Beleidsregels Jeugdwet 2020 gemeente NissewaardInitulé Beleidsregels Jeugdwet 2020 gemeente Nissewaard; Het college van burgemeester en wethouder/gezaghebbende van de gemeente Nissewaard; Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Gelet op de Verordening Sociaal Domein gemeente Nissewaard Besluit Vast te stellen de navolgende Beleidsregels Jeugdwet 2020 gemeente Nissewaard Inleiding In deze beleidsregels legt het college uit hoe het gebruik maakt van de verschillende bevoegdheden die het in dit verband heeft en hoe het diverse wettelijke omschrijvingen interpreteert. Dit bevordert de uniformiteit van het gemeentelijk handelen. En bovendien draagt het bij aan de transparantie bij de uitvoering van de Jeugdwet en de rechtszekerheid voor inwoners van Nissewaard. Altijd moet echter in het achterhoofd worden gehouden dat de Jeugdwet maatwerk veronderstelt en dat de toepassing van de beleidsregels wordt afgestemd op de individuele situatie van de ouder/jeugdige. De wet, verordening en beleidsregels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel. De wet staat boven de verordening die op haar beurt boven de beleidsregels staat. Om tot een logische opbouw van de beleidsregels en afwegingen te komen is er enige herhaling van bepalingen uit de wet en verordening. Formeel zijn deze herhalingen overbodig omdat ze reeds in een ‘hoger’ document geregeld zijn. Door deze herhalingen wel op te nemen zijn de beleidsregels beter leesbaar en als zelfstandig handboek te gebruiken. Hoofdstuk1Begrippen Artikel1.1Algemene voorziening In de afweging tot het toekennen van jeugdhulp onderzoekt het college of de inzet van een algemene voorziening voldoende adequaat is. In dat geval wordt geen individuele voorziening toegekend. Algemene voorzieningen zijn onder andere: Consultatiebureau/jeugdgezondheidszorg Opvoedondersteuning CJG Maatschappelijk werk Schoolmaatschappelijk werk Jeugd- en jongerenwerk (JOZ) Kortdurende ondersteuning Jeugdondersteuningsteam (JOT) POH GGZ-jeugd Artikel1.2Andere voorziening Wanneer een jeugdige recht heeft op een andere voorziening wordt in principe geen jeugdhulp toegekend door het college. Andere voorzieningen zijn onder andere: Leerlingenvervoer Voorzieningen in het kader van Passend Onderwijs Verblijfsvoorzieningen in het kader van de Wet Langdurige zorg Jeugdbescherming Crisis Interventie Team Justitiële jeugdinrichtingen recht op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) bijvoorbeeld (para)medische zorg. Artikel1.3Persoonsgebonden budget Een pgb is een door burgemeester en wethouder/gezaghebbende verstrekt budget aan een jeugdige of zijn/haar gezaghebbende ouder, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Artikel1.4SISA SISA staat voor Samenwerkingsinstrument Sluitende Aanpak. SISA is een computersysteem waarin professionals kunnen signaleren dat zij betrokken zijn bij een kind/jongere van 0 tot 23 jaar. Op deze manier kunnen professionals met elkaar afstemmen om de best mogelijke begeleiding te bieden Hoofdstuk2Toegang Toegangsprocedure De gemeente biedt de toegang tot jeugdhulp. Daarnaast mogen ook huisarts, medisch specialist en jeugdarts zorgen voor de inzet van jeugdhulp. In deze beleidsregels wordt alleen de toegang via de gemeente beschreven. Het betreft de toegang tot individuele voorzieningen. De toegangsprocedure bij de gemeente bestaat globaal uit de volgende stappen: Melding De jeugdige of ouder/gezaghebbende kunnen een ondersteuningsbehoefte bij het college melden. Onderzoek Uitvoeren vooronderzoek Vraagverheldering: één of meer gesprekken Opstellen onderzoeksverslag (ondersteuningsplan deel 1) en naar jeugdige/ouder/gezaghebbende versturen Afhankelijk van de situatie kunnen de volgende onderdelen deel uit maken van de toegangsprocedure: Vraagverheldering: opvragen van aanvullende informatie en zo nodig onafhankelijk advies opvragen Multidisciplinaire bespreking in het JOT Bij vraag 24-uurs zorg: aanmelden bij zorgbemiddelingsteam Aanvraag Met het ondertekende onderzoeksverslag dient de jeugdige/ouder/gezaghebbende een aanvraag in voor de individuele voorziening Besluit Het college besluit binnen 14 dagen na ontvangst van de aanvraag over het toekennen van de individuele voorziening Het college verzendt een beschikking naar de jeugdige/ouder/gezaghebbende Start ondersteuning Het zorgplan (ondersteuningsplan deel 2): aanbieder en jeugdige/ouder/gezaghebbende stellen op basis van het onderzoeksverslag (ondersteuningsplan deel 1) het zorgplan op. Het zorgplan wordt toegevoegd aan het ondersteuningsplan. Evaluatie Op basis van de evaluatie wordt het gezinsplan beëindigd of aangepast. Artikel2.1Melding behoefte aan jeugdhulp Voor de melding van een ondersteuningsbehoefte aan jeugdhulp kunnen jeugdige/ouder/gezaghebbende zich wenden tot: Het Jeugdondersteuningsteam (JOT). Inloopspreekuur Thuis in de Wijk Artikel2.2Crisis In het geval van een crisis, waarbij acuut zorg nodig is, meldt het JOT de jeugdige aan bij het Crisis Interventieteam (CIT). De hulpverlening wordt binnen een dag ingezet. Het gaat hier om situaties waar de veiligheid van de jeugdige dusdanig in gevaar is dat er acuut hulpverlening ingezet moet worden. Hulpverleners kunnen een jeugdige direct aanmelden bij het CIT in geval van een crisis. Artikel2.3Spoedeisende gevallen Wanneer er geen crisissituatie is (2.2) maar wel spoed is een spoedprocedure mogelijk. Het JOT beoordeelt of er spoed nodig is. In spoedeisende gevallen zet het JOT binnen 7 dagen hulp in. Artikel2.4Jeugdondersteuningsteam (JOT) De Jeugdondersteuningsteams zijn belast met een aantal taken: De uitvoering van de toegang tot individuele jeugdhulpvoorzieningen. Direct kortdurende jeugdhulp In voorliggende gevallen. Deze hulp valt onder de algemene voorzieningen. Het bieden van casusregie bij complexe casussen. In voorliggende gevallen drangtrajecten uitvoeren. Het jeugdbeschermingsplein is de toegang voor drangtrajecten. Het JOT bestaat uit professionals van verschillende jeugdhulpinstellingen en verschillende disciplines. De gemeente besluit over de toekenning van de individuele jeugdhulpvoorzieningen. Artikel2.5Cliëntondersteuning De ouder kan zich tijdens de procedure laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving of een onafhankelijke cliëntondersteuner. De gemeente wijst de ouder op de mogelijkheid van gratis beschikbare cliëntondersteuning. Artikel2.6Familiegroepsplan Het Familiegroepsplan is een plan dat is opgesteld door een persoon met haar/zijn familie, vrienden, kennissen, buren en evt. betrokken professionals, kortom mensen die belangrijk zijn in het leven van die persoon. Wanneer de ouder een familiegroepsplan opgesteld, dient dit als basis voor het gezinsplan. Vraagverheldering Het onderzoek bestaat uit één of meer gesprekken met de jeugdige en ouder/gezaghebbende. Wanneer een jeugdige en/of zijn ouder/gezaghebbende al jeugdhulp ontvangen kan de betrokken instelling gevraagd worden om een begeleidingsplan. Vanuit de Jeugdwet dient de gemeente bij het bepalen van de benodigde jeugdhulp af te stemmen met andere betrokken of te betrekken organisaties. De gemeente maakt hiervoor onder andere gebruik van SISA. Hierbij kan het gaan om de huisarts, onderwijs of leerplicht. In overleg met en met toestemming van de ouder/gezaghebbende/jeugdige wordt bij deze organisaties relevante informatie opgevraagd of vindt afstemming plaats. Met het onderzoek wordt de situatie van de jeugdige en zijn gezin in kaart gebracht. Daarbij worden de mogelijke problemen, stoornissen en beperkingen van de jeugdige in beeld gebracht. Daarnaast wordt gekeken naar de gezinssituatie, mogelijke opvoedproblemen van de ouders, de draagkracht van het gezin en de veiligheid van de jeugdige. Bij het bepalen van de benodigde ondersteuning wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale netwerk behoren. Wanneer deze ontoereikend zijn wordt gekeken of de inzet van algemene en/of andere voorzieningen voldoende adequaat is. Het uiteindelijke advies kan uit een combinatie bestaan van bijvoorbeeld algemene voorzieningen en individuele voorzieningen. De resultaten van het onderzoek worden vastgelegd in het onderzoeksverslag dat ter accordering aan de ouder/gezaghebbende/jeugdige wordt voorgelegd. Artikel2.7Bespreking JOT Bij meervoudige of complexe hulpvragen wordt de melding in het team met professionals van verschillende disciplines besproken en wordt een casusregisseur benoemd. De casusregisseur is aanspreekpunt voor de ouder/gezaghebbende/jeugdige en is verantwoordelijk voor de monitoring en evaluatie. Artikel2.8Verkorte procedure In het geval dat het college reeds bij de melding beschikt over voldoende informatie om een afgewogen besluit te nemen over het toekennen van individuele voorzieningen vindt verkort onderzoek plaats. Er vindt in ieder geval een telefonisch gesprek plaats met de jeugdige/ouder/gezaghebbende. Artikel2.9Advisering, consultatie en diagnostiek In artikel 8.4 van de verordening is bepaald dat de jeugdige en zijn ouder/gezaghebbende verplicht zijn om medewerking te verlenen aan het college voor uitvoering van de Jeugdwet. Dat betekent dat de jeugdige en zijn ouder/gezaghebbende verzocht kan worden zich te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Met betrekking tot vraagverheldering kan het college tevens een zorgaanbieder voor consultatie en diagnostiek inschakelen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van het onderzoek. Artikel2.10Ondersteuningsplan Na afronding van de onderzoeksfase wordt het ondersteuningsplan opgesteld. Dit wordt het gezinsplan genoemd. Het ondersteuningsplan bestaat uit: Onderzoeksverslag. Hierin worden de resultaten van de vraagverheldering beschreven. De ouder ondertekent het onderzoeksverslag. Wanneer een individuele voorziening ingezet dient te worden geldt het ondertekende onderzoeksverslag als aanvraag hiervoor. Wanneer de aanvraag leidt tot de toekenning van een individuele voorziening wordt een zorgplan opgesteld. Zorgplan: De gecontracteerde aanbieder stelt het zorgplan samen met de ouder/jeugdige op. In het zorgplan wordt vastgelegd welke activiteiten worden ondernomen om het resultaat te bereiken. Ook wordt beschreven wie, wat met elke frequentie doet om tot doelrealisatie te komen. Artikel2.11De beschikking De totale beoordeling van de zorgbehoefte leidt tot een besluit. De ouder ontvangt het besluit in de vorm van een beschikking binnen 2 weken na de aanvraag. Wanneer duidelijk is dat de termijn van 2 weken overschreden gaat worden dient er een uitstelbericht naar de ouder verzonden te worden. In deze brief moet de reden van uitstel benoemd worden en moet een uiterlijke termijn van afhandeling genoemd worden. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval gemotiveerd aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het resultaat daarvan moet zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; wat het resultaat van de voorziening is welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb is in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van toezicht en verantwoording van de besteding van het pgb. Indien van toepassing maken het ondersteuningsplan en het zorgplan (natura) een vast onderdeel uit van een besluit voor een individuele voorziening. Indien het zorgplan gereedkomt na het besluit dan wordt deze na ondertekening door de ouder alsnog toegevoegd aan het besluit. Artikel2.12Keuze zorgaanbieder Om te bepalen welke gecontracteerde aanbieder de ondersteuning gaat bieden, hanteert het college de volgende criteria: De wens van de ouder (en zijn netwerk); De specifieke zorgbehoefte van de ouder; Nabijheid van de zorgaanbieder; Wachttijden/beschikbaarheid bij de zorgaanbieder. Het college bepaalt in overleg met de ouder/gezaghebbende/jeugdige welke zorgaanbieder het best passende aanbod heeft. Wanneer het best passende aanbod niet tijdig beschikbaar is onderzoekt het college bij welke aanbieder een alternatief wordt geboden dat voldoende adequaat is. Daarbij wordt ook de mogelijkheid meegenomen dat er tijdelijk hulp wordt geboden ter overbrugging tot de adequate hulp beschikbaar is. Voor regionaal ingekochte jeugdhulp geldt een budgetplafond voor aanbieders. Wanneer dit plafond is bereikt kan in uitzonderingsgevallen, mits de gevraagde jeugdhulp wel beschikbaar is, de jeugdhulp toch ingezet worden. Daarbij dient het college aan te tonen dat er geen adequaat alternatief tijdig beschikbaar is, ook geen adequate overbruggingszorg. Hoofdstuk3Gebruikelijke hulp Ouder/gezaghebbende/verzorgers hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouder/gezaghebbende zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). De zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder/verzorger normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziektes. Wat normaal is, is onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind. Het totaal aan gebruikelijke zorg wordt gesteld op de totale omvang van zorg die ouder/gezaghebbende leveren aan een kind van dezelfde leeftijd, maar met een normaal ontwikkelingsprofiel. De eventueel toe te kennen jeugdhulp is aanvullend op de gebruikelijke hulp. Dit geldt ook als de ouder/gezaghebbende de jeugdhulp reeds leveren en dus op eigen kracht over voldoende middelen/probleemoplossend vermogen beschikken. Het bieden van een beschermde woonomgeving door ouder/gezaghebbende aan hun kind(eren) wordt tot de 18-jarige leeftijd van het kind als gebruikelijke zorg aangemerkt, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Uitzonderingen hierop zijn: een noodzaak tot het plaatsen van het kind in een therapeutisch leefklimaat, het bieden van permanent toezicht aan het kind op een leeftijd waarop dit al boven gebruikelijk wordt geacht, en onvermogen van ouder/gezaghebbende tot het bieden van een beschermde woonomgeving ten gevolge van een ziekte, stoornis of beperking. Het kan voorkomen dat ouders/gezaghebbenden dusdanig belast zijn met de zorg voor de kinderen dat zij niet langer de gebruikelijke zorg kunnen bieden. Bij uitval van één van de ouders/gezaghebbenden neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg over. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders/gezaghebbenden ondervinden beperkingen in de zorg van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg kan opvangen (denk aan opa's en oma's, ooms en tantes, etc.) en wat kan worden opgelost middels voorliggende voorzieningen (bijvoorbeeld kinderdagverblijven, naschoolse opvang, etc.). Pas wanneer deze opties allemaal zijn uitgeput of wanneer is vastgesteld dat deze niet passend zijn, kan er gekeken worden naar ondersteuning. Hoofdstuk4Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel4.1Regels voor het persoonsgebonden budget Indien het college tot een individuele voorziening komt, kunnen de ouder/gezaghebbende of de jeugdige zelf aangeven dat zij een pgb willen. Wanneer ouder/gezaghebbende of de jeugdige deze wens kenbaar maken, dient het college in beginsel een pgb te verstrekken. Op het college rust daarbij een informatieplicht. Het college moet de ouder/gezaghebbende en/of de jeugdige informeren over de gevolgen van de keuze voor een pgb. Het college kan de ouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger verplichten mee te werken aan een Pgb test, om zo tot een afgewogen oordeel te komen over de bekwaamheid tot het beheren van het Pgb. Voor het toekennen van een pgb is het volgende van belang: Kunnen de jeugdige of zijn ouder/gezaghebbende voldoende motiveren waarom zij zorg in natura niet passend achten Zijn ouder/gezaghebbende in staat om de aan de pgb verbonden taken zoals beschreven in het ondersteuningsplan op verantwoorde wijze uit te voeren De jeugdige en zijn ouder/gezaghebbende kunnen de hulp inzetten van het sociale netwerk. Wanneer er een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde is, kan de hulp daarvoor ook ingezet worden. Een bewindvoerder behartigt alleen de financiële belangen van de ouder en kan dus alleen het financiële beheer van het pgb op zich nemen. Artikel4.2Motivatie voor pgb Om vast te stellen of de aanvrager voldoende gemotiveerd heeft dat de door het college ingekochte voorzieningen in natura niet passend zijn, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 sub b van de wet, moet de aanvrager aantonen dat hij zich voldoende georiënteerd heeft op de voorzieningen in natura. Hiervoor kunnen onder meer de volgende argumenten worden aangevoerd: de benodigde ondersteuning is niet goed vooraf in te plannen; de benodigde ondersteuning moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de benodigde ondersteuning moet op veel korte momenten per dag geboden worden; de benodigde ondersteuning moet op verschillende locaties geleverd worden; het is noodzakelijk om 24-uurs ondersteuning op afroep te organiseren; het is door de aard van de beperking noodzakelijk dat de hulp door een vaste hulpverlener wordt geboden, of de voorzieningen in natura passen niet bij de eigen levensovertuiging. Het college toetst niet of er daadwerkelijk geen passend aanbod in natura is, alleen of de ouder zich voldoende heeft georiënteerd en de keuze voor pgb onderbouwd kan motiveren. Artikel4.3Pgb beheer en vaardigheid Bij inzet van een pgb is de budgetbeheerder verantwoordelijk voor de besteding van het pgb. De budgetbeheerder is in de meeste gevallen één van de (gezaghebbende) ouder/gezaghebbende van de jeugdige. Om een pgb te kunnen beheren dient de beoogde budgetbeheerder over de nodige vaardigheden te beschikken. In het gesprek met de beoogde budgetbeheerder toetst het college of deze persoon zich voldoende bewust is van de gevraagde vaardigheden en aannemelijk kan maken dat hij over deze vaardigheden beschikt. Daarnaast dient het zorg- en budgetplan als toets voor de benodigde vaardigheden. De ouder dient het zorg- en budgetplan daarom zelfstandig op te stellen, zonder hulp van het college. Personen uit het sociale netwerk van de ouder kunnen de ouder ondersteunen bij het opstellen van het zorg- en budgetplan. Zij kunnen immers ook ondersteunen bij het beheer van het pgb. Het beheren van een pgb vraagt de volgende vaardigheden: De ouder heeft overzicht over de situatie en kan aangeven welke zorg de jeugdige nodig heeft. De ouder weet welke regels horen bij een pgb en waar deze te vinden zijn. De ouder kan omgaan met computer en e-mail om o.a. informatie op de website van de verstrekker van het pgb te kunnen vinden. Ook is de ouder in staat om de nodige informatie te vinden over werkgeverschap. De ouder is in staat om een overzichtelijke pgb administratie bij te houden. De ouder is in staat om zelfverzekerd te communiceren met de gemeente, SVB en zorgverleners. Dat betekent tijdig en adequaat beantwoorden van brieven, telefoongesprekken voeren en tijdig veranderingen doorgeven. De ouder is in staat om bij formele hulp te toetsen of de aanbieder aan de criteria voldoet (zie artikel 4.5). Bij twijfel vraagt het college bij de ouder relevante documenten op om te toetsen of de hulpverlener aan de benodigde eisen voldoet. De ouder kan zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. Dat betekent dat de ouder zelf afspraken kan maken over de te verlenen zorg, een uurtarief afspreken, afspraken maken over vervanging bij ziekte. De ouder is in staat om zelf zorgverleners te kiezen die goed bij de situatie passen. De ouder kan zelf afspraken maken met de zorgverlener en zich daaraan houden. De ouder kan controleren of de zorgverlening volgens afspraak verloopt, of de kwaliteit voldoende is en wanneer dit niet het geval is adequaat kunnen ingrijpen. De ouder is in staat om te zorgen voor continuïteit van zorg door afspraken te maken en bewaken over ziekte en vakantie van zorgverleners. De ouder is in staat om goed duidelijk te maken aan de zorgverlener wat er moet gebeuren. De ouder moet aan de gemeente kunnen verantwoorden dat de zorg is verleent overeenkomstig het toegekende budget en het zorg- en budgetplan. De hulp moet in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Het college kan hierop toezien door bijvoorbeeld 'het plan' (hulpverleningsplan of plan van aanpak) op te vragen. Door dit te vergelijken met de zelf opgestelde doelen kan een beeld gevormd worden over de doelgerichtheid en doelmatigheid van de jeugdhulp. Artikel4.4Contra-indicaties budgetbeheer In een aantal gevallen is op voorhand duidelijk dat een beoogde budgetbeheerder onvoldoende in staat is om het beheer over het pgb adequaat uit te voeren. De ouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger als beoogde budgetbeheerder wordt door het college niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken verantwoord uit te kunnen voeren als er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: Schuldenproblematiek Verslavingsproblematiek Aangetoonde fraude begaan in de vier
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.