Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020In de oorspronkelijke bekendmaking op 17 december 2019,Gemeenteblad 2019-312202, zijn per abuis in tabel 1 tarieven niet goed overgenomen in de tabel. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, Gezien het voorstel van 17 december 2019; Gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op de artikelen 2, 6, 7, vierde en vijfde lid, 8, tweede, derde en vierde lid, 9, tweede lid, 10, vierde lid, 12, 13, eerste en tweede lid, 14, derde lid, 15, eerste lid, 16, vierde lid, 17, tweede lid, 18, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen
- HEEFT BESLOTEN: de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020 vast te stellen Hoofdstuk1– Begripsbepalingen en procedurele zaken Artikel1– Begripsbepalingen Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (te noemen: de wet), het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen
- Artikel2– Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel3– Vooronderzoek, indienen persoonlijk plan 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en documenten die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid. 4.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel4– Onderzoek en gesprek 1.Het college informeert de cliënt en zijn mantelzorgers over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Cliënt wordt gewezen op het recht op (gratis) onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om door middel van andere voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een Persoonsgebonden budget (Pgb), waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3.Als de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het tweede lid. 4.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel5– Verslag 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2.Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 4.Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. Artikel6– Aanvraag 1.Het college merkt het onderzoeksverslag van het gesprek zoals bedoeld in artikel 4 aan als aanvraag, voorzover geconcludeerd wordt dat maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 2.Indien onderzoek niet tijdig is uitgevoerd kan cliënt of zijn vertegenwoordiger een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3.Voorzover het onderzoeksverslag niet als aanvraag is aangemerkt kan een aanvraag ingediend worden door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Artikel7– Medewerking aan de beoordeling, advisering en informatieplicht 1.De cliënt die een melding heeft gedaan of voor wie dat is gedaan dan wel een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wmo 2015, de verordening en de Nadere regels. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het meewerken aan een onderzoek om te komen tot een indicatiestelling en het meewerken aan een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen, daaronder zo nodig begrepen een lichamelijk of andersoortig onderzoek om de beperkingen te kunnen vaststellen. 2.Het college kan een door hem daartoe aangewezen deskundige om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. 3.De cliënt die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening, dan wel op de aard, de hoogte of de duur daarvan. Artikel8– De beschikking 1.Voor een algemene voorziening verleent het college geen beschikking. Indien betrokkene dit wenst kan hij aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening doen. 2.Voor een maatwerkvoorziening en een Pgb verstrekt het college een beschikking. 3.In de beschikking wordt de informatie- en medewerkingsplicht opgenomen om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan de cliënt redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening, dan wel op de aard, de hoogte of de duur daarvan. 4.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als Pgb wordt verstrekt. 5.In de beschikking wordt aangegeven wanneer, bij wie en op welke wijze bezwaar kan worden gemaakt 6.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde doel en/of resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum, omvang, duur en frequentie van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt.
- Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wordt in de beschikking een programma van eisen vastgelegd waaraan de voorziening moet voldoen om verantwoord en duurzaam te zijn. In ieder geval wordt in de beschikking opgenomen: voor welk doel en resultaat het Pgb kan worden aangewend; dat ondersteuning van goede kwaliteit moet worden ingekocht; wat de hoogte van het Pgb is; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het Pgb is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het Pgb; Hoofdstuk2– Vormen van ondersteuning en maatwerkvoorzieningen Artikel9– Algemene bepaling 1.De omvang van maatwerkvoorzieningen voor diensten wordt zoveel mogelijk vastgesteld in minuten, uren, dagdelen of etmalen. 2.Cliënten dienen de extra kosten zelf te betalen wanneer de kostprijs van de door hen gewenste maatwerkvoorziening duurder is dan de door het college voorgestelde maatwerkvoorziening. Artikel10– Maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp 1.Een cliënt komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp 1 wanneer de cliënt verminderd of niet zelfredzaam is en geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht of met behulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp), mantelzorg, het sociaal netwerk of algemene voorzieningen in staat is om een schoon en leefbaar huis te realiseren. De cliënt kan in aanvulling daarop nog wel zelf de regie voeren over het huishouden. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp 2 wanneer de cliënt verminderd of niet zelfredzaam is en geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht of met behulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp), mantelzorg, het sociaal netwerk of algemene voorzieningen in staat is om een schoon en leefbaar huis te realiseren. De cliënt kan in aanvulling daarop niet meer zelf de regie voeren over het huishouden. 3.Een cliënt komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp 2 wanneer de cliënt niet meer in staat is op eigen kracht of om met behulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp), het sociaal netwerk, mantelzorg of algemene voorzieningen te zorgen voor de kinderen. Bij dit zorgen voor de kinderen gaat het om het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van het kind. Hier gaat het nadrukkelijk niet om oppassen. Het college ondersteunt alleen als de ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met de leeftijd van 5 jaar. De ondersteuning is altijd tijdelijk en voor maximaal 3 maanden, in afwachting van een definitieve oplossing. Van ouders wordt verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om zo snel mogelijk een oplossing te vinden. 4.Voor de normering van de maatwerkvoorziening, maakt het college gebruik van het HHM/KPMG normenkader. Dat normenkader gaat uit van de volgende resultaatgebieden en de daarbij behorende resultaten: Een schoon en leefbaar huis; het resultaat van de ondersteuning op dit resultaatgebied is dat de cliënt beschikt over een schoon en leefbaar huis. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. ‘Schoon’ staat voor een situatie waarin basis hygiëne geborgd is en waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapkamer(s), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes moeten regelmatig schoongemaakt worden. Een schoon huis betekent niet dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis regelmatig (periodiek) wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Het schoonmaken van de buitenruimte van het huis (ramen, tuin, balkon, garage of schuur etc.) maken geen onderdeel uit van de huishoudelijke ondersteuning. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de module ‘schoon en leefbaar huis’, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden: Wasverzorging; het resultaat van de ondersteuning op dit resultaatgebied is dat de betrokkene beschikt over schone kleding en linnengoed. Boodschappen doen; het resultaat hiervan is dat de betrokkene ondersteund is bij het doen van boodschappen en daardoor beschikt over voldoende (levens) middelen in het huishouden. Maaltijdondersteuning; het resultaat hiervan is dat de betrokkene ondersteund is bij de verzorging van de broodmaaltijd, het zetten van koffie en thee en het opwarmen van de warme maaltijd. Regie/organisatie van het huishouden; het resultaat hiervan is dat de betrokkene ondersteund is bij helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Dit resultaatgebied wordt ingezet als de betrokkene niet meer tot zelfregie en planning over huishoudelijke taken in staat is. Kindzorg; het resultaat hiervan is dat de kinderen verzorgd zijn; de verzorging omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van het kind. Het passen op de kinderen valt niet onder dit resultaatgebied. Het college ondersteunt alleen als de ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met de leeftijd van 5 jaar; de ondersteuning is altijd tijdelijk (indicatie wordt voor maximaal 3 maanden afgegeven). Artikel11– Algemene voorziening Was & Strijk Voorliggend op de het inzetten van tijd voor de wasverzorging binnen de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp 1 of Huishoudelijke Hulp 2 is de algemene voorziening Was & Strijk. Cliënten die als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund zijn door deze algemene voorziening, komen in aanmerking voor de module ‘wasverzorging’. Artikel12– Maatwerkvoorziening individuele begeleiding Een cliënt komt in aanmerking voor individuele begeleiding wanneer: uit een complexe ondersteuningsvraag de noodzaak daartoe blijkt, of er bij het functioneren van de cliënt sprake is van risico voor hemzelf of diens omgeving, of toezicht op de cliënt nodig is. Artikel13– Maatwerkvoorziening dagbesteding 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagactiviteiten met ondersteuning wanneer: de aanvrager als gevolg van een beperking onvoldoende zelfredzaam is om dagactiviteiten, waaronder het volgen van een opleiding of het leveren van een arbeidsprestatie, voor zichzelf of met behulp van zijn netwerk te organiseren, en er sprake is van een dermate complexe beperking, dat gedurende de dagactiviteiten directe nabijheid van gespecialiseerde hulp, ondersteuning en/of toezicht nodig is, of daarmee overbelasting van mantelzorgers wordt voorkomen. Artikel14– Algemene voorziening dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief Het college draagt binnen het kader van de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg voor de mogelijkheid van kortdurend onderdak, in elk geval met een slaapplaats indien noodzakelijk, en verder al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel andere diensten of faciliteiten gedurende de nacht en de dag. Artikel15– Maatschappelijke opvang 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang wanneer hij: feitelijk of residentieel dakloos is, en niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, en niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. 2.Een slachtoffer van huiselijk geweld kan in aanmerking komen voor opvang als deze slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien. 3.Het college draagt zorg voor kortdurend voltijdopvang naar aanleiding van een crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken, voor maatschappelijke opvang gedurende maximaal drie aaneengesloten dagen, en in geval van huiselijk geweld maximaal gedurende tien dagen. 4.Het college stelt beleidsregels op overeenkomstig het convenant toegang maatschappelijke opvang. Artikel16– Maatwerkvoorziening beschermd wonen Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen wanneer: hij toezicht en begeleiding nodig heeft, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch of psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast, of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; hij psychische of psychosociale problemen heeft, en hij niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. Artikel17– Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf Een cliënt kan gedurende maximaal drie etmalen per week in aanmerking komen voor kortdurend verblijf wanneer: de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, en de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke, redelijkerwijs van hem te verwachten toezicht overbelast dreigt te worden. Artikel18– Maatwerkvoorziening wonen 1.Met in achtneming van artikel 8, derde lid, van de verordening kan een cliënt voor een woonvoorziening in aanmerking komen als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de beperkingen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte, waarbij geldt dat als verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is deze het primaat heeft. 2.Een woonvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van de zelfstandige woonruimte waar de cliënt woonachtig is of zal zijn en die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden. 3.Woonvoorzieningen worden onder andere onderscheiden in: verhuizen naar en inrichten van een andere woning; een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing; roerende woonvoorzieningen; overige woonvoorzieningen. 4.De woonvoorziening verhuizen of woningsanering wordt geleverd in natura of als Pgb 5.Geen maatwerkvoorziening of Pgb voor verhuizen wordt verstrekt wanneer: een cliënt is verhuisd voordat op zijn aanvraag is beschikt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, of de cliënt de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de nieuwe woning ten opzichte van de oude woning aantoont; een cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; een cliënt geen belemmeringen in het normale gebruik van de woning ondervindt, tenzij het een verhuizing naar een ADL-woning betreft; een cliënt verhuist naar een instelling voor langdurige zorg en de gemeente op grond van de wet voor deze cliënt niet langer voor de ondersteuning verantwoordelijk is. 6.De verhuis- en inrichtingskosten worden alleen verstrekt indien de nieuwe woonruimte voldoet aan het programma van eisen, zoals gesteld in de beschikking. Dit recht vervalt indien de gevonden woonruimte niet is gemeld en/of niet binnen twee jaar na de datum van de voorwaardelijke beschikking tot toekenning is verhuisd. 7.Geen recht op een woonvoorziening bestaat indien de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw. 8.Een aanpassing ten behoeve van toegang tot gemeenschappelijke ruimten is in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 8, derde lid, onder c, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning niet mogelijk ten behoeve van wooncomplexen die specifiek bestemd zijn voor ouderen of personen met een beperking. Artikel19– Maatwerkvoorziening vervoer 1.De door het college te verstrekken vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit: collectief vervoer; een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel; een scootmobiel; een autoaanpassing. 2.Een cliënt kan aanspraak maken op een vervoersvoorziening als hij belemmeringen ondervindt in het lokaal verplaatsen en gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is. 3.Een toekenning van een maatwerkvoorziening vervoer is slechts mogelijk indien er sprake is van een frequente vervoersbehoefte. Of wanneer het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 4.In het geval zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dan vindt een doorverwijzing plaats naar de voorliggende landelijke voorziening. Artikel20– Collectief vervoer 1.Collectief vervoer is een maatwerkvoorziening. 2.Met het collectief vervoer kan een inwoner zich lokaal verplaatsen van deur tot deur, waarbij geldt dat: Medisch noodzakelijke persoonlijke begeleiding bij het gebruik van het collectieve vervoer gratis is; de inwoner iemand mag meenemen tegen het medereizigerstarief. Dit tarief wordt bepaald door de vervoerder; kinderen tot en met 3 jaar gratis meereizen; de inwoner per jaar maximaal 1.500 kilometer kan reizen met het collectief vervoer; de inwoner 24 uur per dag en 7 dagen per week kan reizen met het collectief vervoer; de inwoner per rit maximaal 25,5 kilometer rondom het eigen woonadres kan reizen tegen de vastgestelde eigen bijdrage. Boven deze 25,5 kilometer geldt het tarief van de vervoerder. Een inwoner kan dus meer reizen dan 25,5 kilometer per rit maar de extra kosten komen voor rekening van de inwoner; [vervallen] de inwoner voordelig reist op werkdagen tijdens daluren (11:00 – 14:00). Tijdens deze daluren betaalt de inwoner een vast tarief per rit, ongeacht de daadwerkelijk gereden afstand. 3.Naast een indicatie voor het collectief vervoer kan de gemeente ook besluiten om aanvullende indicaties af te geven. Artikel21– Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel 1.Een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan bestaan uit: de aanpassing van een fiets; een niet algemeen gebruikelijke fiets; een rolstoelfiets of handbike. 2.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in het vorige lid indien: zijn beperking het gebruik van een gewone fiets of aankoppelfiets onmogelijk maakt, en hij zijn vervoersbehoefte merendeels met een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan invullen. 3.Voor een kind kan een vervoersvoorziening tevens bestaan uit een individueel aangepast(e) fietszitje of fietsaanhanger als een standaard voorziening niet mogelijk is. Artikel22– Maatwerkvoorziening rolstoel 1.Een cliënt kan voor een rolstoel in aanmerking komen als een rolstoel noodzakelijk is voor het zittend verplaatsen in en om de woning. 2.De door het college te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit: een handbewogen rolstoel of een transportrolstoel; een afneembare elektrische ondersteuning voor een rolstoel; een elektrische rolstoel; individuele aanpassingen aan de rolstoel; rolstoelaccessoires; een rolstoel of vastframe handbike voor sportdoeleinden. Hoofdstuk3– Persoonsgebonden budget (Pgb) Artikel23– Persoonsgebonden budget 1.Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb: er is geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing; de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren; er is op geen enkele manier druk uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 2.De zorgverlener stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 3.De zorgverlener doet bij de toezichthoudende ambtenaar onverwijld melding van: iedere calamiteit die bij het verlenen van een voorziening heeft plaatsgevonden; geweld bij de verstrekking van de voorziening. 4.Het college kan een pgb houder verzoeken om van een zorgverlener, waaronder een solistisch werkende natuurlijke persoon, te eisen dat deze in het bezit is van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken. 5.In het geval van periodieke pgb’s is de cliënt of zijn vertegenwoordiger pgb vaardig. Onder pgb vaardig verstaan we: de pgb houder is in staat hulp in te kopen, afspraken te maken met aanbieders en te sturen op activiteiten en frequentie; de pgb houder is in staat de eigen situatie te overzien en hulpvragen te formuleren; de pgb houder is in staat de opdracht- en werkgeversverplichtingen uit te voeren; de pgb houder kan de voortgang op de hulpverlening bewaken en bijsturen waar nodig; De pgb houder coördineert de hulp in het geval van meerdere zorgverleners; de pgb houder is in staat een administratie te voeren en verantwoording af te leggen richting de gemeente. 6.De cliënt dient een aanvraag en pgb-plan in, waarbij hij aangeeft: wat hij met het pgb wenst in te kopen; waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; welke doelen en resultaten nagestreefd worden en hoe en op welke termijn deze bereikt gaan worden; de frequentie van de ondersteuning en de uit te voeren activiteiten; In het geval van een eenmalig pgb voor een rolstoel- vervoers- en losse woonvoorziening wordt een programma van eisen opgesteld waar de voorziening aan moet voldoen. De pgb houder levert een gespecificeerde offerte aan voor een voorziening welke aan deze eisen voldoet. Deze offerte omvat de aanschafprijs van de voorziening en de kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering voor de duur van 5 jaar. Bij bouwkundige of woontechnische voorzieningen aan de woning worden twee of meer offertes opgevraagd. Hierbij wordt ook, indien van toepassing, een bedrag opgenomen voor onderhoud, keuring en reparatie. Een pgb voor verhuiskosten wordt verstrekt overeenkomstig de voorwaarden van artikel 8, derde lid, onder d en e van de verordening en artikel 24 van deze Nadere regels. Bij het bepalen van een pgb voor woningsanering wordt rekening gehouden met de afschrijving van hetgeen gesaneerd wordt. Het college kan een pgb verstrekken voor het bezoekbaar maken van één woonruimte aan de eigenaar van de woning die niet de aanvrager is. Het pgb wordt rechtstreeks aan de eigenaar betaald. Het pgb moet worden verantwoord en de vergoeding is gebonden aan een maximum. Het bezoekbaar maken van één woonruimte waarbij de cliënt in ieder geval de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken, wordt beschouwd als een bouwkundige of woontechnische aanpassing wanneer de cliënt woonachtig is in een instelling voor langdurige zorg. Onder de voorwaarde dat geen gebruik kan worden gemaakt van het collectief vervoer voor een redelijke vervoersbehoefte kan het college een pgb verstrekken voor het gebruik van een eigen auto, taxi, rolstoeltaxi en/of bruikleen auto. Wanneer bij een pgb vervoer de vervoersbehoefte van (echt)paren samenvalt, wordt ten hoogste de maximale pgb van één persoon per (echt)paar toegekend. Wanneer bij een pgb vervoer de vervoersbehoefte van (echt)paren niet samenvalt, wordt ten hoogste anderhalf maal de maximale pgb van één persoon toegekend. 7.De cliënt dient een door het college goedgekeurde zorgovereenkomst te sluiten met de door hem of haar ingeschakelde zorgverlener. 8.Uitbetaling van een pgb voor ondersteuning vindt op basis van zorgovereenkomsten plaats door de SVB. 9.De cliënt stemt in en handelt conform de (algemene) voorwaarden van de Sociale Verzekeringsbank en de voorwaarden zoals de gemeente die is overeengekomen met de SVB. 10.Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; actieve verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. 11.Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een vertegenwoordiger alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd. 12.Het pgb mag niet besteed worden aan: bemiddelings- of administratiekosten; kosten verbonden aan het aanvragen, opstellen en beheren van het pgb; contributie voor belangenorganisaties, kosten voor het volgen van cursussen en kosten voor informatiemateriaal; de opgelegde bijdrage in de kosten van de pgb-houder; feestdagen- of eenmalige uitkering voor de zorgverlener; kosten die worden beschouwd als algemeen gebruikelijk, en; alle kosten voor zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo vallen. 13.De zorgverlener hanteert een integraal tarief, inclusief: reistijd, vervoers- en parkeerkosten, en; overheadkosten. 14.Een pgb voor een maatwerkvoorziening uit het sociaal netwerk kan alleen betrekking hebben op diensten. 15.De pgb aanvrager moet een plan maken waarin gemotiveerd de wens wordt uitgesproken om het sociale netwerk in te willen zetten. 16.Bij de beoordeling van inzet vanuit het sociale netwerk moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: De geboden ondersteuning is passend, adequaat en veilig; Er is sprake van zorg en ondersteuning gericht op participatie en zelfredzaamheid; De persoon die behoort tot het sociale netwerk heeft aangegeven dat het bieden van de ondersteuning voor hem niet tot overbelasting leidt. 17.De beloning van het sociale netwerk blijft in elk geval beperkt tot die situaties waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. 18.Inzet van het sociaal netwerk met een pgb wordt in ieder geval aantoonbaar adequaat geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: de ondersteuning is vooraf niet goed in te plannen; de ondersteuning moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de ondersteuning moet op veel korte momenten per dag geboden worden; de ondersteuning moet op verschillende locaties worden geleverd; de ondersteuning moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie de cliënt vertrouwd is en goed contact heeft; Er is sprake van substantiële inkomstenderving van de zorgverlener. Iemand moet bijvoorbeeld (deels) zijn baan opzeggen om de ondersteuning te kunnen bieden of worden beperkt in mogelijkheden om inkomsten te verwerven; bij beschermd wonen dient de ondersteuning 24 uur per dag en op afroep beschikbaar te zijn. 19.De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger dragen de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kwaliteit van de ondersteuning die zij betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren. 20.Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon of organisatie verantwoorde dienstverlening kan leveren. De besteding van een pgb aan de betreffende zorgverlener kan worden geweigerd of beëindigd indien dit advies uitwijst dat de kwaliteit van de dienstverlening niet of onvoldoende gewaarborgd is. 21.De hoogte van het pgb wordt vastgesteld zoals beschreven in artikel 9 lid 6 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Groningen
- 22.Als uit het gesprek en het plan blijkt dat het door het college vastgestelde tarief niet toereikend is, kan hiervan worden afgeweken tot ten hoogste de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura. 23.Voor een maatwerkvoorziening zoals een hulpmiddel of sportvoorziening wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening op basis van de op dat moment geldende prijsafspraken met de door de gemeente gecontracteerde leverancier. Indien nodig wordt dit verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en verzekering voor de duur van 5 jaar. 24.Indien huur de goedkoopst compenserende voorziening is voor een vervoersvoorziening waarvoor een pgb wordt verstrekt, wordt de hoogte van het budget als volgt vastgesteld: de tegenwaarde van de huurprijs, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering zoals die door de gemeente aan de leverancier wordt betaald. 25.Indien de berekeningswijze zoals beschreven in lid 23 en 24 niet toereikend is om een effectief en kwalitatief goede voorziening in te kopen, kan er maatwerk geleverd worden. 26.Voor overige maatwerkvoorzieningen zoals een woningaanpassing wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van de goedkoopste van minimaal twee opgevraagde offertes. 27.Wanneer de prijs voor de voorzieningen hoger is dan het verstrekte pgb, dient de cliënt het verschil zelf te betalen. 28.De cliënt is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en, voor zover van toepassing, toereikend te verzekeren. In geval van een scootmobiel, aangepaste fiets met hulpmotor of elektrische rolstoel is de cliënt verplicht een all risk verzekering, waarbij vervanging wegens reparatie zo mogelijk is mee verzekerd, af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel. 29.In geval het gebruik van de voorziening welke met een pgb is aangeschaft, is beëindigd en de gebruiksduur van de voorziening niet geheel is verstreken, kan de cliënt worden verzocht de voorziening te retourneren dan wel de restwaarde, onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, aan de gemeente te vergoeden. 30.Bij de vaststelling van het pgb voor voorzieningen wordt rekening gehouden met afschrijvingstermijnen die naar geldende maatschappelijke normen voor de verstrekte voorziening gebruikelijk zijn. 31.Uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing vindt plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen of, in het geval de cliënt het bedrag heeft voorgeschoten, op basis van betalingsbewijzen. 32.Het pgb voor formele ondersteuning beschermd wonen kent een jaartarief. Het pgb beschermd wonen voor informele ondersteuning kent een modulair opgebouwd jaartarief, zoals opgenomen in artikel 9 achtste lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning. 33.Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid van de maatwerkvoorzieningen, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van pgb’s. Hoofdstuk4– Tegemoetkoming aannemelijke meerkosten Artikel24– Algemene bepaling tegemoetkoming aannemelijke meerkosten 1.Het college kan op aanvraag dan wel ambtshalve aan de cliënt een tegemoetkoming verstrekken voor aannemelijke meerkosten. 2.De tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn. 3.Het college kan beneden bepaalde inkomensgrenzen forfaitaire tegemoetkomingen aannemelijke meerkosten verstrekken. 4.Het college kan bij een tegemoetkoming aannemelijke meerkosten de bijdrageregeling van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en deze Nadere regels toepassen.
- In afwijking van het bepaalde in lid 3 kan het college in verband met bijzondere omstandigheden zonder toepassing van een inkomensbegrenzing een meerkostentoeslag verstrekken aan cliënten uit een nader te bepalen groep. Paragraaf4.1Tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor chronisch zieken en beperkten met toepassing artikel 24 lid 3 Artikel25– Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: inkomen: totaal van het bruto jaarinkomen zoals bekend bij belastingdienst; minimuminkomen: bruto jaarinkomen dat niet hoger is dan 120 procent van het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag (x 70% bij alleenstaande (ouder). Bedragen worden verhoogd met 11,82% en 6,21% rekening houdend met pensioenleeftijd. In tabel 7 Inkomensgrenzen MKR van de bijlage zijn de inkomensgrenzen opgenomen. Jaarlijks vindt indexatie plaats conform index Wml. peiljaar: het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend; aannemelijke meerkosten (i.v.m. chronische ziekte of beperking): kosten die samenhangen met een beperking, chronische ziekte of chronische psychische of psychosociale problemen die de cliënt belemmeren in zijn zelfredzaamheid en participatie en die niet op andere wijze worden vergoed; tegemoetkoming: forfaitaire financiële vergoeding als bedoeld in artikel 36; ten laste komend kind: het kind als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet. Artikel26– Doelgroep en doel 1.Ingezetenen van de gemeente Groningen met een chronische ziekte of beperking die, alleen of als gehuwd tezamen met hun echtgenoot, in het peiljaar beschikken over een minimuminkomen en in het peiljaar aannemelijke meerkosten hebben. 2.Deze paragraaf voorziet in het verstrekken van een tegemoetkoming aan cliënten die behoren tot de doelgroep als genoemd in het voorgaande lid en voldoen aan de overige voorwaarden van deze paragraaf. Artikel27– Minderjarig kind Een minderjarig kind behoort tot de doelgroep wanneer: de ouder of verzorger tot wiens last het minderjarige kind komt, alleen of als gehuwd tezamen met zijn echtgenoot, voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in artikel 29, eerste lid met betrekking tot het inkomen; en het minderjarige kind voldoet aan de overige voorwaarden van deze paragraaf. Artikel28– Criteria aannemelijke meerkosten 1.Een cliënt als bedoeld in artikel 26, eerste lid, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hem over het peiljaar het volledig verplicht eigen risico in rekening is gebracht zoals genoemd in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet en daarnaast beschikt over tenminste één van de volgende indicaties: aan cliënt is een maatwerkvoorziening of algemene voorziening toegekend op grond van de Wmo
(2007)of Wmo 2015; aan cliënt is een indicatie afgegeven voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz); aan cliënt is een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder of passagier van de gemeente Groningen verstrekt; aan cliënt is een individuele voorziening toegekend op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet. De voorziening moet een vorm van jeugdhulp betreffen als omschreven in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, sub 1 en 2 van de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Groningen 2015, die in werking zijn getreden op 1 januari 2015; aan cliënt is bijzondere bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) of de Participatiewet voor een van de volgende kosten: bewassing; kledingslijtage; stookkosten; maaltijdvoorziening; cliënt heeft de collectieve aanvullende zorgverzekering Garantverzorgd 3 bij zorgverzekeraar Menzis of een aanvullende zorgverzekering met de meest uitgebreide dekking bij deze of een andere zorgverzekeraar; cliënt kan aantonen dat hij in een deel van het peiljaar een medisch objectiveerbare chronische ziekte of beperking heeft, waaruit aannemelijke meerkosten voortvloeien. 2.De indicaties genoemd in het voorgaande lid zijn afgegeven voor de duur van ten minste zes aaneengesloten maanden en zijn geheel of gedeeltelijk geldig in het peiljaar. Artikel29– Vangnet Een cliënt als bedoeld in artikel 26, eerste lid, die niet voldoet aan het criterium van het verbruik van het volledig verplicht eigen risico, maar wel beschikt over een indicatie als genoemd in artikel 28, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hij naar het oordeel van het college kan aantonen dat hij een chronische ziekte of beperking heeft, waaruit in het peiljaar aannemelijke meerkosten voortvloeien tenminste ter hoogte van het volledig verplicht eigen risico. Artikel30– Aanvraagprocedure 1.De aanvraag geschiedt met behulp van een voor deze tegemoetkoming vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. 2.De aanvraag wordt ingediend bij het college met bijvoeging van de bij de aanvraag vereiste bewijsstukken. 3.Het college benadert met een brief cliënten waarvan bij het college bekend is dat zij naar verwachting voldoen aan de in artikelen 26, 27 en 28 neergelegde voorwaarden. De collegebrief nodigt deze cliënten uit tot het indienen van een aanvraag en is voor een deel opgesteld in de vorm van een aanvraagformulier als bedoeld in het eerste lid, waarop de reeds bekende gegevens zijn ingevuld. Artikel31– Aanvraagtermijn 1.De aanvraag voor een tegemoetkoming over het peiljaar kan bij het college worden ingediend in de periode 1 april tot en met 30 november van het jaar volgend op het peiljaar. 2.Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in een individueel geval, kan het college ten gunste van de aanvrager afwijken van het bepaalde in het voorgaande lid. Artikel32– Te verstrekken gegevens bij aanvraag 1.De aanvraag voor een tegemoetkoming als genoemd in artikel 24, eerste lid bevat: naam, adres, woonplaats, geboortedatum, Burgerservicenummer en banknummer van de cliënt; indien van toepassing: naam en geboortedatum van de inwonende partner; indien van toepassing: naam, geboortedatum en banknummer van de ouder van het minderjarige kind waarvoor wordt aangevraagd; kopie van een geldig legitimatiebewijs van de cliënt als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; inkomensverklaring van de belastingdienst over het peiljaar, dan wel de belastingaanslag over het peiljaar als het een zelfstandige betreft.” kopieën van beschikkingen of andere schriftelijke gegevens, waarmee een indicatie als bedoeld in artikel 28 wordt aangetoond, alsmede de verklaring van het volledig in rekening gebracht verplicht eigen risico van de zorgverzekering in het peiljaar.” overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag voor een tegemoetkoming. 2.Gegevens als bedoeld in het voorgaande lid worden niet opgevraagd voor zover deze reeds bij het college bekend zijn. Artikel33– Tegemoetkoming Per cliënt die aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet, wordt eenmalig per kalenderjaar een tegemoetkoming in aannemelijke meerkosten verstrekt ten bedrage van tenminste € 400,
- Paragraaf 4.2 Eenmalige tegemoetkoming extra energielasten medische redenen Artikel33a – Eenmalige tegemoetkoming extra energielasten
- De cliënt met een chronische ziekte of beperking kan in het jaar 2022 eenmalig in aanmerking komen voor een tegemoetkoming ten bedrage van €750,- indien hij te maken heeft met onontkoombare extra energiekosten als gevolg van significant gestegen prijzen.
- Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid dient aan de cliënt een van de volgende geïndiceerde maatwerkvoorzieningen te zijn toegekend op grond van de Wmo 2015: een elektrische rolstoel en/of een woonvoorziening uit de complexe categorie, waaronder: douche en/of toiletvoorziening, (plafond)tillift, mobiele unit en een roerende woonvoorziening, en/of een handbewogen rolstoel in de categorieën 1.1, 1.2, 1.7 of 1.
- Indien de benodigde gegevens van de cliënt die voldoet aan de voorwaarde van het voorgaande lid bij het college bekend zijn, wordt de tegemoetkoming ambtshalve verstrekt.
- In afwijking van het bepaalde uit voorgaande leden kan een aanvraag voor de tegemoetkoming worden ingediend bij een nader te bepalen mailadres tot en met 31 december 2022;
- Per huishouden wordt de tegemoetkoming slechts eenmaal verstrekt. Met huishouden wordt bedoeld de alleenstaande met of zonder kinderen dan wel het gezin met of zonder kinderen. Hoofdstuk5– Bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en Pgb’s Artikel34– Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en Pgb’s 1.De bijdrage in de kosten is verschuldigd over het resultaat dat staat beschreven in het ter zake door het college genomen besluit tot het verstrekken van de maatwerkvoorziening of Pgb. De bijdrage in de kosten moet voldaan worden ook indien de cliënt meent dat het afgesproken resultaat met de maatwerkvoorziening in de praktijk niet wordt gerealiseerd. 2.Voor maatwerkvoorzieningen en Pgb’s, met uitzondering van opvang en beschermd wonen geldt een eigen bijdrage zolang van de voorziening gebruik wordt gemaakt en zolang deze de kosten van de voorziening niet overschrijdt. 3.De eigen bijdrage van de voorziening per maand worden als volgt vastgesteld: Voor diensten in natura of Pgb: een vast bedrag gedurende de periode dat hiervan gebruik wordt gemaakt; Voor voorzieningen in natura of Pgb: een vast bedrag, gedurende de gemiddelde levensduur van de voorziening. Het college kan voor deze berekening de noemer hoger maken dan de feitelijke gemiddelde levensduur; Voor bouwkundige of woontechnische woningaanpassingen, voor een woonunit, woningsanering en verhuizen in natura of Pgb: een vast bedrag, gedurende de gemiddelde levensduur van de voorziening. Het college kan voor deze berekening de noemer hoger maken dan de feitelijke gemiddelde levensduur; 4.In afwijking van het eerste lid en behoudens de gevallen als bedoelt in artikel 3.8, vierde lid onder a, b. c, d en e van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is eveneens geen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen: tijdelijke huisvesting, waaronder niet is begrepen het bijplaatsen van een woonunit; huurderving; over het Pgb dat wordt verstrekt voor informele individuele begeleiding; woningaanpassingen in een gemeenschappelijke ruimte op grond van artikel 5, derde lid, onder c, van de verordening. 5.De eigen bijdragen per maand ijn gelijk aan de maxima die zijn genoemd in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning
- 6.Voor collectief vervoer is een bijdrage verschuldigd aan de vervoerder die gebaseerd is op het tarief van het openbaar vervoer. 7.Voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, wordt voor woningaanpassingen een bijdrage overeenkomstig deze Nadere regels geheven van de onderhoudsplichtige ouders of anderen die het ouderlijk gezag uitoefenen. Artikel35– Bijdrage verblijf in opvang 1.Een cliënt is voor verblijf in opvang een bijdrage verschuldigd. 2.De bijdrage voor opvang is gelijk aan de kostprijs voor het verblijf, met in achtneming van paragraaf vier van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning
- 3.Onder de kostprijs van maatschappelijke opvang wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente opvang voor een cliënt heeft ingekocht. 4.Cliënt mag bij opvang niet minder overhouden na het heffen van de bijdrage dan een bedrag aan zak- en kleedgeld, waarbij de zak- en kleedgeld grens gelijk is aan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag en inclusief vakantiegeld, overeenkomstig volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag. 5.Indien de instelling bij voltijdopvang of crisisopvang aan de cliënt geen voeding verstrekt, dient de instelling de cliënt een bedrag per dag beschikbaar te stellen voor het inkopen van voedingsmiddelen. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting jaarlijks berekent als gemiddelde kosten voor voeding per dag. 6.Afwezigheid uit de opvang, anders dan in verband met beëindiging van de opvang, wordt voor de verschuldigdheid van de bijdrage buiten beschouwing gelaten. 7.Een cliënt is geen bijdrage verschuldigd, indien hij een vergoeding voor huisvesting betaalt aan een instelling. 8.Voor dagopvang, nachtopvang en noodopvang voor personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld is voor maximaal drie dagen geen bijdrage verschuldigd. 9.Een cliënt is bij maatschappelijke opvang geen bijdrage verschuldigd als hij tijdens zijn verblijf woonkosten is verschuldigd als hoofdbewoner voor de woning die hij heeft verlaten in verband met risico’s voor de veiligheid in verband met huiselijk geweld. 10.De door het college aangewezen instellingen voor maatschappelijke opvang en opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld zijn verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen in alle gevallen dat de bijdrage niet door de gemeente wordt ingehouden op de bijstandsuitkering of inkomensvoorziening van de cliënt. 11.Het college stelt de bijdrage voor opvang vast. Artikel36– Bijdrage verblijf beschermd wonen 1.Een cliënt is voor verblijf in beschermd wonen een bijdrage verschuldigd. 2.De bijdrage voor beschermd wonen is het maximale bedrag dat overeenkomstig paragraaf drie van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 kan worden vastgesteld. 3.Cliënt mag bij opvang niet minder overhouden na het heffen van de bijdrage dan een bedrag aan zak- en kleedgeld, waarbij de zak- en kleedgeld grens gelijk is aan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag en inclusief vakantiegeld, overeenkomstig volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag. Hoofdstuk6– Kwaliteit Artikel37– Algemene bepaling kwaliteit 1.De aanbieder draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is. 2.Een voorziening wordt in elk geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. 3.De kwaliteit van voorzieningen die met een Pgb wordt ingekocht, moet aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als bedoeld in het eerste lid. Met een Pgb ingekochte informele ondersteuning, dient zoveel mogelijk aan de kwaliteitseisen te voldoen als bedoeld in het eerste lid, doch dienen overeenkomstig artikel 2.3.6, tweede lid, onder c Wmo 2015, in ieder geval veilig, doeltreffend en cliëntgericht te worden verstrekt. Artikel38– Systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit 1.Het uitvoeren van artikel 37 omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de ondersteuning. 2.Afgestemd op de aard en omvang van de instelling en ter uitvoering van het eerste lid kan het college de aanbieder opdragen zorg te dragen voor: het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de ondersteuning; het op een zodanige wijze registeren en verzamelen van de gegevens, bedoeld onder a, dat de gegevens voor eenieder vergelijkbaar zijn met gegevens van andere aanbieders van dezelfde categorie; het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 38 leidt tot een verantwoorde ondersteuning; het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder c, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 38 wordt uitgevoerd. Artikel39– Verslaglegging 1.Het college kan de aanbieder opdragen jaarlijks vóór 1 juni een verslag ter openbare inzage te leggen, waarin hij verantwoording aflegt van het beleid dat hij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter uitvoering van de kwaliteit van de ondersteuning die hij in dat jaar heeft verleend. 2.Het college kan bepalen dat in dat verslag de aanbieder daartoe onder meer aan geeft: of en, zo ja, op welke wijze hij cliënten bij zijn kwaliteitsbeleid heeft betrokken; de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de instelling kwaliteitsbeoordeling plaatsvond en het resultaat daarvan; welk gevolg hij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende hulp. 3.De aanbieder zendt een afschrift van het verslag aan het college van burgemeester en wethouders, evenals aan de organisatie die in de regio de belangen van de cliënten in algemene zin behartigt. Artikel40– Meldcode (huiselijk)geweld en kindermishandeling 1.De aanbieder moet ten aanzien van de signalering en aanpak van kindermishandeling een handelingsprotocol hebben waarin de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is opgenomen. 2.De aanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 3.Het college kan aangeven uit welke elementen een meldcode in ieder geval dient te bestaan. Artikel41– Calamiteiten en geweld 1.De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar onverwijld melding van: iedere calamiteit die bij het verlenen van een voorziening heeft plaatsgevonden; geweld bij de verstrekking van de voorziening. Artikel42– Verklaring omtrent gedrag van medewerkers Het college kan van een aanbieder waaronder een solistisch werkende natuurlijke persoon en niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, eisen dat deze in het bezit is van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken. Hoofdstuk7– Waardering mantelzorgers Artikel43– Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit: de viering van de dag van de mantelzorger met activiteiten in de gemeente, en de verstrekking van een mantelzorgkaart met waarderingsvouchers. 2.Het college voert over de vormgeving van de jaarlijkse blijk van waardering overleg met mantelzorgers en hun organisaties. 3.Mantelzorgers die nog niet bekend zijn bij de gemeente kunnen bij de gemeente aangeven voor de jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking te willen komen. Hoofdstuk8– Recht om uit te dagen Artikel44– Het recht om uit te dagen 1.Het college werkt samen met buurtinitiatieven bij de uitvoering van het beleid voor maatschappelijke ondersteuning. 2.Georganiseerde verbanden uit de buurt kunnen een deel van de ondersteuning die de gemeente levert uitvoeren. 3.Onder de volgende voorwaarden kunnen taken van het college door buurtinitiatieven worden uitgevoerd: de zorg en ondersteuning voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in de verordening en de daarop gebaseerde Nadere regels en beleid; de zorg en ondersteuning hebben een kostprijs die vergelijkbaar is met de kostprijs van voorzieningen die door de gemeente worden verstrekt; de zorg en ondersteuning hebben een sociale meerwaarde. 4.De taken van de gemeente kunnen in zijn geheel, als apart geografisch deel of als thematisch perceel worden uitgevoerd. 5.De effecten van de samenwerking en uitvoering worden geëvalueerd. Hoofdstuk9– Adviesstructuur sociaal domein Artikel45– Adviesstructuur sociaal domein 1.Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 21 derde lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Groningen 2020 en artikel 11 derde lid van de Verordening Jeugdhulp Groningen 2015 is er een adviesstructuur voor het sociaal domein. 2.De nieuwe adviesstructuur voor het sociaal domein, genaamd Stadadviseert, is geregeld in de Verordening Adviesstructuur voor het sociaal domein gemeente Groningen. Hoofdstuk11– Huurderving bij geschikte woonruimte Artikel46– Huurderving De financiële tegemoetkoming voor huurderving van woonruimte geschikt voor mensen met een beperking bedraagt de kale huur per maand gedurende maximaal zeven maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt. Hoofdstuk12– Heronderzoek en terugvordering Artikel47– Heronderzoek Het college is bevoegd, om voor een voorziening die op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en deze Nadere regels of hieraan voorafgaande regelingen is verstrekt, een heronderzoek uit te voeren om vast te kunnen stellen of de omstandigheden die hebben geleid tot de verlening van de voorziening, gewijzigd zijn. Artikel48– Terugvordering Alle ingevolge de verordening en deze Nadere regels terug te vorderen bedragen worden verhoogd met de wettelijke rente. Hoofdstuk13– Slotbepalingen Artikel49– Bijlage Nadere regels 1.De op grond van de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening en deze Nadere regels vast te stellen bedragen, percentages, doelgroepen, afschrijvingsduur en andere mogelijke nadere invullingen kunnen door het college in de bijlage worden vastgesteld. 2.Indien geen uitvoering is gegeven aan het vorige lid worden de bedragen, percentages, doelgroepen, afschrijvingsduur en andere mogelijke nadere invullingen vastgesteld aan de hand van de criteria zoals die in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening en deze Nadere regels zijn gesteld. Artikel50– Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze Nadere regels en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Het college kan per tarief en voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd. Artikel51– Slotbepaling 1.Dit besluit kan worden aangehaald als Nadere regels maatschappelijke ondersteuning
- 2.Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari
- 3.Met ingang van de dag waarop de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020 in werking treedt, worden de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2017, het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haren 2017 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Ten Boer 2018, ingetrokken. Aldus besloten in de collegevergadering van 17 december 2019De burgemeester, KoenSchuilingDe secretaris, ChristienBrondaBijlage- Tarieven/Bedragen/ Afschrijvingsbedragen/ Termijnen/Percentages/Eigen bijdragen Tabel 1 – Tarieven Pgb Huishoudelijke hulp, begeleiding en dagbestedingOmschrijving product Tarief-eenheid Pgb professioneel (tarief per 01-01-2025) Pgb niet-professioneel (tarief per 01-01-2025) Eigen bijdrage over informeel tarief? Huishoudelijke hulp 1 uur € 29,36 € 20,99 ja Huishoudelijke hulp 2 uur € 30,11 € 20,99 ja Lichte ondersteuning (overig) uur € 39,15 € 24,42 nee Middelzware begeleiding uur € 44,50 € 24,42 nee Zware begeleiding uur € 53,28 € 24,42 nee Dagactiviteit met lichte ondersteuning (zonder vervoer) dagdeel € 32,51 € 18,11 ja Dagactiviteit met middelzware begeleiding (zonder vervoer) dagdeel € 34,39 € 18,11 ja Dagactiviteit met zware begeleiding (zonder vervoer) dagdeel € 45,11 € 18,11 ja Vervoer naar dagactiviteit per dagdeel (tot aan een maximum van 5 dagdelen per week); Maximaal €27,90 per week retour € 7,51 € 2,79 ja Arbeidsmatige dagbesteding dagdeel € 34,39 € 24,42 nee Kortdurend verblijf etmaal € 91,88 € 18,11 ja Tabel 2 – Hoogte eenmalige pgbWoningsanering Bedrag per vierkante meter Gordijnen per vierkante meter glasoppervlakte maximaal € 22,75 Vloerbedekking per vierkante meter vloeroppervlakte maximaal € 22,75 Vervoer Bedrag per jaar Voor gebruik eigen auto of taxi maximaal € 1.282,55 Voor gebruik rolstoeltaxi maximaal € 1.896,85 Voor gebruik bruikleenauto maximaal € 703,– Wonen Maximaal bedrag Verhuizen € 3.008,65 Bezoekbaar maken woning € 3.008,65 Tijdelijke huisvesting € 520,35 Sportrolstoel/vastframe handbike Bedrag Aanschaf van de voorziening € 2.841,30 Bijdrage voor drie jaar onderhoud en reparatie € 945,55 Tabel 3 – Tarieven zorg in natura (professioneel)Omschrijving soort ondersteuning Tarief eenheid Tarief (C) per eenheid 2025 Huishoudelijke hulp 1 uur € 36,47 Huishoudelijke hulp 2 uur € 37,40 Lichte ondersteuning uur € 48,64 Middelzware begeleiding uur € 55,27 Zware begeleiding uur € 66,19 Begeleidersvoorziening doofblinden uur € 64,20 Gespecialiseerde begeleiding ZG (vroegdoven) uur € 97,80 Revaliderende begeleiding ZG (vroegdoven) uur € 97,80 Gespecialiseerde begeleiding ZG (doofblinden) uur € 119,40 Gespecialiseerde begeleiding ZG (visueel) uur € 127,20 Dagactiviteit met lichte ondersteuning dagdeel € 40,38 Dagactiviteit met middelzware begeleiding dagdeel € 42,72 Dagactiviteit met zware begeleiding dagdeel € 56,03 Dagactiviteit ZG Visueel/Vroegdoven dagdeel € 56,81 Dagactivitelt ZG (doofblinden) dagdeel € 53,73 Dagactiviteit ZG (vroegdoven) dagdeel € 56,81 Vervoer naar dagactiviteit (begeleiding) retour € 9,32 Vervoer naar dagactiviteit (begeleiding), rolstoel retour € 19,00 Kortdurend verblijf etmaal € 114,13 Tabel 4 – Kosten voorzieningen bij overige maatwerkvoorzieningen: ZIN en PgbOmschrijving Duur van de oplegging van de eigen bijdrage Kleine woningaanpassingen1Hieronder vallen: Sanitair: beugel anders dan 30 of 50 cm; drempelhulp; drempel verwijderen en afdekken, muurbevestigde douchestoel; opklapbare beugel; onderrijdbare wastafel; wastafelbeugel; overrijdbare waterkerende drempel. Toe- en doorgankelijkheid: toegankelijkheid voordeur en achterdeur d.m.v. skeggen, drempelhulpen, hellingen, aanpassingen tegelwerk; intercom; deurontgrendelaar; elektrische deuropener en/of handzender; ophogen balkon + balustrade; (trap)leuningen en spilbeugels. 15 jaar Overige (bouwkundige of woon technische) woningaanpassingen incl. verbeteren toegankelijkheid of bezoekbaar maken woonruimte (bijvoorbeeld ook bestrating en elektra scootmobielsafe) 15 jaar Verhuizen 7 jaar Woningsanering 7 jaar Woonunit (indien deze voorziening voor kinderen: geen eigen bijdrage) Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 7 jaar Traplift (indien deze voorziening voor kinderen: ook eigen bijdrage) Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar Plafondlift Zolang de voorziening wordt gebruik. Bij Pgb: 15 jaar Verrijdbare tillift Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar Transferhulpmiddelen, pakpaal, losse papegaai, douche- en toilethulpmiddelen e.d 7 jaar Scootmobiel Zolang voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 10 jaar Scootmobielsafe Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar Vastframe handbike, Afneembare elektrische ondersteuning voor een rolstoel Geen Fiets 10 jaar Auto Zolang de voorziening wordt gebruikt Autohulpmiddel Zolang de voorziening wordt gebruikt Aanpassing auto 10 jaar Bij voorzieningen gaat het om de all-in nieuwprijs, inclusief evt. afkoop van accessoires, onderhoud, verzekering en dergelijke. * Het college heeft de gemiddelde afschrijving per jaar of gemiddelde levensduur voor de volgende maatwerkvoorzieningen gesteld op: Scootmobiel 10 jaar Woningaanpassing varieert tussen de 12 tot 20 jaar afhankelijke van het in de bouwwereld algemeen gebruikelijke afschrijvingstermijn van het soort bouwwerk Vloerbedekking en gordijnen 0 – 2 jaar 0% 2 – 4 jaar 25% 4 – 6 jaar 50% 6 – 8 jaar 75% 8 jaar en ouder 100% Tabel 6 Tarieven Beschermd Wonen ZIN en PgbProductnaam ZIN-tarief 2025 PGB-tarief 2025 PGB-tarief 2025 voor ZZP Eenheid Verblijf met 24 uurs toezicht (met wooncomponent) € 183,25 € 183,25 € 155,76 per etmaal Verblijf met 24 uurs toezicht (zonder wooncomponent) n.v.t. € 147,24 € 125,15 per etmaal Verblijf met toezicht nabij en op afroep (met wooncomponent) € 168,58 € 168,58 € 143,30 per etmaal Verblijf met toezicht nabij en op afroep (zonder wooncomponent) n.v.t. € 132,57 € 112,69 per etmaal Thuis Plus (ambulant): bandbreedte 1 tot en met 3 uur per week € 37,67 € 37,67 € 32,02 per etmaal Thuis Plus (ambulant): bandbreedte 4 tot en met 6 uur per week € 70,98 € 70,98 € 60,34 per etmaal Thuis Plus (ambulant): bandbreedte 7 tot en met 10 uur per week € 110,68 € 110,68 € 94,08 per etmaal Woonbegeleiding Complex € 82,64 € 82,64 € 70,24 per uur Woonbegeleiding Complex (bij Thuis Plus) € 89,06 € 84,80 € 72,08 per uur Activering en participatie (bij Thuis Plus) alleen Arbeidsmatige activiteiten € 41,28 € 41,28 € 35,09 per dagdeel Vervoer Activering en participatie (bij verblijf of bij Thuis Plus) € 9,80 € 9,80 € 9,80 per retour Vervoer Activering en participatie met rolstoel (bij verblijf of bij Thuis Plus) € 25,47 € 25,47 € 25,47 per retour Tabel 7 Inkomensgrenzen MKRInkomensgrenzen MKR volgt indexatie Wettelijk Minimumloon (artikel 25 NR) 2022 2023 2024 Alleenstaande 18930 21367 22961 met pensioen 21167 23892 25675 Gehuwd 27044 30526 32804 met pensioen 28723 32421 34840 Toelichting Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020 Algemene Toelichting BesluitCentraal in de Wmo 2015 staat artikel 2.3.
- Met dit artikel is het compensatiebeginsel weer in de wet teruggekeerd. De toelichting op het zogenaamde amendement 89 geeft aan dat de verplichting van het college tot het onder omstandigheden verstrekken van een maatwerkvoorziening qua zekerheid voor de cliënt niet verschilt van de bedoeling van de compensatieplicht in de ‘oude’ Wmo. Het is dan ook hoogst waarschijnlijk dat een groot deel van de vroegere jurisprudentie ook onder de Wmo 2015 van toepassing zal zijn. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in algemene zin van meet af aan steeds dezelfde uitspraak gedaan over de verhouding tussen de regelgeving van de gemeente en het treffen van een individuele voorziening. Het standpunt over de compensatieplicht dat het college onderschrijft, heeft de CRvB (ro. 4.2.2 in ECLl:NL:2008:BG6612, zie verder ECLl:NL:CRVB:2009:BK3321) al snel na het invoeren van de Wmo ingenomen: Artikel 4 van de oude Wmo verplichtte het College aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dat artikel bracht met zich mee dat zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van hulp vragende burgers de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. Artikel 4 van de Wmo legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit. Wel heeft hij daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de (voormalige) artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. In de huidige Wmo 2015 is de compensatieplicht beperkt tot de vier gebieden van artikel 4, namelijk een huishouden voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel, medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Het verschil met de Wmo 2015 is dat de compensatieplicht zich niet beperkt tot de vier gebieden in de huidige wet, maar zich nu uitstrekt over alle levensdomeinen. Deze belangrijke uitspraken blijven volgens het college relevant, omdat zij aangeven dat wanneer in het individuele geval met de regelgeving geen compensatie kan worden bewerkstelligd iemand toch recht heeft op een voorziening die in zijn individuele situatie kan worden aangemerkt als compensatie. In deze uitspraken is de kern van de kanteling en de maatwerkgedachte verwoord. Dat heeft ook consequenties voor de wijze waarop het college de Nadere regels in dit besluit uitlegt: de uitkomst van de regels moet in de individuele situatie aangemerkt kunnen worden als compensatie. Is dat niet het geval, dan voorzien de verordening en de Nadere regels niet in compensatie in die individuele situatie en kan het college op grond van artikel 18, eerste lid, van de verordening (hardheidsclausule) een ander besluit nemen. Ook wanneer de toepassing van de regelgeving in bijzondere gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard kan het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening afwijken van de Nadere regels. Deze bepalingen bieden het college voldoende ruimte om in individuele gevallen maatwerk te leveren. De bepalingen in deze Nadere regels mogen dan in de opvatting van het college er niet aan in de weg staan dat de compensatie in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Gebruikelijke hulpOndersteuning wordt in de volgende situaties als gebruikelijke hulp beschouwd (deze afbakening is overgenomen van het CIZ Protocol gebruikelijke zorg uit 2015): In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat ondersteuning daarna niet meer nodig zal zijn. In langdurige situaties; bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek arts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes, etc.); hulp bij overnemen van alle taken die bij het voeren van een huishouden behoren zoals het schoonhouden van het huis, zorg voor de kinderen et cetera; ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind. In individuele gevallen kan het voorkomen dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke hulp kan leveren omdat deze zodanige gezondheidsproblemen heeft of overbelasting dreigt dat redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat de betreffende taken niet uitgevoerd kunnen worden. Het is aan belanghebbende en de betreffende leden van het huishouden om dit te onderbouwen met objectieve en relevante gegevens. Deze onderbouwing kan betrokken worden bij de weging of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Wanneer de partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. De gemeente moet daar een geobjectiveerd oordeel over kunnen vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om alsnog een maatwerkvoorziening toe te kennen voor taken die in redelijkheid overgenomen kunnen worden door huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, gaat het aanvragen van persoonlijke verzorging via de Zorgverzekeringswet voor op het eventueel bieden van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Indien de enige huisgenoot van belanghebbende vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is, wordt dit betrokken bij de afweging of de gebruikelijke hulp daadwerkelijk geleverd kan worden. Hiermee kan alleen rekening worden gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk, denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer de enige huisgenoot een aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd. In geval belanghebbende een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van de leefeenheid van belanghebbende, afgewogen worden of taken die redelijkerwijs onder de gebruikelijke hulp vallen toch in aanmerking kunnen voor een maatwerkvoorziening. Er wordt bij kinderen rekening gehouden met de leeftijd. Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar gelden als volwassen huisgenoten en kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Taken die bij een eenpersoonshuishouden horen zijn: schoonhouden van de sanitaire ruimte, keuken en kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen alle huishoudelijke taken volledig overnemen. Artikelsgewijze toelichtingHoofdstuk 1 – Begripsbepalingen en procedurele zakenArtikel 1 – Begripsbepalingen geen nadere toelichting vereistArtikel 2 tot en met 7 – Procedure bepalingenOp grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 moeten gemeenten onder meer regelen op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De Wmo 2015 regelt in de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 al de nodige zaken, waar bij het opstellen van de Nadere regels rekenschap van gegeven moet worden. Een reden om een deel van deze wettelijke bepalingen desondanks toch in het besluit op te nemen, kan gevonden worden in de wens een meer volledig beeld te willen schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt. Globale beschrijving werkwijzeVanaf de melding begint de termijn van zes weken onderzoek te lopen. De gemeente maakt een afspraak voor een gesprek in het kader van het onderzoek. Dit gesprek vindt zo mogelijk plaats samen met de gemachtigde, mantelzorger en desgewenst familie, indien aanwezig. Het gesprek is tevens de start voor het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en persoonskenmerken. Voorafgaand aan het onderzoek moet de gemeente de cliënt wijzen op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning en op de mogelijkheid een persoonlijk ondersteuningsplan op te stellen. Daarvoor krijgt de cliënt zeven dagen de tijd, die binnen de afhandelingstermijn van zes weken van het onderzoek vallen. De gemeente betrekt dat plan bij het gesprek. Mantelzorgers worden waar mogelijk bij het onderzoek betrokken. Het college krijgt de opdracht om behalve de mogelijkheden ook de grenzen aan de belastbaarheid en zijn behoefte aan ondersteuning te bepalen. Een gesprek is niet altijd nodig, bijvoorbeeld wanneer de cliënt al bekend is bij de gemeente en het een vervolg(aan)vraag betreft. Denk aan een aanpassing aan een reeds geleverde rolstoel. Het registreren van de melding is in dit geval wel van belang omdat de termijn van zes plus twee weken (voor afhandeling van de aanvraag) dan gaat lopen. Van het gesprek of onderzoek wordt altijd een verslag gemaakt. Dit is onderdeel van een zorgvuldige dossiervorming en procedure. Het verslag moet een weergave zijn van de uitkomsten van het onderzoek. De cliënt kan aangeven dat hij dit verslag niet wenst te ontvangen. De gemeente kan het verslag tevens opvatten als een plan waarin het arrangement van voorzieningen en afspraken is neergelegd. In dat geval zullen gemeente en cliënt het verslag beiden moeten ondertekenen. Het wetsvoorstel regelt niet hoe lang het onderzoek geldig is. Indien na het gesprek en het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, moet de cliënt daarvoor een aanvraag indienen. Het college moet binnen twee weken op de aanvraag beslissen, wanneer de melding zes weken voor de aanvraag is gedaan. Uitstel is mogelijk, op voorwaarde dat de cliënt daarvan tijdig op de hoogte is gesteld. Een periode van twee weken is mogelijk omdat het onderzoek reeds is afgerond. Artikel 2.6.
- van de Wmo 2015 maakt het mogelijk dat het college de vaststelling van de beschikking kan mandateren aan een aanbieder. Artikel 2 – Melding hulpvraagIn artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding registreert en onderzoekt. Dit artikel bepaalt dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Niet iedere melding hoeft bevestigd te worden. Een persoon kan met een bepaalde inlichting voldoende zijn geholpen, of kan worden doorverwezen indien direct blijkt dat zijn hulpvraag niet onder de Wmo valt. Zodra uit het vooronderzoek blijkt dat de melding wel onder de Wmo valt en niet kan worden afgehandeld met een eenvoudige verwijzing, wordt de melding geregistreerd. Conform artikel 4:3a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan, is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 3 – Vooronderzoek, indienen persoonlijk planDeze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Artikel 4 – GesprekDeze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening, dan wel in de Nadere regels, regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding ‘het gesprek’ gebruikt maar ‘een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger’. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij. In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/114, 33 841, nr. 34, blz. 183) ‘de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal’. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 5 – VerslagDeze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vorm vrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32–33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek zal de weergave van die uitkomsten variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Wanneer duidelijk is dat een aanvraag zal worden ingediend, kan dat alvast door de invulling en ondertekening van een aanvraagformulier. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is het voor de cliënt nuttig om na het gesprek een paar dagen tijd te hebben om na te denken. Artikel 6 – AanvraagOok deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden regels gegeven omtrent de aanvraag. De verordening en de Nadere regels wijken daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Soms kan van een aanvraag van een maatwerkvoorziening worden afgezien wanneer de gemeente de maatwerkvoorziening middellijk of onmiddellijk zonder bijdrage ter beschikking van de cliënt stelt. Een voorbeeld is het weghalen van drempels in een huurwoning van een corporatie met wie de gemeente een overeenkomst heeft gesloten om de drempel op verzoek van de huurder weg te halen. Wanneer gebruik gemaakt wordt van een rolstoelpool zou daar ook van een aanvraag kunnen worden afgezien. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger in geval de cliënt niet zelf in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Artikel 7 – Medewerking aan de beoordeling, advisering en informatieplichtHet is goed denkbaar dat het proces van hulpvraag tot beslissing mogelijk is zonder (externe) deskundige advisering. Soms is de ondersteuningsvraag en de voorziening die daarvoor is aangewezen voldoende duidelijk. Het college kan in andere gevallen (extern) deskundig advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het verplicht. Het college hecht aan het belang van een onafhankelijke advisering, zodat voorkomen wordt dat het aanbod van de instelling bepalend wordt voor het advies. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. De informatieplicht heeft onder meer betrekking op de gezondheidssituatie, werk, het inkomen of een verhuizing. Indien de situatie is veranderd kan dit invloed hebben op de verstrekte voorziening. In de toekenningbeschikking staat de informatieplicht uitdrukkelijk opgenomen. Artikel 8 – De beschikkingIn dit artikel worden voor een maatwerkvoorzieningen en een Pgb de elementen beschreven die in de beschikking moeten worden opgenomen. Voor een eenmalig pgb kan het college een aantal elementen in de beschikking op nemen, maar is daartoe niet verplicht. Dit hangt samen met de mogelijkheden om ook forfaitaire tegemoetkomingen te verstrekken zonder bijdrage en zonder verantwoording van de kosten. Hoofdstuk 2 – Vormen van ondersteuning en MaatwerkvoorzieningenIn de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020 zijn bepalingen over een aantal voorzieningen opgenomen die het recht op die voorziening aangeven wanneer een aanvrager zich in een bepaalde situatie bevindt. Deze bepalingen zijn een uitkomst van 25 jaar ervaring met ondersteuning van burgers die door de rechter is getoetst. In deze bepalingen geeft de overheid zijn verstrekkingenbeleid vorm door de criteria aan te geven waaraan getoetst wordt of een aanvrager voor deze voorziening in aanmerking komt en ze geven de burger rechtszekerheid. Deze bepalingen zijn daarom voor het grootste gedeelte overgenomen. Nog steeds staat voorop dat eerst moet worden onderzocht of de cliënt niet zelf of zijn sociale netwerk in de ondersteuning kan voorzien. Deze bepalingen staan aan het leveren van maatwerk niet in de weg. Immers steeds moet een cliënt gecompenseerd worden met bepaalde beperkingen die zich in zijn eigen bijzondere omgeving bevindt. Zoals in de algemene toelichting eveneens is aangegeven moet het verstrekken van voorzieningen ertoe leiden dat het resultaat van de ondersteuning is dat de cliënt gecompenseerd wordt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Lukt dat niet met de bestaande regels dan zal het college van de regels afwijken. Artikel 9 – Algemene bepalingHet eerste lid laat de mogelijkheid open dat alleen het resultaat wordt vermeld zonder nadere aanduiding van de tijdseenheid, bijvoorbeeld een schoon huis als resultaat. Op grond van het tweede lid kunnen cliënten de extra kosten zelf betalen wanneer de kostprijs van de door hen gewenste maatwerkvoorziening voorziening duurder is dan de door het college voorgestelde maatwerkvoorziening. Dan is er voor het college geen reden meer de maatwerkvoorziening of het Pgb te weigeren. Artikel 10 – Maatwerkvoorziening huishoudelijke hulpDe CRvB heeft bepaald dat huishoudelijke hulp onder de Wmo 2015 valt. Onder ‘het voeren van een gestructureerd huishouden’ valt ook een schoon huis. In de verordening is de algemene voorziening was- en strijkverzorging geregeld. Zie artikel 11 van deze Nadere Regels. Ook bij huishoudelijke hulp gaat het eerst om de vraag of iemand in het eigen sociale netwerk, bijvoorbeeld via gebruikelijke hulp door huisgenoten, een oplossing kan regelen. Zo niet, dan is de vraag of de algemene voorziening uitkomst kan bieden. Als de algemene voorziening niet passend en/of toereikend is of als deze financieel gezien niet toegankelijk is, kan een maatwerkvoorziening HH aan de orde zijn. Indien de hulp wordt verricht door een persoon uit het sociaal netwerk en dus niet vanuit een hulpverlenend beroep geldt het lage informele Pgb-tarief. De CRvB heeft in december 2018 bepaald dat het zogenaamde KPMG protocol (in het besluit Normenkader HHM/KPMG genoemd) om te komen tot objectieve normtijden bij maatwerkvoorzieningen HH tot stand is gekomen na een deugdelijk en onafhankelijk onderzoek en daarmee dus gebruikt mag worden door gemeenten. Hiervan wordt gebruik gemaakt om te komen tot een passende indicatie bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. De handleiding die hierbij hoort is door het college van B&W vastgesteld. Artikel 12 – Maatwerkvoorziening individuele begeleidingBij deze vorm van ondersteuning geldt de noodzaak van gespecialiseerde vaardigheden en kennis bij begeleider/zorgverlener. Er is indicatiestelling nodig alvorens toegang tot deze vorm van ondersteuning mogelijk is. Het grootste deel van de mensen die van uit de AWBZ onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid komen te vallen krijgt een vorm van begeleiding. De functie begeleiding zoals die destijds vanuit de AWBZ werd verstrekt is bedoeld om de zelfredzaamheid van mensen te bevorderen, te behouden of te compenseren. De begeleiding beoogt een verblijf in een instelling zo lang mogelijk uit te stellen of overbodig te maken. Ditzelfde uitgangspunt staat ook aan de basis van het nieuwe stelsel in de Wmo
- Het omvat zowel individuele begeleiding als begeleiding in een groep (ook wel dagbesteding genoemd). De individuele begeleiding richt zich op het begeleiden in het dagelijks functioneren. Het gaat om het actief herstellen, dan wel compenseren van het beperkte of afwezige regelvermogen van een persoon waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. De ondersteuning bestaat bijvoorbeeld uit het helpen plannen van activiteiten, het regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. Individuele begeleiding kan ook praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen inhouden zoals begeleiden bij het wassen en aankleden. Daarbij is geen medische zorg nodig of een hoog risico daarop. Afhankelijk van de individuele situatie kan individuele begeleiding kortdurend, maar ook langdurig worden ingezet. Begeleiding kan verschillende activiteiten omvatten, met een eigen zwaarte en urenomvang. Indicatiestelling vindt plaats in aantal minuten/uren. Indien deze vorm van begeleiding wordt gegeven door een persoon uit het sociaal netwerk en niet vanuit een hulpverlenend beroep geldt het hogere informele Pgb-tarief. Het college stelt beleidsregels vast waarin beschreven wordt hoe er wordt geïndiceerd. Artikel 13 – Maatwerkvoorziening dagbestedingDe begeleiding in een groep wordt ook wel dagactiviteiten genoemd. Het betreft een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die zingeving verleent. Onder dagbesteding wordt niet verstaan: een reguliere dagstructurering die in de woonverblijfssituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo en uitstapjes. Deze algemene voorziening dagactiviteiten is voor iedere Groninger van 18 jaar of ouder die beperkt is in zelfredzaamheid door lichamelijke en/of cognitieve achteruitgang of fysieke beperking, verstandelijke of psychiatrische beperking. Dagactiviteiten met laag intensieve ondersteuning biedt een inwoner een structurele, activerende daginvulling, door deel te nemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten. Bij de activiteiten wordt begeleiding geboden in een groep. Het activiteitenprogramma als geheel biedt structuur, sociale contacten en zingeving en resulteert in het voorkomen van achteruitgang en het bevorderen van behoud van praktische vaardigheden, sociaal en maatschappelijke participatie, het voorkomen van overbelasting van mantelzorgers en het signaleren van ondersteuningsvragen of veiligheidsrisico’s. Er is intensieve samenwerking met de andere algemene voorzieningen in de buurt, onder meer omdat ook vrijwilligers uit de buurt en mantelzorgers ondersteunen bij een deel van de hulp en begeleiding, of omdat zo mogelijk aangesloten wordt op activiteiten voor en door bewoners. Via individuele begeleiding of in het kader van een integraal projectplan kan iemand worden doorverwezen naar deze algemene voorzieningen. Deze vorm van dagbesteding biedt in een aantal gevallen ook een inloopfunctie, zoals voor ggz-patiënten. Iemand kan zowel individuele begeleiding krijgen thuis, zoals ondersteuning bij zelfredzaamheid, en voor een zinvolle invulling van de dag buiten de deur deelnemen aan dagbesteding. Voor zinvolle dagactiviteiten is geen indicatie nodig. Primair ligt de focus op het maatschappelijk laten participeren in de buurt. Voor het vervoer naar deze dagactiviteit is de cliënt zelf verantwoordelijk. Indien als gevolg van het ontbreken van eigen mogelijkheden, een netwerk of informele oplossingen het niet mogelijk is de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie te bereiken, dan zal vanuit de uitvoerende organisatie van de dagactiviteit vervoer georganiseerd worden. De kosten zijn voor rekening van de cliënt. Een deel van de burgers is zo kwetsbaar, dat er geen sprake is van maatschappelijk participeren. Gespecialiseerde dagactiviteiten (dagbesteding) met hoog intensieve begeleiding voor deze zeer kwetsbare groep burgers en kenmerkt zich door de op de cliënt aangepaste aard en inhoud van het activiteitenprogramma. De begeleidingsintensiteit is hoog en er is intensieve tot voortdurende ondersteuning, toezicht en/of hulp nodig waarvoor een hoge mate van specialistische kennis vereist is. Er is bij de cliënt sprake van een chronisch beeld met complexe problematiek als gevolg van fysieke, zintuiglijke, verstandelijke beperkingen, een psychische-of psychogeriatrische aandoening of verslavingsproblematiek. Behalve bij het aanbrengen van structuur, heeft de cliënt ook gespecialiseerde hulp en/of toezicht nodig bij zelfzorg en/of communicatie. Tevens is het ontlasten van de mantelzorger en het voorkomen van diens overbelasting een beoogd resultaat. Bij arbeidsmatige dagactiviteiten is sprake van het leveren van een geringe arbeidsprestatie onder begeleiding; er wordt een werkplek geboden waarin de capaciteiten van de cliënt optimaal benut en ontwikkeld worden. De activiteiten zijn gericht op productie of dienstverlening. De begeleiding is enerzijds gericht op ondersteuning en coaching (motivatie en werknemersvaardigheden) en anderzijds op het creëren van veiligheid en structuur. Arbeidsmatige dagactiviteiten kunnen bijdragen aan de mogelijkheden om uit te stromen naar beschut, begeleid of ondersteund werk, betaald werk, vrijwilligerswerk of deelname aan (basis)voorzieningen in de buurt. De cliënt moet voor arbeidsmatige dagbesteding 18 jaar of ouder zijn en nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Als gevolg van complexe problematiek vanwege fysieke, zintuiglijke, verstandelijke beperkingen, een psychische- of psychogeriatrische aandoening of verslavingsproblematiek, kan de cliënt niet (meer) of nog niet werken, gebruik maken van regulier onderwijs of gebruik maken van de basisvoorzieningen op gebied van participatie en activering in de wijk, omdat gespecialiseerde begeleiding en/of toezicht gedurende de activiteiten noodzakelijk is. Het ontlasten van de mantelzorger is ook een beoogd resultaat en dan is het niet noodzakelijk dat de aanvrager geen of zeer geringe loonvormende prestaties kan leveren. Het verschil met de Participatiewet is dat die wet vooral gericht is op herintreding in het arbeidsproces. De arbeidsmatige dagactiviteiten in de Wmo 2015 hebben vooral het karakter van ondersteuning en zijn niet primair gericht op herintreding in het arbeidsproces. De cliënt die onder de arbeidsmatige dagactiviteiten van dit artikel valt, is wel in staat om arbeidsmatige handelingen te verrichten, maar deze zijn niet of in zeer geringe mate loonvormend. Wanneer een cliënt gebruik kan maken van een regeling die onder de Participatiewet valt en dat is vooral het geval wanneer hij (weer) in enige mate loonvormende activiteiten kan verrichten, krijgt in het algemeen geen arbeidsmatige dagactiviteiten meer aangeboden op grond van dit artikel. Voor het vervoer naar de dagactiviteit in dit artikel is de cliënt zelf verantwoordelijk. Indien als gevolg van het ontbreken van eigen mogelijkheden, een netwerk of informele oplossingen het niet mogelijk is de dichtstbijzijnd passende dagactiviteit te bereiken, dan zal vanuit de uitvoerende organisatie van de dagactiviteit vervoer georganiseerd worden. Met een Wmo-pas kan cliënt ook naar de dagactiviteit, maar dat is niet de bedoeling, omdat deze vorm van vervoer duurder is dan het planbare vervoer van en naar de dagbesteding/dagactiviteit. De cliënt zal dan ook gebruik moeten maken van het vervoersaanbod van de aanbieder van de dagactiviteit indien hij niet op eigen gelegenheid naar de locatie kan komen. De AWBZ-functie Persoonlijke Verzorging (PV) is grotendeels over naar de Zorgverzekeringswet die wordt uitgevoerd door de zorgverzekeraars. Slechts een klein deel valt onder de Wmo
- Het gaat daarbij ten eerste om de niet-lijf-gebonden persoonlijke verzorging van cliënten (over het algemeen mensen met een zintuiglijke, een psychische of een verstandelijke beperking) die zichzelf wel kunnen wassen en aankleden en naar de wc gaan, maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regieprobleem hebben. Deze PV maakt gewoonlijk onderdeel uit van de individuele begeleiding en wordt in het kader van deze Nadere regels niet apart als maatwerkvoorziening verstrekt. Daarnaast is er de persoonlijke verzorging die moet worden verleend tijdens de dagbesteding. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen helpen met naar de wc te gaan. Dit zijn handelingen die in het kader van de dagbesteding door de begeleider van de dagbesteding worden verricht. Deze activiteit wordt in het kader van deze Nadere regels niet apart als maatwerkvoorziening verstrekt. Het onderscheid met echte lijf-gebonden persoonlijke verzorging, zoals wassen aankleden, naar bed helpen, helpen met toiletgang, is niet altijd even duidelijk. Er zullen cliënten zijn die eerst onder de Wmo 2015 vallen, maar bij wie de situatie verslechtert waardoor ze toch lijf-gebonden PV nodig hebben. Over die grensgevallen zal het college overleggen met de verzekeraars om afspraken te maken om te voorkomen dat met cliënten geschoven wordt tussen het gemeentelijke Wmo-domein en het Zvw-domein. Artikel 14 – Algemene voorziening dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatiefDe opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief biedt de mogelijkheid van kortdurend onderdak voor de dag en de nacht als algemene voorziening. Het voldoen aan een aantal algemene criteria is voldoende voor toegang. Er is daarbij geen sprake van een maatwerktraject voor deze nachten dagopvang. Er is op dat moment geen verblijfsalternatief. Artikel 15 – Maatschappelijke opvangDit artikel is van toepassing op alle instellingen die opvang aanbieden in de provincie Groningen en waarmee de gemeente Groningen een overeenkomst heeft gesloten of een subsidierelatie heeft. Onder voltijdopvang wordt verstaan: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die opvang nodig hebben. De voltijdopvang omvat onderdak, slaapgelegenheid, voeding en begeleiding op diverse aspecten. Onder crisisopvang wordt verstaan: het bieden van tijdelijke voltijdopvang in een crisissituatie door een instelling. De toegangscriteria voor opvang verschillen feitelijk niet veel van de criteria die onder de Wmo al golden. De opvang is bedoeld voor hen die niet beschikken over een eigen woonruimte en die voor een slaapplek gedurende de nacht ofwel waren aangewezen op buiten slapen ofwel overnachten in de openlucht en in overdekte openbare ruimten (portieken, fietsenstallingen, stations, winkelcentra of een auto) en binnen slapen in passantenverblijven van de maatschappelijke opvang, inclusief eendaagse noodopvang, of binnen slapen bij vrienden, kennissen of familie, zonder vooruitzicht op een slaapplek voor de daarop volgende nacht. Ook de personen die als bewoner staan ingeschreven bij instellingen voor maatschappelijke opvang (internaten en sociale pensions, woonvoorzieningen op basis van particulier initiatief dat zich richt op semipermanente bewoning door daklozen en particuliere commerciële pensions waar voornamelijk daklozen wonen) behoren tot de doelgroep. In de Wmo 2015 gelden de maatschappelijke opvang, opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en beschermd wonen als maatwerkvoorziening, met uitzondering van nacht- en dagopvang als bedoeld in artikel
- In de Wmo 2015 zijn beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang als maatwerkvoorzieningen ondergebracht. Met de decentralisatie is Groningen als centrumgemeente verantwoordelijk geworden voor bijna (verblijf op basis van behandeling uitgezonderd) de gehele keten van woon- en zorgvoorzieningen voor de doelgroep maatschappelijke zorg, namelijk het crisisverblijf (de maatschappelijke- en vrouwenopvang), het beschermd wonen, het begeleid wonen en het begeleid zelfstandig wonen. Het college maakt afspraken met andere gemeenten over wederzijdse warme overdracht van cliënten en de prioritering van doelgroepen bij de toegang tot de opvang en beschermd wonen. Bij voorkeur vindt de opvang in de eigen gemeente plaats. Opvang in de eigen gemeente is kansrijker, omdat dan het bestaande sociale netwerk kan worden aangesproken. Er kunnen echter zwaarwegende omstandigheden zijn voor opvang buiten de eigen gemeente. Het kan dan gaan om redenen van veiligheid, of om situaties waar acuut opvang geboden is maar de gemeente van herkomst op dat moment geen plek beschikbaar heeft. In de Handreiking Landelijke toegang maatschappelijke opvang en het Convenant toegang maatschappelijke opvang (lid 4 van dit artikel) van de VNG worden nadere beoordelingscriteria aanbevolen. De gemeente Groningen heeft zich verbonden aan deze beoordelingscriteria. Om te kunnen bepalen in welke gemeente de voorwaarden voor een succesvol traject optimaal zijn dient te worden gelet op de volgende feiten en omstandigheden: de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden); voorwaarden voor een succesvoltraject zoals bijvoorbeeld: actieve schuldhulpverlening, bestaande relatie met GGZ, CJG, MO en politie e.a. in de betreffende regio; gegronde redenen om tegemoet te komen aan de wens van de cliënt om in een bepaalde gemeente/regio te worden opgevangen. Deze redenen moeten voor alle betrokken partijen aanvaardbaar zijn; als contra-indicatie om een cliënt te plaatsen in een bepaalde regio gelden redenen om de cliënte uit zijn oude sociale netwerk te halen, of agressie tegen medewerkers van betrokken partijen in de betreffende regio; inschrijving in de basisregistraties personen (BRP). In het derde lid is de crisisopvang beschreven. Deze crisisopvang is naar zijn aard geen voorziening die je aanvraagt, waarna er een beoordeling en beschikking plaatsvindt; het gaat hierbij om kortdurend voltijdverblijf naar aanleiding van een crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken, voor opvang gedurende drie dagen, en voor vrouwenopvang gedurende tien dagen. Er wordt snel ingegrepen, en nadat de eerste crisis is bezworen, wordt nader gekeken voor meer structurele hulp, waaronder de mogelijkheid van een maatwerkvoorziening opvang. In het vierde lid wordt het landelijke Convenant toegang maatschappelijke opvang benoemd. Hier horen ook beleidsregels bij. Het gaat daarbij om het delen van dossier/overdracht naar andere gemeente en het weigeren van een voorziening aan een cliënt die niet meewerkt aan de overdracht. Artikel 16 – Maatwerkvoorziening beschermd wonenBij Beschermd Wonen is er altijd sprake van een psychiatrische diagnose en een indicatie in de vorm van een Zorgzwaartepakket (ZZP). Onder de AWBZ gold een indicatiestelling vanuit het CIZ, met daarin het recht op intramuraal verblijf. Er waren in de GGZ twee soorten ZZP’s. Het ZZP ‘B’ is voor mensen die intramuraal verblijven omwille van hun behandeling. Het ZZP ‘C’ is voor mensen die verblijven in een beschermde woonomgeving en waarbij behandeling niet meer op de voorgrond staat. Hierbij gaat het om het bieden van structuur en begeleiding. De ZZP’s B zijn naar de zorgverzekeraars gegaan en de ZZP’s C naar gemeenten. Met de zorgverzekeraars wordt afgestemd wat precies tot ieders verantwoordelijkheid behoort op grond van de Wmo 2015, de Wet Langdurige Zorg, en de Zorgverzekeringswet. In de Wmo is beschermd wonen aangewezen als er sprake is van psychische of psychosociale problemen. In artikel 1.1.
- Wmo 2015 is de term ‘beschermd wonen’ gedefinieerd. Indicatie vindt plaats als langere tijd een vorm van beschermd wonen nodig met daarbij intensieve begeleiding. In het pakket zit geen vorm van behandeling. Een eventuele behandelaar is dus niet direct betrokken bij de zorgverlening. Indien nodig kan behandeling gegeven. worden in een andere instelling dan waar de cliënt woont. Dit zal gefinancierd worden vanuit de Zvw. Onder beschermd wonen wordt in de Wmo 2015 verstaan: wonen in een accommodatie van een instelling; met het daarbij behorende toezicht en begeleiding; gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie; gericht op het bevorderen van het psychische en psychosociaal functioneren; gericht op stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld; gericht op het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast; gericht op het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Onder de term accommodatie van een instelling kan een veelheid van variëteiten schuilgaan. De gemeente Groningen staat toe dat ‘beschermd wonen’ ook in de thuissituatie of in een gezamenlijk wooninitiatief kan worden georganiseerd. Ingeval een ouder aan bijvoorbeeld een inwonend kind, die is aangewezen op beschermd wonen en 24-uurstoezicht in de directe nabijheid, zodanige zorg, begeleiding of ondersteuning geeft, dan kan daartoe een Pgb tegen informeel tarief worden toegekend. In artikel 7, zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen is de modulaire tariefopbouw opgenomen. Voor personen die deze vorm van zorg ontvingen onder de AWBZ geldt een overgangsrecht van tenminste vijf jaar. Gedurende dat overgangsrecht hebben zij recht op continuïteit van zorg. Artikel 17 – Maatwerkvoorziening kortdurend verblijfVeel mensen verlenen voor kortere of langere tijd ‘mantelzorg’ aan hun partner, ouders of andere familieleden, buren of vrienden. De meesten vinden dat vanzelfsprekend, ze vinden dat zorgen voor dierbaren bij het leven hoort. Soms kan deze hulp echter behoorlijk zwaar vallen. Wij willen daarom dat mensen die mantelzorg geven de ondersteuning krijgen waar ze behoefte aan hebben. Mensen met een beperking of een handicap die thuis wonen en permanent toezicht en/of hulp nodig hebben, kunnen een indicatie krijgen voor een maatwerkvoorziening voor kortdurend verblijf. De voorziening wordt toegekend aan de cliënt en niet aan de mantelzorger. De cliënt kan dan maximaal drie etmalen per week ergens logeren zodat de mantelzorger ontzien wordt. De uren (156 etmalen p/j) kunnen uitgesmeerd of bloksgewijs worden ingezet. Voorbeelden zijn logeerhuizen voor kinderen met een beperking, zorgboerderijen met logeermogelijkheid, een gastgezin of andere zorg gerelateerde instellingen. Mensen met een indicatie voor kortdurend verblijf, hebben doorgaans altijd een andere indicatie voor ondersteuning of extramurale zorg, bijvoorbeeld voor begeleiding, persoonlijke verzorging en/of verpleging. Ook als er geen indicatie is afgegeven, (maar dat had wel gekund), dan is kortdurend verblijf ter ontlasting van de zwaar belaste mantelzorger een mogelijkheid. Daarbij is het verhaal van de mantelzorger leidend. Artikel 18 – Maatwerkvoorziening wonenEen cliënt kan in aanmerking voor een woonvoorziening komen indien de uitzonderingen van artikel 5, derde lid, van de verordening niet van toepassing zijn. De cliënt moet zodanig gecompenseerd worden dat hij de woning op een normale manier kan gebruiken. Bij een aanvraag voor een woonvoorziening wordt ook beoordeeld of verhuizing naar een andere woning een oplossing kan bieden. Het eerste lid geeft het primaat van verhuizen weer. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat de cliënt in aanvaardbare mate moet worden gecompenseerd. Bij de beoordeling van het primaat van verhuizen wordt rekening gehouden met alle individuele omstandigheden. Bij de afweging worden onder meer betrokken de woonomgeving, de financiële gevolgen van de verhuizing, sociale omstandigheden en de beschikbaarheid van een andere woning. Ook moet duidelijk zijn dat de beperkingen door een verhuizing kunnen worden gecompenseerd binnen een medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad en de mogelijkheid om te verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Bij problemen in en rond de woning gaan we op grond van het tweede lid, behoudens uitzonderingen, uit van het voeren van een huishouding in een zelfstandige woonruimte. Onder zelfstandige woonruimte wordt verstaan een woonruimte met eigen (afsluitbare) voordeur en huisnummer, een eigen badkamer en eigen kookgelegenheid. Bij de woonvoorziening als bedoeld in het derde lid. Indien er een medische noodzaak is om te verhuizen naar en inrichten van een andere woning wordt in de gespreksverslag een programma van eisen toegevoegd waaraan de nieuwe woning dient te voldoen. Hiermee wordt voorkomen dat verhuisd wordt naar een ongeschikte woning. Overige woonvoorzieningen van het derde lid onder d kunnen bestaan uit onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening, woningsanering, huurderving en tijdelijke huisvesting. Het doel van huurderving voor maximaal zes maanden is om een woningeigenaar te stimuleren om een woning langer beschikbaar te houden voor een persoon met beperking. Tevens behoort tijdelijke huisvesting van een cliënt met beperkingen tot de mogelijkheden indien deze dubbele woonlasten heeft ten gevolge van de woningaanpassing. Op grond van het vierde lid kan ook gekozen worden voor een eenmalig persoonsgebonden budget, maar deze hoeft niet kostendekkend te zijn. In het vijfde, zesde, zevende en achtste lid wordt in aanvulling op artikel 5, derde lid, van de verordening een aantal weigeringsgronden vermeld. Een maatwerkvoorziening of Pgb kan op grond van het vijfde lid onder c worden gegeven wanneer het een verhuizing naar een ADL-woning betreft. In ADL woningen kunnen mensen met een handicap zelfstandig wonen en hulp kunnen krijgen waar zij dat nodig hebben. Dit worden wonen met ADL (= Activiteiten van het Dagelijks Leven) assistentie of ook wel ADL-woningen genoemd. Woningaanpassingen van ADL-woningen zijn op grond van artikel 5, derde lid, onder b, van de verordening uitgesloten. Het college gaat ervan uit de ADL-woningen geschikt zijn voor degenen aan wie de eigenaar of verhuurder verhuurt. Is dat niet het geval dan zal het college in overleg treden met de eigenaar of verhuurder. De norm voor de kwaliteit van de woningaanpassingen wordt gegeven in het zevende lid. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere voorzieningen hoeven door het college niet te worden gecompenseerd, maar de eventuele meerkosten kunnen wel door de cliënt betaald worden. Voor het aanpassen van de gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex heeft de gemeente geen of slechts een beperkte compensatieplicht. Zo valt het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen voor ouderen of personen met een beperking op grond van het achtste lid niet onder de compensatieplicht, omdat dit tot het uitrustingsniveau van een dergelijk wooncomplex behoort on daarmee algemeen gebruikelijk is. Wanneer er sprake is van een woning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners, zoals ouderen, of indien er sprake is van een woning die niet specifiek bestemd is voor een specifieke groep bewoners, maar die in de praktijk wel in hoofdzaak door ouderen of gehandicapten wordt bewoond, dan geldt dat een voorziening in beginsel als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt, indien kan worden vastgesteld dat de bedoelde woningen ter zake van een voorziening niet voldoen aan de voor een dergelijke woning op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen geldende vereisten; en wanneer wel voldaan zou zijn aan die vereisten de aangevraagde voorziening niet nodig zou zijn. Voor de overige wooncomplexen geldt dat slechts aanpassingen worden verstrekt onder voorwaarde dat de woonruimte van de cliënt door deze aanpassing toegankelijk wordt. Dit betekent bijvoorbeeld dat het college geen voorziening in de gemeenschappelijke ruimte verstrekt als het complex of de woning voor de cliënt ontoegankelijk blijft doordat de liftdeuren alleen handmatig geopend kunnen worden. Artikel 19 – Maatwerkvoorziening vervoerEerste lid, onderdeel b: De term ‘door spierkracht voortbewogen vervoermiddelen’ moet niet te letterlijk worden opgevat. Zo kan hieronder bijvoorbeeld ook een driewielfiets met hulpmotor vallen of een afneembare elektrische rolstoel. Onderdeel c: Hieronder valt ook een elektrische rolstoel die, in plaats van een scootmobiel, als vervoersvoorziening wordt verstrekt. Onderdeel d: Indien de cliënt is aangewezen op het vervoer met de eigen auto voor het zich lokaal verplaatsen kan een autoaanpassing noodzakelijk zijn. Het college verstrekt aanpassingen, tenzij deze algemeen gebruikelijk en/of standaard zijn ingebouwd. De aan te passen auto mag niet ouder zijn dan 5 jaar, omdat vaak de kosten van een aanpassing van een oudere auto niet in verhouding staan tot de resterende levensduur van de auto. Het college is terughoudend met het verstrekken van autoaanpassingen, omdat zij het primaat legt bij het collectief vervoer. Een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen moet de mogelijkheid bieden om op jaarbasis 1500 kilometer af te leggen. Er is individueel onderzoek nodig naar de vervoersbehoefte. Deze kan lager liggen of hoger liggen dan de genoemde 1500 kilometer. Bij buitenshuis gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is er sprake van een vervoersvoorziening en geldt er dus een eigen bijdrage. Wordt een middel alleen binnenshuis gebruikt, dan is het geen vervoersvoorziening en geldt er dus géén eigen bijdrage. Artikel 20 – Collectief vervoerIn het modelbesluit van de VNG wordt het collectief vervoer aangemerkt als een algemene voorziening. Het college is van mening dat gelet op de uitspraak van de CRvB 2009, 61
(3321)het collectief vervoer een maatwerkvoorziening is. Lid 3: Er zijn verschillende subindicaties mogelijk bij het collectief vervoer. Is er sprake van een situatie uit de onderstaande lijst? Dan is hiervoor dus altijd een indic