De gemeenten Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond in onverharde wegbermen van rijks-, provinciale, spoor- en dijkwegen (
De gemeenten Het onder voorwaarden verruimen van de regels voor het toepassen van grond op waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland met het oog op hoogwaterbescherming (
De gemeenten Het verruimen van de regels bij het tijdelijk opslaan van grond (ruimere eisen kwaliteit grond;
De gemeenten Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur én groenvoorzieningen (de grond van verschillende bodemlagen hoeft niet gescheiden te worden ontgraven en in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst, met uitzondering van de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ (boven- en ondergrond) en 'B4./O4. Industrie voor 1950';
De gemeenten Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld (de zintuiglijk niet-verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter mag op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 tot 2,0 meter diepte;
De gemeenten Het verruimen van de regels bij grondstromen met kleine partijen grond (niet altijd is een onderzoek nodig en er hoeft geen melding te worden gedaan;
De gemeenten Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit (bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is;
De gemeenten Het vaststellen van strengere eisen voor het toepassen van grond als deze verdacht is voor nieuw onderkende verontreinigingsbronnen (verplicht onderzoek voorafgaand aan het hergebruik van grond als deze verdacht is op het voorkomen van bijvoorbeeld de stof PFOA;
De gemeenten Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond ter voorkoming van het verspreiden van plaagsoorten (flora) zoals de Japanse duizendknoop (
De gemeenten Het aanpassen van de regels voor het toepassen van grond (ruimere toepassingseisen ter plaatse van (voormalige) boomgaarden (
De overige gemeenten Neder-Betuwe West Maas en Waal Het uitbreiden van het bodembeheergebied van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe en Zaltbommel met het grondgebied van de gemeente West Maas en Waal (
De gemeenten Na toestemming van het college van burgemeester en wethouders het onder voorwaarden verruimen van de regels voor het toepassen van grond (ruimere toepassingseisen ) in gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ (
De overige gemeenten West Maas en Waal Het vaststellen van strengere eisen voor het toepassen van grond (verplicht onderzoek voorafgaand aan hergebruik van grond) vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ als de bermgrond niet in een onverharde wegberm wordt hergebruikt (
De overige gemeenten Neder-Betuwe en West Maas en Waal Het vaststellen van strengere eisen voor het toepassen van grond (verplicht onderzoek voorafgaand aan hergebruik van grond) vanuit de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ (boven- en ondergrond) en 'B4./O4. Industrie voor 1950' (boven- en ondergrond;
De overige gemeenten West Maas en Waal Het onder voorwaarden verruimen van de definitie ‘aangrenzend perceel’ bij het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie (onderhoudsbaggerspecie mag in een groter gebied worden verspreid/tijdelijk worden opgeslagen;
De overige gemeenten Neder-Betuwe en West Maas en Waal Het onder voorwaarden verruimen van de regels voor het verspreiden van baggerspecie uit stedelijk gebied voor bodemverbetering (ruimere toepassingseisen;
De overige gemeenten Neder-Betuwe en West Maas en Waal Vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij aanvraag omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging;
hoofdstuk 11). De overige gemeenten Neder-Betuwe, Tiel Het vaststellen van eisen bij het toepassen van grond met bijmenging van bodemvreemd materiaal (bijmenging toe te passen grond is vergelijkbaar met ontvangende bodem;
De gemeenten Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond met asbest op terreinen met gevoelig bodemgebruik (de grond moet zijn ontdaan van visueel waarneembaar asbestverdacht materiaal;
De gemeenten Het vaststellen van strengere eisen voor het toepassen van grond (voor het zware metaal lood) vanuit gebieden buiten het bodembeheergebied bij grondverzet in gebieden waarvoor de gemeenten zelf strenger beleid hebben vastgesteld dan de landelijke regelgeving (
De gemeenten Het toepassen van grond in grootschalige bodemtoepassingen en het vaststellen van strengere eisen hierbij (strenger beleid is vastgesteld voor de van de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ (boven- en ondergrond) en 'B4./O4. Industrie voor 1950';
De gemeenten Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag (
De gemeenten Geldigheidsduur van eventueel uitgevoerd onderzoek (
.11.2, § 8.1) De gemeenten Het vaststellen van strengere eisen voor grond vanuit categorie 1-werken (voormalige Bouwstoffenbesluit; verplicht onderzoek voorafgaand aan hergebruik van grond;
De overige gemeenten West Maas en Waal Het gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een kwaliteitsonderzoek is uitgevoerd (
De overige gemeenten West Maas en Waal Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond en verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (
De gemeenten Na toestemming van het college van burgemeester en wethouders het onder voorwaarden verruimen van de regels voor het toepassen van grond (ruimere toepassingseisen ) in de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ (
De gemeenten Het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering (
De gemeenten Het toepassen van grond vanuit of in gebieden die zijn uitgesloten van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart (
De gemeenten Grondverzet ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties (
De gemeenten Grondverzet ter plaatse van provinciale beschermingsgebieden (
De gemeenten Het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend percelen (generiek kader Besluit bodemkwaliteit;
.2) De gemeenten Beoogd effect Met het vaststellen van dit geactualiseerde grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeenten milieuvriendelijk grondstromenbeleid in uitvoering brengen en voortzetten dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende verontreinigde grond verantwoord her te gebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). Gedelegeerde bevoegdheden Het geactualiseerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit gebiedsspecifieke beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraden van Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: het tussentijds aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaart; het toevoegen van aanvullende gegevens en nu uitgesloten locaties/gebieden[1] aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gemeentelijke gebiedsspecifieke grondstromenbeleid; het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart van een ander bodembeheergebied als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gemeentelijke gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Voor de gemeente West Maas en Waal is dit een nieuw besluit. Voor de gemeente Neder-Betuwe is dit een aanpassing van het besluit dat in 2012 is genomen. Voor de overige gemeenten is dit een voortzetting van de delegatie waarop deze gemeenten in 2012 een besluit hebben genomen. Financiën Het geactualiseerde grondstromenbeleid heeft voor de gemeenten geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, hebben de gemeenten digitaal en interactief inzichtelijk gemaakt met een website die voor iedereen te raadplegen is: http://www.geosolutions.nl/sites/rivierenland/ . Hiermee wordt al vooruitgelopen op een van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treedt. Ook zijn de kaarten van deze nota bodembeheer te raadplegen op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. [1] Voor bodemverontreiniging verdachte locaties, gesaneerde locaties (alleen voor de ontgravingskaart), voormalige stortlocaties (alleen voor de ontgravingskaart), locaties zonder meetgegevens, gebieden waar geen grondverzet wordt verwacht, gebieden in beheer van andere organisaties(Rijkswaterstaat, Provincie, Waterschap) en het grondwater. 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling De gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel (
figuur 1.1 en, als niet specifiek benoemd, hierna aangeduid als ‘de gemeenten’) willen een gezamenlijk grondstromenbeleid voeren. Om dit te realiseren hebben de gemeenten de eerder bestuurlijk vastgestelde gemeentelijke bodemfunctieklassenkaarten en bodemkwaliteitskaarten van de gemeente Neder-Betuwe, de gemeente West Maas en Waal en de andere gemeenten[1] geïntegreerd en geactualiseerd in een nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart[2]. Ook zijn de eerder opgestelde nota’s bodembeheer van de gemeente Neder-Betuwe, de gemeente West Maas en Waal en de andere gemeenten[3] geïntegreerd en geactualiseerd met deze nieuwe gezamenlijke nota bodembeheer. Met deze gezamenlijke nota bodembeheer en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart worden de eerder bestuurlijk vastgestelde nota’s bodembeheer, en de onderliggende bodemkwaliteitskaarten vervangen. Deze gezamenlijke nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. De wens voor gezamenlijk grondstromenbeleid valt samen met het gegeven dat in de nota’s bodembeheer en in de Regeling bodemkwaliteit[4] (artikel 4.3.5) een actualisatiemoment is opgenomen van de bodemkwaliteitskaarten. Dat moment is 5 jaar na bestuurlijke vaststelling. Figuur 1.1 De gemeenten: Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. Het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit bodemkwaliteit[5] en de Regeling bodemkwaliteit (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor het milieuvriendelijk en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied (de kwaliteit van de bodem moet gelijk blijven en op termijn verbeteren). Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze gezamenlijke nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeenten kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart zijn de instrumenten voor dit milieuvriendelijke grondstromenbeleid. Op de gezamenlijke bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’ (meestal landbouw en natuur) weergegeven. De gezamenlijke bodemkwaliteitskaart geeft voor de gemeenten de te verwachten gemiddelde chemische bodemkwaliteit aan van voor bodemverontreiniging niet verdachte locaties weer. De gemeenten hebben binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeenten. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.2 Afbakening nota bodembeheer 1.2.1 Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het toepassen van grond op of in de landbodem de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, is hiervoor de behandelende overheid het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Binnendijks is dat voor de gemeenten het Waterschap Rivierenland. Buitendijks (uiterwaarden en bergingsgebieden van grote rivieren) is dat Rijkswaterstaat. 1.2.2 Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeenten. Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (
artikel 35 van het Besluit en de toelichting in § 2.1.1 van bijlage 2). Als dat niet zo is, wordt de toe te passen/toegepaste grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanuit geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming[6]. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen vanuit de Wet bodembescherming komen in de Aanvullingswet – en besluit bodem Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten, een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een volledige demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Rivierenland) en de betreffende gemeente. 1.2.3 Gebied waar dit beleid van toepassing op is en grens landbodem-waterbodem 1.2.3.1 Gebied waar dit beleid van toepassing op is Het gebied waarvoor de gemeenten gebiedsspecifiek beleid hebben opgesteld in het kader van het (nuttig) toepassen van grond omvat de grondgebieden binnen de gemeentegrenzen met uitzondering van: Aangegeven op de kaarten: Door gemeenten aangewezen gebieden die geheel verdacht zijn voor bodemverontreiniging, waar geen meetgegevens over beschikbaar zijn om te voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijnbodemkwaliteitskaarten en/of waar geen grondverzet wordt verwacht: Gemeente Buren: steenfabriek Roodvoet in Rijswijk, vakantiepark Eiland van Maurik, campingterrein De Schans in Maurik, fabrieksterreinen Marsdijk in Lieden
artikel 4.3.5 van de Regeling). Ook de bodemfunctieklassenkaart wordt dan geëvalueerd. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Na evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart moeten deze, ongeacht of er wijzigingen zijn opgetreden, opnieuw door het college van burgemeester en wethouders bestuurlijk worden vastgesteld. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. Met deze gezamenlijke nota bodembeheer en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn de eerder bestuurlijk vastgestelde nota’s bodembeheer, en de onderliggende bodemkwaliteitskaarten vervangen. 1.4 Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid 1.4.1 Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 9.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[9] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van
hoofdstuk 11); de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is (
Ten slotte ontsluiten de gemeenten het van het gemeentelijke grondstromenbeleid via een website: http://www.geosolutions.nl/sites/rivierenland/. Hiermee lopen de gemeenten al vooruit op de Omgevingswet. Ook zijn de kaarten van deze nota bodembeheer te raadplegen op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.6 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten waarna in hoofdstuk 3 een toelichting wordt gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het gebiedsspecifieke beleid voor de toepassing van grond wordt in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het overige gemeentelijke beleid wordt weergegeven in hoofdstuk
tabel 2.1 en de kaartbijlage 2A en 2B). Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. In § 1.2.3.1 is aangegeven welke locaties en gebieden geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[10]. De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de stoffen barium (
ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor de (voormalige) boomgaarden, tot 0,5 meter diepte, is de bodemkwaliteitskaart ook opgesteld voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). De bodemkwaliteitszone van de bovengrond ‘B
hoofdstuk 2, tabel 2.2). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een milieuvriendelijker en goedkoper grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4 De uitwerking van het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid 4.1 Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik en toepassen van grond Op basis van de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten en de regels van het generieke kader van het Besluit (
hoofdstuk 2) treden knelpunten op bij de beoogde grondstromen. De toepassingseisen van de ontvangende bodem zijn strenger dan de kwaliteit van de toe te passen grond. De grond die niet kan worden hergebruikt moet dan worden getransporteerd naar een erkend verwerker wat leidt tot extra uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2 en meer gebruik van energie om grond te verwerken. Ook worden extra verwerkings- en aanschafkosten voor grond gemaakt. Om het beleid toe te passen in de gemeenten en om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit, is het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid geactualiseerd. Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generieke beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor zover het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaat; er mogen geen risico’s bij het (toekomstige) bodemgebruik ontstaan. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (
Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert (
bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem (Generiek kader Besluit bodemkwaliteit). Binnen de gemeenten is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (
.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (
.3) niet worden overschreden; als elders in het gebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op niveau van het bodembeheergebied wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (
Naast het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. 4.2 Uitbreiding van het bodembeheergebied en acceptatie bodemkwaliteitskaarten Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota wordt het bodembeheergebied voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. 4.3 Vaststellen Lokale Maximale Waarden 4.3.1 Inleiding De mogelijkheid voor hergebruik van gebiedseigen (licht verontreinigde) grond op relatief schone gebieden is onder het generieke kader van het Besluit niet toegestaan. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. Door gebiedsspecifiek grondstromenbeleid op te stellen, wordt het mogelijk dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen licht verontreinigde grond mag worden toegepast. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeenten en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van licht verontreinigde grond of kosten voor extra onderzoek. Ook worden door de gemeente strengere Lokale Maximale Waarden voor lood vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik, voor de toegestane bijmenging van bodemvreemd materiaal en grond met bijmenging van asbestverdacht/-houdende grond. De in de hierna volgende paragrafen gedefinieerde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (
ook § 4.2 en § 5.6). Uitzondering hierop vormt het beleid dat strenger is dan het generieke kader van het Besluit. Het betreft strengere toepassingseisen voor grond in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden (
.3.2 ‘Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden’) en strengere toepassingseisen voor grond met lood op terreinen met gevoelig bodemgebruik (
.3.3 ‘Lokale Maximale Waarden gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’). 4.3.2 Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden In regio Rivierenland liggen een aantal waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de provincie Gelderland: waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_drinkwater). Bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie is de Omgevingsverordening Gelderland leidend. Als de Omgevingsverordening wordt aangepast en vastgesteld door Provinciale Staten, dan geldt het aangepaste beleid. Waterwingebieden Waterwingebieden moeten optimaal worden beschermd als het gaat om het voor drinkwater bestemde grondwater en de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt. Uit artikel 3.3.2.5 ‘Regels voor activiteiten buiten inrichtingen’ van de Omgevingsverordening volgt dat in waterwingebieden in Gelderland elke handeling buiten inrichtingen is verboden die ervoor kan zorgen dat stoffen in het grondwater komen en negatieve effecten heeft op de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden mag alleen grond en baggerspecie worden toegepast die aan de kwaliteitsnorm van de Achtergrondwaarde (AW2000)’ voldoen. Grondwaterbeschermingsgebieden In grondwaterbeschermingsgebieden moet het grondwater dat is bestemd voor drinkwaterwinning worden beschermd. In deze gebieden moet minimaal het bestaande beschermingsniveau in stand worden gehouden (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau wordt bereikt. Uit artikel 3.3.3.13 ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening volgt dat grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ mag worden toegepast. Onder 2 voorwaarden mag grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast: De grond of baggerspecie moet afkomstig zijn uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied (standstill op gebiedsniveau). Aangetoond is dat de ontvangende bodem in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ valt. Het is niet toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ op een schone bodem toe te passen (standstill op lokaal niveau). De grondwaterbeschermingsgebieden vallen op de bodemfunctiekaart grotendeels onder de functie ‘Landbouw/natuur’. Hier mag alleen schone grond worden toegepast. In de gemeente West Betuwe (Waardenburg) valt het grondwaterbeschermingsgebied in de deels onder de functie ‘Wonen’ en deels onder de functie ‘Industrie’. Als wordt aangetoond dat de ontvangende bodem in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ valt, mag grond uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Grond met de kwaliteitsklasse Industrie mag niet worden toegepast, ook al komt de grond uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied. Grootschalige bodemtoepassingen Uit artikel 3.3.3.13 ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening volgt dat het toetsingskader van het Besluit voor grootschalige bodemtoepassingen (artikel 63 van het Besluit;
ook § 5.8 en § 2.1.1 van bijlage 2) niet geschikt is voor grondwaterbeschermingsgebieden. Hiervoor is strenger beleid opgesteld. De grond en baggerspecie die wordt toegepast moet uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig zijn (standstill op gebiedsniveau). In de kern van een grootschalige bodemtoepassing moet grond én baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of schoner. De grootschalige bodemtoepassing moet worden gemeld bij zowel het bevoegd gezag van het Besluit (
.2.1) als bij Gedeputeerde Staten van Gelderland (post@gelderland.nl;
ook artikel 3.3.6 van de Omgevingsverordening). Deze laatste melding moet drie weken voordat de werkzaamheden beginnen worden gedaan. Verspreiden onderhoudsbaggerspecie Baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, onderzocht is volgens de NEN 5720[12] én voldoet aan de toetsnormen voor het verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. De gemeenten staan toe dat grond van bodemkwaliteitszones met de verwachte kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ zonder keuring in de waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden mag worden toegepast mits de grond niet afkomstig is van voormalige boomgaarden (periode 1945-2000) of vanaf locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. Grond afkomstig van (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) moet altijd worden gekeurd (
.2.1) en voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ (
Hetzelfde geldt voor grond vanuit bodemkwaliteitszones die niet voldoen aan de verwachte de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ en vanaf locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. De toepassingseis in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden is over het algemeen de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ (
bijlage 7a). Onder voorwaarden mag grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (in grootschalige bodemtoepassingen) worden toegepast. Onderhoudsbaggerspecie die voldoet aan de toetsnormen voor verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. De gemeenten staan toe dat grond van bodemkwaliteitszones met de verwachte kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ zonder keuring in deze gebieden mag worden toegepast mits de grond niet afkomstig is van voormalige boomgaarden (periode 1945-2000) of van locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. De Omgevingsverordening Gelderland is leidend bij het toepassen van grond en baggerspecie. 4.3.3 Lokale Maximale Waarden in gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ Om de nu relatief beperkte generieke toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, kunnen de gemeenten onder voorwaarden toestaan dat in gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, grond mag worden toegepast die voldoet aan de (toekomstige) bodemfunctie (
kaartbijlage 5A en 5B). De schone gebieden betreffen met name de bodemkwaliteitszones ‘B3./O
bijlage 5) en kunnen worden gebruikt bij het bodemgebruik ‘wonen met tuin’. Voor de parameter lood zijn voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’, afhankelijk van het (toekomstige) bodemgebruik, Lokale Maximale Waarden opgesteld. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Rekening gehouden moet worden met het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik (
de hieronder vermelde uitzondering 2 van 2). Voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ zijn Lokale Maximale Waarde vastgesteld (
bijlage 7a). Uitzondering 2: het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik met een gehalte aan lood boven 100 mg/kg (gemeten gehalte). Gevoelig bodemgebruik wordt hier gedefinieerd als zijnde Wonen met onverharde tuinen, plaatsen waar kinderen spelen[1], moes-/volkstuin(complex)en[2], intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen. Voor het toepassen van grond op terreinen met deze gevoelige bodemgebruiken stellen de gemeenten strengere eisen voor lood. Lood in de bodem kan met name risico’s opleveren voor jonge kinderen (0-6 jaar). De gemeenten volgen hierin het advies van de GGD Gelderland-Zuid die voor lood in de grond een gezondheidskundige waarde heeft gedefinieerd gebaseerd op het ALARA-principe (‘As Low As Reasonably Achievable[3]’;
bijlage 5). De gezondheidskundige waarde voor lood bedraagt 90 mg/kg ds, gemeten gehalte. De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor lood op een gehalte gelijk aan 100 mg/kg ds (gemeten gehalte). Reden hiervoor is dat deze waarde gelijk is aan 2 maal de Achtergrondwaarde (AW2000). In theorie is het mogelijk dat schone grond een loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) kan bevatten. De gemeenten vinden het niet wenselijk om schone grond hierop af te keuren. In bijlage 3B is een overzicht opgenomen van de bodemkwaliteitszones met de statistische parameters gebaseerd op de gemeten waarden aan lood. Onder voorwaarden kunnen de Lokale Maximale Waarde voor schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vastgesteld op respectievelijk de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’. Uitzondering op dit beleid is het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik met een gehalte aan lood boven 100 mg/kg. De grond mag maximaal een loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) bevatten. 4.3.4 Lokale Maximale Waarden en toepassen van grond vanaf (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) 4.3.4.1 Inleiding Ter plaatse van (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, is vastgesteld dat in de bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zijn heterogeen verdeeld en komen over het algemeen in licht (en soms in sterk) verhoogde gehalten voor. Ook licht verhoogde gehalten met organochloorbestrijdingsmiddelen zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft er mee te maken dat bij een aantal individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is gesteld aan de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vanaf de (voormalige) boomgaarden vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor de mens staan de gemeenten onder voorwaarden lokale verslechtering toe voor grond vanaf voormalige boomgaarden. Het gebiedsspecifieke beleid wordt in de onderstaande paragrafen uiteengezet. 4.3.4.2 Uitgangspunten De uitgangspunten voor sanering en hergebruik/toepassen van grond met bestrijdingsmiddelen worden vooral bepaald door de risico’s en het grondverzet in regio Rivierenland. Voor bestrijdingsmiddelen geldt dat er bij relatief lage gehalten sprake is van een (theoretisch) ecologisch risico, terwijl pas bij relatief hoge gehalten er sprake is van een humaan risico. Voor de relatief veel in hoge gehalten aangetroffen bestrijdingsmiddelen DDT en DDE is dat boven de interventiewaarde. In het kader van het gebiedsspecifieke beleid wordt onderscheid gemaakt in de volgende situaties: Voormalige boomgaarden in huidige en toekomstige woon- en industriegebieden. Bestaande en voormalige boomgaarden in het buiten gebied. Boomgaarden in bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatrichtlijngebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). In de hierna volgende paragrafen is nader ingegaan op het gebiedsspecifieke beleid. 4.3.4.3 Lokale Maximale Waarden voor toepassing grond vanaf een (voormalig) boomgaard perceel op een (voormalig) boomgaard perceel (periode 1945-2000) Ter plaatse van (toekomstige) woon- en industriegebieden In woon- en industriegebieden zijn vooral humane risico’s van belang. Bij uitbreidingen van woon- en industriegebieden in het buitengebied verschuift de functie, waarbij vooral humane risico’s van belang zijn en een lager ecologisch beschermingsniveau vereist is . Vanuit een beleidsmatig oogpunt is het wenselijk om in woon- en industriegebieden hogere waarden te accepteren bij sanering en hergebruik van grond dan in het landelijk gebied en een verslechtering voor wat betreft bestrijdingsmiddelen toe te laten ten gunste van het landelijk gebied. De gemeenten hanteren in de (toekomstige) woon- en industriegebieden waar sprake is geweest van boomgaarden Lokale Maximale Waarden voor bestrijdingsmiddelen. Hierdoor kan meer grond binnen en tussen de (voormalige) boomgaarden worden hergebruikt. Deze waarden gelden alleen voor de bovengrond. De Lokale Maximale Waarden zijn onderbouwd door de GGD Gelderland Zuid. De onderbouwing is opgenomen in bijlage 5. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Of sprake is geweest van een voormalige boomgaard perceel (verdachte periode van gebruik bestrijdingsmiddelen: 1945-2000) moet worden achterhaald via de volgende website: http://topotijdreis.nl/. Met de Lokale Maximale Waarden worden de risico’s op ongecontroleerd verzet van sterk verontreinigde grond en onaanvaardbare ecologische risico’s (optredend boven het saneringscriterium) tegen gegaan. De Lokaal Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden. Hier gelden de in het saneringsplan opgenomen terugsaneerwaarden en eisen voor de leeflaag. Ter plaatse van de (toekomstige) woon- en industriegebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn voor de bovengrond Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld (
bijlage 7a). Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (
De Lokaal Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al Ter plaatse van het buitengebied Het gebiedsspecifieke beleid voor bestaande en voormalige boomgaarden in het buitengebied is er op gericht de meest verontreinigde locaties aan te pakken en verspreiding vanuit deze locaties tegen te gaan. Gezien de omvang van de verontreiniging van bestrijdingsmiddelen is het terugbrengen van de bodemkwaliteit naar generieke bodemkwaliteitseisen niet haalbaar. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit hanteren de gemeenten de standstill situatie op het niveau van het bodembeheergebied. Bij sanering ter plaatse van boomgaarden én bij hergebruik van grond tussen boomgaarden in het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden hanteren de gemeenten de 90-percentielwaarde als Lokale Maximale Waarden voor de bestrijdingsmiddelen (
bijlage 7b). Als de 90-percentielwaarde lager is dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is de Achtergrondwaarde (AW2000) gehanteerd. Alle 90-percentielwaarden van de bestrijdingsmiddelen zijn lager dan de interventiewaarden (factor 1,5-1.397) en de humaan toxicologische waarde (factor 9-4.780) vastgesteld (
bijlage 5 tabel 3). Hierdoor blijft hergebruik van grond binnen het buitengebied mogelijk, terwijl onaanvaardbare risico’s worden tegengegaan. Als gevolg van het heterogene karakter van de verontreiniging mag dus een verslechtering van de bodemkwaliteit plaatsvinden op de locatie van toepassing. De verslechtering wordt tegelijkertijd gecompenseerd op de locatie van ontgraving elders in regio Rivierenland waar een kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Met het accepteren van de 90-percentielwaarde als Lokale Maximale Waarde voor het buitengebied, zijn niet alle ecologische risico’s weggenomen. Volgens de in 2012 uitgevoerde berekeningen met de risicotoolbox met vergelijkbare waarden, overschrijdt het 90-percentielwaarde in boomgaarden het matig beschermingsniveau (
tabel 5.1 en bijlage 6). Het wegnemen van alle ecologische risico’s in regio Rivierenland wordt, gezien de talrijke (voormalige) boomgaarden en gerelateerde verontreinigingen, niet haalbaar geacht. Bij deze (voormalige) boomgaarden spelen ecologische risico’s een minder belangrijke rol dan bij (voormalige) boomgaarden in bodembeschermingsgebieden. Tabel 5.1 Gehalten bestrijdingsmiddelen voor het vaststellen van ecologische risico’s (in mg/kg ds). Stof 2012 2018 DDT 0,85 0,6441 DDD 0,09 0,1039 DDE 2,04 1,5705 Ter plaatse van het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld: de 90-percentielwaarden (
bijlage 4 bodemkwaliteitszone ‘B7. Voormalige boomgaarden’). Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (
Ter plaatse van bodembeschermingsgebieden Voor bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden) wordt naar een verbetering van de bodemkwaliteit gestreefd. Deze gebieden zijn aangegeven op de website van de provincie Gelderland: (http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_drinkwater)en http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/AtlasGelderland. Binnen deze gebieden mag alleen grond met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ worden toegepast (
bijlage 7a). Dit moet worden aangetoond met een partijkeuring, onder voorwaarden is geen partijkeuring noodzakelijk (
Overigens is de Omgevingsverordening (
.3 van bijlage 2) in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden leidend voor het toepassen van grond en baggerspecie. Als deze wordt aangepast en vastgesteld door Provinciale Staten, dan geldt het aangepaste beleid. Bij sanering wordt de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ aangehouden als terugsaneerwaarde. Ter plaatse van de bodembeschermingsgebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld: ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’. Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met een partijkeuring (
4.3.4.4 Toepassen grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B
Bekend is dat onverharde bermgrond van drukke (spoor)wegen belast wordt met verontreinigende stoffen. De gemeenten vinden het daarom niet duurzaam dat bij de (meeste) onverharde bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeenten vinden het aanvaardbaar om voor de voornoemde (weg)bermen Lokale Maximale Waarden vast te stellen. De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor het toepassen van grond ter plaatse van de bermen van rijks-, provinciale, dijk- en spoorwegen vast op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Hierdoor worden de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ vergroot. De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze onverharde (weg)bermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen onacceptabele risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie' of ‘Wonen’ wordt toegepast. Met onverharde wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de weg of spoorweg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (
ook figuur B1. in bijlage 1): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen onderaan een dijk geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de hiel van de dijk. Bij de wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. Ter plaatse van de bodembeschermingsgebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld: ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’. Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met een partijkeuring (
4.3.5.2 Toepassen grond in en vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B
Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. Als de kwaliteit van de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond worden toegepast op locaties waar een vergelijkbare toepassingseis, of ruimer, geldt. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond (
.2) met gehalten boven de vastgestelde Lokale Maximale Waarde tóch in de gemeenten wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B
artikel 35 onderdeel c van het Besluit). 4.3.6.2 Lokale Maximale Waarde De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van grond, verworden van baggerspecie uit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en 'Industrie' vergroten door toe te staan dat deze grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ’Industrie’ mag worden gebruikt voor het op hoogte brengen van de waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland. Voorwaarde is dat de kwaliteit blijkt uit een partijkeuring, en dat de laag opgebrachte grond wordt afgedekt met een teeltlaag van circa 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN5740 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast. Op deze manier voldoet de regionale waterkering aan het toekomstige gebruik en kan een doelmatige toepassing van grond van het Waterschap Rivierenland worden bereikt bij zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, zonder afbreuk te doen aan het milieu. De ligging van de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland, is opgenomen in kaartbijlage 7. De Lokale Maximale Waarde voor het op hoogte brengen van de waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland is, voor grond die is verworden uit baggerspecie vanuit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ . Voorwaarde hierbij is dat nadat de grond is opgebracht deze wordt afgedekt met een teeltlaag van minimaal 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN5740 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de regionale waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast. 4.3.7 Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (
respectievelijk de tabellen 3.6 en 3.5 van de rapportage van de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader (het standstill principe). In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/gerijpte baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom verruimen de gemeenten de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (
.2) mag, voorafgaand aan de definitieve toepassing, tijdelijk worden opgeslagen als de kwaliteit van de grond voldoet aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse (
tabel 3.5 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart) óf de vastgestelde Lokale Maximale Waarden, gebiedsspecifieke toepassingseisen (
voorgaande paragrafen van § 4.3). De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (
[1] Onder plaatsen waar kinderen spelen wordt verstaan: onverharde openbare kinderspeelplaatsen, onverharde delen op schoolpleinen en onverharde speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. [2] Het betreft moestuin- en volkstuin(complex)en met een oppervlakte > 200 m² en tuinen met > 200 m2 gewasteelt. [3] `zo laag als redelijkerwijze haalbaar is’. 5 De uitwerking van het overige gemeentelijke grondstromenbeleid 5.1 Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. In de bodem van de gemeenten wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal aangetroffen. Ook gaat de omschrijving ‘gewichtspercentage’ niet op voor lichte bodemvreemde materialen zoals plastic of piepschuim. Daarom hanterend e gemeenten het onderstaande beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: Bij het aanleveren van historische gegevens (
.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. In de toe te passen grond mag maximaal een vergelijkbare hoeveelheid bodemvreemd materiaal bevatten als de ontvangende bodem, met een maximum van 20 gewichtsprocent voor bijvoorbeeld niet-asbestverdacht bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld klinkers, bakstenen of tegels). Om het milieu minder met plastics te belasten mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ bijmenging aan plastics bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. De gemeenten stellen dezelfde eis voor andere lichte bodemvreemde materialen zoals piepschuim. Als er twijfel is kan een gemeente een onderzoek eisen waarbij het percentage bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond en/of de ontvangende bodem wordt bepaald. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbo omstandighedenbesluit), moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend (asbest)onderzoek worden uitgevoerd en moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Rivierenland. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen. Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Rivierenland en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt. Toe te passen grond mag maximaal een vergelijkbare hoeveelheid bodemvreemd materiaal bevatten als de ontvangende bodem, met een maximum van 20 gewichtsprocent voor bijvoorbeeld niet-asbestverdacht bodemvreemd materiaal én een ‘sporadische’ bijmenging aan lichte materialen zoals plastics of piepschuim. 5.2 Toepassen van grond met bijmenging van asbest Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten hanteren de landelijke norm met als voorwaarde dat de grond moet zijn ontdaan van visueel waarneembaar asbest. Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[14] of NEN 5897[15] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. De NEN 5707 moet worden gebruikt bij een bijmenging met bodemvreemd materiaal tot en met 50 gewichtsprocent. Als meer dan 50 gewichtsprocent aan bijmenging met bodemvreemd materiaal is vastgesteld, moet de NEN 5897 worden gebruikt. In overleg met de Omgevingsdienst Rivierenland kan ook direct een partijkeuring worden uitgevoerd (inclusief, dan wel specifiek op asbest). Een onderzoek conform de NEN 5707 of de NEN 5897 is volgens het de Regeling (
paragraaf 4.3) namelijk geen erkende bewijsmiddelen. Of bodemvreemd materiaal daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terechtgekomen) en de soort puinbijmenging. Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin in de grond geen asbest kan bevatten, is de grond niet-verdacht voor asbest. In de NEN 5725 is hierover het volgende beschreven: “Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat is toegepast en het historisch gebruik van de locatie, bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel is toegepast. Er zijn verschillende typen puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen en historisch puin. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval is de kans groot dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (vooral funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes. In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin -puin van voor 1945-) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht. De kans op het aantreffen van asbest is sterk afhankelijk van de herkomst en ouderdom van het materiaal. Op basis van de leeftijd van het bouw‐ en sloopafval of recyclinggranulaat is het mogelijk om de verdachtheid nader vast te stellen.” In tabel 5.2 is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal. Recent onderzoek door TNO[16] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties: hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin; hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is; hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn. Tabel 5.2 Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725) Periode Kans op aantreffen asbest Soort asbest Indicatief gehalte (mg/kg) Asbestverdacht? Puin Vóór 1945 Gering Hechtgebonden <10 Nee 1945-1980 Groot Hechtgebonden en niet-hechtgebonden >100 Ja 1980-1993/1995 Tamelijk groot Meestal hechtgebonden 10-100 Ja 1993/1995-1998 Gering Meestal hechtgebonden Vaak <10, incidenteel >10 In principe ja 1998-2005 Incidenteel Hechtgebonden < 10 Nee Na 2005 Nihil Hechtgebonden <<10 Nee (Gecertificeerd) recyclinggranulaat <1998 (niet gecertificeerd) Groot Ja 1998-2005 (gecertificeerd) Tamelijk groot Ja Na 2005 (gecertificeerd) Nihil Nee Onder Certiva certificaat Nee Puin Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is. Nee Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd. Nee Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-007/BRL9999. Nee Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999. Nee Voor grondverzet op terreinen waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn wordt voor de wijze van het uit te voeren bodemonderzoek verwezen naar de handreiking asbest en bodem[17] die is opgesteld in opdracht van het Gelders Ondergrond Overleg. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: de provincie Gelderland. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (
bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[18]). Als in toelaatbaar met asbest verontreinigde grond méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Door een wijziging van de Wet milieubeheer in 2018 is het eenvoudiger geworden om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond mag maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten met als voorwaarde dat de grond moet zijn ontdaan van visueel waarneembaar asbest. 5.3 Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur (uitgezonderd de tot het jaar 2000 aangelegde wegen) en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens; aangelegde wegen tot het jaar 2000 vallen hier niet onder,
.2.3.1) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking[1] plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet- verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Uitgezonderd van dit beleid is de tijdelijke uitname van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ en ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’. In deze zones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld. Als er gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de graafwerkzaamheden in deze zones een onderzoek plaatsvinden (
Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Mogelijk kan gebruik worden gemaakt van een BUS-melding[19] tijdelijke uitname. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als niet wordt gewerkt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de werkzaamheden in deze zones een onderzoek plaatsvinden (
Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Mogelijk kan gebruik worden gemaakt van één of meerdere BUS-meldingen. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond die op het werk blijft worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De grond die niet op het werk blijft moet, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd (
Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 8.2, § 9.1, § 9.2.1 en § 9.2.
§ 8.2.1. Grond afkomstig van buiten regio Rivierenland moet voldoen aan de generieke maximale Waarde Wonen, respectievelijk de waarde Industrie. Hierdoor wordt het standstill op niveau van het bodembeheergebied gehandhaafd. 5.5 Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld Zoals in de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van regio Rivierenland is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte (
tabel 2.2). De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond niet-verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte. 5.6 Toepassen grond afkomstig van buiten de gemeenten Grond afkomstig van gebieden van buiten de gemeenten moet altijd zijn gekeurd (
.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (
tabel 2.2 en de kaartbijlage 4A en 4B). De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (
ook § 4.2). Uitzondering hierop vormt het beleid dat strenger is dan het generieke kader van het Besluit. Het betreft strengere toepassingseisen voor grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (
.3.2 ‘Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden’) en strengere toepassingseisen voor grond met lood op terreinen met gevoelig bodemgebruik (
.3.3 ‘Lokale Maximale Waarden gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’). 5.7 Melden en onderzoeken bij toepassingen van kleine partijen grond (maximaal 50 m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (
ook § 9.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeenten verruimen de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 5.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat de kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (
artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL SIKB 9335[21]. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de perceeleigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (
Tabel 5.3 Regels voor keuring en melding bij toepassingen van kleine partijen grond. Grondstroom Van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten Schone grond Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) vrij grondverzet Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) geen vrij grondverzet Hoeveelheid ≤50 m3 >50 m3 ≤50 m3 >50 m3 ≤25m3 >25m3 Keuring? Nee Ja Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Ja Melden? Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,
.2 Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,
.2 Ja,
Bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie Binnen de zone en bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3 Afhankelijk van keuringsresul-taten en bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3 * Als een partij afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.’ en ‘B4./O4.’ ‘B7.’, ‘B8.’, of de toepassingslocatie heeft of krijgt een bestemming Plaatsen waar kinderen spelen of moes-/volkstuin(complex) (
.3.3) , dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring of een gepaste strategie uit de NEN 5740 en waaruit blijkt dat deze voldoet aan de gestelde toepassingseis of Lokale Maximale Waarde. ** Als na een keuring blijkt dat het schone grond betreft, hoeft er geen melding plaats te vinden. 5.8 Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de Omgevingsdienst Rivierenland. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de Omgevingsdienst Rivierenland vastgelegd. Afhankelijk van de beoordeling van de Omgevingsdienst Rivierenland moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ heeft en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling, zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen,
In de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O
Afhankelijk van de keuringsresultaten en de toets aan de emissietoetswaarden mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: De grond is afkomstig van een gezoneerd gebied (
voor de niet gezoneerde gebieden § 1.2.3.1). De grond is afkomstig van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie(
De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 5.1 en bijmenging van asbest (
In § 4.3.2 zijn strengere eisen gesteld aan grootschalige bodemtoepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden. 5.9 Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (
Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 5.1 en § 5.2) mag de grond worden toegepast. De gemeenten staan toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
.2), als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek;
.1); én afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335 of de BRL SIKB 7500[22]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer. Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet bij de BRL SIKB 9335 protocol rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het protocol. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan volgt de gemeente het document “Omgaan met illegaal samengevoegde partijen”[23]. Dit document
t expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing. 5.10 Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Grond kan binnen de saneringslocatie worden herschikt. Als grond van buiten de saneringslocatie op de saneringslocatie nuttig wordt toegepast, dan gelden dezelfde eisen als voor het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszone waarin de saneringslocatie is gelegen. Voor grond, afkomstig vanuit het bodembeheergebied (
.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (
kaartbijlage 5A en 5B). Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.2), gelden de generieke toepassingseisen (
kaartbijlage 4A en 4B). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 5.1 en § 5.2 van toepassing. De grond die wordt toegepast als aanvulgrond van de saneringsput, of als ophooglaag/leeflaag in een sanering (in woongebieden minimaal 1 meter dik), moet ook worden gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. 5.11 Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond1.11.1 Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond vanuit oude categorie-1 werken In de gemeenten zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in § 1.2.3.1 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat: het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (
als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (
Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. De kwaliteit van de toe te passen grond moet enerzijds voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (
kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de toe te passen grond van een vergelijkbare of betere kwaliteit zijn als die van de ontvangende bodem. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctie en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctie is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (
ook bijlage 1, kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen van grond'). Grond vanuit oude categorie-1 werken (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. 5.11.2 Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. In de onderstaande paragrafen is aangegeven hoe hiermee om te gaan. Bij alle eerder uitgevoerde onderzoeken geldt, dat in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst Rivierenland of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 5.11.2.1 Uitgevoerde specifiek onderzoek van de NEN 5740 of partijkeuring De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 5740[2] of een partijkeuring (BRL SIKB protocol 1001[24]) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (
.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 5.11.2.2 Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en toepassen grond Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd, geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeenten vinden het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeenten staan het daarom toe dat als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de 90-percentielwaarde[3] van de betreffende bodemkwaliteitszone (
bijlage 7b), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de 90-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Voor (voormalige) boomgaarden geldt dat er een bodemonderzoek en eventueel een partijkeuring moet worden uitgevoerd op bestrijdingsmiddelen, conform tabel 8.1 uit § 8.2.1. 5.11.2.3 Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en kwaliteit ontvangende bodem Als uit een bodemonderzoek, uitgevoerd volgens de NEN 5740, blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten. 5.11.3 Gesaneerde en te saneren locaties Ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (
.1.1 van bijlage 2) en aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. In de Beleidsnota Bodem 2012[20] is ingegaan op de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen de provincie Gelderland. Het bodembeleid is afgestemd op diverse wetten en regelingen, waaronder de Circulaire bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Bodemsaneringen worden uitgevoerd in het kader van de Wet Bodembescherming. Deze wet gaat uit van functiegericht en kosteneffectief saneren van de bodem. De Lokale Maximale Waarden (
.3 en bijlage 7a) worden door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeenten de Provincie Gelderland) gehanteerd bij het beoordelen van bodemonderzoek en saneringen. Bij het beoordelen van de gevalsgrens kan de Provincie gebruik maken van de bodemkwaliteitskaart. Bij het beoordelen van saneringen hanteert de Provincie voor immobiele stoffen de vastgestelde Lokale Maximale Waarden als terugsaneerwaarde en toepassingseis voor in of onder de leeflaag aan te brengen grond. Wanneer geen Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, of wanneer de Provincie deze niet overneemt, dan gelden voor immobiele verontreinigingen de generieke Maximale Waarden voor de functie die een terrein heeft of krijgt als terugsaneerwaarde. Strengere waarden dan de generieke Maximale Waarden voor de functie kunnen niet worden afgedwongen. Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden niet toereikend zijn voor een sanering. Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locaties pecifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd. De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen[19] en door het bevoegd gezag wet bodembescherming in de provincie Gelderland geregeld: Wet bodembescherming 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden (Beleidsnota Bodem 2012). 2. Bodemfunctie (Circulaire artikel 4.1.2) 3. Gemotiveerd afwijken met behulp van saneringsplan (Circulaire artikel 4.1.2) BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, AW2000 als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld 3. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. In § 5.10 is ingegaan op het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (
Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeenten is dat de provincie Gelderland die deze taken heeft gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Arnhem; post@gelderland.nl). Dit geldt overigens niet voor B
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.