Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving) (Alkmaar)
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving)[Deze publicatie betreft een rectificatie omdat in de oorspronkelijke publicatie de tabellen in de artikelen 4:2, 4:3 en 4:4 niet zijn opgenomen. De oorspronkelijke publicatie is op bekendgemaakt op 30 juni 2021, beschikbaar via Gemeenteblad 2021, 195475.] De raad van de gemeente Alkmaar; gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders, van 6 april 2021; gelet op het advies van de commissie Ruimte, van 11 mei 2021; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 8 van de Woningwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; overwegende dat het vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet wenselijk is om zoveel mogelijk gemeentelijke verordeningen en onderdelen van verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving te bundelen in één samenhangende verordening: de Verordening fysieke leefomgeving. De Verordening fysieke leefomgeving wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) verwerkt in het omgevingsplan; b e s l u i t vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Hoofdstuk1Algemene bepalingen Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit over een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het college in overige gevallen; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming of direct of indirect met de grond is verbonden, of direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; onder bouwwerk wordt ook verstaan een gedeelte van een bouwwerk; college: het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar; gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijk overdekt geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; onder gebouw wordt ook verstaan een gedeelte van een gebouw; ligplaats: plaats ingericht of gebruikt om er met een vaartuig voor anker te liggen, af te meren of op enigerlei andere wijze met de vaste grond verbonden hebben van een vaartuig; NEN: een door de stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; openbare plaats: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder m; openbaar water: ieder water dat al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk is; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; reclame: het in het openbaar aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten of namen met het doel een commercieel belang te dienen; vaartuig: alle soorten van drijvende objecten, die wegens hun drijfvermogen worden gebezigd of bestemd of geschikt zijn voor het vervoer te water van personen of goederen; onder vaartuig wordt ook verstaan drijvende werktuigen en woonboten; weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers, de tot de wegen behorende bermen en zijkanten en de aan wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; woonboot: een vaartuig, daaronder ook begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woning. Artikel1:2Beslistermijn 1.Tenzij anders is bepaald, beslist het bevoegd gezag op een aanvraag om een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegd gezag kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die op grond van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning wordt aangemerkt. Artikel1:3Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag worden geweigerd in het belang van: de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; het woon- en leefklimaat; het uiterlijk aanzien van de gemeente; 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, moet de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen nakomen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen waar artikel 2.25, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op van toepassing is. Artikel1:6Looptijd 1.De vergunning of ontheffing wordt verleend voor onbepaalde tijd. 2.In afwijking van het eerste lid kan of moet de vergunning of ontheffing voor bepaalde tijd worden verleend, als de aard van de vergunning of ontheffing zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet. 3.Het tweede lid is in ieder geval van toepassing op de vergunning of ontheffing als de Dienstenwet daarop van toepassing is. Artikel1:7Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Het bevoegd gezag kan een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als: de vergunning of ontheffing als gevolg van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten die zijn opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; na het onherroepelijk worden van de vergunning of ontheffing gedurende 26 weken, of als het gaat om een vergunning als bedoeld in artikel 8:8, gedurende 78 weken respectievelijk de in de vergunning of ontheffing bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing, of de houder dit verzoekt. Paragraaf2Advisering Artikel1:8Taak welstands- en monumentencommissie 1.Er is een welstands- en monumentencommissie (commissie). 2.De commissie adviseert over: welstandsaspecten van aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij de ambtelijke welstandstoets van toepassing is; monumentale en cultuurhistorische aspecten van aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder f, en artikel 2.2, eerste lid en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; de aanwijzing tot gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 8:3; de aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 8:
- Artikel1:9Samenstelling welstands- en monumentencommissie 1.De commissie bestaat uit ten minste vijf leden, te weten: een voorzitter; twee architectleden, waaronder een restauratiearchitect; twee burgerleden. 2.De commissie kan geen adviezen uitbrengen als niet tenminste drie leden aanwezig zijn, waarvan tenminste twee deskundige leden. 3.De commissie is onafhankelijk ten opzichte van het bevoegde bestuursorgaan. 4.De commissie wordt bijgestaan door een plantoelichter. 5.De commissie kan zich laten bijstaan door deskundigen. Artikel1:10Termijn van advisering door de commissie 1.De commissie brengt het advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht uit binnen twee weken nadat om advies is verzocht. Als deze omgevingsvergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag is, dan brengt de commissie binnen drie weken advies uit nadat daar om is verzocht. 2.De commissie brengt het advies om een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder f, en artikel 2.2, eerste lid en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht uit binnen vier weken nadat om advies is verzocht. 3.De commissie brengt het advies om een aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 8:3 en 8:11 uit binnen vier weken nadat om advies is verzocht. Artikel1:11Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De commissie kan de advisering om een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 1:9, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daarvoor aangewezen leden. Het aangewezen lid of leden adviseren over aanvragen waarvan het oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld. 2.In het geval van twijfel wordt de aanvraag voorgelegd aan de commissie. Artikel1:12Reglement van orde Het reglement van orde voor de welstands- en monumentencommissie bevat nadere bepalingen over de samenstelling van de commissie, de vorm en wijze van advisering door de commissie, de termijn van advisering, de openbaarheid van vergadering en de jaarlijkse verantwoording van de werkzaamheden van de commissie. Hoofdstuk2Buitenruimte Paragraaf1Ordening en gebruik openbare plaatsen Artikel2:1Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan op grond van de publieke functie daarvan. 2.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Het verbod geldt niet voor: vlaggen, wimpels of vlaggenstokken wanneer deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en, ter voorkoming van gevaar of hinder, mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de openbare plaats worden gebracht in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in ieder geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan is gereinigd; voertuigen, met uitzondering van bouwkranen, mobiele bouwliften, verreikers, betonpompen en kraanwagens; evenementen als bedoeld de Algemene plaatselijke verordening; terrassen als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:
- 4.Het verbod geldt ook niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig en veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd als het beoogde gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; 6.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Noord-Holland
- 7.Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of op een andere manier verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg ook verstaan alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of door het college in de overige gevallen. 4.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 5.Het verbod in het eerste lid is verder niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Holland 2015, de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de Telecommunicatiewet of de Verordening werkzaamheden kabels en leidingen Alkmaar. Artikel2:3Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: in het belang van de bruikbaarheid van de weg; in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente; vanwege de strijd met een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Holland 2015 of de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Artikel2:4Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Van het verbod kan ontheffing worden verleend als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.Het verbod geldt niet voor objecten die onderdeel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel2:5Benzinepompen op of nabij de weg 1.Het is verboden zonder vergunning een gelegenheid voor de verkoop van brandstof voor motorvoertuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 te hebben, toe te laten, te wijzigen of uit te breiden: op de weg; zichtbaar vanaf de weg of binnen 50 meter afstand van de weg. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland 2015 of de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:6Betreden van plantsoenen en dergelijke 1.Het is aan degene die daarvoor niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of enige andere openbare beplanting of bloemperk, buiten de daarin gelegen wegen of paden en daarvoor ingerichte recreatievelden. 2.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:7Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op andere door het college aangewezen plaatsen; binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd; of op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.De verboden in het eerste lid, aanhef en onder a en b, zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanige gekwalificeerd is, of die deze hond gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:8Slapen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats of het openbaar water een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daarvoor gelegenheid te bieden. 2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet voor vaartuigen waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3:3 is verleend. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het tweede lid. Paragraaf2Ordening en gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel2:9Aantal personen en nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op
- Artikel2:10Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van een bedrijf of een nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor dit doel aanwezig te hebben. 2.Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Hoofdstuk3Ordening en gebruik openbaar water Artikel3:1Toepassingsgebied Deze afdeling is van toepassing op de havens en het gemeentelijk vaarwater in Alkmaar die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk zijn, en op de daarbij behorende werken. Artikel3:2Nadere regels Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in deze afdeling. Artikel3:3Ligplaatsvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen in openbaar water (ligplaatsvergunning). 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de ordening van het openbaar water. 3.Op de aanvraag om een ligplaatsvergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4.De ligplaatsvergunning is niet overdraagbaar en geldt voor bepaalde tijd. 5.Een ligplaatsvergunning is niet nodig als een ontheffing voor een vaartuig op grond van het Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 24 oktober 1995, nr. 95-901256 of het Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 1 juli 1993, nr. 93900647 is vereist, tenzij het betreft het Noordhollands Kanaal, voor zover gelegen tussen de Kanaalkade en de Noorderkade. 6.Een ligplaatsvergunning is ook niet nodig voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartverkeerswet, de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland
- Artikel3:4Indienen aanvraag ligplaatsvergunning 1.Een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor de duur van één maand of langer wordt schriftelijk ingediend. 2.Een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor de duur van minder dan één maand kan ook mondeling worden ingediend. 3.De aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een woonboot kan alleen schriftelijk door een zakelijk rechthebbende worden ingediend. Artikel3:5Voorwerpen op, in of boven het water 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig op, in of boven het openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de ordening van het openbaar water. 4.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatige en veilige gebruik daarvan, of een belemmering vormen voor het doelmatige beheer en onderhoud van het openbaar water. 5.De verboden in het eerste en vierde lid gelden niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, de Waterwet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Scheepvaartverordening Noord-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel3:6Verwaarloosde vaartuigen Het is verboden een vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud is of in een kennelijke verwaarloosde toestand verkeert af te meren, of afgemeerd te houden. Artikel3:7Verbod varen in bepaald gebied of tijdens aangewezen tijdvak 1.Het college kan een gebied of tijdvak aanwijzen waarin het verboden is om te varen. 2.Het college kan bepalen dat het verbod slechts van toepassing is op een bepaalde categorie van vaartuigen. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Paragraaf1Hinder Artikel4:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer; carillon: mechanisch of handmatig bespeelbaar klavier; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; geluidgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen die horen bij die inrichting; geluidgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen die horen bij die inrichting; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op een andere manier een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel4:2Collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten. 2.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen voor welk gebied van de gemeente de aanwijzing geldt. 3.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, een festiviteit onverwijld als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid is, voor wat betreft het ten gehore brengen van muziek – hoger dan de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening – de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven normen binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven normen op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het betreffende terrein; de geluidsnormen in, in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast als muziekgeluid wordt waargenomen bij het ontvangerpunt ter plaatse van de geluidgevoelige bestemming; tabel: 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-01.00 uur 01.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van geluidgevoelige gebouwen 80 dB(A) 75 dB(A) 70 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van geluidgevoelige gebouwen 90 dB(A) 85 dB(A) 80 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 40 dB(A) 5.De geluidsnormen als bedoeld in het vierde lid gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en voor een op het bebouwde gedeelte gelegen terras. 6.De geluidsnormen als bedoeld in het vierde lid zijn inclusief onversterkte muziek en inclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekstrafcorrectie. 7.Bij het inpandig ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren van de inrichting gesloten, tenzij voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel4:3Incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan ten hoogste 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.4 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens ten hoogste 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer ten minste tien werkdagen voorafgaand aan de festiviteit bij het college zijn gemeld: de locatie, de datum, de tijden en het soort festiviteit. 4.Wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onverwijld toestaat, is eveneens sprake van een kennisgeving. 5.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid is, voor wat betreft het ten gehore brengen van muziek – hoger dan de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening – de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven normen binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven normen op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het betreffende terrein; de normen in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; tabel: 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-01.00 uur 01.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van geluidgevoelige gebouwen 80 dB(A) 75 dB(A) 70 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van geluidgevoelige gebouwen 90 dB(A) 85 dB(A) 80 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 40 dB(A) 6.De geluidsnormen als bedoeld in het vijfde lid gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en voor een op het bebouwde gedeelte gelegen terras. 7.De geluidsnormen als bedoeld in het vijfde lid zijn inclusief onversterkte muziek en inclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekstrafcorrectie. 8.Bij het inpandig ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, tenzij voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 9.De kennisgeving wordt niet geacht te zijn gedaan als het maximum aantal incidentele festiviteiten van het kalenderjaar is bereikt. Artikel4:4Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven normen binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven normen op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein; de normen in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. tabel: 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van geluidgevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van geluidgevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2.Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3.Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op carillons en collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:
- Artikel4:5Overige (geluid)hinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of (geluids)apparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het verboden in een door het college aan te wijzen gebied of tijdvak elektronisch versterkte muziek dan wel mechanische muziek ten gehore te brengen. 3.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden genoemd in het eerste en tweede lid. 4.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel4:6Voorkoming van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van en de rechthebbenden op de binnen de door het college aan te wijzen gronden of wegen zijn verplicht de zich op die gronden of op de bermen van die wegen voorkomende Cirsium Arvense (akkerdistel), Sonchus Arvensis (akkermelkdistel), Heracleum persicum (Perzische Bereklauw), Heracleum mantegazzianum (Reuzenbereklauw), Jacobaea vulgaris (Jakobskruiskruid) tijdig, voordat deze tot bloei komen, te verwijderen en te vernietigen of de grond te zuiveren van de Fallopia japonica (Japanse duizendknoop). Paragraaf2Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:7Kamperen buiten kampeerterrein 1.In dit artikel wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat is bestemd of opgericht of wordt gebruikt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 2.Het is verboden voor recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 4.Het verbod geldt ook niet op door het college aangewezen plaatsen. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van natuur en landschap of een stads- of dorpsgezicht. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. 6.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van natuur en landschap, of de bescherming van een stads- of dorpsgezicht. 7.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Hoofdstuk5Andere onderwerpen over de huishouding van de gemeente Paragraaf1Parkeerexcessen en stopverbod Artikel5:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen en (aanhang)wagens, met uitzondering van kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke kleine voertuigen. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Het is degene die er zijn beroep of er een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren, te verhandelen, te gebruiken voor het geven van rijlessen of te gebruiken voor het vervoeren van personen tegen betaling verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg of weggedeelten te parkeren, of de weg of weggedeelten als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel dit te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:4Voertuigwrakken en defecte voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben. 2.Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. 3.Het verbod uit het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. Artikel5:5Caravans en dergelijke 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of op een andere manier hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen, met een maximum van in totaal zes dagen per periode van vier weken, binnen de bebouwde kom, te plaatsen, te hebben of te parkeren op of aan de weg. 2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland
- 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:6Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig of handkar dat is voorzien van reclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel daarmee reclame te maken. 2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:7Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden binnen de bebouwde kom een voertuig dat, de lading meegerekend, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren, elders dan op de daarvoor door het college aangewezen wegen, weggedeelten of terreinen. 2.Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 19.00 uur, alleen voor het uitvoeren van werkzaamheden. 3.Het college kan van de in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:8Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam. Artikel5:9Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstroken. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet: op de daarvoor geëigende wegen en paden; voor voertuigen die nodig zijn en worden gebruikt ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voor voertuigen waarmee een standplaats is of wordt ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:10Overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen onbeheerd te laten staan op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen wegen of weggedeelten. 2.Het is verboden fietsen of bromfietsen te laten staan in de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen op een door het college aangewezen wegen of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode. 3.Het is verboden fietsen of bromfietsen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te laten staan op een door het college aangewezen weg of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode. 4.Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig fietsen of bromfietsen voor gebruik door derden op de wegen of weggedeelten te plaatsen. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Paragraaf2Standplaatsen Artikel5:11Standplaatsvergunning 1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, niet zijnde een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid en onder g, van de Gemeentewet en een plaats op een evenement als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 3.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of in het geval het maximum aantal vergunningen, zoals door het college is vastgesteld in het standplaatsenbeleid, is bereikt. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan de vergunning worden geweigerd wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs is te verwachten dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:12Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats is of wordt ingenomen. Artikel5:13Afbakening Het verbod van artikel 5:11, tweede lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Holland
- Paragraaf3Crossterrein en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel5:14Crossterrein 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onder e, van de Wegenverkeerswet 1994 te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd of, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden of daaraan deel te nemen, of een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daarvoor aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden of; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel5:15Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onder e, van de Wegenverkeerswet 1994, een fiets of een paard. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen over het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die zijn gelegen binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid; voor het verkeer voor bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorvoertuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Paragraaf4Verbod vuur te stoken Artikel5:16Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of op een andere manier vuur te stoken Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, barbecueën, bakken en braden. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen als het gaat om vreugdevuren, paasvuren, kampvuren, oudejaarsvuren en het verbranden van riet. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:3 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland. Afdeling 5 Verstrooien van as Artikel5:17Verstrooien van as 1.Het incidenteel verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande gewenste plek buiten een permanent daarvoor bestemd terrein is verboden: op verharde delen van de weg; op gemeentelijke begraafplaatsen; op voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte of aangeduide kinderspeelplaatsen, zandbakken, speelweides, ligweides of sportterreinen; als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. 2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid het verstrooien van as plaatsvindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen. Hoofdstuk6Voorschriften over het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem Artikel6:1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel6:2Bodemonderzoek 1.Het onderzoek over de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740 +A1, april 2016, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur
- op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder indien ook begrepen asbestvezels, -deeltjes, of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
- De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogte bepalingen genoemd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
- Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, als bij het bevoegd gezag bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
- Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, als uit het vooronderzoek blijkt, dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een onderzoek als bedoeld in het eerste lid en onder a, niet rechtvaardigen. Hoofdstuk7Reclame Artikel7:1Definitiebepaling In afwijking van artikel 1:1 wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen onder reclame verstaan: elke vorm van openbare aanprijzing om de afzet van goederen, diensten, activiteiten en/of doelstellingen te bevorderen, overgebracht door een aanduiding, opschrift, aankondiging, mededeling, uitbeelding, afbeelding, projectie, al dan niet in combinatie met een bouwkundig object, voor zover deze vanuit de openbare ruimte in, op, aan of rondom enig onroerend goed zichtbaar is. Artikel7:2Reikwijdte 1.Dit hoofdstuk geldt niet als een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist. 2.De vergunning als bedoeld in dit hoofdstuk is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2:2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel7:3Beleidsregels 1.De gemeenteraad stelt beleidsregels vast waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij haar beoordeling: of het uiterlijk en de plaatsing van de reclame, waarop de aanvraag om vergunning betrekking heeft, in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand; of het uiterlijk van een reclame, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. 2.De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheidene gebieden en categorieën reclames. De criteria kunnen verschillen naar gelang de situering van een reclame. Artikel7:4Gebiedsaanwijzing Het bevoegd gezag kan een of meer gebieden aanwijzen waarin het vereiste van de vergunningplicht niet van toepassing is, als wordt voldaan aan de criteria bedoeld in artikel 7:
- Artikel7:5Procedure 1.Voor dat het bevoegd gezag op een aanvraag beslist, wordt een ambtelijk welstandsadvies uitgebracht, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de vergunning al op een andere grond moet worden geweigerd. 2.Een aanvraag wordt getoetst aan de criteria als bedoeld in artikel 7:
- 3.In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van de criteria als bedoeld in artikel 7:
- Artikel7:6Verbodsbepaling 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag reclame te maken of te voeren. 2.Het in het eerste lid gestelde geldt niet ten aanzien van: reclame verder dan 0,20 m¹ achter de glazen puien, deuren en ramen van een bouwwerk; naamborden en opschriften die betrekking hebben op de dienst, het beroep of bedrijf, uitgeoefend in of op het onroerend goed, of op de bestemming daarvoor, mits zij niet groter zijn dan 0,30 m² en geen grotere afmeting hebben dan 0,60 m¹; aankondigingen ter voelding aan een wettelijke verplichting, mits de in het wettelijk voorschrift genoemde minimummaten niet worden overschreden. Zijn hiervoor geen maten vastgesteld, dan geldt als maximum een oppervlakte van 0,30 m² en een afmeting van 0,60 m¹; reclame in rechtmatig gerealiseerde A0-vitrinekasten aan bioscopen, theaters en andere sociaal-culturele instellingen voor de daarin te vertonen voorstellingen; reclame op zuilen, borden en nissen, die daarvoor van gemeentewege zijn aangewezen; uitstallingen als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening. 3.Het in het eerste lid gestelde geldt ook niet ten aanzien van ten hoogste één reclame die: voor zolang zij feitelijk betekenis heeft en betrekking heeft op niet-verplichte opschriften en aankondigingen waarbij een onroerend goed geheel of gedeeltelijk ter verkoop, verhuur of verpachting wordt aangeboden en mits zij wordt aangebracht plat op, aan of tegen de gevel van of in het onroerend goed dat te koop of te huur wordt aangeboden, of waarop of waarin de verkoping zal plaatsvinden en mits zij niet groter is dan 0,65 m² en niet breder is dan 1 m¹. Artikel7:7Weigeringsgronden In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 wordt de vergunning geweigerd als: de reclame de verkeersveiligheid in gevaar brengt of (licht)hinder, gevaar of overlast veroorzaakt; de reclame bestaat uit bewegende delen of bewegende beelden; de reclame bestaat uit of is voorzien van veranderlijk of bewegend licht of lichtkrant(en); de reclame, of op zichzelf, of in verband met de omgeving niet voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 7:3; de reclame geen betrekking heeft op een ter plaatse gevestigde zaak, inrichting of bedrijf, of op een ter plaatse uitgeoefend beroep, tenzij daarover anders is bepaald. Artikel7:8Voorschriften en beperkingen 1.De vergunning kan voor bepaalde tijd worden verleend. 2.De vergunning is niet overdraagbaar. 3.De vergunning vervalt van rechtswege als de dienst, het bedrijf of beroep waarvoor de vergunning is verleend niet meer in de zaak, inrichting of bedrijf, of ter plaatse wordt uitgeoefend. Als de vergunning van rechtswege is vervallen dan moet de reclame geheel worden verwijderd. Artikel7:9Intrekking Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken als de zaak waarop of waaraan de reclame is geplaatst en waarvoor vergunning is verleend een verandering ondergaat en door het handhaven van de opschriften, aankondigingen, verwijzingen, afbeeldingen, objecten en dergelijke de omgeving naar het oordeel van het bevoegd gezag wordt ontsierd en hieraan door het stellen van voorschriften niet kan worden tegemoet gekomen. Artikel7:10Afwijken op verzoek Het bevoegd gezag kan: alleen als de aanvrager daarom verzoekt en het onroerend goed langer dan zes maanden ter verkoop, verhuur of verpachting wordt aangeboden, onder het stellen van voorschriften afwijken van de in artikel 7:6, derde lid en onder c en d, genoemde voorwaarden en afmetingen; voor zover het een sociaal-culturele instelling betreft, onder het stellen van voorschriften afwijken van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 7:7, onder b en c. Artikel7:11Hardheidsclausule Het bevoegd gezag kan de artikelen 7:6 en 7:7 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing van dit hoofdstuk leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hoofdstuk8Erfgoed Paragraaf1Begripsbepalingen en erfgoedregister Artikel8:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: gemeentelijk monument: monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; gemeentelijke archeologische verwachtingskaart: topografische kaart van het gemeentelijk grondgebied of delen van het grondgebied, waarop is aangegeven waar in welke mate archeologische vondsten of sporen zijn te verwachten. Artikel8:2Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister). 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en over identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Paragraaf2Aanwijzing gemeentelijke monument Artikel8:3Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan besluiten een monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na de ontvangst van de aanvraag. 3.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de commissie als bedoeld in artikel 1:
- In spoedeisende gevallen kan hiervan worden afgeweken. 4.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de Erfgoedverordening Noord-Holland
- Artikel8:4Voorbescherming 1.De bescherming van paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing op het gemeentelijke monument ten aanzien waarvan een voornemen is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel8:5Bekendmaking voornemen en aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.Het voornemen en de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare register, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel8:6Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het verwijderen uit het register zijn de artikelen 8:3, tweede en derde lid, en 8:5, eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of het provinciaal erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf3Bescherming gemeentelijk monument Artikel8:7Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel8:8Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen over de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Artikel8:9Weigeringsgrond vergunning De vergunning kan alleen worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Paragraaf4Aanwijzing als stads- of dorpsgezicht Artikel8:10Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Het college zendt het voorstel voor advies aan de commissie, bedoeld in artikel 1:
- 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of de Erfgoedverordening Noord-Holland
- Artikel8:11Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8:10, wijzigen of intrekken. Artikel 8:10, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van de Erfgoedverordening Noord-Holland
- 3.Zodra wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel8:12Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen, een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.Artikel 8:9 is van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet. Paragraaf5Archeologie Artikel8:13Instandhouding van archeologische terreinen 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een gebied dat is aangewezen op de archeologische verwachtingskaart of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de verwachtingskaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de door de gemeenteraad vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een door het college goedgekeurd programma van eisen en een plan van aanpak waarin een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Hoofdstuk9Bomen Artikel9:1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: bebouwde kom: het gebied zoals vastgesteld bij besluit van de raad 26 september 2016; Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van richtlijnen van de Bomenstichting; boom: een houtachtig, opgaand gewas, dat één of meerstammig kan zijn; hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, hakhout, of andere houtachtige gewassen die mogelijk onderdeel uitmaken van hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen of een struweel; kandelaberen: het snoeien van een boom waarbij de takken worden afgezaagd en de boom het uiterlijk krijgt van een kandelaar; knotten: het terugsnoeien van een boom tot op de hoofdstam of het daarna regelmatig terugsnoeien van uitgelopen takken vanaf de oude snoeiplaats; monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een bijzondere leeftijd, schoonheid- of zeldzaamheidswaarde of een bijzondere functie voor de omgeving en opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 9:2; perceel: grondgebied dat bestaat uit voor-, achter- en zijtuin inclusief bebouwing, dat een zelfstandige eenheid vormt; vellen: rooien, kappen, snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van het voor de eerste keer knotten of kandelaberen en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben; waardevolle boom: een boom/boomgroep die nog geen 50 jaar oud is, maar wel aan de criteria voor een monumentale boom voldoet en is opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 9:2; of een gemeentelijke boom die ouder is dan 50 jaar. Artikel9:2Lijst monumentale en waardevolle bomen 1.Het college stelt een lijst met monumentale en waardevolle bomen vast. Deze lijst bevat in ieder geval de bomen die voorkomen in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting, aangevuld met lokale en toekomstige monumentale bomen. 2.De lijst bevat ten minste de volgende gegevens van de te beschermen boom: redengevende beschrijving; locatie; kadastrale gegevens; eigendomsgegevens; foto’s. 3.De eigenaar van een houtopstand die staat vermeld op de lijst bedoeld in het eerste lid moet het college onmiddellijk in kennis te stellen van: het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand, anders dan door het vellen op grond van een kapvergunning; de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. Artikel9:3Kapvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen (kapvergunning). 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor: bomen met een dwarsdoorsnede van minder dan 20 cm op 130 cm boven het maaiveld, niet zijnde een monumentale of waardevolle boom. Bij meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; de stad Alkmaar, zoals aangegeven op kaart die hoort bij deze verordening, voor alle houtopstand in tuinen bij woningen op een perceel van minder dan 200 m², niet zijnde een monumentale of waardevolle boom; voor het overige grondgebied van de gemeente Alkmaar voor alle houtopstand in tuinen bij woningen niet zijnde een monumentale of waardevolle boom; een houtopstand als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet natuurbescherming; een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college, onverminderd het bepaalde in de artikelen 9:6 en 9:7; het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. 3.Het is verboden zonder kapvergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen die op grond van de artikelen 9:6 of 9:7 of op grond van een overeenkomst met een bestuursorgaan is geplant, ook als deze nog niet de omvang heeft bereikt als bedoeld in het tweede lid, onder a, en ongeacht of de houtopstand zich bevindt op een perceel als bedoeld in het tweede lid, onder b. Artikel9:4Toetsingscriteria kapvergunning 1.In afwijking van artikel 1:3 kan de kapvergunning worden geweigerd als de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid. 2.In afwijking van artikel 1:3 kan de kapvergunning voor een monumentale of waardevolle boom, als alternatieven voor behoud nauwgezet zijn onderzocht, alleen worden verleend als: een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale of waardevolle boom of; naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. Artikel9:5Beperking geldigheidsduur 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7, onder e, vervalt de kapvergunning als daarvan niet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning geen handelingen zijn verricht met gebruik making van de vergunning, tenzij in de vergunning een langere termijn is opgenomen. 2.Als de kapvergunning meer dan één boom betreft geldt de vergunning twee jaar, ook als in fasen wordt geveld of één boom of enkele bomen al zijn geveld, tenzij in de vergunning een langere termijn is opgenomen. Artikel9:6Voorschriften en beperkingen 1.Aan de kapvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden die inhouden dat: binnen een bepaalde termijn en op grond van de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant; binnen welke termijn na herplant niet-aangeslagen herplant moet worden vervangen en hoe; pas tot het vellen een houtopstand op en bij bouw- een aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan als andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende is gewaarborgd. ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna het vellen niet plaatsvindt in het broedseizoen (de periode van 15 maart tot 15 juni). 2.De voorschriften en beperkingen kunnen ook gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 9:3, tweede lid en onder a, genoemde minimummaat. Artikel9:7Herplant- /instandhoudingsplicht 1.Als een houtopstand, waarvoor een kapvergunning nodig is, zonder kapvergunning is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die om een andere reden bevoegd is tot het treffen van voorzieningen, de verplichting opleggen te herplanten op grond van de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn. 2.De voorschriften en beperkingen gelden ook voor bomen kleiner dan de in artikel 9:3, tweede lid en onder a, genoemde minimummaat. 3.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij ook worden bepaald binnen welke termijn na herplant en hoe niet-aangeslagen herplant moet worden vervangen. 4.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, dan kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt of aan degene die om een andere reden bevoegd is tot het treffen van voorzieningen, de verplichting opleggen om: op grond van de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. Artikel9:8Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Artikel9:9Bestrijding van boomziekten 1.Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daarvoor door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die deze boomziekte kan verspreiden. Artikel9:10Bescherming gemeentelijke houtopstand 1.Het is verboden om gemeentelijke houtopstanden: te beschadigen, te bekladden of te beplakken of; te snoeien, behalve als het gaat om door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college één of meer voorwerpen in of aan een gemeentelijke houtopstand aan te brengen of op een andere manier te bevestigen. Artikel9:11Spoedeisendheid 1.Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 9:2 toestemming geven tot het direct vellen, als er sprake is van grote gevaarzetting of een daarmee te vergelijken spoedeisend belang. 2.De toestemming wordt schriftelijk bevestigd. 3.Aan de toestemming kan een herplantplicht worden verbonden. De artikelen 9:6 en 9:7 zijn van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk10Straf-, boete-, overgangs- en slotbepalingen Artikel10:1Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie: 2:1, eerste lid, 2:2, derde lid en onder b in samenhang gelezen met het eerste lid, 2:4, 2:5, 2:7, 2:10, 3:3, 3:5, 3:6, 3:7, 4:6, 4:7, 5:1 tot en met 5:12, 5:14 tot en met 5:17, 8:7, 8:8 en 8:
- 2.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: 2:6, 2:8, 4:2 tot en met 4:
- 3.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of met een geldboete van de tweede categorie: 9:9, tweede lid en 9:
- Artikel10:2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de medewerker(s) beleidsuitvoering I, II en IV, de medewerker(s) locatie I en II, de medewerker(s) handhaving I, medewerker(s) toezicht I, de medewerker(s) ontwikkeling II en de medewerker(s) bedrijfsvoering IV van de unit Leefgebied, de unit Veiligheid, de unit Vastgoed en duurzaamheid voor zover passend binnen de functie; de medewerker(s) handhaving II en III, de medewerker(s) bedrijfsvoering IV en de operationeel leidinggevende(n) II van de unit Veiligheid, team Handhaving voor zover passend binnen de functie; de toezichthouders van de Coöperatie Parkeerservice u.a. voor wat betreft de artikelen 5:1 tot en met 5:9; de toezichthouders van Landschap Noord-Holland voor wat betreft de artikelen 2:1, 2:2, 2:7, 3:5, 3:6, 4:5, 5:14 en 5:15; de buitengewoon opsporingsambtenaar domein II van Staatsbosbeheer voor wat betreft de artikelen 2:1, 2:2, 2:7, 3:5, 3:6, 4:5, 5:14 en 5:
- 2.Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Artikel10:3Binnentreden woningen Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel10:4Intrekking oude verordeningen 1.De Verordening openbaar water, vastgesteld bij raadsbesluit van 2 juni 2016 en laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 29 april 2021, wordt ingetrokken. 2.De Reclameverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 2 juni 2016, wordt ingetrokken. 3.De Bouwverordening 2015, vastgesteld bij raadsbesluit van 2 januari 2015, wordt ingetrokken. 4.De Erfgoedverordening Alkmaar, vastgesteld bij raadsbesluit van 15 september 2016, wordt ingetrokken. 5.De Bomenverordening Alkmaar 2017, vastgesteld bij raadsbesluit van 26 september 2016, wordt ingetrokken. Artikel10:5Overgangsrecht 1.Een vergunning of ontheffing verleend op grond van een van de in artikel 10:4 ingetrokken verordeningen blijft ook na de inwerkingtreding van deze verordening gelden, of tot het einde van de looptijd, of tot het tijdstip dat zij met toepassing van deze verordening wordt gewijzigd of ingetrokken. 2.Op aanvragen om een vergunning of ontheffing op grond van een van de in artikel 10:4 ingetrokken verordeningen, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 3.Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van een van de in artikel 10:4 ingetrokken verordeningen, worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening. 4.Op bezwaarschriften tegen een vergunning of ontheffing verleend op grond van een van de in artikel 10:4 ingetrokken verordeningen, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 5.Als vóór de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit dat gaat over een onderwerp dat was geregeld in de Algemene plaatselijke verordening een ontwerp ter inzage is gelegd, wordt met toepassing van de Verordening fysieke leefomgeving een besluit genomen. 6.Een gemeentelijk monument of een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht dat is aangewezen en geregistreerd op grond van de in artikel 10:4, vierde lid, ingetrokken verordening, wordt geacht te zijn aangewezen en geregistreerd op grond van de bepalingen in deze verordening. 7.Bomen die zijn geplaatst op de lijst met monumentale en waardevolle bomen op grond van de in artikel 10:4, vijfde lid, ingetrokken verordening, worden geacht op deze lijst te zijn geplaatst op grond van de bepalingen in deze verordening. Artikel10:6Omhangen Na inwerkingtreding van deze verordening berust: het Reglement van orde voor de welstands- en monumentencommissie op artikel 1:12 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit verbods- en losloopgebieden voor honden in gemeente Alkmaar op artikel 2:7 van deze verordening; de Beleidsregel inzake vissend overnachten aan het water op de artikelen 2:9 en 4:7 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit Verordening openbaar water op artikel 3:2 van deze verordening; een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 2:4 van de Verordening openbaar water op artikel 3:7 van deze verordening; het Handhavingsarrangement Overlast op openbaar water op artikel 4:5 van deze verordening; een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 4:5, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening op artikel 4:5, tweede lid, van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit parkeren grote voertuigen 2017 op artikel 5:3 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit verbod op het te koop aanbieden van voertuigen 2017 op artikel 5:7 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit op grond van de algemene plaatselijke verordening inzake overlast van fiets of bromfiets in het stationsgebied van station-centrum en Aanwijzingsbesluit op grond van de algemene plaatselijke verordening inzake overlast van fiets of bromfiets in het stationsgebied van station-noord op artikel 5:10 van deze verordening. Artikel10:7Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking daarvan. Artikel10:8Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving. Alkmaar, 27 mei 2021,De raad voornoemd,E.G.M. Roemer, voorzitter mw. mr. V.H. Hornstra, griffierToelichting Verordening fysieke leefomgeving Algemeen Algemene inleiding Op 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en bundelt alle wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, cultureel erfgoed, natuur en water. De Omgevingswet heeft als uitgangspunt dat de gemeente haar regels over de fysieke leefomgeving samenbrengt in één gebiedsdekkende regeling: het omgevingsplan. Vooruitlopend op dit omgevingsplan vervangt de Verordening fysieke leefomgeving stapsgewijs de bestaande Alkmaarse verordeningen en delen van verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Hierdoor ontstaat een meer samenhangend systeem van regels. Door deze samenvoeging loopt Alkmaar vooruit op de Omgevingswet. De Verordening fysieke leefomgeving is een beleidsneutrale voortzetting van bestaand door de raad vastgesteld beleid. Dit betekent dat de bestaande regels inhoudelijk niet zijn gewijzigd. Bij het omzetten zijn de regels gelijkgemaakt, daar waar nodig verduidelijkt en in een structuur geplaatst die aansluit bij de Omgevingswet. Integratie van verordeningen In de Verordening fysieke leefomgeving zijn een aantal verordeningen en regels uit de Algemene plaatselijke verordening (Apv) die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. De fysieke leefomgeving is namelijk het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van verordenende bepalingen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hebben, zoals openbare orde en veiligheid, komen daarom niet voor het samenvoegen in aanmerking. Omdat de Omgevingswet aan de burgemeester als bestuursorgaan geen bevoegdheden toekent, zijn ook regels die de burgemeester bevoegdheden geeft (bijvoorbeeld over evenementen) niet in de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen. Vaak zijn dit ook regels met het motief openbare orde en veiligheid, en alleen al daarom komen deze regels niet voor samenvoeging in aanmerking. Dit is geheel in lijn met artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit. In de Verordening fysieke leefomgeving zijn de volgende verordeningen of delen daaruit opgenomen: Algemene plaatselijke verordening, onder meer de onderdelen parkeren, geluid, standplaatsen; Bomenverordening; Bouwverordening; Erfgoedverordening; Reclameverordening; Verordening openbaar water. Het doel van de samenvoeging is te komen tot een eenduidige opzet en een goede onderlinge samenhang. De verordeningen zijn beleidsneutraal geïntegreerd; de bestaande regels zijn inhoudelijk dan ook niet gewijzigd. Dit neemt niet weg dat er wel wijzigingen zijn doorgevoerd die de Verordening fysieke leefomgeving beter leesbaar en toepasbaar maken. Het gaat om het schrappen van overbodige regels, het herschrijven van slecht leesbare regels en het logisch ordenen van regels. Her en der zijn (ondergeschikte) inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Systematiek De meeste verordeningen en afzonderlijke regels zijn nog goed te herkennen in de Verordening fysieke leefomgeving. De Verordening fysieke leefomgeving is ingedeeld in tien hoofdstukken. Een hoofdstuk kan een of meer paragrafen hebben. Een paragraaf bevat een of meer artikelen. Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen. Het gaat daarbij om de begripsbepalingen en een regeling die gaat over advisering. In de daarop volgende hoofdstukken worden verschillende onderwerpen geregeld, zoals buitenruimte, erfgoed, reclame en bomen. Het laatste hoofdstuk bevat de straf-, boete-, overgangs- en slotbepalingen. Uitgangspunt bij het opstellen van de verordening is om de regels die de samen te voegen verordeningen gemeen hebben (denk hierbij aan de regels over de beslistermijnen en toezicht) te bundelen in een van de algemene hoofdstukken. In de hoofdstukken 1 en 10 is daarom zoveel mogelijk de algemene lijn uit de verschillende verordeningen gefilterd en behouden. In bepaalde gevallen is de specifieke procedurele regel gehandhaafd in het inhoudelijke hoofdstuk, onder verwijzing naar de betreffende algemene procedureregel. De Verordening fysieke leefomgeving heeft een gelaagde structuur. Het eerste hoofdstuk bevat bepalingen die gelden voor de gehele verordening. Dit betekent dat bijvoorbeeld de in hoofdstuk 1 opgenomen begripsomschrijvingen van toepassing zijn op alle artikelen waarin deze voorkomen. Dit geldt ook voor andere bepalingen over bijvoorbeeld de termijn van het indienen van een aanvraag voor een vergunning en de algemene weigerings- en intrekkingsgronden. Daarnaast komt het voor dat in een specifiek artikel een begripsomschrijving is opgenomen die alleen in dat artikel voorkomt of dat er specifieke weigerings- en intrekkingsgronden in een artikel zijn genoemd die alleen van toepassing zijn op een aanvraag die wordt getoetst aan dat betreffende artikel. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1Algemene bepalingen Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen De begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden. Bebouwde kom: de reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom, tenzij anders is bepaald. Bevoegd gezag: de definitie is ontleend aan artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor de overige gevallen in het college het bevoegd gezag. Bouwwerk: de definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van het begrip «bouwwerk». De inhoud van het begrip «bouwwerk» wordt bepaald door de begripsomschrijving in de Modelbouwverordening van de VNG en daarbij behorende rechtspraak. Gebouw: de definitie moet in samenhang met de definitie van bouwwerk worden gelezen. Openbare plaats: de definitie is ontleend aan artikel 1, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties. Ook de «weg» valt hieronder en ook sommige ruimten in gebouwen. Openbaar water: de term «openbaar» heeft geen bijzondere juridische betekenis. Openbaar water wordt hier in feitelijke zin gebruikt en omvat al het water dat voor het publiek toegankelijk is of voor enig gebruik open staat voor vervoer over het water. Water dat aan een andere eigenaar dan de gemeente behoort of is verhuurd, maar dat feitelijk wel door de scheepvaart wordt gebruikt, blijft openbaar. De openbaarheid kan worden opgeheven of beperkt, als de eigenaar de toegankelijkheid door feitelijke maatregelen verhindert of beperkt. Rechthebbende: het eerste deel van de definitie knoopt aan bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Het gaat om een ruime omschrijving. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een pand rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht. Reclame: reclame is in het algemeen iedere vorm van aanprijzing van een dienst, activiteit, een goed of een naam. Vanwege de toevoeging «commercieel belang» valt het openbaren van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet niet onder de definitie. Vaartuig: er is sprake van een verzamelbegrip voor elk schip, elke drijvende inrichting, elk drijvend werktuig, elk drijvend voorwerp, et cetera. Weg: de definitie is ontleend aan artikel 1, eerste lid en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 en betreft – kort gezegd – de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren. Uit de definitie van «openbare plaats» blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Woonboot: het gebruik als of het bestemd zijn tot wonen is bepalend, of een vaartuig als zodanig moet worden aangemerkt. Het begrip bestemmen is geobjectiveerd en dus niet afhankelijk van wat een belanghebbende voor ogen heeft met het vaartuig. De beantwoording van de vraag, of een vaartuig als een woonboot kan worden aangemerkt, gaat naar spraakgebruik. Het betrokken vaartuig moet naar bouw of inrichting of uiterlijke kenmerken duidelijk, naar objectieve maatstaven, als woonboot zijn te herkennen. Oorspronkelijke vrachtschepen of (grote) voormalige pleziervaartuigen zijn, als ze worden bewoond, ook als woonboot te herkennen. Artikel 1:2 Beslistermijn Eerste lid In dit lid is de algemeen geldende beslistermijn gesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit doet dan ook bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. De datum van ontvangst van de aanvraag is de dag waarop de beslistermijn begint te lopen. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze termijn van acht weken kunnen worden afgedaan. Tweede lid Als het bestuursorgaan in een concreet geval niet in staat is om binnen de algemene termijn van acht weken te beslissen, dan kan het de beslistermijn verlengen (verdagen). Daarvoor geldt een maximumtermijn van opnieuw acht weken. De Awb regelt dat het bestuursorgaan de aanvrager schriftelijk op de hoogte brengt van een verlenging. Een reden om de beslistermijn te verlengen kan bijvoorbeeld zijn de complexiteit van de aanvraag of de noodzaak om advies in te winnen. Dit artikel voldoet aan het bepaalde in artikel 13 van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van 26 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PbEU 2006, L 376/36) (31 van de Dienstenwet). Derde lid Omdat op grond van artikel 2.2 van de Wabo sprake is van een omgevingsvergunning zijn ook de beslistermijnen van de Wabo van toepassing. Dit is geregeld in het derde lid. Artikel 1:3 Weigeringsgronden Deze bepaling bevat de gronden voor het bevoegde bestuursorgaan om een vergunning of een ontheffing te weigeren. Zoals blijkt uit deze bepaling wordt de term «kan» gebruikt. Hiermee is aangegeven dat het bestuursorgaan de bevoegdheid en niet de verplichting heeft om te weigeren. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, dan zijn die in deze artikelen genoemd. De weigeringsgronden vloeien voort uit het lichtste regime van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn: de volksgezondheid en het milieu. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen wordt als volgt beantwoord: Overlast Het milieubegrip omvat alle soorten van overlast die zijn gerelateerd aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast veroorzaakt door vuurwerk valt ook onder de bescherming van het milieu of zelfs de gezondheid. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat valt te scharen onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden kunnen als een belang van de volksgezondheid worden aangemerkt. Onderdeel d betreft een grond op basis van de aanvullende bevoegdheid op grond van artikel 149 van de Gemeentewet. Te denken valt aan de bescherming van straten met een bijzonder architectonisch beeld of een beschermd stads- of dorpsgezicht. Tweede lid Bij verordening kunnen geen aanvullende gronden worden gesteld waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is toch weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in die gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor die gevallen, voor zover die aanvraag is ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Bij de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te verlenen, hoort tegelijk de bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of op een andere manier) te verbinden. Het eerste lid van deze bepaling maakt deze bevoegdheid expliciet. De bevoegdheid is niet ongelimiteerd: voorschriften en beperkingen moeten dienen ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing in het leven is geroepen. Om welk belang het precies gaat en hoeveel ruimte het bevoegde bestuursorgaan heeft, blijkt weer uit de afzonderlijke hoofdstukken. Handelen zonder verplichte vergunning of ontheffing is verboden. Handelen met vergunning of ontheffing, maar in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen is ook verboden. Het tweede lid van deze bepaling regelt dat het niet-naleven van een voorschrift of een beperking een zelfstandige overtreding van deze verordening oplevert. Als reactie op deze overtreding zijn verschillende bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten beschikbaar, zoals het intrekken van de vergunning of ontheffing. Strafrechtelijke handhaving is – via de strafbepalingen van hoofdstuk 10 – ook mogelijk. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonsgebonden of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonsgebonden wordt de vergunning genoemd, als de mogelijkheid van verkrijging alleen of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals bijvoorbeeld het bezit van een diploma of een verklaring omtrent het gedrag). De persoonsgebonden vergunning (verleend aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon) is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling op grond waarvan de vergunning is verleend hiervoor de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd, de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van de eigenaar of op een andere manier zakelijk gerechtigde. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer et cetera. Als een persoonlijke vergunning kan de standplaatsvergunning worden beschouwd. Dit hangt samen met het – persoonlijke – karakter van de ambulante handel. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een aantal andere aanvragers ook de standplaats wil innemen. Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze vergunning is van de persoon van de aanvrager of de vergunninghouder onafhankelijk. In deze bepaling is gekozen voor de persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede «tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald» en expliciete vermelding van het zakelijk karakter in de die bepaling of de vergunning of ontheffing. Artikel 1:6 Looptijd Deze bepaling bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit ook voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn (artikel 33 van de Dienstenwet), op grond waarvan vergunningen geen beperkte geldigheidsduur morgen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over b: zoals hiervoor al is aangegeven volgt uit de Dienstenrichtlijn dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs is beperkt, bijvoorbeeld omdat de gemeenten geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet zijn voorzien in een transparante en onpartijdige herverdeling van schaarse vergunningen. Over c: als het bevoegde bestuursorgaan voor bepaalde tijd een vergunning of ontheffing verleend, moet worden gemotiveerd waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Te denken valt hierbij aan een ligplaatsvergunning voor enkele dagen om Alkmaar te bezoeken en daarna door te varen naar ergens anders. Artikel 1:7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Deze bepaling regelt de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen. Het gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het bestuursorgaan heeft in elk concreet geval de mogelijkheid om af te wegen of intrekking, schorsing of wijziging een passende en noodzakelijke maatregel is. Verder is expliciet opgenomen dat gedeeltelijke intrekking of wijziging mogelijk is. Ook voor artikel 1:7 geldt: hier zijn algemene gronden opgenomen, die van toepassing zijn naast de specifieke gronden die in de afzonderlijke hoofdstukken staan. Beide soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van een vergunning of ontheffing. Onder a (onjuiste gegevens): dit is vooral aan de orde als het bevoegd bestuursorgaan een andere beslissing zou hebben genomen op de aanvraag als toen wel de juiste gegevens bekend waren geweest. Het gaat dus om onjuistheden of onvolledigheden die van meer dan ondergeschikte aard zijn. Of er met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt is niet van doorslaggevend belang. Onder b (veranderde wetgeving e.d.): regelgeving, beleid en omstandigheden kunnen veranderen. In sommige situaties moet dat invloed kunnen hebben op bestaande vergunningen of ontheffingen. Bijvoorbeeld als de bescherming van het algemene belang zwaarder weegt dan het belang van de houder bij een ongewijzigde beschikking. Deze grond kan ook worden gebruikt wanneer een vergunning – in strijd met deze verordening – privaatrechtelijk is overgedragen aan een ander, terwijl de vergunning een persoons- of een adresgebonden karakter heeft. Onder c (handelen in strijd met vergunning of ontheffing): voor de handhaving is het vooral van belang dat de vergunning kan worden ingetrokken als in strijd daarmee wordt gehandeld. Onder d (niet nakomen van voorschriften of beperkingen): voorschriften en beperkingen worden niet voor niets aan een beschikking verbonden, maar dienen een (algemeen) belang. Het is dus van belang dat zij worden nageleefd. Niet-naleving levert een overtreding van deze verordening op en kan ertoe leiden dat het bestuursorgaan de vergunning of ontheffing wijzigt of intrekt. Onder e (de beschikking wordt niet gebruikt): wanneer de houder van een vergunning of ontheffing deze niet gebruikt, is het aannemelijk dat hij geen belang (meer) heeft bij het in stand laten van deze beschikking. Als het bestuursorgaan niet langer rekening wil blijven houden met een ongebruikte vergunning, kan het de vergunning intrekken. Onder f (op verzoek van de houder): intrekking of wijzing vanwege een van de andere gronden van artikel 1:7 zal doorgaans ambtshalve of op verzoek van een derde zijn. Deze grond daarentegen regelt dat het bestuursorgaan kan intrekken of wijzigen op verzoek van de houder, bijvoorbeeld bij een faillissement. Paragraaf 2 Advisering In deze paragraaf zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen over de advisering van de welstands- en monumentencommissie opgenomen. Artikel 1:8 Taak welstands- en monumentencommissie Alkmaar kent een geïntegreerde welstands- en monumentencommissie. Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verplicht als een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat wordt verstaan onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag beslist. De commissie heeft ook taken die niet zijn gebaseerd op de Woningwet: het adviseren over de monumentale en cultuurhistorische aspecten bij rijks- en gemeentelijke monumenten en de aanwijzing tot gemeentelijk monument of beschermd stads- of dorpsgezicht. Rijksmonument Het begrip «rijksmonument» is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure over deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (zie artikel 15 van de Monumentenwet 1988). Dit onderdeel is de expliciete grondslag daarvoor. Artikel 1:9Samenstelling welstands- en monumentencommissie Dit artikel regelt de samenstelling van de welstands- en monumentencommissie. In de commissie behoeven niet alleen deskundigen zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de commissie. Van deskundige leden wordt verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega’s. Onder niet-deskundige leden worden de burgerleden verstaan. Een burgerlid is iemand die de inwoners van de gemeente vertegenwoordigt en niet uit de beroepsgroep van architecten, stedenbouwers, landschapsarchitecten, of architectuurhistorici komt. De gemeenteraad benoemt de leden van de welstands- en monumentencommissie. Artikel 1:10 Termijn van advisering door de commissie De termijnen voor de behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning staan in de Wabo. Het gaat hier om relatief korte beslistermijnen. In dit artikel is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd. Artikel 1:11 Afdoening onder verantwoordelijkheid Vanwege de korte beslistermijnen kan behoefte bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de commissie afdoen van het advies. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat het oordeel van de commissie bekend mag worden verondersteld bij het aangewezen lid of leden. Artikel 1:12 Reglement van orde In het reglement van orde voor de welstands- en monumentencommissie wordt kort gezegd de gang van zaken voor, tijdens en na de vergaderingen van de commissie nader geregeld. Ook bevat het reglement van orde profielschetsen voor de voorzitter en de leden. Hoofdstuk 2Buitenruimte Afdeling 1Ordening en gebruik openbare plaatsen Artikel 2:1Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats Eerste en tweede lid Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend zijn. Voor de toepassing van dit artikel moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen op een openbare plaats van zuilen, containers, terrasmeubilair, reclame-uitingen, winkeluitstallingen, maar ook aan materialen, machines en afzettingen voor bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings- en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen. Aan deze bepaling liggen de volgende motieven ten grondslag: de verkeersveiligheid in de meest ruime zin van het woord; vooral het voetgangersverkeer moet onbelemmerd kunnen plaatsvinden, net als de doorgang voor de politie, brandweer en ambulance, de welstand en het gevaar of hinder die de voorwerpen of stoffen voor personen of goederen kunnen opleveren, openbare orde aspecten en het milieu (overlast). Kortom, de inrichting van de fysieke leefomgeving. Het gebruik van een openbare plaats anders dan op grond van de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is, valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of k, van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid en laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Derde lid Het derde lid regelt dat het verbod niet geldt voor bepaalde categorieën. Onderdeel c Ook voor het plaatsen van verhuiscontainers en kleine containers voor sloopafval tijdens een korte periode is een vergunning nodig. Onderdeel e Als een evenement wordt gehouden, waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Apv dan is een vergunning op grond van artikel 2:5 niet nodig. Deze bepaling voorkomt dan ook een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij de evenementenvergunning kan ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd. Onderdeel f Het in het eerste lid van deze bepaling opgenomen verbod geldt niet voor terrassen behorend bij een openbare inrichting, waarvoor door de burgemeester op grond van de Apv een vergunning is verleend. Het terras maakt ook onderdeel uit van de openbare inrichting. Daarom is ook hier een afbakeningsbepaling opgenomen. Vierde lid In dit lid zijn de, in aanvulling op artikel 1:3 van deze verordening, specifieke weigeringsgronden opgenomen. Vijfde lid Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningstelsel voor zulke uitingen is in strijd met artikel 7 van de Grondwet. Hierbij kan worden gedacht aan voorwerpen die tijdens demonstraties worden gebruikt. Van belang is dat er dan daadwerkelijk wordt gedemonstreerd. Op grond van dit lid is het wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer op de openbare plaats wordt gehinderd of in gevaar wordt gebracht. Zesde lid Dit lid regelt de afbakening met landelijke en provinciale verkeerswetgeving. Zevende lid Een van rechtswege verleende vergunning is niet wenselijk. Artikel 2:2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Aan deze bepaling ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Omdat voor de toepassing van dit artikel het begrip «weg» uit de Wegenverkeerswet 1994 wordt gebruikt (zie artikel 1:1 van deze verordening), is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enzovoorts van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor zogenoemde eigen wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat voor de bruikbaarheid daarvan voor de hulpdiensten voorschriften kunnen worden gesteld over de manier van verharding, breedte en dergelijke. In artikel 2.18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van deze verordening. Als de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd om te beslissen op een aanvraag. Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Het nutsbedrijf heeft op grond van de Verordening werkzaamheden kabels en leidingen Alkmaar een vergunning nodig voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg, in zo’n geval is deze verordening niet van toepassing. Artikel 2:3Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is sprake is van een omgevingsvergunning. Deze bepaling beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen en dat de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast, bijvoorbeeld omdat de te realiseren uitweg feitelijk de opheffing van schaarse parkeerruimte betekent (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1399). Als de gemeente eigenaar van de weg is, wordt ook privaatrechtelijk toestemming gegeven. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming nodig heeft. Artikel 2:4Objecten onder hoogspanningslijn Voor de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden ook bouw- en gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming vanwege veiligheidsaspecten moet worden voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan voorschriften over de hoogte van toe te laten bouwwerken. Voor bouwwerken is in de bestemmingsplannen een dergelijke regeling opgenomen. Voor andere objecten, zoals bijvoorbeeld houtgewas, is een dergelijke regeling in sommige bestemmingsplannen niet opgenomen. Concreet betekent dit dat de aanplant van houtgewassen (bomen, struiken, et cetera) in de leidingstrook op grond van het bestemmingsplan niet is verboden. Dit kan een zeer gevaarlijke situatie opleveren. Daarom bevat artikel 2:4 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Artikel 2:4 vult – voor zover het bestemmingsplan daar niet in voorziet – het bestemmingsplan aan voor houtgewas of andere objecten, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn dan twee meter. Artikel 2:5Benzinepompen op of nabij de weg Uit een oogpunt van verkeersveiligheid bestaat behoefte aan de vergunningsplicht zoals opgenomen in dit artikel. De drukte die wordt veroorzaakt door een voor het publiek bestemde benzinepomp kan namelijk van invloed zijn op de verkeersstroom op de weg en raakt daarmee aan de fysieke leefomgeving. Deze bepaling houdt geen voorschrift over het grondgebruik in en is dan ook niet in strijd met de Wet ruimtelijke ordening (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 2 maart 1973, NJ 1973, 272). De bedoelde benzinepompen vallen altijd onder de Wet milieubeheer zodat er ook geen overlapping met milieuwetgeving bestaat. Artikel 2:6Betreden van plantsoenen en dergelijke Om schade aan bomen en struiken te voorkomen, is het niet toegestaan openbare plantsoenen of groenstroken, buiten de daarin gelegen wandelpaden, te betreden. Als bijvoorbeeld vanwege werkzaamheden deze grond toch betreden moet worden, dan kan een verzoek om ontheffing worden aangevraagd. Dit verbod geldt niet voor speelvelden die zijn bedoeld om voor recreatie te betreden. Artikel 2:7Loslopende honden Op sommige plaatsen mogen helemaal geen honden komen. Artikel 2:7, eerste lid en onder a, noemt er een aantal expliciet. Het gaat vooral om plekken die in de eerste plaats voor kinderen zijn bedoeld. Daarnaast heeft het college de bevoegdheid om ook andere plaatsen aan te wijzen waar vervolgens hetzelfde verbod van toepassing is. Hierbij valt onder meer te denken aan gebieden met (bijzondere) natuurwaarden. Schade aan flora en fauna dient namelijk zoveel mogelijk te worden voorkomen. Artikel 2:7, eerste lid en onder b, verbiedt het los laten lopen van honden. Binnen de bebouwde kom moet een hond zijn aangelijnd. Daarvoor zijn verschillende redenen, namelijk de verkeersveiligheid, het voorkomen van schade aan eigendommen van derden, het voorkomen van hinder voor voetgangers, het bestrijden van verontreiniging bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, en dergelijke en het voorkomen van dierenleed. Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het aanlijngebod niet van toepassing is. De zogenoemde losloopgebieden worden in beginsel aangewezen op plekken waar honden bewegingsvrijheid kunnen hebben en waar overlast of schade aan de omgeving kan worden beperkt of voorkomen. Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan handhaving van dit verbod plaatsvinden door bestuursdwang. Dat kan in de praktijk betekenen dat een loslopende hond wordt gevangen en wordt overgedragen aan een asiel. Dit vindt niet plaats als de eigenaar of houder van de hond direct is te achterhalen. Het derde lid maakt een uitzondering voor situaties waarin zwaarwegende belangen van de hondenbezitter zich tegen toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het gaat hier om hulphonden. De van oudsher meest bekende hulphond is de blindengeleidehonden. Artikel 2:8Slapen op of aan de weg Deze bepaling verbiedt – tenzij ontheffing is verleend – het gebruik van de weg als slaapplaats, of het gebruik van tenten, voertuigen, vaartuigen et cetera op of aan een openbare plaats of het openbaar water om te slapen of te overnachten. De centrale doelstellingen van het verbod zijn het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico’s voor de volksgezondheid. Het slaapverbod strekt zich ook uit tot vaartuigen. In het derde lid worden vaartuigen die beschikken over een ligplaatsvergunning van het verbod uitgezonderd. Afdeling 2Ordening en gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 2:9Aantal personen en nachtverblijf Een omgevingsvergunning is vereist voor het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk voor zover daarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen (zoals hotels en ziekenhuizen). Op grond van artikel 2.2, eerste lid en onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht kan in een verordening een ander aantal personen worden vastgesteld. In Alkmaar is dit van oudsher bepaald op 5 personen. Artikel 2:10Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk Het eerste lid regelt de vergunningplicht voor het verkopen van consumentenvuurwerk. De vergunningplicht geldt alleen voor de in het Vuurwerkbesluit toegestane verkoopdagen. Buiten die periode geldt een absoluut verbod om vuurwerk aan consumenten te verkopen. De term «nevenbedrijf» geeft aan dat de verkoop plaatsvindt naast het eigenlijke bedrijf/normale bedrijfsvoering of in een filiaal. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de regels over de opslag van vuurwerk landelijk zijn en zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer. In het tweede lid is een specifieke weigeringsgrond opgenomen. Deze weigeringsgrond geldt naast de in artikel 1:3 genoemde weigeringsgronden. Gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er vanaf gezien om het systeem van de van rechtswege verleende vergunning bij het niet tijdig beslissen in te voeren. Afdeling 3Ordening en gebruik openbaar water Artikel 3:1Toepassingsgebied Met deze bepaling komt tot uitdrukking dat deze verordening niet op alle wateren van toepassing is. De verordening geldt alleen voor de havens en het gemeentelijk vaarwater in Alkmaar. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeenteraad regels stelt over wateren die niet onder hun beheer vallen, zoals provinciale- en rijkswateren. Artikel 3:2Nadere regels Op grond van deze bepaling kan het college nadere regels stellen, bijvoorbeeld over woonschepen, ligplaatsen of toeristisch water. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat het college voor ligplaatsen door nadere regels (delegatie op grond van artikel 156 van de Gemeentewet) algemeen werkende voorschriften kan vaststellen over onder andere het afvoeren van afvalwater, drinkwater en aansluiting op het rioleringsstelsel, elektriciteit en drinkwaternetwerk en het aanzien van de gemeente. Daarnaast kan het college beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Artikel 3:3Ligplaatsvergunning Het vergunningenstelsel heeft betrekking op al het in beheer van de gemeente Alkmaar zijnde openbaar water. Eerste lid In het eerste lid is het ligplaatsverbod voor vaartuigen opgenomen; dit geldt voor alle vaartuigen in het openbaar water. Het verbod geldt, op grond van het vijfde lid, in principe niet als een ontheffing voor een vaartuig is vereist op grond van provinciale besluitvorming. Het gaat dan om ligplaatsen zoals aan het Noordhollands Kanaal, de Hoornse Vaart en het Kanaal Omval-Kolhorn of de Schermerringvaart. Met betrekking tot het Noordhollands Kanaal, voor zover gelegen tussen de Kanaalkade en de Noorderkade, geldt dat naast een provinciale ontheffing ook een gemeentelijk vergunning is vereist. Het betreft hier namelijk locaties waarvoor nadere gemeentelijke regulering voor bijvoorbeeld de charter- en riviercruisevaart noodzakelijk is. Tweede lid Bij deze weigeringsgrond gaat het uitdrukkelijk niet om de ruimtelijke ordening, maar om de ordening van het openbaar water: een doelmatig gebruik van de ligplaatscapaciteit en de vlotte en veilige doorvaart. Dat gaat wel over de fysieke leefomgeving. Als een vaartuig is bedoeld om ter plaatse te functioneren moet het daarom worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331 en de uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4019). Het innemen van een ligplaats met een woonboot, als bedoeld in artikel 1:1, is dus aan te merken als het bouwen van een bouwwerk, waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist. De activiteit bouwen wordt vanwege artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo onder meer gereguleerd door het bestemmingsplan, waarbij vanwege artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) regels over het grondgebruik kunnen worden gesteld uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Vierde lid De vergunning, verleend aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon, is persoonlijk en in beginsel niet overdraagbaar. De gemeente is namelijk beschikkingsbevoegde over het water, omdat de gemeente eigenaar is van het water. De bewoner van een woonboot is geen eigenaar van het wateroppervlak, dus kan de ligplaatsvergunning niet worden overgedragen. Volgens het recht is alleen een eigenaar bevoegd een zaak over te dragen. De vergunning voor een ligplaats van een woonboot is zowel persoons- als zaaksgebonden. Dit houdt in dat bij wijziging van de eigenaar van de woonboot (in verband met verkoop of eventueel overlijden) een nieuwe ligplaatsvergunning moet worden aangevraagd. Ook als de woonboot wordt vervangen door een nieuw exemplaar, moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd. Artikel 3:4Indienen aanvraag ligplaatsvergunning Het uitgangspunt van artikel 4:2 van de Awb is dat aanvragen schriftelijk worden ingediend. In het eerste lid van artikel