Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland van 31 maart 2020 houdende regels omtrent de toekenning van nadeelcompensatie aan diegene die onevenredig zijn benadeeld als gevolg van de stremming van de hefbrug in Boskoop (Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019)Gedeputeerde staten van Zuid-Holland, Gelet op artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en artikel 158, eerste lid, sub a, van de Provinciewet; Overwegende dat de hefbrug in Boskoop van 10 oktober 2019 tot en met 20 november 2019 was gestremd voor weg- en vaarwegverkeer; Overwegende dat het wenselijk is om een beleidsregel vast te stellen voor de toekenning van nadeelcompensatie aan diegene die onevenredig zijn benadeeld als gevolg van die stremming; Besluiten vast te stellen: BELEIDSREGEL NADEELCOMPENSATIE STREMMING HEFBRUG BOSKOOP 2019 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: brutowinst: het verschil tussen de verkoopwaarde van de omzet en de inkoopwaarde van de omzet. normkosten: kosten op jaarbasis die naar redelijke verwachting gemaakt zouden zijn, als de schadeoorzaak, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet had plaatsgevonden; normomzet: omzet op jaarbasis die naar redelijke verwachting behaald zou zijn, als de schadeoorzaak, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet had plaatsgevonden; verzoek: verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 10 of artikel 17; verzoeker: indiener van een verzoek. Artikel2Recht op schadevergoeding Gedeputeerde staten kennen degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de stremming van de hefbrug in Boskoop van 10 oktober 2019 tot en met 20 november 2019, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Bij het nemen van een besluit omtrent schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 8 in aanmerking genomen. De vergoeding wordt bepaald in geld. Nochtans kunnen gedeputeerde staten de vergoeding toe kennen in een andere vorm dan betaling van een geldsom. Artikel3Normaal maatschappelijk risico Binnen het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico vallende schade komt niet voor vergoeding in aanmerking. Onder het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico valt in ieder geval: schade tot een bedrag van € 500,– voor een particulier; schade tot een bedrag van € 1.000,– voor een onderneming; en schade ten gevolge van een omzetdaling van maximaal 2% van de normomzet van een onderneming dan wel; schade ten gevolge van een kostenstijging van maximaal 2% van de brutowinst van een onderneming. Artikel4Ondernemersrisico en tijdelijke omzetdaling of tijdelijke kostenverhoging door niet-normale infrastructurele maatregel [vervallen] Artikel5Schadebeperking Heeft verzoeker nagelaten redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van schade te nemen, dan blijft de schade die door het treffen van zodanige maatregelen voorkomen of beperkt had kunnen worden, ten laste van de verzoeker. De redelijke kosten van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade behoren tot de te vergoeden schade. Artikel6Voordeeltoerekening Heeft een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking worden genomen. Artikel7Kosten van deskundigenbijstand Redelijke kosten voor de indiening en de behandeling van het verzoek zowel het inroepen van rechtsbijstand dan wel andere deskundigenbijstand kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Indien een adviescommissie wordt ingesteld, worden de kosten van deskundigenbijstand die zijn gemaakt voordat een conceptadvies is uitgebracht, in ieder geval niet redelijk geacht. Artikel8Vergoeding van wettelijke rente Een vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek kan deel uitmaken van de toe te kennen vergoeding. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek door gedeputeerde staten. Hoofdstuk2Procedurele bepalingen Artikel9Indieningstermijn Een verzoek tot vergoeding wordt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend. Gedeputeerde staten kunnen een verzoek afwijzen indien vijf jaren zijn verlopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de omstandigheid dat deze schade is veroorzaakt door de schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Heeft verzoeker, vóórdat de termijn is verstreken na verloop waarvan gedeputeerde staten het verzoek kunnen afwijzen, een schriftelijke mededeling aan gedeputeerde staten gedaan waarin verzoeker ondubbelzinnig verklaart dat hij zich het recht voorbehoudt om een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 2 in te dienen, dan begint een nieuwe termijn als bedoeld in het tweede lid te lopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze schriftelijke mededeling is gedaan. Artikel10Verzoek om schadevergoeding Het verzoek wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de verzoeker; de dagtekening; een aanduiding van deze beleidsregel en het handelen dat de gestelde schade naar het oordeel van de verzoeker heeft veroorzaakt; als redelijkerwijs mogelijk een opgave van de aard en de omvang van de schade, een specificatie van het bedrag van de schade; en een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave van het schadebedrag, dat naar het oordeel van verzoeker vergoed dient te worden. Gedeputeerde staten bevestigen de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk, doch tenminste binnen twee weken na de ontvangst ervan, en stellen de verzoeker in kennis van de te volgen procedure. Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, of indien verzoeker overigens verzuimt de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen te verschaffen, stellen zij de verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een door gedeputeerde staten te stellen termijn. Artikel11Vereenvoudigde behandeling van het verzoek Gedeputeerde staten nemen het verzoek niet in behandeling indien het niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 is ingediend en van de geboden gelegenheid om het verzoek aan te vullen geen, niet tijdig of onvoldoende is gebruik gemaakt. Een besluit om het verzoek niet in behandeling te nemen wordt aan de verzoeker bij brief medegedeeld binnen vier weken nadat het verzoek is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Gedeputeerde staten kunnen een verzoek zonder advies van een commissie afwijzen. Gedeputeerde staten wijzen een verzoek in ieder geval zonder advies van een commissie af als het verzoek naar hun oordeel kennelijk ongegrond is. Een verzoek is onder meer kennelijk ongegrond wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 9, tweede lid. Een besluit om het verzoek zonder advies van een commissie af te wijzen wordt aan de verzoeker bij brief medegedeeld binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de verzoeker het verzoek kon aanvullen. Gedeputeerde staten kunnen de termijn, genoemd in het vierde lid, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. Gedeputeerde staten stellen de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis. Artikel12De adviescommissie Gedeputeerde staten kunnen een adviescommissie instellen. De commissie heeft tot taak gedeputeerde staten van advies te dienen over de op het verzoek te nemen beslissing. De commissie bestaat uit één of meer onafhankelijke deskundigen, die door gedeputeerde staten worden benoemd. Indien de commissie uit meer leden bestaat, wijzen gedeputeerde staten de voorzitter aan. De commissie wordt ingesteld uiterlijk vier weken na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 11, vierde lid, dan wel indien het vijfde lid van dat artikel toepassing heeft gevonden, uiterlijk vier weken na het verstrijken van de in dat lid genoemde termijn. Gedeputeerde staten stellen de verzoeker in kennis van zijn voornemen om een commissie in te stellen. De kennisgeving bevat de namen van de deskundigen, hun beroep en de plaats waar zij hun werkzaamheden plegen te verrichten. De belanghebbende kan binnen twee weken na verzending van de kennisgeving bedenkingen uiten tegen de voorgenomen samenstelling. Artikel13Het door de commissie te verrichten onderzoek De commissie dient gedeputeerde staten van advies over de op het verzoek te nemen beslissing. Zij stelt daartoe, voorzover een zorgvuldige advisering daartoe noopt, een onderzoek in naar: de vraag of de door verzoeker in zijn verzoek gestelde schade een gevolg is van de in het verzoek aangeduide schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid; de omvang van de schade als bedoeld onder a; de vraag of deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met inachtneming van het in artikel 2 tot en met 8 bepaalde; en de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd. De commissie brengt rapport uit over haar bevindingen. Zij adviseert gedeputeerde staten over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding en doet, indien gedeputeerde staten een daartoe strekkende verzoek hebben gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. Artikel 14 Bevoegdheden en verplichtingen Gedeputeerde staten stellen de commissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. De verzoeker verschaft de commissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de commissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van gedeputeerde staten. De commissie kan een plaatsopneming houden, indien zij dit nodig acht. Artikel15Procedure adviescommissie De commissie stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure. De commissie stelt verzoeker en gedeputeerde staten in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting. Beiden kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. Meegebrachte deskundigen worden in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven. Van de toelichtingen wordt een verslag opgemaakt. Het verslag wordt aan verzoeker en de gedeputeerde staten toegezonden. Alvorens de commissie haar definitieve advies opstelt, maakt zij een conceptadvies op. Dit conceptadvies wordt uiterlijk zesentwintig weken nadat de commissie is ingesteld, aan verzoeker en aan gedeputeerde staten toegezonden. Indien niet binnen deze termijn een conceptadvies opgemaakt kan worden, deelt de commissie verzoeker en gedeputeerde staten gemotiveerd mede, waarom deze termijn overschreden wordt. Zij geeft daarbij een termijn aan waarbinnen het conceptadvies aan verzoeker en aan gedeputeerde staten zal worden toegezonden. Deze termijn bedraagt ten hoogste zesentwintig weken. Verzoeker en gedeputeerde staten maken eventuele bedenkingen tegen het conceptadvies, uiterlijk acht weken na de datum van verzending daarvan, schriftelijk aan de commissie kenbaar. De commissie stelt haar advies vast binnen acht weken na het verstrijken van de in het zesde lid genoemde termijn. Zij kan deze termijn, onder opgaaf van redenen, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. Zij zendt het advies terstond toe aan de verzoeker en aan gedeputeerde staten. Artikel16Beslistermijn Gedeputeerde staten beslissen binnen acht weken of, indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag. Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verlengen of, indien een adviescommissie is ingesteld waarvan de voorzitter, dan wel het enig lid, geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, zes maanden verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. Hoofdstuk3Slotbepalingen Artikel17Voorschot Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk verzoek de verzoeker die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding een voorschot toekennen op deze vergoeding van de geleden schade indien zij van oordeel zijn dat de uitzonderlijke omstandigheden van het geval of het gecompliceerde karakter van het verzoek daartoe nopen. Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verlenen onder de voorwaarde van zekerheidsstelling. Een voorschot geeft geen recht op definitieve toekenning van schadevergoeding. Artikel18Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019. Artikel19Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dag van uitgifte van het provinciaal blad waarin deze wordt geplaatst. Den Haag, 31 maart 2020 Gedeputeerde staten van Zuid-Holland, Drs. J. Smit, voorzitter Drs. H.M.M. Koek, secretaris Toelichting bij de Beleidsregel nadeelcompensatie stremming hefbrug Boskoop 2019 Algemene toelichting Aanleiding De hefbrug in Boskoop is van 10 oktober tot 21 november 2019 door de provincie gestremd. De provincie heeft besloten tot deze stremming in het kader van haar publiekrechtelijke taak van wegbeheer. Aangezien deze stremming nadeel heeft opgeleverd voor weg- en vaarweggebruikers hebben gedeputeerde staten besloten tot het vaststellen van deze beleidsregel. Opgemerkt zij dat voor de invulling van deze beleidsregel de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 waar toepasselijk als uitgangspunt is genomen. Reikwijdte en doel Deze beleidsregel strekt zich uit tot alle verzoeken om nadeelcompensatie, waaronder tijdelijke inkomensschade. Het doel van deze beleidsregel is om verzoeken om nadeelcompensatie als gevolg van voornoemde tijdelijke stremming op een uniforme en redelijke wijze af te handelen. Hiermee wordt beoogd: rechtszekerheid voor burgers en bedrijven (transparantie en voorspelbaarheid); minder kosten (in verband met het inschakelen van deskundigen); en minder procedures en snellere behandeling van verzoeken. Normaal maatschappelijk risico Voor het bepalen van de invulling van het normaal maatschappelijk risico is aangesloten bij de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als uitgangspunt geldt dat een overheidshandeling zoals het treffen van een verkeersmaatregel of de uitvoering van een infrastructureel project als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee eenieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten.1Zie ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6926. Dit neemt evenwel niet weg dat er sprake kan zijn van zodanig feiten en/of omstandigheden die de overheid verplichten (een deel van) de toerekenbare schade te vergoeden. Dit betekent dat bij het beoordelen van het normaal maatschappelijk risico onderzocht dient te worden of en zo ja in welke mate sprake is van dergelijke bijzondere feiten en/of omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de aard van de schadeoorzaak, de duur ervan, de wijze van verwezenlijking ervan en de (relatieve) omvang van de schade.2Zie ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105 (Tussenuitspraak Wouwse Tol), ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2052 (Tussenuitspraak Hollandse Brug), ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1868 (De Wouwse Tol) en ABRvS 15 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1650 (Cassandraplein). In het geval van de stremming van de hefbrug in Boskoop is sprake van een niet normaal maatschappelijke ontwikkeling gezien de brug abrupt en plotseling is afgesloten voor al het vaar- en wegverkeer.3Zie ABRvS 11 december 2013 ECLI:NL:RVS:2013:2310 (Hollandse Brug). De afsluiting heeft in totaal zes weken geduurd. De afsluiting houdt verband met de constatering dat de hefbrug op dat moment constructief onveilig was. Na deze constatering is de brug direct voor weg- en vaarwegverkeer gestremd. De stremming houdt derhalve geen verband met gepland en/of regulier onderhoud. Dit laat onverlet dat een deel van de schade altijd behoort tot het normaal maatschappelijk risico, omdat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.