaar ten hoogste 108 uren buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel en van centrale organisaties en internationale ambtenarenorganisaties, waarbij deze vakorganisaties zijn aangesloten, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: voor zover het betreft vergaderingen van vakorganisaties van overheidspersoneel, als bestuurslid van die vakorganisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan; voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel; voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, waarbij de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn aangesloten, als bestuurslid van deze internationale ambtenarenorganisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt per kalenderjaar tot ten hoogste 187,2 uren buitengewoon verlof met be¬houd van de volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar die door een van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel is aangewezen om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn vakorganisatie dan wel binnen het provinciaal apparaat. De door de ambtenaar te verrichten activiteiten dienen de doelstellingen van zijn vakorganisatie van overheidspersoneel te ondersteunen. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van een in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van overheidspersoneel - als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 50,4 uren per 2 kalenderjaren bedraagt. Het verlof, verleend op grond van het eerste, tweede en derde lid, bedraagt tezamen ten hoogste 216 uren per kalenderjaar, met dien verstande dat ten hoogste 288 uren verlof per kalenderjaar worden verleend aan een lid van het hoofdbestuur van een in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van overheidspersoneel of van een centrale organisatie waarbij die vakorganisatie is aangesloten. Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het verlof, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, bepaald evenredig aan het deeltijdpercentage. Het verlof, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, wordt slechts verleend aan de ambtenaar die lid is van een in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van overheidspersoneel. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend voor deelname aan het in artikel I.1 bedoelde overleg als vertegenwoordiger van de vakorganisatie van overheidspersoneel en aan het daartoe noodzakelijke vooroverleg van de vakorganisaties van overheidspersoneel. Artikel D.16 Non-activiteit Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en de vakantie-uitkering. Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet aanspraak heeft op inkomsten - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als inkomsten over de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven. Artikel D.17 Betaald ouderschapsverlof De ambtenaar die ten minste een jaar in dienst is, een gemiddelde arbeidsduur heeft van ten minste 14,4 uur per week en als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot een kind, onderscheidenlijk blijkens verklaringen uit het bevolkingsregister op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op ouderschapsverlof. Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind recht op ouderschapsverlof. Geen recht op ouderschapsverlof bestaat over de periode gelegen na de datum waarop het kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt. Het ouderschapsverlof bedraagt een aaneengesloten periode van ten minste 1 maand en ten hoogste 6 maanden over ten hoogste de helft van de voor de ambtenaar geldende gemiddelde arbeidsduur per week, met een minimum van 7,2 uur. Tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet wordt het de ambtenaar op zijn aanvraag toegestaan het ouderschapsverlof waarop hij ingevolge het bepaalde in de eerste volzin recht heeft, op een andere wijze aaneengesloten te genieten mits de aaneengesloten periode van ouderschapsverlof niet korter is dan 1 maand en niet langer dan 12 maanden. Over de uren van het ouderschapsverlof behoudt de ambtenaar 75% van zijn bezoldiging als hij wordt bezoldigd volgens salarisschaal 4 of hoger en achtereenvolgens 90%, 85% en 80% van zijn bezoldiging als hij wordt bezoldigd volgens achtereenvolgens salarisschaal 1, 2 en 3. Gedurende het ouderschapsverlof vindt de opbouw van de vakantie-uitkering plaats op basis van de bezoldiging die de ambtenaar ingevolge de eerste volzin geniet. De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste 2 maanden vóór de door hem gewenste ingangsdatum. Indien het dienstbelang de gewenste spreiding van uren over de week niet toelaat, wordt na overleg met de ambtenaar een afwijkende regeling getroffen. Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats. In dat geval blijft de voor de ambtenaar tijdens het ouderschapsverlof geldende bezoldiging de eerste 10 aaneengesloten werkdagen ongewijzigd en wordt vanaf de elfde werkdag de korting ingevolge het derde lid beëindigd. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten uren van het ouderschapsverlof wanneer hem tijdens het ouderschapsverlof of binnen 6 maanden na afloop daarvan op zijn aanvraag of op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden ontslag is verleend. Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar ontheffing van de terugbetalingsplicht verlenen. Artikel D.18 Wet financiering loopbaanonderbreking Indien de ambtenaar verlof geniet met behoud van volle of gedeeltelijke bezoldiging en in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in de Wet financiering loopbaanonderbreking, geschiedt de doorbetaling van de bezoldiging slechts voor zover het deze uitkering te boven gaat. De ambtenaar is wanneer hij verlof met behoud van volle of gedeeltelijke bezoldiging opneemt, verplicht eraan mee te werken dat hij in aanmerking komt voor loopbaanonderbrekingsfinanciering. De financiering zal uitbetaald worden via de werkgever. Artikel D.19 Kapstokbepaling buitengewoon verlof Gedeputeerde staten kunnen, indien daartoe naar hun oordeel termen bestaan, de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof verlenen voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met behoud van volle of gedeeltelijke bezoldiging en op door hen te bepalen wijze. Hoofdstuk E Gezondheid en arbeidsomstandigheden Artikel E.1 Algemene bepalingen Gedeputeerde staten sluiten een overeenkomst met een Arbo-dienst. Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen inzake ziek- en hersteldmelding daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures. Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, een lijst vast met functies, waarvoor op grond van bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid een medische keuring bij aanstelling of functiewijziging is vereist. Ten aanzien van de medische keuring, bedoeld in het eerste lid is tevens van toepassing het Protocol Aanstellingskeuringen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Artikel E.3 Verplichte periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken Een ambtenaar die is belast met een functie, vermeld op de lijst, bedoeld in het eerste lid van artikel E.2, ondergaat periodiek een gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Artikel E.4 Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar verplichten een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan: indien naar hun oordeel gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien zij gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de volledige geschiktheid van de ambtenaar voor het verrichten van zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden geacht voor de vervulling van een andere functie; indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken een nominatieve aangifteplicht geldt; ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht; om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b van artikel E.9; om te beoordelen of een ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten. Artikel E.5 Medisch advies, hernieuwd onderzoek De Arbo-dienst brengt naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen E.3 en E.4 een medisch advies uit aan gedeputeerde staten. De ambtenaar ontvangt zo spoedig mogelijk een afschrift van het medisch advies. Indien de ambtenaar het niet eens is met het medisch advies kan hij schriftelijk binnen een periode van twee weken een hernieuwd onderzoek aanvragen. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag, maar uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek plaats door een commissie van drie artsen. De leden van de commissie worden door gedeputeerde staten aangewezen. De arts, die het medisch advies heeft uitgebracht, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting. Op aanvraag van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld om, binnen een termijn van twee weken na zijn aanvraag, zijn mening schriftelijk aan de commissie kenbaar te maken. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan de ambtenaar, gedeputeerde staten en de behandelend arts, bedoeld in het vijfde lid. De kosten van een hernieuwd onderzoek komen voor rekening van de provincie. De ambtenaar krijgt zijn reis- en verblijfkosten vergoed volgens de geldende provinciale regeling. Artikel E.6 Buitendienststelling Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar op advies van de Arbo-dienst buiten dienst stellen, indien na een onderzoek als bedoeld in de artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de ambtenaar lichamelijk of geestelijk in een zodanige toestand verkeert, dat hij zijn eigen belangen, de belangen van de dienst of van derden die bij het verrichten van de arbeid zijn betrokken, schaadt door zijn arbeid te blijven verrichten. De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid buiten dienst wordt gesteld, wordt geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van arbeid, in welk geval het bepaalde in en krachtens de artikelen E.7, E.8 en E.9 van toepassing is. Artikel E.7 Andere functie De ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan in een andere functie worden benoemd. Gedurende de eerste 52 weken dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, is hij verplicht een hem aangeboden functie te aanvaarden, indien het passende arbeid betreft als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet. Gedurende de periode na de eerste 52 weken dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, is hij verplicht een hem aangeboden functie te aanvaarden, indien het gangbare arbeid betreft als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO. Het bepaalde in dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing, indien aan de ambtenaar de eigen functie wordt opgedragen onder andere voorwaarden. Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast met betrekking tot de aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, de daarbij in acht te nemen verplichtingen en de sancties bij het niet nakomen van die verplichtingen, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. Gedeputeerde staten stellen, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken, algemeen verbindende voorschriften vast inzake het recht op een suppletie aan de ambtenaar die deelnemer is in de zin van het pensioenreglement aan wie wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontslag op grond van artikel E.9 is verleend. Zij regelen daarin de daarbij in acht te nemen verplichtingen en de sancties bij het niet nakomen van die verplichtingen. Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid De ambtenaar kan ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, indien: er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar; herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar is te verwachten en het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de organisatie van de provincie andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden. Onder arbeid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gedurende de eerste 52 weken dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verstaan passende arbeid als bedoeld in artikel 30 van de Ziektewet en gedurende de periode daarna gangbare arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO. Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof. Voor het bepalen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld: indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof; of indien een in onderdeel b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, vragen gedeputeerde staten het oordeel van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de WAO uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts. De in het vijfde lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door gedeputeerde staten aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door hem aangewezen arts. Gedeputeerde staten stellen de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het vijfde lid, wordt ingesteld. Daarbij wijzen zij de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure. De kennisgeving, bedoeld in het zevende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van achttien maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het vierde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing. De in het vijfde lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan gedeputeerde staten. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar. Indien benoeming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, plaatsvindt in een functie voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren. Artikel E.10 Infectieziekten Een ambtenaar, die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen tenzij de Arbo-dienst daartoe toestemming heeft verleend. De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste mededeling te doen aan de Arbo-dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege de Arbo-dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. De ambtenaar geniet over de tijd gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn volledige bezoldiging. Artikel E.11 IZR- deelnemerschap De ambtenaar die is aangesteld voor langer dan zes maanden, uit hoofde van dit dienstverband deelnemer is in de zin van het pensioenreglement en wiens arbeidsduur ten minste 50% bedraagt van de volledige arbeidsduur, neemt verplicht deel aan de ziektekostenverzekering IZR, tenzij hij daarvan door gedeputeerde staten op zijn aanvraag is ontheven op grond van gemoedsbezwaren tegen elke vorm van verzekering. De ambtenaar die niet verplicht deelneemt aan de ziektekostenverzekering IZR uitsluitend omdat zijn arbeidsduur minder dan 50% van de volledige arbeidsduur bedraagt, wordt op zijn aanvraag deelnemer aan de ziektekostenverzekering IZR. De door de ambtenaar verschuldigde IZR-premie wordt op zijn bezoldiging ingehouden. Artikel E.12 P.M. 1%-regeling - Artikel E.13 Bijzondere tegemoetkoming ziektekostenverzekering Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verlenen in de premie van een gesloten ziektekostenverzekering aan de ambtenaar die niet aan de ziektekostenverzekering IZR deelneemt. Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in artikel E.11, tweede lid, die geen deelname aan de ziektekostenverzekering IZR aanvraagt. Artikel E.14 Ziektekosten bij dienstongeval of beroepsziekte In geval van dienstongevallen of beroepsziekten worden de ambtenaar vergoed te zijnen laste blijvende naar het oordeel van gedeputeerde staten noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging. Artikel E.15 Borstvoeding Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft wordt de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. Hoofdstuk F Overige rechten en plichten Artikel F.1 Integriteit De ambtenaar is verplicht aan gedeputeerde staten opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. De gedane opgaven worden door gedeputeerde staten geregistreerd. Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. De ambtenaar die in opdracht van gedeputeerde staten nevenwerkzaamheden verricht die verband houden met de vervulling van zijn functie, is verplicht de voor die werkzaamheden anders dan uit de provinciale kas ontvangen vergoeding in de provinciale kas te storten, tenzij gedeputeerde staten uitdrukkelijk anders hebben bepaald. Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de provincie, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald omtrent aannemingen of leveringen ten behoeve van anderen. Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn functie enige bevoordeling te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk verboden. Het is de ambtenaar verboden ten eigen bate of ten bate van derden: diensten te laten verrichten door personen in dienst van de provincie; aan de provincie toebehorende eigendommen te gebruiken; gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn functie ter kennis is gekomen; tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, voorschriften vaststellen inzake het afleggen van een eed of belofte, alsmede nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid. Artikel F.2 Dienstkleding en onderscheidingstekens De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding en onderscheidingstekens te dragen en zich te houden aan de ter zake vastgestelde voorschriften. Artikel F.3 Schadevergoeding De ambtenaar die bij de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden schade toebrengt aan de provincie of aan een derde jegens wie de provincie tot vergoeding van schade gehouden is, is hiervoor niet jegens de provincie aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de hem opgedragen werkzaamheden, anders voortvloeien dan in de eerste volzin is bepaald. Gedeputeerde staten kunnen naar billijkheid de ambtenaar schade vergoeden aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden. Aan de ambtenaar kan naar billijkheid schade worden vergoed aan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij lijdt ten gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar; of de ambtenaar dienstreizen met bedoeld motorrijtuig maakt over een totale afstand van 10.000 of meer kilometers gemiddeld per jaar en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer; of hem geen toestemming is verleend voor het gebruik van bedoeld motorrijtuig. Artikel F.4 Kostenvergoedingen Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van reis- en verblijfkosten wegens dienstreizen met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van verhuiskosten en pensionkosten met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, regels vaststellen inzake vergoeding van kosten voor dienstkleding en onderscheidingstekens. Aan de ambtenaar die in verband met zijn functievervulling andere dan in het eerste, tweede en derde lid bedoelde kosten heeft moeten maken, kan vergoeding in die kosten worden verleend met inachtneming van door gedeputeerde staten te stellen regels waarover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden. P.M. Voorzieningen woon/werk Artikel F.5 Woonplaats De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen nabij de plaats van tewerkstelling, indien dit naar het oordeel van gedeputeerde staten noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van de functie. Artikel F.6 Dienstwoning Indien dit voor de goede vervulling van de functie nodig is kan de ambtenaar worden verplicht te gaan wonen in de dienstwoning die hem is aangewezen. De ambtenaar dient zich te gedragen naar de voorschriften die ter zake van de bewoning en het gebruik zijn gesteld. Hij draagt de onderhoudskosten van de dienstwoning die volgens de wet en het plaatselijk gebruik normaal voor rekening van de huurder zijn, tenzij met hem andere afspraken zijn gemaakt. Opzegging van de dienstwoning geschiedt ten minste drie maanden tevoren. Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen hiervan afwijken. Artikel F.7 Jaargesprekken (Gereserveerd voor de uitwerking van de afspraken ter zake in het SPA-akkoord 2000/2001) Artikel F.8 Aanzuivering tekorten De ambtenaar, die ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Comptabiliteitswet is belast met de in dat lid vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, indien hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De ambtenaar, die ingevolge artikel 19, vierde lid, van de Comptabiliteitswet is aangewezen om beheer te voeren, als bedoeld in het derde lid van dat artikel, is verplicht schade te vergoeden, indien hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Artikel F.9 Opleiding De ambtenaar is verplicht de opleidingen te volgen die gedeputeerde staten voor hem noodzakelijk achten in het belang van de dienst. Gedeputeerde staten stellen voor ambtenaren die verplicht of op aanvraag een opleiding volgen een studiefaciliteitenregeling vast, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte afspraken. Artikel F.10 Bescherming Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de ambtenaar die activiteiten vervult waarvoor hij op grond van het bepaalde in artikel D.15 als lid van één van de vakorganisaties van overheidspersoneel buitengewoon verlof kan genieten, niet wegens zijn lidmaatschap van of activiteiten voor die vakorganisaties wordt benadeeld in zijn positie in de provinciale organisatie. Artikel F.11 Spaarloonregeling Gedeputeerde staten kunnen een spaarloonregeling vaststellen nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk G Orde- en strafmaatregelen Artikel G.1 Maatregelen van orde De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in dienstlokalen, dienstgebouwen of op het werk zijn vastgesteld. Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Artikel G.2 Schorsing De ambtenaar kan voor bepaalde tijd worden geschorst, indien: een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem wordt ingesteld; hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd; tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd of het belang van de dienst dit verlangt. Behoudens bij schorsing op grond van het eerste lid, onderdeel d, kan tijdens de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan aan de ambtenaar worden uitbetaald. Artikel G.3 Plichtsverzuim De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan om die reden disciplinair gestraft worden. Artikel G.4 Disciplinaire straffen De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd zijn schriftelijke berisping; vermindering van het algemeen verlof met ten hoogste 1/3 van het aantal uren, waarop in het desbetreffende jaar aanspraak bestaat; geldboete tot ten hoogste 10% van twaalf maal het bedrag van zijn salaris; benoeming in een andere functie; ontslag. Bij het opleggen van de straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan daarbij eventueel gestelde bijzondere voorwaarden. Artikel G.5 Tenuitvoerlegging Het besluit tot strafoplegging wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd, tenzij anders is bepaald. Hoofdstuk H Dienstverband op arbeidsovereenkomst Artikel H.1 Definities Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt verstaan onder: werknemer: degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is van de provincie; oproepkracht: de werknemer die in dienst is genomen voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard of omvang wisselend karakter. Namens de provincie treden gedeputeerde staten op als werkgever voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op arbeidsovereenkomst Indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan slechts plaatsvinden: voor tijdelijke aanpassing van het personeelsbestand aan een wisselende behoefte; indien betrokkene blijkens de bewoordingen van de arbeidsovereenkomst hoofdzakelijk in dienst is genomen ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde groepen van werklozen; voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard of omvang wisselend karakter; ingeval aanstelling als ambtenaar tot gevolg zou hebben dat betrokkene uit dien hoofde niet verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet, mits hij niet uit andere hoofde verplicht verzekerd is tegen ziektekosten en hij niet aan de ziektekostenverzekering IZR kan deelnemen. Artikel H.3 Vaststelling arbeidsovereenkomst De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel a of b, wordt de arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste 6 maanden. Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel c, wordt de arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd dat de in dat onderdeel bedoelde regeling op de werknemer van toepassing is. Artikel H.5 Loon De werkgever bepaalt volgens welke van de hierna genoemde regelingen de loonbetaling zal plaatshebben: volgens de bezoldigingsregeling voor de ambtenaren; of volgens de loonregeling voor de groep waarvan de werknemer deel uitmaakt, die de werkgever heeft vastgesteld nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden; of op een bedrag, voor elk geval of voor elke te verrichten dienst afzonderlijk vast te stellen. Toepasselijkheid hoofdstuk C : P.M. Artikel H.6 Toepasselijkheid bepalingen Burgerlijk Wetboek De bepalingen van Boek 7, Titel 10, afdelingen 1 tot en met 9, van het Burgerlijk Wetboek zijn, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, van toepassing op de arbeidsovereenkomst. Artikel H.7 Toepasselijkheid bepalingen in en krachtens deze verordening In aanvulling op artikel H.6 is het bepaalde ten aanzien van ambtenaren in en krachtens de artikelen A.4, A.6, B.4, B.7, derde tot en met zesde lid, B.8, B.17, tweede, derde en vierde lid, hoofdstuk D, de artikelen E.1 tot en met E.8, E.10 tot en met E.12 en E.15, alsmede de hoofdstukken F - met uitzondering van artikel F.3, eerste en tweede lid - en G voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de werknemer die deelnemer is in de zin van het pensioenreglement is het bepaalde in en krachtens de artikelen B.14, derde lid, B.16 en E.9 voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst Artikel H.8 Einde arbeidsovereenkomst bij verlies verblijfstitel vreemdelingen De arbeidsovereenkomst kan te allen tijde zonder opzeggingstermijn worden beëindigd indien de werknemer niet langer een vergunning tot verblijf heeft op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet welke het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit, of indien hem niet langer verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet. Artikel H.9 Oproepkrachten De werkgever is verplicht, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden. De oproepkracht is in beginsel verplicht de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten. Een oproep tot arbeid kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd tot uiterlijk twaalf uur vóór de aanvang van de feitelijke werkzaamheden. In geval van niet tijdige afzegging door de werkgever bestaat aanspraak op loon als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Artikel H.10 Doorwerking wijzigingen Een wijziging van het bepaalde bij of krachtens deze verordening geldt, voorzover het tegendeel niet is bepaald, ook voor de werknemer die bij het in werking treden van die wijziging al op arbeidsovereenkomst in dienst van de provincie is. Hoofdstuk I Overleg Artikel I.1 Overleg met vakorganisaties van overheidspersoneel Met vakorganisaties van overheidspersoneel wordt overleg gevoerd over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel I.2. Het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt gevoerd tussen een door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en vertegenwoordigers van: ABVAKABO FNV/NOVON; CFO en andere vakorganisaties van overheidspersoneel, indien gedeputeerde staten hen, onder meer gelet op het aantal ambtenaren dat zij in de provincie vertegenwoordigen, als representatief voor de provincie hebben aangemerkt. Artikel I.2 Onderwerpen van overleg Overleg vindt plaats over: de regeling van de rechtstoestand van de ambtenaar waar dat overleg in de onderscheiden hoofdstukken van deze verordening is voorgeschreven en overigens, als het overleg daarover niet is voorbehouden aan het SPA, indien en voorzover dat in het SPA is overeengekomen; de vaststelling van regels omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van reorganisaties als bedoeld in artikel B.9, daaronder begrepen de vaststelling van sociale beleidskaders; werkgelegenheid, voor zover daarover geen overleg plaatsvindt in het SPA; de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken, indien dat in het SPA is overeengekomen. In geval van een reorganisatie waarbij de positie van minder dan 10 personen is betrokken kan overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel achterwege blijven. Ten minste eenmaal per jaar vindt overleg plaats over de algemene gang van zaken in de provincie welke van belang is voor de ambtenaren. Artikel I.3 Wijze van overleg Het overleg wordt voorgezeten door de portefeuillehouder voor personeelsaangelegenheden uit het midden van gedeputeerde staten. Hij wordt ondersteund door een door hem aan te wijzen secretaris. De door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en de vertegenwoordigers van de vakorganisaties van overheidspersoneel kunnen zich in het overleg laten bijstaan door deskundigen. Het overleg vindt plaats indien de door gedeputeerde staten aangewezen delegatie dan wel één of meer van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel dat noodzakelijk achten. De uitnodiging voor het overleg gaat uit van de secretaris. Deze stelt de vakorganisaties van overheidspersoneel tevoren in de gelegenheid om hun wensen met betrekking tot de te bespreken onderwerpen kenbaar te maken. Gedeputeerde staten kunnen met de vakorganisaties van overheidspersoneel nadere afspraken maken over de wijze van overleg, daaronder begrepen afspraken over beslechting van geschillen. Artikel I.4 Overeenstemmingvereiste Indien het overleg betrekking heeft op de invoering, wijziging of intrekking van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren moet hierover overeenstemming worden bereikt met een meerderheid van de in dat overleg vertegenwoordigde vakorganisaties van overheidspersoneel. Elk van de vertegenwoordigde vakorganisaties van overheidspersoneel brengt daarbij zoveel stemmen uit als deze leden heeft in de provincie, met dien verstande dat het aantal stemmen van één vakorganisatie van overheidspersoneel nooit meer kan zijn dan het aantal stemmen van de overige vakorganisatie(

  1. s)van overheidspersoneel tezamen. Indien overeenstemming is bereikt met niet de meerderheid van de vakorganisaties van overheidspersoneel worden de voorstellen alleen doorgevoerd als de voorzitter van het overleg heeft geconstateerd dat hiervoor voldoende draagvlak is. Een zodanig draagvlak is in elk geval niet aanwezig als het aantal uitgebrachte stemmen van de vakorganisatie(
  2. s)waarmee overeenstemming is bereikt, minder is dan de helft van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. Indien en zolang de in het eerste lid bedoelde overeenstemming niet wordt bereikt blijft de invoering, wijziging of intrekking van de daar bedoelde regelingen achterwege. In dat geval worden ad hoc nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop verder zal worden gehandeld. Hoofdstuk J Slotbepaling Artikel J.1 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. Bijlage 1 Bedoeld in artikel b.9 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies Spelregels en flankerend beleid bij reorganisaties Procedurele kaders bij reorganisaties De provincie maakt met de vakorganisaties van overheidspersoneel afspraken over de spelregels die bij reorganisaties in acht genomen moeten worden. Voorzover die afspraken betrekking hebben op de rol van de ondernemingsraad worden zij niet gemaakt dan nadat hierover overleg met die ondernemingsraad heeft plaatsgevonden. Bij de afweging of tot reorganisatie moet worden overgegaan en bij de afweging omtrent de omvang (ingrijpendheid) van de reorganisatie spelen de personele aspecten een volwaardige rol naast organisatorische, financiële en andere overwegingen. Voorafgaande aan elke reorganisatie moet helder zijn wie de opdrachtgever is, wie bevoegd is (zijn) de terzake noodzakelijke besluiten te nemen en wie overigens verantwoordelijk is (zijn) voor de uitvoering. De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de te onderscheiden fasen in het reorganisatieproces en een (globale) opsomming van de te ondernemen activiteiten in elk van die fasen. Het aantal fasen en de daarin te onderscheiden activiteiten kunnen variëren naar gelang de omvang en de consequenties van die reorganisatie. De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de algemene personele en rechtspositionele randvoorwaarden die bij reorganisaties in acht genomen moeten worden. De spelregels bij reorganisaties geven aan wat de (wettelijke) taken en bevoegdheden van de ondernemingsraad en die van de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn in de verschillende fasen van het reorganisatieproces. Globaal geldt daarbij de volgende taakafbakening. De ondernemingsraad overlegt en adviseert, met inachtneming van het in artikel 46d, onderdeel b, van de WOR geformuleerde politiek primaat, over reorganisaties als zodanig op basis van met name artikel 25, eerste lid, onderdelen c, d, e en m, van de WOR. Met de vakorganisaties van overheidspersoneel worden afspraken gemaakt over de personele, in het bijzonder de rechtspositionele randvoorwaarden die bij de reorganisatie in acht genomen worden. De ondernemingsraad en de vakorganisaties van overheidspersoneel zullen om hun taken goed te kunnen vervullen steeds tijdig en adequaat worden geïnformeerd. Voor de ondernemingsraad zijn daarbij in het bijzonder de artikelen 31 en 31a van de WOR van belang. Het voornemen tot reorganisatie wordt de ondernemingsraad en de vakorganisaties van overheidspersoneel tijdig gemeld. In de spelregels bij reorganisaties wordt vastgelegd op welke wijze het personeel wordt betrokken bij de reorganisatie en wie daarvoor verantwoordelijk is. Daarbij gaat het in elk geval om: tijdige en adequate informatie over de reorganisatie en de personele gevolgen daarvan; de mogelijkheden om te participeren in het reorganisatieproces. Gemeenschappelijk kader flankerend beleid provincies Hoofddoel van het flankerend beleid is onvrijwillige werkloosheid te voorkomen. Hoge prioriteit ligt hier bij werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Daartoe leveren de provincie en de werknemers wier functie wordt bedreigd een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing. Als provinciale taken aan een andere of nieuwe werkgever worden uitbesteed of overgedragen worden daartoe afspraken gemaakt over overname van werknemers en over de condities van overgang van deze werknemers. Bij herplaatsing geldt het beginsel dat de werknemer, waar mogelijk, zijn taak volgt. Waar nodig treft de provincie aanvullende voorzieningen die de herplaatsingmogelijkheden vergroten of belemmeringen wegnemen. De werknemer is verplicht ander passend werk te aanvaarden en zijn medewerking te verlenen aan maatregelen ter bevordering van zijn herplaatsingmogelijkheden. Het begrip "passend" moet in het licht van de inspanning onvrijwillige werkloosheid te voorkomen ruim gedefinieerd worden. De provincie spant zich in om werknemers die niet kunnen worden herplaatst elders in de omgeving aan het werk te krijgen. Een goed sociaal vangnet voor hen die onvrijwillig werkloos worden is van groot belang. Daartoe zijn in het SPA afspraken gemaakt in de vorm van een voor alle provincies gelijke bovenwettelijke werkloosheidsregeling. Waar onvrijwillige werkloosheid onvermijdelijk is bepaalt de provincie in overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel de ontslagvolgorde. Zij houdt daarbij rekening met de arbeidsmarktpositie van betrokkenen en de voor hen geldende wettelijke en bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen. Anderzijds moeten de ontslagen ook een zekere afspiegeling van het personeelsbestand vormen. De geschiktheid van ambtenaren kan aanleiding zijn in een concrete situatie af te wijken van de ontslagvolgorde. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin de ambtenaar op grond van bijzondere kennis of bekwaamheden bezwaarlijk kan worden gemist of om ambtenaren in sleutelfuncties die van zodanig belang zijn voor de provinciale organisatie dat voor de vervulling van die functies de kwaliteit van de ambtenaar een zwaarwegende rol moet spelen. De provincie bevordert in geval van gedwongen ontslagen een spoedige reïntegratie in het arbeidsproces. Zij treft voorzieningen die de arbeidsmobiliteit bevorderen en belemmeringen wegnemen. Instrumenten flankerend beleid Hieronder is een opsomming gegeven van instrumenten van een flankerend beleid, gericht op behoud of herstel van werk. Instrumenten t.b.v. interne herplaatsing Gerichte, individuele loopbaanbegeleiding op basis van bekwaamheden, belangstelling en aanbod van functies in de toekomst. Toepassen van beloningsdifferentiatie bij positieve horizontale of neerwaartse herplaatsing. Om-, her- en bijscholing. Wegnemen c.q. vermindering van financiële belemmeringen voor herplaatsing, zoals garanties t.a.v. salaris(schaal), afbouw van wegvallende of teruglopende (secundaire) emolumenten en tegemoetkomingen in extra kosten (bijv. verhuiskosten, extra reiskosten woon/werk). Stimulering van interne mobiliteit via bijv. mobiliteitspremies, detacheringen, proefplaatsingen en/of spijtoptantenregelingen. Verlening van een voorkeurspositie bij interne vacaturevervulling. Tijdelijke plaatsing boven de formatie (in het concrete vooruitzicht van een definitieve herplaatsing). Sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat tijdens de werkloosheidsuitkering. Instrumenten ter bevordering van de (externe) arbeidsmobiliteit Tijdelijke arbeidsbemiddeling (bijv. via outplacement) Begeleiding en ondersteuning bij sollicitaties (sollicitatiecursus, beroepskeuzetests, voorlichting over vacatures e.d.). Afspraken met overheden en relevante instellingen in de omgeving en buurprovincies over bijv. vacature-uitwisseling, sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat, detacheringen en andere vormen van collegiale doorlening. Vertrekpremies en/of loonsuppletieregelingen ter bevordering van de arbeidsmobiliteit. Faciliteiten bij de opbouw van een eigen bedrijf (bijv. via afkoop van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, tijdelijke non-activiteit met terugkeermogelijkheid). Om-, her- en bijscholing. Wegnemen van belemmeringen van de arbeidsmobiliteit (sollicitatieverlof, flexibele opzegtermijn, ontheffing terugbetalingsplicht studie- en verhuiskosten, verhuiskostenvergoeding e.d.). Toelichting bij Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies Toelichting bij Hoofdstuk A 1. Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Formele basis In de aanhef is aangegeven dat deze verordening een getrapte formele basis heeft. De wettelijke basis zijn de artikelen 125, tweede lid, en 134, tweede lid, van de Ambtenarenwet. In het overlegprotocol dat het Interprovinciaal Werkgeversverband (IWV) en de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn overeengekomen is vastgelegd dat er over de arbeidsvoorwaarden voor de provinciale ambtenaren overeenstemming moet zijn bereikt in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA). Het IWV treedt op voor de provinciale besturen. Zijn bevoegdheid daartoe dient gebaseerd te worden op de artikelen 5, eerste lid, en 23 van de gemeenschappelijke regeling "Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg". De bevoegdheid houdt niet in het zelf vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Zij beperkt zich tot de mogelijkheid voor het IWV om de provincies, en dus niet de provinciale ambtenaren, te binden en wel jegens de vakorganisaties van overheidspersoneel. De bevoegdheid moet dus gezien worden als volmacht in de zin van boek 3, titel 3, van het Burgerlijk Wetboek. Zij is geen bevoegdheid van regeling en bestuur als bedoeld in artikel 43 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Pas het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden bij verordening is uitoefening van zo'n bevoegdheid. Die vaststelling moet gezien worden als het nakomen van de verplichting jegens de vakorganisaties van overheidspersoneel om de met hen overeengekomen voorwaarden op te nemen in een vorm die ook voor de provinciale ambtenaren rechten en verplichtingen meebrengt. De citeertitel van deze verordening is daarmee in overeenstemming gebracht. Zij luidt nu: Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. Maar, zoals gezegd, de voorwaarden blijven in formele zin een verordening en zo worden zij in hun tekst en hierna in de voorkomende gevallen ook aangeduid. Wijziging van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) De tekst van deze verordening kan gewijzigd worden, maar ook dat zal gebeuren overeenkomstig de SPA-akkoorden tussen het IWV en de vakorganisaties van overheidspersoneel. Voor de provinciale besturen zelf is wijziging dus niet meer de vaststelling van nieuw beleid, maar de formalisering daarvan. Uitvoeringsregels In de verordening wordt op diverse plaatsen aan gedeputeerde staten opgedragen uitvoeringsregels vast te stellen. Ook voor deze regels gelden de SPA-akkoorden. Er kan zijn overeengekomen dat zij binnen bepaalde kaders of dat zij in het decentrale overleg moeten of kunnen worden vastgesteld. De verplichting is aangegeven in artikel 2, tweede lid. Instructies Deze verordening heeft geen betrekking op instructies. Die moeten worden gezien als algemene dienstopdrachten in het kader van de ambtelijke organisatie, bedoeld in artikel 157 van de Provinciewet. Zij betreffen dus niet de rechtspositie, bedoeld in de Ambtenarenwet. Andere regelgeving De in veel verordeningen gebruikelijke bepaling dat zij wijken voor hogere wetgeving of bijzondere verordeningen is niet opgenomen. Dat een verordening wijkt voor hogere wetgeving is al bepaald in artikel 119 van de Provinciewet. Voor de verhouding tussen regelingen van gelijke rang geldt het beginsel dat een vroegere regeling wijkt voor een latere en een algemene voor een bijzondere. Dit beginsel wil in de praktijk nog wel eens vragen oproepen, omdat niet altijd duidelijk is wat bijzonder is en wat algemeen. Die vragen dienen dan echter op basis van de concrete situatie te worden beantwoord. Het is niet juist om a-priori te bepalen dat de CAP in die gevallen altijd en zonder meer buiten toepassing blijft. 2. Artikelgewijze toelichting Artikel A.1 Definities De definities gelden ook voor de uitvoeringsbesluiten. Zij hoeven daarin dus niet meer te worden herhaald. Onderdeel a. Voor de definitie van het begrip "ambtenaar" is de terminologie van de Ambtenarenwet gevolgd, i.c. haar artikelen 1, eerste lid, en 125, tweede lid. Onderdeel d. Het salaris wordt nauwkeurig omschreven in het Bezoldigingsbesluit Zeeland 1984. In deze verordening kan volstaan worden met daarnaar te verwijzen. Onderdeel e. Bezoldiging is ruimer dan salaris. Het omvat alles wat beschouwd kan worden als vaste vergoeding of vaste financiële waardering voor prestaties. Onkostenvergoedingen en incidentele vergoedingen vallen er niet onder. Als regel zullen de vaste vergoedingen buiten het salaris ook in het Bezoldigingsreglement worden toegekend. Dit is ook het geval in het Bezoldigingsbesluit Zeeland 1984. Het kan echter niet worden uitgesloten dat er daarnaast nog incidenteel andere vergoedingsregelingen bestaan of ontstaan. Onderdeel f. Het begrip partner wordt als uitgangspunt genomen. Een echtgenoot wordt ook als partner beschouwd. Een ambtenaar kan voor de toepassing van deze verordening slechts één partner tegelijkertijd hebben. Onderdeel j. Het IWV is de commissie, bedoeld in artikel 23 van de gemeenschappelijke regeling "Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg". Aan de commissie zijn de in artikel 5, eerste lid, van die gemeenschappelijke regeling bedoelde taken gedelegeerd. Tot die taken behoort het nemen van bindende besluiten namens de provincies, voor zover van toepassing, bij de onderhandelingen met de vakorganisaties van overheidspersoneel over de arbeidsvoorwaarden. De besluiten zijn alleen bindend voor de provincies, niet rechtstreeks voor ambtenaren. De bevoegdheid als zodanig is dus een civielrechtelijke volmacht. Onderdeel k. Het SPA is de aanduiding van de vergaderingen met de vakorganisaties van overheidspersoneel waarin de onderhandelingen plaatsvinden. Artikel A.2 Wijziging Eerste lid. In het algemeen gedeelte van deze toelichting is aangegeven dat de bevoegdheid tot vaststelling van de inhoud van deze verordening, en dus ook van haar wijzigingen, is gebonden aan de SPA-akkoorden, zijnde overeenkomsten tussen het IWV, namens de provincies, en de vakorganisaties van overheidspersoneel. Dit lid bevestigt dat. Tweede lid. Zoals in het algemeen gedeelte, onder Uitvoeringsregels, is aangegeven, zijn ook de uitvoeringsregels bij deze verordening gebonden aan de overeenkomsten tussen het IWV en de vakorganisaties van overheidspersoneel. Die overeenkomsten kunnen overigens aan gedeputeerde staten meer of minder ruimte laten. Als zij bepaalde kaders inhouden, zijn die aangegeven in deze verordening op de betreffende plaatsen. Het gaat om uitvoeringsregels van algemene strekking, dus in de eerste plaats om de algemeen verbindende voorschriften, maar ook om eventuele beleidsregels. Het gaat niet om individuele beschikkingen. Artikel A.4 Bijzondere voorziening Hierin is een algemene hardheidsclausule opgenomen die gedeputeerde staten de ruimte biedt voor individueel maatwerk. Het betreffen bijzondere voorzieningen ten voordele van de ambtenaar als de verordening geen voorziening kent of deze voorziening in de concrete individuele situatie tot kennelijk onredelijke uitkomsten leidt. Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap Aangesloten is bij de vergelijkbare bepaling in het Burgerlijk Wetboek, i.c. artikel 7:611. Het goed werkgeverschap zal zijn toetsing vinden in de beginselen van behoorlijk bestuur van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel A.6 Bekendmaking Het is wenselijk dat iedere ambtenaar een direct inzicht kan hebben in alle rechtspositionele regelingen die hem aangaan. Dat kan worden gerealiseerd door op diverse plaatsen in de organisatie geactualiseerde bundels te plaatsen of door de doorlopende teksten elektronisch ter inzage te geven. Deze verplichting geldt echter alleen voor de provinciale regels, niet voor rechtspositionele wetten of algemene maatregelen van bestuur of regels van derden, zoals het ABP. Tot de provinciale regels vanwege het provinciaal bestuur behoren de regels die bijv. krachtens een gemeenschappelijke regeling, zoals de Interprovinciale Ziektekostenregeling (IZR), worden vastgesteld. Toelichting bij Hoofdstuk B en spelregels en flankerend beleid bij reorganisaties 1. Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Hoofdstuk B bevat voorschriften over de aanstelling (paragraaf 1, artikelen B.1 t/m B.6), de wijzigingen in de arbeid (paragraaf 2, artikelen B.7 t/m B.9) en over het ontslag met daarbij behorende gevolgen (paragraaf 3, artikelen B.10 t/m B.17). De aanstellingWat betreft de aanstelling is gekozen voor een open stelsel dat aansluit op dat in de marktsector. Dit marktconforme open stelsel geeft het management meer speelruimte voor aanstellingen voor bepaalde tijd en biedt anderzijds provinciale ambtenaren dezelfde waarborgen als zijn collegae in de marktsector. Het is met andere woorden een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid. In navolging van het civiele arbeidsrecht is een onderscheid gemaakt tussen een dienstverband voor bepaalde tijd en een dienstverband voor onbepaalde tijd. Dus er is niet langer een onderscheid tussen een vaste aanstelling en een tijdelijke aanstelling en bij een tijdelijke aanstelling tussen die voor (vast) bepaalde tijd en voor onbepaalde tijd. Gezien de directe samenhang zijn in paragraaf 1 tevens de bepalingen inzake afloop van de aanstellingen voor bepaalde tijd opgenomen. Analoog aan het civiele arbeidsrecht is, zoals gezegd, afgestapt van een gesloten stelsel voor de aanstelling voor bepaalde tijd. Wel is voorgeschreven dat de reden voor de aanstelling voor bepaalde tijd schriftelijk wordt medegedeeld. Evenmin als in het civiele arbeidsrecht is een maximumduur voor de aanstelling voor bepaalde tijd vastgelegd. Wel zijn de beperkingen t.a.v. opvolgende dienstverbanden voor bepaalde tijd uit de Wet Flexibiliteit en Zekerheid overgenomen. Die houden in dat bij overtreding van die bepalingen het laatste dienstverband voor bepaalde tijd wordt aangemerkt als een dienstverband voor onbepaalde tijd. In dat geval eindigt de laatste aanstelling voor bepaalde tijd na afloop van die periode dus niet van rechtswege, maar kan ontslag alleen plaatsvinden op basis van de bestaande ontslaggronden. Tussentijdse beëindiging van aanstellingen voor bepaalde tijd kan ook alleen op basis van de bestaande ontslaggronden. Analoog aan het civiele arbeidsrecht bestaat er geen (geclausuleerd) recht op een aanstelling voor onbepaalde tijd na afloop van de aanstelling voor bepaalde tijd. Daarvan is alleen nog sprake bij een aanstelling voor bepaalde tijd op proef, die kan voorafgaan aan een aanstelling voor onbepaalde tijd. Aanspraak op een automatische aanstelling voor onbepaalde tijd bestaat evenmin voor hen die solliciteren vanuit een vaste aanstelling bij een andere overheidswerkgever. Partijen kunnen daarover gezamenlijk afspraken maken tijdens de sollicitatie. Vastgehouden is aan de aanstelling op proef voor één tot twee jaar. Er is niet gekozen voor invoering van de regels inzake de proeftijd uit het civiele arbeidsrecht, omdat het ontslagstelsel niet aansluit op dat in de marktsector. Anders dan nu wordt de aanstelling voor bepaalde tijd bij feitelijke voortzetting verlengd voor dezelfde duur, doch voor ten hoogste een jaar en vindt dus geen omzetting plaats in een (tijdelijke) aanstelling voor onbepaalde tijd. Het ontslagWat betreft het ontslag geldt een gesloten stelsel, in de vorm van een limitatieve opsomming van de ontslaggronden. Binnen het gesloten ontslagstelsel is gekozen voor een uitgebreid aantal ontslaggronden dat een optimaal juridisch instrumentarium biedt. De mogelijke ontslaggronden zijn overzichtelijk in één afzonderlijke bepaling opgesomd (artikel B.11) en waar nodig in afzonderlijke bepalingen nader uitgewerkt. Het gesloten ontslagstelsel houdt in dat een ambtenaar alleen kan worden ontslagen op één van de met name (in artikel B.11) genoemde gronden. Hieruit volgt ook dat de ontslagbescherming zoals die in het civiele arbeidsrecht in de opzegverboden is neergelegd, niet nodig is. De ontslaggronden kunnen worden onderscheiden in imperatieve en facultatieve ontslaggronden. Bij de imperatieve gronden moet, mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan, het ontslag verleend worden. Voorbeelden zijn het ontslag op aanvraag (artikel B.12), FPU-ontslag (artikel B.14) en ontslag wegens pensionering (artikel B.13). Hier heeft het bestuursorgaan geen discretionaire bevoegdheid. Alle overige ontslaggronden zijn facultatieve ontslaggronden, waarbij het ontslag kan worden verleend. Hier zal steeds een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van de organisatie en dat van de individuele ambtenaar. Aan de verschillende ontslaggronden is geen kwalificatie gegeven in de vorm van 'eervol' of 'oneervol', zoals die in veel ambtelijke ontslagregelingen voorkomt. Er zijn geen voorschriften opgenomen over de inhoud van het ontslagbesluit of over de ontslagprocedure. De Awb biedt hier al voldoende waarborgen. Op grond van deze wet en de jurisprudentie zal bijvoorbeeld elk ontslagbesluit op schrift gesteld moeten worden en de ingangsdatum en de ontslaggrond moeten bevatten. Verder kunnen worden genoemd de mogelijkheid van bedenkingen (artikel 4:8 Awb) en het recht van de ambtenaar zich door een raadsman te laten bijstaan (artikel 2:1 Awb). 2. Artikelgewijze toelichting Artikel B.1 Bevoegdheid tot aanstelling Dit artikel betekent dat op grond van de Provinciewet en de Archiefwet alleen de griffier en de inspecteur der provinciale archieven door provinciale staten worden benoemd. Provinciale staten behouden de bevoegdheid ook andere ambtenaren aan te stellen. Artikel B.2 Aanstelling De aanstelling is bij de provincie en dus niet bij een organisatieonderdeel van de provincie. De aanstelling gaat gepaard met de (tijdelijke) benoeming in een functie en de (tijdelijke) plaatsing bij een organisatieonderdeel. Een aanstelling is voor bepaalde of onbepaalde tijd. Een aanstelling is voor bepaalde tijd als een concrete einddatum is aangegeven of als die objectief bepaalbaar is. Een voorbeeld van het laatste is een aanstelling ter vervanging van een zieke ambtenaar. De einddatum is niet concreet genoemd, maar wel objectief bepaalbaar, t.w. de datum van herstel van de zieke ambtenaar. Uitgaande van volwassen arbeidsverhoudingen maken werkgever en sollicitant samen afspraken over een eventuele aanstelling op proef. De aanstelling op proef is derhalve geen automatisme. Artikel B.3 Aanstelling voor bepaalde tijd Analoog aan de Wet Flexibiliteit en Zekerheid mogen maximaal drie aanstellingen voor bepaalde tijd achtereen worden verleend die elk van rechtswege eindigen. De verlengde aanstelling voor bepaalde tijd op grond van het eerste lid (bij stilzwijgende voortzetting na afloop) telt mee voor de bepaling van die drie aanstellingen voor bepaalde tijd. De totale periode van elkaar opvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd mag echter niet 36 maanden of langer zijn. Voor het bepalen van die tijdsduur van 36 maanden tellen onderbrekingen van drie maanden of minder tussen twee opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd mee. Meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd of een periode van aanstellingen voor bepaalde tijd van 36 maanden of langer betekent automatisch een aanstelling voor onbepaalde tijd. Een aanstelling voor onbepaalde tijd ontstaat dus in de volgende situaties: bij meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd; of als de totale periode van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd 36 maanden of langer is, onderbrekingen van drie maanden of minder meegerekend. De aanstelling voor onbepaalde tijd vangt in die gevallen aan bij aanvang van de vierde aanstelling voor bepaalde tijd (a), onderscheidenlijk vanaf de dag van overschrijding van de 36 maanden (b). Bij een onderbreking van langer dan drie maanden begint de telling van de schakels en de duur van de periode opnieuw. Een aanstelling voor 36 maanden of langer is mogelijk. Deze kan eenmalig worden verlengd met drie maanden zonder dat dit leidt tot een aanstelling voor onbepaalde tijd (lid 4). Het vijfde lid is een vertaling van het verbod van de zogenaamde draaideurconstructie in de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake zijn als een uitzendkracht bij de provincie rechtstreeks in dienst treedt van de provincie en daar dezelfde werkzaamheden blijft verrichten. Het vijfde lid regelt dat in een dergelijke situatie de uitzendtijd in dezelfde arbeid meetelt. Artikel B.4 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid Dit artikel bevat de eisen van geschiktheid en bekwaamheid voor indiensttreding. Die moeten uiteraard vooraf zijn bepaald. De eisen van bekwaamheid en geschiktheid zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan een concrete functie. Dat biedt de ruimte voor een beoordeling in het licht van een bredere inzetbaarheid. Het is mogelijk om personen aan te stellen die bij indiensttreding nog niet volledig voldoen aan alle eisen voor de concrete functie waarin zij worden benoemd. Er is ruimte om, gezien de te verwachten groei, de eisen van geschiktheid en bekwaamheid bij aanvang in voorkomende gevallen wat lager te stellen. Het vierde lid bevat een verbod tot indienstneming van vreemdelingen zonder verblijfstitel die het verrichten van arbeid in loondienst mogelijk maakt. Het vrije verkeer van werknemers uit de lidstaten van de Europese Unie brengt mee dat onderdanen uit die lidstaten steeds in aanmerking komen voor een verblijfstitel die het verrichten van arbeid mogelijk maakt. Intrekking van een verblijfsvergunning kan leiden tot ontslag wegens verlies van een vereiste bij aanstelling (artikel B.11, onderdeel i). De verplichting een verklaring omtrent het gedrag over te leggen is geen automatisme. Voor de medische keuring bij aanstelling wordt verwezen naar de toelichting op artikel E.2. Artikel B.5 Informatie bij indiensttreding In dit artikel is geregeld welke gegevens in aanvulling op de wettelijke informatieplicht bij indiensttreding zullen worden verstrekt. De verplichte informatie over deelname aan de pensioenregeling is geheel in lijn met de nieuwe pensioenregeling vanaf 1996. Die gaat immers uit van een pensioentoezegging door de werkgever. De ambtenaar zal het schriftelijk bericht van zijn aanstelling uiteraard vóór zijn indiensttreding moeten ontvangen. Op grond van de Wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635) is de werkgever verplicht binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden in elk geval de volgende schriftelijke informatie te verstrekken: de identiteit van de werkgever, de plaats van diens vestiging en naam en woonplaats van de werknemer; de plaats(
  3. en)van tewerkstelling; de functie van de werknemer; de datum van indiensttreding; indien de aanstelling voor bepaalde tijd geldt, de duur daarvan; de aanspraak op algemeen (vakantie)verlof of de wijze van berekening van de aanspraak; de duur van de door de werkgever respectievelijk werknemer in acht te nemen ontslag/opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden vastgesteld; het salaris en de termijn van uitbetaling; de gemiddelde dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur; de toepasselijke rechtspositieregelingen. Wijzigingen in die gegevens moeten ook binnen een maand schriftelijk worden medegedeeld. Artikel B.6 Algemene dienst en artikel B.7 Andere functie of werkzaamheden Deze artikelen geven de rechtspositionele basis voor de aanstelling in algemene dienst in de vorm van benoemingen in functies voor 3 tot 5 jaar. Daarbij gaat het om zowel lijnfuncties als functies in (tijdelijke) projecten. Uitgangspunt is een plicht tot mobiliteit in het dienstbelang (artikelen B.6 en B.7, eerste en derde tot en met vijfde lid) en het recht op mobiliteit als keerzijde (artikel B.7, tweede lid). Van belang is dat mobiliteit wordt erkend als een dienstbelang. Artikel B.7 maakt het mogelijk ambtenaren ook tijdelijk bij andere werkgevers te detacheren. Aanstelling in algemene dienst moet zijn ingebed in een goed scholings-, loopbaan- en mobiliteitsbeleid met als uitgangspunt een evenwichtige afweging van belangen van de ambtenaar en de organisatie. De afspraken hierover met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg zijn een invulling van een in het SPA overeengekomen gemeenschappelijk kader ter zake. Daarnaast zijn ertussen gedeputeerde staten en de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd nadere afspraken over de rechtspositionele aspecten, zoals de consequenties voor toelagen en vergoedingen e.d. Daarmee zijn de voorwaarden geschapen voor een effectief en slagvaardig mobiliteitsbeleid met waarborgen voor de zorgvuldigheid. Daarbij staat voor op dat normaal goed functionerende ambtenaren niet tussen wal en schip mogen raken en zonder functie komen te zitten doordat de tijdelijke benoeming in de ene functie afloopt (zonder dat die functie als zodanig verdwijnt) en er geen andere passende functie voorhanden is. In dat geval zal betrokkene tijdelijk worden belast met passende werkzaamheden in afwachting van benoeming in een andere passende functie. Zolang dat niet mogelijk is blijft hij zijn oude functie vervullen. De eisen van zorgvuldigheid zoals die ook voortvloeien uit de Awb, brengen met zich mee dat de betrokken ambtenaar vooraf wordt gehoord over de aangeboden functie en dat hem voldoende tijd wordt gegeven om zich te informeren en te beraden over deze nieuwe functie. Er geldt hierbij een aanzegtermijn van ten minste twee maanden. Benoemingen in andere functies vinden niet altijd plaats vanuit de algemene mobiliteitswens. Denk in dit geval aan een benoeming in een andere functie vanwege disfunctioneren van een individuele ambtenaar. Artikel B.7 geldt ook voor een dergelijk geval. Voor benoeming van gedeeltelijke arbeidsongeschikte ambtenaren in een andere functie gelden echter bijzondere bepalingen (zie artikel E.7). Artikel B.8 Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden Bij taken in (andere) buitengewone omstandigheden kan gedacht worden aan provinciale taken in het kader van de Rampenwet. Artikel B.9 Spelregels en flankerend beleid reorganisaties Provincies zijn dynamische organisaties die snel en adequaat moeten kunnen inspelen op maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen. Er zullen zich naar verwachting dan ook regelmatig wijzigingen voordoen in de organisatiestructuur, de omvang van de organisatie of de taakinhoud van de provincie. Het kan zinvol zijn vaste procedures vast te stellen voor de totstandkoming van reorganisaties en vaste algemene regels te stellen m.b.t. de personele consequenties daarvan. Die kunnen worden vastgelegd in spelregels bij organisatieverandering en sociale plannen of statuten. Er kan ook voor worden gekozen om bij elke afzonderlijke reorganisatie concrete procedures vast te stellen en regels te stellen m.b.t. de personele gevolgen. Artikel B.9 biedt de rechtspositionele basis voor de procedures en regels voor herplaatsing van medewerkers bij reorganisaties. Daarbij moeten de in het SPA afgesproken globale procedurele kaders in acht genomen worden Onder reorganisatie wordt in dit verband overigens verstaan: elke wijziging van de organisatiestructuur, de omvang van de provinciale organisatie of de taakinhoud van de provincie of een onderdeel daarvan, daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de provincie waaraan personele consequenties zijn verbonden. Bovendien is geregeld dat het in het SPA overeengekomen globale kader voor het flankerend beleid bij reorganisaties in acht genomen wordt. In het SPA-akkoord 1994/1997 is vastgesteld dat het flankerend beleid bij reorganisaties de verantwoordelijkheid is van de afzonderlijke provincies. Wel is toen bij wijze van handreiking aan de provincies een globaal kader voor een dergelijk lokaal flankerend beleid overeengekomen, waarbij ook een groot aantal concrete instrumenten is aangereikt. Het flankerend beleid zal zich primair moeten richten op voorkoming van onvrijwillige werkloosheid en, waar dit onvermijdelijk is, op bevordering van een spoedige reïntegratie in het arbeidsproces. Uitgangspunt moet zijn een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing van zowel de provincie als de ambtenaar wiens functie wordt bedreigd. Waar ontslagen onvermijdelijk zijn zal een ontslagvolgorde moeten worden vastgesteld. Daarbij moet rekening worden gehouden met de arbeidsmarktpositie van betrokkene en het voor hem geldende sociale vangnet. De geschiktheid van de ambtenaar kan een argument zijn om in een concrete situatie af te wijken van de ontslagvolgorde. Anderzijds moeten de ontslagen ook een zekere afspiegeling van het personeelsbestand vormen. Artikel B.10 Bevoegdheid tot ontslag In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling ook bevoegd is tot ontslagverlening. In de regel zijn dat gedeputeerde staten (die deze bevoegdheid in de praktijk veelal mandateren). Bij de griffier en de inspecteur der archieven zijn dat provinciale staten. Dat geldt ook voor alle gevallen waarin provinciale staten de bevoegdheid tot aanstelling aan zich gehouden hebben. Artikel B.11 Ontslaggronden Een aantal van de in dit artikel vermelde ontslaggronden is hetzij in dit hoofdstuk (artikelen B.12 t/m B.15), hetzij in een ander hoofdstuk (ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte: in hoofdstuk E, artikel E.9; strafontslag: in hoofdstuk G, artikel G.4), nader uitgewerkt. Voor een ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan wegens ziekte (onderdeel
  4. h)is nodig dat er sprake is van gedragingen of handelingen of van eigenschappen van karakter, geest of gemoed (= ongeschikt), of van gebreken in de wijze van opstelling in het werk of van gebreken in de kennis, kunde of het niveau (= onbekwaam) van de ambtenaar op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hij niet meer geschikt is tot uitoefening van zijn functie. De ongeschiktheid moet van voldoende gewicht zijn om het ontslag te rechtvaardigen. Het komt voor dat een ambtenaar langdurig volledig verlof wordt verleend voor de vervulling van een politiek ambt of om andere redenen (bijvoorbeeld een langdurige detachering). In dat geval wordt betrokkene ontheven uit zijn functie en zal de werkgever zich inspannen een passende functie voor hem te vinden na afloop van het langdurig verlof. Is geen passende functie voorhanden dan kan ontslag worden verleend op grond van artikel B.11, onderdeel e (bij politiek verlof), onderscheidenlijk onderdeel f (in andere gevallen). Bij ontslag wegens verlies van een vereiste bij aanstelling (onderdeel
  5. i)gaat het om verlies van specifieke vereisten voor de benoembaarheid, zoals van een geldig rijbewijs voor een ambtenaar die chauffeur van beroep is of van een geldige verblijfstitel welke arbeid in dienstverband niet uitsluit, voor een ambtenaar die vreemdeling is. Ondercuratelestelling en lijfsdwang zijn aparte ontslaggronden (onderdelen j en k). Ondercuratelestelling kan wegens geestelijke stoornis, verkwisting en gewoonte van drankmisbruik waardoor betrokkene zijn belangen niet behoorlijk kan waarnemen, in het openbaar aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. In een dergelijk geval bestaat minstens het vermoeden dat betrokkene ook niet als ambtenaar in staat zal zijn om zijn functie naar behoren uit te oefenen. Lijfsdwang is een dwangmiddel waarbij iemand door middel van vrijheidsbeneming gedwongen kan worden tot nakoming van een verbintenis. Lijfsdwang is alleen mogelijk in de door de wet genoemde gevallen. Om tot lijfsdwang over te gaan is een rechterlijk vonnis nodig. Ontslag wegens een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot terbeschikkingstelling (onderdeel
  6. l)is pas mogelijk als er geen rechtsmiddel tegen de rechterlijke veroordeling meer openstaat. Ontslag is niet mogelijk bij (onherroepelijke) rechterlijke veroordeling wegens een overtreding. Een veroordeling kan niet automatisch tot ontslag op deze grond leiden. Het bestuursorgaan zal eerst een zorgvuldige afweging moeten maken op grond van de feiten. Relevante elementen zijn hier onder meer de aard en de ernst van het delict, de strafmaat, de gevolgen van het delict en de strafoplegging voor de functievervulling en voor de organisatie, de schade voor de organisatie als gevolg van delict en veroordeling en de gevolgen voor de betreffende ambtenaar zelf, waaronder ook zijn belang bij handhaving van het dienstverband. Ontslag wegens het verstrekken van onjuiste gegevens bij aanstelling (onderdeel
  7. m)heeft voor wat betreft medische gegevens alleen betekenis voor de functies waarvoor nog een medische keuring is vereist. Andere aspecten waarop deze ontslagmogelijkheid betrekking kan hebben zijn gegevens omtrent opleiding (ten onrechte vermelden van diploma's of rijbewijs) of vereiste relevante werkervaring. Van belang is dat het gaat om essentiële gegevens; het moet gaan om informatie op grond waarvan, als deze wel bekend was geweest, de aanstelling achterwege zou zijn gebleven. Het ontslag op andere gronden (onderdeel
  8. o)heeft een aanvullend karakter. Van deze grond wordt gebruik gemaakt als er sprake is van onverenigbaarheid van karakters, ook wel ''incompatibilité d'humeurs' genoemd of verstoorde arbeidsverhoudingen. Eerst zal onderzocht moeten worden of een andere ontslaggrond zou moeten worden toegepast. Ontslag op grond van artikel B.14 wordt verleend als er recht bestaat op een FPU-uitkering krachtens de centrale FPU-regeling. Onder voorwaarden bestaat bij deeltijdontslag als bedoeld in het tweede lid van artikel B.14 recht op een aanvulling van de FPU-uitkering. Het deeltijd-ontslag moet in dat geval ten minste 15% zijn. Een en ander is geregeld in de op grond van het derde lid van artikel B.14 vastgestelde FPU-plusregeling provincies. Onder voorwaarden kan deze uitkering worden voortgezet bij volledig FPU-ontslag. Aan deeltijd FPU-ontslag kan, al dan niet in het kader van de algemene dienst, de voorwaarde worden verbonden in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Artikel B.15 Reorganisatieontslag Ontslag kan worden verleend bij reorganisaties. In artikel A.1 is, hier van belang, geregeld wat onder reorganisatie moet worden verstaan. Ontslag zal in de volgende situaties aan de orde kunnen zijn: de opheffing van de eigen functie; een verminderde behoefte aan arbeidskrachten; een verandering in de inrichting van een of meer organisatieonderdelen. Artikel B.15 moet in relatie worden gebracht met artikel B.9. Op basis van deze bepaling zijn kaders voor spelregels en flankerend beleid bij reorganisaties vastgesteld die van belang kunnen zijn voor het ontslag. Van belang is dat niet zomaar tot reorganisatieontslag kan worden overgegaan. Er moet uit een zorgvuldig onderzoek zijn gebleken dat benoeming in een passende functie niet mogelijk is. Artikel B.16 Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet (WW) Onder voorwaarden bestaat na ontslag recht op een WW-uitkering. Op basis van artikel B.16 is een bovenwettelijke werkloosheidsregeling vastgesteld (Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid) voor ambtenaren die aanspraak hebben op een loongerelateerde WW-uitkering. Deze bovenwettelijke voorziening blijft beperkt tot ambtenaren aan wie reorganisatieontslag of ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is verleend dan wel van wie het dienstverband voor bepaalde tijd van rechtswege is afgelopen. De regeling voorziet in een aanvullende uitkering (bovenop de WW-uitkering gedurende de WW-periode) en in een nawettelijke uitkering na afloop van de WW-periode. Laatstbedoelde uitkering blijft beperkt tot hen aan wie reorganisatieontslag is verleend. De duur van de nawettelijke uitkering wordt bepaald op basis van leeftijd en diensttijd, de criteria die ook al gelden in de vervallen wachtgeldregeling. Bij ontslag op andere gronden (artikel B.11, onderdeel
  9. o)bestaat recht op een (aanvullende c.q. nawettelijke) uitkering die minstens gelijk is aan die in geval van reorganisatieontslag. Artikel B.17 Uitkering bij overlijden Deze regeling staat naast andere voorzieningen bij overlijden, zoals de Algemene nabestaandenwet en het partnerpensioen van het ABP. Toelichting bij Hoofdstuk D 1. Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten. In opdracht van het bevoegd gezag van de provincie is het ambtelijk kader belast met de invulling van de op sectoraal niveau vastgestelde arbeidsduur voor het lokaal niveau. Het gaat erom, dat de arbeidstijden door het leidinggevende kader worden gemanaged, een vorm van arbeidstijdenmanagement derhalve. Als het gaat om arbeidsduur en werktijden voor het provinciaal personeel dan zijn organisatiebelang en individueel belang nadrukkelijk in beeld. Een evenwichtige benadering van beide belangen is noodzakelijk. Het organisatiebelang vereist primair een goede bedrijfsvoering, waarbij werkaanbod en beschikbare tijd goed op elkaar zijn afgestemd. Het individueel belang vereist een adequate zorg voor de arbeidsomstandigheden en de individuele wensen. Te denken valt vooral aan het scheppen van faciliteiten die een combinatie van zorg en arbeid mogelijk maken. De 36-urige werkweek heeft het kader geschapen om in de individuele sfeer te zorgen voor een betere combinatie van zorg en arbeid. De regeling van de arbeidsduur en de daarbinnen gehanteerde werktijden vereisen een adequate verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrale (sectorale) en lokale bevoegde gezag. In de CAP zijn uitgewerkt: de arbeidsduur; de opdracht aan het lokale gezag tot vaststelling van de werktijdenregelingen en de belangrijkste randvoorwaarden daarbij (kaderstellend); Per provincie vindt vaststelling van de concrete werktijdenregelingen plaats. De werktijdenregelingen maken immers bij uitstek deel uit van de bedrijfsvoering, die een lokale verantwoordelijkheid is. In de CAP worden slechts randvoorwaarden aangegeven, waardoor in de lokale uitwerkingsregeling ruimte voor individueel maatwerk overblijft (te denken is aan individuele werktijdenregeling met spaarmogelijkheid). Gelet op de ontwikkelingen in het overlegrecht is lokaal de ondernemingsraad (OR) gesprekspartner bij de vaststelling of wijziging van de werktijdenregelingen. Artikelgewijze toelichting Artikel D1 Arbeidsduur Dit artikel bevat de verplichting voor het lokale bevoegde bestuursorgaan om de arbeidsduur per jaar voor het personeel vast te stellen aan de hand van het actuele SPA-akkoord. Met ingang van 1 oktober 1997 is de voltijdarbeidsduur per jaar vastgesteld volgens de formule: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, vermenigvuldigd met 7,2 (arbeidsduur per dag). De gemiddelde werkweek is hiermee rekenkundig van 38 uur teruggebracht tot 36 uur. In het derde lid is aangegeven welke dagen als feestdagen worden aangemerkt. De 5e mei is dat eens in de vijf jaar, in lustrumjaren. Het SPA-akkoord is bindend voor alle provincies. De berekening van de arbeidsduur moet voor elk kalenderjaar opnieuw plaatsvinden. Feitelijk is de arbeidsduur niet elk jaar gelijk. Dat komt doordat het aantal feestdagen, dat op een doordeweekse dag valt, jaarlijks kan verschillen en als gevolg van de vierjaarlijkse schrikkeldag. De arbeidsduur van deeltijders wordt naar rato vastgesteld. Deeltijders met eenzelfde deeltijdfactor zullen op jaarbasis ook een gelijke arbeidsduur moeten hebben. Of dat ook daadwerkelijk zo is, is mede afhankelijk van de dagen waarop wordt gewerkt. Zo zullen bijvoorbeeld deeltijders die op maandag werken profiteren van feestdagen als tweede paasdag en tweede pinksterdag. Deeltijders die op maandag niet werken profiteren daarvan niet. Uit een oogpunt van gelijke rechtsbedeling zal gezorgd moeten worden voor een zodanige vastlegging van de concrete werktijden in een kalenderjaar dat deeltijders per saldo ook daadwerkelijk evenveel arbeidsuren hebben. Artikel D2 Werktijdenregelingen Elke ambtenaar werkt volgens een werktijdenregeling. De CAP bepaalt, dat het lokale bestuursorgaan werktijdenregelingen vaststelt. De concrete invulling daarvan is een lokale aangelegenheid, omdat het hier gaat om de bedrijfsvoering van de lokale organisatie. Wel is in het eerste tot en met derde lid aangegeven, dat het moet gaan om minimaal een algemene werktijdenregeling (vast te stellen door gedeputeerde staten, nadat de bestuurder de vereiste instemming van de OR heeft verkregen) en dat daarnaast de mogelijkheid bestaat om voor bepaalde organisatieonderdelen en bepaalde groepen functies een bijzondere werktijdenregeling te treffen. Tenslotte kan voor iedere ambtenaar afzonderlijk desgewenst een individuele werktijdenregeling worden getroffen. Deze laatste kan dan het kenmerk van een spaarregeling hebben, waarbij de voor de desbetreffende ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar wordt overschreden en de extra arbeidsduur in daarop volgende jaren in verlof wordt opgenomen. Het vierde lid stelt als randvoorwaarde bij de werktijdenregelingen, dat een zorgvuldige afweging van organisatiebelang en individueel belang plaatsvindt aan de hand van de gegeven criteria. Het organisatiebelang kan soms eisen dat de ambtenaar tijdelijk arbeid verricht buiten het individueel bepaalde arbeidspatroon of zich dan beschikbaar houdt voor arbeid. Dat is geregeld in het vijfde lid. In de Arbeidstijdenwet en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regelingen zijn de wettelijke grenzen van de werk- en rusttijden dwingendrechtelijk geregeld. Bovendien is in deze wet afdoende geregeld, dat de uitoefening van bepaalde grondrechten die in relatie staan tot het werk (bijvoorbeeld het voldoen aan godsdienstige verplichtingen tijdens het werk) ongestoord kan plaatsvinden. Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen Het provinciaal bestuur bepaalt of en wanneer de provinciale dienst collectief gesloten is. Met instemming van de OR kunnen maximaal 7 collectieve roostervrije dagen voor rekening van de ambtenaar worden aangewezen. Deze dagen kunnen niet ten laste van het algemeen verlof worden gebracht. Artikel D4 Werktijdvermindering oudere ambtenaren P.M. - Toelichting bij Hoofdstuk E 1. Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Gezondheid en arbeidsomstandigheden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een doeltreffend ziekteverzuimbeleid begint met een goed (preventief) arbeidsomstandighedenbeleid. De provinciale werkgever is voor het beleid met betrekking tot arbeidsomstandigheden gebonden aan de doelstellingen en verplichtingen, die zijn geformuleerd in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, het Arbeidsomstandighedenbesluit, de Arbeidsomstandighedenregeling en de Beleidsregels Arbeidsomstandighedenwetgeving. Het Arbeidsomstandighedenbesluit en in mindere mate de Arbeidsomstandighedenregeling bestaan uit een stelsel van regels die op tal van punten globaal van aard zijn. Een aantal van deze globale regels is nader ingevuld via de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze beleidsregels vormen een uitleg door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De beleidsregels zijn niet bindend. Er wordt echter van uitgegaan, dat de arbeidsomstandighedenwetgeving op een juiste wijze wordt nageleefd, indien de beleidsregels als uitgangspunt voor de praktijk worden genomen. De arbeidsomstandighedenwetgeving geeft dus op de meeste aspecten van de arbeidsomstandigheden concrete handvatten voor de werkgever en ambtenaren. Omdat het arbeidsomstandighedenbeleid een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering behoort te zijn ligt de primaire verantwoordelijkheid hiervoor bij elke provincie afzonderlijk. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) legt op dit terrein een belangrijke taak bij de OR. Een aantal zaken wordt echter voor de sector provincies als geheel op uniforme wijze geregeld. Het gaat daarbij om een aantal rechtspositionele voorzieningen, zoals de medische aanstellingskeuring en de verplichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken. Een recht op een arbeidsgezondheidskundig onderzoek hoeft niet meer te worden geregeld omdat dit al afdoende is geregeld in de Arb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.