gemeente Doesburg 2020De inhoud van de beleidsregels In deze beleidsregels wordt geregeld hoe gemeente Doesburg uitvoering geeft aan de wettelijke bevoegdheid tot het terugvorderen van teveel uitgekeerde bijstandsgelden. Daarnaast maakt het college van gemeente Doesburg gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van bijstandsgelden op derden op grond van paragraaf 6.5 van de Participatiewet in samenhang met de nadere verplichtingen, als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet. Deze beleidsregels hebben betrekking op de bevoegdheid genoemd in: Artikel 4:81 Awb Artikel 54 en 58 tot en met 60c en 62 Participatiewet Artikel 17 en 25 tot en met 31 IOAW Artikel 17 en 25 tot en met 31 IOAZ Artikel 12 en 39 en 41 tot en met 43 Bbz. Deze beleidsregels vormen de grondslag voor te nemen besluiten. Het college van gemeente Doesburg besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW,
gemeente Doesburg 1.Algemene bepalingen & toepassing Artikel1.Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht; Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; De wet: Participatiewet. 2.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz en Awb. Artikel2.Toepassingsgebied beleidsregels terugvordering en invordering 1.De regeling is van toepassing op terugvorderingen ingevolge de Participatiewet, IOAW,
. 2.Allereerst maakt het college gebruik van de bevoegdheid tot verrekening van de kosten van bijstand en/of bestuurlijke boete zoals geregeld in artikel 58 lid 4 Participatiewet, artikel 60a lid 4 Participatiewet, alsmede artikel 25 lid 4 IOAW en IOAZ. Artikel3.Herziening, intrekking en terugvordering 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: Het herzien of intrekken van het recht op bijstand, de uitkering, ingevolge artikel 54, derde lid 2de volzin van de wet, alsmede artikel 17, derde lid 2de volzin van de IOAW en IOAZ; Het terugvorderen van (ten onrechte) verleende bijstand of uitkering overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 58 lid 2 tot en met 60 van de wet, respectievelijk artikel 25 lid 2 en artikel 26 van de IOAW en IOAZ en artikel 12, 39, 41 tot en met 43 Bbz, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 2.Terugvordering Participatiewet, IOAW,
.Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal (ook in de vorm van borgtocht) 1.Het college stelt het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz opeisbaar en vordert dit terug indien: Bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed en betrokkene na een verzoek tot betaling niet heeft betaald (artikel 39 lid 2 sub a Bbz); Er sprake is van een bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf (artikel 39 lid 2 sub b Bbz); Er sprake is van faillissement of surseance (artikel 39 lid 2 sub c Bbz). 2.Het college vordert het bedrijfskapitaal terug dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz, of vordert de achterstanden in betaling op de aflossing en rente terug indien: De termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente zoals genoemd in artikel 41 lid 2 Bbz is verlopen, zoals bepaald in artikel 41 lid 4 Bbz; De financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd; Betrokkene ook na een aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 Bbz indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 Bbz en er geen bijstand ‘om niet’ mogelijk is. 3.Terugvordering vindt plaats bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling van de hoofdsom en de rente. 4.Wanneer er sprake is van een verwijtbare bedrijfsbeëindiging of een verwijtbare overdracht van het bedrijf door bestuurdersaansprakelijkheid, privé bestedingen die niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau en/of er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen wordt de lening gecontinueerd tegen dezelfde condities als dat het bedrijfskapitaal is verstrekt. De lening wordt in dit geval niet renteloos gemaakt. Artikel5.Terugvordering van gezinsleden Kosten van bijstand en bedrijfskapitaal worden van de meerderjarige gezinsleden teruggevorderd, als de bijstand aan een gezin is verleend of aan gezin had moeten worden verleend. Artikel6.Afzien van terugvordering 1.Het college ziet af van terugvorderen als: Het terug te vorderen bedrag lager is dan € 50,00 en de vordering niet is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht; Hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Artikel7.Terugvordering: bruto of netto 1.Het college vordert in beginsel de vordering bruto terug. 2.Indien de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar en belanghebbende de vordering voldoet voor het einde van het boekjaar, kan de klant volstaan met een netto betaling van de vordering. Bij het uitblijven van volledige voldoening van de vordering voor het einde van het boekjaar, wordt het restant van de vordering alsnog gebruteerd. 3.Indien sprake is van een vordering, die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en het belanghebbende niet verweten kan worden dat de betaling van de schuld niet reeds in het kalenderjaar waarop het betrekking heeft is voldaan, kan volstaan worden met een nettobetaling van de vordering. 4.Indien sprake is van een dringende reden vindt geen brutering van de vordering plaats door het college. Artikel8.Inhoud besluit tot terugvordering 1.Een besluit tot terugvordering vermeldt: Tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen uitkering en/of bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd; De reden en de rechtsgrond van de vordering; De termijn of termijnen waarbinnen de klant moet betalen; De gevolgen van het niet of niet tijdig betalen van de vordering; De mogelijkheid voor de klant om voor het verstrijken van de betalingstermijn, zoals genoemd in het besluit, een betalingsvoorstel te doen. 2.De termijn van betaling, zoals benoemd in lid 1 sub c, wordt in het besluit tot terugvordering in beginsel gesteld op 6 weken, gerekend vanaf de dag nadat het terugvorderingsbesluit aan de debiteur is toegezonden. 3.Invordering Participatiewet, IOAW,
.Betalingsvoorstel en aflossingsverplichting 1.Op verzoek van de debiteur tot een betalingsregeling of betalingsvoorstel verleent het college uitstel van betaling, met dien verstande dat de debiteur verplicht is de vordering met een maandelijkse betaling af te lossen. Bij het niet voldoen van die aflossingsverplichtingen wordt de betalingsregeling ingetrokken en is het door de debiteur verschuldigde bedrag direct opeisbaar. 2.Als de debiteur beschikt over een inkomen gelijk aan bijstandsniveau bedraagt de aflossing 5% van de toepassing zijnde bijstandsnorm. 3.Wanneer de debiteur over een hoger inkomen dan de bijstandsnorm beschikt wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing vastgesteld op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met 50% van het meerinkomen. 4.Bij de vaststelling van de hoogte van de aflossing wordt de beslagvrije voet in acht gehouden. 5.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag zoals bedoeld in het eerste lid. Het besluit vermeldt: De maandelijkse aflossingsverplichting; De datum van ingang van de aflossingsverplichting; De mededeling dat het besluit zonder nadere berichtgeving wordt ingetrokken wanneer de aflossingsverplichting niet wordt nagekomen. Artikel10.Aflossingscapaciteit en vermogen 1.Het verzoek van de debiteur tot een betalingsregeling of betalingsvoorstel kan door het college worden afgewezen indien de klant beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van klant, redelijkerwijs te gelde kan worden gemaakt. 2.Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen: het aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet. Artikel11.Wijze van invordering bij teruggevorderd bedrijfskapitaal terwijl er nog een bestaand bedrijf is 1.Indien een lening is verstrekt werkt het college mee aan een schuldregeling of aan een akkoord overeenkomstig artikel 42 van het Bbz voor zover dit noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep. 2.In geval van achterstallige aflossingstermijnen en achterstallige rente is over het terug te betalen bedrag de wettelijke rente van toepassing op grond van artikel 4:98 lid 1 Awb. 3.Wanneer er geen sprake is van achterstallige aflossingstermijnen en achterstallige rente is de Bbz-rente van toepassing. Artikel12.Wijze van invordering bij terugvordering bij het bestaan van zekerheden Bij het bestaan van zekerheden worden deze uitgewonnen voor zover niet wettelijk geregeld. Het college beoordeelt of er sprake is van verwijtbaar handelen bij de ‘verkoop’ van de zekerheden en stemt hier de incasso op af. Artikel13.Wijze van invordering bij terugvordering bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en de rente Indien er sprake is van samenwerkingsverbanden (VOF, BV, etc.) waarbij de medevennoot zich aansprakelijk gesteld heeft voor het verstrekte bedrijfskapitaal, zal bij het niet nakomen van de verplichtingen ook de medevennoot aansprakelijk gesteld moeten worden voor de terugbetaling. Indien nodig zal er dan een privaatrechtelijke procedure worden opgestart bij de belanghebbenden die niet tot de doelgroep van het Bbz behoorden. Artikel14.Heronderzoek vorderingen 1.Indien er een betalingsregeling is overeengekomen naar draagkracht, vindt er jaarlijks een debiteurenonderzoek plaats naar de draagkracht van de debiteur. 2.Bij debiteuren met een lopende schuldregeling plant het college jaarlijks een hercontrole in verband met jaarlijkse afdrachten. 3.Bij debiteuren die zijn toegetreden tot de WSNP, wordt door het college een debiteuren onderzoek gepland 1 maand nadat de schuldregeling/sanering is beëindigd. 4.Wanneer de aflossingscapaciteit bij debiteuren is bepaald op nihil, dan vindt jaarlijks een heronderzoek plaats naar de draagkracht van de debiteur. 5.In het geval van een teruggevorderde rentedragende geldlening waarop rente verschuldigd is volgens de Bbz-regelgeving van voor, en na, 1 januari 2020 geldt dat bij het overeenkomen van de betalingsregeling gestreefd wordt naar een regeling waarbij de betaling van het aflossingsdeel minimaal gelijk is aan het aflossingsbedrag zoals dat destijds in de toekenningsbeschikking is vastgelegd. 6.Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting te verhogen c.q. te verlagen, dan wel te wijzigen indien daartoe aanleiding is. 7.Indien noodzakelijk kan een afwijkende termijn worden bepaald. Artikel15.Verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting door debiteur 1.De debiteur kan een verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot wijziging van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting. 2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid. 3.Het besluit wordt genomen met inachtneming van de regels zoals neergelegd in artikel 9 van deze regeling. 4.Als het verzoek om de aflossing te verlagen is ingediend vanwege een daling van de aflossingscapaciteit door overige schulden wordt onderzocht of schulddienstverlening noodzakelijk is. Artikel16.Aanmaning, dwangbevel, beslag en verrekening 1.Indien de debiteur niet tot betaling van de vordering overgaat dan wel niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling, of een eerder opgelegde of overeengekomen aflossingsverplichting niet meer nakomt, dan ontvangt de klant binnen 8 weken na verzending van het terugvorderingsbesluit een herinnering. Tevens wordt telefonisch en/of per mail contact opgenomen met de klant. 2.Een aanmaning volgt 4 weken na verzending van de herinnering. 3.In de aanmaning wordt de termijn van betaling gesteld op 2 weken. De termijn van 2 weken gaat in op de dag na de dag waarop de aanmaning is verzonden. 4.Indien de klant ook na de aanmaning in gebreke blijft tot tijdige en volledige betaling, vaardigt het college een dwangbevel uit. Na betekening wordt het dwangbevel middels vereenvoudigde beslaglegging ten uitvoer gelegd indien niet binnen de gestelde termijn tot betaling is overgegaan. 5.Als het niet mogelijk is om vereenvoudigd derdenbeslag te leggen omdat de debiteur zelfstandige is of zijn inkomstenbron onbekend is dan wel dat er al beslag ligt op het inkomen of een vordering verrekend wordt, wordt onderzocht of er roerende zaken te gelde kunnen worden gemaakt door executoriaal beslag. In dat geval wordt de vordering in handen gegeven van een gerechtsdeurwaarder. 6.In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder wordt de vordering verhoogd met de invorderingskosten. Artikel17.Afzien van verdere invordering – Participatiewet, IOAW en IOAZ 1.Het college besluit om van verdere invordering af te zien als: Het een vordering is op grond van artikel 58 lid 2 Participatiewet of artikel 25 lid 2 IOAW en IOAZ én; De debiteur door de aflossing op de vordering gedurende drie aaneengesloten jaren slechts heeft kunnen beschikken over een inkomen ter hoogte van 95% van de bijstandsnorm of; De debiteur gedurende vijf jaren volledig aan de betalingsverplichtingen heeft voldaan en daarbij is blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van ten minste de toepasselijke bijstandsnorm of; De debiteur als bedoeld in onderdeel c gedurende vijf jaren niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog betaalt. 2.Het eerste lid wordt ambtshalve toegepast. 3.het eerste lid is niet van toepassing als de vordering wordt gedekt door pand- of hypotheekrecht. 4.Van verdere invordering van een vordering op grond van artikel 58 lid 1 Participatiewet wordt na een periode van 10 jaren afgezien als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 58 lid 7 a tot en met c Participatiewet. 5.Afzien van verdere invordering van een vordering als bedoeld in artikel 58 lid 7 onderdeel c Participatiewet wordt de extra voorwaarde gesteld dat vaststaat dat er ook in de toekomst geen mogelijkheden zullen zijn om beslag op een inkomensbron te leggen. 6.Van verdere invordering van een vordering op grond van artikel 25 lid 1 IOAW of IOAZ wordt na een periode van 10 jaren afgezien als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 lid 6 a tot en met d IOAW of IOAZ. 7.Afzien van verdere invordering van een vordering als bedoeld in artikel 25 lid 6 onderdeel c IOAW of IOAZ wordt de extra voorwaarde gesteld dat vaststaat dat er ook in de toekomst geen mogelijkheden zullen zijn om beslag op een inkomensbron te leggen. Artikel18.Afzien van verdere invordering - Bbz 1.Het college ziet af van (verdere) invordering wanneer: gedurende vijf jaar geen aflossingen aan een niet-verwijtbare vordering heeft gedaan en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog gaat verrichten; De in onderdeel a genoemde termijn bedraagt 10 jaar indien sprake is van een verwijtbare vordering. Een extra voorwaarde hierbij is dat vaststaat dat er ook in de toekomst geen mogelijkheden zullen zijn om beslag op een inkomensbron te leggen; Er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan; Alle zekerheden zijn uitgewonnen; Ingeval artikel 13 Bbz bij de toekenning van toepassing was bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden. 2.Het eerste lid wordt ambtshalve toegepast. Artikel19.Geen opschorting invordering 1.De invordering wordt niet opgeschort door het indienen van een bezwaar- of beroepschrift, tegen het besluit tot terugvordering. 2.Ingeval de invordering onevenredig belastend is voor de klant kan met toepassing van de hardheidsclausule in bijzondere gevallen worden afgeweken van het eerste lid. 5.Kwijtschelding Participatiewet, IOAW,
.Kwijtschelding bijstand 1.Wanneer afgezien wordt van verdere invordering zoals bedoeld in artikel 17 en 18 van deze regeling wordt het resterend in te vorderen bedrag kwijtgescholden. 2.Als de bijstand is teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 Participatiewet of artikel 25 lid 2 IOAW of IOAZ wordt het restant van een vordering kwijtgescholden als de vordering is ingebracht in een schuldregeling of in een WSNP-boedel en de schuldregeling of WSNP is afgewikkeld. 3.Het besluit tot kwijtschelding van het restant wordt pas genomen nadat de gemeente de betaling of betalingen heeft ontvangen en de schuldregeling WSNP is afgewikkeld. 4.Een vordering wordt niet geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden als hij wordt gedekt door pand- of hypotheekrecht. 5.Het college gaat niet over tot kwijtschelding als er sprake is van dwanginvordering. 6.Verhaal Artikel21.Bevoegdheid tot verhaal 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand in de gevallen als bedoeld in paragraaf 6.5 van de Participatiewet. 2.Alvorens over te gaan tot verhaal van kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige, wordt onderzocht of het van belanghebbende zelf verlangd kan worden het onderhoudsrecht te gelde te maken. 3.Als dit van belanghebbende kan worden verlangd wordt de verplichting opgelegd met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet. Artikel22.Afzien van verhaal 1.Het college ziet af van verhaal: De draagkracht van de onderhoudsplichtige kleiner is dan € 25,00 per maand; Voor bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud welke is/wordt verstrekt aan een minderjarige/jongmeerderjarige tot de leeftijd van 21 jaar en waarbij duidelijk is dat dit niet verhaald kan worden op de ouders; Aan minderjarige/jongmeerderjarige vluchtelingen tot de leeftijd van 21 jaar die geen ouders meer hebben of waarvan de ouders na onderzoek niet vindbaar zijn; Daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 2.Op verzoek van de onderhoudsplichtige ziet het college tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk af van verhaal, wanneer zijn financiële situatie nakoming van de betalingsverplichting niet meer toelaat. Artikel23.Vaststellen van de hoogte van het verhaalsbedrag 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het te verhalen bedrag gelden drie grenzen: De behoefte van de onderhoudsgerechtigde; De draagkracht van de onderhoudsplichtige; De verstrekte bijstand. 2.De beoordeling van de in het eerste lid onder a en b genoemde grenzen geschiedt aan de hand van de Tremanormen. Artikel24.Verhaal volgens rechterlijke uitspraak 1.Voordat wordt overgegaan tot verhaal volgens een rechterlijke uitspraak waarover de onderhoudsgerechtigde beschikt, maar die door de onderhoudsplichtige niet wordt nagekomen, wordt onderzocht of het van belanghebbende kan worden verlangd dat hij zelf zorg draagt voor de invordering. 2.Als is vastgesteld dat het van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat hij zelf zorg draagt voor de invordering wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet deze verplichting opgelegd. 3.Als is vastgesteld dat het van de onderhoudsgerechtigde niet kan worden verlangd om zelf tot inning van de onderhoudsbijdrage over te gaan, verhaalt het college de kosten van bijstand met toepassing van artikel 62b Participatiewet. 4.Voldoet de onderhoudsplichtige ook na een aanmaning niet aan de verplichtingen dan wordt een dwangbevel uitgevaardigd en indien mogelijk onmiddellijk overgegaan tot vereenvoudigd derdenbeslag onder de werkgever of uitkerende instantie. 5.Als blijkt dat de onderhoudsplichtige niet meer in staat is de onderhoudsbijdrage zoals door de rechter is vastgesteld te voldoen, ziet het college in beginsel tijdelijk geheel of gedeeltelijk af van verhaal. Artikel25.Het verhaalsbesluit 1.Het besluit tot verhaal van kosten van bijstand bevat in ieder geval de volgende informatie: De rechtsgrond voor verhaal; Het bedrag dat maandelijks moet worden betaald als het betreft verhaal op de onderhoudsplichtige; Het bedrag dat moet worden betaald als het betreft verhaal op een nalatenschap of de persoon aan wie een schenking is gedaan; De betalingstermijn of -termijnen; De mededeling dat de rechter zal worden verzocht het te verhalen bedrag of de te verhalen bedragen vast te stellen, wanneer degene of degenen op wie wordt verhaald niet overgaat of overgaan tot betaling. 7.Slotbepalingen Artikel26.Hardheidsclausule 1.Door of namens het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze beleidsregels, indien toepassing hiervan leidt tot onredelijk zwaarwegende gevolgen. 2.In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, neemt het college een besluit, waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht met vergelijkbare situaties met inachtneming van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Artikel27.Inwerkingtreding en overgangsrecht 1.Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking in de Regiobode. 2.De beleidsregels terugvordering en verhaal Gemeente Doesburg zoals door het college vastgesteld in de vergadering van 17 januari 2017 worden ingetrokken. Artikel28.Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW,
gemeente Doesburg 2020. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg op 3 maart 2020.gemeentesecretaris,P.Werkman de burgemeester,drs. L.W.C.M. van derMeijsToelichting AlgemeenDe beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Doesburg worden per <..... 2020> gewijzigd naar Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW,
gemeente Doesburg. De reden voor deze wijziging is dat het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) per 1 januari 2020 wordt veranderd. Er is onder andere sprake van een nieuwe financieringssystematiek waarbij de gemeente volledig financieel verantwoordelijk worden voor de uitvoering van het Bbz 2004. Als gevolg hiervan wordt de terugvorderingsverplichting voor het college omgezet in een terugvorderingsbevoegdheid. Hiervoor geldt wel een uitzondering: ongewijzigd is dat het college geen beleidsvrijheid heeft ten aanzien van besluiten tot terugvordering ingeval van fraude. De bevoegdheid tot terugvordering blijkt nu uit paragraaf 6.4 van de Participatiewet. Dit geldt zowel voor het Bbz-levensonderhoud als voor de Bbz-kapitaalverstrekking. Het is noodzakelijk de beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Doesburg te wijzigen omdat deze enkel opgesteld zijn voor terugvordering (en verhaal) wat betreft de Participatiewet. Om ook gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid tot terug- en invordering op grond van de IOAW,
is het noodzakelijk de huidige beleidsregels te wijzigen. Bij het wijzigen van de beleidsregels wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige beleidsregels, waarbij het college gebruik blijft maken van haar bevoegdheid tot terugvordering (en verhaal). Samengevat heeft terugvordering betrekking op het terughalen van teveel of ten onrechte verleende bijstand. De terugvordering zal in eerste instantie door middel van verrekening met de lopende uitkering worden geïnd. Verhaal gaat over de bijdrage die de ex-partner/ouder kan leveren in de kosten van levensonderhoud voor de uitkeringsgerechtigde en/of de kinderen. Door vaststelling van deze beleidsregels beoogt het college enerzijds een slagvaardige en doelgerichte uitvoeringspraktijk mogelijk te maken, anderzijds om aan de klant rechtszekerheid te bieden voor wat betreft de wijze waarop het college aan de gegeven beleidsruimte invulling geeft. Bij de vormgeving van de beleidsregels is als uitgangspunt genomen dat een schuld volledig moet worden terugbetaald. Echter, altijd rigide vasthouden aan dit uitgangspunt kan betekenen dat inwoners (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over kwijtschelding en de bepaling van de aflossingscapaciteit is geprobeerd om een goede balans te vinden tussen de belangen van het college als schuldeiser enerzijds en de belangen van de burger als debiteur anderzijds. Een tweede uitgangspunt is dat fraude niet mag lonen. Toch is ook hier de balans gezocht in relatie tot effectiviteit, efficiency en de belangen van de debiteur. In de beleidsregels kan dat worden teruggevonden in de mogelijkheid tot kwijtschelding. Er is wel bewust voor gekozen om de criteria voor fraudeschulden te verzwaren ten opzichte van niet-fraudeschulden. Artikelsgewijze toelichting1. Algemene bepalingen & toepassingArtikel 1. BegripsbepalingenDit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2. Toepassingsgebied beleidsregels terugvordering en invorderingDe beleidsregels zijn, wat betreft de terugvorderingsparagraaf, van toepassing op terugvorderingen ingevolge de Participatiewet, IOAW,
. Lid 2 bepaalt dat het college gebruik maakt van haar bevoegdheid tot verrekening van kosten van bijstand en/of bestuurlijke boete met de algemene bijstand of uitkering. Artikel
De meeste gronden tot terugvordering van bedrijfskapitaal zijn geregeld in artikel 39 en 41 tot en met 43 Bbz. Indien de zelfstandige ook na een aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, kan het geleende bedrag worden teruggevorderd. Artikel 4 regelt in welke gevallen bedrijfskapitaal teruggevorderd wordt. In dit artikel is tevens opgenomen dat terugvordering plaatsvindt bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling van de hoofdsom en de rente. Tenslotte wordt in dit artikel geregeld dat wanneer er sprake is van een verwijtbare bedrijfsbeëindiging of een verwijtbare overdracht van het bedrijf door bestuurdersaansprakelijkheid, privé bestedingen die niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau en/of er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen de lening gecontinueerd wordt tegen dezelfde condities als dat het bedrijfskapitaal is verstrekt. De lening wordt in dit geval niet renteloos gemaakt. Artikel
Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Een dergelijke bepaling komt in de Participatiewet, IOAW,
niet voor. Lid 1 van deze beleidsregel bepaalt dat het resterend in te vorderen bedrag wordt kwijtgescholden, wanneer afgezien wordt van verdere invordering zoals genoemd in artikel 17 en 18 van deze regeling. Wanneer er sprake is van een schuldregeling of een WSNP-traject kan het noodzakelijk zijn om (een deel van) de vordering kwijt te schelden. Lid 2 regelt dit. Bij het indienen van de vordering in de schuldregeling of de WSNP-boedel kan het college aangeven dat het meewerkt aan de schuldregeling en dat het na afloop van het traject het dan resterende van de vordering zal kwijtschelden. Dit impliceert dat het college niet overgaat tot kwijtschelding als het traject voortijdig door toedoen van de debiteur wordt beëindigd. Er wordt niet tot kwijtschelding overgegaan als het een geldlening betreft waarvoor een hypotheek is gevestigd of wanneer er sprake is van een dwanginvordering.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.