Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Welstandsnota 2018 (Leusden)

Welstandsnota 2018Voorwoord Naar een nieuw welstandsbeleidVoor u ligt de nieuwe welstandsnota van de gemeente Leusden. Deze nota vervangt de Welstandsnota 2014 en heeft als doel ondersteunend te zijn aan initiatiefnemers. De eerder door de gemeente vastgestelde sneltoetscriteria blijven gewoon van kracht. Deze zijn opgenomen onder het kopje ‘Criteria voor kleine bouwwerken’. Wilt u bouwen in afwijking van de sneltoetscriteria, of heeft u een bouwplan dat niet onder de sneltoetscriteria valt, dan nodigt de gemeente Leusden u uit om aan de hand van de objectcriteria / gebiedscriteria het gesprek met de gemeente en uw buurt aan te gaan. Bedoeling en opbouw van de WelstandsnotaDe Welstandsnota is bedoeld om initiatiefnemers in de gelegenheid te stellen hun bouwplannen vorm te geven. 1Inleiding Doel en uitgangspunten van het welstandsbeleidDe gemeente Leusden daagt initiatiefnemers uit om aan de hand van de objectcriteria / gebiedscriteria het gesprek met de gemeente en de buurt aan te gaan. Vindt uw plan draagvlak in de buurt dan toetsen wij terughoudend . Wel blijven we oog houden voor het algemeen belang. Het advies van het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit nemen wij mee in onze afweging. Dat is niet voor ieder bouwwerk noodzakelijk. Voor de meest voorkomende bouwwerken, zoals bijvoorbeeld aan- en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), dakkapellen, dakopbouwen etc. zijn sneltoetscriteria opgesteld. Is het bouwwerk een ‘veel voorkomend bouwwerk’ en voldoet het aan de daarvoor geldende sneltoetscriteria, dan voldoet het bouwwerk aan redelijke eisen van welstand. Wijkt uw plan af van de sneltoetscriteria, neem dan contact op met de secretaris van het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit. WelstandsnotaDe Welstandsnota is van toepassing op bouwwerken, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In de nota onderscheiden we de volgende welstandscriteria: criteria voor kleine bouwwerken/sneltoetscriteria, objectcriteria, gebiedsgerichte criteria, algemene criteria, nieuwe projecten en excessenregeling. De nota wordt afgesloten met bijlagen. Notitie BurenakkoordIn het coalitieakkoord 2014-2018 is opgenomen dat Leusden de kracht uit de samenleving wil benutten. Het Burenakkoord biedt ruimte aan meer lokale zeggenschap. Het is een instrument om draagvlak in te zetten, wanneer op kleine schaal wordt afgeweken van gemeentelijke regels en kaders. Het uitgangspunt is dat bij voldoende draagvlak bij kleinschalige activiteiten er niet meer hoeft te worden getoetst aan het welstandsbeleid. Indien het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) om advies is gevraagd en die tot de conclusie is gekomen dat de afwijking niet past binnen de welstandscriteria, kan de afwijking toch worden gerealiseerd, als de initiatiefnemer instemming van zijn buren heeft aangetoond. Bij initiateven met meer impact kan het draagvlak worden meegenomen als belangrijk onderdeel in de belangenafweging voor de vergunningverlening. Voor een nadere uitwerking van dit beleid wordt verwezen naar de Notitie Burenakkoord. Adviesteam Ruimtelijke KwaliteitOverleggen Sturen in plaats van toetsenHet Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) is een adviesteam dat integraal functioneert als welstands- en monumentencommissie. De ervaring leert dat vooraf sturen en overleggen betere resultaten geeft dan achteraf toetsten. De gemeente Leusden heeft al jarenlang een actief ruimtelijk beleid, waarbij korte lijnen en snel kunnen schakelen een kwaliteit is. De werkwijze van het adviesteam is hierop aangepast. Dit houdt in dat de secretaris van het adviesteam ruime bevoegdheden heeft om, bij afwijking van de welstandsnota, zelfstandig te adviseren en beoordelen of een plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij twijfel en bij grotere bouwplannen schakelt hij deskundige hulp in. Complexe (bouw)plannen, of wanneer het rijks-, gemeentelijke monumenten en panden die zijn opgenomen in de Monumenten Inventarisatie Lijst betreft, worden voorgelegd aan het ARK. Samenstelling, inrichting en werkwijze van het ARK worden geregeld in de gemeentelijke bouwverordening en het daarbij als bijlage bijgevoegde reglement van orde. Hierin zijn onder andere de wijze van openbaarheid van vergaderen, de verslaglegging van adviezen en de benoemingstermijn geregeld. Criteria voor kleine bouwwerken / sneltoetscriteriaSneltoetscriteria zijn dermate concreet dat een aspirant-bouwer op voorhand kan zien of zijn bouwplan daaraan voldoet. Deze criteria voor kleinere bouwwerken kunnen worden gezien als een verzameling ‘standaardoplossingen’ die in elk geval geen bezwaren zullen oproepen. De rol van de trendsetterBij de criteria voor kleinere bouwwerken speelt het fenomeen trendsetter een belangrijke rol. Als een bouwplan overeenstemt met een bouwwerk dat eerder, met een positief welstandsadvies in hetzelfde woningblok, of aan een zelfde woning in de straat werd gerealiseerd, dan wordt het geacht vanzelfsprekend aan redelijke eisen van welstand te voldoen. Dat is redelijk en komt tegemoet aan de eis van rechtsgelijkheid. Maar het is ook een instrument voor het levend houden van de welstandsnota. Goede voorbeelden uit het verleden én goede voorbeelden in de toekomst kunnen zo aan de criteria worden toegevoegd. Objectgerichte criteriaObjectgerichte criteria hebben betrekking op de beoordeling van specifieke objecten, waarbij het object -, het bouwwerk zelf - bij de toetsing voorop staat. Dit betreft bijvoorbeeld hallenhuisboerderijen, (agrarische) bedrijfsbebouwing of (burger)woningen in het buitengebied. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de hierna beschreven gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat het steeds om 'relatieve' welstandscriteria. De bouwplannen worden altijd aan het ARK voorgelegd, die de criteria interpreteert in het licht van het concrete bouwplan. Objectgerichte criteria kunnen per deelgebied en per welstandniveau verschillen. Gebiedsgerichte criteriaDe gemeente kan de welstandscriteria differentiëren naar gebieden. De oorspronkelijke cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing vraagt om een andere benadering dan een bedrijventerrein of een nieuwe woonwijk. De gemeente Leusden heeft er voor gekozen om, waar mogelijk, aan te sluiten bij begrenzingen van de bestemmingsplannen. Waar nodig hebben verbijzonderingen plaats binnen een deelgebied, om recht te doen aan de bijzondere kenmerken en kwaliteiten. Zo kan ook worden voorkomen dat het aantal deelgebieden te groot en dus onoverzichtelijk wordt. Algemene welstandscriteriaIn sommige gevallen moet teruggegrepen worden op algemene criteria, die aan ieder welstandsadvies ten grondslag liggen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de indiener van een bouwplan zijn eigen weg wil volgen en burgemeester en wethouders daaraan mee willen werken. Ook wanneer de criteria voor kleinere bouwwerken of de gebiedscriteria ontoereikend blijken, kan het ARK op basis van deze criteria sturen en adviseren aan burgemeester en wethouders. De algemene criteria vormen een vangnet voor die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Nieuwe projectenDe Welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor (her-)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken en waarvoor het ter plaatse geldende bestemmingsplan ook geen ruimte laat. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld, zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. Voor deze projecten wordt een apart beeldkwaliteitsplan opgesteld, die na oplevering van het project aan de Welstandsnota wordt toegevoegd. ExcessenregelingDe gemeente heeft de mogelijkheid om achteraf (repressief) in te grijpen, wanneer vergunningsvrije bouwwerken in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dit is het geval als er sprake is van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Op grond van artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. De daarbij gehanteerde criteria moeten in de Welstandsnota worden vermeld (zie hoofdstuk 7). Welstandsadvies en afwijkenCriteria, die vooraf worden opgesteld brengen onontkoombaar beperkingen met zich mee Ze kunnen ontoereikend zijn voor juist dat ene geval dat zulke bijzondere omstandigheden kent dat afwijken van de criteria gerechtvaardigd is. Er kan ook sprake zijn van een bijzondere oplossing, die weliswaar op een of meer punten van de criteria afwijkt maar die toch goed in de omgeving past of zelfs een verrijking voor de buurt betekent. Gezien de interpretatieruimte die de gebiedscriteria bieden, mogen in dat geval bijzondere eisen aan het architectonisch vakmanschap worden gesteld. Het gaat immers om afwijkingen die door burgemeester en wethouders en door het ARK goed gemotiveerd moeten kunnen worden. 2Criteria voor kleinere bouwwerken 2.1Bijbehorende bouwwerken Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in het ACHTERERFGEBIED Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij omgevingsvergunning daarvan af te wijken en het om een bouwactiviteit gaat die niet omgevingsvergunningsvrij is (conform het Bor). Bouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en of panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwwerk moet overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw in hetzelfde woningblok zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter zoals bedoeld onder A en B aanwezig is, aan de volgende criteria: Plaatsing direct aan de oorspronkelijke achter- of zijgevel, 1 m terug van de voorgevelrooilijn. Vorm - geen aanbouw, indien er al een aanbouw aanwezig is; - rechthoekig; - plat afgedekt voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw; - met kap voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak. Maatvoering boeibord minder dan 0,3 m. Materiaal overeenkomstig het hoofdgebouw. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. Bijbehorende bouwwerken in het VOORERFGEBIEDDeze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij omgevingsvergunning daarvan af te wijken. Bouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, of het bouwwerk moet overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw in hetzelfde woningblok zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter zoals bedoeld onder A en B aanwezig is, aan de volgende criteria: Plaatsing gebouwd aan: - de oorspronkelijke voorgevel; - een naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel. Vorm - rechthoekige hoofdvorm; - indeling gevel(

  1. s)conform/in overeenstemming met het hoofdgebouw; - aan de voorgevel: zonder verbreding van de oorspronkelijke gevelopening(en); - kozijnhoogte en hoogteplaatsing van het kozijn gelijk aan het oorspronkelijke raam; - plat afgedekt. Maatvoering - boeibord minder dan 0,30 m; - conform het bestemmingsplan Materiaal overeenkomstig het hoofdgebouw, of, als een serre wordt gebouwd, van glas. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 2.2Kozijn- of gevelwijzigingen Kozijn- of gevelwijzigingen in de VOORGEVEL en een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde ZIJGEVELBouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de kozijn- of gevelwijziging moet overeenkomstig een bestaande kozijn- of gevelwijziging in hetzelfde woningblok zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de kozijn- of gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter zoals bedoeld onder A en B aanwezig is, aan de volgende criteria: Plaatsing in de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel; Vorm - zonder aantasting van de bestaande gevelopening; - kozijnindeling gerelateerd aan bestaande kozijnindeling; - bij vervanging van een garagedeur door een pui: geen gemetselde borstwering; - bij vervanging van raamkozijnen: gelijke kozijnen gelijktijdig vervangen. Maatvoering - profielmaten gelijk of nagenoeg gelijk aan bestaande kozijnonderdelen; - nieuwe gevelopeningen in de zijgevel; - maximaal 1 m² voor een raam; - maximaal 2,5 m² voor een deur. Materiaal overeenkomstig de bestaande kozijnen. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 2.3Dakkapellen Dakkapellen in het ACHTERDAKVLAK of het niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde ZIJDAKVLAK Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij omgevingsvergunning daarvan af te wijken en het niet om een bouwactiviteit gaat die omgevingsvergunningsvrij is (conform het Bor). Bouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan moet overeenkomstig een bestaande dakkapel in hetzelfde woningblok zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter zoals bedoeld onder A en B aanwezig is, aan de volgende criteria: Plaatsing - bij enkele dakkapellen: onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet en bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; - zijkanten meer dan 0,5 m uit het hart van de bouwmuur of zijkant van het dakvlak (bij hoekkepers aan de bovenkant en bij kilkepers aan de onderkant van de dakkapel gemeten); - bij meer dan één dakkapel regelmatige rangschikking op een horizontale rij met een minimale tussenruimte van 1 m; - dakkapellen boven elkaar zijn niet toegestaan op een niet-geknikt achterdakvlak over twee bouwlagen van seriematige aaneengebouwde woningen, waarbij maximaal één hoog geplaatste dakkapel en één laaggeplaatste dakkapel is toegelaten en waarbij de bovenste dakkapel centraal wordt geplaatst ten opzichte van de zijkanten/bouwmuren. Vorm - plat afgedekt; - de maatverhoudingen van boven elkaar geplaatste dakkapellen komen overeen. Maatvoering - hoogte: niet meer dan 1,75 m, gemeten tussen onderkant kozijn en bovenkant boeibord; - bij dakkapellen boven elkaar mag de hoogte van de bovenste dakkapel niet meer dan 1,2 m bedragen en mag de breedte van de bovenste dakkapel niet meer bedragen dan 1/3 van de breedte van het dakvlak; - boeibord niet hoger dan 0,3 m; - geen borstwering; - overstekken niet meer dan 0,15 m; - gelijke breedte van vensters van boven elkaar geplaatste dakkapellen. Kleur - overeenkomstig het hoofdgebouw; - bij dakkapellen boven elkaar: overeenkomstig het hoofdgebouw of overeenkomstig de aanwezige dakkapel(len). Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Dakkapellen in het VOORDAKVLAK of het naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde ZIJDAKVLAKDeze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij omgevingsvergunning daarvan af te wijken. Bouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan moet overeenkomstig een bestaande dakkapel in hetzelfde woningblok zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter zoals bedoeld onder A en B aanwezig is, aan de volgende criteria: Plaatsing - onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet en bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; - zijkanten meer dan 0,5 m uit het hart van de bouwmuur of zijkant van het dakvlak (bij hoekkepers aan de bovenkant en bij kilkepers aan de onderkant van de dakkapel gemeten); - bij meer dan één dakkapel regelmatige rangschikking op een horizontale rij met een minimale tussenruimte van 1 m; - dakkapellen boven elkaar zijn niet toegestaan; - geen dakkapellen op de voordakvlak of het openbaar gelegen zijdakvlak van een aan- of uitbouw. Vorm - plat afgedekt; - de maatverhoudingen van naast elkaar geplaatste dakkapellen komen overeen. Maatvoering - hoogte: niet meer dan 1,75 m, gemeten tussen onderkant kozijn en bovenkant boeibord; - boeibord niet hoger dan 0,3 m; - geen borstwering; - overstekken niet meer dan 0,15 m. Kleur - overeenkomstig het hoofdgebouw of overeenkomstig de aanwezige dakkapel(len). Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden (zoals in Tabaksteeg). 2.4Erf- of perceelafscheidingen Erf- of perceelafscheidingen die niet omgevingsvergunningsvrij zijn (conform het Bor) Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij omgevingsvergunning daarvan af te wijken en het niet om een bouwactiviteit gaat die omgevingsvergunningsvrij is (conform het Bor). Bouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan moet overeenkomstig een bestaande erf- of perceelafscheiding in een vergelijkbare situatie in hetzelfde woningblok (onderscheid tussenwoning en hoekwoning) zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de erf- of perceelafscheiding is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven. indien in de kernen en buurtschappen (deelgebieden 1 t/m 14) vóór de voorgevel een groenblijvende erf- of perceelafscheiding wordt beoogd, dan dient een volledig open constructie van gaas of een open metalen hekwerk te worden toegepast. Voorts dient sprake te zijn van een enkelvoudige, rechte vormgeving en waarbij geen diversiteit aan vormgevingsprincipes binnen één erf- of perceelsafscheiding mag worden toegepast. Met een beplantingsschema dient te worden aangetoond dat het groenblijvende (winterharde) beplanting betreft en dat een groene erf- of perceelafscheiding ontstaat binnen een tijdspanne van twee jaar. 2.5Dakopbouwen Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij omgevingsvergunning daarvan af te wijken en het niet om een bouwactiviteit gaat die omgevingsvergunningsvrij is (conform het Bor). Bouwaanvragen die betrekking hebben op monumenten en op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand en het aspect monumenten. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan moet overeenkomstig een bestaande dakopbouw in hetzelfde woningblok of op een seriematig aaneengebouwde woning van het zelfde type in de zelfde straat zijn, die met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de dakopbouw is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven. 3Objectgerichte criteria Bepaalde bebouwing komt in de gemeente Leusden veelvuldig voor. Hiervoor is het opstellen van objectcriteria relevant. Dat betreft de hallenhuisboerderij, de (agrarische) bedrijfsbebouwing, de agrarische woningen en de burgerwoningen in het buitengebied, recreatieve bebouwing en landgoederen. In het navolgende worden hiervoor objectgerichte criteria opgesteld, die eventueel per deelgebied kunnen worden aangepast. Om de context met het gebied te behouden wordt altijd verwezen naar de gebiedscriteria. Deze objectcriteria zijn in het aanvangsstadium gezamenlijk met de overige zeven gemeenten in de Gelderse vallei opgesteld. Met de objectcriteria wordt in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de uitgesproken wens om de welstandstoetsing in de buitengebieden op elkaar af te stemmen. 3.1Object ‘hallenhuisboerderij’ ObjectbeschrijvingVerspreid in de Gelderse Vallei gebied komen hallenhuizen voor als het kenmerkend boerderijtype. Hieruit hebben zich de langhuisboerderij en de minder voorkomende T- of dwarshuisboerderij en krukhuisboerderij ontwikkeld. In de hallenhuisboerderij zijn woonruimte en werk-/ opslagruimte onder één dak geplaatst. Bij de dwarshuisboerderij is het voorste gedeelte van de zijgevel opgeheven tot het niveau van de voorgevel. Bij de krukhuisboerderij is slechts één zijgevel opgehoogd, en verlengd zodat een L-vormig plattegrond is ontstaan. De langhuisboerderij heeft een rechthoekige plattegrond, waarvan de lengteas meestal evenwijdig aan de verkavelingsrichting is gesitueerd. Het merendeel van de gebouwen is met het woongedeelte georiënteerd op de weg. Kenmerkend is de eenvoudige en veelal rechthoekige plattegrond. Er is overwegend sprake van één bouwlaag, die gedekt wordt door een forse (rieten)kap. Meestal is sprake van een zadeldak, al dan niet met wolfseinden met de nokrichting haaks op de weg. Ook komen mansardekappen voor. Het betreft overwegend donkere dakbedekking (van donkerbruin tot antracietkleurig) met riet, gebakken pannen, of een combinatie daarvan. Als accent is vaak een stevige gemetselde schoorsteen aanwezig. Windveren sieren de overgang van de gevel naar de kap. In het algemeen hebben de houten onderdelen zoals windveren en kozijnen witte en/ of donkergroene kleuren. De gevelindeling volgt de driehoekige doorsnede van de kap en heeft veelal geen uitbouw. De openingen op de begane grondlaag zijn breed en hoog en verdeeld in twee tot vier ramen / deuren, in een symmetrisch patroon. In de topgevel bevinden zich kleinere ramen, waarvan het aantal ten opzichte van de begane grondlaag altijd kleiner is. Op deze manier ontstaat er een hiërarchische opbouw van de gevel, die rust en stabiliteit uitstraalt. De gevels zijn voorzien van een gepleisterde plint met een donkere kleur (donkergrijs, donkerbruin, antracietkleurig). De gevels zelf zijn overwegend opgetrokken uit roodachtige baksteen met donker of lichte tinten in staand verband (een kopse laag afgewisseld met een strekse laag) bij oorspronkelijke gebouwen of in halfsteens verband bij verbouwingen. De openingen zijn vaak voorzien van rollagen (rechte en gebogen) met een eenvoudig motief tot geraffineerde details. Gepleisterde gevels komen ook voor. Het opgaand pleisterwerk heeft meestal een gebroken wit / lichtgrijze tint met soms okergele / crème nuances. De gepleisterde plint kan zwart, donkergrijs of donkergroen zijn. De kozijnen zijn in dat geval ook meestal wit tot crèmekleurig. Soms is er verschil aangebracht in de materiaalkeuze van het woon- en het werkgedeelte. In ieder geval is het onderscheid zichtbaar in de gevelindeling. De ramen zijn in het bedrijfsgedeelte kleiner van omvang en kleiner in aantal. Daar tegenover staan de relatief grote openingen (toegangsdeuren). Op het achter- en/of zijerf zijn in de loop der jaren veelal bedrijfsgebouwen ontstaan. Hallenhuisboerderijen aan de Leusbroekerweg Waardebepaling, ontwikkelingen en beleidHet hallenhuis is typerend voor de agrarische bebouwing op de zandgronden. Veel panden zijn cultuurhistorisch waardevol en een aantal is dan ook aangewezen als monument. Het hallenhuis staat reeds geruime tijd onder druk door de veranderingen in de landbouw. Het bedrijfsgedeelte van het hallenhuis voldoet veelal niet meer aan de eisen die op dit moment aan agrarische bebouwing gesteld worden. Daartoe verrijst naast de oorspronkelijke bebouwing grootschaliger bedrijfsbebouwing. Ook verliest een groot aantal boerderijen de oorspronkelijke functie. Veelal komt daar een (extra) niet-agrarische woonfunctie voor in de plaats. Soms is er sprake van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. Bij verbouw, waarvan hier dus sprake is, dienen die oorspronkelijke kenmerken gerespecteerd te worden, als vertrekpunt voor de nieuwe situatie. ObjectcriteriaAlgemeende bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingde bestaande plaatsing wordt gehandhaafd; de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vormde hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven; er worden ononderbroken, forse kappen toegepast; de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; de oorspronkelijke indeling naar woon- en bedrijfsgedeelte blijft herkenbaar in de gevelopzet. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikde hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen en riet; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs. Signaalkleuren zijn niet toegestaan. kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; de kleuren van luiken sluiten aan op lokaal of regionaal gebruik; er worden in ieder geval bij het oorspronkelijke woongedeelte een plint toegepast, met een donkere tint; detaillering als gootlijsten, windveren, kozijnen e.d. zijn zorgvuldig en duidelijk, waarbij de bestaande detaillering als vertrekpunt genomen wordt. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 3.2Object ‘agrarische bedrijfswoning’ ObjectbeschrijvingIn het buitengebied komen veel losstaande agrarische bedrijfswoningen voor. Daarin hebben zich de afgelopen periode veel veranderingen voorgedaan, waarbij nieuwbouw is verschenen. Soms zijn woonbebouwing en bijgebouwen geheel van elkaar gescheiden. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen staan naast of achter de hoofdmassa. De veelal haaks op de straat staande zadeldaken zijn voorzien van rode of donkere dakpannen. De opbouw van de massa is eenvoudig met rechte lijnen en symmetrische opbouw van de gevels. Decoraties en ornamenten komen nauwelijks voor en het materiaalgebruik bestaat uit (bak)steen met kozijnen van hout of kunststof. Woning (2 lagen) aan de Lange Steeg Woning bij agrarisch bedrijf aan de Asschatterweg Waardebepaling, ontwikkelingen en beleidDe agrarische bedrijfswoningen zijn functioneel gebonden aan het buitengebied. Er is een tendens waarneembaar waarbij de bedrijfswoning ‘los komt’ van de overige agrarische bebouwing, door de toepassing van afwijkende vormen en afwijkend kleur- en materiaalgebruik. De identiteit van het agrarische karakter van het gebied verandert daarmee. De gemeente streeft naar het herkenbaar houden van de (oorspronkelijke) agrarische functie van de bebouwing. De welstandsbeoordeling richt zich dan ook op het handhaven of het gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. ObjectcriteriaAlgemeende bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingin de directe nabijheid van de weg is de woning georiënteerd op de weg; de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vormde hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig en afgestemd op belendende bebouwing; aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven; er worden ononderbroken, forse kappen toegepast; de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap; de gevelopbouw van de kopgevel wordt gekenmerkt door een samenhangende, evenwichtige opbouw. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikde gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen, riet en grasdak; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs; kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw; detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 3.3Object ‘bedrijfsbebouwing’ ObjectbeschrijvingDe hoofdopzet van een agrarisch of niet-agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de ‘rustende boer’) naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet. Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange bedrijfshallen of stallen. Daarnaast komen veelvuldig één of meer werktuigbergingen of schuren voor. Het gaat voor het merendeel om grote, eenvoudige, rechthoekige constructies met een zadeldak gedekt met grijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een damwandprofiel. Overwegend is sprake van een zadeldak en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn gesitueerd afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden van het perceel. Bij brede en ondiepe kavels kunnen de bijgebouwen haaks staan op het hoofdgebouw. Bedrijfsschuur aan de Laapeerseweg Bedrijfsschuur aan de Langesteeg Waardebepaling, ontwikkelingen en beleidStallen, schuren en andere bedrijfshallen kunnen een grote invloed hebben op het bebouwingsbeeld. Ze kunnen een storende invloed hebben wanneer ze hoger zijn dan de hoofdbebouwing en afwijkende vormen en kleuren hebben. De gemeente streeft naar het beeld van de ondergeschiktheid van bijgebouwen aan het hoofdgebouw. De bestaande bebouwing en de hoofdgebouwen vormen het kader voor de welstandstoets. ObjectcriteriaAlgemeende bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingde plaatsing is ondergeschikt aan het hoofdgebouw (woning). Massa en vormde hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap; de massaopbouw op het erf is in onderlinge samenhang; de gevelgeleding is horizontaal; de kopgevels kennen een evenwichtige, samenhangende gevelopbouw. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikde gevels worden in metselwerk uitgevoerd. Ander materiaal is toegestaan, mits in donkere tinten uitgevoerd en voorzien van een profiel en een zichtbare metselwerkplint; de dakvlakken worden in pannen uitgevoerd. Ander materiaal is toegestaan mits in grijze of donkere tinten uitgevoerd, afwijkend van de gevelkleur en voorzien van een (golfplaten- of dakpan-) profiel. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 3.4Object ‘niet agrarische woonbebouwing’ ObjectbeschrijvingOp diverse plekken in het buitengebied zijn van oudsher burgerwoningen aanwezig: bescheiden arbeidershuisjes, woningen en villa’s. Het aantal burgerwoningen neemt de laatste jaren toe. Het gaat daarbij om toevoegingen en om veranderingen waarbij agrarische functies plaats maken voor woonfuncties. Het betreft veelal vrijstaande woningen die refereren aan een boerderijstijl of villa’s met een historiserende maar ook met een moderne architectuur. Burgerwoning aan de Laapeerseweg Woning aan de Leusbroekerweg De woningen hebben overwegend één bouwlaag en nooit meer dan twee bouwlagen. Er komen veel verschillende dakvormen voor. De vorm van de massa is voornamelijk enkelvoudig en geometrisch. Detailleringen, kleur- en materiaalgebruik zijn zeer divers. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleidVooral de gebieden dicht bij de kernen hebben een grote aantrekkingskracht, door de beschikbare ruimte en de extensieve bebouwingsdichtheid. Het extensieve karakter van het buitengebied moet behouden blijven. ObjectcriteriaAlgemeende bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingin de directe nabijheid van de weg, is de woning georiënteerd op de weg; de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw (B)1criteria waarachter een “(B)” staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.. Massa en vormde hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven; er worden ononderbroken, forse kappen toegepast; de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikde gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen, riet en grasdak; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs; kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen is afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw; bij verbouw worden bestaande details gerespecteerd; de bebouwing is niet gebonden aan een bepaalde bouwstijl; de woningen hebben een individuele uitstraling. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 3.5Object ‘recreatieve bebouwing’ ObjectbeschrijvingIn het gebied bevinden zich diverse recreatieterreinen voor verblijfsrecreatie. De terreinen worden veelal omringd door opgaande beplanting, waardoor deze vanaf de openbare weg niet of nauwelijks zichtbaar zijn. De bebouwing is kleinschalig en introvert ten opzichte van de omgeving, zij is niet prominent in het landschap aanwezig. De recreatieve bebouwing heeft veelal één bouwlaag met een bescheiden zadel- of tentdak. Het betreft enkelvoudige vormen, met de nadruk op rechte lijnen en een geordende gevelindeling. De geleding is evenwichtig. Detailleringen worden niet veelvuldig toegepast bij de recreatieve bebouwing. Overstekken treft men wel veel aan. Het materiaalgebruik bestaat hoofdzakelijk uit natuurlijke materialen: hout en bakstenen, pannen en riet. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleidDe kleinschaligheid van de bebouwing en de besloten ligging zijn belangrijke waarden. Het beleid van de gemeente is gericht op het in stand houden van het extensieve karakter van de bebouwing (B). Bij de (ver-)bouw van bebouwing dient extra aandacht te zijn voor de plaatsing in en het karakter van de omgeving. ObjectcriteriaAlgemeende bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingde bebouwing mag geen afbreuk doen aan het landelijk karakter van de omgeving; de bouwwerken hebben een gevarieerde plaatsing op de kavels. Massa en vormde bebouwing is vrijstaand (B)2criteria waarachter een “(B)” staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.; de bebouwing heeft niet meer dan één bouwlaag, woonruimte onder de schuine kap is mogelijk (B)2. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikgevels hebben een evenwichtige samenhangende opbouw; detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd; het materiaalgebruik bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke materialen, met de nadruk op hout, baksteen, pannen en riet; het kleurgebruik is ingetogen, met de nadruk op aardkleuren en donkere tinten. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 3.6Object ‘landgoederen’ ObjectbeschrijvingVan oorsprong liggen in het gebied diverse landgoederen, die de ontwikkeling van het landelijke gebied hebben beïnvloed. De landgoederen hebben een rijke historie die terug kan gaan naar de middeleeuwen. De bouwwerken bestaan uit een hoofdgebouw met daar omheen verscheidene bijgebouwen. Bovendien maken veelvuldig verscheidene boerderijen in de directe omgeving deel uit van het landgoed. Het hoofdgebouw van een landgoed heeft een prominente plaatsing op de kavel. De hoofdbebouwing is veelal opgebouwd uit twee bouwlagen met een kap evenwijdig aan de representatieve voorgevel. De gevels zijn overwegend geometrisch opgebouwd, met een verticale geleding en met een samenhangende massaopbouw. De onderstaande criteria hebben betrekking op bestaande landgoederen. Voor nieuwe landgoederen is maatwerk vereist. Er zal steeds een op de situatie afgestemd welstandskader moeten worden ontwikkeld. Dat kan gebeuren door eerst een randvoorwaardennota en/of een beeldkwaliteitplan op te stellen en de welstandsaspecten daaruit over te hevelen naar de welstandsnota. Landgoed De Boom Landgoed Den Treek ObjectcriteriaAlgemeende bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de Monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingde plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vormhet bouwwerk kent een representatieve gevel die op de openbare ruimte gericht is; de bebouwing wordt gekenmerkt door een rijzig karakter; er worden enkelvoudige en samengestelde kappen toegepast. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikde gevelgeleding wordt gekenmerkt door een verticale geleding en horizontale verbanden; de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen en riet; de hoofdkleuren van de gevels zijn stucwerk in gebroken wit of grijs of gedempte (aard-)kleuren; binnen een dakvlak komen geen kleurverschillen voor; er worden rijke detailleringen toegepast, zoals ornamenten en geveldecoraties; kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen is afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 4Gebiedscriteria Met het oog op het formuleren van welstandsbeleid is de gemeente Leusden opgedeeld in 17 deelgebieden (zie Welstandskaart gemeente Leusden). Daarbij zijn gebieden bij elkaar genomen met vergelijkbare ruimtelijke en functionele eigenschappen. Omwille van de hanteerbaarheid is hierbij zoveel mogelijk aangesloten bij de begrenzingen en benamingen van de recente bestemmingsplannen. Voor wat betreft het buitengebied is tevens de gebiedsindeling uit het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei als uitgangspunt genomen. Op die manier sluit het welstandsbeleid aan bij het overige, ruimtelijke beleid van de gemeente Leusden. Welstandskaart gemeente Leusden Per gebied heeft eerst een beschrijving van de ruimtelijke structuur plaats, waarin de aanwezige karakteristieken en kwaliteiten benoemd worden. Vervolgens worden de afzonderlijke welstandsonderdelen nader toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op mogelijke ontwikkelingen en relevant beleid, waarna een waardebepaling plaats heeft ten aanzien van het te voeren welstandsbeleid. Door middel van een algemeen welstandscriterium is een koppeling gelegd tussen de beschreven ruimtelijke karakteristieken en de beoordeling van de criteria door de ARK. Hiermee wordt gewaarborgd dat de ruimtelijke situatie ter plaatse als referentiekader dient voor de beoordeling van de bouwaanvraag. Dan volgen de gebiedsgerichte criteria: plaatsing, massa en vorm en detaillering, kleur- en materiaalgebruik. De gebiedscriteria hebben betrekking op de ‘overige bebouwing’, bebouwing die niet reeds via de objectcriteria is geregeld. Tevens kan per deelgebied een nuancering van de criteria voor kleinere bouwwerken en de objectcriteria plaats hebben. 4.1Dorpslinten Ruimtelijke structuurDit deelgebied omvat de oude dorpslinten van Leusden, Leusden-Zuid en Achterveld. In de kern Leusden is dit lint, langs de Hamersveldseweg, nog goed herkenbaar. Het lint vormt de centrale weg van de vroegere ontginningen. Een deel van de historische gemengde bebouwing is nog aanwezig. Langs de Hamersveldseweg ligt nog een aantal langs- en dwarshuisboerderijen. De boerderij ’t Claeverenblad dateert uit 16033Leusden, Geschiedenis en architectuur, p139. De Hofstede Roozendaal is gebouwd in de 18e eeuw. De overige bebouwing langs het lint is grotendeels in de 19e en 20e eeuw gerealiseerd en bestaat uit arbeiders en middenstandswoningen. Typerend is de variatie in functies binnen het lint van Leusden. Na de tweede wereldoorlog is bijvoorbeeld veel bedrijfsbebouwing gerealiseerd. Langs het bebouwingslint in Leusden is veel detailhandel en horeca gevestigd. De bebouwing is georiënteerd op de straat. Aan de voorzijde van de boerderij ‘t Claeverenblad is de afstand tot de weg zo groot dat hier een woonbuurtje is gerealiseerd. Bij deze bebouwing is wel rekening gehouden met een boerderijachtige uitstraling door het gebruik van rode baksteen, één laag met kap en groene luiken. Er komen ook een aantal geschakelde woningen voor en enkele rijtjes woningen. Hierdoor verschilt de grootte van de percelen. De boerderijen en de later gerealiseerde bedrijven kennen grote percelen. De kleine arbeiderswoningen staan daarentegen op veel kleinere percelen. Karakteristieke boerderij ’t Claeverenblad Variatie aan functies binnen het oude bebouwingslint, zoals horeca De oorspronkelijke bebouwing van Leusden-Zuid staat langs de huidige Arnhemseweg en de Maanweg. De bebouwing varieert in leeftijd en er zijn verschillende stijlen zichtbaar, aangezien het lint in de loop van de tijd verdicht en uitgebreid is. Zo zijn enkele elementen toegevoegd, zoals het appartementencomplex op de hoek van de Maanweg en de Arnhemseweg. De panden hebben voornamelijk een functie als woning. Er staan enkele panden met monumentale en karakteristieke waarden. Het gaat daarbij om herenhuizen en dwarshuizen uit de 19e en begin 20e eeuw, die veelal als gemeentelijk monument en in een enkel geval als rijksmonument zijn aangewezen. Een voorbeeld hiervan is het chalet aan de Arnhemseweg 56-58. De bebouwing is georiënteerd op de straat. De percelen langs de linten zijn relatief diep. De panden zijn over het algemeen kleinschalig, individueel herkenbaar met vrijstaande panden en woningen van het type twee-onder-één-kap. De gebouwen bestaan uit één tot twee bouwlagen met kap. De toegepaste kapvorm en -richting variëren. Dat geldt ook voor de hoogte en breedte van de gevels. Beeldbepalend appartementencomplex op de hoek van de Maanweg Er staan enkele panden met monumentale en karakteristieke waarden Langs de Hessenweg en de Jan van Arkelweg ligt het oude dorpslint van Achterveld, met overwegend vrijstaande bebouwing. Oude boerderijen en woningen worden afgewisseld met nieuwere bebouwing. Kenmerkend is de afwisseling in functies, met name in het centrale deel. Er zijn winkels, bedrijven, horeca en een verzorgingshuis gevestigd. Aan de westzijde van Achterveld bevindt zich relatief grootschalige bedrijfsbebouwing. Aan de oostzijde van het lint ligt het sportterrein. Aangrenzend hieraan ligt het bedrijventerrein De Fliert, wat onderdeel is van het deelgebied Bedrijventerreinen. De bebouwing in het lint van Achterveld bestaat over het algemeen uit één bouwlaag met een kap. De kappen van de oudere bebouwing, met name boerderijen, zijn fors. De boerderij heeft een duidelijke, heldere hoofdvorm. De kaprichting varieert. Enkele nieuwere gebouwen, zoals de supermarkt en het verzorgingstehuis, bevatten meerdere bouwlagen en een plat dak. Ook de kerk, uit de jaren dertig van de twintigste eeuw, heeft een grotere hoogte dan de gemiddelde hoogte van de lintbebouwing. De lintbebouwing onderscheidt zich van de achterliggende woonbebouwing doordat de panden vrijstaan en individueel vormgegeven zijn. De bebouwing is georiënteerd op de straat, dit met uitzondering van de bebouwing op het sportterrein en enkele bedrijfspanden achter de lintbebouwing. De lintbebouwing van Achterveld is vrijstaand en individueel vormgegeven PlaatsingDe lintbebouwing onderscheidt zich van de achterliggende woonbebouwing doordat de panden vrijstaan en individueel vormgegeven zijn. De percelen van het lint zijn wat dieper, zodat de nieuwere bebouwing niet direct zichtbaar is. De rooilijn binnen het lint verschilt. Op bepaalde delen is een strakke rooilijn gehanteerd, terwijl in andere delen de rooilijn verspringt. Met name de oudere boerderijen/panden liggen soms dicht tegen de weg, maar in een aantal gevallen ligt de bebouwing ook 10 tot 15 meter van de openbare weg af. De bebouwing staat over het algemeen midden op de kavel. Massa en vormOver het algemeen heeft de bebouwing één tot twee bouwlagen met een kap. De kappen van de oudere bebouwing, met name boerderijen, zijn fors. Overigens staat er ook bedrijfsbebouwing met een plat dak aan het lint. De kaprichting en -vormen variëren, er komen grote rieten afgewolfde kappen voor bij de oudere boerderijen. Er zijn echter ook (gecombineerde) zadeldaken en mansarde daken toegepast. De vorm van de bebouwing varieert en is individueel vormgegeven. De nieuw toegevoegde bebouwing is soms wat grootschaliger. Binnen het lint komt een grote variatie aan kapvormen en afdekkingsmaterialen voor Detaillering, kleur- en materiaalgebruikBinnen de dorpslinten is veel variatie zichtbaar. De oudere bebouwing bevat nog veel van de oorspronkelijke details en kleuren. Zo is de oudere bebouwing in een aantal gevallen voorzien van glas in lood, versieringen onder de dakgoot en van het boeiboord, roedenverdeling, muurankers en verbijzonderingen rond raam- en deuropeningen. Het kleurgebruik van deze panden is traditioneel, wit, groen en een enkele keer rood. Over het algemeen is de overige bebouwing opgetrokken uit roodbruine baksteen. Regelmatig is ook wit pleisterwerk toegepast en een enkele keer geel. Soms worden de bakstenen wit geschilderd. Er zijn vooral dakpannen in oranje of in donkere tinten toegepast. De nieuwere woningen zijn vaak sober gedetailleerd, hoewel ook hier soms een roedenverdeling is toegepast. De kleur van de dakpannen varieert van rood tot zwart. Ook worden rietenkappen toegepast. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidDe oude bebouwingslinten laten met hun gevarieerde bebouwing de bijzondere geschiedenis van de kernen zien en zijn daarom waardevol voor de gemeente Leusden. Dat uit zich onder meer in het feit dat een aantal panden opgenomen is in de Monumenteninventarisatielijst (bijlage A). Kenmerkend is de maat en schaal van het gebied en de specifieke kenmerken van de lintbebouwing. De diversiteit van de bebouwing is waardevol. Er zullen geen ingrijpende ontwikkelingen plaats hebben; de bestemmingsplannen zijn consoliderend van aard. Nieuwbouw dient zorgvuldig ingepast te worden, van belang zijn de maat en schaal van het gebied en de specifieke kenmerken van de lintbebouwing. De naoorlogse bebouwing heeft het beeld van de lintbebouwing op een aantal plekken aangetast door schaalvergroting en geringe architectonische kwaliteiten. Het beleid van de gemeente is er dan ook nadrukkelijk op gericht om de karakteristiek en waarden van het dorpslint als historische as te handhaven. Er is een beeldkwaliteitplan (BKP) voor de Hessenweg binnen Achterveld opgesteld, waarvan de voor welstand relevante bepalingen zijn overgenomen in deze welstandsnota. In dat document worden drie deelgebieden onderscheiden: het Hart van Achterveld, het Centrumgebied en de (westelijke en oostelijke) Entree van Achterveld. Kaart deelgebieden Hessenweg (uit: Beeldkwaliteitplan Hessenweg, 2004) WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingde rooilijn die in de omgeving van het bouwwerk aanwezig is, wordt gevolgd; oriëntatie op de weg; bebouwingscomplexen in het Hart van Achterveld (BKP Hessenweg) staan vrij in de ruimte. Ten aanzien van de overige bebouwing wordt de rooilijn die in de omgeving van het bouwwerk aanwezig is, gevolgd (B)4Criteria waarachter een “B”staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.; bijgebouwen worden achter de voorgevel gesitueerd (B). Massa en vormde hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met heldere, eenduidige hoofdvormen; per rij of cluster eenheid in massaopbouw van de hoofdgebouwen; kleinschalige parcellering; royale kappen met een nok; begane grond en verdiepingen in het Centrumgebied van Achterveld (BKP Hessenweg) vormen een architectonische eenheid; nieuwbouw past in de (kleinschalige) schaal van het gebied, zowel qua oppervlak als hoogte5BenW-advies: Visie op de Hamersveldseweg, archiefcode 2003/5019 (B); handhaven en versterken van de evenwichtige, hiërarchische indeling van de gevel; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan- en uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikhandhaven, terugbrengen en versterken van de oorspronkelijke kenmerken; gevel bestaat uit rood/bruine(bak-)stenen of is gestuukt, afdekking met pannen of riet; er worden in het Centrumgebied van Achterveld (BKP Hessenweg) geen grootschalige gevelopeningen toegepast; kleur- en materiaalgebruik van aan het openbaar gebied grenzende aan- en bijgebouwen is afgestemd op het hoofdgebouw; toepassing van gedekte aardkleuren en/of groen, wit, (zaans)rood, dan wel in aansluiting op omgeving. 4.2Hamershof en De Biezenkamp Ruimtelijke structuurDit deelgebied omvat Winkelcentrum Hamershof en het iets noordelijker gelegen voorzieningencentrum De Biezenkamp. Winkelcentrum Hamershof herbergt verschillende functies. De nadruk ligt op een ruim aanbod aan winkels. Daarnaast herbergt het gebied ook diverse horecavoorzieningen, kantoren (banken, gemeentehuis), voorzieningen (bibliotheek, cultureel centrum) en woningen (appartementen). Met name in het zuidelijke deel van het deelgebied zijn woningen gerealiseerd, in het noordelijk deel gaat het om appartementencomplexen boven de winkels/voorzieningen. Op enkele plaatsen zijn parkeerdekken (parkeren in twee lagen) gebouwd. De bebouwing staat dicht op de weg en heeft een stedelijk karakter. Het gebied doet echter niet “vol” aan, door de lage parkeerdekken wordt het zicht op het groen behouden. De hoogte van de bebouwing mag over het algemeen niet meer bedragen dan 4 bouwlagen. De meer recent gerealiseerde panden hebben een frisse aanblik door het lichte kleurgebruik Door de lage parkeerdekken wordt het zicht op het groen behouden Iets noordelijker is rondom De Biezenkamp een voorzieningencluster aanwezig. De inrichting en de structuur van dit gebied ondergaan een ingrijpende wijziging, waarbij sloop-nieuwbouw plaats heeft en te handhaven bebouwing opnieuw wordt ingepast, volgens het inrichtingsplan ‘De Nieuwe Biezenkamp’ uit 2011. Naast winkels zijn hier ook zorg- en welzijnsvoorzieningen voorzien, een multifunctioneel centrum met een brede school en woningen. De twee paviljoens aan de Asschatterweg en de Marcuskerk worden gehandhaafd en ingepast. Schets uitbreiding zuidzijde winkelcentrum blok C - noordwestgevel (bron: www.7arts.
  2. nl)Schets blok C - noordoostgevel (bron: www.7arts.
  3. nl)Detaillering, kleur en materiaalDe oudere gebouwen zijn veelal gerealiseerd in een rood-bruine baksteen. De meer recent gerealiseerde en nog te realiseren panden bevatten aardetinten en crème wit, met grijze of zwarte metalen onderdelen. Dit geeft het geheel een frisse aanblik. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidDe Hamershof fungeert als winkelcentrum, maar de gemeente wil ook de functie van ontmoetingspunt en verblijfscentrum versterken. Hiertoe zullen enkele ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Zo zal de sporthal mogelijk verplaatst worden, waardoor er ruimte ontstaat voor baliefuncties van commerciële dienstverlening met daarboven appartementen. Voor wat betreft De Biezenkamp wordt gefaseerd uitvoering gegeven aan de plannen voor De Nieuwe Biezenkamp, waarbij voorzien wordt in het opknappen en uitbreiden van het winkelcentrum en het toevoegen van diverse functies, waaronder ook wonen. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingbij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)6Criteria waarachter een “(B)” staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.. Voor De Biezenkamp wordt uitvoering gegeven aan het inrichtingsplan ‘De Nieuwe Biezenkamp’ Massa en vormper rij of cluster eenheid in massaopbouw van de hoofdgebouwen; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruikde bebouwing wordt in hoofdzaak uitgevoerd in hoogwaardige materiaalsoorten, zoals baksteen en glas; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 4.3Leusden-Noord Ruimtelijke structuurHet deelgebied Leusden-Noord is overwegend een woongebied, met zes buurten: Hamersveld, De Wetering, ’t Vliet, 't Ruige Veld, Alandsbeek, Rozendaal en Rozenboom. Verder zijn verspreid over het gebied zijn enkele maatschappelijke functies aanwezig. Hamersveld is de eerste planmatig opgezette wijk van Leusden en is gerealiseerd tussen 1950 en 1970. De wijk wordt gekenmerkt door de traditionele blokverkaveling, met eenvoudige, rechthoekige bouwblokken van twee lagen en een zadeldak evenwijdig aan de straat. Binnen een straat zijn dezelfde type woningen gerealiseerd, waardoor de wijk een rustig en helder beeld heeft. De woningen staan min of meer parallel aan de in het gebied aanwezige openbare wegen. De wegen sluiten echter schuin aan op de Asschatterweg. Hierdoor staan de woningen gedraaid ten opzichte van deze weg. Een veel voorkomend type woning rondom de Eikenlaan en in de wijk de Wetering zijn de rijenwoningen met een verticaal gelede gevel, waarbij de helft van de gevel enige decimeters naar binnen ligt. Dit type woningen wordt ook wel Z-kamer woningen, Olthoffwoningen of Bouwstroom ZO Utrecht genoemd. Er is her en der gebruik gemaakt van een dakopbouw, dan wel een dakkapel. De dakkapellen hebben een plat dak. De dakopbouw komt in verschillende vormen voor, alleen aan de achterzijde, of een opbouw met aan beide zijden ramen. Op één hoeksituatie zijn zelfs de voor- en zijgevelwanden enkele meters opgetrokken. Voorbeeld van een plat afgedekte dakkapel op een woning met uitbouw Voorbeeld van een dakopbouw Woonbuurt De Wetering is in hoofdzaak gerealiseerd in de jaren 70, met ook nog wat oudere bebouwing aan de Asschatterweg. De wijk bestaat uit clusters woonblokken gegroepeerd rondom parkeerhoven, onderling gescheiden door veel groen. Evenals een aantal andere wijken in Leusden is De Wetering naar binnen gekeerd, afgeschermd van de hoofdwegen door groene randen. De wijk bestaat voornamelijk uit blokken rijtjeswoningen van twee verdiepingen en een zadeldak, uitgevoerd in gele baksteen. De blokken zijn niet altijd naar elkaar toe gericht, er zijn ook situaties waar voor- en achterkanten van woningen naar elkaar zijn gericht. De bergingen zijn afwisselend aan de voor- of achterzijde gesitueerd. Langs de noordrand is een aantal vrijstaande en geschakelde woningen gebouwd en er zijn enkele appartementengebouw van 2 tot 3.5 lagen en een kap. Een markante woonbuurt is Park Rozendaal, waar in de jaren 70 de zogenaamde ‘Eurowoningen’ zijn gerealiseerd. Het gaat om 476 eengezins-‘drive-in’ woningen in 3 bouwlagen met een plat dak, ontworpen door architect H. Klunder in nauwe samenwerking met stedenbouwkundige D. Zuiderhoek. De woningen zijn aaneengesloten in boogvorm gebouwd, waarbij de gevelwand per woning enigszins verspringt. De woningen omsluiten binnenruimten, met een gevarieerde groene invulling. Rozendaal kent een sterke eigen gemeenschap, met ook eigen voorzieningen zoals een zwembad en een tennisbaan. De uitstraling van Rozendaal wordt bepaald door het patroon van identieke, aaneengeschakelde woningen, waarbij de onderste bouwlaag wordt gevormd door de entree van de woning en een garage. De woon- leefruimte bevindt zich op de eerste verdieping, met uitzicht op de tuinen. De individuele woning is ondergeschikt aan de boogvormige structuur en daarom op zichzelf weinig opvallend. Markante woningen met een grote eenheid in vormgeving, kleur en materiaalgebruik Luchtfoto Park Rozendaal Eveneens in de jaren 70 is woonbuurt Rozenboom gerealiseerd rondom een centrale groene zone met voet- en fietspad. Om de zone liggen parkeerhofjes met korte woonblokken van twee of vier woningen en twee verdiepingen met kap. Deze woningen zijn gemetseld in een gele baksteen. Verder bestaat dit gebied voornamelijk uit gevarieerde vrijstaande woningen met overwegend één bouwlaag met een kap en uit twee-onder-één-kap woningen. Aan de zuidrand, nabij de Noorderinslag, ligt een buurt met (senioren)woningen, die bestaan uit één bouwlaag met plat dak. Het verzorgingshuis telt vijf verdiepingen. De wijk bestaat grotendeels uit vrijstaande woningen, met name langs de randen Langs de centrale groenzone staan woningen van het type twee-onder-één-kap. Een enkeling is voorzien van een dakkapel De woonbuurt Alandsbeek is gerealiseerd in de jaren 1973 tot en met 1982 en bestaat hoofdzakelijk uit eengezinswoningen in rijtjes, met ook enkele vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Er komen geen gestapelde woningen voor. Een bijzonder element in deze buurt is de voormalige boerderij aan het Eiberpad. Binnen de wijk kunnen globaal twee typen woningen worden onderscheiden. Het grootste, oostelijke deel bestaat uit straten in een soort kronkelende boomstructuur. Langs de (doodlopende) takken staan rijenwoningen met grote verspringingen in de rooilijnen. De woningen staan min of meer parallel aan de weg. Dit varieert nogal eens door de kromming van de wegen. De garages zijn als uitbouw voor de woning geplaatst. De voortuinen zijn vaak diep, waardoor de woningen in mindere mate op de openbare weg zijn gericht. De bebouwing bestaat uit twee bouwlagen met kap, waarbij de kap doorloopt in de garage. De kap wordt in een groot aantal gevallen ter hoogte van de tweede verdieping onderbroken door een dakopbouw of een dakkapel. Deze dakkapellen en opbouwen krijgen dezelfde dakvorm als de woning. De woningen zijn qua vorm vergelijkbaar met de woningen langs de Landweg en worden ook wel 'skidakwoningen' genoemd. De skidakwoningen hebben een karakteristiek groot dakvlak. De voorgevel van de woningen verspringt ten opzichte van elkaar Het westelijke deel van Alandsbeek bestaat uit woningen in blokverkaveling, gebouwd in twee tot drie lagen met plat dak. Het westelijke deel van Alandsbeek, tegen Park Rozendaal, bestaat uit woningen in blokverkaveling, gebouwd in twee lagen met plat dak. Soms komt er ook een blok van bijvoorbeeld twee woningen voor met drie bouwlagen. De woningen met plat dak in het westelijke deel van de wijk staan in min of meer rechte rijen, langs een doodlopende weg. Ook hier zijn de garages voor de woning geplaatst. In deze buurt wordt zeer veel aan de achterzijde uitgebreid. Woonbuurt 't Ruige Veld is gerealiseerd in de jaren 1986 tot 1993, met voornamelijk eengezinswoningen. Hierbij is zoveel mogelijk gekozen voor gesloten bouwblokken, uitgevoerd in één of twee woonlagen met een zadeldak. Deze bouwblokken omsluiten binnenterreinen waar groen- en speelvoorzieningen zijn gesitueerd. De woningen staan over het algemeen evenwijdig langs de weg, met de kaprichting parallel aan de weg. De appartementengebouwen staan langs kleinere (insteek)wegen, enigszins schuin ten opzichte van de hoofdontsluiting. Aan de zuidzijde van de buurt bevinden zich een aantal vrijstaande woningen, terwijl het in het noordwesten over gaat in een kleinschalig werkgebied. De woningen staan met de kap evenwijdig aan de weg Appartementen gebouwen, bestaand uit drie bouwlagen De bebouwing in ’t Vliet is over het algemeen gerealiseerd in twee lagen met kap en maximaal drie lagen zonder kap. De kappen dienen zich hier nadrukkelijk als kappen te manifesteren. Dakhellingen flauwer dan 35° zijn niet toegestaan. Langs de noordrand bestaan de woningen uit drie bouwlagen zonder kap. Eventuele dakopbouwen en dakkapellen zijn mee-ontworpen. Daarnaast liggen in de wijk enige appartementengebouwen, van vier tot vijf lagen hoog met een penthouse-laag. De maximale hoogte in deze wijk ligt op 12 meter. Langs de Horsterweg zijn individuele woningbouwkavels uitgegeven. De hoogte is beperkt tot twee lagen met of zonder kap. De kap dient haaks op de weg te worden uitgevoerd. Dit sluit aan op de reeds bestaande, oudere bebouwing langs deze weg. Appartementengebouwen van vier tot vijf lagen hoog, met een frisse uitstraling Langs de Horsterweg staat nog oudere bebouwing. De nieuwe bebouwing sluit hierbij aan Detaillering, kleur- en materiaalgebruikVoor Hamersveld en De Wetering geldt dat door de eenheid in vorm en kleur van de bebouwing eenheid is ontstaan in het bebouwingsbeeld. De woningen zijn opgetrokken in roodbruine baksteen. Met name in het zuidelijk deel van de wijk zijn delen van de gevels witgepleisterd. In de omgeving van de Eikenlaan is ook gele baksteen toegepast. In het zuidelijk deel van de wijk komen ook bungalows voor, waarbij een lichte baksteen is toegepast. De dakpannen zijn oranjerood. Enkele clusters woningen hebben zwarte dakpannen, met name in het zuidelijk deel van de wijk en rond de Eikenlaan. In de wijk is meer detaillering te vinden in de bebouwing, dan in de later gebouwde woonwijken. In Rozenboom variëren de vrijstaande woningen in kleur, detaillering en materiaalgebruik. De woningen in Alandsbeek zijn opgetrokken in een gelige baksteen. Het dak heeft een donkere tint, waarbij het materiaal een associatie oproept met leisteen. Er zijn aluminium kozijnen toegepast. Over het algemeen zijn de garagedeuren licht van kleur. In het westelijke deel zijn andere kleuren toegepast. Er is gebruik gemaakt van een grijzige baksteen. De kozijnen en garage deuren zijn licht of juist opvallend van kleur. In het deel Park Rozendaal is de donkere plint van de woningen op de begane grond een opvallend gegeven. In een enkel geval is de garage omgezet in een kamer. Dit verandert het beeld enigszins, doordat het glas een lichtere uitstraling heeft. De twee bouwlagen daarboven zijn uitgevoerd in lichte grindtegels, waardoor deze lagen lijken te zweven. Zowel voor de rijenwoningen als de appartementencomplexen in ’t Ruige Veld zijn lichte kleuren en witte crèmekleurige baksteen toegepast. De rijenwoningen zijn voorzien van donkere pannen. De woningen langs de Hazekamp hebben platen op de voorgevel met een grindstructuur. Dit doet denken aan de woningen in de wijk Rozendaal. Verder is de detaillering in deze wijk sober. In ’t Vliet is baksteen een veel gebruikt materiaal in de woonbebouwing. Daarnaast is bijvoorbeeld in de appartementengebouwen, maar ook in de gevels van woningen gebruik gemaakt van plaatmateriaal en glas. In het Programma van eisen en Stedenbouwkundig plan wordt de nadruk gelegd op gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, en -bouwwijze. Aan de randen van het gebied, in de harde zone langs het Valleikanaal, zijn heldere lichte kleuren toegepast voor het metsel- en schilderwerk, zoals wit, crème, (licht) geel, rood, blauw en groen toegepast. De grote raamvlakken benadrukken de stadsrand. Langs de hoofdontsluitingsweg, de roze zone, zijn lichte kleuren metselwerk toegepast. Ook het schilderwerk is in lichte tinten uitgevoerd, zoals pasteltinten, licht grijs, roze en lavendel. Voor de noordgevels is gekozen voor meer primaire kleuren. Voor het metselwerk zijn diepere rode en bruine tinten toegepast. Ook het schilderwerk dient aan te sluiten bij de diepe rode en bruine tinten. Voorbeelden van kleuren die worden toegepast zijn Turks blauw, robijnrood, heidepaars en mintgroen. Deze kleuren zijn gekozen om de langgerekte bogen die de hoofdontsluiting begrenzen te versterken. Langs de Horsterweg, de nostalgische zone, is gekozen voor aansluiting bij de aanwezige bebouwing. Gekozen is voor traditioneel metselwerk in roodbruin, pannen in rood of zwart, en schilderwerk in traditionele kleuren, namelijk wit, standgroen, zaans rood en zwart. In het overige gebied, de witte zone, zijn voor het metselwerk lichte kleuren gebruikt, aangevuld door aardkleuren. Het schilderwerk sluit hierbij aan. Gedacht kan worden aan de kleuren wit, crème, appelbloesem, geel, oker, bruinbeige, wijnrood, olijfgroen en kaki. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidWaardevol is de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Handhaven van het gevarieerde beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt, met behoud van de eenheid van kleur, maat, schaal en detaillering van de bebouwing. Nieuw- of verbouw van gebouwen dient hierbinnen te passen. Wijzigingen in de voorgevels moeten met de nodige terughoudendheid worden uitgevoerd. Zo dient, om aan de kwaliteit van het ontwerp voor Park Rozendaal geen afbreuk te doen, zorgvuldig omgegaan te worden met solitaire aanpassingen in de gevelwanden. In delen van Alandsbeek is de verschijningsvorm van de skidakwoningen bijzonder: de vorm en uiterlijke kenmerken van de woningen en de structuur van de wijk zijn het behouden waard. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingbij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)7Criteria waarachter een “(B)” staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg. Massa en vormper rij of cluster eenheid in massaopbouw van de hoofdgebouwen; bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling; vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw; voor de skidakwoningen in Alandsbeek geldt het behoud van de dakvorm; voor ’t Vliet geldt dat de kappen zich nadrukkelijk als kappen dienen te manifesteren, dakhellingen flauwer dan 35° zijn niet toegestaan. Detaillering, kleur en materiaalgebruikbestaande details worden bij verbouwingen als vertrekpunt genomen; kleur- en materiaalgebruik van aan het openbaar gebied grenzende aan- en bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang; nadruk ligt op het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, en -bouwwijze; voor Park Rozendaal geldt: het handhaven van de horizontale geleding en het onderscheid tussen de donkere onderbouw en de lichtere bovenverdiepingen; voor ’t Vliet geldt dat bij de bebouwing aan de buitenrand heldere lichte kleuren voor het metsel- en schilderwerk worden toegepast en grote raamvlakken. Langs de hoofdontsluitingsweg worden lichte kleuren metselwerk toegepast. Ook voor het schilderwerk worden lichte (pastel-)kleuren gebruikt, terwijl bij de noordgevels diepere rode en bruine tinten worden toegepast voor het metsel- en schilderwerk, dakpannen zijn donker van kleur. Langs de Horsterweg moet traditioneel metselwerk in roodbruin, pannen in rood of zwart, en schilderwerk in traditionele kleuren, namelijk wit, standgroen, zaans rood en zwart worden toegepast, dakpannen zijn donker van kleur. In de rest van ’t Vliet, de witte zone, zijn voor het metselwerk lichte kleuren gebruikt, aangevuld met aardkleuren. het schilderwerk sluit hierbij aan. Gebruikt wordt bijvoorbeeld wit, crème, appelbloesem, geel, oker, bruinbeige, wijnrood, olijfgroen en kaki, dakpannen zij rood of donker. In afwijking van de criteria voor bijbehorende bouwwerken: aan- of uitbouwen (paragraaf 3.1) dienen aanbouwen aan de voorgevel of de openbaar gelegen zijgevel van hoekwoningen in ’t Ruige Veld uitgevoerd te worden in baksteen in de kleur van het bijbehorende huis, of in hout met een kleurstelling die afgestemd is de raamkozijnen van het woonhuis. In afwijking van de criteria voor dakkapellen (paragraaf 3.4) zijn in ‘t Vliet geen dakkapellen toegestaan, behalve op de woningen gelegen aan Palissade 2 t/m 20 (even), Voorpost 1 t/m 22, Bruggeschans 1 t/m 21 (oneven) en Rondeel 8 t/m 748Advies aan het college van Burgemeester en Wethouders, 25 januari 2000,Plaatsen dakkapellen op woningen in ’t Vliet. 4.4Valleipark Ruimtelijke structuurAan de noordzijde, tussen de wijk de Wetering en het Valleikanaal wordt een nieuwe invulling met woningen beoogd. Hiervoor is het Beeldkwaliteitsplan Valleipark (BGSV, 29 augustus 2013) opgesteld. Daarbij is in het Valleipark onderscheid gemaakt tussen het wonen aan de randen (Valleikanaal en Liniedijk), het wonen aan intieme woonstraatjes, de ‘Leusdense Laantjes’ en het wonen aan wigvormige plantsoenen die zicht bieden op het landschap van de Gelderse Vallei. De Leusdense Laantjes meanderen door het plangebied en verbinden de twee buurttoegangen aan de noordwestzijde en aan de zuidoostzijde. De plantsoenen strekken zich uit vanaf de Liniedijk tot aan het Valleikanaal. Tussen de Liniedijk en Valleipark ligt de Liniesloot. De Liniedijk is een rijksmonument en is ingericht met een informeel wandelpad over de kruin van de dijk. Een bestaande tennisbaan wordt gehandhaafd in het gebied. Voorbeeldverkaveling (uit; Beeldkwaliteitsplan Valleipark, augustus 2013) Detaillering, kleur- en materiaalgebruikIn het Beeldkwaliteitsplan Valleipark is niet gekozen voor een bepaalde architectuurstijl. Met de begrippen landschappelijk en dorps wordt de basis gelegd voor een woonbuurt met een grote variatie in woonhuizen met een duidelijk eigen karakter. Deze ontwerpuitgangspunten zijn in het beeldkwaliteitsplan verder uitgewerkt. Kenmerkend voor landschappelijke woonvormen is de dominantie van de kap in het beeld van de woning en de bijgebouwen (boerderij en schuren). Het dorpse aspect is gelegen in een ‘informele’ compositie van deze bebouwing. De plek van de gebouwen wisselt per kavel en nokrichtingen van gebouwen verschillen onderling. Ook is de bebouwing steeds anders van maat. Contrasten zijn een onderdeel van een dorpse sfeer, bijvoorbeeld door een wit gebouw in een omgeving van bakstenen gebouwen of een enorme schuur in een omgeving met kleinschalige bebouwing. Ondanks contrasten en afwisseling ademt de bebouwing een harmonieuze sfeer uit. Door een aantal gezamenlijke kenmerken vormen de woningen in het Valleipark een herkenbare eenheid, die zich tevens onderscheidt van andere (nieuwbouw) wijken in Leusden. Kenmerkend in het Valleipark is de relatie die de woning heeft met de straat (altijd met de tussenkomst van een tuin en haag), de vorm van de woning (meestal compact met een eenvoudige kap), maar ook in de keuze van hoogwaardige materialen, een beperkt kleurenpallet en bijzondere details, zoals veranda’s, erkers, serres en mooi vormgegeven woningentrees. Daarmee verbijzondert de buurt zich ten opzichte van de omgeving en behoudt zij op de lange termijn haar karakter. Referenties kappen en overstekken (uit Beeldkwaliteitsplan Valleipark, augustus 2013) Waardebepaling, ontwikkeling en beleidDe nieuwbouw in Valleipark dient zorgvuldig ingepast te worden volgens de uitgangspunten van landschappelijk en dorps. Daarbij gaat het om contrasten en afwisseling, met oog voor details. Het hiervoor opgestelde Beeldkwaliteitsplan Valleipark vormt het toetsingskader voor de welstandsbeoordeling. WelstandscriteriaHet beeldkwaliteitplan Valleipark is leidend voor wat betreft de plaatsing, massa en vorm en detaillering, kleur en materiaalgebruik. Na realisering is de bestaande omgeving het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen. 4.5Leusden-Oost Ruimtelijke structuurHet tweede kwadrant is voornamelijk in de jaren zeventig en tachtig gerealiseerd. Het gebied bestaat uit de wijken Akkerhoeve (‘70), Noordwijck (‘70), Langenbeek (‘80), Zwanenburg (‘80), Munnikhove (‘80) en Bosveld (‘80). Door het gebied loopt een ontsluitingsweg, waarop woonstraten aantakken. Deze mondt uit op de Burgemeester van de Postlaan en de Noorderinslag. Met name de hoofdweg, maar ook de overige wegen zijn vrij bochtig aangelegd. De woningen volgen de weg, waardoor de rooilijn in veel gevallen meekronkelt. De hoofdweg is voorzien van een fietsstrook en een voetpad. Langs de overige wegen in de wijk ligt dit niet. Dit geeft de buurtjes een dorpskarakter. In een deel van de straten is centraal een parkeerplaats ingericht. De wijk wordt van het buitengebied en de omliggende wijken gescheiden door een waterstructuur. Dwars door de wijk loopt centraal een groenstrook, die het noordelijk deel en zuidelijk deel van de wijk van elkaar scheidt. Het betreft voor het overgrote deel rijen woningen en woningen van het type twee-onder-één-kap. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één tot twee bouwlagen met een kap. Veelal is een zadeldak toegepast. De richting van het (zadel)dak varieert. In een aantal gevallen staat de kap dwars op de weg. Het komt echter vaak voor dat de kap over de gehele rij parallel aan de weg ligt. Op een deel van de woningen van twee lagen met een kap is een standaard dakopbouw gerealiseerd. Ook hebben sommige woningen een standaard dakkapel. Deze dakkapel is aangekapt en begint ca. drie pannen uit de nok. Op twee plekken in de wijk Munnikhove staan vrijstaande houten woningen, bijvoorbeeld rond de Pelgrimshove. De woningen zijn gerealiseerd in één bouwlaag met een kap. Een enkele woning heeft een dak met een kattenrug, waardoor ruimte voor een eerste verdieping is ontstaan. Een dakkapel op deze woningen wordt niet acceptabel geacht, vanwege de maat en schaal van de woningen en de buurt. Vrijstaande houten woningen rond Pilgrimshove Aan de zuid en oostkant van het gebied staan vrijstaande woningen Verder zijn met name aan de zuid en oost kant van het gebied vrijstaande woningen gerealiseerd. De vorm hiervan is gevarieerd. Deze woningen bestaan over het algemeen uit één bouwlaag met een zadeldak. De vrijstaande woningen worden omringd door grote tuinen. De woningen staan min of meer parallel aan de erftoegangswegen. Met name in de wijk Zwanenburg komen platte daken voor. Het betreft carrés van hetzelfde type rijen woningen, met een verbijzondering op de hoeken. In plaats van eengezinswoningen bestaan de hoeken uit appartementen. Op het dak wordt een standaarddakopbouw toegestaan ten behoeve van een derde bouwlaag. De dakopbouw heeft een afgeplat zadeldak dwars op de weg. Op specifieke en regelmatige punten is tijdens de bouw al een derde bouwlaag gerealiseerd, in de vorm van een zadeldak parallel aan de weg. Ook in de wijk de Akkerhoeve zijn enkele portiek woningen gerealiseerd. Deze woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap. Woningen rondom Leeuwenburg met overwegend een plat dak Woningen met een asymmetrische kap en verbijzonderingen op de hoeken Ten oosten van de weg de Beekridder in de wijk Langenbeek ligt een buurt met woningen die deel uitmaken van een woonerfstructuur. Bij de woningen ten oosten van de Beekridderweg worden de twee bovenverdiepingen afgedekt door een asymmetrisch gevormde kap. De hoeken van de rijen zijn verbijzonderd. Hier is aan één zijde geen kap toegevoegd, maar een rechte wand. In een aantal gevallen is deze situatie ongedaan gemaakt door dat ook op de hoek een kap is gerealiseerd ten behoeve van meer ruimte op de eerste verdieping. De straten ten westen van de Beekridder zijn soms aan de voorzijde voorzien van een berging. Ook bij deze woningen is soms een verbijzondering op de hoeken gemaakt, waarbij op de kop van de rij een woning van één bouwlaag met een kap dwars op de rij gerealiseerd is. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikIn dit gebied is sprake van sobere detaillering van de woningen. Er is veelal een roodbruine of een gelige baksteen toegepast. Bij enkele woningen is in de gevel licht plaatmateriaal aangebracht. De dakpannen hebben een rode of donkere kleur. De vrijstaande woningen variëren in kleur, detaillering en materiaalgebruik. Baksteen is ook in deze woningen veel toegepast. Vaak is hout verwerkt in de gevels. In Noordwijck is hout, geverfd in een groene kleur, toegepast in de gevel van een aantal woningen. De wanden en kozijnen van de houten woningen langs de Pelgrimshove zijn groen, transparant of donkerrood geverfd. De woningen ten oosten van de Beekridder en in de wijk Zwanenburg zijn opgetrokken in een afwijkende, grijzige kleur baksteen. De woningen ten oosten van de Beekridder zijn voorzien van grijs plaatmateriaal in de gevel. Ook de kozijnen zijn in grijstinten uitgevoerd. De dakbedekking bestaat uit grijze golfplaten. In de wijk Zwanenburg zijn lichte kleuren toegepast. In de gevels is wit plaatmateriaal toegepast. De kozijnen zijn wit of rood geverfd. Soms is boven de ramen op de verdieping enige sobere detaillering aangebracht in beton. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidWaardevol is de stedenbouwkundige opzet van de wijk en de karakteristieke eenheid van de bebouwing binnen een woonbuurt. Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich voor wanneer de ritmiek verstoord wordt, door bijvoorbeeld uitbreidingen aan de voorzijde of dakopbouwen. Deze uitbreidingen van woningen dienen zeer zorgvuldig te worden ingepast. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingbij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg. Massa, vorm bebouwingper rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling; vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruikbestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd; kleur- en materiaalgebruik van aan het openbaar gebied grenzende aan- en bijgebouwen is afgestemd op het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 4.6Leusden-West Ruimtelijke structuurHet oudste deel van dit gebied (Hamersveld) dateert uit de jaren vijftig. Het noordelijk deel van Hamersveld is in de jaren zestig gerealiseerd. Deze wijk wordt gekenmerkt door de traditionele blokverkaveling. De gebouwen en gebouwcomplexen bestaan uit eenvoudige, rechthoekige bouwblokken van twee lagen en een zadeldak evenwijdig aan de straat. Er is rust in het bebouwingsbeeld ontstaan door de eenvoudige hoofdmassa en kapvormen. Er is sprake van een strakke rooilijn. Binnen een straat zijn dezelfde type woningen gerealiseerd, waardoor de wijk een rustig en helder beeld heeft. Er staan rijenwoningen in twee lagen met een kap en woningen van het type twee-onder-één-kap. Deze woningen zijn hetzelfde uitgevoerd als de rijenwoningen. In de jaren zestig is aan de Lisidunalaan een verpleeghuis gerealiseerd. De wijk Hamersveld en Rossenberg wordt van het terrein gescheiden door een park met een waterstructuur, waardoor de bebouwing vanuit de woonwijk niet of nauwelijks zichtbaar is. Het gebouw bestaat voornamelijk uit één tot twee bouwlagen en heeft een plat dak. Het heeft een naar binnen gekeerd karakter en is gebouwd rond enkele atriums. Het verpleeghuis wordt ontsloten vanaf de Lisidunalaan. De wijk Rossenberg is een typische uitbreidingswijk uit de jaren zeventig, opgezet in de woonervenstructuur. De woonerven worden vanaf de Lisidunalaan door middel van drie insteekwegen ontsloten. De hofjes zijn ruim opgezet, met een groengebied en parkeerplaatsen binnen in. Rondom dit openbaar gebied staan vier rijen woningen. Opvallend is dat de bergingen zijn gerealiseerd aan de voorzijde van de woningen, gekoppeld aan een carport. Dit geeft een vrij gesloten straatbeeld. De woningen zijn door de plaatsing van de schuren voor het huis in mindere mate straatgericht. In het midden van de hofjes ligt vaak een groene ruimte, al dan niet in gebruik als speelplaats voor kinderen. De bergingen zijn gerealiseerd aan de voorzijde van de woningen Aan de achterzijde zijn woningen soms uitgebreid met uitbouwen en dakkapellen De bebouwing van Rossenberg kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. De rijen woningen bestaan uit ca. 5 woningen. De bebouwing bestaat uit 2 bouwlagen en een zadeldak. In deze wijk wordt bij realisatie van dakkapellen rekening gehouden met de verhoudingen van de onderliggende gevel. De indeling van de ramen van de dakkapel wordt hierop aangepast. In de jaren zeventig is ook het deel Groenhouten gerealiseerd, bestaande uit verschillende typen woningen. Enerzijds, dicht tegen het lint aan, is de traditionele blokverkaveling toegepast. Anderzijds is, meer richting de Groene Zoom, de woonerfstructuur toegepast. De randen van de wijk worden overwegend gevormd door geschakelde woningen, met trapsgewijze verspringingen in de rooilijn. Deze verspringingen komen in mindere mate terug in de rijen woningen langs de Landweg. Deze wijk sluit op een bijzondere manier aan op het lint, waarbij de oudste boerderij van de kern Leusden is opgenomen in de nieuwere bebouwing van de wijk. Deze twee-onder-één-kap woningen staan enigszinsgedraaid ten opzichte van de openbare weg. Dekap looptdoor tot op de garage De woningen zijn voorzien van een standaard dakkapel De wijk is ruim en groen opgezet. De hofjes hebben een groengebied en parkeerplaatsen binnenin. Rondom dit openbaar gebied staan de rijen woningen. Deze woningen zijn in mindere mate gericht op de straat, doordat in veel gevallen aan de voorzijde bergingen, garages en carports zijn gerealiseerd. Ook de woningen met een plat dak en de woningen van het type twee-onder-één-kap, beide langs de Landweg, hebben bergingen en/of carports aan de voorzijde. Deze twee-onder-één-kap woningen staan enigszins gedraaid ten opzichte van de openbare weg. De garages zijn aan de voorzijde van de woning gerealiseerd, waarbij de kap vanaf de tweede verdieping doorgetrokken is in de garage. De dakkapellen op deze woningen hebben een bijzondere driehoekige vorm. Aan de woonerven die vanaf de Landweg worden ontsloten staan rijen woningen gebouwd in twee lagen met zadeldak. Aan de woonerven staan rijen woningen, gebouwd in twee lagen met zadeldak Aan de zuidzijde van de wijk, parallel aan de Landweg zijn woningen gebouwd van 2 tot 3 lagen met platte daken. Op de platte daken is een standaard zadeldak haaks op de weg mogelijk Aan de zuidzijde van Groenhouten, parallel aan de Landweg, zijn woningen gebouwd van 2 tot 3 lagen met platte daken. Op de platte daken is een standaard zadeldak haaks op de weg mogelijk. Dit geldt ook voor de woningen die gerealiseerd zijn in 3 bouwlagen. Tegenover de rijen woningen met plat dak staan rijenwoningen in 2 lagen met zadeldak en (schuin) afdak boven de deur. In de zuidoostelijke en noordoostelijke hoek van de wijk staan lage appartementengebouwen van maximaal drie bouwlagen en een plat dak. In deze wijk worden de dakkapellen conform de criteria voor kleinere bouwwerken gerealiseerd, uitgezonderd de dakkapellen van de geschakelde woningen van het type twee-onder-één-kap. Er wordt bij de indeling van de ramen rekening gehouden met de verhoudingen van de onderliggende gevel. De wijk Claverenblad/Wildenburg is eind jaren tachtig gerealiseerd. Het gebied bestaat uit rijen woningen, op strategische punten afgewisseld met appartementencomplexen. Door de wijk loopt één centrale water-as. Claverenblad/Wildenburg kenmerkt zich door lange rijen woningen en enkele kleinschalige hofjes. Er staan voornamelijk rijenwoningen bestaand uit twee bouwlagen en een kap. De rijenwoningen zijn voorzien van een zadeldak. Op enkele plekken staan ook woningen die bestaan uit één bouwlaag met kap, dit betreft met name vrijstaande woningen aan de zijde van de Hamersveldseweg. De appartementencomplexen bestaan uit vier bouwlagen en zijn voorzien van een plat dak. De woningen staan over het algemeen evenwijdig langs de weg, met de nokrichting parallel aan de weg. In deze wijk staan voornamelijk rijen woningen met zadeldak Appartementencomplexen, bestaand uit vier bouwlagen Detaillering, kleur en materiaalBaksteen is hier het meest gangbare materiaal. Er zijn bruine en gelige bakstenen toegepast, maar in Claverenblad/Wildenburg betreft het lichte crèmekleurige en rode bakstenen. De dakpannen zijn overwegend donker van kleur. Er is veelal sprake van een sobere detaillering en een ingetogen kleurgebruik, al is ook rood, geel of blauw toegepast. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidWaardevol is de stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Het handhaven van dat eenduidige beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. Dit betekent dat aan de straatzijde het beeld van de verkaveling zichtbaar moet zijn en met wijzigingen in de voorgevels terughoudend moet worden omgegaan. Verstoringen doen zich met name voor op plaatsen waar de achtertuinen grenzen aan het openbaar gebied. Voor wat betreft Lisidunahof is nog enige ruimte voor uitbreiding. Er kunnen aanleunwoningen, (zelfstandige) woningen, maatschappelijke voorzieningen en kantoren worden gerealiseerd. Er zijn plannen het verpleeghuis uit te breiden met zelfstandige seniorenwoningen. De representativiteit, met name in de richting van de hoofdweg de Groene Zoom vormt een aandachtspunt. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingbij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg; rekening wordt gehouden met de bestaande organisatie op het perceel. Massa, vorm bebouwingper rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw; uitbreidingen aan de straatzijde moeten zorgvuldig worden ingepast, om het bebouwingsbeeld niet te verstoren; Voor het deel Lisidunahof geldt: gebouwen staan vrij in de ruimte en hebben een individuele uitstraling. Detaillering, kleur en materiaalgebruikbestaande details worden bij verbouwingen als vertrekpunt genomen; kleur- en materiaalgebruik van aan het openbaar gebied grenzende aan- en bijgebouwen is afgestemd op het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. In afwijking van de criteria voor dakkapellen (paragraaf 3.4) op het voordakvlak of het openbaar gelegen zijdakvlak moet in het zuidelijke deel van Rossenberg bij de indeling van de ramen rekening worden gehouden met de verhoudingen van de onderliggende gevel. In afwijking van de criteria voor dakkapellen (paragraaf 3.4) is het aan Claverenbladstraat 1 t/m 133 (oneven), Van den Bergstraat 1 t/m 32 en Kuperssingel 37 t/m 51 (oneven) toegestaan om op het achterdakvlak of het niet-openbaar gelegen zijdakvlak dakkapellen op te trekken vanuit de goot. In afwijking van de criteria voor aan- of uitbouwen (paragraaf 3.1) zijn in dit deelgebied aan de voorgevel of de openbaar gelegen zijgevel geen aanbouwen groter dan 6 m² toegestaan. 4.7Leusden-Zuid Ruimtelijke structuurHet woongebied Leusden-Zuid wordt gekenmerkt door een drietal noord zuid lopende, min of meer rechte lanen. Deze lanen ontsluiten met name in het zuiden kleine, doodlopende woonstraten. De woonstraten in het noorden lopen niet dood, maar verspringen, waardoor er korte woonstraten zijn ontstaan. In het zuiden, langs de Prinses Irene Laan, ligt het winkelcentrum. De centrale weg door Leusden-Zuid is de Prinses Irene Laan/De Roo van Alderwereltlaan. Het woongebied achter het lint is redelijk eenvormig, hoewel het in verschillende tijden gebouwd is, variërend van de jaren 50 tot de jaren 70. Het betreft voornamelijk rijen woningen, gebouwd in twee bouwlagen met een kap, parallel aan de weg. De woningen van het type twee-onder-één-kap staan op de hoeken van de korte woonstraten. Deze woningen sluiten aan op de naastgelegen rijen woningen en kennen dezelfde detaillering, kleurgebruik en stijlkenmerken. Direct achter het bebouwingslint en aan de noordrand van de kern zijn voornamelijk vrijstaande woningen gerealiseerd. De vrijstaande woningen bestaan uit één tot twee bouwlagen. De kapvorm varieert. In Leusden-zuid staan met name rijenwoningen met een zadeldak, parallel aan de weg De oudere woningen bestaan uit roodbruine baksteen en hebben rode dakpannen Detaillering, kleur- en materiaalgebruikKleur en materiaal gebruik verschilt. De oudere woningen bestaan uit roodbruine baksteen en hebben rode dakpannen. De woningen die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn gerealiseerd, bevatten gele baksteen en een donker getinte kap. De gevels van deze woningen zijn ook regelmatig voorzien van plaat of houtwerk in gelige, bruine of grijze tinten. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidWaardevol is de structuur van het gebied, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Het handhaven van het eenduidige beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingbij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)9Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing, indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.. de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg; oriëntatie op de weg; bijgebouwen worden achter de voorgevel gesitueerd (B)21. Massa en vormper rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw; uitbreidingen aan de straatzijde moeten zorgvuldig worden ingepast, om het bebouwingsbeeld niet te verstoren. Detaillering, kleur en materiaal gebruikbestaande details worden bij verbouwingen als vertrekpunt genomen; kleur- en materiaalgebruik van aan het openbaar gebied grenzende aan- en bijgebouwen is afgestemd op het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 4.8Tabaksteeg Ruimtelijke structuurTabaksteeg is een nieuwe wijk in aanbouw. De wijk wordt begrensd door de Grift in het westen, de Maanweg in het noorden, de Pon-spoorlijn in het oosten en het fietspad Tabaksteeg in het zuiden. De landschappelijke ondergrond is de leidraad geweest voor de opzet van Tabaksteeg. Het duidelijk oost-west georiënteerde patroon van sloten en houtwallen is duidelijk herkenbaar in het stratenpatroon van Tabaksteeg. Een drietal structuurdragers vormen de basis voor de verkaveling van de wijk: De Dorpsstraat van noord naar zuid (parallel aan de Grift), de Groene Wig en de Kasteellaan. Het hart van de wijk wordt gevormd door Het Centrum dat een verbindende schakel vormt met Leusden-zuid en dat een duidelijke verbinding legt met het groengebied ten zuiden van fietspad Tabaksteeg. De Groene wig koppelt Het Centrum aan de Ecologische Verbindingszone aan de spoorlijn. Ligging Tabaksteeg (het gele gebied) ten opzichte van Leusden-zuid en Leusden Verkavelingsplan Tabaksteeg De structuurdragers verdelen Tabaksteeg in een viertal woonbuurten. De meest noordelijke woonbuurt, de Tuinen. Dit gebied heeft een compacte, vrij dichte kern, met een losse, onregelmatige rand van bebouwing die in de Ecologische Verbindingszone aan de spoorlijn uitkomt. Ten zuiden van De Tuinen bevindt zich De Kreek, gekenmerkt door een stevige rand en een los binnen gebied, waar water een grote rol speelt. Ten westen hiervan vormt een duidelijke stevige kern (Het Centrum) het hart van Tabaksteeg. Het meest zuidelijke woonveld, Landerijen, wordt getypeerd door de langste oost-west rechtstanden. Hier komt de verwantschap met het onderliggende landschap het meest tot zijn recht. Het gebied tussen de Grift en het zuidelijke deel van de Dorpsstraat, is een bijzonder gebied, waar met name de interactie tussen Leusden-zuid en Tabaksteeg door middel van zichtlijnen gewaarborgd wordt. Detaillering, kleur- en materiaalgebruikIn Tabaksteeg wordt het dorpse en landelijke karakter nagestreefd. In de verkaveling maar ook in de bebouwing wordt dit verder uitgewerkt. De “identiteit van een dorp” wordt verkregen door variatie in de beeldkwaliteit te zoeken, waarin een zekere samenhang te herkennen is. Variatie speelt zich af op verkavelingniveau, door verschillende woningtypes door elkaar te gebruiken. Ook wordt verscheidenheid en variatie in de architectuur gezocht, waarbij de individualiteit van elk pand tot uitdrukking dient te komen. De samenhang wordt bevorderd en gegarandeerd door het aantal materialen en kleuren voor gevels, daken, raamkozijnen, erfafscheidingen etc. te beperken. Lokale, traditionele materialen vormen het uitgangspunt, omdat zij zorgen voor herkenning en eigenheid van een gebied en ervoor zorgen dat Tabaksteeg ook in een groter gebied verankerd wordt. Variatie op verkavelingsniveau Referentie aan de jaren 20 en 30 met baksteen, overstekken en erkers Waardebepaling, ontwikkeling en beleidIn Tabaksteeg vormt de architectuur uit de jaren 20 en jaren 30 het centrale thema, waaraan door diverse architecten een eigen gezicht is gegeven. De typische kenmerken van deze architectuurperiode zijn dan ook overal te herkennen. Stevige kappen, overstekken, baksteen, erkers komen overal terug en bevorderen het dorpse en de samenhang op een subtiele wijze. Er zullen geen ingrijpende ontwikkelingen plaatshebben, het bestemmingsplan is consoliderend van aard. Nieuwbouw dient zorgvuldig ingepast te worden, waarbij de maat en schaal van het gebied en de specifieke stedenbouwkundige en architectonische kenmerken van Tabaksteeg van belang zijn. Tevens is voor Tabaksteeg een masterplan opgesteld. Op basis daarvan zijn voor de verschillende deelprojecten in Tabaksteeg aparte verkavelingplannen opgesteld, met bijbehorende beeldkwaliteitplannen. Deze beeldkwaliteitplannen vormen mede een toetsingskader voor de welstandsbeoordeling. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; Plaatsingoriëntatie op de weg; de rooilijn verspringt; bijgebouwen worden achter de voorgevel gesitueerd (B)10Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing, indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan.. Voor Tabaksteeg is een erfbebouwingsregeling opgesteld, die leidraad is bij de plaatsing van aan- en bijgebouwen. Massa en vormde hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling, ook in de rijenwoningen dient de individuele woning tot uitdrukking te komen; kleinschalige parcellering; alle woningen dienen van een kap te worden voorzien, waarbij de stijlkenmerken van de jaren 20 en 30 het uitgangspunt vormen; bebouwing heeft een evenwichtige, hiërarchische gevelindeling; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw en dient conform de reeds in het gebied aanwezige trendsetters te worden uitgevoerd. Detaillering, kleur en materiaalgebruikgevel bestaat uit rood/bruine/purper bakstenen; daken worden afgedekt met antracietkleurige gebakken pannen of riet, waarbij in het zuidelijk deel van Tabaksteeg (Landerijen) tevens incidenteel een rode gebakken dakpan is toegelaten; gebruik van natuurlijke materialen, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor de rand aan de Leusden-zuid-zijde waar ook lichtkleurige bakstenen/keimwerk mag worden toegepast als verwijzing naar Leusden-zuid evenals in het zuidelijk deel van Tabaksteeg (Landerijen), waar gekeimde accenten in de bebouwing voorzien mogen worden; damwanden hebben een natuurlijke uitstraling in een gedekte kleur en met een horizontale of verticale plaatsing; kleur- en materiaalgebruik van aan het openbaar gebied grenzende aan- en bijgebouwen is afgestemd op het hoofdgebouw; handhaven, terugbrengen en versterken van de oorspronkelijke kenmerken. Bestaande details dienen bij verbouwing als vertrekpunt genomen te worden; In afwijking van de criteria voor aan- of uitbouwen (paragraaf 3.1) dient ten aanzien van de plaatsing van aan- en bijgebouwen de voor Tabaksteeg opgestelde Erfbebouwingsregeling te worden toegepast. 4.9Kantorenlocaties Ruimtelijke structuurAan de noordkant van Leusden ligt De Horst, met uitdrukkelijk een representatief karakter. De Horst is bedoeld voor zakelijke en maatschappelijke dienstverlening en de lichte hoogwaardige industriële sector. Het terrein herbergt naast bedrijven ook een hotelaccommodatie. Er wordt een laag bebouwingspercentage gehanteerd. Ten minste 20% van de perceelsoppervlakte moet groen zijn. Voor kantoren is een minimale bouwhoogte vastgesteld van 10.5 meter. Op enkele plekken is een maximum van 14 meter toegestaan. Het aanwezige hotel heeft een hoogte van 17.5 meter. In het bestemmingsplan zijn gevellijnen aangegeven waarin de meest representatieve zijde dient te worden gebouwd. De parkeerplaatsen dienen zoveel mogelijk naast en tussen de gebouwen gesitueerd te worden. Dit betekent dat de afstand tussen de gebouwen groot moet zijn. Gestreefd wordt naar zo min mogelijk zichtbaarheid van de auto’s vanaf de openbare weg. Bebouwing met een representatieve uitstraling, zeker langs de openbare weg In de oksel van de Randweg en de Groene Zoom bevindt zich het bedrijventerrein Princenhof, dat in de jaren zeventig en tachtig is ontwikkeld. Het bedrijventerrein wordt van de aangrenzende woonwijk Hamersveld gescheiden door een parkzone met een waterpartij. Tevens vormt de deels oorspronkelijke bebouwing aan de Burgemeester de Beaufortlaan de zuidelijke begrenzing van het bedrijventerrein.Rondom het kantoor aan de Burgemeester De Beaufortweg kunnen binnen het bestemmingsplan nog ontwikkelingen plaats vinden, het gebied heeft een werk- en woonbestemming. Terrein ’t Ruige Veld is in de jaren tachtig gerealiseerd, met name ten behoeve van kantoren, tezamen met de woonwijk erachter. De bedrijventerreinen Princenhof en ’t Ruige Veld worden ontsloten vanaf de Zwarteweg. Princenhof is tevens bereikbaar vanaf de Groene Zoom. Op de terreinen zijn voornamelijk kantoren en kantoorhoudende bedrijven gevestigd, naast enkele kantoorverzamelgebouwen. De grootte van de bedrijfsgebouwen verschilt. Met name op Princenhof zijn enkele zeer grootschalige bedrijven gevestigd. Ook de kavelgrootte varieert sterk per bedrijf. De bedrijfsbebouwing staat veelal midden op het perceel. Op Princenhof is door het oorspronkelijke lage bebouwingspercentage (30%) veel buitenruimte ontstaan, dat veelal ingericht is als parkeerplaats en groen. Hierdoor heeft het gebied een groen aanzicht. Er is sprake van relatief extensief ruimtegebruik. ’t Ruige Veld is kleinschaliger en intensiever ingericht. De kavels zijn individueel uitgegeven en bebouwd, waardoor een grote variatie aan bebouwing optreedt. Het meest in het oog springen de grote gebouwen op Princenhof tot 15 meter hoog en met een plat dak. Kantoorpanden aan de Zwarteweg en Larikslaan Aan de noordwest kant van Leusden ligt ’t Spieghel. Dit gebied bevat verschillende functies, zoals een sporthal, tennisbanen, tuincentrum, kassen, grofvuilinzameling van de gemeente en dergelijke. Momenteel is het gebied extensief bebouwd. Er staan enkele grootschaliger gebouwen zoals de tennishal naast enkele kleinschalige panden, in een groen gebied. Her en der staan (bedrijfs-) woningen. Met name langs de noordelijke tak van de Ursulineweg staan enkele kassencomplexen. De woningen bestaan overwegend uit één bouwlaag met een zadeldak. De bedrijfsbebouwing en de bebouwing van de tennishal bestaat uit een tot twee bouwlagen. Bedrijfswoning met kassencomplex langs Ursulineweg De bebouwing bestaat uit baksteen, aangevuld met hout en plaatwerk Detaillering, kleur en materiaalVoor het bedrijventerrein De Horst is een beeldkwaliteitplan geschreven. Hierin zijn hoogwaardige materiaalsoorten, zoals natuursteen, aluminium, baksteen en glasgevels voorgeschreven. Gebouwen mogen daarbij onderling contrasteren, mits sprake is van een harmonieus geheel. Aan de representatieve randen en hoeken van het gebied moet extra aandacht besteed worden aan architectuur en ontwerp. Hier moet gebruik worden gemaakt van de maximaal toegestane bouwhoogte. Deze bebouwing is zichtbaar vanaf de rijksweg A28. Hier mogen geen rommelige achterkantsituaties ontstaan. Een deel van de bebouwing op Princenhof bestaat uit loodsen, opgetrokken uit plaatmateriaal in grijze, groene of blauwe tinten. Vaak is een gemetselde plint gebruikt. De bebouwing in ’t Ruige Veld is kleinschaliger. De bebouwing is over het algemeen opgetrokken in baksteen. De daken zijn op de beide terreinen over het algemeen plat. De grens tussen openbaar en privé wordt bepaald door hekwerken. Een aandachtspunt vormt de representativiteit van de bebouwing langs de Randweg, de Zwarteweg en de Groene Zoom. De woningen op ’t Spiegel bestaan uit roodbruine baksteen. De kozijnen en overig houtwerk zijn uitgevoerd in traditionele kleuren. De bedrijfsbebouwing en de tennishal zijn opgetrokken uit baksteen, aangevuld met hout en plaatwerk in rode, groene en grijzige tinten. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidDe ruimtelijke mogelijkheden in de bestemmingsplannen zijn ruim. Wel zijn nadrukkelijk representatieve rooilijnen aangegeven, en is de maximale hoogte en bebouwingspercentage vastgelegd. Aan de openbare randen van de bedrijventerreinen, waar de gebouwen voor velen zichtbaar zijn, is representatie van belang. Voor De Horst is dit vastgelegd in het beeldkwaliteitplan De Horst: nieuw- of verbouw van gebouwen dient binnen dit plan te passen. Aan de bebouwing midden op de terreinen kunnen minder vergaande eisen gesteld worden. In ’t Spiegel zal herinrichting plaatsvinden (De Plantage en De Buitenplaats). De precieze invulling is nog niet bekend. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingmet representatieve zijde (kantoorgedeelte, entree) naar de doorgaande wegen. Indien het pand niet gelegen is aan de doorgaande wegen, dient de representatieve zijde naar de openbare weg gekeerd te zijn; Massa en vormgebouwen staan vrij in de ruimte; per cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; panden hebben een individuele uitstraling; bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling. Detaillering, kleur en materiaalgebruikhet representatieve deel wordt in hoofdzaak uitgevoerd in hoogwaardige materiaalsoorten, zoals natuur- en baksteen en glas; bij bedrijfshallen en loodsen; het gebruik van gedekte en donkere kleuren en een gemetselde plint. aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw. 4.10Bedrijventerreinen Ruimtelijke structuurDit deelgebied omvat de bedrijventerreinen Paardenmaat en Ambachtsweg aan de zuidzijde van de kern Leusden en De Fliert in Achterveld. Bedrijventerrein Paardenmaat is in de jaren tachtig en negentig ontwikkeld rondom een autodepot, dat sinds de jaren zeventig aan de PON-lijn gevestigd is. Op het terrein zijn voornamelijk grootschalige bedrijven gevestigd, enkele autodealers en enkele kleinere bedrijven. De kavels zijn individueel uitgegeven en bebouwd, waardoor een grote variatie aan bebouwing optreedt. De bedrijfsbebouwing staat veelal midden op het perceel. De ruimte om de bebouwing is ingericht is als parkeerplaats, manoeuvreerruimte en groen. Hierdoor heeft het gebied vanaf de omliggende openbare wegen een groen en ruim aanzicht. Het meest in het oog springt de representatieve bebouwing langs de Zuiderinslag. Een deel van deze bebouwing onderscheidt zich van de overige bebouwing door de rondere, creatievere vormen. Een futuristisch vormgegeven autoshowroom is een belangrijke blikvanger. Een futuristisch vormgegeven autoshowroom als blikvanger De bebouwing is vaak rechthoekig en strak Er staan enige oude boerderijen langs de Hamersveldseweg: deze bebouwing, die bepalend is voor het oorspronkelijke karakter van dit deel van de Hamersveldseweg, dient in stand gehouden te worden. Nieuwbouw zal qua uitstraling moeten aansluiten bij de gemiddelde hoogte die in deze omgeving voorkomt. Uitgangpunt is om langs de Hamersveldseweg gebouwen met een kap te realiseren, in aansluiting op de omgeving11Uit “De Hamersveldseweg westzijde, tussen Paardenmaat en het spoor, aanzet voor een globale ruimtelijke visie op de toekomstige ontwikkeling van dit gebied”.. Bedrijventerrein Ambachtsweg is ontstaan in de jaren zestig. In de jaren zeventig hebben meer bedrijven zich hier gevestigd. Het terrein ligt gescheiden, op afstand van de kern, en wordt ontsloten vanaf de Hamersveldseweg. Rondom een tweetal grootschaliger bedrijven ligt een groot aantal kleinere bedrijven. De bedrijfsbebouwing staat veelal midden op het perceel. Er omheen is ruimte voor parkeren en manoeuvreren. Het terrein geeft hierdoor een stenige indruk. De kavels zijn individueel uitgegeven en bebouwd, waardoor een grote variatie aan bebouwing optreedt. Het meest in het oog springen de grote gebouwen en loodsen met een plat dak. In een aantal gevallen is in meer of mindere mate verticale geleding aangebracht, waardoor de loods minder massaal overkomt. De bebouwing is rechthoekig en strak. De panden bestaan uit één tot twee bouwlagen. Op het terrein staan nog enkele oude bedrijfsloodsen, bestaand uit baksteen en glas. Deze gebouwen zijn voorzien van een zadeldak met een flauwe helling. Bij enkele panden is tevens een bedrijfswoning aanwezig. Bedrijfspand met gevelgeleding De nieuwere gebouwen hebben een representatieve uitstraling Bedrijventerrein De Fliert in Achterveld is opgezet om ruimte te bieden voor te verplaatsen bedrijven uit de kom van Achterveld of het buitengebied en voor nieuwe bedrijven met een lokaal karakter. Het terrein ligt achter het oorspronkelijke lint en wordt ontsloten vanaf de Klettersteeg. Het terrein kent een verscheidenheid aan bebouwing, met de nadruk op plat afgedekte bedrijfsgebouwen. Verder zijn enkele bedrijfswoningen aanwezig. Detaillering, kleur en materiaalEen deel van de bebouwing op de bedrijventerreinen bestaat uit loodsen, opgetrokken in baksteen. Een ander deel is opgetrokken in donker/grijs plaatmateriaal, veelal met een gemetselde plint. De panden zijn over het algemeen plat afgedekt. De nieuwere gebouwen hebben een representatievere uitstraling, door het gebruik van voornamelijk glas en baksteen in rode, lichte, grijzige en blauwe tinten. Zo zijn langs de Zuiderinslag futuristisch ogende vormen toegepast en hoogwaardige materiaalsoorten zoals glas en staal. Hierbij wordt geen gemetselde plint toegepast. De grens tussen openbaar en privé wordt bepaald door hekwerken. Waardebepaling, ontwikkeling en beleidDe ruimtelijke mogelijkheden in de bestemmingsplannen zijn relatief ruim; de nadruk ligt op de bedrijfseconomische efficiency. De ruimtelijke uitstraling van het bedrijventerrein, in de richting van de hoofdwegen Zuiderinslag en Hamersveldseweg, is een aandachtspunt. Aan de bebouwing midden op de terreinen en op het terrein De Fliert kunnen minder vergaande eisen gesteld worden. Het aanwezige coöperatiegebouw tegen over de ingang van het bedrijventerrein Ambachtsweg zal in stand gehouden worden. Nieuwbouw zal qua uitstraling moeten aansluiten bij de gemiddelde hoogte, vormgeving en kleurstelling die in deze omgeving langs de Hamersveldseweg voorkomt12Uit “De Hamersveldseweg westzijde, tussen Paardenmaat en het spoor, aanzet voor een globale ruimtelijke visie op de toekomstige ontwikkeling van dit gebied”.. Bebouwing langs de Hamersveldseweg WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de aanwezige stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van de bestaande gebouwen; bouwaanvragen die betrekking hebben op panden die voorkomen op de monumenten Inventarisatielijst (bijlage A) worden voorgelegd aan de ARK ten aanzien van het aspect welstand. De beschrijving uit het Monumenten Inventarisatieproject (MIP) is uitgangspunt van de beoordeling. Plaatsingmet representatieve zijde (kantoorgedeelte, entree) naar de doorgaande wegen Zuiderinslag en Hamersveldseweg. Indien het pand niet gelegen is aan de doorgaande wegen, dient de representatieve zijde naar de openbare weg gekeerd te zijn; representativiteit en kleinschalige uitstraling van de panden langs de Hamersveldseweg; de representatieve zijde staat in de rooilijn. Massa en vorminstandhouden van de bebouwing die bepalend is voor het oorspronkelijke karakter van de Hamersveldseweg, inclusief het coöperatiegebouw; gebouwen staan vrij in de ruimte; per cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; panden hebben een individuele uitstraling; bebouwing heeft een hiërarchische gevelindeling; voor grootschalige bouwwerken wordt een verticale geleding van de gevel toegepast; nieuwbouw langs de Hamersveldseweg worden voorzien van een kap. Detaillering, kleur en materiaalgebruikhet representatieve deel wordt in hoofdzaak uitgevoerd in baksteen en glas; bij bedrijfshallen en loodsen; het gebruik van gedekte en donkere kleuren en een gemetselde plint. 4.11Sportcomplexen Ruimtelijke structuurDit deelgebied beslaat twee sportcomplexen; sportpark Burgemeester Buining aan de westzijde en sportcomplex Valleikanaal aan de noordoostzijde van Leusden. Op sportpark Burgemeester Buining zijn sportvelden, een zwembad en een ijsbaan aanwezig. De bebouwing bevindt zich met name bij de toegangsweg de Duiker. Op het sportcomplex Valleikanaal is bebouwing aanwezig aan de zijde van de Valleilaan. De hoogte varieert, met name het zwembad en de sporthallen hebben een grotere hoogte. De overige bebouwing bestaat overwegend uit één bouwlaag. Er worden zowel platte als schuine daken toegepast. Detaillering, kleur en materiaalHet grootste deel van de bebouwing is opgetrokken in baksteen en heeft de kleur rood/bruin of geel. Er is ook regelmatig plaatmateriaal toegepast in de kleuren grijs, zwart, blauw of rood. Het zwembad en de sporthal hebben een grotere hoogte, dan de omliggende gebouwen van de voetbal- en tennisvereniging Er wordt met name baksteen en plaatmateriaal toegepast Waardebepaling, ontwikkeling en beleidAan de randen kunnen de gebouwen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; hier is enige representativiteit van belang. Bij de beoordeling is de aansluiting bij gebouwen op de omgeving van belang. WelstandscriteriaAlgemeende bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwwerk. Dat wil zegge

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.