Archeologische monumentenzorg in de gemeente WinterswijkSamenvatting In opdracht van de gemeente Winterswijk heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2016 een actualisatie doorgevoerd van de archeologische vindplaatsen-, verwachtingen- en beleidskaart van de gemeente Winterswijk (RAAP-rapporten 18781Cultuurhistorische Atlas Winterswijk, 2009 en 20332Archeologisch beleid van de gemeente Winterswijk, 2010). De actualisatie betreft het bijwerken van de bestaande archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart uit 2009 en de beleidskaart uit 2010 alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische, historische en landschappelijke gegevens en inzichten. Het datamodel voor de verwachtingslaag van de kaart is aangepast aan een regionaal karteringsmodel welke in samenspraak met de regioarcheoloog voor de regio Achterhoek is opgesteld. Daarmee wordt een inhoudelijke vereffening bereikt waardoor de kaartgrenzen tussen regiogemeenten aansluiten. Verder heeft de actualisatie vanuit een bredere cultuurhistorische en ruimtelijke analyse plaatsgevonden ten opzichte van de inventarisaties uit
(20150521)” RDX Centrumcoördinaat in meters (Rijksdriehoekmeting) RDY Centrumcoördinaat in meters (Rijksdriehoekmeting) Tabel 9. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_WW_ozk_jjjjmmdd. In kaartbijlage 2 zijn alleen de grenzen van de onderzoeksgebieden aangegeven. Voor de achterliggende gegevens dient het GIS-bestand geraadpleegd te worden. 2.4.6Bodemverstoringgegevens Bodemverstoringsgegevens in de GIS-tabel WIOG1_WW_Bodemverstoring zijn afkomstig uit detailkarteringsgegevens van Alterra, het bestand vergraven gronden van Alterra en de ontgrondingsgegevens van de provincie Gelderland. Hierbij is onderscheid gemaakt in locaties waar vaststaat dat het archeologisch relevante niveau verstoord is en locaties waar onbekend is of het archeologisch relevante niveau verstoord is. Er is geen gebruik gemaakt van de algemene gegevens van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. In het verleden zijn de genoemde gegevens met betrekking tot bodemverstoringen wel bij archeologische verwachtingenkaarten gebruikt om een indicatie te geven van de mate van bodemverstoring en de archeologische potentie van een gebied. Op de landelijke bodemkaartserie staan weliswaar afgegraven, geëgaliseerde, opgeworpen en vergraven zones vermeld, maar deze zijn deels gebaseerd op zeer grove aannamen ten aanzien van de effecten van voormalig landgebruik. Op basis van veldervaringen kan geconcludeerd worden dat het weergegeven oppervlak met bodemverstoringen meestal veel kleiner is dan het werkelijke oppervlak met verstoorde bodems. Wat betreft de kwaliteit van de bodemverstoringsgegevens kan verder gesteld worden dat deze gegevens een zeer incompleet beeld geven van de werkelijkheid. Voor beleidsmatige afwegingen (selectiebesluiten) of het bepalen van een onderzoekstraject zijn globale gegevens met betrekking tot bodemverstoringen dan ook van weinig waarde. Gebieden waar overduidelijk is vastgesteld dat de verstoring dieper reikt dan het archeologisch relevante niveau zijn als ‘grijs’ weergegeven op zowel de verwachtingen- als beleidskaart. Attribuutnaam Attribuutwaarde/-verklaring Id Uniek identificatienummer Type Type bodemverstoring Bron Bron waaruit de gegevens afkomstig zijn Diepte_verst Diepteaanduiding voor de bodemverstoring Oppervlakte Oppervlakte van de verstoringspolygoon in vierkante meter Tabel 10. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_WW_Bodemverstoring 3Toelichting op de kaartbijlagen 1 en 2 3.1De aardkundige kaart met reliëfvormen en ontstaanswijzen 3.1.1 KaartopbouwDe aardkundige kaart heeft een eenvoudige opzet. De basis van de kaart wordt gevormd door de landschappelijke eenheden, gethematiseerd naar reliëfvormen. De basis voor deze landschappelijke eenheden betreft de aardkundige kaart uit het onderzoek uit 2009 en is met name langs de gemeentegrens met Oost Gelre aangepast zodat een doorlopend kaartbeeld ontstond. Dit, naar een kaartschaal van 1:20.000 gegeneraliseerde, kaartbeeld is voorzien van aanvullende gegevens als archeologische gegevens (archeologische en historische vindplaatsen als puntlocatie), historische nederzettingszones (als vlak) en is verder voorzien van bodemverstoringen (dieper dan 40 cm afgegraven bodem, ophogingen en infrastructuur). 3.2De archeologische waarden- en verwachtingenkaart 3.2.1 KaartopbouwDe archeologische waarden- en verwachtingenkaart is gethematiseerd naar archeologische verwachting, maar de onderliggende (gedetailleerde) aardkundige eenheden zijn zichtbaar in de vorm van kaartlabels (figuur 3). De kaart is uitgebreid met een weergave van terreinen waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld, dan wel terreinen met een nog niet nader vastgestelde archeologische waarde (archeologische en historische vindplaatsen). Als ondergrond is de GBKN gebruikt en worden de belangrijkste toponiemen vermeld. 3.2.2 Actualiseren van zonering verwachte waardenVoor het algemene archeologische verwachtingsmodel voor de gemeente Winterswijk wordt verwezen naar RAAP-rapport 1878. De herziene kaart verschilt echter op enkele punten van de kaart uit 2009. Op basis van uitgevoerd veldonderzoek en de conversie van de detailbodemkarteringen naar een nieuw karteringsmodel zijn enkele polygonen toegevoegd, geherinterpreteerd, of aangepast. Tevens zijn er enkele fouten uitgehaald. Een andere aanpassing is dat de verwachtingswaarden nu een uitspraak doen over zowel de verwachte dichtheid aan archeologische resten (zeer hoog, hoog, middelmatig of laag) als de verwachte conservering. Hiervoor is het principe van de profieltypen toegepast (zie tabel 3 en § 2.4.1). 3.2.3 Archeologisch en bouwhistorisch kansrijke locaties De meest opvallende wijziging aan het kaartbeeld is het toevoegen van nieuwe buffers rond een aantal historisch gezien belangrijke terreinen waarvan het op basis van historisch onderzoek zeer aannemelijk is dat zich hier archeologische en/of bouwhistorische resten bevinden of hebben bevonden: de mate van verstoring door herbouw of nieuwbouw op deze locaties is niet onderzocht. Het merendeel van deze terreinen betreft historische nederzettingslocaties: historische erven of stads- en dorpskernen waarop in 1832 één of meerdere gebouwen stonden. Deze terreinen zijn in de geactualiseerde verwachtings- en beleidskaart integraal opgenomen in een samengevoegde en vlakdekkende archeologische verwachtingslaag. Met name voor de historische stad- en dorpskernen geldt dat hier vaak sprake is van langdurige continuïteit in bewoning en/of grondgebruik, een daarmee samenhangende complexe opbouw van archeologische lagen en een hoge mate van archeologische informatie.12Zie ook: De Groot e.a., 2011, 89 e.v. Funderingen (muurwerk, poeren, grondsporen van gebinten), water- en beerputten, overblijfselen van materiële cultuur en grachten met vulling zijn voorbeelden van sporen en vondsten die hier gedaan kunnen worden. Aan het kaartbeeld zijn – op basis van de historische kaartinventarisatie – bouwblokken, en stads- of dorpskernen toegevoegd. Deze zijn niet opgenomen in de vindplaatscatalogus. Voor de archeologische en bouwhistorisch kansrijke gebieden is een nieuwe verwachtingseenheid, die van de zeer hoge archeologische verwachting (profieltype 11), aan de verwachtingslaag toegevoegd. Figuur 3. Opbouw van de kaartcodes van kaartbijlage 2. De ingekaderde code Edr1h linksboven is bedoeld als voorbeeld van een willekeurige codeopbouw. 3.2.4 Aanpassingen in de GIS-tabel Voor alle geïnventariseerde gegevens geldt dat de beschrijvende velden in de verschillende databestanden zijn aangepast en ten behoeve van de digitale toepassing voorzien zijn van zowel waarde- als adviesvelden (zie tabel 4). 3.2.5 Terreinen met een verstoorde bovengrond Als gevolg van forse landschappelijke ingrepen (vergravingen, ontgrondingen, egalisaties) is een enkel terreindeel zodanig aangetast dat betwijfeld kan worden of er zich nog archeologische waarden in de bodem bevinden. In gebieden waar de bodem diep verstoord is13Dieper dan circa 45 cm gerekend vanaf het oorspronkelijke maaiveld. In afgedekte situaties (bemestingsdekken, kleidekken, stuifzanden etc.) geldt deze verstoringsmaat dus niet voor het huidige maaiveld. Bij vergravingen waar de bodem ter plaatse is doorwoeld kunnen nog wel archeologische vondsten worden gedaan. De oorspronkelijke context van deze vondsten zal zijn verstoord., mag worden aangenomen dat er geen belangrijke archeologische sporen (meer) aanwezig zijn. Voor deze gebieden geldt geen archeologische verwachting meer. Een voorbehoud moet worden gemaakt voor resten die zich op nog grotere diepte in de ondergrond (kunnen) bevinden. Op kaartbijlage 2 zijn naast de ontgrondingspercelen alleen nog de meest in het oog lopende ernstige bodemverstoringen aangegeven. Het betreft afgravingen die ondubbelzinnig te interpreteren waren. Wel zijn egalisaties en vergravingen als arcering op de kaart weergegeven. Deze arceringen moeten als signalering worden gezien. In bebouwde gebieden buiten de historische stads- en dorpskernen (en andere historische nederzettingslocaties) is de bodem waarschijnlijk over een groot oppervlak verstoord en zijn archeologische resten ten dele aangetast. Dit zijn onder andere plaatsen waar huizen of andere gebouwen met een diepere fundering staan (of hebben gestaan) en waar wegen zijn aangelegd. Op basis van eerder archeologisch onderzoek kan echter worden geconcludeerd dat verspreid in de bebouwde kom tevens zones voorkomen waar de bodemverstoring tot op heden gering is geweest en waar de aanwezigheid van gave bodemprofielen en hierin aanwezige archeologische waarden niet kan worden uitgesloten. Omdat de bebouwde kommen soms zijn uitgebreid in gebieden met plaggendekken, is de kans groot dat hiermee uitgestrekte archeologische vindplaatsen binnen de bebouwde kom zijn terechtgekomen. Met uitzondering van de diepe verstoringen (gebouwen, wegcunetten, etc.) moet daarom ook in de bebouwde kommen rekening worden gehouden met het voorkomen van gave bodemprofielen en hierin aanwezige archeologische waarden. Te denken valt aan groenzones, overhoekjes, (aaneengesloten) particuliere tuinen en overige terreinen waar een diepe bodemverstoring niet op voorhand vaststaat. Alleen door meer gedetailleerd bureauonderzoek en/of booronderzoek is de mate van verstoring tot op perceelsniveau te specificeren. 4Archeologische beleidskaart 4.1Status, doel en inhoud De archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3) is een beleidsmatige uitwerking van de geactualiseerde archeologische waarden- en verwachtingenkaart (kaartbijlage 2). De archeologische beleidskaart dient als afwegingsinstrument (onderlegger) bij processen in de ruimtelijke ordening. De beleidskaart kan juridisch-planologisch worden verankerd bij het opstellen van (nieuwe) bestemmingsplankaarten en beheersverordeningen conform de Wro. De voorliggende versie bevat de uitgangspunten van de archeologische beleidszones zoals die door de gemeente Winterswijk worden gehanteerd. 4.2Uitgangspunten AlgemeenEen zorgvuldige omgang met archeologische erfgoed betekent dat archeologische (of breder: cultuurhistorische) waarden bijdragen aan de inrichting (en daarmee aan de kwaliteit) van de leefomgeving. Dat er iets bijzonders in de grond zit, kan op verschillende manieren in de architectuur, beplanting of ruimtelijke structuur terugkomen. Hier is een belangrijke taak weggelegd voor ontwerpers. Stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten kunnen zich laten inspireren door archeologische waarden. De gemeente kan dat aansturen en stimuleren. Een zorgvuldige omgang met het archeologische erfgoed betekent niet dat er niets kan. TotstandkomingDe archeologische beleidskaart is tot stand gekomen in samenwerking met RAAP Archeologisch Adviesbureau. De inhoud van de archeologische beleidskaart en deze rapportage is besproken met dhr. K. Meinderts van de gemeente Winterswijk. Uitgangspunten beleidskaartDe gemeenteraad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening bij de bestemming van gronden altijd rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten (archeologische waarden). Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat de gemeente het kader moet stellen voor de archeologische monumentenzorg. In 2016 is in opdracht van de gemeente Winterswijk een archeologische waarden- en verwachtingenkaart vervaardigd. De bij dit rapport opgenomen archeologische waarden- en verwachtingenkaart (kaartbijlage 2) is, in opdracht van de gemeente Winterswijk, voor de toepassing op beleidsmatig, gemeentelijk niveau ‘vertaald’ naar een beleidskaart (kaartbijlage 3). Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is ten aanzien van de onderzoeksverplichting. De onderliggende gegevens, i.c. kaartbijlage 2 en de daarbij horende gegevens(bestanden), zijn van een zodanig gedetailleerd schaalniveau dat de kaart direct van toepassing is voor gebruik op perceelsniveau. 4.3Legenda-eenheden op de beleidskaart Op de archeologische beleidskaart is geen onderscheid gemaakt in archeologische perioden en wordt de archeologische verwachting aangeduid met de termen hoog en afgedekt, hoog, middelmatig, laag en ‘laag voor nederzettingsresten, hoog voor water gerelateerde archeologische resten’. Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is, hetgeen in dit hoofdstuk verder is uitgewerkt. Op de archeologische beleidskaart zijn de volgende eenheden te onderscheiden: Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG)Het op de verbeelding van het bestemmingsplan plaatsen van bekende en onbekende archeologische waarden is een belangrijke stap om het belang van archeologie in de ruimtelijke ordening aan te geven. Van Archeologisch Waardevolle Gebieden weet men (globaal) wat er aanwezig is en er is sprake van een duidelijke, vaak kadastrale, begrenzing. Hierbij worden de volgende zes categorieën onderscheiden: Archeologische rijksmonumenten (AWG categorie 1a) gemeentelijke archeologische monumenten (AWG categorie 1b; momenteel niet aanwezig binnen de gemeente); Archeologische monumenten (AMK-terreinen) met attentiezone van 50 m (archeologisch monument; AWG categorie 2); De middeleeuwse kern van Winterswijk (AWG categorie 3a); Overige historische stads- of dorpskern (AWG categorie 3b); Bekende archeologische vindplaats of historische nederzettingslocatie met rondom attentiezone van 50 m (AWG categorie 4). Archeologische Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV)Op basis van archeologische kennis en fysieke kenmerken van het landschap zijn zes verwachtingsgebieden onderscheiden waarin sprake is van verschillen in de verwachte dichtheid waarin archeologische resten voorkomen. Deze gebieden zijn relevant in het buitengebied en in delen van de bebouwde kom buiten de historische kern van Winterswijk. In tegenstelling tot de voornoemde terreinen van archeologische waarde (AWG categorieën 1 en 2) is in deze gebieden de dichtheid aan (en de ligging, omvang en conservering van) terreinen met archeologische resten slechts in grote lijnen bekend. De verwachtingsgebieden worden op de beleidskaart aangeduid als Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) waarbij nog wel een onderscheid in de mate van verwachting (hoog, middelmatig en laag) wordt aangebracht. De volgende vijf categorieën Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden worden onderscheiden: geomorfologische eenheden met een conserverend plaggendek of stuifzand, gebieden met een hoge archeologische verwachting, (AWV categorie 5); overige gebieden met een hoge archeologische verwachting, inclusief de bufferzones rondom historische nederzettingslocaties (AWV categorie 6); gebieden met een middelmatige archeologische verwachting (AWV categorie 7); gebieden met een lage archeologische verwachting (AWV categorie 8); gebieden met een lage verwachting voor nederzettingsresten, maar met een hoge verwachting voor watergerelateerde archeologische resten (AWV categorie 9); Tot slot worden gebieden zonder een archeologische zonder archeologische verwachting weergegeven (Grijze zones). Voor deze zones is vastgesteld dat de ondergrond tot onder het archeologische relevante niveau verstoord is. 4.4Beleidsuitgangspunten gemeente Winterswijk 4.4.1Ten geleide De wet- en regelgeving rond archeologie en ruimtelijke ordening in ons land is sterk in beweging. Sinds 1 september 2007 is het wettelijk kader voor archeologie, de Monumentenwet 1988, via een wijzigingswet herzien. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is komen te vervallen. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet wordt echter aangegeven dat tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2021) enkele (delen van) hoofdstukken van de Monumentenwet 1988 nog van kracht blijven14Het betreft hoofdstuk II paragrafen 2 en 3, hoofdstuk IV, hoofdstuk V paragrafen 1 en 9 en hoofdstuk VI van de Monumentenwet 1988. Daarnaast is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008 ingegaan. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. Per januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening zodanig gewijzigd, dat naast archeologie ook de overige cultuurhistorische waarden (historische bouwkunst, cultuurlandschap, historische ecologie, aardkundige waarden) in het bestemmingsplan aandacht krijgen. In de toelichting dient te worden gemotiveerd hoe met al die waarden is omgegaan. Om hieraan te voldoen wordt voor de Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG’
- s)en de Archeologisch Waardevolle Verwachtingszones (AWV’
- s)aanbevolen deze op te nemen in het gemeentelijk bestemmingsplan (aanduiding op de verbeelding en vermelden in de toelichting). Van de AWG’s is vastgesteld dat er archeologische resten aanwezig zijn; in het geval van de AWV’s kan aangenomen worden dat er archeologische resten verscholen gaan waarvan de waarde gelijk of zelfs (veel) groter kan zijn dan die van de op de AMK-Gelderland opgenomen terreinen van archeologische waarde. Binnen de verwachtingsgebieden (AWV’
- s)kunnen alsnog grote gebieden voorkomen waarin archeologische resten grotendeels of zelfs geheel ontbreken, zelfs indien er sprake is van een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Om op een goede manier met deze onzekerheid om te gaan gelden zijn twee afwegingen van belang. De eerste afweging betreft de kans dat er bij een bodemingreep van een bepaalde omvang daadwerkelijk sprake zal zijn van verstoring van waardevolle archeologische resten.15Willemse & Kocken, 2012, schakel 1. Hierbij geldt het eenvoudige principe hoe kleiner de ingreep, hoe geringer de kans op verstoring. De tweede afweging betreft de mogelijkheden die de huidige archeologische onderzoeksmethoden bieden om de aanwezigheid van deze waardevolle resten, en daarmee de verstoring daarvan, werkelijk aan te tonen. In gebieden met een globale archeologische verwachting, waarvoor slechts op hoofdlijnen aangegeven kan worden welke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is het doorgaans niet mogelijk om een onderzoeksmethode te kiezen die naadloos aansluit bij het karakter van de aanwezige archeologische resten. Wanneer de archeologische verwachting niet voldoende gespecificeerd kan worden om onderzoeksmethode en -intensiteit op maat te kunnen bepalen, zal gekozen moeten worden voor een methode met een acceptabele opsporingskans voor een breed scala aan vindplaatstypen.16Willemse & Kocken, 2012, schakel 2. Om archeologische resten te kunnen opsporen wordt daarom gebruik gemaakt van relatief goedkope standaardonderzoeksmethoden (bureau- en/of booronderzoek, proefsleuven) die gericht zijn op het steekproefsgewijs verzamelen van (globale) informatie met betrekking tot de aan- of afwezigheid van archeologische resten en hun landschappelijke context. Bij dergelijke onderzoeken is het een voorwaarde dat het aantal waarnemingen voldoende groot is en een dusdanige spreiding kent dat het mogelijk is om (via ruimtelijke analyse) tot een interpretatie van de onderzoeksresultaten en tot een waardestelling van de aangetroffen archeologische resten te komen.17Ibid. Initiatiefnemers van projecten die kleiner zijn dan 100 m² kunnen op basis van landelijke regelgeving niet worden belast met archeologische onderzoeksplicht. Afwijking van de ondergrens van 100 m² is zowel in opwaartse als in neerwaartse zin mogelijk. Op gezag van de regionaal archeoloog, drs. M. Kocken, is, in samenspraak met de gemeente en RAAP Archeologisch Adviesbureau, dat jarenlange praktijkervaring heeft met prospectief onderzoek in de Achterhoek, besloten de onderstaande oppervlakte- en dieptematen en beleidsuitgangspunten per categorie (AWG/AWV categorie 1 t/m 9 en onderzoeksmeldingen en bodemverstoringen) te hanteren. Als achterliggend verantwoordingsdocument wordt verwezen naar de vastgestelde Nota ‘Archeologie met beleid’. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek.18Willemse & Kocken 2012 (RAAP-rapport 2501). Voor de Regio Achterhoek is een onderzoek uitgevoerd naar het percentage onderzoeken waarbij een vervolgonderzoek is geadviseerd. Door de onderzoeksgebieden onder te verdelen in oppervlakte categorieën is per verwachtingseenheid een beeld verkregen van het oppervlak waaronder nauwelijks of geen vervolgonderzoek is aanbevolen. Deze resultaten hebben geleid tot regionale vrijstellingsgrenzen voor de regio Achterhoek. Op basis van uitgevoerd archeologisch onderzoek binnen de gemeenten Oost Gelre en Winterswijk is getracht de resultaten van het regionale onderzoek te verfijnen voor de twee gemeenten. Onderstaande tabellen laten per verwachtingszone de resultaten deze verfijning zien. Hoge verwachting Middelmatige verwachting Lage verwachting wel geen wel geen wel geen oppervlak m2 vervolg vervolg vervolg vervolg vervolg vervolg 0-100 0 1 0 1 - - 100-250 0 1 - - 0 1 250-500 0 7 1 4 1 3 500-1.000 4 6 1 6 1 1 1.000-2.500 3 11 2 11 1 0 2.500-5.000 4 11 2 7 1 6 5.000-10.000 5 5 1 9 2 3 10.000-25.000 12 5 10 7 2 5 2,5-5 ha 1 1 3 2 3 0 >5 ha 4 3 6 6 9 3 totaal 33 51 26 52 20 22 Tabel 11. Overzicht van het aantal geadviseerde vervolgonderzoeken na archeologisch vooronderzoek bij verschillende onderzoeksoppervlakten voor de gemeenten Oost Gelre en Winterswijk. Uit de tabel blijkt dat bij de onderzoeksgebieden tot 250 m2 geen vervolgonderzoek is aanbevolen en dat met name bij de hoge verwachting relatief veel vervolgonderzoek is aanbevolen bij de oppervlakte-eenheid van 500-1.000 m2. Verder zijn er, gezien het geringe aantal onderzoeken per oppervlakte-eenheid weinig harde conclusies te trekken en moet worden geconcludeerd dat een verfijning van de regionale studie niet mogelijk is. Derhalve is het verstandig om wat betreft de vrijstellingsgrenzen van de verwachtingszones aan te sluiten bij de regionale vrijstellingsgrenzen. De beleidsuitgangspunten worden behandeld per categorie (zie kader voor een korte samenvatting van de beleidsuitgangspunten per categorie).19De Regionale Norm voor archeologisch onderzoek is beschikbaar onder www.achterhoek2020.nl/wpcontent/uploads/2012/12/Normblad-archeologisch-vooronderzoek-gemeenten-Regio-Achterhoek-versie-1.2-sept-2013.docx. Uitgangspunten archeologiebeleid (incl. onderzoeksverplichting) per categorie Archeologisch waardevolle gebieden AWG categorie 1a: Archeologisch rijksmonument. Behouden en beschermen in huidige staat; bij planvorming is besluitname door het bevoegd gezag wettelijk verplicht (bevoegd gezag is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voor de archeologische rijksmonumenten); AWG categorie 1b: Gemeentelijk archeologisch monument. Behouden en beschermen in huidige staat; bij planvorming is besluitname door het bevoegd gezag wettelijk verplicht (bevoegd gezag is de gemeente Winterswijk); AWG categorie 2: archeologisch monument (AMK-terrein) met attentiezone van 50 m. Streven naar behoud in huidige staat; bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv is inventariserend archeologisch onderzoek verplicht; AWG categorie 3a: De middeleeuwse kern van Winterswijk. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 30 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv; AWG categorie 3b: Historische stads- en dorpskernen. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 50 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. AWG categorie 4: Bekende archeologische vindplaatsen en historische boerderijlocaties met rondom attentiezone van 50 m. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als oppervlakte van de ingreep groter is dan 50 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv; Archeologische verwachtingsgebieden AWV categorie 5: Gebieden met een hoge archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 250 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 40 cm -Mv; AWV categorie 6: Gebieden met een hoge archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 250 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv; AWV categorie 7: Gebieden met een middelmatige archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 1.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv; AWV categorie 8: Gebieden met een lage archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat indien archeologische resten aanwezig zijn; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv; AWV categorie 9: Gebieden met een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten en hoge verwachting voor watergerelateerde archeologische resten. Streven naar behoud in huidige staat indien archeologische resten aanwezig zijn; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm Mv. 4.4.2AWG categorie 1 Categorie 1a: Archeologische rijksmonumenten – Voor wettelijk beschermde terreinen van zeer hoge archeologische waarde geldt een wettelijke bescherming binnen de Erfgoedwet. Binnen het gemeentegebied van Winterswijk bevindt zich één terrein met een wettelijke bescherming. Voor de reeds wettelijk beschermde monumenten wordt geadviseerd deze met vermelding van de wettelijk beschermde status op te nemen in het gemeentelijk bestemmingsplan (aanduiding op de verbeelding en vermelden in de toelichting). Afgeraden wordt een aanlegvergunning te laten rusten op wettelijk beschermde monumenten, omdat hiervoor al een monumentenvergunning geldt. Voor een eventuele sloop-, bouw- en/of aanlegvergunning geldt een aanhoudingsplicht totdat de monumentenvergunning is verleend. De monumentenvergunning is onderdeel van het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Deze vergunning moet eerst zijn verleend voordat een omgevingsvergunning van kracht wordt voor een activiteit die (ook) een beschermd archeologisch rijksmonument raakt. Dit Overgangsrecht blijft gelden tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2019)20http://cultureelerfgoed.nl/dossiers/omgevingsvergunning/de-omgevingsvergunning-en-rijksmonumenten. Voor de archeologische rijksmonumenten is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het bevoegd gezag. AWG categorie 1b: Gemeentelijke archeologische monumenten. De gemeentelijke archeologische monumenten worden door de Gemeenteraad aangewezen. Voor de gemeentelijke archeologische monumenten wordt geadviseerd deze met vermelding van de wettelijk beschermde status op te nemen in het gemeentelijk bestemmingsplan (aanduiding op de verbeelding en vermelden in de toelichting). Afgeraden wordt een aanlegvergunning te laten rusten op wettelijk beschermde monumenten, omdat hiervoor al een regeling in de monumentenverordening is getroffen. Voor een eventuele sloop-, bouw- en/of aanlegvergunning geldt een aanhoudingsplicht totdat de monumentenvergunning is verleend. Bij planvorming is besluitname door het bevoegd gezag wettelijk vereist. Voor de gemeentelijk archeologische monumenten is de gemeente Winterswijk het bevoegd gezag. 4.4.3AWG categorie 2 Archeologisch monument (AMK-terrein) met attentiezone van 50 m - Het gaat hierbij in principe om gewaardeerde archeologische vindplaatsen waarin de aanwezigheid, de aard, datering en de omvang van de archeologische resten (tot op zekere hoogte) bekend zijn. Gemeenten dienen conform het Overgangsrecht in de Erfgoedwet (tot aan inwerkingtreding van de Omgevingswet) bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De historische kern van Winterswijk staat ook als AMK-terrein geregistreerd. De begrenzing er van is echter willekeurig. Op basis van analyse van historische kaarten is de historische kern nauwkeurig in kaart gebracht en bovendien opgedeeld in een middeleeuwse kern en een uitbreidingszone uit de 16e tot 19e eeuw. Deze zoneringen zijn ondergebracht in AWG categorie 3a en 3b. Derhalve is er voor gekozen om de begrenzing van het AMK-terrein van de historische kern van Winterswijk te laten vervallen. Aanbevolen wordt om deze terreinen in het bestemmingsplan op te nemen als archeologisch waardevol gebied, zowel op de verbeelding als in de regels en de toelichting. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze gebieden dienen te worden voorkomen. In het geval dat ruimtelijke ingrepen die de aanwezige archeologische resten kunnen beschadigen onvermijdelijk zijn, dient, ongeacht de ruimtelijke omvang van de ingreep, archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). De gemeente Winterswijk hanteert voor deze terreinen als uitgangspunt dat een archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen dieper dan 30 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring, ongeacht de oppervlakte van de ingreep. De minimum onderzoekseis is een archeologisch bureauonderzoek waarin de ingreep op zijn schadelijkheid wordt beoordeeld en waarin wordt geadviseerd over de eventueel te nemen vervolgstappen in de vorm van veldonderzoek. De intensiteit van eventueel vervolgonderzoek is afhankelijk van de exacte ligging, aard en omvang van de ingreep en van de verwachte omvang van de schade aan archeologische resten. Werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoring van archeologische resten dienen gekoppeld te worden aan een aanlegvergunningenstelsel. In de bouwregels worden voorwaarden opgenomen als het om bouwen gaat. De gemeente Winterswijk heeft ervoor gekozen om aan de terreinen van archeologische waarde een attentiezone van 50 m te geven. Voor deze zone gelden dezelfde restricties. 4.4.4AWG categorie 3 AWG categorie 3A - De middeleeuwse kern van Winterswijk - Op basis van historisch kaartmateriaal en andere bronnen is het duidelijk dat in de historische kern van Winterswijk vanaf de Middeleeuwen sprake was van een clustering van bebouwing. In de historisch waardevolle kernen komen archeologische resten in principe direct onder het maaiveld voor. Voor de historische kernen wordt geadviseerd te streven naar planologische bescherming via het gemeentelijke bestemmingsplan. Aanbevolen wordt om de desbetreffende gebieden in het bestemmingsplan op te nemen als archeologisch waardevol terrein. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze terreinen dienen te worden voorkomen. Het uitgangspunt van de gemeente Winterswijk voor deze gebieden is om bij ingrepen dieper dan 30 cm -Mv (of dieper dan de bekende bodemverstoring) en een omvang groter dan 30 m² een archeologisch onderzoek te verplichten, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Dit onderzoek dient allereerst te bestaan uit een gedetailleerd bureauonderzoek. Het bureauonderzoek spitst zich toe op archeologisch en bouwhistorisch onderzoek, een inventarisatie van de bodemverstoringen, aanvullende informatie van de afdeling bouwen en wonen van de gemeente Winterswijk en een specificatie van de archeologische verwachting met betrekking tot het onderzoeksgebied. Hierbij is van belang dat inzicht ontstaat in de aard van de te verwachten archeologische resten en in de verwachte conservering van deze resten. Bij het laatste moet gedacht worden aan gegevens met betrekking tot de omvang en diepte van de bestaande (of voormalige) bebouwing (uit het bouwkundig archief). Op basis van het resultaat van het bureauonderzoek moet een beslissing genomen worden over het al dan niet uitvoeren van een veldonderzoek en over de aard daarvan (archeologische (sloop)begeleiding of proefsleuven). Veldonderzoek zal duidelijk moeten maken welke archeologische resten op de desbetreffende locatie aanwezig zijn en wat de datering, conservering en diepteligging daarvan is. Aan de hand van de resultaten zal het vervolgtraject moeten worden bepaald. Indien behoud in situ niet mogelijk is, dient rekening gehouden te worden met de noodzaak van gecombineerd bouwhistorisch en archeologisch veldonderzoek (opgraving/archeologische begeleiding) alvorens nieuwbouw gerealiseerd kan worden. AWG Categorie 3B - Historische stads- en dorpskernen - Op basis van historisch kaartmateriaal en andere bronnen is voor de historische kern van Winterswijk een zone te duiden met bebouwing uit de periode tussen circa 1500 en 183221Voor de beschrijving van de historische stadskern, zie Neefjes & Willemse, 2009.. In deze historische kern uit de Nieuwe tijd komen archeologische resten in principe direct onder het maaiveld voor. Voor de historische kernen wordt geadviseerd te streven naar planologische bescherming via het gemeentelijke bestemmingsplan. Aanbevolen wordt om de desbetreffende gebieden in het bestemmingsplan op te nemen als archeologisch waardevol terrein. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze terreinen dienen te worden voorkomen. Het uitgangspunt van de gemeente Winterswijk voor deze gebieden is om bij ingrepen dieper dan 30 cm -Mv (of dieper dan de bekende bodemverstoring) en een omvang groter dan 50 m² een archeologisch onderzoek te verplichten, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Dit onderzoek dient allereerst te bestaan uit een gedetailleerd bureauonderzoek. Het bureauonderzoek spitst zich toe op archeologisch en bouwhistorisch onderzoek, een inventarisatie van de bodemverstoringen, aanvullende informatie van de afdeling bouwen en wonen van de gemeente Winterswijk en een specificatie van de archeologische verwachting met betrekking tot het onderzoeksgebied. Hierbij is van belang dat inzicht ontstaat in de aard van de te verwachten archeologische resten en in de verwachte conservering van deze resten. Bij het laatste moet gedacht worden aan gegevens met betrekking tot de omvang en diepte van de bestaande (of voormalige) bebouwing (uit het bouwkundig archief). Op basis van het resultaat van het bureauonderzoek moet een beslissing genomen worden over het al dan niet uitvoeren van een veldonderzoek en over de aard daarvan (archeologische (sloop)begeleiding of proefsleuven). Veldonderzoek zal duidelijk moeten maken welke archeologische resten op de desbetreffende locatie aanwezig zijn en wat de datering, conservering en diepteligging daarvan is. Aan de hand van de resultaten zal het vervolgtraject moeten worden bepaald. Indien behoud in situ niet mogelijk is, dient rekening gehouden te worden met de noodzaak van gecombineerd bouwhistorisch en archeologisch veldonderzoek (opgraving/archeologische begeleiding) alvorens nieuwbouw gerealiseerd kan worden. 4.4.5AWG categorie 4 Bekende archeologische vindplaatsen en historische boerderijlocaties met rondom attentiezone van 50 m - Het merendeel van de bekende archeologische vindplaatsen in het landelijk gebied van Winterswijk zijn gebieden zonder status. Dit wil zeggen dat het gebied niet is opgenomen op de AMK-Gelderland, omdat het over het algemeen niet gewaardeerde vindplaatsen zijn. De conservering, de omvang en de aard van de archeologische resten zijn niet of slechts ten dele bekend. Onder deze vindplaatsen kunnen zich zowel zeer waardevolle en puntgave terreinen met archeologische resten als geheel verstoorde terreinen bevinden. Het kan gaan om een enkel fragment laatmiddeleeuws aardewerk dat met bemesting op een akker is terechtgekomen, maar ook om een intact nederzettingsterrein. De desbetreffende vindplaatsen, die wel een rol gespeeld hebben bij begrenzen van de verwachtingszones, zijn indicatief op de archeologische verwachtingenkaart opgenomen. Bij gebrek aan een begrenzing van de vindplaats is een attentiezone van 50 m rondom de centrumcoördinaat gehanteerd als zone waarbinnen een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten. Indien maatregelen (ingrepen) in deze zone onvermijdelijk zijn en fysieke aantasting van de vindplaats wordt verwacht, dient in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Het uitgangspunt voor de AWG categorie 3 gebieden van de gemeente Winterswijk is om bij ingrepen van dieper dan 30 cm -Mv of dieper dan de bekende bodemverstoring en plangebieden groter dan 50 m² een inventariserend archeologisch onderzoek verplicht te stellen, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Op deze wijze kan de aard, datering, omvang, etc. van de vindplaats worden bepaald. Aan de hand hiervan kan een selectiebesluit worden genomen. 4.4.6AWV categorieën 5 en 6 Gebieden met een hoge archeologische verwachting - In Winterswijk is onderscheid gemaakt tussen twee zones met een hoge archeologische verwachting. Onder AWV 5 zijn alle landschappelijke eenheden met een dikkere afdekkende laag weergegeven (profieltype 1). Voor gebieden met plaggendekken geldt bijvoorbeeld een verhoogde kans op de aanwezigheid van archeologische resten. De reden is dat gebieden waar plaggendekken voorkomen waarschijnlijk ook in de Prehistorie al aantrekkelijke vestigingslocaties waren. Mogelijk aanwezige archeologische resten zijn door het plaggendek goed afgedekt en hierdoor (mogelijk) goed beschermd. AWV 6 betreft alle overige landschappelijke eenheden waarvoor een hoge verwachting geldt (profieltypen 2 en 3) evenals een bufferzone rond historische nederzettingslocaties. In gebieden met een hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze terreinen dienen te worden voorkomen. Hierbij dient uitgegaan te worden van ingrepen dieper dan 40 cm (AWV 5) of 30 cm (AWV 6) of dieper dan de bekende bodemverstoring en plangebieden die groter dan 250 m² zijn. In geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen moet vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (kartering) worden uitgevoerd, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Bij vaststelling van archeologische waarden zal hiervan de omvang en gaafheid moeten worden vastgesteld aan de hand van een inventariserend veldonderzoek (waardering). De resultaten van een inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastgestelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanleiding geven tot een opgraving. Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeente als het bevoegde gezag. 4.4.7AWV categorie 7 Gebieden met een middelmatige archeologische verwachting - In gebieden met een middelmatige archeologische verwachting (profieltypen 4, 5 en 6) wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge archeologische verwachting. Ook voor deze gebieden geldt dat er bij voorkeur geen werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting leiden van archeologische resten. Het beleid is immers gericht op behoud van archeologische resten in de ondergrond. In geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen moet vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek, eventueel gevolgd door een inventariserend veldonderzoek (verkenning en indien relevant een kartering) worden uitgevoerd, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Dit betreft bodemingrepen dieper dan 30 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring en plangebieden die groter dan 1.000 m² zijn. Van eventuele archeologische waarden zal de omvang en gaafheid moeten worden vastgesteld aan de hand van een inventariserend veldonderzoek (waardering). De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastgestelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanleiding geven tot een opgraving. Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeente als het bevoegde gezag. 4.4.8AWV categorieën 8 en 9 Gebieden met een lage archeologische verwachting - In gebieden met een lage archeologische verwachting (profieltypen 7, 8, 9) wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge en middelmatige archeologische verwachting. Wel kunnen hier toevalsvondsten aangetroffen worden, waarvoor een meldingsplicht geldt. Vooral langs randen naar hogere delen in het landschap bestaat een verhoogde kans op archeologische resten. Voor de natte gebiedsdelen geldt een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten, maar een hoge archeologische verwachting voor resten van beekaccessen, beekovergangen, tijdelijke jachtkampen, afvaldumps en/of verdedigingswerken, jachtattributen, rituele deposities, verdedigingswerken, oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen en/of visattributen. Om te benadrukken dat het hierbij om een bijzondere categorie binnen de gebieden met een lage verwachting gaat is ervoor gekozen om de beekdalen (profieltypen 12 en 15) in een eigen verwachtingszone in te delen (AWV 9). Het gaat hier om een intact (oorspronkelijk) landschap waarin zeer bijzondere archeologische resten verwacht kunnen worden. Voor de oude rivierbeddingen geldt derhalve dat er bij voorkeur geen (grootschalige) werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting leiden van archeologische resten. Hierbij moet gedacht worden aan het uitgraven van restgeulen etc. Vooral als deze eenheid in samenhang met gebieden met een hogere archeologische verwachting wordt aangetroffen, is het gewenst het gehele gebied (dus hoog en laag) als geheel een hoge verwachting toe te kennen, met het daarbij horende beleid. Het beleid is gericht op behoud van zowel het landschap als ook van archeologische resten in de ondergrond. In geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen moet vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek, eventueel gevolgd door een inventariserend veldonderzoek (verkenning en indien relevant een kartering) worden uitgevoerd, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Dit betreft bodemingrepen die dieper dan 30 cm of de bekende bodemverstoring gaan en plangebieden die groter dan 5.000 m² zijn. Bij vaststelling van archeologische waarden zal hiervan de omvang en gaafheid moeten worden bepaald aan de hand van een inventariserend veldonderzoek (waardering). De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastgestelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanleiding geven tot een opgraving. Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeente als het bevoegde gezag. 4.4.9Bodemverstoringen Er is onderscheid gemaakt tussen bodemverstoringsgegevens die afkomstig zijn uit veldbodemkundige onderzoeken door het Staring Centrum en Alterra, en gegevens betreffende ontgrondingen waarvoor een provinciale ontgrondingsvergunning is afgegeven. Voor het te voeren beleid is informatie over de bodemverstoring van grote waarde. Afhankelijk van de diepte en verspreiding van de bodemverstoringen kan de aanwezigheid van archeologische resten wel of niet uitgesloten worden. Met het oog op een zorgvuldige belangenafweging moet, voorafgaand aan bodemingrepen, in de vroegste fase van planvorming een archeologisch bureauonderzoek worden uitgevoerd, eventueel gevolgd door een veldinspectie met als doel de diepte van de bodemverstoring te bepalen. Bij bodemingrepen in gebieden die als vergraven zijn aangegeven, wordt geadviseerd om de verstoringsdiepte te achterhalen. Afhankelijk van de diepte van de bodemverstoringen kan de aanwezigheid van archeologische resten wel of niet uitgesloten worden. Met het oog op een zorgvuldige belangenafweging moet, voorafgaand aan bodemingrepen, in de vroegste fase van planvorming een archeologisch bureauonderzoek worden uitgevoerd, eventueel gevolgd door een veldinspectie met als doel de diepte van de bodemverstoring te bepalen. 4.4.10Onderzoeksgebieden In gebieden waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, dient de gemeente de onderzoeksresultaten eerst te beoordelen om het onderzoekstraject te bepalen. Er dient opgemerkt te worden dat niet alle onderzoeksmeldingen volledig zijn ingevoerd. Hierdoor valt een groot aantal meldingen in de groep waarvan de status van het onderzoek onbekend is. Alleen door nader onderzoek (het lezen van het bij het onderzoek horende rapport) kan binnen deze groep meer onderscheid gemaakt worden. Indien archeologisch vervolgonderzoek zinvol blijkt, geldt het beleid voor de onderliggende (AWG-/AWV-)zone. Literatuur Bade, T. & G. Smid, 2008. Eigen haard is goud waard. Over de economische baten van cultuurhistorisch erfgoed. Utrecht Beek, R. van, 2009. Reliëf in tijd en ruimte: interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost-Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Wageningen Universiteit, Wageningen. Groot, T. de, A. Koekelkoren, M. Lobbes & B. Smit, 2011. Effecten van vrijstellingen voor archeologisch erfgoed. In: Lauwerier e.a.: Onderzoek naar de effectiviteit van de onderzoeksketen, sluipende degradatie en de effecten van vrijstellingen. RAM 196. ROB, 1998. Het handboek van ROB-specificaties - juni 1988. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Neefjes, J. & N.W. Willemse, 2009. Cultuurhistorische atlas Winterswijk. RAAP-rapport 1878. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Willemse, N.W. & M.H.J.M. Kocken, 2012. Archeologie met beleid: afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Willemse, N.W., 2010. Archeologisch beleid van de gemeente Winterswijk: de archeologische beleidskaart. RAAP-rapport 2033. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Gebruikte afkortingen AHN Actueel Hoogtebestand Nederland AMK Archeologische MonumentenKaart ARCHIS ARCHeologisch Informatie Systeem CHW Cultuurhistorische WaardenKaart IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie -Mv beneden maaiveld NAP Normaal Amsterdams Peil NITG Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen OAT Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer TNO Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek Overzicht van figuren, tabellen en (kaart)bijlagen Figuur 1. Ligging van het onderzoeksgebied. Figuur 2. De fysisch-geografische hoofdlandschappen binnen de gemeente Winterswijk (Tabel 4, Attribuut ‘Landschap’). Figuur 3. Opbouw van de kaartcodes van kaartbijlage 2. De ingekaderde code Edr1h linksboven is bedoeld als voorbeeld van een willekeurige codeopbouw. Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal. Tabel 2. GIS-tabellen behorende bij de kaartbijlagen 1 en 2. Tabel 3. Profieltypen voor de archeologische verwachtingswaarden (verwachting en dikte van een eventuele conserverende laag naar klassen: 0-30; 30-50; > 50 cm). Tabel 4. Tabelstructuur van het fysisch-geografisch basisbestand WIOG1_OG_vw_jjjjmmdd Tabel 5. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_OG_amk_ jjjjmmdd Tabel 6. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_OG_vp_ jjjjmmdd Tabel 7. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_OG_histned_punt_ jjjjmmdd Tabel 8. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_OG_histned_punt_ jjjjmmdd Tabel 9. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_OG_ozk_ jjjjmmdd Tabel 10. Tabelstructuur van het bestand WIOG1_OG_Bodemverstoringen_ jjjjmmdd Tabel 11. Overzicht van het aantal geadviseerde vervolgonderzoeken na archeologisch vooronderzoek bij verschillende onderzoeksoppervlakten voor de gemeenten Oost Gelre en Winterswijk. Bijlage 1. (op cd-rom). Catalogus van archeologische vindplaatsen in de gemeente Winterswijk (MS-Excel 2010). Bijlage 2. (op cd-rom). Catalogus met AMK-terreinen (MS-Excel 2010). Bijlage 3. (op cd-rom). Catalogus met onderzoeksgebieden (MS-Excel 2010). Bijlage 4. (op cd-rom). Catalogus met Rijksmonumenten. Bijlage 5. (op cd-rom). Catalogus met gemeentelijke monumenten. Bijlage 6. (op cd-rom). Toegekende generieke verwachtingswaarde per landschappelijke eenheid. Bijlage 7. GIS-tabellen behorende bij kaartbijlage 1 en 2 Kaartbijlage 1. Aardkundige kaart met reliëfvormen en ontstaanswijzen, schaal 1:20.000 Kaartbijlage 2. Archeologische waarden- en verwachtingenkaart, schaal 1:10.000 (in drie bladen) Kaartbijlage 3. Archeologische beleidskaart, schaal 1:16.000