Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld houdende regels omtrent de participatiewet (Westerveld)
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld houdende regels omtrent de participatiewetDeze beleidsregels zijn met ingang van de eerste dag na publicatie van kracht en werken terug tot 1 januari
- Deel algemene bijstand inclusief Bbz 2004, IOAW en IOAZ Hoofdstuk1Bijzondere aanvraagprocedures Participatiewet Regelingen: Participatiewet, Bbz2004, IOAZ en IOAW Onderwerpen: Inleiding Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag Aanvragen Bbz 2004 en IOAZ Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal afwijkende aanvraagprocedures. Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag In principe ontvangt een belanghebbende geen bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Als een belanghebbende een beroep heeft gedaan op een voorliggende voorziening bijvoorbeeld WW uitkering maar deze wordt afgewezen dan wordt de aanvraagdatum van de voorliggende voorziening de aanvraagdatum voor de bijstandsuitkering 1 Zie beleidswijzer B003 ‘ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag’ van het handboek Wet werk en bijstand van Schulinck.. De belanghebbende moet dan binnen 10 werkdagen na dagtekening van de afwijzingsbeschikking van UWV een digitale aanvraag algemene bijstand hebben ingediend via www.werk..nl. Afgewezen WW-aanvragen en voorschotten Als de belanghebbende een voorschot heeft ontvangen van het UWV en dit is onterecht gebeurd dan kan het voorschot verrekend worden met de bijstandsuitkering De bijstand kan in dat geval zonder machtiging van de belanghebbende tot het bedrag van het voorschot worden terugbetaald aan het UWV (artikel 53 lid 1 Participatiewet). Als de klant een voorschot niet hoeft terug te betalen dan geldt slecht recht op bijstand voor zover deze meer bedraagt dan de door het UWV verleende voorschotten. Voorbeeld afwijzing WW en aanvraag Participatiewet Belanghebbende vraagt op 15 juni een WW uitkering aan. Het UWV wijst de aanvraag op 14 juli af. Op 16 juli meldt belanghebbende zich voor een aanvraag WWB. De ingangsdatum van de bijstandsuitkering is dan 15 juni. De verstrekking van gegevens ten aanzien van het vermogen wijkt in deze gevallen af van het verificatie- en validatiebeleid. Belanghebbende moet inzage in zijn bankrekeningen verstrekken door de afschriften over de periode van 15 mei tot en met 16 juli ter inzage te geven. Bij de vermogensvaststelling mag volstaan worden met de saldi van de bankrekeningen rond 16 juli tenzij de vermogensmutaties over de periode aanleiding geven om het vermogen per 15 juni vast te stellen. Als 1 maar belanghebbende meldt zich pas op 14 augustus. De ingangsdatum is gelijk aan de melddatum, te weten 14 augustus. Voor de vermogensvaststelling hoeft dan niet van het verificatiebeleid te worden afgeweken. De hierboven beschreven werkwijze ten aanzien van de WW geldt ook voor overige voorliggende voorzieningen. Aanvragen Bbz 2004 en IOAZ Aanvragen Bbz 2004 en IOAZ gaan rechtstreeks naar de gemeente. Deze worden door het Regionaal Bureau zelfstandigen (RBZ) afgehandeld. Het Rbz neemt de aanvragen in behandeling en adviseert het college. Het college neemt het uiteindelijke besluit. Hetzelfde geldt voor aanvragen in het kader van de IOAZ. Hoofdstuk2Overbruggingsuitkering Regeling: artikel 18 lid 1 Participatiewet Aan een belanghebbende die de periode tussen zijn aanvraag en de eerste betaling van de uitkering niet kan overbruggen kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt. Een belanghebbend kan in de volgende situatie in aanmerking komen voor een overbruggingsuitkering: de uitbetaalperiode vóór de bijstand sluit niet aan op die van de bijstand. De eerdere uitbetaalperiode was bijvoorbeeld wekelijks en sluit niet aan bij onze maandelijkse betaalperiode/-datum; een "verlaten partner" blijft zonder middelen achter en kan niet wachten tot de eerste betaaldatum van de bijstand; de hoogte van het inkomen in de periode voorafgaande aan de bijstandsverstrekking is ontoereikend om de periode tot de eerste bijstandsbetaling te overbruggen; De overbruggingsuitkering is bedoeld om te voorkomen dat een cliënt op het moment van aanvraag met betalingsproblemen te maken krijgt. De praktijk leert dat mensen die bij aanvang van de bijstand al met achterstanden te maken krijgen deze niet meer inlopen. Er kunnen dan ook heel snel schulden ontstaan. Als de Participatiewet geen aanknopingspunten biedt om overbruggingsbijstand in de vorm van een borgtocht of een lening toe te kennen moet de overbruggingsbijstand om niet te worden verleend. Voor de terugbetaling van overbruggingsuitkeringen in de vorm van een geldlening sluit het college aan bij hetgeen in het debiteurenbeleid is opgenomen over terugbetalingen van geldleningen, uitgezonderd krediethypotheken. Het overbruggingsbedrag beslaat maximaal een periode van één maand en de hoogte is gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag, minus de financiële middelen waarover wordt/kan worden beschikt. NB: Indien later blijkt dat in verband met een eigen woning, de bijstand in de vorm van een krediethypotheek wordt toegekend, zal ook de incidentele bijstand alsnog als krediethypotheek moeten worden toegekend Hoofdstuk3Middelen Regeling: Participatiewet, IOAW en IOAZ Onderwerpen: Inleiding Giften Smartengeld Tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven (Her)berekening inkomsten Vakantiereserveringen uitzendkrachten bij verplichte bedrijfssluiting Vrijlating inkomsten uit arbeid en Parttime Ondernemen (PTO) Hoe vaak pas je de inkomstenvrijlating toe Inkomstenvrijlating en terugvordering Inkomstenvrijlating bij gehuwden Bijverdiensten kinderen jonger dan 18 jaar Hoeve Boschoord Vermogensvaststelling bij aanvang en tijdens de verlening van algemene bijstand Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm Algemeen gebruikelijke bezittingen in natura (auto, inboedel) Interen op vermogen Vermogen te hoog vanwege achteraf verkregen middelen Vermogensdeel met bijzondere bestemming Inleiding In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen over middelen. Giften Giften worden, als deze verantwoord zijn, bij de vaststelling van de bijstand in principe niet meegerekend. Hierbij speelt het volgende een rol: De gift leidt niet tot een bestedingsniveau dat niet in overeenstemming is met het bijstandsniveau; Het gaat om kosten voor een bestemmingen die niet inbegrepen zijn in de bijstandsnorm; Het moet om een redelijk bedrag/bestemming gaan; De gift heeft een onverplicht karakter Smartengeld Voor vergoedingen voor materiële en immateriële schade die onder artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet vallen, heeft het college het volgende beleid. Hoe stel je vast waarvoor de schadevergoeding is Het college ontvangt van de belanghebbende een vaststellingsovereenkomst. Daarin staat hoe de schadevergoeding is opgebouwd. In de vaststellingsovereenkomst is te zien welk gedeelte voor de immateriële schade (smartengeld) is en welk deel voor de materiële schade. Heeft de belanghebbende geen vaststellingsovereenkomst of kan de belanghebbende niet op een andere manier aantonen hoe de schadevergoeding is opgebouwd, dan onderzoekt het college met de belanghebbende wat het doel van de schadevergoeding is. Is de schadevergoeding: qua doel en hoogte vergelijkbaar met de schadevergoedingen genoemd in artikel 7 Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ dan rekent het college deze niet tot de middelen, ook bedoeld voor loonverlies aan arbeidsvermogen, maar is niet duidelijk voor welk deel, dan rekent het college een derde deel van die vergoeding toe aan loonverlies en arbeidscapaciteit. Tenzij belanghebbende kan aantonen dat dit lager is, ook bedoeld voor materiële schade (geen loonderving verlies aan arbeidsvermogen, maar is niet duidelijk welk deel, dan moet de belanghebbende aannemelijk maken welke kosten hij heeft moeten maken om deze schade te herstellen, ook bedoeld voor immateriële schade, maar blijkt de omvang daarvan niet uit de vaststellings- / schadeovereenkomst, dan wordt de hoogte daarvan vastgesteld onder aftrek van wat met behulp van b en/of c is vastgesteld. Materiële schadevergoeding Als de materiele schade een vergoeding bevat voor het verlies aan arbeidsvermogen dan wordt de schadevergoeding tot de middelen gerekend. Vergoedingen voor medische behandelingen of schade aan de eigendommen van belanghebbende worden niet tot de middelen gerekend, tenzij met dat doel bijstand is verleend. Als de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor herstel of vervanging van bezittingen, dan wordt de schadevergoeding als vermogen gerekend. De vergoeding wordt wel tot de middelen gerekend als de vergoeding voor schade aan eigendommen is die bij de vaststelling van het recht op bijstand ook tot de middelen zouden zijn gerekend (artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet). Denk bijvoorbeeld aan schadevergoeding voor een exclusieve auto. Periode schadevergoeding Als in de schadeovereenkomst niet staat voor welke periode de schadevergoeding is bedoeld, dan loopt deze periode vanaf de datum van het ongeval tot het moment waarop belanghebbende de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt2 Zie noot van mr. H.W.M. Nacinovic bij uitspraak van CRvB 13-09-2005, nrs 04/1980 NABW e.a. in Grip op Participatiewet . Is de vergoeding bedoeld voor de periode van voor de bijstandsverlening dan is dit vermogen. Immateriële schadevergoeding (smartengeld) Immateriële schadevergoeding is een vergoeding voor het leed dat ontstaat door lichamelijk en/of psychisch letsel veroorzaakt door een ander. Vergoedingen voor immateriële schade worden niet tot de middelen gerekend (als deze verantwoord zijn). Het college laat bij de vaststelling van het vermogen de immateriële schadevergoeding buiten beschouwing voor zover die: lager of gelijk is aan het bedrag genoemd in artikel 34 lid 2 onderdeel d Participatiewet; en de helft van het meerdere. De Nederlandse rechter is zeer terughoudend in het toekennen van immateriële schadevergoeding. Als de rechter dit toekent, gaat het veelal om zeer ernstige situaties. Reden waarom het college deze vergoeding niet volledig tot het vermogen wil rekenen. Voorschotten smartengeld Als belanghebbende een voorschot van de verzekeringsmaatschappij ontvangt bedoeld voor materiele schade dan wordt deze niet tot de middelen gerekend. Behalve als de vergoeding bedoeld is voor loonderving/verlies aan arbeidsvermogen of vergoeding van schade aan bezittingen die in het kader van bijstandsverlening ook tot het vermogen gerekend zouden worden. Tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven Het college rekent eenmalige tegemoetkomingen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan slachtoffers en nabestaanden van slachtoffer van geweldsmisdrijven niet tot de middelen. Het college vindt deze tegemoetkoming vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord (artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet). De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 35.000,
- Dit is echter anders wanneer deze tegemoetkoming een uitkering is, bedoeld voor het compenseren van het verlies van arbeidsvermogen/derving van levensonderhoud. Deze komt dan naar aard overeen met een periodiek te ontvangen bedrag aan inkomsten in verband met arbeid en moet daarom als middel in aanmerking worden genomen in het kader van de Participatiewet. (Her)berekening inkomsten Als de inkomsten niet per maand maar per week of vier weken worden ontvangen, rekent het college de inkomsten om naar inkomsten op maandbasis. Dit doet het college met behulp van de berekeningstool van Langhenkel, https://www.langhenkel.nl/langhenkel-shop/de-langhenkel-berekeningsprogramma/ Vakantiereserveringen uitzendkrachten bij verplichte bedrijfssluiting Op loonstrookjes van uitzendbureaus staan reserveringen voor vakantiedagen en kort verzuim Deze reserveringen zijn bedoeld om het loon door te betalen bij verlofdagen en vakantie (en dus verplichte bedrijfssluiting). Het gaat hier om inkomen zoals staat in artikel 32 lid 2 tweede zin van de Participatiewet. Dus bij verlofdagen wordt van de belanghebbende verwacht dat hij zijn reservering kort verzuim opneemt en bij bedrijfssluiting (wegens vakantie) zijn reservering vakantiedagen. Het zijn middelen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Vakantiegeld/toeslag/bijslag Bij uitbetaling van het vakantiegeld, de vakantietoeslag of vakantiebijslag is het geen inkomen maar vermogen als het gereserveerde vakantiegeld betrekking heeft op de periode waarover geen bijstand is verleend. In alle andere gevallen is bij het verrekenen van het inkomen met de uitkering al rekening gehouden met het vakantiegeld op basis van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Voorbeeld vakantiegeld Belanghebbende ontvangt vanaf 1 maart bijstand in aanvulling op zijn inkomsten uit arbeid. Hij ontvangt al inkomsten uit arbeid vanaf 1 januari dat jaar. In juni betaalt zijn werkgever het vakantiegeld uit over de periode van 1 januari tot en met mei. Het in juni uitbetaalde vakantiegeld over 1 januari tot en met februari is vermogen in de zin van de Participatiewet. Het vakantiegeld over 1 maart tot en met mei is in juni geen inkomen of vermogen. Dat is al meegenomen bij het verrekenen van de inkomsten met de uitkering in maart, april en mei. Vrijlating inkomsten uit arbeid en Parttime ondernemen (PTO) Drie soorten van inkomstenvrijlatingen: reguliere inkomstenvrijlating (artikel 31 lid 2 onder n Participatiewet, artikel 8 lid 2 IOAW en artikel 8 lid 3 IOAZ). Hieronder vallen ook zogenoemde Parttime ondernemers. aanvullende inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders (artikel 31 lid 2 onder r Participatiewet, artikel 8 lid 5 IOAW en artikel 8 lid 9 IOAZ) voor personen die medisch urenbeperkt zijn (artikel 31 lid 2 onder z Participatiewet, artikel 8 lid 7 IOAW en artikel 8 lid 11 IOAZ). Het doel van de inkomstenvrijlating is om belanghebbenden te stimuleren een gehele of gedeeltelijke baan te accepteren en het stimuleren van ondernemerschap. Aan het aspect "bijdragen aan arbeidsinschakeling" omschreven in bovengenoemde inkomstenvrijlatingen onder a en b geeft het college als volgt invulling: Het college past de inkomstenvrijlating toe op iedereen met een uitkering van het college van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, die inkomsten uit arbeid of uit PTO verwerft en in aanvulling op de inkomsten nog recht heeft op een uitkering. Hoe vaak pas je de inkomstenvrijlating toe Het recht op inkomstenvrijlating tijdens de bijstandsverlening geldt voor slechts één keer per periode van bijstandsverlening. Dit geldt ook voor de IOAW en IOAZ. Zie voor een nadere toelichting Grip op Participatiewet van Schulinck. In de volgende situatie past het college de inkomstenvrijlating opnieuw toe. Past of paste het college de inkomstenvrijlating toe en beëindigt het college daarna de uitkering dan kan de belanghebbende weer in aanmerking komen voor de inkomstenvrijlating als hij minimaal zes achtereenvolgende maanden (te rekenen vanaf de einddatum c.q. intrekkingsdatum van de uitkering) geen uitkering ontvangt. Bij een alleenstaande ouder kan dan aansluitend op de reguliere inkomstenvrijlating weer de inkomstenvrijlating specifieke voor alleenstaande ouders worden toegepast. Ontvangt een belanghebbende in aansluiting op zijn uitkering van een andere gemeente, een uitkering, dan moet onderzocht worden of de vorige gemeente de inkomstenvrijlating toepaste. De periode van bijstandsverlening of uitkering is dan niet onderbroken. Inkomstenvrijlating en terugvordering De vrijlatingsbepalingen van artikel 31 lid 2 onder n, r en z Participatiewet, artikel 8 lid 2, 5 en 7 IOAW en artikel 8 lid 3, 9 en 11 IOAZ gelden ook als er sprake is van terugvordering in verband met inkomsten uit arbeid, ook als er sprake is van fraude. De vrijlating zou dan kunnen leiden tot een verlaging van het terug te vorderen bedrag. Zie voor een nadere toelichting Grip op Participatiewet van Schulinck. Inkomstenvrijlating bij gehuwden De inkomensvrijlating geldt voor ieder van de echtgenoten/partners afzonderlijk. De arbeidsverplichtingen en de eventuele ontheffingen worden namelijk individueel vastgesteld. Zie voor een nadere toelichting hoofdstuk 3, paragraaf 2.5 van Grip op Participatiewet van Schulinck. Bijverdiensten kinderen jonger dan 18 jaar Voor een toelichting zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.3.
- (inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen) van Grip op Participatiewet van Schulinck. Hoeve Boschoord Hoeve Boschoord3 Hoeve Boschoord bestaat uit het forensisch psychiatrisch centrum “de Beuken” en het orthopedagogisch behandelcentrum is een inrichting in de gemeente Westerveld en verstrekt aan cliënten die aan hun therapie meewerken wekelijks een bedrag van € 14,004 In een individuele situatie kan dit bedrag hoger liggen. Deze persoon heeft dan meer vrijheden en verricht in het kader van de therapie meer werkzaamheden. In beginsel worden ook deze bedragen vrijgelaten. . Deze bijdrage is geen inkomen als bedoeld in artikel 32 Participatiewet. Artikel 32 Participatiewet eerste en tweede lid omschrijft wat onder inkomen verstaan moet worden, te weten: onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk inkomen uit of in verband met arbeid inkomen uit vermogen inkomen uit onderhuur, verhuur, het houden van kostgangers sociale zekerheidsuitkering alimentatie (voorlopige) teruggave belastingdienst inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 43 Zvw. premie gericht op arbeidsinschakeling Dan wel middelen die naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen. De vergoeding van Hoeve Boschoord om deelname aan therapie te bevorderen valt in ieder geval niet onder a tot en met h en is ook geen middel die naar aard daarmee overeenkomt. Blijft over premie gericht op arbeidsinschakeling. De vraag is dus of de bijdrage van Hoeve Boschoord bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbenden. Met de bijdrage motiveert Hoeve Boschoord inwoners deel te nemen aan de therapie. Deelname aan therapie levert naar verwachting een verbetering op van de situatie waarin belanghebbende verkeert. De stap dat het daarmee bijdraagt aan de arbeidsinschakeling gaat echter te ver. Hoeve Boschoord verstrekt de vergoeding niet met het oog op het bevorderen van positief gedrag gericht op uitstroom naar betaalde arbeid. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de vergoeding die Hoeve Boschoord aan cliënten verstrekt om deelname aan therapie te bevorderen geen inkomen is in de zin van de Participatiewet. Vermogen en algemene bijstand Vermogensvaststelling bij aanvang van algemene bijstand Zie hiervoor hoofdstuk 4 (Middelentoets), paragraaf 3.3 (wijze waarop het college vermogen moet vaststellen) Grip op Participatiewet van Schulinck. Wat te doen bij negatief vermogen bij aanvang van de bijstand: Is het vermogen in zijn geheel lager dan de vermogensgrens dan komt de cliënt in aanmerking voor bijstand; Is er een positieve vermogensbestanddeel aanwezig dat hoger is dan de vermogensgrens dan geldt dat de cliënt moet interen*. Of de cliënt moet het vermogen gebruiken voor het aflossen van schuld. Het aflossen van schuld is dan een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de bijstand (Met toepassing van artikel 18 lid en artikel 55 Participatiewet). *Het hebben van positieve vermogensbestanddelen hoger dan de vermogensgrens is in strijd met de complementaire karakter van de bijstandsverlening. Vermogensvaststelling tijdens de verlening van de algemene bijstand: Als tijdens de periode van bijstand, door een vermogenstoename, de vermogensaanwasruimte wordt overschreden dan vindt er een nieuwe vermogensvaststelling plaats. Dit gebeurt op dezelfde manier als de vermogensvaststelling bij aanvang van de algemene bijstand. Het college kijkt dus naar de actuele vermogenssituatie en neemt ook de schulden zoals hierboven omschreven daarin mee. Is het vermogen lager dan de vermogensgrens dan hoeft de cliënt niet in te teren. Is het vermogen hoger dan de vermogensgrens dan moet de cliënt interen. Als er vermogenstoename lager is dan de vermogensvrijlating dan heeft dit wel gevolgen voor de vermogensaanwasruimte. Deze wordt dan wel tussentijds aangepast. Er vindt in deze situatie geen nieuwe vermogensvaststelling plaats. De klant moet hiervan op de hoogte gebracht worden en het moet ook administratief in het systeem verwerkt worden. Interen: Het college beoordeelt of er 30 dagen op het bedrag kan worden ingeteerd. Op de 31e dag wordt het recht op bijstand opnieuw vastgesteld. Dit op de wijze zoals hierboven is omschreven. Zo niet dan wordt de bijstand gedurende een kortere periode dan 30 dagen onderbroken, wegens een geringe overschrijding. De bijstandsverlening zal na die kortere periode worden voortgezet en er zal geen nieuwe vermogensvaststelling plaatsvinden. De vermogensruimte is in dat geval dan nihil. Vraagt belanghebbende bijstand aan, na op zijn vermogen te hebben ingeteerd, dan beoordeelt het college of belanghebbende verantwoord heeft ingeteerd op zijn vermogen. De Participatiewet kent hier geen norm voor. Het college hanteert hiervoor de interingsnorm van anderhalf keer de toepasselijke bijstandsnorm. Het college verhoogt de interingsnorm met het gemis aan huur- en zorgtoeslag. De college houdt ook rekening met inkomsten die belanghebbende gedurende de interingsperiode geniet. Met eventuele bijzondere uitgaven kan ook rekening worden gehouden. Denk bijvoorbeeld aan vervanging van duurzame gebruiksgoederen. Deze uitgaven leiden tot een lager vermogen. Onderstaande berekeningsmethode geeft het gemeentelijk beleid weer: Toepasselijke bijstandsnorm per maand € .... x 1½ = € .... + Inkomsten € .... - Gemis aan zorgtoeslag € .... + Gemis aan huurtoeslag € .... + € .... (A) Wachttijd in maanden = vermogen boven het vrij te laten vermogen gedeeld door A. Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm Wanneer tijdens de periode van bijstandsverlening de leefvorm van de belanghebbende wijzigt dan kan dit tevens gevolgen hebben voor het vermogen. Het vermogen wordt niet opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat dit al eerder is vastgesteld en daarom bekend is: een alleenstaande wordt alleenstaande ouder door de geboorte van een kind (het vrij te laten vermogen wijzigt wel) Het vermogen wordt wel opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat de wijziging in de gezinssituatie gevolgen heeft voor het vermogen: twee personen met een uitkering op grond van de Participatiewet gaan samenwonen; een alleenstaande ouder wordt alleenstaande (jongste kind wordt 18 jaar); gehuwden met een uitkering op grond van de Participatiewet gaan uit elkaar. Vermogen te hoog vanwege achteraf verkregen middelen Het kan gebeuren dat iemand door achteraf verkregen middelen boven de vrijlatingsgrens uitkomt. Het teveel betaalde aan uit kering wordt dan teruggevorderd (artikel 58 lid 2 PW). Erfenissen Is het vermogen van een cliënt door een erfenis meer toegenomen dan de vermogensaanwasruimte, dan vindt er een nieuwe vermogensvaststelling plaats. Zoals hierboven omschreven. We gaan uit van het vermogen op het moment van datum overlijden. De toename van het vermogen als gevolg van een erfenis wordt meegenomen vanaf het moment dat de klant daar aanspraak op kan maken. Dus vanaf de datum van overlijden van de erflater. Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (middelentoets), paragraaf 3 (vermogen), onderdeel 4.4 (bezittingen) over de langstlevende ouder uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Boedelscheidingen: Met vermogen uit de boedelscheiding houdt het college rekening vanaf de datum van verlating, maar niet eerder dan de ingangsdatum van de uitkering. Na een boedelscheiding kunnen met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder f, ten eerste, van de Participatiewet de kosten van bijstand worden teruggevorderd, omdat vanaf het moment van het gescheiden gaan leven reeds een aanspraak bestaat op een deel van de onverdeelde boedel. Zie voor zowel erfenis als boedelscheiding hoofdstuk 11 (herziening, intrekking, terug- en invordering), paragraaf 2 (terugvordering), onderdeel 3 (terugvorderingsgronden), punt 7 (achteraf beschikken over middelen) uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Prijzen uit loterij Met een toename van het vermogen als gevolg van het winnen van een prijs uit een loterij, houdt het college rekening vanaf de trekkingsdatum. Vermogensdeel met bijzondere bestemming Bij de vaststelling van het vermogen bij de aanvang van bijstandsverlening worden alle vermogensbestanddelen in aanmerking genomen, ook alles wat op de bank- of girorekening staat, ook al is daar net het laatste salaris op gestort waarvan men moet leven tot het eind van de maand de eerste bijstand wordt ontvangen of het eerste voorschot kan worden verstrekt. Zie ook het verificatie- en validatiebeleid over datum vaststelling vermogen. Het lijkt echter rechtvaardig om in bepaalde situaties met de bijzondere bestemming van een deel van het vermogen rekening te houden. Levensonderhoud Er kan zich een situatie voordoen dat een cliënt met zijn vermogen net boven de grens zit. Het vermogen mag dan verminderd worden met het bedrag boven de vermogensgrens dat bestemd is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien in de periode tot de eerstvolgende betaling van de algemene bijstand ingevolge de Participatiewet tot maximaal het voor belanghebbende geldende normbedrag. Begrafeniskosten Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie wordt geacht algemeen gebruikelijk te zijn. Dit kan zowel een verzekering in natura zijn, een verzekering die in contanten uitkeert of een eigen reservering voor die kosten. De reserveringen, verzekering of anderszins, voor begrafenis of crematie worden in beginsel vrijgelaten. Indien zij niet voldoen aan onderstaande bepalingen worden zij, voor zover als zij te gelde gemaakt kunnen worden, op grond van artikel 31 lid 1 Participatiewet als middel in aanmerking te worden genomen. Uitvaartverzekering welke in natura uitkeert, wordt altijd vrijgelaten Uitvaartverzekering welke contanten uitkeert kan worden vrijgelaten indien: de waarde niet bovenmatig hoog is (richtbedrag per persoon = totaal aan begrafeniskosten volgens Prijzengids Nibud); het tegoed bij overlijden wordt uitgekeerd en anderszins niet tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar is dan wel slechts opvraagbaar of afkoopbaar tegen zeer ongunstige voorwaarden. Eigen reservering in contanten voor begrafeniskosten wordt alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen aangemerkt: het geld is uitsluitend bestemd voor de kosten van een uitvaart en mag niet tussentijds opvraagbaar zijn (staat op een aparte rekening); het tegoed kan alleen bij overlijden worden opgenomen (er zal dus een gemachtigde zijn aangewezen die het geld kan opnemen), en; de waarde is niet bovenmatig hoog (richtbedrag per persoon = totaal aan begrafeniskosten volgens Prijzengids Nibud). Levens-/lijfrenteverzekering/koopsompolissen Ook komt het voor dat bij de behandeling van een aanvraag voor een bijstandsuitkering een cliënt een deel van het vermogen heeft vastgezet door middel van een of andere verzekering of als spaartegoed voor "later". Algemeen gebruikelijke bezittingen in natura (auto, inboedel) Bezittingen die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, behoren niet tot het vermogen (artikel 34 lid 2 onder a Participatiewet). Het onderstaande stuk gaat in op een aantal van deze bezittingen. Auto, motor, scooter of bromfiets Binnen de gemeente Steenwijkerland is de bereikbaarheid met het openbaar vervoer beperkt. Reden waarom het college een auto, motor, scooter of bromfiets aanmerkt als algemeen gebruikelijk indien de waarde van de auto maximaal € 6.850,00 bedraagt. Is de waarde van de auto, motor, scooter of bromfiets hoger dan telt alleen het meerdere boven de € 6.850,00 mee voor de vermogensvaststelling. Indien belanghebbende in het bezit is van meerdere auto's, motoren, scooters en of bromfietsen tellen deze niet mee voor de vermogensvaststelling mits deze tezamen niet meer waard zijn dan € 6.850,
- Voor de vaststelling van de waarde van het motorvoertuig gaat het college uit van de ANWB-koerslijst (de waarde bij verkoop tussen particulieren). Caravans, aanhangers en boten zijn niet als algemeen gebruikelijk aan te merken. De waarden van deze goederen behoren tot de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen. Inboedel Een gebruikelijke inboedel wordt niet als vermogen in aanmerking genomen. Aangenomen moet worden dat inboedelverzekeringen tot een bedrag van € 50.000,-- uit oogpunt van bijstandsverlening aanvaardbaar zijn en niet hoeven te leiden tot extra onderzoek. Zie hiervoor hoofdstuk 3 (Middelentoets), paragraaf 3 (vermogen), onderdeel 11 (verzekering van vermogen) uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Hoofdstuk4Bijstand en eigen woning, woonschip of woonwagen Regeling: Participatiewet (artikelen 3 lid 6, 34 lid 2 onderdeel d, 48 lid 3 en 50 Participatiewet) Onderwerpen: Inleiding Wanneer bijstand in de vorm van een geldlening bij eigen woning Waardebepaling eigen woning Woonwagen of woonschip Zekerheden en medewerkingsplicht Kosten woningtaxatie en kosten vestiging hypotheek of pand Vestiging zekerheidsrecht Inleiding In de Algemene bijstandswet (artikel 20) gold dat als belanghebbende eigenaar was van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning en er recht op algemene bijstand bestond, die bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van een hypotheek werd verstrekt. In de Participatiewet wordt gesteld dat die bijstand de vorm een geldlening heeft. Nadere regels, met betrekking tot bijvoorbeeld rente en aflossing, ontbreken. Om zekerheid te hebben omtrent vorm en de rente en aflossing van deze geldlening dient er een uitvoeringsrichtlijn opgesteld te worden. Wanneer bijstand in de vorm van een geldlening bij eigen woning. Zie hoofdstuk 9 (vormen van bijstand) paragraaf 2 (lening en borgtocht), onderdeel 3 (eigen woning, woonwagen en woonschip) in Grip op Participatiewet van het handboek van Schulinck. Het college verlangt van een belanghebbende die in een door hem zelf bewoonde eigen woning woont dat hij eerst probeert een (extra) hypotheek te vestigen bij een reguliere kredietinstelling (CRvB 22-04-2008, nr. 06/7331 WWB). Indien belanghebbende kan aantonen dat hij zijn eigen woning niet (verder) kan bezwaren, stelt het college zich op het standpunt dat tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van de door belanghebbende zelf bewoonde eigen woning als bedoeld in artikel 50 lid 1 Participatiewet in redelijkheid niet kan worden verlangd. Waardebepaling eigen woning Voor de waardebepaling ven de eigen woning maakt het Collegegebruik van een WOZ-beschikking van recente datum. Zowel in de situatie waarin de woning door de eigenaar zelf wordt bewoond als de situatie waarin dit niet het geval is. Geeft een klant aan dat de WOZ-waarde niet juist is, dan kan hij de waarde laten taxeren door een beëdigd taxateur. Ook het college kan de woning laten taxeren door een beëdigd taxateur, indien de WOZ-waarde bijvoorbeeld afwijkt van het bedrag waarvoor de klant de koopwoning te koop heeft staan. Voor een verdere toelichting op de wijze waarop het in woning gebonden vermogen wordt vastgesteld worden verwezen naar Grip op Participatiewet van Schulinck (hoofdstuk 9, paragraaf 2, onderdeel 3.2 (berekening hoogte geldlening). Op niet door de eigenaar zelf bewoonde woningen is de vermogensvrijlating van artikel 34 lid 2 onderdeel d Participatiewet niet van toepassing. Woonwagen of woonschip Indien er geen sprake is van een eigen woning, maar van een eigen woonschip of woonwagen, geldt op grond van artikel 3 lid 6 Participatiewet in samenhang met artikel 34 lid 2 Participatiewet dezelfde vrijlating van het vermogen. Zekerheden en medewerkingsplicht Staat voor een belanghebbende het recht op algemene bijstand vast als bedoeld in artikel 50 lid 2 Participatiewet dan heeft die bijstand de vorm van een geldlening. Het college verbindt aan die algemene bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan de bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen, op grond van artikel 48, derde lid Participatiewet. Voorafgaand aan de bijstandverlening dient belanghebbende intentieverklaring te ondertekenen, waarin hij verklaart mee te werken aan het vestigen van het zekerheidsrecht. Weigert belanghebbende mee te werken aan de vestiging van pandrecht of hypotheek dan vordert het college Bestuur de algemene bijstand in de vorm van een geldlening direct terug (artikel 58 lid 2 onderdeel b Participatiewet). Vorm zekerheidsrecht bij registergoederen en onroerende zaken Het college verbindt aan die algemene bijstand in de vorm van een geldlening de verplichting dat belanghebbende mee moet werken aan het vestigen van een hypotheek. Hij dient aan het College het recht op hypotheek te verlenen, als zekerheid voor de nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen welke zijn verbonden aan zijn bijstand in de vorm van een geldlening (artikel 48 lid 3 Participatiewet). Het recht van hypotheek wordt gevestigd door middel van een notariële akte. De kosten verbonden aan de vestiging en inschrijving van de hypotheek komen, tenzij anders is afgesproken, voor rekening van de belanghebbende (artikel 3:260 BW). De kosten van de hypotheekakte kunnen van notaris tot notaris verschillen. Zij mogen hun eigen tarieven vaststellen. Belanghebbenden dienen zelf aan te geven bij welke notaris zij de hypotheekakte willen laten passeren. Dit kan in de intentieverklaring verwerkt worden. Vorm van zekerheidsrecht bij niet-register goederen of roerende zaken Het college verbindt aan die algemene bijstand in de vorm van een geldlening de verplichting dat belanghebbende mee moet werken aan het vestigen van een bezitloos pandrecht. Hij dient aan het college het bezitloos pandrecht te verlenen, als zekerheid voor de nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen welke zijn verbonden aan zijn bijstand in de vorm van een geldlening (artikel 48 lid 3 Participatiewet). Het bezitloos pandrecht wordt gevestigd door middel van een authentieke akte (via de notaris) of een onderhandse akte die bij de Belastingdienst wordt geregistreerd (artikel 3:237 lid 1 BW). Voor deze kosten geldt het zelfde als voor het vestigen van een hypotheek. Kosten woningtaxatie en kosten vestiging hypotheek of pand Voor de kosten van de woningtaxatie en het vestigingen van de krediethypotheek kan het college bijzondere bijstand verlenen. Deze kosten moeten dan wel samenhangen met het vestigen van een krediethypotheek. Dit geldt ook voor de kosten van taxatie van een woonwagen of woonschip en het vestigen van een pand. Ook deze kosten moeten samenhangen met het vestigen van een pand. Voor een verdere toelichting op pand, hypotheek, registergoederen, niet-registergoederen, onroerende zaken en roerende zaken. de wijze waarop het in woning gebonden vermogen wordt vastgesteld worden verwezen naar Grip op Participatiewet van Schulinck (hoofdstuk 9, paragraaf 2, onderdeel 6 (zekerheden)). Vestiging zekerheidsrecht Het College is bevoegd om aan de geldleningen als bedoeld in dit hoofdstuk de voorwaarde te verbinden dat belanghebbende daarvoor een zekerheidsrecht vestigt ten behoeve van het college (artikel 48 lid 3 Participatiewet). Met beleidsregels vult het College deze bevoegdheid nader in voor die situaties waarin sprake is van algemene bijstand in de vorm van een geldlening op grond van artikel 50 lid 2 Participatiewet. Zie hiervoor de beleidsregels krediethypotheek en pandrecht. Hoofdstuk5Niet rechthebbende echtgenoten Regeling: Participatiewet (artikel 24 Participatiewet) Onderwerpen: Inkomstvrijlating en vermogen bij niet rechthebbende echtgenoot Individualiseren (artikel 18 lid 1 Participatiewet) Ondertekening formulieren Inkomstvrijlating en vermogen bij niet rechthebbende echtgenoot De inkomstenvrijlating is niet van toepassing op de niet-rechthebbende partner. Deze geldt alleen voor personen die ook daadwerkelijk algemene bijstand ontvangen. Dit is bij de niet-rechthebbende partner niet het geval is. Wel geldt de vermogensgrens voor gehuwden. Individualiseren (artikel 18 lid 1 Participatiewet) Het onderstaande is alleen van toepassing op gehuwden van 21 jaar of ouder. Illegaal verblijf Het is mogelijk om op basis van het individualiseringsbeginsel de voor de rechthebbende partner geldende afwijkende norm van artikel 24 Participatiewet aan te vullen met 20% van de gehuwdennorm. Als de niet-rechthebbende partner geen inkomsten heeft en deze in redelijkheid ook niet kan verwerven omdat hij illegaal in Nederland verblijft. Medebewoners De kostendelernorm kan op basis van het individualiseringsbeginsel aangevuld worden. Er is dan sprake van kostendelende medebewoners bij een rechthebbende en een niet-rechthebbende partner. Meer kostendelende medebewoners die de kosten kunnen delen betekent minder reden om op basis van het individualiseringsbeginsel aanvullende bijstand te verlenen. Zeker als de kostendelende medebewoners over voldoende middelen beschikken. Hoogte bijstand rechthebbende partner Aantal kostendelende medebewoners (incl. niet-rechthebbende partner) Artikel 22a lid 1 Pw Artikel 18 lid 1 Pw 43,33% 6,67% 2 40% 3,33% 3 38% 2% 4 Ondertekening en inlichtingenplicht Ook de niet rechthebbende echtgenoot moet aanvraag-, heronderzoeks- en rechtmatigheids- onderzoeksformulieren ondertekenen. En gegevens te verstrekken die belangrijk zijn voor de uitkering van de rechthebbende echtgenoten. Hoofdstuk6.Kostendelersnorm en verlaging uitkering. Regeling: Artikel 22a en artikel 27 Participatiewet, artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ. Onderwerpen: Kostendelersnorm en verschillende woonvormen In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het college om gaat met uitzondering op de kostendelersnorm. Kostendelersnorm en verschillende woonvormen De kosten kostendelersnorm is ingevoerd voor personen die met één of meer personen hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Voor het vaststellen van de hoogte van de bijstandsnorm moet de woonsituatie worden bepaald. Tijdelijk verblijf Als er sprake is van tijdelijk verblijf is het aan de college om de uitkering af te stemmen op de individuele omstandigheden (Artikel 18, eerste lid, Participatiewet). Bij tijdelijk verblijf in vrouwenopvang of begeleid wonen projecten, zal de kostendelersnorm niet van toepassing zijn, omdat men daar geen hoofdverblijf heeft. Het feit dat iemand voor langere tijd in een opvang of begeleid wonen project verblijft, wil niet per definitie zeggen dat de belanghebbende zijn hoofdverblijf daar heeft en de kostendelersnorm van toepassing is. Het is aan het college om aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde vast te stellen of het gaat om tijdelijk verblijf (Zie verzamelbrief van december 2014 van het ministerie van SZW). Zo kent de Stichting Jade Zorg (Kvk-nummer 01140672) een project “Begeleid Wonen”. In het kader van dat project onderverhuurt de Stichting kamers in de woonlocatie aan de Eikenhorst 1-5 te Geeuwenbrug (gemeente Westerveld). De stichting onderverhuurt deze kamers onder aan cliënten met wie zij een zorgovereenkomst hebben. De huurovereenkomst eindigt van rechtswege indien de zorgovereenkomst een einde neemt. De huurprijs (inclusief gas, water en elektriciteit) is € 250,00 per maand. Daarmee is de huurprijs lager dan de commerciële prijs neergelegd in de Beleidsregels over kostendelersnorm en verlaging van uitkering vanwege woonsituatie Westerveld. Gelet op het feit dat het bij de Stichting Jade Zorg gaat om een begeleid wonen project en het verblijf aldaar tijdelijk is (duur huurovereenkomst is gelijk aan duur van de zorgovereenkomst) stemt het College de uitkering af op de individuele omstandigheden (artikel 18 lid 1 Participatiewet). Bij alleenstaande(ouders) van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd wordt de bijstandsnorm vastgesteld op 60% van de gehuwdennorm die geldt voor personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Bij gehuwden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is dit dan 90% van de gehuwdennorm die geldt voor personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Als alleenstaande ouders geen alleenstaande ouderkop (kindgebonden budget) ontvangen, kan mogelijk een beroep op aanvullende bijzondere bijstand gedaan worden op basis van de beleidsregels alleenstaande ouderkop Westerveld. Voor belanghebbenden in projecten begeleid wonen zoals bij de Stichting Jade Zorg stemt het college de bijstand op soortgelijke wijze af als hierboven omschreven. Hoofdstuk7Wijziging norm bij opname in een inrichting Regeling: artikel 23 Participatiewet Onderwerp: Ingangsdatum wijziging norm bij opname in inrichting Bijstandsgerechtigden die door wat voor omstandigheden dan ook worden opgenomen in een inrichting krijgen te maken met een normwijziging. De uitkeringsnorm wordt aangepast naar de norm voor iemand, die in een inrichting verblijft (artikel 23 Participatiewet). Het is goed om, bij het vaststellen van het moment van de normwijziging rekening te houden met de volgende zaken: bij een tijdelijke opname moet worden voorkomen dat de norm in korte tijd tweemaal moet worden gewijzigd; de cliënt moet de gelegenheid hebben om zijn of haar betalingsverplichtingen en uitgavenpatroon af te stemmen op de nieuwe situatie. Ten aanzien van de normwijziging geldt daarom de volgende regel: Bij opname in een inrichting, al of niet tijdelijk, wordt de bijstand ongewijzigd voortgezet gedurende de maand van opname én de daarop volgende twee maanden. Op de eerste van de maand daarna geldt de norm voor iemand in een inrichting. Een ziekenhuisopname van een paar dagen leidt dus niet tot aanpassing van de norm! Bij terugkeer naar huis wordt de norm wel direct aangepast. Voor de mogelijkheid de vaste lasten door te betalen bij een verblijf in een inrichting, wanneer belanghebbende de norm als bedoeld in artikel 23 Participatiewet ontvangt, wordt verwezen naar hoofdstuk 19 van het deel bijzondere bijstand van deze Leidraad. Hoofdstuk8Specifieke verplichtingen belanghebbende jonger dan 27 jaar Regeling: Participatiewet Onderwerp: Melding en zoekperiode Opleiding Melding en zoekperiode Als een jongere een uitkering moet aanvragen dan doet de jongere een melding voor een aanvraag algemene bijstand via www.werk.nl. De jongere krijgt eerst 4 weken de tijd om zelf aan de slag te gaan en op zoek te gaan naar werk of opleidingsmogelijkheden. Deze 4 weken is een soort stok achter de deur om de jongere aan te moedigen aan de slag te gaan. Zie voor verdere uitleg de werkinstructie: aanvraagprocedure uitkering <27 jaar. Er zijn een aantal voorwaarden in de zoekperiode die de jongere moet helpen om weer snel aan de slag te kunnen, de jongere: Schrijft zich in als werkzoekende bij het UWV Solliciteert vijf keer per week Schrijft zich in bij vijf uitzendbureaus Zet zijn/haar Curriculum Vitae op minimaal 3 vacaturesites. Onderzoekt mogelijkheden om een opleiding te volgen Verder wordt van de jongere verwacht dat hij meewerkt aan het onderzoek en daarvoor informatie beschikbaar stelt die nodig is. Ondersteuning tijdens zoekperiode Het jongerenloket ondersteunt de jongere als dat nodig is tijdens de zoekperiode. Resultaat zoekperiode Na vier weken wordt beoordeeld of de jongere aan de hierboven genoemde voorwaarden heeft voldaan. Als dat zo is dan wordt zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering in behandeling genomen en wordt de jongere ondersteund bij het vinden van werk en het zoeken naar een opleiding. Geen zoekperiode: Voor bepaalde jongeren wordt geen gebruik gemaakt van de zoekperiode. De zoekperiode is voor deze jongeren op voorhand een drempel waar ze niet mee geholpen zijn. Op deze manier kunnen de jongeren direct geholpen worden en kan hun aanvraag voor een bijstandsuitkering in behandeling worden genomen. De zoekperiode is niet van toepassing: De doelgroep loonkostensubsidie en medische uren beperkten; Bij verhuizing naar de gemeente Steenwijkerland en de belanghebbende ontving in de vorige gemeente een bijstandsuitkering. Vier weken zoekperiode bij flexwerk Bij flexwerk valt de zoekperiode samen met de laatste vier weken van een tijdelijk contract dat aansluit op een eerdere periode van bijstand. Zo kan de hernieuwde aanvraag direct na afloop van het tijdelijk werk worden gedaan. Vier weken zoekperiode bij WW uitkering Bij een WW uitkering valt de zoekperiode samen met de laatste 4 weken van de WW uitkering. De jongere kan 4 weken voordat de WW uitkering eindigt een aanvraag voor een bijstandsuitkering doen (artikel 41 lid 6 Participatiewet); Opleiding Het is voor zover mogelijk de bedoeling dat een jongere werkt of een opleiding volgt. Er wordt daarom zoveel mogelijk gekeken naar de mogelijkheden van de jongere om als hij dat nodig heeft een opleiding te volgen. Een opleiding vergroot de kansen op werk. Er wordt daarom ook onderzocht en beoordeeld door het college of het mogelijk is dat de jongere weer naar regulier onderwijs gaat. En als dat mogelijk is, dan is dat voorliggend op een bijstandsuitkering. Startkwalificatie Voor jongeren zonder startkwalificatie wordt verwacht dat ze alsnog een diploma halen om zo hun kansen op werk te vergroten. Een startkwalificatie is een diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau. Als de jongere hiervoor geen studiefinanciering kan krijgen dan is het mogelijk om alsnog in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Van jongeren met startkwalificatie wordt verwacht dat zij, als zij dat kunnen, een vervolgopleiding doen. Het gaat dan om een MBO opleiding, HBO of Wetenschappelijk Onderwijs (Universiteit of Hogeschool). Omdat een jongere in dat geval recht heeft op studiefinanciering heeft de jongere geen recht op een bijstandsuitkering. Het niet kunnen volgen van een opleiding binnen het regulier onderwijs Als uit het onderzoek blijkt dat een jongere geen verdere opleiding kan volgen komt hij in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Ingangsdatum studie of scholing Als de jonger een opleiding of studie kan volgen binnen het regulier onderwijs, maar pas op een latere datum kan instromen/beginnen. Als de jongere al eerder studiefinanciering kreeg dan bestaat in sommige situaties recht op een overbrugging vanuit de studiefinanciering. Deze overbrugging wordt dan geheel of gedeeltelijk als voorliggende voorziening aangemerkt. Voor meer informatie zie www.duo.nl/particulieren. Is voor de jongere geen overbrugging mogelijk vanuit de studiefinanciering dan kan in individuele situaties tot de datum waarop de studie begint algemene bijstand worden toegekend. Hoofdstuk9Maatregel of geldlening wegens tekortschietend besef Regeling: Participatiewet Onderwerpen: Te snel interen op vermogen Overig tekortschietend besef Te snel interen op vermogen Een belanghebbende moet een beroep op bijstand doen vanwege het te snel interen op vermogen. Er kan dan sprake zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het college kan in dat geval: een maatregel op leggen van 100 procent gedurende een maand. De bijstand in de vorm van een geldlening toekennen. Deze periode is dan gelijk aan de periode waarin belanghebbende geen beroep had hoeven doen op bijstand. Het college stemt zowel de maatregel als de bijstand in de vorm van een geldlening af op: de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging belanghebbende kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Bij het ontbreken van elke verwijtbaarheid moet behalve van de maatregel ook van het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening worden afgezien. Dat betekent dus dat de bijstand om niet verleend moet worden en geen maatregel wordt opgelegd. Vanzelfsprekend kunnen ook dringende redenen een rol spelen bij het te nemen van het besluit. Voorbeeld: Belanghebbende teert te snel in op zijn vermogen en doet per 1 januari een beroep op bijstand. Belanghebbende had zes maanden later een beroep op bijstand kunnen doen als hij voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan had getoond. Het college kent dan bijstand toe met ingang van 1 januari. Het college legt tevens een maatregel van 100% op over de maand januari. Verder wordt de bijstand over de periode van 1 februari tot 1 juli gedurende vijf maanden in de vorm van een geldlening toegekend. Concreet betekent dit dat belanghebbende in januari geen bijstand ontvangt en vanaf februari tot en met juni bijstand in de vorm van een geldlening. Vanaf juli moet de bijstand om niet verleend worden. Overig tekortschietend besef Belanghebbende zal veelal eerder een beroep op bijstand doen in situaties waarin sprake is van: onderbedeling bij echtscheiding, verkoop van woning beneden de waarde en te late of geen aanvaarding van een voorliggende voorziening. In dergelijke situaties is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het opleggen van uitsluitend een maatregel van 100% gedurende een maand, zal in veel gevallen niet in verhouding staan tot de periode waarin belanghebbende geen beroep op bijstand zou hebben gedaan. Reden waarom het college in dergelijke situaties ook gebruik maakt van de bevoegdheid om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het college handelt zoals in het hierboven genoemde voorbeeld. Hoofdstuk10Parttime Ondernemen Regeling: Participatiewet en Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz2004) Onderwerpen: Parttime ondernemen (PTO) Préstartfase Overige inkomsten Parttime ondernemen (PTO) We spreken over parttime ondernemen als de klant, met behoud van uitkering, inkomsten genereerd door te ondernemen. Iemand werkt bijvoorbeeld een paar uur per week als zzp’er of begint een kleine onderneming. De grens van parttime ondernemen wordt gesteld op maximaal (gemiddeld) 20 uur per week. Parttime ondernemers kiezen vaak voor activiteiten waar ze zelf iets mee hebben, zoals (eigen) kunst verkopen, yogalessen geven, kappersdiensten verlenen of honden uitlaten. De klant wordt op twee manieren begeleid: richting het ondernemerschap en bij het zoeken naar een (parttime) baan in loondienst. Het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) begeleidt bij het ondernemerschap. Juist de combinatie maakt parttime ondernemen tot een sterk instrument. Het helpt uitkeringsgerechtigden de kortste weg te vinden naar financiële zelfstandigheid. Het parttime ondernemen is geschikt voor ervaren ondernemers, maar ook voor mensen die nog nooit ondernemer zijn geweest. Bij mensen met een beperkt arbeidspotentieel is parttime ondernemen een activeringsinstrument. Binnen de parttime ondernemen regeling kunnen klanten hun activiteiten afstemmen op hun (on)mogelijkheden, waardoor ze hun potentieel beter kunnen benutten. Doelgroep: Het parttime ondernemen is mogelijk voor klanten met een PW- of een Ioaw-uitkering en de zogenoemde nuggers (niet uitkeringsgerechtigde). Doelstelling: Het doel is, om via een traject (of een combinatie van beide trajecten) de klant te trainen in ondernemersvaardigheden en/of het opstellen van een ondernemingsplan. Met als uiteindelijk doel het verminderen van de bijstandsafhankelijkheid. Wanneer is een traject succesvol? Er zijn verschillende mogelijkheden om een traject aan te merken als succes. Een traject is succesvol, als de klant: Uitstroomt richting Bbz Uitstroomt richting zelfstanding ondernemerschap zonder Bbz Uitstroomt richting loondienst Uitstroomt richting ondernemerschap in combinatie met een (parttime) baan in loondienst Een traject is niet in alle gevallen gericht op uitstroom, maar kan ook succesvol zijn wanneer er sprake is van sociale activering en de klant zich persoonlijk ontwikkelt. Duur: Toestemming wordt, in eerste instantie, verleend voor de duur van één jaar. Afhankelijk van de ontwikkeling van de inkomsten en/of de klant wordt de toestemming na dat jaar verlengd. Uitgangspunten: Het traject is gericht op uitstroom uit de uitkering. Als de klant een volledig arbeidspotentieel heeft, maar dit met de inkomsten als parttime ondernemer niet haalt, dan wordt van hem verwacht dat er een (parttime) baan wordt gezocht. Als het traject niet leidt tot uitstroom, die in overeenstemming is met het arbeidspotentieel, dan wordt het traject beëindigd. Kosten zijn in overeenstemming met de opbrengsten. Er mag geen sprake zijn van concurrentievervalsing, daarom moet de klant marktconforme prijzen hanteren. Er hoeft geen ondernemingsplan opgesteld te worden. De klant blijft als parttime ondernemer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Er hoeft geen ondernemingsplan opgesteld te worden. Er wordt van een parttime ondernemer verwacht dat hij: Gemotiveerd is en Geld verdient en Over voldoende ondernemersvaardigheden beschikt. Begeleiding: Het Regionaal bureau zelfstandigen (Rbz) begeleidt de klant bij het ontwikkelen van de ondernemersvaardigheden. Mocht er intensieve begeleiding nodig zijn, zal het Rbz hiervoor een extern bureau inschakelen. De kosten van de begeleiding zijn voor rekening van de gemeente. Periodieke uitkering: Als parttime ondernemer blijft de klant in de PW- of een Ioaw-uitkering, van daaruit worden de inkomsten uit zelfstandige activiteiten aangevuld. Beheersing Nederlandse taal: Om te kunnen ondernemen moet de klant de Nederlandse taal voldoende beheersen. Het taalniveau waar minimaal aan voldaan moet worden, is 2F. Dit komt overeen met MBO 1, 2 en 3 en het VMBO. Voeren van een deugdelijke administratie: De klant die zelfstandige activiteiten verricht is wettelijk (fiscale regelgeving) verplicht om een administratie bij te houden. Een volledige en juiste administratie is noodzakelijk om aangifte omzetbelasting en aangifte inkomstenbelasting te kunnen doen. Het Rbz heeft de administratie nodig om de hoogte van de inkomsten uit zelfstandige activiteiten vast te kunnen stellen. Het Rbz biedt ondersteuning en begeleiding bij het opzetten van deze administratie. Kosten: Noodzakelijke kosten voor de uitvoering van de werkzaamheden mogen als kosten in mindering worden gebracht op de opbrengst. Noodzakelijke kosten zijn kosten die echt nodig zijn, omdat de parttime ondernemer anders de werkzaamheden niet zou kunnen uitvoeren. De parttime ondernemer overlegt hiertoe bewijsstukken (bonnetjes, facturen waarop de bedrijfsnaam staat etc). Kosten die de parttime ondernemer ook zou hebben als hij geen zelfstandige activiteiten zou verrichten, zijn geen noodzakelijke kosten. Dit zijn bijvoorbeeld abonnementskosten voor telefoon, internet of televisie in het woonhuis. Deze kosten komen volledig voor eigen privérekening. Internet, telefoon en TV abonnement thuis Niet aftrekbaar Mobiele telefoonkosten Alleen zakelijke gesprekken tot max. € 300,00 per jaar Gebruik eigen auto Zakelijke reizen € 0,19 per km (km-registratie verplicht) Reiskosten openbaar vervoer Zakelijke reizen volledig aftrekbaar Opleidingen, cursussen, seminars, etc. Niet aftrekbaar Werkruimte thuis of gehuurde ruimte elders Niet aftrekbaar Gemengde kosten Niet aftrekbaar Abonnementen Niet aftrekbaar Laptop, tablet, Ipad, telefoon, pc, geluidsdragers, etc. Niet aftrekbaar De klant die niet in staat is om de administratie (volledig) zelf te doen, kan de hulp van een boekhouder inschakelen. De kosten hiervan vallen onder de zakelijke kosten en zijn dus aftrekbaar. Jaarlijkse afrekening: Aan de hand van de administratie en de aangifte inkomsten- en omzetbelasting wordt jaarlijks, na afloop van het boekjaar door de Rbz de eindafrekening gemaakt van de inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden van het betreffende boekjaar. Voorwaarden: Aan de PTO-regeling worden bij beschikking de volgende voorwaarden verbonden: Toegestaan zijn freelance werkzaamheden of nevenactiviteiten van bescheiden omvang. Er mag maximaal (gemiddeld) 20 uur per week worden besteed aan de zelfstandige activiteiten; maximaal 50% van de normale arbeidstijd mag besteed worden aan de zelfstandige activiteiten; het gestelde onder a. betekent dat het toepassen van ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) op de aangifte inkomstenbelasting niet is toegestaan. De klant moet blijven voldoen aan de voorwaarden die aan de uitkering zijn gesteld. Dit betekent onder meer dat de klant volledig beschikbaar moet zijn en blijven voor de arbeidsmarkt. De zelfstandige activiteiten mogen geen belemmering vormen voor het aanvaarden van arbeid in loondienst en de klant moet volledig en actief te blijven solliciteren; Indien van toepassing dan moet de klant zich laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel; Er moet worden voldaan aan de vestigingseisen en alle overige wettelijke vereisten; De klant moet een juiste en volledige boekhouding bij te houden die de klant ieder moment kunt aanleveren; Alleen noodzakelijke kosten, binnen redelijke grenzen, voor de uitvoering van de werkzaamheden mogen als bedrijfskosten worden opgevoerd; De inkomsten worden volledig in mindering gebracht op de uitkering; Jaarlijks moet de klant voor 1 mei aangifte inkomstenbelasting te doen. De inkomsten moet de klant op geven als “resultaat uit overige werkzaamheden”; Voor de Belastingdienst wordt de klant, vanwege het urencriterium, niet aangemerkt als zelfstandig ondernemer. Om die reden kan de klant geen gebruik maken van bepaalde faciliteiten voor ondernemers, zoals de zelfstandigen- en startersaftrek; Jaarlijks moet de klant voor 1 mei onderstaande gegevens opsturen naar het Regionaal bureau zelfstandigen: Jaarrekening/overzicht administratie; Aangifte inkomstenbelasting (indien van toepassing ook die van de partner); Aangiftes omzetbelasting 1e tot en met 4e kwartaal; Overzicht uren- en kilometerregistratie; Bankafschriften van uw (zakelijke) rekening in de periode van de zelfstandige activiteiten dienen opvraagbaar te zijn. Aan de hand hiervan wordt vastgesteld of terugvordering van verleende bijstand moet plaatsvinden of dat de klant nog recht heeft op een nabetaling. De inkomsten worden op jaarbasis vastgesteld; Er mag geen sprake zijn van oneerlijke of valse concurrentie. Dit betekent dat prijzen en tarieven alsook het bruto winstmarge niet lager mogen zijn dan in de branche gebruikelijk is; De zelfstandige activiteiten moeten een inkomen opleveren dat leidt tot een verlaging van de bijstandsuitkering; Indien de zelfstandige werkzaamheden niet meer kunnen worden aangemerkt als zijnde van bescheiden omvang, moet de klant een keuze maken tussen: het terugbrengen tot een bescheiden niveau; uitbouw van de activiteiten tot een volwaardig bedrijf of beroep. Bij gebleken levensvatbaarheid bestaat dan wellicht de mogelijkheid om als startende ondernemer bijstand in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) te ontvangen. Inkomstenvrijlating op basis van artikel 31 lid 2 onder n Participatiewet, artikel 8 lid 2 IOAW en artikel 8 lid 3 IOAZ is van toepassing. Préstartfase In de préstart wordt de klant in de gelegenheid gesteld om een bedrijfsidee nader te onderzoeken en een volledig en toetsbaar ondernemingsplan op te stellen. De préstart is de voorbereidingsfase op het volledig zelfstandig ondernemerschap en valt onder het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Doelgroep: Mensen met een PW- of een IOAW-uitkering en niet-uitkeringsgerechtigden die zich richten op het volledig zelfstandig ondernemerschap; Duur: De klant krijgt maximaal twaalf maanden de tijd om een ondernemingsplan te maken. In de praktijk wordt in eerste instantie toestemming gegeven voor een periode van 4 maanden. Dit is gemiddeld genomen voldoende tijd en door de klant in een strakker tijdsregime te plaatsen wordt er voortgang gehouden in het traject. Begeleiding: Het Regionaal bureau zelfstandigen (Rbz) begeleidt de klant bij het opstellen van een toetsbaar ondernemingsplan. Mocht er intensieve begeleiding nodig zijn zal het Rbz hiervoor een extern bureau vragen. De kosten van de begeleiding zijn voor rekening van de gemeente. Een toetsbaar ondernemingsplan houdt in dat het ondernemingsplan alle onderdelen bevat om de levensvatbaarheid van het plan te kunnen beoordelen. Periodieke uitkering Gedurende de préstart behoudt de klant een PW- of een IOAW-uitkering en hoeft hij/zij niet te solliciteren. Voorwaarden Aan het prestarttraject zijn geen bijzondere voorwaarden verbonden. Overige Inkomsten Naast de PTO en de Prestartfase hanteren we een regeling voor klanten die bruto inkomsten hebben, maar die geen baan in loondienst hebben en die ook niet als (parttime) zelfstandige kunnen worden aangemerkt. Wat zijn overige werkzaamheden Als de klant werkzaamheden verricht waarvoor bruto-inkomsten worden ontvangen, vallen deze onder de categorie ‘overige inkomsten’. Dit zijn namelijk andere inkomsten dan uit loondienst, waarvoor nettoloon wordt ontvangen. Over de bruto-inkomsten zal nog loonheffing en Zvw (Zorgverzekeringswet) moeten worden betaald. Voorbeelden zijn: huishoudelijke hulp, postbezorger bij Sandd of gastouder. Doordat de PW-uitkering een netto-uitkering is, ontstaat er een verschil. Dit verschil bestaat uit nog te betalen loonheffing en Zvw. Om te voorkomen dat de klant hierdoor onder bijstandsniveau komt, wordt de afrekening na afloop van het jaar gemaakt. Eindafrekening Binnen de “Regeling Overige Inkomsten” vindt er geen begeleiding plaats. De belastingaanslag achteraf wordt verrekend met de uitkering. In het algemeen betekent dit, dat de belastingaanslag voor rekening van de gemeente komt (de inkomsten zijn achteraf lager dan maandelijks zijn gekort op de uitkering). Deel bijzondere bijstand Hoofdstuk1Algemene bepalingen bijzondere bijstandverlening Regeling: Participatiewet Onderwerpen: Inleiding Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand Schema aanvragen bijzondere bijstand Co-ouders en bijzondere bijstand Draagkrachtbepalingen Nadere bepalingen voor de draagkrachtberekening Draagkrachtperiode Uitsmeren draagkracht Draagkracht en WSNP Draagkracht en beslag Drempel (artikel 35, tweede lid, Participatiewet) Vormen van (bijzondere) bijstand Waarborgsom Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan Schuldenlast (artikel 49 Participatiewet) Betaling Beslag (artikel 46, tweede lid, Participatiewet) Inleiding De algemene voorwaarden voor het recht op bijstand gelden ook voor de bijzondere bijstand. Dit betekent dat bij iedere aanvraag bijzondere bijstand het recht eerst getoetst moet worden aan de artikelen 11 tot en met 16 Participatiewet en vervolgens aan artikel 35 Participatiewet. Zie paragraaf 1 (recht op bijzondere bijstand) van hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand Het is toegestaan een aanvraag bijzondere bijstand in te dienen binnen één jaar nadat de kosten zijn opgekomen, tenzij het gaat om aanvragen bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke kosten die zich incidenteel dan wel periodiek voordoen. Voor deze laatste aanvragen geldt dat deze binnen een maand moeten worden ingediend gerekend vanaf het moment dat de kosten zijn opgekomen. Zie paragraaf 1.3 (moment indiening aanvraag bijzondere bijstand) van hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Schema aanvragen bijzondere bijstand Algemene voorwaarden (artikelen 11 tot en met 16 Participatiewet en artikel 40 Participatiewet) 1 Is aanvrager Nederlander of daarmee gelijkgestelde vreemdeling. (artikel 11 lid 1 tot en met 3 Participatiewet) Nee. Geen recht (art.16 lid 2 Participatiewet)
- Verblijft hij in Nederland (territorialiteitsbeginsel). (artikel 11 lid 1 Participatiewet) Nee. Geen recht, tenzij er zeer dringende redenen zijn (artikel 16 Participatiewet) 3 Woont hij in een andere gemeente. (artikel 40 Participatiewet). Nee. Doorzendplicht. (artikel 2:3 Awb)
- Doen de kosten zich voor (artikel 11 lid 1 Participatiewet)Zie paragraaf 1.5 van hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Nee. Geen recht
- Zijn het kosten die in Nederland zijn gemaakt of die betrekking hebben op kosten die aan Nederlnd zijn verbonden (territorialiteitsbeginsel). (artikel 11 lid 1 Participatiewet) Nee. Geen recht tenzij er zeer dringende redenen zijn (artikel 16 Participatiewet)
- Is op aanvrager één van de uitsluitingsgronden van toepassing (artikel 13 Participatiewet) (bijv. jonger dan 18, detentie, werkstaking enz.). Ja. Geen recht tenzij er zeer dringende redenen zijn (artikel 16 Participatiewet)
- Kan aanvrager een beroep doen op een voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet). Ja. Geen recht tenzij er zeer dringende redenen zijn (artikel 16 Participatiewet) 8a. Gaat het om niet noodzakelijke kosten genoemd in artikel 14 Participatiewet (bijzondere bijstand voor: geleden of toegebracht schade, betaling van boete, alimentatie enz.). Ja. Geen recht tenzij er zeer dringende redenen zijn (artikel 16 Participatiewet) Voorwaarden bijzondere bijstand (artikel 35 lid 1 Participatiewet) 8b Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk (artikel 35 lid 1 Participatiewet) Zie paragraaf 1.6 van hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand uit Grip op Participatiewet van Schulinck. Nee. Geen recht.
- Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden (artikel 35 lid 1 Participatiewet) Nee. Geen recht
- Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen (artikel 35 lid 1 Participatiewet) Ja. Geen recht. Co-ouders en bijzondere bijstand Voor de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand van een co-ouder voor kosten ten behoeve van zijn kind(eren) is van belang dat er ook een andere co-ouder is. Daarvoor is ook het ouderschapsplan van belang, dat ouders verplicht zijn op te stellen. Bij de aanvraag zal dan tevens meegenomen moeten worden, dat de andere co-ouder geacht wordt bij te dragen in deze kosten. De hoogte van de bijzondere bijstand is dan beperkt tot ten hoogste de helft van de kosten. De andere co-ouder wordt geacht minimaal de andere helft bij te dragen en mogelijk meer. Dit afhankelijk van het ouderschapsplan. Draagkrachtbepalingen Hieronder staan de draagkrachtbepalingen die in zijn algemeenheid gelden bij aanvragen bijzondere bijstand. Indien bij bijzondere bijstand voor bepaalde kostensoorten daarvan wordt afgeweken, staat dat expliciet bij deze kosten vermeld. individuele inkomenstoeslag Bij de vaststelling van de draagkracht laat het college de individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing. gemeentelijke minimabeleid Bijdragen op grond van het gemeentelijk minimabeleid laat het college buiten beschouwing bij het vaststellen van de draagkracht. vrijlating middelen en particuliere pensioenen Bij aanvragen bijzondere bijstand past het college artikel 31 lid 2 Participatiewet toe. Ook past het college de vrijlating van particuliere pensioenen toe als bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet. Met andere woorden deze middelen rekent het college niet tot de draagkracht. vermogen Bij de vaststelling van de draagkracht laat het college buiten beschouwing: bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet; het bij de aanvang van de bijzondere bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens (artikel 34 lid 2 onderdeel b Participatiewet), tenzij het gaat om algemeen noodzakelijke kosten die zich incidenteel dan wel periodiek voordoen. Bij algemeen noodzakelijke kosten die zich incidenteel dan wel periodiek voordoen laat het college een bedrag ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm buiten beschouwing; spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen (artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet), tenzij het gaat om algemeen noodzakelijke kosten die zich incidenteel dan wel periodiek voordoen; het vermogen gebonden in de eigen woning als bedoeld in art. 34 lid 2 onderdeel d Participatiewet Indien de te verlenen bijzondere bijstand op jaarbasis lager of gelijk is aan € 500,00 laat het college het vermogen gebonden in de eigen woning buiten beschouwing. Bepalend daarbij is wanneer de kosten zich voordoen, waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd. Voorbeeld: Heeft de aanvrager op 1 maart 2014 de kosten waarvoor hij op 1 april 2014 bijzondere bijstand aanvraagt, dan loopt het jaar vanaf 1 maart 2014 tot en met 28 februari
- Overschrijdt de te verlenen bijzondere bijstand op jaarbasis de € 500,00 dan gaat het college als volgt te werk: Ontvangt belanghebbende reeds algemene bijstand, dan is de waarde van de eigen woning reeds bij de aanvraag algemene bijstand meegenomen. Bij die aanvraag is dan al gebleken dat het te gelde maken of verder bezwaren van de eigen woning in redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Het ligt voor de hand om bij aanvragen bijzondere bijstand daarbij aan te sluiten. Bij overige aanvragen bijzondere bijstand hanteert het college de volgende werkwijze. Gelet op artikel 50, eerste lid, Participatiewet is dan van belang in hoeverre van belanghebbende in redelijkheid verwacht kan worden zijn eigen woning te verkopen en/of zijn woning (verder) te bezwaren met een hypothecaire geldlening. Indien belanghebbende kan aantonen dat hij zijn eigen woning niet (verder) kan bezwaren en kan ook de verkoop van de eigen woning in redelijkheid niet verwacht worden, dan staat de eigen woning het recht op bijzondere bijstand niet in de weg. Het college rekent het bij aanvang van de bijstand aanwezige vermogen volledig tot de draagkracht, voor zover dit meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. Inkomen (voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm) In de gemeente Westerveld bedraagt de draagkracht per jaar: bij een ruimte in het inkomen tot € 550,00: 0%; bij een ruimte in het inkomen tussen de € 550,00 en € 2.750,00: 25%;* bij een ruimte in het inkomen boven de € 2.750,00: 50%; * feitelijk komt dit neer op 25% van maximaal € 2.200,00 (€ 2.750,00 - € 550,00)= € 550,
- Bij kosten die tot de incidenteel dan wel periodiek voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, hanteert het college een draagkrachtpercentage van
- Het gaat dan onder andere om: verhuiskosten inrichtingskosten woonkosten duurzame gebruiksgoederen kosten babyuitzet toeslagen voor levensonderhoud verwervingskosten Verder hanteert het college een draagkrachtpercentage van 100 bij: eigen bijdragen in het kader van de Wmo 2015 eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de Zvw of Wet langdurige zorg worden vergoed en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bij zelfstandigen bijzondere bijstand voor beschermingsbewind, mentorschap en curatele Bij belanghebbenden met de AOW-gerechtigde leeftijd rekent het college dat deel van het inkomen niet tot de draagkracht, dat lager of gelijk is aan het netto AOW-pensioen dat geldt als 100% AOW is opgebouwd. Nadere bepalingen voor de draagkrachtberekening. Bij aanvragen bijzondere bijstand voor kosten waarbij het college met betrekking tot het inkomen een draagkrachtpercentage hanteert van 100, brengt het college bepaalde kosten die belanghebbende maakt in mindering op het inkomen. Dit zijn de zgn buitengewone uitgaven. Hieronder vallen: Het gemis aan zorgtoeslag indien men op grond van het inkomen niet in aanmerking komt voor (volledige) zorgtoeslag; Onderhoudsverplichtingen van niet in het gezin levende kinderen of een (ex)echtgenoot; Het gemis aan huurtoeslag indien men op grond van het inkomen niet in aanmerking komt voor (volledige) huurtoeslag (bij eigen woningbezit is dit het gemis aan woonkostentoeslag); Het gemis aan kindgebonden budget indien men op grond van het inkomen niet in aanmerking komt voor het kindgebonden budget; Het gemis aan kinderopvangtoeslag indien men op grond van het inkomen niet in aanmerking komt voor (volledige) kinderopvangtoeslag Voor rekening van belanghebbende blijvende studiekosten van eigen kinderen (WSF 2000). Draagkrachtperiode Artikel 35, eerste lid van de Participatiewet vermeldt, dat burgemeester en wethouders het begin en de duur van de periode bepalen, waarover het vermogen en inkomen in aanmerking wordt genomen. Het draagkrachtjaar wordt in beginsel bepaald op twaalf maanden en gaat in op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich voordoen. Aan het draagkrachtjaar kan terugwerkende kracht worden verleend tot maximaal één jaar. Dit om te voorkomen dat cliënt, na elke kostensoort die zich voordoet, een aanvraag moet indienen. Een kortere draagkrachtperiode wordt om uitvoeringstechnische redenen in principe niet toegepast. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan een kortere draagkrachtperiode worden toegepast. Indien zich een wijziging in de situatie van belanghebbende voordoet, inkomenswijziging hieronder begrepen, wordt afgeweken van de regel dat de voor één jaar vastgestelde draagkracht in beginsel definitief is. Bij wijziging in de omstandigheden zal de draagkracht binnen het vastgestelde draagkrachtjaar moeten worden herzien. Uitsmeren draagkracht Voordat tot bijstandsverlening kan worden overgegaan, dient eerst de beschikbare ruimte in het vermogen en inkomen te worden aangewend. Indien het - ingeval van periodieke bijzondere bijstandsverlening - aannemelijk is dat de bijstandsverlening minimaal één jaar doorloopt, verdient het aanbeveling de draagkracht over twaalf maanden uit te smeren (Haagse methode). Draagkracht, WSNP en beslag Wanneer bij een belanghebbende beslag ligt op zijn inkomen, rekent het college het deel van het inkomen waarop beslag ligt niet tot de draagkracht. Is een belanghebbende tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen toegelaten (WSNP), dan rekent het college het inkomen boven het in het kader van de WSNP vrijgelaten bedrag (vrij te laten bedrag) niet tot de draagkracht. Let op! Het bovenstaande geldt niet bij aanvragen bijzondere bijstand voor incidentele dan wel periodieke algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:
- In rechtsoverweging 4.4 staat het volgende: Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) kunnen het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichtingen niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die in het individuele geval verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt. De stelling van appellante dat zij in de schuldsanering zit en daardoor niet heeft kunnen reserveren voor een koelkast en wasmachine, kan daarom niet slagen. Daarbij is tevens van belang dat de vervanging van de koelkast en de wasmachine voorzienbaar waren voor appellante, nu zij deze reeds in 1990 heeft aangeschaft. Bovendien kent de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) een reserveringscomponent en is niet gebleken dat de reserveringen niet of niet meer hebben plaatsgevonden. Drempel (artikel 35 lid 2 Participatiewet) Het college geeft geen toepassing aan artikel 35 lid 2 Participatiewet. Het college hanteert geen drempelbedrag. Vormen van (bijzondere) bijstand Bijstand (ook bijzondere bijstand) kan slechts in een door de Participatiewet in paragraaf 6.1 aangegeven beperkt aantal gevallen anders dan om niet verleend worden. Waarborgsom Als het college bijzondere bijstand verleent voor een door belanghebbende te betalen waarborgsom dan is dat in de vorm van borgtocht of een geldlening. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan Is de bijstandsafhankelijkheid het gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan legt het college in beginsel een maatregel op. Dit op grond van de maatregelenverordening. Is geen maatregel mogelijk op grond van de maatregelverordening of is het volledig weigeren van bijzondere bijstand een te zware sanctie dan verstrekt het college de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht (artikel 48 lid 2 onderdeel b Participatiewet). Betaling Tenzij anders aangegeven wordt bijzondere bijstand uitbetaald op het door aanvrager opgegeven rekeningnummer. Betalingen in het kader van het minimabeleid moeten overgemaakt worden op het door aanvrager opgegeven rekeningnummer tenzij er sprake is van curatele (bij curatele is een persoon immers niet handelingsbekwaam). Het kan ook voorkomen dat een derde (bijv. een bewindvoerder) uitdrukkelijk heeft verzocht de tegemoetkoming op een ander rekeningnummer over te maken. Iets dergelijks kan zich voordoen als vanuit het budgetbeheer door de bewindvoerder een "voorschot" is verstrekt in de gevraagde kosten. Beslag (artikel 46 lid 2 Participatiewet) Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag. Dit geldt ook voor de toeslagen, die via de bijzondere bijstand worden verstrekt (woonkostentoeslag, toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar, enzovoort). Hoofdstuk2Toeslagen voor levensonderhoud Regeling: artikelen 12, 16, 18 lid 1 en 35 Participatiewet Onderwerpen: Bijstand jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting (art.13 lid 2 onder a Participatiewet) Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar niet in een inrichting (artikel 12 Participatiewet) Procedure toekenning bijzondere bijstand (artikel 12 Participatiewet) Bijstandsverlening ten behoeve van het kind van minderjarige alleenstaande ouders Overgangsrecht toeslag voormalige alleenstaande ouder Co-ouderschap Bijstand jongeren van 18 tot en met 20 jaar in inrichting (artikel 13, tweede lid, Participatiewet) Jongeren van 18 tot en met 20 jaar hebben geen recht op algemene bijstand voor verblijf in een inrichting. In het algemeen zal van de ouders een bijdrage in de kosten van verblijf in de inrichting worden gevraagd. Als in verband met bijzondere omstandigheden de ouders niet of niet volledig kunnen bijdragen in de eventueel te maken kosten, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de persoonlijke uitgaven als voor andere noodzakelijke kosten. Rekening moet worden gehouden met het feit dat ouders in deze situatie onderhoudsplichtig zijn. Als aanvullende bijzondere bijstand wordt verleend omdat de jongere niet in staat is de ouderlijke onderhoudsplicht te effectueren, heeft het college de bevoegdheid deze op de ouders te verhalen. Zie hiervoor het gestelde onder procedure toekenning bijzondere bijstand. Voor meer informatie zie Grip op WWB van Kluwer Schulinck. Hoogte van de bijstand (artikel 23 Participatiewet) De hoogte van de eventueel te verstrekken norm voor 18- tot en met 21-jarigen is dezelfde als voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijft. Er wordt een vermogens- en inkomenstoets uitgevoerd. De ruimte in het inkomen is de draagkracht (100% draagkracht). Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar niet in een inrichting (artikel 12 Participatiewet) De landelijke basisnorm voor 18- tot 21-jarigen is afgeleid van de kinderbijslagbedragen die voor deze leeftijdscategorie gold en sluit aan op de onderhoudsplicht van de ouders (artikel 1:395a Burgerlijk Wetboek). Als de noodzakelijke bestaanskosten van de jongere hoger zijn dan die waarin de basisnorm voorziet en de jongere geen beroep op zijn ouders kan doen omdat de middelen van de ouders niet toereikend zijn of omdat hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht ten opzichte van zijn ouders niet te gelde kan maken, kan er bij wijze van aanvullende bijstand een toeslag worden verstrekt. De verhaalsmogelijkheid van de gemeente blijft daarbij wel bestaan. Voorwaarden voor toeslagverlening bij jongere die niet bij zijn ouder(s) inwoont Alvorens tot aanvullende bijstandsverlening over te gaan, wordt eerst bekeken of de hogere bestaanskosten noodzakelijk zijn. Aangezien er in een thuiswonende situatie geen sprake kan zijn van hogere algemene bestaanskosten dan die waarin de basisnorm voorziet, komt deze toets neer op het beantwoorden van de vraag of het zelfstandig wonen van de jongere noodzakelijk is. De noodzaak van het zelfstandig wonen wordt in ieder geval geacht aanwezig te zijn indien: de ouders van de jongere zijn overleden of in het buitenland wonen en onbereikbaar zijn; de jongere in het kader van de Wet op de Jeugdhulpverlening buiten het gezinsverband van zijn ouder(s) is geplaatst. Nadat de noodzakelijkheid van de kosten is vastgesteld, wordt bekeken of het onderhoudsrecht te gelde kan worden gemaakt (zie ook hieronder). Een jongere kan bijvoorbeeld geen onderhoudsrecht te gelde maken, als: er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouders; de ouders geen of onvoldoende draagkracht hebben; beide ouders overleden zijn. Voor meer informatie zie Grip op WWB, hoofdstuk 6, paragraaf 8, onderdeel 2 jongeren niet in inrichting. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de aanvullende toeslag bedraagt maximaal het verschil tussen de norm voor een 21-jarige, die op hem van toepassing zou zijn als hij 21 jaar was, en de voor de jongere van toepassing zijnde norm (inclusief vakantiegeld). Eventuele inkomsten van de jongere zelf dienen op zijn basisnorm in mindering gebracht te worden. Inkomsten hoger dan de basisnorm worden volledig op de toeslag in mindering gebracht. Inkomsten die het karakter hebben van alimentatie/onderhoudsbijdrage dienen verrekend te worden met de toeslag, tenzij bij het bepalen van de hoogte van de toeslag op grond van artikel 12 Participatiewet al rekening is gehouden met de alimentatie/onderhoudsbijdrage (artikel 31, tweede lid, onderdeel v, Participatiewet). Alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar Ook bij alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar wordt bij de bepaling van de hoogte van de toeslag aangesloten bij de bijstandsuitkering die geldt voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder. Deze is vanaf 2015 gelijk aan die van een alleenstaande. Via de Wet op het kingebonden budget ontvangt de alleenstaande ouder een verhoging van het kindgebonden budget als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget (alleenstaande ouder-kop). Alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar die geen alleenstaande ouder-kop ontvangen, komen vanwege hun leeftijd niet in aanmerking voor de Beleidsregels alleenstaande ouderkop Westerveld. In vrijwel alle situaties zal het gaan om alleenstaande ouders die uitsluitend met één van hun ouders het hoofdverblijf houden in dezelfde woning. Zij worden in het kader van de AWIR als gehuwd aangemerkt en ontvangen om die reden geen alleenstaande ouder-kop. In het geval beiden bijstand ontvangen, beschikken zij gezamenlijk over een inkomen dat net zo hoog is als de bijstandsnorm voor gehuwden waarvan één partner jonger is dan 21 jaar. Ook deze gehuwden met een bijstandsuitkering die ten laste komende kinderen hebben, ontvangen geen alleenstaande ouderkop. De alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar komt om die reden niet in aanmerking voor extra aanvullende inkomensondersteuning via de bijzondere bijstand. Procedure toekenning bijzondere bijstand (artikel 12 Participatiewet) Een jongere jonger dan 21 jaar die bijzondere bijstand wil, vult het aanvraagformulier bijzondere bijstand in voor inwoners jonger dan 21 jaar, waarin het kind moet aangeven waarom het niet bij zijn ouders kan inwonen (indien van toepassing) en zijn onderhoudsrecht niet te gelde kan maken. Vervolgens schrijft de consulent binnen 5 werkdagen na indiening van de aanvraag de ouder(s) een brief met daarin de mededeling: dat hun kind bijzondere bijstand aanvraagt in aanvulling op zijn bijstandsuitkering dat zij tot het 21e jaar onderhoudsplichtig zijn voor het kind (artikel 1: Burgerlijk Wetboek) waarom het kind vindt dat het niet bij zijn ouder(s) kan inwonen (indien van toepassing) en het geen beroep op zijn ouders kan doen voor de kosten waarvoor het bijzondere bijstand aanvraagt. In de brief vraagt de consulent de ouders of ze het eens zijn met hun kind en zo niet wat hun mening is het kind bij hen in kan wonen, zij bereid zijn de kosten te betalen, waarvoor het kind bijzondere bijstand aanvraagt. Aan het eind van de brief deelt de consulent mee dat de ouders er rekening mee moeten houden dat het college de bijzondere bijstand op hen verhaalt. De ouders dienen binnen 7 dagen schriftelijk te reageren. Op basis van de reactie van de ouders en het ingevulde aanvraagformulier beoordeelt de consulent de aanvraag. Bij toekenning van de bijzondere bijstand dient de bijstand te worden verhaald op de ouders, tenzij bij voorbaat duidelijk is dat geen verhaal mogelijk. Bijstandsverlening ten behoeve van het kind van minderjarige alleenstaande ouders De minderjarige alleenstaande ouders kunnen via het kindgebonden budget in aanmerking komen voor de alleenstaande ouderkop. Voor het kindgebonden budget geldt niet dat de ouder 18 jaar of ouder moet zijn. Ook minderjarige ouders komen hiervoor in aanmerking. Dit betekent dat het college geen bijstand meer hoeft te verlenen ten behoeve van het kind van een minderjarige alleenstaande ouder dat de alleenstaande ouderkop ontvangt. Alleen wanneer de alleenstaande ouder in het individuele geval geen alleenstaande ouderkop ontvangt, dan is aanvullende bijstand mogelijk op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet. De hoogte van de bijstand is dan gelijk aan de alleenstaande ouderkop en wordt in maandelijkse termijnen betaald. Zie ook Grip op Participatiewet, hoofdstuk 2 Recht op bijstand, paragraaf 4 (individualisering) onder 3 (enkele specifieke situaties) en vervolgens 3.2 ‘Bijstand voor kinderen van tienermoeders’. Co-ouderschap Net als onder de Abw en WWB is onder de Participatiewet co-ouderschap mogelijk. De verzorging en opvoeding van de kinderen geschiedt dan door beide ouders. Wanneer dit het geval is en de kinderen, volgens vaste afspraken, beurtelings bij een van de ouders verblijven, spreken we van een co-ouderschap. Het college verleent vanaf 1 januari 2015 geen bijstand meer op grond van artikel 18, eerste lid, Participatiewet aan co-ouders in aanvulling op de norm alleenstaande. Dit om de volgende redenen: Met ingang van 1 januari 2015 is de norm alleenstaande ouder gelijk aan de norm alleenstaande. Dit betekent dat de uitkering van de co-ouder ongeacht het aantal dagen dat het kind (of kinderen) bij hem verblijft qua hoogte gelijk blijft. Voor de plicht tot arbeidsinschakeling kan dit overigens wel van belang zijn. Daarnaast zijn er per 1 januari 2015 nog vier kindregelingen, te weten de kinderbijslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag en de combinatiekorting. Bijzondere bijstand voor kind Zie hiervoor hoofdstuk 1 van de Leidraad (Algemene bepalingen bijzondere bijstandsverlening). Onderhoudsbijdrage Een co-ouderschapsregeling verandert niets in de onderhoudsplicht die de ex-partners ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de kinderen hebben. Er dient dan ook op reguliere wijze te worden onderzocht of er sprake van verhaalsmogelijkheden zijn. Indien die mogelijkheden er zijn moet het dossier worden doorgezonden naar de afdeling verhaal. Hoofdstuk4Bijzondere bijstand en medische kosten Regeling: Participatiewet Onderwerpen: Uitgangspunt Voorliggende voorzieningen Zeer dringende reden Zorgverzekeringen Verplichte basisverzekering Aanvullend of collectief verzekerd Verplicht en vrijwillig eigen risico Verplichte eigen bijdragen Zvw of Wlz Voorbeelden van eigen bijdragen die niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen Brillen en contactlenzen Alternatieve geneeswijzen Dieetkosten en voedingssupplementen Geneesmiddelen Tandheelkundige zorg Gebitsprothese Hoorapparaten Verzekering en nazorgcontracten hulpmiddelen Onderhoudskosten en kosten vervanging batterijen/accu’s hulpmiddelen Reparatiekosten hulpmiddelen (zoals gehoortoestel) Telefoonkosten Orthopedisch schoeisel Steunzolen Hulpmiddel Ziekenvervoer (Reiskosten voor medische behandelingen) Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Fysiotherapie en oefentherapie IVF-behandeling Kraamzorg Verhuizing om medische redenen Pedicurekosten Voorbeelden van kosten waarvoor wel bijzondere bijstand mogelijk is Kledingslijtage en beddengoed Extra stookkosten Warme maaltijdvoorziening Reiskosten voor bezoek familie opgenomen in ziekenhuis of inrichting Bijzondere bijstand en Wet maatschappelijke ondersteuning Uitgangspunt Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor medische kosten. Voorliggende voorzieningen Voor de kosten van medische zorg dienen de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in beginsel als aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te worden beschouwd (artikel 15, eerste lid, eerste volzin Participatiewet). Voor prestaties die niet vergoed worden omdat deze zorg op grond van Zvw en de Wlz als niet noodzakelijk wordt beschouwd, kan het college in beginsel geen bijstand verlenen gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin van de Participatiewet (CRvB 28-10-2008, nr. 07/4525 WWB). Zeer dringende reden Alleen op grond van een zeer dringende reden kan dan nog bijzondere bijstand worden verleend (artikel 16 Participatiewet). Er is sprake van zeer dringende redenen als er een situatie is die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Voorbeeld waarin sprake was van een zeer dringende reden: Aanvraag bijzondere bijstand voor kosten medicinale cannabis om bijwerking te voorkomen van anti HIV-medicatie als misselijkheid en braken (CRvB 26-01-2010, nrs. 08/203 WWB e.a.). Zorgverzekeringen Verplichte basisverzekering Een ieder is verplicht een basisverzekering af te sluiten. Inwoners die geen verplichte basisverzekering afsluiten, tonen een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het college legt een maatregel op aan inwoners die als gevolg daarvan bijzondere bijstand aanvragen voor medische kosten. De hoogte van de maatregel is gelijk aan de vergoeding die de inwoner zou hebben ontvangen als hij de verplichte basisverzekering wel had (artikel 15 lid 1 en 3 in samenhang met artikel 3 lid 2 en 4 van de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015). Ook kan overwogen worden om de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken (artikel 48 lid 2 onderdeel b Participatiewet). Aanvullend of collectief verzekerd Inwoners van de gemeenten Westerveld kunnen gebruik maken van de collectieve zorgverzekering voor minima. Voor deelnemers aan de collectieve zorgverzekering voor minima is de collectieve zorgverzekering een voorliggende voorziening bij aanvragen bijzondere bijstand voor medische kosten. Belanghebbenden zijn niet verplicht aanvullende verzekeringen en/of tandartsverzekeringen af te sluiten. Heeft een belanghebbende een dergelijke verzekering afgesloten dan is dat voor hem een voorliggende voorziening bij aanvragen bijzondere bijstand voor medische kosten. Zie hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand, paragraaf 4.2 (Aanvullend of collectief) uit Grip op Participatiewet. Verplicht en vrijwillig eigen risico Hiervoor bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Zie voor de toelichting hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand, paragraaf 4.3 (eigen risico) van Grip op Participatiewet. Verplichte eigen bijdragen Zvw of Wlz In beginsel komen de eigen bijdragen in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. De Zvw, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (huidige Wet langdurige zorg) en de op deze wetten gebaseerde regelgeving voor de kosten van (para)medische zorg worden in beginsel als een aan de WWB (lees Participatiewet) voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB ( lees: Participatiewet) beschouwd (CRvB 19-04-2011, LJN BQ3009). Voor de relatie tussen de Wet langdurige zorg en Participatiewet wordt verwezen naar hoofdstuk 13 (voorliggende voorzieningen), paragraaf 2.
- (Wet langdurige zorg). Zie bijvoorbeeld CRvB 29-01-2013, nr. 10/3030 WWB of CRvB 19-04-2011, LJN BQ
- Voor de relatie tussen de Zvw en Participatiewet wordt verwezen naar hoofdstuk 13 (voorliggende voorzieningen), paragraaf 2.9 (Zvw). Zie hier ook bijvoorbeeld CRvB 29-01-2013, nr. 10/3030 WWB of CRvB 19-04-2011, LJN BQ
- Ten aanzien van Grip op Participatiewet wordt ten aanzien van een aantal kostensoorten een afwijkend standpunt ingenomen. In de voorbeelden hieronder weergegeven staat wanneer wordt afgeweken van Grip op Participatiewet. Voorbeelden van eigen bijdragen die niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen: Brillen en contactlenzen (CRVB 3-3-2015, nr. 13/6015 WWB): Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) is de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de kosten van brillenglazen en contactlenzen in beginsel aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. In deze regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillenglazen en contactlenzen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Zie ook hoofdstuk 6, paragraaf 5.3 (Brillen(glazen) en contactlenzen) uit Grip op Participatiewet. Alternatieve geneeswijzen Voor juridische onderbouwing zie hoofdstuk 6 (Bijzondere bijstand), paragraaf 5.4 (Medische kosten: specifiek/alternatieve geneeswijzen) uit Grip op Participatiewet. Dieetkosten en voedingssupplementen Voor juridische onderbouwing zie hoofdstuk 6 (Bijzondere bijstand), paragraaf 5.5 (Dieetkosten en voedingssupplementen) uit Grip op Participatiewet. Uitzondering: Als aan het volgen van een dieet meer kosten zijn verbonden dan aan normale gezonde voeding, spreken we van dieetkosten. Voor deze meerkosten is bijzondere bijstand mogelijk, indien de medische noodzaak vaststaat en de kosten niet uit de draagkracht voldaan kunnen worden. Voor wat betreft de hoogte van de kosten, sluit het college aan bij de Nibud prijzengids. Een vergoeding wordt in beginsel voor een jaar vastgesteld. Indien belanghebbende na dit jaar nog steeds dieetkosten heeft, dient hij daarvoor wederom een aanvraag in te dienen. Geneesmiddelen Voor de juridische onderbouwing zie hoofdstuk 6 (bijzondere bijstand), paragraaf 5.6 (geneesmiddelen) in Grip op Participatiewet. Tandheelkundige zorg (CRVB 3-3-2015, nr. 13/6015 WWB): Naar eveneens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9166) dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling sinds 1 januari 2006 de Zvw, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, als een aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. Zie hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 7 (Tandheelkundige hulp) uit Grip op Participatiewet. Gebitsprothese (CRvB 29-01-2013, nr. 10/3030 WWB): De eigen bijdrage voor de gebitsprothese is vastgesteld op basis van het op de Zvw gebaseerde Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering. Nu met deze eigen bijdragen een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet aan toekenning van bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen in de weg staat. Wijkt af van Grip op Participatiewet. Zie hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 7 (Tandheelkundige hulp) uit Grip op Participatiewet. Hoorapparaten (CRvB 21-05-2013, nr. 12/623 WWB): De eigen bijdrage in de kosten van de aanschaf van twee hoortoestellen is vastgesteld op basis van het op de Zvw gebaseerde Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering. Nu met deze eigen bijdragen een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet aan toekenning van bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen in de weg staat. Dit ongeacht de medische noodzaak om de hoortoestellen aan te schaffen. Zie hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 8 (Gehoortoestellen) uit Grip op Participatiewet. Verzekering en nazorgcontracten hulpmiddelen De kosten van verzekering en nazorgcontracten van medische hulpmiddelen zoals hoortoestellen en dergelijke, kunnen niet worden gerekend tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan. De kosten zijn toekomstgericht waarbij dan niet duidelijk is of bezwaarde nog in behoeftige omstandigheden verkeert op het moment waarop hij voor de kosten komt te staan (CRvB 25 juni 2002 99/4118 NABW). Onderhoudskosten en kosten vervanging batterijen/accu’s hulpmiddelen De vervanging van batterijen en onderhoudsbeurten zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die zich incidenteel voordoen. Van belang is dan of belanghebbende kon reserveren voor deze kosten. Als dat niet het geval is dan kan daar bijzondere bijstand voor verleend worden. De kosten van vervanging van batterijen of accu’s behoren tot de normale onderhoudskosten en worden om die reden niet vergoed door de zorgverzekeraar. De wetgever acht vergoeding van deze kosten niet noodzakelijk. Het gaat om kosten van normaal gebruik van hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.9 lid 2 Besluit zorgverzekering. In de toelichting op de Regeling zorgverzekering gepubliceerd in de Staatscourant stcrt 2005 171 staat hierover het volgende: ‘De hulpmiddelenzorg omvat in principe niet de vergoeding van energiekosten zoals gebruik van elektriciteit, batterijen en oplaadapparatuur. Het middel wordt echter wel gebruiksklaar afgeleverd met inbegrip van eventuele batterijen of oplaadapparatuur. Indien energiekosten bij bepaalde hulpmiddelen wel voor vergoeding in aanmerking komen, is dit uitdrukkelijk vermeld.’ ‘De kosten van vervanging van batterijen of accu’s moeten worden gerekend tot kosten van het normale gebruik en onderhoud van een hoortoestel of oorsuismaskeerder (onderdeel c), welke kosten op grond van artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering voor rekening van de verzekerde komen. Periodieke onderhoudsbeurten worden eveneens niet geacht tot de aanspraak te behoren. De vervanging van oorstukjes valt echter wel onder de aanspraak.’ Uit Toelichting op artikel 2.14 van de Regeling zorgverzekering gepubliceerd in de Staatscourant stcrt 2005
- Aangenomen mag worden dat dit onder de huidige Regeling Zorgverzekering niet anders is. Reparatiekosten hulpmiddelen (zoals gehoortoestel) De kosten van reparatie komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor deze kosten kan belanghebbende een beroep doen op zijn zorgverzekeraar. In de Toelichting op Regeling zorgverzekering gepubliceerd in de Staatscourant stcrt 2005 171 staat hierover het volgende: ‘Dat het recht op een hulpmiddel een goed functionerend en bij de beperking van de verzekerde passend (dus adequaat) hulpmiddel moet betreffen, spreekt echter voor zich. Dit houdt ook in dat, net als bij de Regeling hulpmiddelen 1996, een hulpmiddel vervangen of gewijzigd kan worden. Mocht een hulpmiddel niet meer goed of onvoldoende functioneren, dan is er immers geen sprake meer van een adequaat functionerend hulpmiddel en dient dit hulpmiddel in voorkomende gevallen hersteld of vervangen te worden. Ook kan een reservehulpmiddel aangewezen zijn. De keuze tot vervanging dan wel reparatie van een hulpmiddel is afhankelijk van de doelmatigheidsafweging van de zorgverzekeraar. In sommige gevallen zal het voordeliger zijn een hulpmiddel te laten repareren, in andere gevallen juist weer niet.’ Telefoonkosten Belanghebbenden die aangeven dat zij als gevolg van ziekte of beperking extra telefoonkosten hebben, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Artikel 2.6 eerste lid onder t Regeling Zorgverzekering regelt de hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als omschreven in artikel 2.26 Regeling zorgverzekering. Daarin is een bewuste keuze gemaakt welke communicatiekosten vergoed worden. Op grond van de tweede volzin van artikel 15, eerste lid, Participatiewet dan geen bijzondere bijstand meer mogelijk voor telefoonkosten die niet vergoed worden op basis van de Regeling zorgverzekering, tenzij sprake is van een zeer dringende reden. Orthopedisch schoeisel (CRvB 28-04-2009, nr. 08/715 WWB + 8/717 WWB) Aan de eigen bijdrage ligt een besparingsmotief ten grondslag. Zie voor de juridische onderbouwing hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 9 (Orthopedisch schoeisel) uit Grip op Participatiewet. Steunzolen Voor de kosten van medische zorg dienen de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in beginsel als aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te worden beschouwd (artikel 15, eerste lid, eerste volzin Participatiewet). Voor prestaties die niet vergoed worden omdat deze zorg op grond van Zvw en de Wlz als niet noodzakelijk wordt beschouwd, kan het college in beginsel geen bijstand verlenen gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin van de Participatiewet. Voor steunzolen verstrekt het college in beginsel dan ook geen bijzondere bijstand. Hulpmiddel De eigen bijdrage voor hulpmiddelen is vastgesteld op basis van het op de Zvw gebaseerde artikel 2.16c van het Besluit zorgverzekering en artikel 2.33 van de Regeling zorgverzekering. Nu met deze eigen bijdragen een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet aan toekenning van bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen in de weg staat. Ziekenvervoer (Reiskosten voor medische behandelingen) In het Besluit Zorgverzekering is een bewuste keuze gemaakt welke kosten van ziekenvervoer noodzakelijk zijn. Kosten van ziekenvervoer die het Besluit Zorgverzekeraar niet vergoedt, komen dan ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand (artikel 15 Participatiewet). Alleen op grond van een zeer dringende reden kan dan nog bijstand worden verleend (artikel 16 Participatiewet). Het Besluit zorgverzekering kent daarnaast een hardheidsclausule. Als de verzekerde in verband met de behandeling van een langdurige ziekte of aandoening langdurig is aangewezen op vervoer en het niet verstrekken of vergoeden van dat vervoer voor de verzekerde zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kunnen de kosten van vervoer ook vergoed worden (artikel 2.14 lid 3 Besluit zorgverzekering). Mensen die voor een vergoeding van de kosten van ziekenvervoering in aanmerking komen op grond van het Besluit zorgverzekering zijn nog wel een eigen bijdrage verschuldigd. De eigen bijdrage voor ziekenvervoer is vastgesteld op basis van het op de Zvw gebaseerde artikel 2.16e van het Besluit zorgverzekering en artikel 2.37 van de Regeling zorgverzekering. Nu met deze eigen bijdragen een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet aan toekenning van bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen in de weg staat. Wijkt af van Grip op Participatiewet. Zie hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 10 (Reiskosten voor medische behandelingen) uit Grip op Participatiewet. Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Zie voor juridische onderbouwing hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 11 (Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg) uit Grip op Participatiewet. Fysiotherapie en oefentherapie Zie voor juridische onderbouwing hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 12 (Fysiotherapie en oefentherapie) uit Grip op Participatiewet. IVF-behandeling Zie voor juridische onderbouwing hoofdstuk 6, paragraaf 5, onderdeel 12 (IVF-behandeling) uit Grip op Participatiewet. Kraamzorg De eigen bijdrage voor kraamzorg is vastgesteld op basis van het op de Zvw gebaseerde artikel 2.16d van het Besluit zorgverzekering en artikel 2.36 van de Regeling zorgverzekering. Nu met deze eigen bijdragen een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet aan toekenning van bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen in de weg staat. Verhuizing om medische redenen Inwoners die als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen hebben met het voeren van een huishouden, kunnen bij de gemeente een beroep op doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daar kunnen zij een financiële tegemoetkoming krijgen in de verhuis- en inrichtingskosten dan wel een woningaanpassing. De Wmo is in dit kader een voorliggende voorziening die toereikend en passend geacht moet worden (artikel 15 Participatiewet). Voor bijzondere bijstand is in beginsel dan ook geen plaats. Pedicurekosten Pedicurekosten vallen onder persoonlijke verzorging. De Wet langdurige zorg (artikel 3.1.1 lid 1 onderdeel b Wlz) vergoedt deze kosten aan mensen in een Wlz-instelling als hulp nodig is voor persoonlijke verzorging in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap (artikel 3.2.1 Wlz). Binnen de Zvw en Wlz is een bewuste keuze gemaakt, wanneer aanspraak gemaakt kan worden op persoonlijke verzorging. Pedicurekosten van diabetici met een diabetische voet komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor bijzondere bijstand is in beginsel dan ook geen plaats (artikel 15 Participatiewet). Kosten waarvoor wel bijzondere bijstand mogelijk is Kledingslijtage en beddengoed Kleding Ten aanzien van aanvragen om bijstandsverlening voor de aanschaf van kleding geldt dat iedereen (ook bijstandsgerechtigden) in het algemeen in staat moeten worden geacht deze kosten uit eigen inkomsten te bestrijden. Er kunnen zich echter bijzondere omstandigheden voordoen, waardoor de kosten voor kleding als bijzonder noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden aangemerkt. Deze omstandigheden kunnen gelegen zijn in een sociale situatie en/of het onvoorziene karakter van de noodzakelijke kledingaanschaf, bijvoorbeeld: het door ziekte sterk vermageren (of dikker worden), waardoor de aanwezige kleding niet meer past; meer dan normale kledingslijtage ten gevolge van lichamelijke gebreken, ziekte en dergelijke (voor kledingslijtage als gevolg van extra bewassingskosten zie hieronder) bij plotselinge opname in het ziekenhuis, waardoor bijvoorbeeld pyjama's en kamerjas aangeschaft moeten worden. In gevallen als bovenvermeld, is verlening van bijzondere bijstand mogelijk, rekening houdend met de draagkracht Let op! Indien van bovengenoemde omstandigheden geen sprake is en de aanvrager niet heeft gereserveerd terwijl de aanschaf van kleding niet kan worden uitgesteld (bijvoorbeeld een wintermantel bij strenge kou), dan is slechts bij wijze van hoge uitzondering bijstand mogelijk, welke bijstand wordt verleend in de vorm van een lening op grond van artikel 48, tweede lid onderdeel b van de Participatiewet. Daarnaast is het mogelijk om mensen op de Kleding- en Speelgoedbank in Dwingeloo te wijzen. Zie hiervoor de nieuwsbrief van maart 2015 van het college. Bewassing en daarmee samenhangende kledingslijtage Voor de kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage zijn er geen specifieke (landelijke) voorzieningen. Ter voorkoming van extra bewassing bestaat er op grond van de Regeling zorgverzekering wel recht op incontinentie-absorptiemiddelen. Bewassing Blijkt uit een medisch advies dat belanghebbende als gevolg van ziekte of gebrek hogere kosten voor bewassing heeft dan gebruikelijk, dan is voor deze meerkosten bijzondere bijstand mogelijk, tenzij belanghebbende voldoende draagkracht heeft. Dit is anders als belanghebbende de kosten kan voorkomen door bijvoorbeeld gebruik te maken van incontinentie-absorptiemiddelen. Voor de hoogte van de bewassingskosten hanteert het college de Nibud prijzengids. Kledingslijtage Voor de extra kledingslijtage die ontstaat door bewassing of het gevolg is van het gebruik van prothesen of andere hulpmiddelen, wint het college een medisch advies in. Extra stookkosten De kosten van extra verwarming behoren tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan, indien de medische noodzaak van deze kosten is aangetoond en er geen draagkracht is. De medische noodzaak van de meerkosten wordt middels een medisch advies vastgesteld. De medisch adviseur dient tevens vast te stellen wat de noodzakelijke temperatuur in de woning dient te zijn. De hoogte van de bijstand dient aan de hand van het Nibud Prijzenboekje bepaald te worden. Over het algemeen geldt dat het gasverbruik met 7% toeneemt wanneer de thermostaat van de verwarming 1°C hoger wordt gezet. De algemeen gebruikelijke temperatuur is 20°C. De definitieve vaststelling van het bijstandsbedrag geschiedt aan de hand van de eindafrekening. Bij aanzienlijk structureel meerverbruik is periodieke bijstandsverlening in de kosten van de voorschotnota's mogelijk. De periodieke bijstand wordt voor de duur van één jaar verstrekt. In de beschikking wordt vermeld dat de periodieke bijstand een voorwaardelijk karakter draagt, totdat de volgende eindafrekening is ontvangen. Bij elke verlenging is een nieuw onderzoek vereist. Warme maaltijdvoorziening De maaltijdvoorziening is bedoeld voor mensen die niet in staat zijn hun eigen maaltijd bereiden. Het gaat om mensen die daarin onvoldoende zelfredzaam zijn. Personen die bij hun aanvraag niet in staat te zijn hun eigen maaltijd te bereiden, zullen zich over het algemeen ook gemeld hebben voor hulp in het huishouden in het kader van de Wmo
- Kunnen zij een afschrift overleggen van een Wmo-advies van de gemeente Westerveld waaruit blijkt dat zij daarvoor in aanmerking komen, dan is aannemelijk dat ook de maaltijdvoorziening noodzakelijk is. Is dat niet het geval dan zal daarover een medisch advies moeten worden ingewonnen, tenzij de consulent het gelet op de leeftijd van de aanvrager aannemelijk acht dat de maaltijdvoorziening noodzakelijk is. Staat de noodzaak voor een maaltijdvoorziening vast en stijgen de kosten boven het normale uitgavenpatroon uit, dan kan voor de meerkosten bijzondere bijstand worden verleend. Wel hanteert het college maximumbedragen. De gemiddelde kosten voor een maaltijdvoorziening bedragen in Westerveld € 8,00 per warme maaltijd (inclusief bezorgkosten). Voor de vaststelling van de bijstand kan worden uitgegaan van de tabellen voor de kosten van voeding zoals genoemd in de prijzengids van het Nibud. In deze tabellen wordt rekening gehouden met de leeftijd van de cliënt en de daarop afgestemde normvoeding. De tabel gaat uit van tweepersoonshuishoudens. Voor eenpersoonshuishoudens moeten de bedragen omgerekend worden conform deze tabel. Voor het verschil tussen de feitelijke kosten (tot een maximum van € 8,00 per warme maaltijd) en de conform de Nibud prijzengids genormeerde voedingskosten voor een maaltijd, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Reiskosten voor bezoek familie opgenomen in ziekenhuis of inrichting Het gaat hierbij om reiskosten in verband met bezoek aan familieleden, die in een ziekenhuis of een andere inrichting buiten de gemeente Westerveld worden verpleegd. Met familieleden wordt bedoeld, familie tot en met de tweede graad inclusief de partners met wie ze gehuwd zijn. Ten aanzien van het aantal bezoeken dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt geldt de volgende regel: bij bezoek aan familie die wordt verpleegd in een ziekenhuis c.q. instelling in de regio: één keer per dag; bij bezoek aan familie die wordt verpleegd in een ziekenhuis c.q. instelling buiten de regio: in z'n algemeenheid twee keer per week. Als een medische en/of sociale indicatie daartoe aanleiding geeft kan hier van worden afgeweken. Voor de berekening van de reisafstand en de hoogte van de kilometervergoeding wordt verwezen naar hoofdstuk 13 over reiskosten in de Leidraad. Ziekenhuizen/instellingen in de regio Westerveld zijn: ziekenhuis te Heerenveen, Leeuwarden, Meppel, Emmeloord, Assen Zwolle en Hoogeveen. Bijzondere bijstand en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Het college verleent geen bijzondere bijstand voor bijdragen in het kader van de Wmo. De Wmo is een voorliggende voorziening die toereikend en passend wordt geacht (artikel 15 Participatiewet). Een uitzondering wordt gemaakt voor eigen bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen, voor zover het geen eigen bijdrage betreft voor beschermd wonen of voor opvang (artikel 3.1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Hiervoor kan wel bijzondere bijstand verleend worden. Voor de relatie tussen de Wmo en Participatiewet wordt verwezen naar hoofdstuk 13 (voorliggende voorzieningen), paragraaf 2.8 (Wmo) in Grip op Participatiewet van Schulinck. Hoofdstuk5Woonkostentoeslag bij huurwoningen Regeling: Participatiewet (artikel 35 Participatiewet) Onderwerpen: Algemeen Huur boven maximale huurgrens Woonvorm Huisvesting statushouders (vergunninghouders) Huisvesting vergunninghouders in te dure huurwoning Betaling woonkosten na (echt)scheiding door ex-partner Vaststelling hoogte woonkostentoeslag (bijzondere bijstand) Duur van de bijzondere bijstand Verhuisplicht Algemeen In Grip op Participatiewet van Schulinck staat omschreven wanneer en of bijzondere bijstand voor huur van woningen, caravans, woonschepen etc. verleend kan worden (zie hoofdstuk 6 bijzondere bijstand, paragraaf 17 woonkosten: periodiek, onderdeel 2.3). Informatie over huurtoeslag is te vinden in hetzelfde handboek van Schulinck onder voorliggende voorzieningen, hoofdstuk 2 Overige regelingen, paragraaf 3 WHT (Wet op de huurtoeslag). Voor woonkostentoeslag hanteert het college een draagkrachtpercentage van
- Dit betekent dat het inkomen boven de bijstandsnorm en het vermogen volledig aangewend moeten worden voor de hoge woonkosten. Huur boven maximale huurgrens In beginsel bestaat er geen recht op huurtoeslag van de Belastingdienst/Toeslagen als de woning een rekenhuur heeft boven de maximale huurgrens. Ook in dergelijke situaties moet de huurtoeslag als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening worden beschouwd (artikel 15 Participatiewet). Het verlenen van bijzondere bijstand voor woonkosten is in dat geval alleen mogelijk als er sprake is van een uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzaak om de dure woning te bewonen. Belanghebbenden die er voor kiezen om in een niet subsidiabele woning, woonwagen of woonschip te wonen waardoor zij hogere woonlasten moeten betalen dan uit de bijstandsnorm (of een vergelijkbaar inkomen) voldaan kunnen worden, maken kosten die voorkomen hadden kunnen worden (vermijdbaar waren). Het gaat niet aan om het gemis aan huurtoeslag ten gevolge van de keuze voor een niet subsidiabele woning op de bijstand af te wentelen. Zij hadden immers voor een woning kunnen kiezen waarvoor wel aanspraak op huurtoeslag bestaat. Daarmee staat de noodzaak van de kosten niet vast en bestaat dus ook geen recht op bijzondere bijstand. In het onderzoek naar de noodzaak dient dus onderzocht te worden onder welke omstandigheden belanghebbende in een niet subsidiabele woning is gaan wonen. Indien belanghebbende bijvoorbeeld bij aanvang van de huur van de niet subsidiabele huurwoning over voldoende inkomsten en/of vermogen beschikte en vervolgens als gevolg van lagere inkomsten en/of vermogen de huur niet meer kan betalen, is van belang in hoeverre: voorzienbaar was dat belanghebbende zijn woonlasten niet meer kon voldoen en, wat hij al gedaan heeft om goedkopere woonruimte vinden en sinds wanneer. Van belanghebbende mag verwacht worden dat zich bij minimaal vier wooncorporaties als woningzoekende inschrijft voor huurwoningen waarvoor in ieder geval huurtoeslag kan worden verkregen. Is het voorzienbaar en heeft belanghebbende niet (op tijd) geprobeerd een goedkopere woning te vinden, dan verleent het college bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening op grond van artikel 48 lid 2 onderdeel b Participatiewet. Is dat een gevolg van bijvoorbeeld echtscheiding of verlating dan zal het college de bijzondere bijstand in beginsel om niet verlenen. Voor de duur van de bijzondere bijstand wordt naar het einde van dit hoofdstuk verwezen. Aan de toekenning van de bijzondere bijstand verbindt het college de voorwaarde dat belanghebbende zich voldoende inspanning moet getroosten om zo spoedig mogelijk de beschikking te verkrijgen over goedkopere woonruimte (verhuisplicht). Zie voor de inhoud van deze verhuisverplichting het einde van dit hoofdstuk. Woonvorm Zie hiervoor Grip op Participatiewet (hoofdstuk 6 bijzondere bijstand, paragraaf 17 woonkosten: periodiek, onderdeel 2.3 onder woonvorm) Ook hiervoor geldt dat belanghebbenden, die er voor kiezen om in een niet subsidiabele woning, woonwagen of woonschip te wonen waardoor zij hogere woonlasten moeten betalen dan uit de bijstandsnorm (of een vergelijkbaar inkomen) voldaan kunnen worden, kosten maken die voorkomen hadden kunnen worden (vermijdbaar waren). Het gaat niet aan om het gemis aan huurtoeslag ten gevolge van de keuze voor een niet subsidiabele woning op de bijstand af te wentelen. Zij hadden immers voor een woonvorm kunnen kiezen waarvoor wel aanspraak op huurtoeslag bestaat. Daarmee staat de noodzaak van de kosten niet vast en bestaat dus ook geen recht op bijzondere bijstand (LJN: AO1143, Centrale Raad van Beroep, 01/1316 NABW + 01/2572 NABW). In het onderzoek naar de noodzaak dient dus onderzocht te worden onder welke omstandigheden belanghebbenden in een niet subsidiabele woning of woonvorm zijn gaan wonen. Zie hetgeen hierboven onder maximale huurtoeslag vermeld staat. Huisvesting statushouders (vergunninghouders) Bij de huisvesting van statushouders is niet alleen van belang dat zij een woning krijgen toegewezen waarvoor zij huurtoeslag kunnen krijgen. Ook is van belang dat de huur van de woning lager of gelijk is aan de aftoppingsgrens. De verhuurder (wooncorporatie) kan in dit kader gewezen worden op de inspanningsverplichting die Aedes, vereniging van woningcorporaties, is aangegaan om woningcorporaties te stimuleren het beschikbaar stellen van betaalbare woonruimte voor alle doelgroepen te waarborgen en zo te voorkomen dat voor te veel dure woningen huurtoeslag moet worden toegekend. Zie de Memorie van Toelichting op de Wijziging van de Wet op de huurtoeslag (31 446), algemeen deel hoofdstuk
- Statushouders krijgen namelijk voor de inrichting van een woning veelal een geldlening van de GKB en aanvullende bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening. Bij huurwoningen boven de aftoppingsgrens besteedt belanghebbende een groter deel van zijn bijstandsuitkering aan huur. Daardoor houdt hij minder ruimte over om aan zijn overige financiële verplichtingen te voldoen. Bovendien zijn woningcorporaties met ingang van 1 januari 2016 verplicht om aan ten minste 95% van de woningzoekende huurders met (potentieel) recht op huurtoeslag een woning te verhuren met een huurprijs niet hoger dan de aftoppingsgrens. Deze verplichting volgt uit de per 1 juli 2015 in werking getreden woningwet. Voor de doorbetaling van de vaste lasten voor nieuwkomers wordt verwezen naar de werkinstructie. Huisvesting vergunninghouder in te dure huurwoning Een vergunninghouder kan bijzondere bijstand krijgen voor woonkosten indien hij niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, omdat hij door de gemeente vanuit het AZC in een huurwoning is gehuisvest met een te hoge rekenhuur. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het huisvesten van vergunninghouders. Wanneer de gemeente een via het COA toegewezen vergunninghouder te dure woonruimte aanbiedt, ligt het in de rede om voor de huur bijzondere bijstand te verlenen. Betaling woonkosten na (echt)scheiding door ex-partner Het komt voor dat een (ex-)echtgenoot van een bijstandscliënt, vooruitlopend op de boedelscheiding, geheel of gedeeltelijk de woonkosten betaalt. Het bedrag dat door de onderhoudsplichtige aan belanghebbende aan woonkosten wordt betaald, wordt beschouwd als alimentatie. Gevolg is dat belanghebbende een woning bewoont waaraan geen kosten van huur (of hypotheeklasten) zijn verbonden. Op grond van artikel 27 Participatiewet in samenha