Beleidsregel Groen loont! (Eersel)
Beleidsregel Groen loont!de raad van de gemeente Eersel gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregel: Groen loont! Integraal beleidsplan Landschap, Natuur & Groen - Gemeente Eersel 2017-2033 Beleidsregel Groen loont Waar denkt u aan, als men het over groen heeft? Wat betekent groen voor u? Misschien heeft u de neiging te denken dat groen ons geld kost? Maar... weet u ook dat groen water opvangt, de luchtkwaliteit verbetert en ons voedsel geeft? We weten dat groen sport en beweging stimuleert, huizen in een groene omgeving meer waard zijn en dat het onze creativiteit prikkelt. Groen werkt daardoor kostenbesparend, levert zelfs economische winst op. Belangrijker nog: groen levert maatschappelijke winst op. Groen loont! Voorliggend beleidsplan verbindt de thema's landschap, natuur en groen met elkaar in één integraal beleidsplan. Het plan geeft richting aan landschap, natuur en groen in een snel veranderende samenleving. Een samenleving in Nederland die steeds vaker participeert en initieert in het openbaar domein... in het groen. Een samenleving waarin gemeenten en inwoners elkaar steeds vaker weten te vinden in het groen. Een samenleving waarin we in Eersel samen kunnen werken aan duurzaam groen, want groen verbindt. Groen loont! De titel "Groen Loont!" is rechtstreeks afgeleid van de publicatie Groen Loont!1, in 2011 uitgegeven door De Groene Stad. De Groene Stad is een soort denktank en stimulator tegelijk, het wordt ondersteund door de vakgroep Groen vanuit het bedrijfsleven en het ministerie van EZ. Groen Loont! is onderdeel van de filosofie van de Groene Stad, een groene filosofie dat ook wordt ondersteund door groene non-profitorganisaties. In de inhoudelijke teksten van dit beleidsplan is Groen Loont zonder "!" aangegeven om de leesbaarheid van de tekst te verbeteren. 1 Bron: Groen Loont! — Over maatschappelijke en economische baten van stedelijk groen Samenvatting In onze maatschappij is sprake van een toenemende (her)waardering voor de waarde van groen in een brede opvatting van dit begrip. Dan gaat het om de samenhangende waarde(ontwikkeling) van landschap, natuur en groen (hierna wordt het begrip "groen" gebruikt voor al deze drie thema's). Waarom deze waardering? Groen heeft een positieve betekenis voor gezondheid, welbevinden, economie en klimaat. Groen komt voor in de publieke en private omgeving. Groen stoort zich niet aan eigendoms- of gemeentegrenzen. Het hebben van een visie op en een gerichte ontwikkeling van groenwaarden leidt tot synergie op veel terreinen. Daardoor ontstaan aantrekkelijke baten voor onze Eerselse samenleving. De basiskwaliteit van onze gemeente is groen. Daarmee hebben wij in Eersel groen goud in onze handen. Een zorgvuldige ontwikkeling van de onderliggende waarden vergroot deze "goudvoorraad". Dit komt ten goede aan de huidige generatie mensen die in Eersel wonen, mensen die Eersel bezoeken en bedrijven die hier gevestigd zijn. Maar misschien nog belangrijker zijn de komende generaties. Juist zij zullen nog meer hechten aan groene waarden als basis voor een door hen gewenst maatschappelijk leven en een sterke economische positie. De rol van de gemeente is veelzijdig. Soms autonoom, soms als uitvoerder van tal van wetten en regels. Ook als het om groen gaat. Dit beleidsplan spreekt over de samenhang en de verschillende rollen en verantwoordelijkheden in het groen. Dit plan is mede tot stand gekomen door samenwerking met verschillende Eerselse inwoners en hun organisaties. Beleidsplan Groen Loont stelt richtlijnen vast voor de inrichting, het beheer en de bescherming van landschap, natuur en groen in Eersel. Deze richtlijnen vinden hun vertaling in de verschillende specifieke besluiten over projecten, regelgeving en reacties op maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn twee verschillende invalshoeken: Maatregelen die de gemeente als eigenaar en beheerder van gronden zelf kan uitvoeren en maatregelen die de gemeente in de uitvoering van wetten en regels kan vragen/opleggen aan derden. Maatregelen ter ondersteuning, stimulering, begeleiding of facilitering van burgers en bedrijven gericht op de versterking van waarden van groen in onze gemeente. Dit beleidsplan is een toetsingskader binnen de benoemde uitgangspunten en opvattingen. Het is leidend voor te nemen maatregelen en uit te voeren projecten (hoofdstuk 1). Met de vaststelling van dit beleidsplan stelt de gemeenteraad voor de komende jaren een uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 7) vast met concrete uitvoeringsmaatregelen voor landschap, natuur en groen. Uw gemeenteraad heeft in het verleden diverse bestuurlijke kaders vastgesteld in relatie tot groen. Die kaders hebben de basis gevormd voor dit beleidsplan. Die kaders zijn belangrijke ijkpunten en van grote waarde voor een goede sturing. Deze kaders zijn: Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeleid gemeente Eersel
- Thema Groen Het is belangrijk om in de zes kernen van Eersel voldoende ruimte te creëren voor de inrichting en het beheer van cultuurgroen om de ambities en taken te verwezenlijken. Een goed ingerichte en onderhouden groene openbare ruimte dat voldoet aan de ambitie van de Toekomstvisie 2030 van gemeente Eersel. Een aantrekkelijke, gevarieerde groene omgeving met meer kleur, geur en beleving, om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in De Kempen uit kan zien. Investeren in een duurzame groene omgeving op het moment dat het groen versleten en aan vervanging toe is; en wanneer sprake is van nieuwe ruimtelijke projecten. Investeren in het onderhoud van groen op voor een breed publiek zichtbare locaties door het kwaliteitsniveau op deze locaties naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8) te verhogen. Figuur
- Ook de VNG, Unie van Waterschappen en het IPO spelen tijdens de kabinetsformatie 2017 in op het Klimaatakkoord Parijs 2015, zoals dit pamflet laat zien. 1.Inleiding De Nederlandse samenleving is volop in beweging. Een reeks van snel opeenvolgende veranderingen in de 21e eeuw op het vlak van maatschappij, economie, digitalisering en klimatologische omstandigheden heeft grote invloed op een adequate dienstverlening voor alle overheden, zoals de gemeente Eersel. Op regionale en lokale schaal oefenen deze ontwikkelingen ook grote druk uit op de fysieke leefomgeving en de openbare ruimte. In deze hectiek hebben landschap, natuur en groen een steeds belangrijkere rol op onder andere de rust, gezondheid en leefbaarheid van en voor mensen. Anderzijds is de druk op landschap, natuur en groen fors toegenomen door de groeiende vraag om fysieke ruimte voor woningbouw, landbouw, economische bedrijvigheid en ontspanning. Ook bezuinigingen en de afname van subsidies oefenen druk uit op het groen en de natuur. Ontwikkelingen die ten koste gaan van de kwaliteit en het areaal van landschap, natuur en groen. Groen vormt letterlijk en figuurlijk een essentiële buffer en een baken van rust tussen al deze ruimtelijke ontwikkelingen. Het huidige Groenstructuurplan Eersel dateert van
- Dit plan richt zich vooral op de bebouwde kom en is opgesteld met de destijds beschikbare kennis en ambities. Het plan past onvoldoende in de huidige ontwikkelingen en is daardoor verouderd. Het Landschapsontwikkelingsplan is opgesteld in 2007 en is gericht op het buitengebied. Op basis van de huidige ontwikkelingen en situaties in gemeente Eersel, is het nodig om het plan te actualiseren. Het Biodiversiteitsplan van gemeente Eersel dateert van 2009 en richt zich vooral op het buitengebied en kleinschalige acties. De meeste acties zijn inmiddels uitgevoerd. Gezien het toenemende belang van en aandacht voor de biodiversiteit is het noodzakelijk een extra impuls te geven aan dit thema.2 Bovenstaande situatie vormt voor gemeente Eersel aanleiding om de thema's landschap, natuur en groen met elkaar te verbinden in één integraal beleidsplan en het een eigentijdse plaats te geven in een snel veranderende samenleving. 1.1.Invloedrijke ontwikkelingen 2017: klimaatverandering en duurzaamheid Tegelijkertijd met de opstelling en de besluitvorming van het beleidsplan Groen Loont vinden de formatiebesprekingen voor een nieuwe landelijke regering plaats. Tijdens deze besprekingen hebben alle partijen, die meedoen aan de formatie, nadrukkelijk uitgesproken dat de afspraken van het klimaatakkoord van Parijs 2015 gehaald moeten worden. De hoofdpunten van dit akkoord zijn: Het verdrag3 treedt in werking als het door minstens 55 staten geratificeerd is die verantwoordelijk zijn voor minimaal 55 procent van de CO2-uitstoot. Er komt zo snel mogelijk een eind aan de stijging van de uitstoot van broeikasgassen. Halverwege de 21e eeuw moet een evenwicht zijn tussen alle uitstoot van broeikasgassen en het vermogen van de natuur om ze te absorberen. De opwarming van de aarde moet worden beperkt. De wereldwijde stijging van de temperatuur moet in 2100 beperkt zijn tot 2°C vergeleken met het niveau van vóór de opkomst van de industrie. Er wordt gestreefd om die stijging van 2°C, te verlagen tot 1,5°C. Elke vijf jaar wordt het klimaatbeleid van alle landen geëvalueerd. De eerste controle vindt plaats in
- Rijke, ontwikkelde landen moeten ontwikkelingslanden met geld helpen hun uitstoot te verminderen. Elk jaar moet er 91 miljard euro beschikbaar worden gesteld. 2 Bron: Projectplan Integraal beleidsplan Groen, Natuur & Landschap 3 Bron: Klimaatakkoord Parijs 2015 Het eerste punt is gehaald: 195 landen, waaronder Nederland, hebben het akkoord ondertekend. Bij het klimaatakkoord wordt een grote nadruk gelegd op de CO2-uitstoot en het terugdringen van de temperatuurstijging op aarde. Dat is niet voor niets, want deze twee factoren zijn met elkaar verbonden. CO2 is een reuk- en kleurloos gas in de natuur. Planten gebruiken zelf de CO2 en produceren zuurstof. CO2 komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals olie en aardgas. Vanaf de industrialisatie is door de grootschalige verbranding, de toename van transport en verkeer en de wereldwijde ontbossing de CO2-uitstoot fors toegenomen. Wordt deze uitstoot niet aangepakt, dan kan dit leiden tot een slechter en versterkt broeikaseffect, met als gevolg flinke milieuproblemen zoals sterkere klimaatverandering en aantasting van de natuur. Dit is de afgelopen decennia helaas praktijk gebleken en dat is nu goed te merken. Het klimaatakkoord heeft ook alles te maken met duurzaamheid. Duurzaamheid is de ontwikkeling die aansluit op de behoeften van heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Dit komt in het kort op neer dat in een duurzame wereld mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Wij moeten de aarde zo gebruiken dat toekomstige generaties ook plezier van hebben en dat op lange termijn de aarde het totaal van onze consumptie kan dragen. Tijdens de formatiebesprekingen heeft het kabinet-in-oprichting oproepen tot een krachtig duurzaamheidsbeleid van diverse bedrijven gekregen, zoals ING, Schiphol, Gasunie, NS, RoyalHaskoningDHV, Bavaria, BAM, Auping en anderen (zie ook figuur 1). Zij stellen voor om bedrijven die schade berokkenen aan klimaat, natuur en milieu, de kosten van die schade door laten te berekenen in de verkoopprijzen van hun producten. Ook stellen zij voor om bedrijven (niet alleen, zoals nu, de grootste bedrijven) controleerbare duurzaamheidsverslagen te laten opstellen. Bevoordeel de duurzaamste bedrijven bij gunning van overheidsopdrachten. Samengevat betekent dit het ontmoedigen van de effecten die je wilt verkleinen en het belonen van de effecten die je wilt vergroten. Deze oproepen tonen aan dat de noodzaak voor een duurzaamheidsbeleid om de klimaatverandering te beperken, steeds beter wordt aangevoeld. Tegen deze achtergrond van (inter)nationale politieke ontwikkelingen is het beleidsplan Groen Loont geschreven. De geschetste ontwikkelingen drukken mede hun stempel op de doelstellingen van voorliggend beleidsplan. De ontwikkelingen hebben in Eersel ook geleid tot het Duurzaamheidsbeleid Eersel. Beleidsplan Groen Loont en Duurzaamheidsbeleid Eersel hebben op een aantal belangrijke onderwerpen een nauwe verwantschap. 1.2.Doelstelling en reikwijdte beleidsplan Groen Loont Het beleidsplan Groen Loont geeft richtlijnen voor de inrichting, het beheer en de bescherming van landschap, natuur en groen in Eersel. Daarbij wordt samenhang gezocht met actuele thema's zoals klimaatverandering, duurzaamheid, leefbaarheid en biodiversiteit. Het beleidsplan haakt ook aan op bestaande aan groen gerelateerde plannen in Eersel die actueel zijn. De hieruit af te leiden nevendoelen zijn: het informeren over en benadrukken van de maatschappelijke en economische waarden van groen; informeren over en benadrukken van waarden van groen voor de duurzaamheid, de klimaatverandering, de waterhuishouding en de biodiversiteit; en samenwerken met de samenleving voor de realisatie van een integraal beleidsplan dat draagvlak heeft en oog heeft voor beleving en veiligheid. Het beleidsplan Groen Loont richt zich in beginsel primair op maatregelen die de gemeente als eigenaar en beheerder van gronden zelf kan uitvoeren. Niettemin wil gemeente Eersel met dit beleidsplan benadrukken dat zij proactief haar verantwoordelijkheid neemt door bij diverse projecten en maatregelen een stimulerende, begeleidende en/of faciliterende rol op te pakken en zo sturing geven binnen de regelgeving. 1.3.Status beleidsplan Groen Loont Het beleidsplan Groen Loont is een door de gemeenteraad vastgesteld beleid waarvan de status bindend is, vanaf het moment dat het is vastgesteld. Het beleid is vastgesteld voor de periode tot en met 2033, waarbij het aanhaakt op de periode van het huidige Bomenbeleidsplan. In 2033 kan het beleid rondom bomen ook worden geïntegreerd in mogelijk één op te stellen of te actualiseren nieuw beleidsplan landschap, natuur en groen. Tot die tijd wordt het beleidsplan om de vier jaar geëvalueerd, geactualiseerd en aan de raad voorgelegd. Dit zal ook nodig zijn in verband met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 in werking zal treden. 1.4.Rol van de gemeente Het is belangrijk om bewust te zijn van welke verschillende verantwoordelijkheden en rollen de gemeente heeft in de thema's landschap, natuur en groen. De gemeente heeft een: Bestuurlijke verantwoordelijkheid: bijvoorbeeld door inspanningen te leveren voor de realisatie van de Natuurnetwerk Nederland (voorheen heette dit de Ecologische Hoofdstructuur). Privaatrechtelijke verantwoordelijkheid: bijvoorbeeld door op eigen gronden ecologisch berenbeheer toe te passen ter bevordering van de biodiversiteit. Rol als hoeder van de ruimtelijke kwaliteit: bijvoorbeeld bij (her)inrichting van woonwijken wordt rekening gehouden met voldoende areaal groen voor elke bewoner in de bebouwde kom. Rol als grondeigenaar en beheerder: bijvoorbeeld de gemeentelijke bossen hebben een multidisciplinair beheer. Dit betekent dat altijd aandacht moet zijn voor houtproductie, natuur en recreatie, de aandacht kan nooit helemaal alleen naar één functie gaan. Rol als medeontwikkelaar: bijvoorbeeld door op projectmatige basis met een samenwerkingspartner zoals het Waterschap zorgen voor een efficiënte waterberging, waarbij groen een bijdrage levert en dit groen tegelijkertijd ontsloten kan worden voor extensieve recreatie. Rol als begeleider bij projecten: zodat groen en natuur voldoende ruimte krijgen om zich optimaal te ontwikkelen, bijvoorbeeld door bomen binnen de bebouwde kom voldoende groeiruimte te geven. Rol als stimulerende en faciliterende dienstverlenende overheid: bijvoorbeeld door groene buurtinitiatieven te faciliteren in een soepele vergunningverlening of door actief informatie in te winnen bij lokale IVN-afdelingen en het Biodiversiteits-team Eersel. Of door het actief stimuleren van bewoners in het buitengebied om gebruik te maken van de subsidieregeling Groen Blauwe Stimuleringskader. 1.5.Klankbordgroep en geraadpleegde organisaties Een belangrijke rol in de totstandkoming van beleidsplan Groen Loont was weggelegd voor de klankbordgroep Groen Loont. In deze klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van elf Eerselse belangengroepen die actief hebben nagedacht welke koers te volgen in het beleidsplan. Diverse adviezen van de klankbordgroep zijn rechtstreeks opgenomen of vertaald in beleidsplan Groen Loont. De klankbordgroep bestond uit vertegenwoordigers van de Dorpsraden Knegsel, Steensel, Vessem, Wintelre; de Leefbaarheidsgroepen Duizel, Eersel; de IVN afdelingen Bergeijk — Eersel, Veldhoven Eindhoven Vessem; Biodiversiteitsteam Eersel, ZLTO afdeling Eersel; en Heemkundevereniging Hooge Dorpen. Bij sommige onderwerpen zijn ook andere gemeenten zoals Bergeijk, Bladel, Reusel - De Mierden, Hilvarenbeek en Oirschot geraadpleegd. Tot slot hebben twee externe adviesbureaus tekeningen, berekeningen en aanvullende adviezen gegeven. 1.6.Leeswijzer Het beleidsplan bevat negen hoofdstukken. Hoofdstuk 2 schetst de historie van de fysieke omgeving van Eersel, de beleidskaders die medebepalend zijn en een omschrijving van de drie beleidsthema's die in dit beleidsplan integraal zijn opgenomen. Hoofdstuk 3 benadrukt het belang van de integraliteit van groen, niet alleen de integraliteit tussen de drie thema's landschap, natuur en groen onderling, maar juist ook de samenhang die deze drie thema's hebben met veel andere beleidsthema's. Het derde hoofdstuk vormt het hart van beleidsplan Groen Loont. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 zijn voor respectievelijk de beleidsthema's landschap, natuur en groen de thema specifieke beleidsdoelen, knelpunten en maatregelen aangegeven. In hoofdstuk 7 zijn de maatregelen voor de thema's landschap, natuur en groen nader uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. In hoofdstuk 8 zijn de financiële aspecten aangegeven. Hoofdstuk 9 gaat in op de communicatie en evaluatie die tijdens en na het tot stand komen van beleidsplan Groen Loont plaats vond en plaats zal vinden. 2.Historie, beleidskaders en thema's De historie van Eersel, de vigerende beleidskaders en een goed begrip van de thema's landschap, natuur en groen zijn bepalend of invloedrijk voor de inhoud van beleidsplan Groen Loont. Gezamenlijk vormen historie, beleidskaders en thema's het raamwerk dat richting geeft aan de invulling van het beleidsplan. 2.1.Historie van gemeente Eersel De gemeente Eersel is door haar ligging geheel verweven met de natuurhistorische en cultuurhistorische ontwikkelingen van het Nederlandse deel van De Kempen. Deze historie is bepalend geweest voor het Eersel zoals we dat vandaag kennen. 2.1.1.Natuurhistorie Kempenlandschap Gemeente Eersel ligt geheel in het Belgisch — Nederlandse landschap De Kempen. De Kempen bestaan uit een licht glooiend dekzandplateau. Deze zandlandschappen zijn ontstaan onder invloed van de wind in de laatste ijstijd (Voets & Van den Berg, 2009). Het dekzandlandschap bestaat variërend uit een (licht) lemige, fijn zandige tot (grof) zandige en over het algemeen voedselarme bodem. De geologische ondergrond is gevarieerd door de doorsnijding van verschillende aardbreuken en steilranden die eveneens in de ijstijd zijn ontstaan. Gevolg hiervan is dat de water-doorlatendheid in de bodem sterk verschilt en dat werkt sturend in het ontstaan van inzijgingsgebieden (Hendriks et al, 2012). Na de laatste ijstijd zijn de beekdalen ontstaan door neerslag op het Kempisch plateau, waarbij het water via de oppervlakte en infiltratie en kwel in de dalen van het zandlandschap meanderde naar de Maas. Alle beken in het Nederlandse deel van De Kempen stromen in noordelijke richting. In gemeente Eersel zijn de laaglandbeken de Kleine Beerze, de Run, de Gender en de Bruggenrijt onderdeel van het beekdalensysteem de Dommel. Aan de westzijde van de beekdalen groeiden relatief veeleisende bomen als beuk, linde en iep, omdat de gronden door de hier aanwezige meer lemige bodems vaak vruchtbaarder waren dan aan de oostzijde. Aan de oostzijde van de beekdalen overheerste de berk, terwijl in het beekdal zelf de broekbossen uit els, wilg en es bestonden. Op de hogere dekzandruggen groeide ook eik. In de bovenloop van de beken groeide veen als gevolg van de slechte afwatering. Bij veel regenval traden de beken vaak buiten hun oevers. Het water bevatte veel vruchtbare beekslib dat neersloeg op de overstroomde gronden (Verdonk, 2016). 2.1.2.Cultuurhistorie Kempenlandschap De natuurhistorie van De Kempen is van grote invloed geweest op hoe de mens het landschap in gebruik heeft genomen. De menselijke ontginningen van dit gebied zijn begonnen door de toenemende bevolkingsgroei vanaf circa 1000 na Chr. en oefende invloed uit op het Kempische Landschap (Verdonk, 2016). In de Middeleeuwen ontstond in Noord-Brabant een landschap vol gehuchten met zeer kleinschalige ontginningen. Door eeuwenlange veranderende machtsstructuren en (zeer) geleidelijke technologische ontwikkelingen veranderde ook heel geleidelijk de concentraties van kleine nederzettingen in het Kempische landschap. De vroegmiddeleeuwse nederzettingen lagen vooral langs de relatief vruchtbaardere westzijde van de beekdalen (Verdonk, 2016). De huidige dorpen in Eersel vallen van oorsprong onder het dorpstype 'akkerdorpen'. Akkerdorpen ontstonden altijd dichtbij bouwlanden (akkers), graslanden (beemden) en woeste gronden (heide en bossen). Deze dorpen konden afhankelijk van het ontwikkelingsproces de vorm aannemen van lintbebouwing en/of radiale verkaveling waarbij kerken of driehoekige restruimtes tussen de akkers (een zogenaamde plaatse) kenmerkende elementen waren en het herkenbare middelpunt van de nederzettingen vormden (Hendriks et al, 2012). De interactie tussen het Kempisch landschap en de mens resulteerde in een aantal landschapsontginningstypen: Het essen-kampenlandschap: kleinschalige percelen met kleine buurtschappen met opbollende essen. Heidevelden en bossen werden begraasd door het vee en het vee zorgde voor mest die nodig was voor de kleine akkers. Door het jarenlange uitrijden van met mest verzadigde plaggen, kwamen de akkertjes wat hoger in het landschap te liggen (essen). Deze essen werden omringd door houtsingels, houtwallen of hagen om het vee uit de akkers te weren (Caspers et al, 2005). De nederzettingen ontstonden op de overgang van de relatief lagere beekdalen naar de relatief hogere wilde gronden (heide en bossen). Het beekdallandschap: de beekdalen voorzagen de bewoners van water en weide- en hooi-gronden. De lange, smalle percelen in het beekdal met zijn natte ondergrond werden als erfgrens omringd door kavelsloten en greppels, al dan niet met beplanting. Qua biodiversiteit was de soortenrijkdom op de woeste gronden relatief arm, terwijl de beekdalen juist erg soortenrijk waren (Caspers et al, 2005; Hendriks et al, 2012; Verdonk, 2016). Het stuifduinlandschap: op de woeste gronden ontstonden lokaal door de overbegrazing van de heide en het te intensieve plaggen van de heide, kale open landschappen waarbij de wind vrij spel had en de zandige ondergrond begon te verstuiven. Deze zandverstuivingen veroorzaakten problemen bij de aangrenzende akkers en naburige dorpen, omdat deze onderstoven (Voets & Van den Berg, 2009). Dit landschapstype komt nagenoeg niet voor in gemeente Eersel. Het heideontginningslandschap: door verbeterde landbouwtechnieken en vooral door de in-trede van kunstmest veranderde het landschap in grote delen van De Kempen. De woeste gronden en de beekdalen werden vanaf eind 19e eeuw op grote schaal ontgonnen. Land-bouwpercelen werden grootschaliger en beken werden recht getrokken. Op de hoger gelegen gronden verdwenen de heidevelden op grote schaal voor landbouw en de slechtste (heide)gronden voor bossen (Hendriks et al, 2012). Door deze ontginningen begon de biodiversiteit af te nemen. 2.1.3.Kempen 2000 Vanaf de 2e helft van 20e eeuw tot vandaag de dag is het Kempisch landschap drastisch veranderd door de voortgaande schaalvergroting van de landbouw en de toenemende verstedelijking in de vorm van groter wordende dorpen, industrieterreinen en de verfijning en toename van de wegen-structuren. De Kempen werden op grote schaal ontwaterd en bemest. Hierdoor krijgt dit landschap in toenemende mate last van overbemesting en verdroging. De biodiversiteit is in De Kempen fors afgenomen. Ontwikkelingen in het landschap om de natuur ruimte te geven en mogelijkheden te creëren voor recreatie, hebben eveneens geleid dat het landschap in een halve eeuw tijd is veranderd ten opzichte van het oude (cultuur)historische landschap. Niettemin lijken de laatste jaren dergelijke natuurherstelmaatregelen in elk geval de landelijke achteruitgang van de biodiversiteit af te remmen (Van Strien & Verweij, 2014), van specifiek De Kempen is dat nog niet bekend. Na de Tweede Wereldoorlog werden in de steden en in de dorpen groene ruimtes gecreëerd in de vorm van parken, plantsoenen, gazons en bomen om de stedelijke omgeving leefbaarder en gezonder te maken. Dergelijke groene ruimtes blijken in toenemende mate ook belangrijk te zijn voor met name de fauna van Nederland. 2.2.De beleidskaders Een aantal vigerende beleidsplannen van gemeente Eersel zijn mede bepalend voor de thema's landschap, natuur en groen in dit beleidsplan. Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting, waarbij achter elk (beleids)plan het jaar van vaststelling staat vermeld. 2.2.1.Landelijke kaders De Rijksoverheid kent een aantal belangrijke wettelijke kaders op het gebied van natuurbescherming en natuurbeleid die van invloed zijn op beleidsplan Groen Loont en andere gemeentelijke beleidsplannen. Doel van dit Rijksbeleid is om natuur en landschap beter te beschermen. Vaak liggen ook internationale afspraken hieraan ten grondslag. Ook andere landelijke beleidskaders oefenen invloed uit op voorliggend beleidsplan. Het betreffen de volgende beleidskaders. Natura 2000 (N2000)4 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van
- Dit netwerk van N2000-gebieden vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van de biodiversiteit. Het netwerk draagt daarom ook bij aan soortenbescherming. De aanwezigheid van een N2000-gebied heeft invloed op plannen op het gebied van ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. Het biedt ook kansen voor bijvoorbeeld recreatie. In gemeente Eersel zijn de volgende drie gebieden aangewezen als Natura 2000: Groot en Klein Meer, de Run en Kleine Beerze. 4https://nl.wikipedia.orci/wiki/Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland (NNN)5 Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend Nederlands netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden en vormt een belangrijk onderdeel van het nationale natuurbeleid. De NNN gebieden sluiten aan op de N2000-gebieden. Doel is om de biodiversiteit in Nederland te stabiliseren en verdere achteruitgang tegen te gaan. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor natuurbeleid. NNN gebieden bestaan uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. Kerngebieden zijn onder andere natuurterreinen, landgoederen en bossen. In Eersel zijn dat bijvoorbeeld Rouwven, Buikheide, Wolfshoeksche Heide, De Pan en Cartierheide. Natuurontwikkelingsgebieden zijn gebieden met goede mogelijkheden voor het ontwikkelen van nationaal en/of internationaal belangrijke natuurwaarden. In Eersel zijn dat bijvoorbeeld de beekdalen van Kleine Beerze en de Run. 5https://nl.wikipedia.orci/wiki/Ecolociische hoofdstructuur (Nederland) Ecologische Verbinding Zones (EVZ)6 Ecologische verbindingszones zijn gebieden die kern- en natuurontwikkelingsgebieden aan elkaar verbinden. De leefgebieden van kwetsbare en vaak ook zeldzame soorten in Nederland zijn door het intensieve landgebruik versnipperd geraakt. Door geïsoleerd geraakte populaties van flora en fauna met elkaar te verbinden, is genetische uitwisseling mogelijk en wordt behoed dat een soort kan uitsterven. Er zijn allerlei verschillende vormen van EVZ's die variëren van natuurlijke, landschappelijke elementen tot kunstmatige elementen. Voorbeelden van natuurlijke, landschappelijke elementen zijn natuurlijke oevers van waterlopen, poelen, brede bermen en houtsingels. In Eersel zijn dat onder andere het Boterpad en de bovenlopen van Bruggenrijt, de Run, de Gender en Klei-ne Beerze. Voorbeelden van kunstmatige elementen zijn ecoducten, amfibieëntunnels en vis- en wildtrappen. In Eersel zijn onder andere amfibieëntunnels te vinden in de Merenweg en bij het Rouwven. 6https://nl.wikipedia.oro/wiki/Ecolociische verbindingszone Natuurvisie
- m)en langgerekte (200 tot 400
- m)kavels. Op de es zelf vindt men nooit een weg. De essen waren zo gesitueerd, dat ze minstens aan één kant aan de weg lagen. Ter afbakening van de akkers werden de percelen omheind met beplanting. Een omheind perceel werd kamp genoemd. Het landschap met zulke kampen wordt daarom ook kampenlandschap genoemd. De naam de "Kempen" is daarvan afgeleid. De mensen hielpen elkaar met de landbouwwerkzaamheden, zij waren zeer afhankelijk van elkaar. In de 13e en 14e eeuw nam de bevolking zodanig toe dat intensivering van het gebruik van de akkers nodig was. De grond was echter arm. Boeren brachten daarom heideplaggen vermengd met de mest van schapen, opgevangen in de stal (potstalbemesting), op de akkers. Eeuwenlange bemesting zorgden dat de akkers steeds hoger werden met een vrij steile rand. Deze bolle akkers zijn op enkele plaatsen rondom Vessem en Knegsel nog in het landschap te zien. Bolle akkers zijn vanuit cultuurhistorisch, archeologisch en landschappelijk oogpunt zeer waardevol. Om de gewassen te beschermen tegen wildvraat en wind, werden bolle akkers omgeven door een wildgraaf, een wal met aan weerszijden een greppel. De wal was begroeid met soorten zoals eik, meidoorn en braam. Het oude kampenlandschap is nog op slechts enkele plaatsen herkenbaar. De glooiingen van de akkers zijn soms nog wel zichtbaar, maar de openheid van de bolle akkers of de houtwal/ -singel is verdwenen. 4.1.2.Beekdallandschap De boeren hadden vroeger gemengde bedrijven, akkerbouw op de bolle akkers en vee langs de lager gelegen beken. Deze beken hadden een meanderende loop, de oeverzones bestonden uit grasland en werden begrensd door hogere terreindelen. De oevers werden gebruikt als hooi- en weiland en waren veel natter dan de hoger gelegen akkers. De veelal kleine grasperceeltjes werden begrensd door lijnvormige beplantingen, bestaande uit heesters en bomen loodrecht op de beek. Vanaf de 20e eeuw zijn veel beekdalen ingrijpend aangepast door het rechttrekken van meanders, het plaatsen van stuwen, ruilverkaveling en het in gebruik nemen van grond voor akkerbouw. De kavelgrensbeplantingen verdwenen en daarmee de karakteristieke kleinschaligheid en beslotenheid. Het oorspronkelijke beekdallandschap is nagenoeg geheel verdwenen in Eersel. De afgelopen jaren zijn verschillende projecten gestart om het beekdallandschap op diverse plaatsen te herstellen. Bij de Gender, de Bruggenrijt en het Kleine Beerzegebied rondom Duizel en ten zuiden van Vessem zijn deze herstelwerkzaamheden afgerond. In 2017-2018 wordt de Kleine Beerze ten noorden van Vessem aangepakt. Het waterschap de Dommel is bezig met plannen voor een nieuw beekdallandschap rondom de Run. Het oorspronkelijke beekdallandschap wordt met deze projecten niet gerealiseerd, maar wel wordt rondom deze beken het oorspronkelijke karakter van dit landschapstype zichtbaar gemaakt. Dit is een grote aanvulling op het huidige landschap, het vergroot de diversiteit van de ruimtelijke kwaliteit en de biodiversiteit. Daarnaast heeft het beekdal-landschap betekenis voor de recreatie en de opvang van water. 4.1.3.Heideontginningslandschap Rond 1900 werd door de opkomst van kunstmest en de mechanisatie van de landbouw het mogelijk om de woeste gronden, ofwel heide, te ontginnen. Deze gronden werden tot dan toe gebruikt voor de beweiding door schapen. Deze ontginningen en de latere ruilverkavelingen zijn in het landschap goed te zien als grootschalige gebieden met een rationeel-blokvormige verkaveling met verspreide boerderijen. 4.1.4.Bossen en natuurgebieden In de periode van de heideontginning werden de armste heidevelden en de lokaal aanwezige zandverstuivingen (de zogenaamde woeste gronden) bebost om zo te kunnen voldoen aan de vraag naar mijnhout. De boskernen bevatten ongeveer 25% van het buitengebied van Eersel en zijn grotendeels eigendom van de gemeente. Een gedeelte daarvan is in erfpacht gegeven bij Staatsbosbeheer. Daarnaast bezitten Staatsbosbeheer, gemeente Veldhoven, Natuurmonumenten en Brabant Landschap eveneens bospercelen. Al deze partijen, inclusief gemeente Eersel, hebben bosvisies, bosnota's en/of beheerplannen opgesteld. Deze gebieden vallen daarom buiten dit beleidsplan. Een behoorlijk groot areaal bos is in handen van particulieren. Deze zijn niet georganiseerd en hebben geen visies of beheerplannen. Een regionale samenwerking tussen particulieren en overheidsorganen ontbreekt op dit moment. Sommige bossen zijn aangegeven als natuurgebied, maar ook buiten de bossen zijn diverse natuurgebieden in het hedendaagse landschap aanwezig. Het inrichten van een aantal gebieden in beekdallandschappen in Eersel als natuurgebied is hiervan een bekend voorbeeld. 4.2.Overige groene elementen In de landschapstypen, die hele gebieden omvatten zoals hierboven beschreven, bestaan vele landschappelijke elementen die eveneens groene dragers van het landschap zijn. Hierbij moet gedacht worden aan bosjes, houtwallen, singels, wegbeplantingen, solitaire bomen, erfbeplantingen, bermen en sloten, landbouwgebieden en landgoederen. Deze elementen zijn voor een deel in eigendom van de gemeente, een groot deel is echter particulier eigendom. Verschillende groene elementen worden hier in het kort beschreven. 4.2.1.Bosjes De bosjes hebben in het algemeen een oppervlakte kleiner dan 5 ha en zijn voor het grootste deel jong (geschat 40 tot 70 jaar). De hoofdboomsoort is zomereik met daarnaast berk en/of grove den. De bosjes hebben een hoge potentiële ecologische waarde, doordat soms zowel een boomlaag (bestaande uit verschillende soorten) als een struik- en kruidlaag aanwezig zijn. Hierdoor is structuurvariatie aanwezig en dit creëert weer leefgebied voor diverse plant- en diersoorten. Deze potentiële waarden moeten geoptimaliseerd worden door een aangepast beheer. Hierbij moet vooral aandacht komen voor de struiklaag. In slechts 13% van de bosjes is een goede struiklaag ontwikkeld. Het beheer van de bosjes is ondergebracht bij het bosbeheer in de Bosnota. 4.2.2.Houtwallen en singels Houtwallen zijn in het landschap herkenbaar als aarden wallen met daarop beplanting. Deze komen alleen voor in de omgeving van Knegsel. Deze historische wallen zijn nog maar deels in tact. De wallen zijn onderzocht en in kaart gebracht door de Heemkundevereniging "de Hooge Dorpen". De aan de Antwerpse Baan gelegen wal is opgeworpen op een oude akker die vermoedelijk uit de Karolingische periode (750-900 na Christus) stamt. De wal zelf stamt waarschijnlijk uit de 13e eeuw, omdat in die tijd de perceelsafbakening met wallen verplicht was. De andere wallen markeren verschillende ontginningsperiodes in de geschiedenis van Knegsel. Functies van houtwallen waren: Eigendomsbewaking Afscheiding tussen een zandweg en een perceel grond Het buiten de akkertjes weren van wild Het tegengaan van zandverstuivingen. Singels zijn houtwallen waarvan de aarden wal ontbreekt. De meeste singels in Eersel zijn slechts 40 tot 70 jaar oud, slechts een paar zijn ouder. De meest voorkomende boomsoort is zomereik met hier en daar wat berk. De meeste singels zijn aangeplant na een ruilverkaveling. Singels en houtwallen kunnen gezien worden als een vorm van bosranden met slechts een beperkte waarde voor echte bosplanten en —dieren. Wel hebben ze een belangrijke functie als verbindingsweg voor verschillende andere dier- en plantensoorten die niet specifiek van bossen afhankelijk zijn. Deze soorten maken normaliter ook gebruik van de gebruikelijke bosranden langs bossen. Dieren kunnen zich via de singels gemakkelijk verplaatsen. Hierdoor kunnen goed ontwikkelde houtwallen en singels een hoge ecologische waarde hebben. 4.2.3.Wegbeplantingen Langs vele verbindingswegen in Eersel zien we een wegbeplanting. Deze bestaat voornamelijk (meer dan 80%) uit zomereik. Op enkele plaatsen zien we ook beuk, linde of berk. Wegbeplantingen hebben vooral een landschappelijke en cultuurhistorische betekenis, omdat zij het landschap maat en schaal geven. Zij benadrukken meestal historische lijnen zoals oude routes en grenzen. De ecologische waarde van veel huidige wegbeplantingen is beperkt, doordat vaak geen onderbegroeiing aanwezig is en op vele plaatsen de bermen niet ecologisch beheerd worden, zodat een goede kruidlaag zich niet kan ontwikkelen. Voor vogels (zoals vinkachtigen, kraaiachtigen, roofvogels en duiven) vormen de bomen broedplaatsen en zang- of uitkijkposten. In oude lanen met een rustige ligging komen holenbroedende vogels (zoals holenduif, mezen, spechten en vliegenvangers) voor. Vleermuizen gebruiken lanen als vliegroute en jachtgebied en holten in oude bomen als verblijfplaats. 4.2.4.Solitaire bomen In het buitengebied van Eersel komen nog maar weinig solitaire bomen in het landschap voor. Op de oude cultuurgronden rondom Wintelre komen ze het meeste voor. Vaak zijn het restanten van oude singels of zijn het grensbomen. Verreweg de meeste solitaire bomen zijn zomereiken. Het blijkt dat de laatste jaren veel solitaire bomen verdwijnen door agrarische handelingen. De landschappelijke waarde van deze bomen is afhankelijk van de soort, het formaat en de leeftijd van de boom. Daarnaast hebben de bomen ook een ecologische waarde als zangpost of uitkijkpost voor vogels of als oriëntatiepunt voor vleermuizen. 4.2.5.Erfbeplantingen Erfbeplantingen zorgen dat woningen in het buitengebied en agrarische gebouwen worden opgenomen in het landschap. Zij zorgen dat de veelal grootschalige agrarische gebouwen, die vaak een zakelijke, bedrijfsmatige vormgeving hebben, niet te dominant zichtbaar aanwezig zijn in het landschap. Door deze beplanting behoudt het landelijk gebied zijn aantrekkelijke landschappelijke uitstraling. 4.2.6.Bermen en sloten Eersel heeft ongeveer 135 ha bermen en sloten in eigendom en beheer. De bermen en sloten vormen linten in het landschap. Zij bestaan uit onbemest grasland en plantsoorten van de arme zandgronden. Op relatief korte afstand van elkaar komen hier verschillende biotopen voor: beschaduwde bermen met laanbomen, zonnige droge wegkanten, vochtige slootoevers, afgeroofde bermen, bermen met opgebrachte grond, met bloemzaad ingezaaide bermen en kale bermen. Door deze biotopen met hun bijbehorende flora vormen de bermen en sloten ecologische verbindingszones voor flora en de kleinere diersoorten of kunnen als zodanig functioneren. Daarnaast is bekend dat de bermen belangrijk zijn voor de wilde bijen en vlinders. Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van vele planten en teeltgewassen. 4.2.7.Landbouwgebieden Het buitengebied bestaat grotendeels uit landbouwgebieden. Deze zijn voor het overgrote deel in particulier bezit. Eersel bezit slechts 250 ha die verpacht worden aan boeren die hiervoor belangstelling hebben. De landbouwgronden bestaan grotendeels uit akkers en grasland, daarnaast zijn op diverse plekken de laatste decennia ook boomkwekerijen gekomen. Door de intensieve bemesting en bestrijding van ziekten en plagen hebben de landbouwgebieden geen betekenis voor de biodiversiteit. De boomkwekerijen hebben een grote invloed op het landschap. Ze onttrekken onder andere veel grondwater door de benodigde beregening van gekweekte bomen. Dit gaat ten koste van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied. 4.2.8.Water Op het grondgebied van Eersel is op diverse locaties oppervlaktewater aanwezig zoals de verschillende aanwezige beken. Deze beken hebben grote landschappelijke waarde en zijn belangrijk als ecologische verbindingszone. Het Groot- en Kleinmeer is een Natura2000 gebied. Verder zijn er in het buitengebied de vennen Hoaneven, Rouwven en Lijsterven en een tweetal recreatieplassen bij het E3 strand en Ter Spegelt aanwezig. Deze vennen en plassen zijn omgeven door bossen of houtsingels en niet zichtbaar vanaf de openbare weg. 4.2.9.Landgoederen De provincie stimuleert initiatieven voor nieuwe landgoederen in Brabant, ook in Eersel. Onder een nieuw landgoed wordt verstaan: "Een functionele eenheid, bestaande uit bos of andere natuur al dan niet met agrarische gronden met een productiedoelstelling. Vormen van bos- en landbouw kunnen onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering. Het landgoed omvat minimaal tien hectaren grond en is voor 90% openbaar toegankelijk. Op het landgoed staat een woonhuis met tuin van allure en uitstraling. Als ruimtelijk kenmerk geldt dat er een raamwerk van wegen, waterlopen, lanen en singels is, waarbinnen de verschillende ruimtegebruiksvormen zijn gerangschikt. Het geheel is een ecologische, economische en esthetische eenheid waarvan de invulling is geïnspireerd door het omringende landschap, de cultuurhistorie en de bestaande bebouwing." Een nieuw landgoed heeft idealiter een meerwaarde voor natuur en ecologie, recreatie, cultuurhistorie en landschap, beeldkwaliteit en kent een goede inpassing van het nieuwe "rood". In Eersel kennen we de volgende nieuwe landgoederen: Landgoed De Zandhoef Landgoed Heijbroeck Landgoed Duysels Hof Landgoed De Roten Landgoed De Panberg (nog in voorbereiding) 4.3.Knelpunten beeldkwaliteit van het landschap In het landschap zijn de volgende knelpunten te zien: Veranderingen in het grondgebruik. Hierbij zien we op de nattere gedeeltes akkerbouw en op de drogere gedeeltes veeteelt. De boer volgt niet meer de natuurlijke omstandigheden, maar richt zich op de meest zakelijke oplossing die hij/zij verwacht. Door de klimaatveranderingen kunnen daardoor in de toekomst grote problemen ontstaan. Een aantal agrariërs gaat over naar de teelt van coniferen. Deze teelt komt van oudsher hier niet voor en tast het oorspronkelijke landschapsbeeld aan. Het ontstaan van grootschalige (niet) agrarische bedrijven in kleinschalige gebieden. De afwezigheid van erfbeplanting rondom agrarische bebouwing. Rommelige dorpsranden. Het verdwijnen van landschappelijke elementen en solitaire bomen. Het geleidelijk illegaal in gebruik nemen van gemeentelijke landschappelijke beplantingen voor landbouwkundige doeleinden. Monotone wegbeplantingen. De sterke achteruitgang van de biodiversiteit in het buitengebied, met name op de landbouw-percelen. Lichtvervuiling door wegverlichting en stallen. Geen duidelijk beheer voor met name de landschappelijke elementen. 4.4.Beleidsdoelen De landschappelijke kwaliteiten in het buitengebied worden door de inwoners van Eersel bestempeld als hoog. Voor het thema Landschap wordt aangegeven hoe de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en versterkt en hoe ruimtelijk beleid en ontwikkelingen daaraan kunnen bijdragen. In dit beleidsplan zijn de doelen voor het landschap: Sturing geven aan het integraal ruimtelijk beleid van de gemeente Eersel. Het vormt een "onderlegger" voor integrale ruimtelijke plannen, zoals de structuurvisie en het bestemmingsplan. Het herstel, het behoud en de versterking van landschappelijke kwaliteiten voor een aangenaam woon- en leefklimaat. Dit wordt gerealiseerd door concrete richtlijnen over hoe de beeldkwaliteit van erven, agrarische bebouwing, recreatieterreinen en dorpsranden te verbeteren. Tevens wordt aandacht besteed aan de toegankelijkheid van het landschap vanuit de kernen. Ruimte en vorm geven aan de dynamiek van het buitengebied van Eersel aan de hand van randvoorwaarden en richtlijnen voor een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikkelingen, zoals: woningbouw in het buitengebied, nieuwe infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en toerisme. Het opstellen van een uitvoeringsplan dat kaders geeft voor de realisatie van ruimtelijke projecten en voor duurzaam landschapsbeheer. Waar mogelijk wordt dat gedaan in samenwerking met particulieren. Het uitvoeringsplan geeft tevens aanknopingspunten om prioriteiten te stellen, zoals de aanpak van bepaalde zoekgebieden en de keuze voor aanleg en herstel of het beheer van landschapselementen. Een belangrijk beleidskader hiervoor is de subsidieregeling Groen Blauwe Stimuleringskader (Stika), zie ook hoofdstuk 7. Realisatie van draagvlak door zorgvuldige communicatie. De inzet van de klankbordgroep met vertegenwoordigers van diverse belanghebbenden (agrariërs, inwoners, natuurgroepen en cultuurhistorie) bij de realisatie van dit beleidsplan, is al een concreet voorbeeld van creëren van draagvlak. Hun inbreng is in het plan herkenbaar. Dit beleidsplan bevat tevens een aanpak voor het stimuleren van de aanleg van erfbeplantingen en landschappelijke beplantingen. 4.5.Uitvoering landschappelijke ontwikkelingen in de verschillende deelgebieden Bij ontwikkelingen in het buitengebied dient rekening gehouden te worden met de onderstaande streef-beelden van de landschapstypen in Eersel (zie ook bijlage A). Op deze wijze worden de aanwezige landschapskwaliteiten gerespecteerd, versterkt en/of hersteld. 4.5.1.Oude Cultuurgronden Streefbeeld (zie figuur 2). In de gebieden van de oude cultuurgronden blijft de kenmerkende kleinschaligheid van het gebied in stand of wordt indien mogelijk hersteld. De kleinschaligheid wordt bepaald door kleine percelen, gebogen lijnen en groene landschapselementen zoals singels, houtwallen, wegbeplantingen en kleine bosjes. De bolle akkers of essen blijven open. Met andere woorden: geen beplantingen op of over de es. Een enkele solitaire boom is wel op de es toegestaan. Rondom de boerderijen of andere bebouwing is een erfbeplanting aanwezig in de vorm van een houtsingel met boomvormers. De boomsoorten die hier voorkomen zijn zomereik, beuk, esdoorn, linde, haagbeuk en tamme kastanje. De es wordt van oudsher begrensd door een wildgraaf (hakhoutsingel met greppel). Deze vegetatie blijft laag, een enkele boomvormer kan aanwezig zijn. De soorten die hier voorkomen zijn onder andere meidoorn, sleedoorn, rimpelroos, vuilboom, braam. Op een aantal plaatsen zijn nog restanten van een dergelijke hakhoutsingel aanwezig. Indien mogelijk worden deze aangevuld. Nieuwe bebouwing op de es wordt voorkomen. Bij het herstel en de versterking van de oude cultuurgronden kan gebruik gemaakt worden van oude, historische kaarten. 4.5.2.Beekdallandschap Streefbeeld (zie figuur 3). Kenmerkend in dit landschap is de meanderende beek met een oeverzone en vervolgens het daarnaast liggende grasland. Dit landschap wordt begrensd door de hogere terreindelen. Het beekdal bestaat uit grasland, kleine bosjes (broekbos) en lijnvormige beplantingen loodrecht op de beken. De vegetatie bestaat uit elzen, essen, berken en meidoorn. Veel van deze beplantingen zijn verdwenen en worden waar mogelijk hersteld. Op enkele plaatsen is de karakteristieke beplanting door de situering van een solitaire boom of een enkele singel nog herkenbaar. De gemeente wil deze solitaire bomen behouden en waar dat mogelijk is de singel herstellen. 4.5.3.Heideontginningslandschap Streefbeeld (zie figuur 4). Kenmerkend voor de heideontginning is de grootschaligheid en de openheid. Hoe recenter de ontginning is, hoe grootschaliger en opener het landschap. De land-bouwpercelen bestaan zowel uit akkerland als uit weiland, afhankelijk van de bodem en de grondwaterstand. Deze geschiedenis in het landschap wil de gemeente indien mogelijk zichtbaar houden. 4.5.4.Bossen en natuurgebieden Streefbeeld. Op de plekken waar de bodem te slecht voor ontginning was, zijn grote boskernen aangeplant en zijn de natuurterreinen in stand gebleven. Daar waar dat mogelijk is, wil de gemeente meer natuurlijke bosranden aangeleggen. Deze randen verzachten de overgang van het landschap naar de bossen en bevorderen de biodiversiteit. De aanleg van deze bosranden mag niet te veel ten koste gaan van de houtproductie. Met de houtproductie wordt het bos- en natuurbeheer gefinancierd. 4.6.Uitvoering recreatieve ontwikkelingen In het landschap en rondom de verschillende dorpen zijn veel wandel-, fiets-, mountainbike- en ruiter-routes aanwezig. Veel van deze routes zijn onderdeel van het wandel- en fietsknooppuntennetwerk zoals dat beheerd wordt door Visitbrabant. Daarnaast is vanuit de dorpen een behoefte aan wandelpaden en zogenaamde ommetjes. Laatstgenoemde zijn kleine wandelingetjes direct vanuit het dorp. De inwoner kan op ieder moment een klein wandelingetje maken of de hond op een aangename manier uitlaten. Dit is goed voor de conditie, de gezondheid en het leef- en woongenot. De maximale afstand van een dergelijk ommetje is ongeveer 5 km. Niet elk dorp heeft een goed netwerk van dergelijke ommetjes. Daar waar hiaten zijn in de ommetjes- en knooppuntennetwerken worden deze indien mogelijk opgelost. Dit vraagt om een inventarisatie van de bestaande routes en de hiaten. In 2014 was Eersel wandelgemeente van Nederland. Op dat moment is een dergelijke inventarisatie opgesteld. Deze inventarisatie is een goed uitgangspunt om eventuele hiaten op te sporen en op te lossen. 4.7.Uitvoering ecologische ontwikkelingen Op dit moment is de biodiversiteit binnen de bebouwde kom hoger dan in het agrarische gebied buiten de kom. Dit wordt veroorzaakt door de bestrijding van ziekten en plagen en zware bemestingen in de landbouw. Eersel heeft als één van de eerste gemeenten in Brabant de Countdown 2010 verklaring ondertekend en daarmee aangegeven dat zij bereid is om te zorgen dat vanaf 2010 de biodiversiteit niet verder zal afnemen en dat zij alles zal doen om waar dat mogelijk is de biodiversiteit te bevorderen. Dit is niet gemakkelijk om te realiseren. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan. 4.8.Oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten Voor de vastgestelde knelpunten zijn de volgende oplossingen mogelijk: In samenwerking met de ZLTO, de veldcoördinator van de Stika en de ANV Kempenland een voorlichtingscampagne opstellen om de agrariërs meer bewust te maken van de voordelen en/of beperkingen van ieder landschapstype voor de individuele boer. Door een juist gebruik van de grond is de boer minder afhankelijk van de gevolgen van de klimaatverandering en het optreden van extreme weersomstandigheden. Tevens wordt voorlichting gegeven over de nieuwe Wet natuurbescherming, over toekomstige beperkingen voor bemesting en chemische bestrijdingsmiddelen. Op deze manier wordt aangegeven hoe een duurzame en toekomstbestendige landbouw mogelijk is. Tegelijk wordt verduidelijkt waar op sommige plekken wel of niet coniferenteelt wenselijk is. Grootschalige bedrijven in een kleinschalig landschap is mogelijk als de oorspronkelijke structuur van het landschap gerespecteerd wordt. Dat betekent dat aanwezige houtsingels, landschappelijke elementen en solitaire bomen behouden moeten blijven. Waar deze elementen al verdwenen zijn, worden deze alsnog hersteld of versterkt en stimuleert de gemeente de aanplant van een erfbeplanting. De gemeente organiseert jaarlijkse een erfplantdag waarbij plantmateriaal ter beschikking wordt gesteld. Figuur 2. Streefbeeld van oude cultuurgronden. Figuur 3. Streefbeeld van een beekdallandschap. Figuur 4. Streefbeeld van een heideontginningslandschap. Agrariërs en ondernemers in het buitengebied worden gewezen op het belang van erfbeplantingen. Deze geven onder andere koelte in de zomer, hebben een isolerend effect in de winter, vangen fijnstof af. Bovendien wordt door een betere landschappelijke inpassing van de grootschalige bedrijfsgebouwen de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de biodiversiteit verbeterd. Dit is belangrijk om de huidige recreatie in het gebied in stand te houden en/of uit te breiden. Bij de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw of uitbreiding van een bedrijf, hanteert de gemeente het uitgangspunt van de aanplant van een (hak)houtsingel met een breedte van 10 m bij een landschappelijke inpassing rondom het gehele bedrijf. Daar waar geen concrete uitbreidingsplannen zijn, stimuleert de gemeente de aanplant van een erfbeplanting met de erfplant-dag. De dorpen grenzen vaak met hun achterkanten aan het landschap. Het gebruik van verschillende schuttingen, of de afwezigheid daarvan, slecht onderhoud aan de schuttingen, de bouw van allerlei schuurtjes en hokken, het illegaal gebruik van naastliggende gronden geven de dorps-randen een rommelig en onaantrekkelijk karakter. Dit is niet bevorderlijk voor een goede landschappelijke kwaliteit en helpt niet om het recreatief gebruik van het buitengebied te stimuleren. Daarom wil de gemeente bij wijkuitbreidingen, een dorpsrand in de vorm van een (hak)houtsingel met een breedte van bij voorkeur 10 m voor een landschappelijke inpassing. En in elk geval maakt het areaal groene dorpsranden onderdeel uit van de beleidsregel 20% groen in de bebouwde kom (zie paragraaf 6.1.1). Daar waar geen afschermende beplanting aanwezig is of waar deze is verdwenen, herstelt de gemeente waar mogelijk de beplanting. De gemeente organiseert een jaarlijkse erfplantdag, waarbij plantmateriaal ter beschikking wordt gesteld en inwoners worden uitgenodigd mee te helpen een dorpsrand aan te planten (burgerparticipatie). In de loop van de jaren zijn veel landschappelijke elementen en solitaire bomen in het landschap verdwenen. Met de regeling Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika) wordt geprobeerd deze elementen op particuliere gronden terug te brengen. Daarom ligt bij een nieuw Stika-contract de nadruk op die maatregelen die structureel van aard zijn. Om dit te kunnen realiseren is een nulmeting met de ecologische potenties van het Eersels grondgebied uitgevoerd. Deelgebieden met een hogere ecologische potentie krijgen voorrang bij de toekenning van Stika-projecten. Na realisatie wordt door steekproefsgewijze monitoring nagegaan of de verwachtingen uitkomen of dat uitvoering/beheer aangepast moet worden. Landschappelijke elementen en solitaire bomen op gemeentelijke grond verdwijnen eveneens, doordat een aantal inwoners deze geleidelijk aan in gebruik nemen als uitbreiding van hun (landbouwOareaal. Bij constatering van deze overtreding wordt de inwoner opgedragen de authentieke elementen te herstellen. Wordt dit nagelaten dan worden de elementen door de gemeente op kosten van de veroorzaker, die in gebreke is gebleven, hersteld. De huidige monotone wegbeplanting (80 % zomereik) wordt geleidelijk omgevormd naar andere soorten. Hierbij kan men denken aan beuk, linde, wintereik, esdoorn, berk, tamme kastanje. Dit wordt een langdurig proces, omdat uitgangspunt is dat de huidige boombeplanting bij omvorming aan het eind van haar levensduur moet zijn om kapitaalvernietiging te voorkomen. Bij nieuwe wegen wordt de komende 25 jaar geen zomereik aangeplant. De biodiversiteit in het buitengebied is de laatste decennia sterk achteruit gegaan. Op de land-bouwpercelen is deze zo goed als nul. Via diverse projecten, zoals de aanleg van (hak)houtwallen, poelen, bloemrijke randen, meer variatie in de wegbeplanting, vogelakkers, wordt de biodiversiteit in het buitengebied bevorderd. Hiervoor worden de Stika-regeling, eventuele andere subsidies en gemeentelijke projecten ingezet. Een ander belangrijk onderdeel hierbij is de bewustwording bij agrariërs voor de gevolgen van een gekozen bedrijfsvoering. In het beleidsplan Openbare Verlichting wordt nu al de huidige lichtvervuiling grotendeels tegengegaan. Ook in de toekomst wordt uitgezocht hoe deze vervuiling verder verminderd kan worden zonder dat de verkeers- en sociale veiligheid in het gedrang komt. Door een nieuw op te stellen beheerplan landschappelijke elementen met een duidelijke planning voor de komende tien jaar, wordt het beheer landschappelijke elementen eenduidiger georganiseerd. Jaarlijks wordt door middel van publicaties gecommuniceerd welke elementen worden uitgedund. Onderzocht wordt of dit beheer met de ANV Kempenland, de jachtverenigingen, IVN, B-team en/of vrijwilligers uitgevoerd kan worden. Een grote diversiteit in het landschap is belangrijk voor de ruimtelijke kwaliteit, de biodiversiteit en de recreatie. Daarom zal steeds onderzocht worden hoe deze verbeterd kan worden. Bij particuliere boseigenaren, vaak in het bezit van diverse grotere en kleinere bospercelen, is vaak sprake van onduidelijk beheer, verkeerd beheer of zelfs geen beheer. Dit geeft vaak een rommelig beeld in de bossen en illegaal gebruik. Deze boseigenaren zijn zich vaak niet bewust wat wel of niet mag. Een eerste stap om hierin verandering te brengen, is het opstellen van een communicatie- en informatieplan. In hoofdstukken 7 en 8 worden aangegeven welke oplossingen wanneer uitgevoerd worden en hoe deze eventueel gefinancierd worden. 5.Natuur De natuur vormt de bron van al het leven op aarde. Zij levert schoon (drink)water, voedingstoffen, een schone bodem, grondstoffen en een zuivere lucht. De natuur heeft ook een sterk regulerende en bufferende werking in allerlei processen. Ook de mens maakt onderdeel uit van de natuur. De natuur staat echter onder grote druk door de negatieve invloed die de mens in steeds sterkere mate uitoefent op de natuur. De natuur verliest al eeuwenlang terrein, zowel kwantitatief als kwalitatief. Kwantitatief door simpelweg areaalafname als gevolg van de toenemende verstedelijking, uitbreiding van het landbouwareaal en infrastructuren. Kwalitatief door het uitsterven van vele plant- en diersoorten, door nivellering van het landschap en door toenemende verdroging, verzuring, vervuiling en versnippering. Deze negatieve invloeden leveren een bijdrage aan de klimaatverandering die sinds de 20e eeuw aan het versnellen is, met alle gevolgen van dien. Internationaal, nationaal en regionaal sijpelt dit besef steeds verder door. In de laatste decennia ondernemen overheden en organisaties acties en/of maken plannen en verordeningen om de natuur te beschermen en te versterken. Ook op gemeentelijk niveau heeft dit zijn uitwerking. 5.1.Natuur in Eersel Gemeente Eersel is bij wet verplicht om de natuur te ontwikkelen en te beschermen, dit is onder andere uitgewerkt in de Wet ruimtelijke ordening en de Wet natuurbescherming14. Eersel heeft een wettelijke verantwoordelijkheid in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) om samen met andere overheden en maatschappelijke partners de stikstofuitstoot te verminderen, het overschot aan stikstof in Natura 2000-gebieden te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Gemeente Eersel heeft natuurontwikkeling en -bescherming in haar eigen beleid verankerd, zoals in de Bosnota. Als het om het thema Natuur gaat, speelt gemeente Eersel vooral een rol in de Natura 2000-gebieden, de ecologische hoofdstructuren en de ecologische verbindingszones. De ligging van deze drie typen natuurgebieden zijn te vinden op de natuurstructuurkaart van Eersel (bijlage B). In deze gebieden vormt de natuur een belangrijk doel en kan de natuur (gedeeltelijk) haar gang gaan. 14 Naar verwachting worden in 2019 alle wetten betreffende het fysieke domein samengevoegd in de alles overkoepelende Omgevingswet. 5.1.1.Natuurgebieden De officiële, wettelijk beschermde natuurgebieden in Eersel zijn de Natura2000-gebieden (N2000) Groot- en Kleinmeer, de Kleine Beerze en De Run. De gebieden vallen onder het Natura2000-beheerplan Kempenland West. Dit beheerplan omvat een groot regionaal gebied en is een plan op hoofdlijnen. De gemeente heeft als eigenaar van het Groot- en Kleinmeer zelf een beheerplan voor dit gebied laten opstellen waarin het praktische beheer voor dit kwetsbare gebied is benoemd. De Run en een gedeelte van de Kleine Beerze worden nog als zodanig ingericht. Dit vindt in de komende jaren (2017-2021) plaats. De beken zelf zijn in eigendom en beheer van waterschap De Dommel. Het omliggende beekdal is in eigendom van verschillende partijen. De gemeente heeft in de ontwikkeling van deze natuurgebieden vooral de rol van medeontwikkelaar en begeleider. Behalve de N2000 heeft Eersel nog enkele natuurgebieden, zoals het Rouwven, Lijsterven, de omgeving van de Gender, de Kleine Beerze en de Bruggenrijt. Bij de WILG Wintelre Oerle zijn eveneens enkele gebieden ingericht als natuurterrein. Deze gebieden zijn meestal onderdeel van de NNN of vormen een EVZ. Veel van deze gebieden zijn eigendom van het waterschap en/of de gemeente. Het beheer wordt in een aantal van deze gebieden uitgevoerd door derden, zoals de Landcoöperatie Dal van de Kleine Beerze die een deel van het onderhoud van gemeentelijke landschapselementen in het beekdal verzorgt. 5.1.2.Natuur buiten de natuurgebieden De hierboven genoemde natuurgebieden zijn door de mens begrensde gebieden, terwijl de natuur niet ophoudt bij deze grenzen. Door de almaar toenemende schaalvergroting en intensivering van de landbouw valt tegenwoordig voor veel plant- en diersoorten vrijwel niets te halen in het buitengebied. Veel soorten zijn verdwenen of "gevlucht" naar andere uitwijkplaatsen. Deze uitwijkplaatsen kunnen bossen, natuurgebieden en de sterk versnipperde landschapselementen zijn, maar ook de bebouwde omgeving. Soorten die zich enigszins kunnen aanpassen, weten steeds vaker de weg te vinden naar dorpen en steden. Onder andere sommige roofvogels, verschillende soorten zoogdieren en recent ook bijen vinden een beter leef- of voedselgebied in de bebouwde omgeving dan op het platteland. Maar vaak zijn de omstandigheden voor de populaties van deze soorten in de bebouwde omgeving niet ideaal, waardoor de dichtheden laag blijven. Soorten die zich niet aan de huidige bedrijfsvoering op het platteland kunnen aanpassen, dreigen definitief te verdwijnen of staan op zijn minst onder grote druk. Denk hierbij aan de weide- en de akkervogels, kleine zoogdieren en graslandvlinders. Juist in het agrarisch en het stedelijk gebied kan de gemeente Eersel nog extra accenten leggen voor de bevordering van natuur. Het begrip biodiversiteit vormt hiervoor zowel een goede graadmeter als een apart te benoemen beleidsthema. Figuur 4. Voorbeelden van ecosystemen in Nederland. Met deze weergave toont het Planbureau voor de Leefomgeving de talrijke functies van landschap, natuur en groen. 5.2.Biodiversiteit Biodiversiteit is een breed begrip. Soms wordt biodiversiteit in één adem met natuur genoemd. Dit is onterecht. Paragraaf 2.3.2 omschrijft biodiversiteit als de graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen een gegeven ecosysteem of land15. Als we het begrip biodiversiteit kort definiëren, is het als volgt samen te vatten: Biodiversiteit is de variatie tussen en de verscheidenheid aan micro-organismen, dieren- en plantensoorten, de relatie die soorten met elkaar en hun abiotische leefomgeving16 hebben. 15 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Biodiversiteit 16 Betekenis "abiotische leefomgeving": wordt ook wel levenloze natuur genoemd. Denk hierbij aan bodem, water en lucht. Het gaat niet goed met de biodiversiteit in de wereld. Uit diverse onderzoeken blijkt dat duizenden soorten uitsterven of met uitsterven bedreigd zijn, ook in Nederland. De wereldwijde achteruitgang van biodiversiteit is verontrustend. Biodiversiteit is de pijler van het leven op aarde en is belangrijk voor verschillende ecosysteemfuncties. Figuur 4 geeft een impressie welke functies dat zijn. Biodiversiteit heeft ook een belangrijke maatschappelijke en economische waarde. Dit is één van de redenen waarom gemeente Eersel zich duidelijk als een groene gemeente profileert. Deze waarden van biodiversiteit zijn als volgt te onderbouwen (Voets & Van den Berg, 2009): Biodiversiteit bevordert gezondheid en kwaliteit van het leven. Dankzij biodiversiteit ontstaat een aantrekkelijke, gezonde leefomgeving waar mensen graag wonen en werken. Dit is de belangrijkste waarde; Recreatie en toerisme worden aangetrokken door gebieden met een hoge biodiversiteit; Biodiversiteit leidt tot (duurzame) productie uit landbouw en veehouderij; Biodiversiteit zorgt voor een bufferende werking, bijvoorbeeld om vervuiling in lucht, bodem en water op te vangen; Biodiversiteit is het natuurlijk kapitaal van de maatschappij. Om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, heeft gemeente Eersel als eerste Brabantse gemeente de internationale Countdown 2010 verklaring ondertekend. Countdown 2010 heeft als doel om de teruggang van de wereldwijde biodiversiteit te stoppen. Het Biodiversiteitsplan van gemeente Eersel dateert van 2009 en richt zich vooral op het buitengebied en kleinschalige acties. Veel acties zijn inmiddels uitgevoerd of in uitvoering. Het actieplan heeft een concreet gezicht gekregen in de vorm van een voor iedereen herkenbare ambassadeursoort. Inwoners hebben in 2007 de steenuil tot ambassadeur-soort verkozen. Ook is het Biodiversiteitsteam, B-team Eersel, opgericht. Dit is een burgerinitiatief waarin inwoners van gemeente Eersel gevraagd en ongevraagd advies geven aan de gemeente om de biodiversiteit in de gemeente te stimuleren. Daarnaast voert het B-team soms zelf acties uit. Een voorbeeld hiervan is de herinrichting van het Lijsterven in 2016, waar een gebied van een hectare geschikter gemaakt is voor amfibieën, akker- en struweelvogels. Het B-team bestaat momenteel uit leden van dorpsraden, terreinbeheerders, natuur(werk)groepen, raadscommissies en andere inwoners met een groen hart. Het logo van het B-team is de ambassadeursoort: de steenuil. Het Duurzaamheidsbeleid Eersel zet onder andere in op het behoud en de verbetering van de biodiversiteit. Dit beleid richt zich vooral op het creëren van meer bewustzijn bij inwoners over wat biodiversiteit is en wat het belang van biodiversiteit is. Kleinschalige, stimulerende acties worden vooral in de bebouwde kom opgezet. Deze acties worden gekoppeld aan het aanpakken van de hemelwaterproblematiek en hittestress (Derijcke, 2017). Hoewel biodiversiteit al een onderdeel is van een aantal vigerende beleidsplannen in het fysieke domein, is het als thema op zichzelf nog niet in beleid verankerd. Beleidsplan Groen Loont geeft hier invulling aan. Gemeente Eersel levert graag inspanningen om binnen haar grenzen planten en dieren een goede toekomst te geven. Immers een goede toekomst voor de natuur, is een gezonde toekomst voor de mens. Gezien het toenemende belang van en aandacht voor de biodiversiteit is het noodzakelijk een extra impuls te geven aan dit thema. In beleidsplan Groen Loont krijgt vooral de biodiversiteit in het landelijke, agrarische buitengebied en de biodiversiteit binnen de bebouwde kom aandacht. 5.3.Beleidsdoelen De doelen van het beleid voor Natuur en Biodiversiteit zijn: De voltooiing van de nog te ontwikkelen en/of af te ronden natuurgebieden met de diverse samenwerkingspartners zoals provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel, buurgemeenten, terreinbeherende organisaties en de landbouwsector. Het zorgvuldig en duurzaam onderhouden van natuurgebieden die in eigendom zijn van de gemeente op basis van vastgestelde beheerplannen. Het proactief stimuleren en faciliteren van natuurbescherming in het algemeen en soortenbescherming in het bijzonder door middel van advisering aan derden en het ondersteunen van natuur- en biodiversiteitsbevorderende initiatieven van derden. Behoud van biodiversiteit in Eersel en de aandacht voor biodiversiteit stimuleren en faciliteren. Acties ter bevordering van de biodiversiteit: waar mogelijk laten aansluiten op bestaande (natuur)plannen van de gemeente en andere organisaties en op basis van een duurzame gebiedsgerichte benadering. Uitvoering van een concreet uitvoeringsprogramma, waarbij de steenuil de ambassadeur is voor andere kwetsbare dier- en plantsoorten in met name het landelijke, agrarische buitengebied en de bebouwde omgeving. Voor de steenuil en de patrijs is het streven om in 2033 het aantal broedparen in gemeente Eersel te verdubbelen, met als peiljaar 2016. Bovenstaande doelen zijn herleid vanuit de hoofddoelstelling van het beleidsplan (zie paragraaf 1.2). De beleidsdoelen zijn concreter te maken door doelsoorten aan te wijzen. In dit beleidsplan richten we ons met name op soorten in het agrarische buitengebied en binnen de bebouwde kom. Kansen voor deze soorten zijn aangegeven in de biodiversiteitkansenkaart (zie bijlage C). De volgende doelsoorten zijn daarbij kenmerkend voor Brabant, De Kempen of in een enkel geval zelfs voor Eersel alleen: Steenuil: kenmerkend uiltje dat afhankelijk is van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap en gevarieerde boerenerven. Tevens ambassadeursoort van de biodiversiteit in Eersel. Patrijs: het boegbeeld van de akkervogels is afhankelijk van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Een soort die zwaar te lijden heeft van de intensiverende landbouw en in Nederland vooral nog in het zuiden en oosten van het land voorkomt. Huismus en gierzwaluw: twee kenmerkende soorten van de bebouwde kom die graag nestelen in gebouwen onder dakpannen en in spouwen. Huismussen verblijven daarnaast graag in hagen en struwelen in het buitengebied op boerenerven. Door de steeds betere isolering van huizen en afname van voedselgelegenheid zijn gierzwaluwen en vooral huismussen de laatste jaren in aantal achteruit gegaan. Kleine marterachtigen