Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek Gemeenten Lopik, Montfoort & Oudewater (Lopik)

Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek Gemeenten Lopik, Montfoort & OudewaterDe raad van de gemeente Lopik; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 augustus 2005; b e s l u i t : in aanvulling op het raadsbesluit van 21 juni 2005 (agendapunt 15): bij punt 1 van de op blz. 74 en 75 genoemde algemene doelstellingen het woord "versterking" weg te laten; punt 3 van het amendement van de SGP aan te vullen met de tekst "met uitzondering van de natuurwaarden die worden gerealiseerd in het kader van het Instrument Particulier Natuurbeheer, aanvraag functiewijzigingsbijdrage". Samenvatting Landschapsontwikkelingsplan de Groene Driehoek Een breed gedragen plan In 2005 is er door de drie gemeenten Montfoort, Oudewater en Lopik gezamenlijk gewerkt aan het opstellen van het landschapsontwikkelingsplan. Dit plan geeft een visie op de ontwikkelingen in het landschap voor de komende 10 jaar. In het verlengde van deze visie zijn diverse uitvoeringsprojecten benoemd, waar de gemeenten afzonderlijk of gezamenlijk hun schouders onder willen zetten. Het planproces is begeleid door een klankbordgroep, waarin een groot aantal plaatselijke en regionale organisaties vertegenwoordigd waren; de agrarische natuurverenigingen Lange Ruige Weide en Lopikerwaard e.o., LTO-Noord, de werkgroep Behoud Lopikerwaard, het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden, het landgoed Linschoten, Staatsbosbeheer, Landschapsbeheer Utrecht, Landschapsbeheer Vleuten - De Meern en de provincie Utrecht. Uniek veenweidelandschap Het plan betreft het buitengebied van de drie gemeenten en omvat een gaaf deel van het Nederlandse veenweidelandschap. Het gebied behoort tot het Nationaal Landschap het Groene Hart en is cultuurhistorisch waardevol. Typerend zijn de zeer open polders, welke volgens het vaste copesysteem ontgonnen zijn en de besloten lintbebouwingen langs de weteringen en de waterlopen. Achter de ontginningsassen liggen de kenmerkende tiendwegen en houtkades. Door het weidevogelbeheer is het gebied van groot belang voor weidevogels, zoals de Grutto. Behouden agrarische functie met versterking natuur- en landschapswaarden De landschapsontwikkelingsvisie gaat uit van behoud en versterking van de openheid in de polders en versterking van het half open karakter van de stroomruggen. Op de stroomruggen is de aanleg van kleine landschapselementen en boomgaarden gewenst en worden mogelijkheden geboden voor nieuwe landgoederen. Bij de uitvoering van het plan liggen er relaties met bestaand gebiedsgericht beleid. Denk hierbij aan de integrale visie voor de Hollandse IJssel en het project Linschoterwaard met een rol voor landgoed Linschoten. Met het raamplan Utrecht West ligt een raakvlak in de uitbreiding van recreatieve paden. Voor de financiering zal onder andere gebruik worden gemaakt van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) via de provincie Utrecht. Welke projecten? Eén van de eerste projecten van het LOP richt zich op het versterken van de eigen karakteristiek van de linten en het opstellen van een convenant voor kleine landschapselementen in de gemeente Montfoort. Een thema waarvoor veel aandacht werd gevraagd door de bevolking op de informatieavonden is de aanleg van groene buffers bij het bedrijventerrein van Lopik, de noord-westzijde van Montfoort, de oostzijde van Oudewater en ten westen van IJsselstein. Deze maken allen onderdeel uit van het uitvoeringsplan en hebben een hoge prioriteit. Andere lokale projecten betreffen een goed beheer van de houtkaden, herstel van enkele tiendwegen en hun toegankelijkheid en de aanleg van enkele recreatieve paden door de polders. Een project waaraan particulieren kunnen deelnemen is de aanleg van streekeigen erf- en kavelgrensbeplantingen en particulier natuurbeheer in de vorm van slootkantenbeheer of natte schraalgraslanden. Twee regionale projecten betreffen de waterstaatkundige geschiedenis en het oprichten van een infocentrum voor natuur- en landschap in samenwerking met diverse lokale organisaties. Tot slot behoren het meewerken en uitvoeren van beleidsopgaven van andere overheden tot de projecten. Voorbeelden hiervan zijn het aanvullen van de ecologische hoofdstructuur (EHS), het realiseren van ontbrekende schakels in de ecologische verbindingszones (EVZ) en het stimuleren van deelname aan weidevogelbeheer. Landschapscoördinator is aanspreekpunt Belangrijk resultaat van het planproces is dat alle drie de gemeenten nu over een landschapscoördinator beschikken, welke een belangrijke spil vormt tussen de particuliere ondernemers, de bewoners en de gemeente. Per slot zijn alleen door samenwerking de doelstellingen van het LOP haalbaar en uitvoerbaar. Als u interesse heeft om een actieve invulling te geven aan streekeigen beplanting of natuurontwikkeling kunt u de landschapscoördinator van de betreffende gemeente benaderen. Hij of zij is u van dienst met informatie, advies op maat en wijst u de weg naar mogelijke subsidies. Nadere informatie kunt u vinden op de gemeentelijke websites. Landschapscoördinatoren Gemeente Lopik Kees de Leeuw tel. 0348-559979 / 06-53428038 kees.de.leeuw@lopik.nl www.lopik.nl Gemeente Montfoort Klaas-Hemke van Meekeren tel. 0348-476420 / 06-24911646 khvanmeekeren@montfoort.nl www.montfoort.nl Gemeente Oudewater Femke Steenbergen tel. 0348-561836 f.steenbergen@oudewater.nl www.oudewater.nl 1.Inleiding De Groene Driehoek gemeenten, Montfoort, Oudewater en Lopik hebben besloten gezamenlijk een landscha psontwikkelingsplan (LOP) op te stellen. Aan brons + partners landschapsarchitecten is gevraagd dit LOP de Groene Driehoek te maken. Doel en ambities Het landschapsontwikkelingsplan betreft het buitengebied van de gemeenten Montfoort, Oudewater en Lopik. Het plan dient inzicht te geven in de mogelijkheden en keuzen voor de landschapsontwikkeling in haar buitengebied voor de komende circa 30 jaar. Ook dient het samen met de eigenaren in het gebied realiseerbare projecten te benoemen voor de komende 10 tot 15 jaar. In het plan wordt het beleid van het rijk, de provincie en andere overheden en organisaties doorvertaald nar het lokale niveau. Voor de Groene Driehoek gemeenten staat behoud en ontwikkeling van de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap voorop, onder de voorwaarde dat een groot deel van het gebied levensvatbaar blijft voor de landbouw en met name de veeteelt. Er is echter behoefte aan het inpassen van tal van niet-agrarische ontwikkelingen. Bij het vaststellen van nieuwe ontwikkelingsrichtingen moeten de bestaande kernkwaliteiten van het landschap in al haar facetten als basis en richtinggevend kader dienen voor ruimtelijke veranderingen. Een integrale aanpak van de problematiek over de gemeentegrenzen heen is hierbij van belang. Zo zal er in dit plan ten opzichte van de bestaande landschapsbeleidsplannen aandacht worden besteed aan actuele thema’s zoals de wateropgave, de cultuurhistorische structuren en elementen van het landschap, beeldkwaliteit van bebouwing, beplanting en dorpsranden, het recreatief medegebruik, functieveranderingen bij boerderijen, agrarisch natuurbeheer, etc. In communicatief opzicht wordt gestreefd naar langdurig draagvlak bij politiek, burgers, agrariërs en maatschappelijke organisaties, waarbij een goede samenwerking tussen gemeente, andere organisaties en burgers de boventoon voert. Het belangrijkste te verwezenlijken doel vormt de daadwerkelijke uitvoering van het opgestelde LOP en een actieve landschapscoördinator in alle drie de gemeenten. Status en relatietot andere planvorming Het landschapsontwikkelingsplan vormt een vervolg en herziening van de bestaande landschapsbeleidsplann en. Een landschapsontwikkelingsplan is daarbij meer gericht op het inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Het land-schapsontwikkelingsplan zal inclusief de uitvoeringsprojecten en het financieringsplan worden vastgesteld door de afzonderlijke gemeenteraden. Daarna dient het plan als toetsingskader voor ontwikkelingen in het landschap en het vormt een goed beleidskader om bestaande landschapskwaliteiten te behouden en/of actief verder te ontwikkelen. Na doorwerking van de visie en aanbevelingen in het bestemmingsplan buitengebied heeft de visie een juridische werking naar de burger toe. Basis Objecten en structuren van de basislaag Naamgeving Plangebied en hoofdkenmerken Het plangebied betreft het buitengebied van de gemeenten Montfoort, Oudewater en Lopik. De bebouwde kommen behoren zelf niet tot het Landschapsontwikkelingsplan. Wel gaat het plan in op de relatie tussen de kernen en het buitengebied. In landschappelijk opzicht bevat het gebied het rivierkommen- en stroomruggenlandschap langs de Lek en de Hollandse IJssel. Ten noorden en zuiden van Oudewater begint het veenlandschap. Het plangebied wordt gekenmerkt door een zeer open en weinig verstoord polderlandschap met een gaaf patroon van middeleeuwse kopenontginningen. De Lopikerwaard is hiervan een voorbeeld bij uitstek. De langgerekte dichte bebouwingslinten langs de lange waterlopen vormen een sterk contrast met de open polders. Op het stroomruggenlandschap langs de Lek, de Hollandse IJssel en de Lange Linschoten hebben de ontginningslinten een organisch verloop en kent het landschap een gevarieerder grondgebruik en bijbehorend half open landschap. Planproces en communicatie Het landschapsontwikkelingsplan is opgesteld in een planproces, waarbij alle drie de gemeenten nauw samenwerken. Landschapsbeheer Utrecht heeft de rol van projectsecretaris vervuld. Diverse maatschappelijke organisaties zijn gegroepeerd in een klankbordgroep en eveneens nauw betrokken bij het proces; de agrarische natuurverenigingen Lopikerwaard e.o. en Lange Ruige Weide, Werkgroep Behoud Lopikerwaard, Staatsbosbeheer, LTO Noord, afdelkingen Lopik, Montfoort en Oudewater, Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, recreatieschap Stichtse Groenlanden, de provincie Utrecht en de Stichting Ribbius Peletier. De bevolking wordt/is geïnformeerd via persberichten in de plaatselijke media, de gemeentelijke websites, twee publieksavonden en een formele inspraak. Aan hun is een actieve bijdrage gevraagd over hun subjectieve beleving van het landschap via een landschaps-enquête en een fotowedstrijd. Ook worden/ zijn er twee informatieavonden met de bevolking voorzien. Raadsleden worden/zijn geïnformeerd en betrokken in de keuze omtrent de scenario’s door een gezamenlijke excursie in september 2004 en een bespreking van de concept landschapsvisie in het najaar van

  1. Opbouw van het plan Het landschapsontwikkelingsplan bestaat uit een hoofdrapport met een onderbouwing van de landschapsvisie voor het gezamenlijke buitengebied van de drie gemeenten. Dit wordt gevolg door een deelrapport per gemeente met het uitvoerings- en financieringsplan. In het voorliggende hoofdrapport is na deze inleiding in hoofdstuk 2 het landschap geïnventariseerd en geanalyseerd op een aantal thema’s. Hoofdstuk 3 geeft een weergave van het beleid dat reeds geformuleerd is voor het plangebied. Hoofdstuk 4 gaat in op de problematiek van de diverse thema’s in relatie tot elkaar en de opgaven voor het gebied. Lopik (Ria de Groot van Vliet, deelnemer fotowedstrijd) 2.Inventarisatie en analyse gebied 2.1Geologie en bodem Geologisch ontstaan Het grondgebruik en de verschijningsvorm van het huidige landschap vinden hun oorsprong in de geologische ontstaansgeschiedenis. Hiervoor gaan we ver terug in de tijd (ca 250.000 jaar). Tijdens de ijstijden (Saalien) zijn de rivieren de Rijn en Maas naar het westen afgebogen door het ijs. In het Eemien daarna is de Maas in westelijke richting blijven stromen en heeft de Rijn haar noordelijke stroming via het huidige IJsseldal hervat. In de laatste ijstijd, het Weichselien, heeft het landijs Nederland niet bereikt, maar heeft de wind een groot deel van Nederland met dekzand bedekt. In het plangebied ligt dit dekzand op zo’n 5 tot 6 meter beneden NAP voor. De rivieren stroomden in wilde, vlechtende vorm westwaarts, ongeveer rond hun huidige ligging (Y.M. Donkersloot-de Vrij, et al. De Stichtse Rijnlanden, 1993). De holocene afzettingen vonden vanaf zo’n 10.000 jaar geleden plaats: het klimaat werd warmer, de zeespiegel steeg en de toendravegetatie maakte plaats voor berken, dennen en later andere (loof)bossen. Bij de afzettingen in deze tijd waren de rivierafzettingen dominant, afgewisseld door perioden van veenvorming. In deze periode die duurde totdat de zeespiegelrijzing ging domineren en de rivieren werden bedijkt, werd de zogenaamde ‘westlandformatie’ afgezet (P. Harbers; Stiboka, 1981). In de lage, natte delen van Nederland ontstond moeras met veenvorming. Deze pakketten ‘Hollandveen’ met veenbossen en rietgorzen konden enkele meters dik worden, toenemend van oost naar west. Tussen de Oude Rijn en Hollandsche IJssel zijn voorbeelden te vinden van plaatsen waar - onder invloed van het voedselrijke rivierwater - rietveen is ontstaan (Stiboka, 1970). Vanuit de vlechtende rivieren ontstond de dieper ingeslepen, meanderende rivier, doordat vanwege het mildere klimaat de hoeveelheid afbraakmateriaal langzaam minder werd. Dicht bij de bedding ontstond de oeverwal met de afzetting van grof materiaal (grind en zand). In het gebied erachter stagneerde het water en bezonken de fijnere klei- en slibdeeltjes. In deze natte komgebieden ontstonden moerassen met veenvorming, maar werden tevens regelmatig dikke kleilagen afgezet tijdens overstromingen. De oeverwallen kwamen door de continue afzetting van sedimentatie langzaam hoger te liggen. Hierdoor kon het voorkomen dat de loop zich plotseling verlegde naar een lager gelegen kom, waardoor de oude bedding dichtslibde. Hierdoor ontstond een wijd vertakt patroon van oude en nieuwe stroomruggen, soms pas na de veeninklinking zichtbaar als inversierug (Stiboka, 1970). Een oude meander is te herkennen bij Montfoort. Invloed van het getijde, waardoor de rivier zich moest gaan vertakken, is te zien aan de oude Rijntak tussen Montfoort en Woerden (Stiboka, 1981). Deze oude Rijnlopen doen in een enkel geval nog dienst als kavel- of afwateringssloot, zoals de Vleutense Wetering. De stroomruggen van de Lek en Hollandsche IJssel zijn met hun ontstaan aan het begin van de jaartelling dus het jongst. Rond 1290 is de Hollandsche IJssel bij Het Klaphek afgedamd (ten noordoosten van Lopikerkapel). De Lek heeft met de afdamming in vermoedelijk 1122 de afvoerfunctie van de Kromme Rijn overgenomen. De uiterwaarden van de rivieren zijn in dit westelijk deel maar smal en weinig opgeslibd. Bodem Het verschil tussen de oeverwallen en de kommen en de veenvorming in het westelijke deel van het plangebied is goed in de bodemopbouw terug te vinden. De kern van de stroomrug of oeverwal van de Lek bestaat uit zavel en lichte klei en behoren tot de poldervaaggronden. In de kommen neemt de dikte van de kleilaag van oost naar west af. Ook naar het midden van de komgebieden neemt de kleilaag af ten gunste van het veen. De kommen bestaan uit vaaggronden van kalkloze (kom)klei op bos- of houtrijk eutroof broekveen (gevormd onder voedselrijke omstandigheden), de drechtvaaggronden. In het oosten van de Lopikerwaard komen de zandige veenstroomruggen aan het oppervlak. Langs de dijk bevinden zich enkele overslaggronden die zijn ontstaan door dijkdoorbraken. Deze gronden zijn zeer divers qua samenstelling en dikte, bijvoorbeeld bij Uitweg en Willige Langerak. Op verschillende plekken langs de Lekdijk zijn (resten van) wielen te vinden, zoals ten zuiden van Lopik en ten westen van Jaarsveld. In het westen is er sprake van laagveen in de kommen met een kleilaag, de eerdveengronden en de rauwveengronden. Op veel plaatsen buiten het plangebied werden de veengronden afgeplagd en later uitgebaggerd. Alleen daar waar het veen van onvoldoende kwaliteit was (bosveen), werd dit niet afgegraven. In de Lopikerwaard en de polders ten Bodemkaart noorden van de Hollandsche IJssel is slechts op kleine schaal (individuele boeren) turf gestoken. Dit kwam omdat de rivieren voedselrijk water aanvoerden, waardoor bosveen ontstond, dat op veel plaatsen rijk is aan slib en soms kleilagen bevat. Dit veen was ongeschikt om turf van te steken. Langs de Hollandsche IJssel en bij Linschoten zijn verschillende plekken waar klei is afgegraven voor de baksteen- en dakpannenindustrie. Soms zijn nog brede vletsloten te herkennen, waarlangs de klei werd afgevoerd. Hoogteligging De gronden hellen licht af van ca 0m NAP in het zuidoosten tot ca 1,0m –NAP in het westen en ca 1,5m –NAP in het midden en noorden van het plangebied. De stroomrug van de Lek ligt hoger op ca 0,5m tot 1,5m +NAP. De stroomrug van de Hollandsche IJssel ligt op circa 0,5m –NAP. Buitendijks gebied Binnendijks veenweidegebied De Lekdijk Watersysteem 2.2Watersysteem Het water is een eeuwenoude drager van het landschap en is zowel van essentieel belang voor de ontginningsgeschiedenis als voor het huidige functioneren van het landschap voor alle sectoren. In veel opzichten vormt het water ook de verbindende schakel tussen diverse functies, de kernen en het buitengebied en het plangebied en haar omgeving. De historische ontwatering vond via de bestaande wateren of gegraven weteringen plaats. In eerste instantie verliep dit door de hoogteligging via een natuurlijke afwatering: van hoog naar laag. De bodemdaling maakte het voortdurend aanpassen van het watersysteem noodzakelijk. Rond 1450 werd de windbemaling geïntroduceerd en uiteindelijk vond de afwatering via 42 molens in de Lopikerwaard plaats, waarvan 14 in het plangebied. Dit verliep volgens een ‘getrapte bemaling’ met poldermolens om het water voldoende hoog te brengen. In de Lopikerwaard liggen onder Oudewater en in het westen tegen de Vlist dergelijke oude molengangen. Het oostelijk deel van de Lopikerwaard werd voornamelijk ontwaterd via de boezem tussen de polders Willeskop en Hoenkoop. Het water uit het westelijk deel werd via zeven molens op de hoge boezem van de Vlist uitgeslagen bij Haastrecht om via de Hollandsche IJssel te worden afgevoerd. Na de overgang naar mechanische bemaling aan het eind van de negentiende eeuw, zijn veel molens vervallen of gesloopt (HGB, 2001). In het plangebied is nog slechts een enkel molen aanwezig. Nu malen na de ruilverkaveling vier gemalen de 13.000 hectare droog: De Keulevaart, De Pleijt en De Hoekse Molen op de Hollandsche IJssel en De Koekoek op de Lek. Het centraal gelegen gemaal ‘Hazenpad’ ondersteunt de doorvoering van het water. Rond de grote weteringen is ruimte gereserveerd als hoogwatervoorziening. De natuurlijke watergangen vormen nog steeds de belangrijkste afwateringsstromen, waarbij de afwatering hoofdzakelijk van het oosten naar het westen plaatsvindt. In het westen wordt het water vervolgens via gemalen uitgepompt. De afvoer geldt vooral in de wintermaanden: in de zomer is sprake van meer verdamping dan neerslag. Zeker nu de verwachting is dat de zomers droger zullen worden, is voldoende (zoet) water essentieel voor het functioneren van de landbouw en het tegengaan van de bodemdaling. De aanwezigheid van meer water binnen het eigen gebied draagt bij aan verbetering van de waterkwaliteit. Restanten van de historische inlaat ten zuiden van de Rolafweg Zuid De tweede molen van Cabauw (foto Kees de Leeuw) In de polders liggen vele waterstaatkundige bouwwerken (Polsbroeker Kwel Bron: Beheerplan Grondwaterkwaliteit inzijging of kwel en ten oosten van de stroomrug treedt een lichte kwel op. Voor de polders wordt een peilbesluit opgesteld. Individuele onderbemaling werkt ongelijke maaivelddaling in de hand en is ongewenst. Doordat de zeespiegel langzaam stijgt, neemt de invloed van de getijden en van zoute kwel toe. Dit benadrukt het belang van kwantitatief en kwalitatief voldoende water in het gebied. Op drie plaatsen vindt waterwinning plaats: bij Lopik, ten westen en ten noorden van Montfoort. Rond deze winningsplekken liggen grondwaterbeschermingszones. Waterbouwwerk langs de Hollandse IJssel tzv. Hekendorp De Hollandse IJssel Waterviolier en Kikkerbeet in een kwelsloot (foto Bram Schenkeveld) historische kaart rond 1900 Bron: Historische Atlas Utrecht, Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.
  2. Uitgeverij Robas Producties 1989 topografische kaart2002 Bron: Topografische Atlas Nederland 1:50.
  3. ANWB bv, Den Haag 2002 2.3Cultuurhistorie Occupatie De vroegste vondsten die wijzen op bewoning stammen uit de Bronstijd en IJzertijd (2000 v.Chr.) en zijn onder meer op de Bloklandse stroomrug bij Benschop aangetroffen (YMDV, 1993, pag. 18). Tijdens de Romeinse tijd namen de landbouwactiviteiten op de stroomruggen sterk toe. De grens van het Romeinse rijk (Limes) lag ten noorden van het plangebied rond de Oude Rijn. tussen Katwijk en Utrecht. De activiteiten namen tijdens de Middeleeuwen ietwat af en het bosareaal nam toe. Pas tijdens de Karolingische tijd (750-900 AD) nam de bevolking weer iets toe en werden de bossen weer omgezet in landbouwgronden. Dorestad (Wijk bij Duurstede) was tot de verwoesting in 863 veruit de belangrijkste handelsstad aan de Rijn. Daarna groeide Utrecht uit tot kerkelijk centrum met een bloei van handel en nijverheid. In de 10de eeuw zijn de bewoners van het rivierengebied begonnen met de aanleg van dijken. Regelmatig kwamen dijkdoorbraken voor waardoor wielen ontstonden, zoals in 1751 bij Lopik en Jaarsveld. Dijkverzwaring en –verhoging vond plaats mede door de bodemdaling (van zo’n 1 a 2 meter of meer) van de binnendijkse gronden door inklinking, krimping en oxidatie van het veen. Ontginning De eerste bewoning vond op de oeverwallen van rivieren en stroompjes en langs dijken plaats. De rest van het gebied was bosrijk moeras en onbegaanbaar. De oorspronkelijke (natuurlijke) beplanting bestond in dit gebied vooral uit essen, op de voedselrijke stroomruggen iepen en in de kommen elzen. Huis te Jaarsveld Op de stroomruggen van de Lek en Hollandsche IJssel zijn de oudste ontginningen te vinden. De poldernamen Neder-Oudland en Over-Oudland wijzen hier nog op, maar ook bij Lopikerkapel was al relatief vroeg grond in cultuur gebracht (H.G. Baas et al. – Ontgonnen Verleden, 2001). In de tiende eeuw verwierven de graaf van Holland en de Bisschop van Utrecht de woeste veengronden van de koning. Vanuit de bloeiperiode in de Middeleeuwen waar de behoefte aan landbouwgrond toenam en de technische kennis van ontginning en afwatering zich sterk ontwikkelden, steeg de schaal waarop ontginning plaatsvond. In eerste instantie werden nog geen achtergrenzen van de ontginning vastgesteld, wat leidde tot een vrij opstrekkende strokenverkaveling. Voorbeelden hiervan zijn te vinden ten westen van de Achterslootse Dijk en de Biezendijk (HGB, 2001). Aan het begin van de elfde eeuw deed het copen- systeem zijn intrede (cope in verband met het door koop verkregen ontginningsrecht). Hierbij kregen kolonisten tegen betaling van erfpacht of cijns het recht op een stuk wildernis. Zij hoefden hiervoor geen horige diensten te leveren, maar wel het gezag van de graaf of bisschop te erkennen (J.A. Hendrikx – De ontginning van Nederland, 1998). Voorbeelden hiervan zijn de ontginningen Benschop, Polsbroek en Willeskop. Bij de ontginning werd eerst gewerkt vanaf een bestaande waterloop (bijvoorbeeld de Lobeke, de latere Lopikerwetering) en later vanaf een gegraven wetering (zoals de Benschopperwetering). Deze wetering fungeerde als ontginningsas met dwars daarop, op regelmatige afstand, parallelle sloten. De kavels waren vaak aan voor- en achterzijde strikt begrensd, bijvoorbeeld door een achterkade om het water uit achterliggend gebied tegen te houden. Deze werd vaak beplant met geriefhout, welke om de paar jaar werd gekapt en wordt dan houtkade genoemd. De aangehouden standaard van de kavels, de zogenaamde ‘hoeven’, was veelal 16 morgen of 14 hectare: ongeveer 110 meter breed en 1250 meter lang (YMDV, 1993, pag. 20). Als gevolg van verkoop of vererving werden de kavels in de loop der tijd soms gesplitst. De overgebleven gebieden vormden restontginningen, met veelal een onregelmatige strokenverkaveling en zonder rechte grenzen, zoals de polder Blokland (HGB, 2001). Door de boerderijen die aan het ontginningslint werden gebouwd, ontstonden de kenmerkende lintbebouwingen. De ontginningsblokken zijn lange tijd afzonderlijke bestuurlijke en waterstaatkundige eenheden gebleven (YMDV, 1993, pag. 21). Veel van de lintbebouwing is historisch waardevol. Daarnaast zijn er enkele bijzondere huizen, zoals Huis te Jaarsveld, Snellenburg, Huis te Vliet en De Bronkhorst. Het bodemgebruik kende over het algemeen een verloop van een akker dicht bij de boerderij, vervolgens een deel weiland met daarachter hooiland. Door de inklinking van het veen was de akkerbouw, welke bestond uit graan en hop al snel niet meer mogelijk, waardoor men gedwongen was over te schakelen op de veeteelt (J.G. Constant – Spectrum atlas van de Nederlandse landschappen, 1979) en op de hennep- en griendcultuur, welke van betekenis zijn geweest voor de touwslagerijen en het griendhout. Deze teelten zijn later weer afgenomen. Er zijn nu nog slechts enkele grienden over. In de polders zijn verschillende wegen te onderscheiden. Zo zijn de voorwegen langs de hoofdwatergangen gelegd van waaruit de ontginning heeft plaatsgevonden. Hier zijn ook de boerderijen aan gebouwd, zoals de Lopikerweg en de Hoenkoopse Buurtweg. De kerkwegen verbonden de voorstraten, zoals de Boven Kerkweg tussen Blokland en Montfoort en het kerkepad tussen Polsbroek en Cabauw. Karakteristiek voor deze ontginningen zijn de tiendwegen met in een aantal gevallen daarlangs lopende tiendweteringen. Langs de Tiendwegen is vaak een lijnvormige beplanting van knotwilgen aanwezig. Deze liggen midden in het ontginningsblok en dienden waarschijnlijk om landbouwproducten over af te voeren. In de Lopikerwaard liggen deze evenwijdig met de Hollandsche IJssel door de polder Heeswijk, door Willeskop, door Dijkveld, Vliet, Rozendaal, Hoonaard en beide Keulevaarten, en langs de Lek door de polder Willige Langerak (HGB, 2001). Langs de Lek vond in de Middeleeuwen al kleiwinning plaats, langs de Hollandsche IJssel werd klei gewonnen na
  4. Boerderij Oude relicten Tussen 1672 en 1795 is de Oude Hollandse Waterlinie ontstaan. In het plangebied zijn nog enkele restanten van deze linie terug te vinden. Dubbele Wiericke: Prinsendijk uit 1672, door Willem III aangelegd om het deel van Rijnland te beschermen tegen overstromen bij het doorsteken van de Lekdijk door de Fransen. Schansbosch / Linie van Linschoten: linie uit 1792/1796 op de niet te inunderen stroomrug. Resten zijn nog aan beide kanten van de weg terug te vinden. Linie van de Pleit: aan beide IJsseldijken gelegen linie, dwars op de Hollandsche IJssel, met in de uiterwaarden een bastion en binnendijks aan beide dijken een half-bastion uit
  5. Ten noorden van de noordelijke dijk is het einde van de linie met gracht nog terug te vinden (C. Will, 2003). De werken bij Goejanverwellesluis: in 1672 in staat van verdediging gebrachte schans, gesloopt in 1674, versterkt in
  6. Vesting Oudewater: in 1673 versterkt naar aanleiding v an de provisorische linie bij de Franse inval in
  7. De wallen, poorten en grachten zijn na 1851grotendeels verdwenen. Een aarden heuvel tegen de binnenkant van de Lekdijk nabij Willige Langerak, wat een restant is van een batterij ter verdediging van Schoonhoven en waar nu een dijkmagazijn op staat. Er zijn vele eendenkooien geweest in de natste delen van de polders, maar de meeste zijn verdwenen. Ze werden gebruikt om eenden in te vangen om deze voor consumptie te verkopen. Drie zijn er in gave vorm over: in polder Blokland, ten noorden van Benschop en ten westen van IJsselstein (HGB, 2001). Tevens liggen er resten in de polders Benschop en Lopik. In de Gouden Eeuw zijn er verschillende vaarverbindingen geweest die grote steden met elkaar verbonden. Enkele van deze trekvaarten liggen in het plangebied, zoals: Utrecht-IJsselstein-Montfoort-Oudewater (Hollandsche IJssel): jaagpad tussen IJsselstein en Oudewater is aangelegd in 1701 met waarschijnlijk één trekschuit per week (HGB, 2001). Archeologie Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden Bron: Archis II/Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, Archeologische monumenten te Montfoort, Oudewater en Lopik, 2005 Archeologie In het gebied liggen diverse archeologisch interessante gebieden. Het belang van deze gebieden loopt uiteen van een archeologische betekenis tot een zeer hoge archeologische waarde met bescherming (ROB 2004). Onderstaand en in bijgaande kaart is een overzicht gegeven van de archeologische waarden binnen het plangebied. In de landschapsvisie wordt nader ingegaan hoe om te gaan met deze waarden. Lopik Terreinen met archeologische betekenis; diverse huisterpen en bewoningssporen in de oude linten van Polsbroekerdam en Benschop, diverse terreinen met resten uit de Bronstijd. Terreinen met hoge archeologische waarde; diverse terreinen met resten uit de Brons/IJzertijd, terrein versterkt huis, Havezate. Terreinen met zeer hoge archeologische waarde; diverse terreinen met resten uit de Brons/IJzertijd. Montfoort Terreinen met archeologische betekenis; terrein versterkt huis (Montfoort). Terreinen met archeologische waarde; terrein kasteel (Linschoten); terrein versterkt huis (Achthoven). Terreinen met hoge archeologische waarde; terrein versterkt huis (Mastwijk). Terreinen met zeer hoge archeologische waarde; terrein versterkt huis (Linschoten); terrein versterkt huis (Montfoort: beschermd). Oudewater Terreinen met hoge archeologische waarde; terrein oude stadskern. Terreinen met zeer hoge archeologische waarde; terrein versterkt huis; kerk met daaronder voorganger. Huis te Linschoten Oude boerderij langs de hollandse IJssel Landgoed Linschoten (P.A. Versloot, deelnemer fotowedstrijd) Landschap 2.4Landschap In deze paragraaf zal worden ingegaan op de gebiedsindeling, de gebruiksfuncties, de verschijningsvorm en de beeldkwaliteit van het landschap. Gebiedsindeling De bodemopbouw en occupatiegeschiedenis hebben tot een differentiatie in de landschapstypering geleidt. Er is een onderscheid gemaakt in: Hogere gronden, Polders, Uiterwaarden en Bebouwingslinten, die binnen deze eenheden voorkomen. Hogere gronden Langs de Lek De hogere delen langs de rivieren vormden de eerste occupatieplaatsen. Zo is het pittoreske Lopikerkapel ontstaan aan een natuurlijk meanderend watertje, de Enge IJssel, en varieerd de slagenverkaveling in richting. Op deze stroomrug liggen bebouwing, boomgaarden en andere beplanting. Vanuit het bebouwingslint van Lopikerkapel en Uitweg is een verschil in dichtheid te herkennen tussen de Lekkant en de polderkant. Het agrarische gebruik omvat hier een breed scala, zoals fruitteelt, enkele gronden met akkerbouw en onder andere een SVR-camping. Door deze variatie en relatieve dichtheid oogt het gebruik soms wat rommelig. Nieuwe woningen voegen zich tussen de oude, agrarische boerderijen. Langs de meanderende waterloop staan elzen en knotwilgen, op de erven staan vaak hoogstamfruitbomen en ligt een enkel moestuintje. Hoogstamfruit op de oeverwal langs de Lek Tussen Linschoten, Montfoort en Achthoven Deze hogere zone wordt gevormd door de oeverwal van een oude Rijntak en is te herkennen aan de meekronkelende wegen. Zij wordt gekenmerkt door een vergelijkbare verdichting als de eerste zone, maar kent een andere achtergrond en iets andere karakteristiek. Zo ligt aan de noordkant van deze zone het landgoed Linschoten, dat een fraai landschappelijk ensemble vormt met diverse sferen en gebruiksvormen. Buiten dit landgoed is de zone opener met enkele boomgaarden en akkers. De kavelrichtingen variëren sterk en daarmee ook de oriëntatie van de boerderijen. De zone wordt tevens gekenmerkt door enkele afgravingen en ophogingen, zoals de kleiafgraving langs de Hollandsche IJssel. Polders De klei- en veenpolders verschillen niet zo sterk in hun verschijningsvorm. Beide gronden kennen het grasland als dominant grondgebruik met een slagenverkaveling, en linten van beplanting en bebouwing. De landbouwgronden worden gekenmerkt door hun openheid, doorweven met een netwerk van sloten en begrensd door oost-westlopende bebouwingslinten, tiendwegen en achterkaden. Er kan grofweg een onderscheid worden gemaakt in de oostelijk gelegen kleipolders en westelijk gelegen veenpolders. Zo bevatten de kleipolders meer beplantingselementen, zoals boomgaarden met windhagen en kleine bossen. In de veenpolders zijn de sloten breder en komen de weteringen van oost naar west steeds hoger te liggen, zelfs hoger dan het land. Op verschillende plaatsen zijn de peilverschillen in de watergangen kenmerkend. Langs de achterkaden staan veelal elzen. Open polderlandschap met sloten en knotwilgen Uiterwaarden Uiterwaarden Lek De uiterwaarden van de Lek aan de Lopikse kant variëren sterk in breedte: ten oosten van Jaarsveld zijn ze breed en ten westen smaller. In het oosten is nog veel grond in agrarisch gebruik, terwijl ten westen van Lopik meer natuurontwikkeling in de uiterwaarden plaatsvindt. Naast hun ecologische waarde bevatten de uiterwaarden veel recreatief potentieel. De dijk is een harde grens tussen het binnen- en buitendijks gebied. Uiterwaarden Hollandsche IJssel De uiterwaarden van de Hollandsche IJssel zijn door de afwezigheid van overstroming meer verstedelijkt dan de uiterwaarden van de Lek. Zo liggen er woningen, boerderijen en bedrijven in de uiterwaarden. De uiterwaarden tonen door deze bebouwing een afwisselend beeld van open weiden, besloten boomgaarden en bebouwing. De Hollandsche IJssel vormt een fysieke barrière, met hier en daar een brug, maar is door haar maat niet dominant aanwezig. De uiterwaarden worden van oost naar west steeds smaller, waarbij de waterloop en de dijken toenemen in hoogte. De dijken zijn door hun lage, smalle profiel van een andere aard als bij de Lek. Bebouwingslinten Hoofdlinten Een van de meest kenmerkende onderdelen van het landschap zijn de bebouwingslinten. Om het verschil tussen de linten aan te geven is een verschil gemaakt tussen dichtere hoofdlinten, opener nevenlinten en dijklinten. Het hoofdlint bestaat uit een wetering of riviertje met aan beide zijden een dichte bebouwing met erfbeplanting. Tussen de historische boerderijen, veelal langgevelboerderijen en een enkele krukboerderij, is in verschillende tijden nieuwe bebouwing geplaatst. Zo ligt tussen de boerderijlinten van de Lopikerwetering een derde lint van woningen. De linten langs weteringen zijn recht en de linten langs riviertjes hebben een bochtig verloop. En ontstaan vanuit de agrarische bedrijven andersoortige ondernemingen, die vaak haaks staan op het lint. De achterkade met beplanting vormt vaak de erfgrens. Tot de hoofdlinten behoren de lintbebouwingen van Polsbroek-Polsbroekerdam- Benschop en Zevender-Cabauw-Lopik-Lopikerkapel. Polder Lopikerkapel (foto Lydia Blom, deelnemer fotowedstrijd) Nevenlinten De nevenlinten zijn de kleinere linten, met vaak enkelzijdige of verspreide bebouwing die overwegend agrarisch is. Doorzichten komen regelmatig voor en de bebouwing ligt wel of niet aan een wetering. Naast de vele bruggen komt veelal lagere beplanting voor, zoals elzen en knotwilgen, afgewisseld met enkele hogere bomen. Tot deze linten horen Hoenkoop, Blokland, Ruigeweide, Papekop, Diemerbroek en Cattenbroek. Dijklinten Deze linten komen in verschijningsvorm grotendeels overeen met de nevenlinten, maar worden anders ervaren door de evenwijdig lopende dijk. Op een bepaalde afstand van het bebouwingslint loopt in enkele gevallen een beplante tiendweg. Onder deze dijklinten kunnen Willige Langerak, Hekendorp, Willeskop, Heeswijk, Snelrewaard, Achthoven en Lange Linschoten worden geschaard. MOB-complex Gebruiksfuncties Het gebied wordt gedomineerd door het agrarische gebruik en het wonen. Toch kent het gebied op lagere schaal ook andere, uiteenlopende gebruiksfuncties, zoals de defensieterreinen, de recreatievoorzieningen en een landgoed. Hieronder volgt een overzicht van het landgebruik. Wonen in een groen lint Karakteristiek voor het gebied zijn de lange lintbebouwingen. Waren het van oorsprong alleen boerderijen, er zijn steeds meer boerderijen veranderd in burgerwoningen of woningen tussenin gebouwd. Alleen in enkele kleine kernen zijn de woningen geclusterd, zoals in Cabauw of Benschop. Een speciale woonvorm is het landgoed Linschoten, waar ook recreatief en ecologisch gebruik op rusten. Werken op lokale schaal De grond is grotendeels in landbouwkundig gebruik. Dit gebruik uit zich vooral in de graslanden, maar ook in de bedrijfsgebouwen op de erven, de enkele akkers en de boomgaarden aan de oostkant van de Lopikerwaard en langs de Hollandsche IJssel. Daarnaast liggen bij de kernen verschillende bedrijventerreinen, zoals ten noorden van Oudewater, ten noordoosten van Lopik en rond Montfoort. Deze terreinen zijn vooral bedoeld voor lokale ondernemers, waarbij een geringe uitbreidingsruimte beperkingen legt op de economische groei van de bedrijven. Tenslotte bevinden zich enkele terreinen van defensie in het oosten van de gemeente Lopik. Met de bezuinigingen en de daarmee samenhangende afstoot van terreinen is de toekomst van dit gebruik onzeker. De Lekdijk met een weids uitzicht, geliefd bij fietsers Recreatief medegebruik Binnen het plangebied is overwegend sprake van recreatief medegebruik, zoals het wandelen over achterkaden en het schaatsen of kanoën op sloten. Op enkele plaatsen zijn speciale voorzieningen geplaatst voor recreatie, welke vooral bestaan uit bewegwijzering en rustvoorzieningen lang wegen of in een enkel geval speciale overstapplaatsen zoals bij Polsbroek. Waterstaatkundige werken Op verschillende plaatsen kan men de continue waterbeheersing gewaar worden. In het veld en langs de dijken van de Lek en Hollandsche IJssel staan verschillende gemalen om het water uit te pompen. Brede weteringen voeren het water uit de vele sloten aan. Natuurwaarden Ook de natuur kent vooral medegebruik van de agrarische gronden, in de vorm van areaal voor weidevogels, wintergasten en botanische waarden. Kleine relicten van landbouwkundig gebruik, zoals pest- en geriefhoutbosjes en eendenkooien, vormen nu ecologisch waardevolle plekken. Een aantal grotere eenheden zijn specifiek met natuurdoeleinden aangewezen. Zo kent het gebied diverse reservaten, waaronder de in de polder Blokland gelegen eendenkooien en de achterkaden tussen de polderblokken. Tevens kennen de uiterwaarden van de Lek enkele grotere natuurkerngebieden. Smalle wegen en hoge masten De wegen in de drie gemeenten zijn vooral van erfontsluitende aard en voorzien van een smal profiel. In enkele gevallen zijn op deze wegen verkeersremmende maatregelen genomen, zoals de plaatsing van obstakels of fietssuggestiestroken, ook om sluipverkeer tegen In de linten zijn de wegen smal Landschapselementen, beplantingen en waterlopen te gaan. De belangrijkste regionale verbindingswegen worden gevormd door de provinciale wegen N204, N210 en N
  8. Vanaf de erven in het lint lopen op verschillende plaatsen verharde of onverharde, kavelpaden de polders in. Naast deze private paden liggen een aantal gemeenschappelijke, onverharde paden op oude kaden en als tiendweg tussen de percelen in. Onzichtbare infrastructuur, maar dominant in het landschap zijn de meteo- en zendmasten. Deze masten bij Lopik en Lopikerkapel zijn in de polders van verre zichtbaar. Verschijningsvorm Het landschap wordt gekenmerkt door de algehele verschijningsvorm aan het aardoppervlak. Deze verschijningsvorm, ofwel de opbouw van de ruimtevormende elementen in het landschap, bepaalt haar identiteit en uniekheid. In de Lopikerwaard is deze opbouw door haar ontginningsverleden bijzonder helder. Parallel aan de Lek liggen van oost naar west de zeer lange ontginningslinten. Tussen het eerste ontginningslint – dat van de Lopikerwetering – en de dijk is de verkaveling aan de oostkant diffuser en vormt de beplanting een mozaïekachtig patroon. De polders met de dijk als ontginningsbasis hebben veelal op 350 tot 500 meter een beplante tiendweg, met een lage bomenrij van geknotte wilgen en elzen. Tussen de ontginningslinten ligt op circa 500 meter van het ontginningslint een onbeplante wetering en aan de achterkant van de kavel op circa 1250 meter van het lint de kilometerslange, beplante achterkaden. De beplanting op deze achterkaden komt overeen met die van de tiendwegen. Door deze linten van beplanting en bebouwing krijgt het gebied een sterke oost- westoriëntatie zonder gevoel van beslotenheid. Koeien grazen onder de hoogstamfruitbomen De opbouw van het noordelijk deel van het plangebied is door meer variatie in de ondergrond minder eenduidig. De natuurlijke waterloop van de Lange Linschoten en de oeverwal tussen Montfoort en Linschoten delen het gebied. Vanaf de Hollandsche IJssel is een deel ontgonnen, waardoor de lijnen deels evenwijdig lopen met de rivier. Andere lijnen lopen evenwijdig met de Lange Linschoten of de oeverwal. Alleen de richting van Papekop staat loodrecht op de andere polders en wijkt hierdoor sterk af. Des al niet te min kent het gebied een karakteristieke openheid met een concentratie van bebouwing en beplanting in de linten. Wel wordt de invloed en doorsnijding van de infrastructuur in dit deel groter. De verstedelijking drukt zijn stempel in de vorm van stadsranden, verkeersbewegingen, recreatie en bedrijvigheid, vooral rond de kernen Oudewater, Linschoten en Montfoort en langs de Hollandsche IJssel. De beplanting buiten de linten bestaat voornamelijk uit soorten die gedijen op gronden met een hoge grondwaterstand. Veel voorkomende soorten zijn hierdoor wilg en els, en een enkele es en berk. Binnen de linten is de beplanting langs wegen gevarieerder en bestaat uit populier, kastanje, es, esdoorn, wilg en plataan. De erven geven een nog gevarieerder beeld: verschillende soorten fruitbomen, haagbeuk- en ligusterhagen, leilindes en –platanen, en onder andere elzen, wilgen, essen, populieren, paardekastanjes en esdoorns. Beeldkwaliteit De beeldkwaliteit behandelt de waardevolle visuele kenmerken en kwaliteiten van het buitengebied. De beeldkwaliteit zegt iets over de oorspronkelijkheid van het landschap, geeft aan welke kwaliteiten bepalend zijn voor de identiteit van een gebiedsdeel, en verhaalt over situering van bebouwing, bouwmassa’s, bouwstijlen en Wilgen spiegelen in het water (foto P.A. Versbot, deelnemer het lokale gebruik van bijvoorbeeld kleur, maatvoering en materiaalgebruik. De behandeling van de beeldkwaliteit volgt enkele thema’s. Eerst wordt een nader onderscheid gemaakt in de belangrijkste beplantingselementen, daarna in bebouwingslinten, en vervolgens wordt ingegaan op boerderijerven, de dorpsranden en overige elementen in het landschap. Achterkade en Houtkade De achterkade vormt een wal welke de achtergrens vormt van de ontginning. Als deze is beplant met geriefhout is sprake van een houtkade. Beiden komen in het plangebied veelvuldig voor en vormen als het ware semi transparante groene gordijnen in het open landschap. Ook komen dubbele kaden voor. Tiendweg De Tiendweg ligt op enige afstand van de bebouwingslinten en werd gebruikt om 1/10 deel van de oogst naar de leenheer af te voeren. De tiendweg is niet altijd aanwezig. De Tiendwegen zijn veelal beplant met knotwilgen, -essen en -elzen. Geriefhout en pestbosjes Deze bosjes zijn karakteristiek voor het plangebied. Deze bosjes leverden geriefhout voor de boeren of werden gebruikt om dood vee in te begraven. De ligging varieert, evenals de grootte (ca 200-600m2). Ze zijn omgeven door een ringsloot. Eendenkooi Een eendenkooi bestaat uit een langgerekte plas met diverse vangarmen, omgeven door beplanting. De eendenkooien dienden om eenden te vangen, maar zijn nu niet meer in gebruik. Wel vormen ze relicten van een vroegere gebruiksvorm. Ze zijn door hun opgaande beplanting opvallend aanwezig in het open landschap. Griend De grienden bestaan uit wilgenpercelen welke om de paar jaar of jaarlijks gekapt of gesneden worden. In het plangebied liggen nog slechts enkele grienden. Wegbeplantingen Langs de weteringen komt in het algemeen een enkelzijdige of dubbelzijdige beplanting voor. De lokale noord-zuidwegen zijn in het algemeen begeleid door boombeplanting. De provinciale weg N210 ten zuiden van Lopik heeft overwegend een onbeplant karakter. Het oostelijk deel ten zuiden van Benschop is wel gedeeltelijk beplant. De N 204 die in noordelijke richting het landschap doorkruist is overwegend onbeplant. De N228, die de zuidelijk dijk volgt van de Hollandsche IJssel is slechts over kleine gedeelten beplant. Achterkade Onbeplante brede watergang Tiendweg Verspreide geriefhoutbossen Linten In het algemeen zijn de linten eerst langs natuurlijke veenstroompjes, later langs gegraven weteringen ontstaan. De ontginning heeft geleid tot een slagenlandschap met copeverkaveling en bebouwing dicht op de weg, meestal kavelrichting volgend, met doorzichten naar het achterland. Hier en daar zijn nieuwe wegen met ruilverkavelingsboerderijen, op grote afstand tot elkaar en vaak met zware erfbeplanting. Bij een veenontginning is sprake van een lint in veengebied, vaak met een a-symmetrische opbouw, waarbij aan één zijde van een kronkelende watergang een weg ligt, die aan twee zijden bebouwd is. Bij een polderlint in een kleigebied is in het algemeen sprake van een centrale watergang met symmetrisch aan twee zijden boerderijen: aan weerszijden een weg met daaraan eenzijdige bebouwing, aan één zijde een weg, aan weerszijden bebouwd met bruggen, aan weerszijden een weg, met aan één zijde een enkel bebouwingslint en aan de andere zijde een dubbel bebouwingslint (doordat aan de weteringszijde eerst hennepveldjes hebben gelegen, bv Lopik). De karakteristiek van het lint beperkt de dynamiek: er zijn beperkte bebouwingsmogelijkheden, vaak alleen middels sloop en nieuwbouw. De doorzichten naar het achterland, de oriëntatie van de bebouwing op het water of de verkavelingsrichting, de één- of tweezijdige bebouwing, en zware erfbeplanting bij de nieuwe polderlinten zijn bepalend voor de waardering. Er kan welstand worden toegepast op de situering van de woningen ten opzichte van het veenontginnings- of polderlint, de oriëntatie van de woning op het water of de kavelrichting, en openheid en doorzichten vanuit de linten naar het open landschap. Knotwilgen bij Blokland (foto: G. Abel, IJselstein, deelname aan fotowedstrijd “Het Groene Driehoek” 2004) Eendenkooi Blokland (foto van J.G. Romijn; deelname aan fotowedstrijd “Het groene Driehoek” 2004) Wegbeplanting Beplant lint 1 Dubbelzijdig lint: Cabauw 1Dubbelzijdig hoofdlint: Cabauw - Lopikerkapel Een dicht lint rond de Lopikerwetering met aan twee zijden een boerderijlint en op een aantal plaatsen een middenlint met woningen. De enkele boerderij met grote bedrijfsgebouwen ligt tussen de burgerwoningen. Een aantal agrarische bedrijven zijn omgezet in een andersoortige onderneming, zoals een caravanstalling, garage, camping, materiaalhandel of aannemerij. Deze bedrijven wijken door hun vaak parallelle in plaats van haakse oriëntatie af van de andere bebouwing en verstoren met hun situering en massa de beeldkwaliteit van het lint. De wegbeplanting is vaak middelhoog en gevarieerd, zoals populier, kastanje, es, esdoorn, wilg en plataan. De achterkanten van de linten zijn erg groen, en niet hard of irritant. 2 Dubbelzijdig hoofdlint: Polsbroek - Benschop 2Dubbelzijdig hoofdlint: Polsbroek - Benschop Het lint van Polsbroek en Benschop is minder dicht bebouwd als dat langs de Lopikerwetering en kent veel minder burgerwoningen. Het lint is breder van opzet, de erven zijn minder ‘vertuind’ en de bebouwing meer in verhouding tot elkaar. De oude boerderijen staan dicht op de weg met tussendoor vergezichten. Veel bedrijfsgebouwen zijn authentiek, zoals de vierkante hooimijten met drie palen die in het gebied voorkomen. De erfbeplanting loopt tot de weteringen aan de noord- en zuidzijde door, en aan de sloten tussen de erven staan knotbomen. Aan de weg liggen bushaltes en moeten fietssuggestiestroken de verkeersveiligheid vergroten. In Polsbroek ligt een fraaie kruising van waterlopen en recreatie routes. Over de wetering liggen bruggen voor autoverkeer en bruggen die enkel voor voetgangers geschikt zijn. (zie afb. 2) 3 Dubbelzijdig dijklint: Lange Linschoten 3Dubbelzijdig dijklint: Lange Linschoten Langs dit kronkelige veenstroompje staan verspreid boerderijen, in lijn met de kavelrichting. De erfbeplanting varieert sterk qua aard, grootte en groepering. Langs de centrale waterloop en de wegen aan weerszijden staan knotwilgen. Deze wegen hebben beiden een smal profiel en worden met enkele bruggen verbonden. De boerderijen liggen op wisselden afstanden van de weg en burgerwoningen komen relatief weinig voor. ((zie afb. 3) 4 Dubbelzijdig dijklint: Hollandsche IJssel 4Dubbelzijdig dijklint: Hollandsche IJssel De dijklinten rond de Hollandsche IJssel hebben een geheel andere opbouw. De grote boerderijen staan in de polders met doorzichten ertussen. De boerderijen staan afhankelijk van de kromming in een hoek aan de weg. Op een bepaalde afstand van de erven ligt de beplante tiendweg, zonder dat de erfbeplanting tot hier doorloopt. Aan de dijk staan op verschillende trajecten grotere laanbomen langs de weg. De buitendijkse gronden zijn verschillend ingevuld: boomgaarden, bebouwing en bedrijvigheid tussen open weiden. De erven geven hierdoor soms een onrustig, of zelfs een onaantrekkelijk beeld. De smalle Hollandsche IJssel kent maar weinig bruggen en de uiterwaarden weinig sloten. (zie afb. 4) 5 Dijklint: Willige Langerak 5Dijklint: Willige Langerak Vanaf de dijk kan men tussen de erven door uitkijken over de graslanden. Op zo’n 350 meter ligt de tiendweg waarvan de beplanting her en der onderbroken wordt door doorzichten. Vanaf de erven lopen beplantingssingels door tot aan de tiendweg. Tussen de erven ontbreken veelal de sloten, welke op enige afstand van de dijk beginnen. De erfbeplanting bestaat meer uit grotere solitairen dan uit knotbomen. De agrarische bedrijvigheid wordt hier en daar afgewisseld met een burgerwoning. Op en langs de dijk staan meerdere dijkmagazijnen en dijkpalen. (zie afb. 5) 6 Enkelzijdig lint: Hoenkoop 6Enkelzijdig lint: Hoenkoop Aan één zijde van de Hoenkoopse Buurtweg liggen grote boerderijen, welke met bruggen of duikers zijn ontsloten, met daar tussendoor vergezichten. Langs de weg staan vooral knotwilgen, en op enkele plaatsen essen. Op de voorgrond ligt de achterwetering, maar de erfbeplanting loopt niet tot hier door. (zie afb. 6) Boerderijerven Uit: “Boerenerven in de provincie Utrecht – Kromme Rijngebied en Lopikerwaard” van T. Blekkenhorst en Y. Ezendam. De boerderij en het erf zeggen veel over het landschap: de bodemgeschiktheid die de economische situatie bepaalde, de bedrijfsvoering, en het nut en de noodzaak van beplanting. Langzamerhand zijn boeren minder afhankelijk geworden van de natuurlijke mogelijkheden van hun streek. Nieuwe hulpmiddelen, zoals tractoren en machines, hebben andere eisen aan het erf en het land gesteld. Veel boerderijen hebben hun bedrijvigheid verloren en hebben een woonfunctie gekregen. Vaak veranderde met de inrichting ook de logica van het erf. In de eerste eeuwen na het ontginnen van het veen was de akkerbouw van veel betekenis. Producten als hennep voor de touwslagerijen en graan en hop voor de bierbrouwerijen kwamen van de akkers. Op den duur werden deze gronden echter te nat, waardoor alleen veeteelt nog mogelijk was. Wat is het traditionele beeld? “Het hoofdgebouw is meestal een langhuis- of T- boerderij met lange zijgevels en een afgewolfd rieten dak. De hooiberg staat pal achter de boerderij, verbonden met een gangetje (hooiloosje) om het hooi droog binnen te halen. Naast het voorhuis staat het zomerhuis, dat in de zomer als verblijf werd ingericht, wanneer het woonvertrek voor de kaasmakerij werd gebruikt. Langs de boerderij ontsluit een grindpad het erf. Op het achtererf staat een houten of stenen schuur voor het jongvee en de varkens. Daarbij staan ook de mestvaalt, de kuil met laat geoogst gras en de houtmijten voor de opslag van stookhout. Voor het huis ligt de siertuin, het domein van de boerin. De (medaillon-vormige) perken liggen in een gras- of grindvlak en zijn beplant met rode rozen, violen of begonia’s. De voorgevel wordt vaak beschaduwd door leibomen. Het boenhok stond tussen het huis en de sloot en diende om het kaasgerei of andere zaken te reinigen. Traditionele boerderij en erf Het eiland met de boerderij is van oorsprong veelal spaarzaam beplant, met slechts een enkele populier, paardekastanje of es aan de zuidwestzijde voor de luwte en bescherming van het rieten dak. Soms aangevuld met een pruimen-, appel-, peren- of kersenboom. Langs de slootkant staan knotwilgen. Naast dit eiland zijn vaak kleinere eilanden ontstaan, welke als moestuin, boomgaard, koebocht of geriefhoutbosje worden gebruikt. Qua onderhoud is het achtererf onderhoudsextensief en het voorerf, het domein van de boerin, onderhoudsintensief. Een simpel boerenhek van zwart geteerde planken geeft toegang tot het land.” “De boerderijen in het gebied behoren tot het ‘hallehuis- type’, waar het bedrijfsgedeelte aan het woongedeelte vastzit. Dit is in de 11de eeuw ontstaan en heeft een brede, hoge middenbeuk en lage zijbeuken. Doordat veeteelt overheerste is de deel smal. Het hoofdgebouw van dit type heeft zich ontwikkeld tot langhuis, kruk- en T-huis. Het T-huis heeft onder de opkamer een kaaskelder met pekelbak. Daarboven waren de opkamers, waaronder de kaaskamer voor het drogen van kaas en de pronkkamer. De gevels zijn doorgaans van rode baksteen of kloostermoppen, soms wit gepleisterd. De meeste boerderijen hebben een rieten dak.” “De tuin was in de eerste plaats nuttig. De gewassen waren beschermd tegen vraatzuchtige dieren en wind door middel van een doornhaag. De moestuin bestond uit een aantal langgerekte bedden met daartussen paadjes van platgestampte aarde. Soms was een bed gevuld met bloemen. De boomgaarden met hoogstam- of halfhoogstamfruitbomen werden tegen weer en wind beschermd door knotwilgen of –elzen Moderne boerderij en erf langs de slootkant. Om in de eigen behoefte aan hout te voorzien werden veel geriefhoutbosjes aangeplant, meestal aan de zuidwestkant van het erf. Deze werden ook wel pestbosjes genoemd als hier vroeger dieren werden begraven die aan een besmettelijke ziekte waren bezweken. Op het achtererf vormde vaak een boomgroep, singel of houtwal beschutting voor het melken van de koeien, de zogenaamde koebocht. Verder op het land lagen soms eendenkooien om wilde eenden te vangen.” Het gebied kent nog veel monumentale boerderijen, vooral langgevelboerderij en een enkel krukhuis of T- boerderij, verspreid over de vele linten. De erfbeplanting is essentieel voor de aanblik van de agrarische bedrijven. Een groot aantal boerderijen heeft nog een opbouw die sterk gerelateerd is aan het traditionele erf. Zo staan aan de westkant van de boerderij veelal leilinden, en kent het erf vaak een kleine moestuin, enkele hoogstamfruitbomen, soms een washuisje, een hooimijt en eventueel extra stallen. Door de dichte beplanting en de donkere kleur valt de bebouwing niet op. Meestal zijn de recreatieve voorzieningen zoals kanoverhuur en campings goed ingepast, maar er is niet altijd voor de juiste beplantingssoort gekozen. Dorpsranden Het gebied kent vooral het zicht op de lintbebouwing. Deze achterkanten zijn veelal groen en op grote afstand van de kijker, waardoor deze niet negatief overkomen. Bij de kern Jaarsveld ontstaat een contrast tussen het bos rond het landhuis en de nieuwbouw aan de oostrand. Verder naar het westen staan langs de dijk fraaie, statige boerderijen en een enkele manege. Tussen de nieuwbouw van Lopik en de dijk zijn nieuwe wandelpaden aangelegd tussen enkele bossages die de dorpsrand afschermen. De kernen van Cabauw en Polsbroek zijn niet zo groot en opvallend. De rand van Benschop is goed zichtbaar vanaf de N210 en wordt benadrukt door het aangelegen Wilhelmina’s Hof, al is de uitbreiding vanuit het lint niet zo opvallend. De bedrijventerreinen sluiten meestal aan op de kernen en liggen vrij autonoom in het landschap, soms als vreemd element in de polders. De randen ervan zijn verschillend afgewerkt, waardoor het aanzicht meer of minder aangenaam wordt ervaren. De stadsranden van Montfoort en Oudewater worden daarentegen als dominant ervaren. Zo is de witte, westelijke stadsrand van Montfoort vanaf de Lange Linschoten van verre opvallend. De zuidelijke stadsrand van Montfoort is veel minder opvallend aanwezig doordat een ruimte is overgelaten tussen de rand en de Bloklandse Dijk. De stadsranden van Oudewater vanuit het oosten en zuiden worden door de aanwezigheid van beplanting niet als dominant ervaren. Het zicht op de noordkant van Oudewater, is niet opvallend storend. Overige elementen In het zuidoosten van de Lopikerwaard liggen enkele terreinen van defensie met barakken en loodsen binnen een dichte beplanting. De terreinen zijn vreemde elementen in het landschap, maar komen door hun groene karakter niet storend over. In het hele gebied worden geleidelijk zaken veranderd of toegevoegd. Zo zijn in het kader van ruilverkaveling Driebruggen boven Ruigeweide enkele nieuwe boerderijen gebouwd. In de linten worden soms nieuwe woningen gebouwd of nieuwe bedrijvigheid gesitueerd. Zo liggen al veel maneges en ander stedelijk gebruik in het buitendijkse gebied van de Hollandsche IJssel. En de stadsrand wordt tastbaar bij de volkstuinen bij landgoed Linschoten. Een goede beeldkwaliteit is onder andere positief voor de recreatie en toerisme. Zo vormen de kernen van Jaarsveld en Linschoten met landgoed en hun omgeving een interessant ensemble dat zich goed voor deze doelgroep leent. Een minder goed voorbeeld is het recreatieterrein Salmsteke dat kaal en open in de uiterwaard ligt met de fraaie dorpsrand van Ameide aan Zicht op de noordwestzijde van Oudewater over het toekomstige Veenweidepark EcozoneDamweg (prijswinnende foto G. Abel bij fotowedstrijd) Natuurreservaat Willeskop (Snoek, deelnemer fotowedstrijd) 2.5Ecologie Geschiedenis Het plangebied is in de eerste plaats een cultuurlandschap. Stroomruggen en veenkommen zijn lang geleden ontgonnen, bebouwd en in (intensief) agrarisch gebruik genomen. De middeleeuwse ontginners vestigden zich op de zandige stroomruggen. De veenbodem lag weliswaar hoger maar was te slap. Deze werd na ontwatering bebouwd met graan. Door bodemdaling (inklink) was ontwatering op een gegeven moment alleen nog mogelijk met bemaling. Om verder inklink te voorkomen werd het polderpeil hooggehouden. De veenvlakte was alleen nog geschikt voor de melkveehouderij. Zo ontstond een vaste ruimtelijke patroon: de hoge stroomrug met de hofsteden, boomgaarden, moestuinen en hoog geboomte en de lage en open veenweide met verspreide krengbosjes, eendenkooien en houtkades. De kern van de polder was van oorsprong voedselarm en werd alleen gebruikt als hooiland. Van hieruit stroomde het overtollige regen- en kwelwater via greppels, sloten en tochten naar het gemaal, waar het water werd uitgeslagen op de voedselrijke boezem. Deze omgekeerde gradiënt van laag en voedselarm naar hoog en voedselrijk is door de intensivering van de landbouw in de laatste decennia verloren gegaan. De schrale hooilanden zijn vrijwel verdwenen. Alles is ‘vette weide’ geworden. Ook andere niet-productieve elementen zoals boezemlanden, houtkades en eendenkooien staan onder druk en overleven slechts als natuurreservaat. En nog steeds vallen er slachtoffers onder de landschapselementen in het gebied nu niet meer zozeer door de intensivering van de landbouw maar door verstedelijking, recreatie, infrastructuur. Flora en fauna Hieronder worden per deelgebied de belangrijkste ecologische processen en karakteristieke planten- en diersoorten besproken. De ecologische analyse is grotendeels gebaseerd op de provinciale inventarisatie van
  9. Rivier en uiterwaarden In de uiterwaarden hebben natuurlijke processen de overhand. Benedenstrooms van Hagestein staat de Lek onder invloed van het getij. De met de rivier in open verbinding staande geulen vallen droog bij eb. Bij vloed wordt in deze getijdekreken veel zand afgezet. Het mooiste voorbeeld hiervan is de Binnenlek. Aan de oostkant is deze afgedamd middels een strekdam verbonden met een zandplaat ‘de Bol’. Tegen de zandplaat zijn oeverwalachtige afzettingen gevormd. Daar waar het zand niet is begroeid, heeft de wind vrij spel en ontstaat een heus rivierduin. Stroomdalgraslandplanten Het meest kenmerkend voor de Lek en zijn uiterwaarden zijn de graslandvegetaties van de zandige, kalkrijke bodems van oeverwallen, rivierduinen, kaden en winterdijken. Karakteristieke stroomdalgraslandplanten zijn Nachtkoekoeksbloem, Kamgras, Kattedoorn, Goudhaver, Moeslook, Kruisbladwalstro, Bochtige klaver. Deze soorten staan op de rode lijst, d.w.z. ze hebben in Nederland een bedreigd bestaan. De stroomdalflora concentreert zich in de graslanden van Staatsbosbeheer bij de Bol. Kwelplanten Bij hoge rivierstanden ontstaat er buitendijks een grondwaterstroming vanuit de rivier onder de zomerkades door naar de uiterwaarden (rivierkwel). In dit kwelmilieu groeien karakteristieke soorten Grutto (foto: K. de Leeuw) Ecologie Gebieden met waardevolle natuur als Lidsteng, Waterviolier, Holpijp, Dotterbloem, Waterdrieblad en Bosbies. De (gegraven) laagtes aan de voet van de Lekdijk zijn rijker dan de binnendijkse poldersloten. Oeverplanten Een laatste groep van bijzondere riviersoorten zijn de oeverplanten, die zijn aangepast aan het getij. Voorbeelden hiervan zijn Spindotterbloem, Ruwe en Driekantige bies, Gevleugeld sterrekroos. De soorten groeien in uitgestrekte velden. Vissen De rivier is natuurlijk is de eerste plaats belangrijk voor de waterfauna, de vissen in het bijzonder. Op het betreffende Lektraject (km 953-970) zijn sedert 1990 30 vissoorten waargenomen, waaronder 9 van landelijk of communautair belang (zie bijlage 1). De opmerkelijkste vangsten werden gedaan in de nieuwe natuurontwikkelingsplas de Horde bij Uitweg. Hier werden in 2001/2002 jonge vissen van Dunlipharder, Sneep, Serpeling en Zeebaars verzameld. Overige fauna In de Lekuiterwaarden leven ook bijzondere amfibieën, waaronder de richtlijnsoorten Kamsalamander en Heikikker. Deze planten zich voort in de sloten, poelen en kleiputten van de uiterwaarden. Verder zijn de uiterwaarden van belang voor weidevogels en overwinterende zwanen, ganzen en eenden en broeden er (in lage aantallen) enkele (Europees en nationaal) bedreigde vogels als Bruine kiekendief, Visdief, Kwartelkoning, Porseleinhoen, Klein en Kleinst waterhoen, Blauwborst en Rietzanger. Vanwege grondwerkzaamheden (klei- en zandwinning, natuurontwikkeling) zijn er de laatste jaren ook vestigingsmogelijkheden ontstaan voor (bedreigde) pioniersoorten als Oeverzwaluw en Kluut. Zwarte Stern: balts (foto: K. de Leeuw) Stroomrug en linten De oude ontginningsassen volgen min of meer de loop van oude riviertjes en kreken. De (kalkhoudende) kleiige en zandige afzettingen hiervan onderscheiden zich ook floristisch van de omringende zure veenvlakte. Bloemrijk grasland Het voorkomen van de kensoorten van het Glanshaverhooiland zoals Aardaker, Veldlathyrus, Knoopkruid, Wilde peen, Groot streepzaad e.d. volgt voor een deel de stroomruggen, voor een ander deel lijkt ze vooral gebonden aan de brede bermen van de moderne infrastructuur (rijks- en provinciale wegen, spoorlijnen). De gemeentelijke bermen lijken uitgestorven. Het is opvallend hoe arm de stroomrug van de Hollandse IJssel is aan soorten van bloemrijk grasland. Nog in de zeventiger jaren van de vorige eeuw waren de bermen van de wegen langs het riviertje violet gekleurd van Aardaker, een beschermde plantensoort. Deze komt in het plangebied nu alleen nog voor op drie plaatsen langs de Haardijk bij Linschoten. Broedvogels De broedvogels van de bebouwingslinten zijn cultuurvolgers. Deze hebben meestal een algemeen voorkomen. Een uitzondering hierop is de Steenuil. Deze rode-lijstsoort heeft in Zuidwest Utrecht een (relatief) bolwerk (> 30 broedparen). De soort is holenbroeder (knotwilgen) en afhankelijk van kleinschalig agrarisch landschap met hagen, overhoekjes, ruigtes. Dergelijk landschap wordt steeds meer opgeruimd. Woelmuizen en regenwormen zijn het stapelvoedsel. Andere opmerkelijke cultuurvolgers zijn Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Torenvalk en Patrijs. Fuut is een karakteristieke boezemwaterbroedvogel. Overige fauna Ook de overige fauna van de bebouwingslinten telt weinig kwetsbare soorten. Wel zijn een aantal zoogdieren juist aan dit landschapstype gebonden. Zwarte Stern met jongen (foto: K. de Leeuw) Dit betreft o.a. Egel, Huisspitsmuis, Dwergvleermuis, Laatvlieger, Bunzing, Konijn. De visfauna van de (tussen)boezem (Hollandsche IJssel, Lange en Korte Linschoten, de diverse weteringen) is rijker dan die van de poldersloten. Enkele specifieke soorten zijn Graskarper, Karper, Snoekbaars, Paling, Pos en Winde. Verspreid over het gebied komt de Kleine modderkruiper voor (zie figuur). Van de groep Amfibieën komt de Bruine - en Groene kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander algemeen voor. Zeldzamer zijn Heikikker en Rugstreeppad, terwijl het voorkomen van de Kamsalamander slechts bekent op enkele plekken nabij de Lek. Veenweide Sloot(kant)vegetatie Nu de schrale hooilanden vrijwel zijn verdwenen hebben de floristische waarden in de veenweide zich teruggetrokken naar de sloten en slootkanten. Met name sloten die gevoed worden door diepe (mineraalrijke) kwel lijken kansrijk. De verspreiding van typische kwelplanten als Dotterbloem, Waterdrieblad, Lidsteng, Waterviolier, Moerasaardbei en Bosbies correspondeert maar ten dele met de kwelkaart (zie hoofdstuk Watersysteem). De beheersintensiteit is ook belangrijk. Langs de sloten van polder de Ruige Weide komen nog volop soorten van schrale omstandigheden zoals Dwergzegge, Blauwe zegge, Blaaszegge, Kamvaren, Veelbloemige veldbies, Veldrus en Moerasviooltje voor. Blijkbaar is het agrarisch gebruik hier minder intensief dan in de andere polders. Voor zover bekend is deze polder niet in eigendom van een natuurbeschermingsor ganisatie. Figuur 1: verspreiding de Kleine modderkruiper in Zuidwest-Utrecht Bron (kaart en foto): Th. de Jong, R. Beenen, P. Heuts: Atlas van de Utrechtse vissoorten. Provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. 2003 Bosplanten De bosplanten van Zuidwest Utrecht als Boszegge, Heksenkruid, Reuzenzwenkgras, Gewoon nagelkruid, Grote keverorchis, Groot springzaad, Zwarte bes, Aalbes en Bosandoorn zijn karakteristiek voor kleibodems. Hun verspreiding markeert de ligging van de houtkadesen eendenkooien. Deze zijn echter matig soortenrijk (tot 4 soorten). De Hoge Grienden van Staatsbosbeheer zijn al rijker (tot 6 soorten). Echt soortenrijk zijn de bossen bij Linschoten (Wulverhorst, Schanschbosch). Opvallend is de grote rijkdom (17 soorten) van de twee kleine bospercelen tussen de bebouwde kom van Linschoten en de Korte Linschoten. Weidevogels De belangrijkste natuurwaarde van de polders betreft de weidevogels. In de open weide broeden o.a Kievit, Grutto,Tureluur, Scholekster, Slobeend. Kritische soorten als Watersnip, Zomertaling komen nog slechts in zeer lage aantallen voor. Kemphaan en Wintertaling zijn (vergeleken met 50 jaar geleden) als broedvogel verdwenen; Scholekster, Krakeend, Kuifeend, Nijlgans, Grauwe gans, Knobbelzwaan, Zwarte zwaan zijn verschenen. Figuur 2 toont de kwaliteit van een aantal gebieden. Deze lijkt zich in het westen te concentreren. Uit aanvullende gegevens van de agrarische natuurvereniging blijkt dat ook in het oosten van de Loopikerwaard diverse concentratiegebieden van weidevogels voorkomen, zie de kaart ecologie. Verder is de polder belangrijk foerageergebied van een aantal grote (en bijzondere) vogels die elders (in de Nieuwkoopse plassen en Zouweboezem aan de overzijde van de Lek) broeden zoals Ooivaar, Purperreiger, Bruine kiekendief en Aalscholver. Overige fauna De poldersloten zijn (voortplantings)habitat van een amfibie- en een vissoort van communautair belang, t.w. Heikikker en Kleine modderkruiper (Zie figuur 1 voor de verspreiding.). Andere karakteristieke kikker- en vissoorten zijn Groene kikker, Meerkikker, Bruine kikker, Vetje, Tiendoornige stekelbaars. Zoogdiersoorten van de polder zijn o.a. Muskusrat en Hermelijn, maar ook Bunzing wordt tot ver in de polder waargenomen (in houtkades). In Zuidwest-Utrecht worden jaarlijks ca. 7000 Muskusratten weggevangen. De populatie is tamelijk stabiel. Haas is een andere specifieke polderzoogdiersoort. De poldersloten zijn ook rijk aan libellen. Op basis van de beperkte hoeveelheid (provinciale) waarnemingen mag geconcludeerd worden dat de polders ten noorden van de Hollandsche IJssel het rijkst zijn. Mogelijk hangt dit samen met de aanwezigheid van bosjes, die zorgen voor windluwe vliegplekken. De Groene glazenmaker ontbreekt overigens in het gebied (wel in Noordwest-Utrecht). Deze richtlijnsoort is gebonden aan Krabbescheer. Krabbescheer is indicator van schoon water en komt plaatselijk in de poldersloten van het plangebied voor (wel sterk achteruitgaand). Conclusie Nevenstaand schema toont van het belang van de hierboven besproken soortengroepen en het zwaartepunt van hun verspreiding over de verschillende deelgebieden. De rivier en de uiterwaarden zijn voor de flora (stroomdalplanten) en fauna (vissen, moerasvogels) van (inter)nationaal belang. Binnendijks zijn de natuurwaarden vooral van regionaal niveau. Het betreft met name de weidevogels aan de westzijde van de Lopikerwaard, de kleibosplanten bij Linschoten en de water- en moerasplanten in polder Ruige Weide, Polder Noord-Linschoten en Polder Blokland (zie kaart Ecologie). De begrenzingen op deze kaart zijn gebaseerd op de actuele waarnemingen, in overleg met de provincie. De overige natuurwaarden komen verspreid voor, sommige in de polder zoals de streng beschermde Heikikker en Kleine modderkruiper, andere meer bij de bebouwing van de stroomruggen zoals Steenuil en Aardaker. De ganzen foerageren over het hele veenweidegebied en in de uiterwaarden. Wat betreft de libellen,vissen en amfibieën zijn de verspreidingsgegevens te onvolledig om een scherp beeld te presenteren. Figuur 2: Weidevogelkwaliteit in Zuidwest- Utrecht, onderzocht vanaf 1993, Provincie Utrecht De boer maait de graslanden Incidenteel worden schapen gehouden 2.6Landbouw De drie plattelandsgemeenten beslaan een gezamenlijk oppervlak van 15.730 ha. Hiervan bestaat zo’n 79% uit landbouwgrond, 18% uit overig land en 3% uit water. De bevolkingsdichtheid is gemiddeld 207 inwoners per km². Montfoort is met 323 inwoners per km² (ruim 3 inwoners per ha) het dichtsbevolkt, Lopik en Oudewater zijn met respectievelijk 180 en 175 inwoners per km² iets minder bevolkt. Dit gemiddelde ligt in 2002 ver onder het landelijk gemiddelde van 475 inwoners per km² (CBS-statline). Van oorsprong zijn op de stroomruggen verschillende vormen van landbouw ontstaan: tuinbouw, akkerbouw en fruitteelt. De laaggelegen veengronden waren net na ontginning nog geschikt als akkertjes; al snel daarna werden het hooi- en weidegronden. Op de meest natte plekken ontstonden tussen de middeleeuwen en de 19de eeuw eendenkooien om het vlees in de steden te verkopen. In de tweede helft van de 20ste eeuw hebben de ruilverkavelingen Lopikerwaard en Driebruggen plaatsgevonden. Vanaf 1979 is de uitvoering van beide plannen gestart. In de Lopikerwaard zijn totaal dertig boerderijverplaatsingen gerealiseerd vanuit de lintbebouwing naar minder dicht bebouwde gebieden. Het aantal bedrijven van meer dan 30 hectare is fors toegenomen van 5% in 1970 tot 52% in
  10. De melkveehouderij is het dominerende bedrijfstype. De meest voorkomende kaveldiepte bedroeg 1200-1400 meter. Deze kavels waren voor een efficiënte agrarische bedrijfsvoering te lang en vaak ook te smal en zijn in de ruilverkaveling heringedeeld. Ook zijn er wegen gereconstrueerd en aangelegd en in enkele gevallen aangevuld met een vrijliggend fietspad, zoals langs de Lopikerwetering. De wegen zijn vaak op de keurhoogte van het waterschap gebracht. In sommige gevallen bleek de slappe bodem grote problemen op te leveren voor de weg, zoals bij de Noordzijdseweg in Polsbroek, of voor de buizen en bekabeling. Er zijn tevens verschillende voepaden en kanoroutes aangelegd. Ook zijn de natuurreservaten Benschopper Boezem, Willeskop en Broek en Blokland aangelegd. Daarnaast is een aantal ecologische verbindingszones in het plan verwerkt en zijn enkele landschappelijke beplantingen versterkt. Ook de herinrichting Driebruggen heeft geleid tot de instelling van natuurreservaten, een beheersgebied, boerderijverplaatsingen en aanpassingen in de waterhuishouding en de landschapsstructuur. Momenteel zijn er in het hele plangebied veel ontwikkelingen op het gebied van agrarisch natuurbeheer. In alle drie de gemeenten is een convenant afgesloten met de GLTO over de in stand houding en het beheer van kleine landschapselementen. Ook kennen de gemeenten de Beleidsregel stankhinder in plaats van de Wet Milieubeheer om de agrariers tegemoet te komen. Het gebied is voor ongeveer 80% in gebruik door graasdierbedrijven, voornamelijk melkveehouderijen, en ligt daarmee ruim boven het landelijk gemiddelde. Het domineren van dit bedrijfstype in het weidegebied is een logisch gevolg van de bodemgesteldheid. Voor de rest is er zo’n 10% tuinbouw en blijvende teelt, 3% hokdier, 1% akkerbouw en 5% combinaties van bedrijfstypen. Het aantal agrarische bedrijven daalt over het algemeen sterk: tussen 1992 en 2002 is een kwart van de bedrijven beëindigd. Het oppervlak per agrarische bedrijf neemt met de jaren wel toe. In de afgelopen 10 jaar is slechts 80 ha agrarische grond omgezet in ander gebruik. Over het algemeen neemt het grondgebruik in het plangebied bij de akkerbouw in hectares iets toe, ten koste van de tuinbouw en de hokdierbedrijven en blijft het opppervlak bij de graasdierbedrijven gelijk. De gemiddelde oppervlakten van de graasdierbedrijven van de drie gemeenten liggen rond het provinciaal en landelijk gemiddelde. Per gemeente blinkt Montfoort uit met relatief grote graasdierbedrijven van gemiddeld 28 ha. In deze gemeente liggen in 2002 16 bedrijven die groter zijn dan 50 ha. De gemiddelde oppervlakten van andere agrarische bedrijfssoorten liggen onder het provinciaal en landelijk gemiddelde, alleen de tuinbouwbedrijven in Lopik zijn iets groter. Door de markt en wetgeving zullen de agrarische ondernemers het in de komende jaren economisch moeilijk krijgen. In Europa wordt de subsidiekraan dichtgedraaid, de markt geliberaliseerd en de water- en milieuwetgeving aangescherpt. Dit samengenomen met de handicap van de bodemgesteldheid in het veenweidegebied en de hoge grondprijzen en arbeidskosten in Nederland zorgt voor een slecht agrarisch klimaat. Daarbij komt dat de bedrijfshoofden vaak op leeftijd zijn (40% is ouder dan 55 jaar) en meer dan 75% geen opvolger heeft. Een deel van de vrij komende gronden zal voor agrarische bedrijfsvergroting worden gebruikt, de rest zal anders moeten worden bestemd. Recreatie Verblijfsrecreatie en attractiepunten Wandel- en fietsroutes 2.7Recreatie Recreatiemogelijkheden zijn in bescheiden vorm binnen de drie gemeenten aanwezig. Voor de dagrecreatie is er een grootschalig buitendijks terrein langs de Lek ingericht; De Salmsteke in de gemeente Lopik. Het terrein is 22ha groot en biedt ruimte aan 850 bezoekers. Het terrein is sober ingericht en voorziet in ruimte voor 160 parkeerplaatsen, een recreatieweide, strand, kleuterbad, speeltoestellen, toilet, banken, picknicktafels, dagcamping, trimbaan, fiets- en voetveer en bescheiden horeca. Het recreatieschap de Stichtse Groenlanden exploiteert dit terrein. Ook is hier een (voet-) veerverbinding naar Ameide. Voor verblijfsrecreatie zijn er enkele mogelijkheden. Kampeerterreinen liggen met name in de omgeving van Oudewater; De Boerderij, De Lange Linschoten, Het Statenland, De Mulderije en De Boogaard in de gemeente Oudewater en Westenburg en Klein Scheveningen in de gemeente Lopik. Bed & Breakfast overnachtingen zijn mogelijk op enkele plaatsen verspreid in het plangebied. Er zijn enkele hotels, zoals in Oudewater, Benschop, Polsbroekerdam en Achthoven- West. Langs de Lek ligt een groot bungalowpark, opvallend in het landschap. In het plangebied liggen enkele lokaal georiënteerde musea; Museum Art & Velvet Gallery ‘De Stierestal’ in Willeskop, Natuurmuseum ‘De Wielewaal’ in Willige Langerak en Touwmuseum ‘De Baanschuur’ en de Heksenwaag in Oudewater. In het buitengebied liggen verder enkele sportcomplexen, maneges en zwembaden met een lokale functie. Alhoewel het aantal wegen en paden in het buitengebied beperkt is, leent het landschap zich voor recreatief medegebruik. Door het gebied liggen diverse fiets- en wandelroutes. Naast de fraaie linten zijn er echter weinig vrijliggende fiets- en wandelpaden. Wel zijn er enkele onverharde kaden en paden, zoals achterkaden, kerkpaden en Tiendwegen, die door wandelaars gebruikt kunnen worden. Twée van de provinciale projecten van de Agenda 2010 betreffen de verbetering van het wandel- en fietspadennet in het buitengebied van de provincie. De grotere waterwegen, de Lek, de Hollandsche IJssel, de Lange Linschoten en de kortsluiting tussen beiden, de Montfoortsche Vaart, worden gebruikt voor de toervaart. Op enkele plaatsen leent ook het waterstelsel zich voor recreatief medegebruik. Vanuit Polsbroek start een kanoroute. De kanoroute loopt door de Benschopper Wetering met een omleiding langs de Achterkade bij Polsbroek. In de winter is bij voldoende ijsvorming ook het schaatsen een vorm van recreatief medegebruik. De kanoroute loopt door de Benschopper Wetering met een omleiding langs de Achterkade bij Polsbroek. Dagrecreatieterrein Salmsteke mist een landschappelijke inrichting Recreatief medegebruik in het landschap Lokaal beleid 3.Beleidsanalyse Het bestaande beleid is per plan kort samengevat en geeft het meest concrete niveau van het beleid aan. Daarom is de volgorde van lokaal naar Europees niveau aangehouden. 3.1Gemeentelijk beleid Landschapsbeleidsplangemeente Oudewater, RBOI, 1992 Het landschapsbeleidsplan onderscheidt twee landschappen; het rivierkleilandschap met de oeverwallen langs de Hollandsche IJssel en Lange Linschoten en het veenlandschap met een opgestrekte strokenverkaveling met boerderijen op de kavels langs de ontginningsbasis. Als landschapselementen met cultuurhistorische waarde zijn genoemd; de tiendwegen, tiendkaden, geriefhoutbosjes, hoogstamboomgaarden, achterweteringen, de restontginning Blokland, boezemgebieden, eendenkooien, molenplaatsen, bruggen, windmolens en gemalen. De landschapsvisie streeft naar; versterking en ontwikkeling van het ruimtelijk beeld van het plangebied: contrast openheid weidegebieden en beslotenheid linten en oeverwallen, grootschaligheid en kleinschaligheid en samenhang tussen het veenweidelandschap en rivierenlandschap, vrijwaren van nog open Hollandsche IJsseluiterwaarden van storende elementen, ontwikkelen van wandel- en fietsroutes in samenhang met en ter ondersteuning van de landschappelijke structuur. De ecologische visie streeft ernaar de aanwezige natuurwaarden van oever-, slootwater- en graslandvegetaties duurzaam in stand te houden en te ontwikkelen door beheersmaatregelen, aanwezige landschapselementen en andere houtachtige vegetaties te behouden en versterken voor planten en dieren in het gebied, met prioriteit aan de te ontwikkelen ecologische hoofdstructuur (bijv. Benschoppermolenvlietkade), potentiële natuurwaarden binnen EHS ontwikkelen door inrichtings- en beheersmaatregelen (bijv. uiterwaard De Buitenlanden, het boezemgebied ten oosten van de Damweg en restontginning Blokland). De beheervisie is gericht op de realisering en versterking van de in de beleidsvisie genoemde elementen en aangepast beheer ten behoeve van een optimale conditie van elementen die in het landinrichtingsplan Lopikerwaard als ‘te handhaven…’ staan aangegeven (Goudse straatweg, tiendwegen in de polder Vliet en Dijkveld en polder Willeskop, de Hoenkoopse Buurtweg, de Benschopper Molenvliet, de Provinciale weg en de Bloklandse Dijk). Landschapsbeleidsplan, Gemeente Montfoort, RBOI, 1995 De kwaliteit van het landschap staat onder druk door verandering in de landbouw: schaalvergroting en intensivering hebben geleid tot het verdwijnen van elementen als hoogstamboomgaarden, geriefbosjes en kavelgrensbeplanting. De nota heeft als doel; instandhouding en ontwikkeling van het landschap, toetsing van nieuwe ontwikkelingen, inpassing van gebieden die buiten de (provinciale) ecologische hoofdstructuur vallen en versterking van de onderlinge samenhang van natuurgebieden. Landschappelijke en ecologische waarden staan onder druk; particulieren, waterschap en overige belangengroepen moeten de buiten de ecologische verbindingszones gelegen gebieden instandhouden en ontwikkelen. Afstemming van de verschillende activiteiten door de verschillende betrokkenen is noodzakelijk, middels communicatie, voor de gewenste ontwikkeling en draagvlak. De landschapsbeleidsvisie richt zich op: onderlinge versterking ecologie en landschap, cultuurhistorie en recreatie; een contrast tussen stroomruggen en kommen; patronen behouden en versterken, zoals wegen, kades, dijken en watergangen; landschapselementen behouden en versterken, zoals eendenkooien, boselementen, hoogstamboomgaarden, waterelementen, landgoederen en verdedigingswerken; leefgebieden flora en fauna behouden en versterken, ruimtelijke samenhang versterken, realiseren ontbrekende schakels, versterken natuur binnen bebouwde kom; stimuleren particuliere kleinschalige natuurontwikkeling; afgestemd slootonderhoud watergangen en behoud en ontwikkeling stroomdalvegetaties; behoud doorzichten in de bebouwingslinten; vergroten herkenbaarheid en terugdringen stedelijk karakter Hollandsche IJssel dmv rivierbegeleidende beplanting; behoud openheid stroomrug tussen Linschoten en Montfoort; vergroten herkenbaarheid schans dmv beplanting; behoud en beheer geïsoleerde waterelementen. De beheervisie richt zich op ecologisch bermbeheer, natuurvriendelijk sloot- en oeverbeheer, verschralingbeheer oevers, kades en wegbermen; kleinschalig hakhoutbeheer houtkades en boselementen; gefaseerd beheer boselementen, beheer opgaande wegbeplantingen, beheer beeldbepalende beplantingselementen en passende sortimentskeuzen. Landschapsbeleidsplan gemeente Lopik, Landschappartners, 1997 Het plan gaat uit van een landschapszonering van de Lek met diverse uiterwaarden, de diverse oeverwallen, de komgebieden en de bebouwingslinten. Het plan benoemt de esthetische, ecologische en economische kwaliteiten en de knelpunten daarin. Uitgangspunten landschapsvisie: de geomorfologische opbouw klinkt door in de ruimtelijke uitdrukking en verschaft de gebiedseigen identiteit (uiterwaard, oeverwal, kom); de huidige en potentiële ecologische waarden moeten behouden blijven of ontwikkeld worden; creëren gunstige productieomstandigheden voor de landbouw, met inachtneming van de ruimtelijke opbouw en natuurwaarden; recreatief medegebruik in plaats van grootschalige voorzieningen; behoud landelijke karakter van de kleine kernen. Landbouw: overwegend grondgebonden veeteelt in de komgronden, menging van diverse agrarische grondgebruiksvormen op de oeverwallen en agrarisch natuur en landschapsbeheer in de uiterwaarden. Beplantingsstructuur: tot uiting komen van de opbouw van het gebied, naar de landschapszonering (uiterwaard, kom, oeverwal) en onderscheid in vlak- en lijnvormige elementen. Ecologische structuur: realisering natuurgebieden van formaat in het kader van de ecologische hoofdstructuur: stelsel van verbindingszones in het binnendijks gebied die kleine natuurgebiedjes en de uiterwaarden verbinden, open komgebieden, overige grotere landschapselementen (eendenkooien, defensieterrein), kleinere landschapselementen (wielen, pestbosjes), weteringen en wegbermen. Recreatie: kleinschalige verblijfsaccommodaties op de oeverwallen, kansen voor particulier initiatief, ontwikkeling van onder andere kanoroutes in de komgebieden en natuurwandelpaden in de uiterwaarden. Wonen en bedrijvigheid: kleinschalige uitbreidingen op de kernen zelf, zonder aantasting landschap, niet verder dan de achterwetering en bij voorkeur op de oeverwal. Infrastructuur: uitbreiding regionale wegenstructuur (ir F.E.D. Enschedeweg naar het zenderpark), en betere scheiding van verkeersstromen in de linten. Gemeentelijke Monumentenzorg Lopik heeft 119 rijksmonumenten, ca 5 gemeentemonumenten, het beschermde dorpsgezicht Jaarsveld en circa 150 monumentale en karakteristieke panden, veelal agrarisch karakter, niet geconcentreerd in één kern. Montfoort kent 72 rijksmonumenten, 223 MIP-panden en beschermd dorpsgezicht Linschoten. Oudewater heeft ruim 140 rijksmonumenten en ongeveer 700 panden in het provinciaal MSP project, waarvan 140 gemeentelijke monumenten. De stadskern van Oudewater is beschermd stadsgezicht en een deel van de kern Hekendorp is beschermd dorpsgezicht. Leefkwaliteitplan 2004-2007, Gemeente Lopik Voor een leefbare omgeving is het terugdringen en beheersen van leefkwaliteitverontreiniging (bodem, water, lucht), leefkwaliteithinder (stank, geluid, fijn stof, zwerfafval) en onveilige situaties (vervoer en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen of bedrijvigheid, bodemverontreiniging) noodzakelijk. Alleen kleine en extensieve recreatie, zoals wandel-, fiets- en kanoroutes, of een enkele kleine horecagelegenheid wordt nagestreefd. Vestiging van nieuwe bedrijvigheid in het buitengebied is ongewenst. In het kader van duurzaam waterbeheer wil de gemeente onder andere wateroverlast voorkomen, gebiedseigen water vasthouden en verontreiniging van grondwater en oppervlaktewater voorkomen. In het kader van duurzaam groenbeheer wil de gemeente onder andere de hoeveelheid groen in en om de bebouwde gebieden uitbreiden, gebruik van bestrijdingsmiddelen verminderen en het cultuurgroen laten aansluiten bij het ecologisch groen. 3.2Regionaal beleid Strategisch Gebiedsperspectief Groene Hart Zuidoost, Gemeenten Lopik, Montfoort en Oudewater, Provincie Utrecht, 2000 Dit integrale gebiedsperspectief is opgesteld door de drie gemeenten in samenwerking met de provincie en is vastgesteld door de stuurgroep. Ten oosten van de kern Oudewater is het beeld verbrokkeld en is het van oorsprong open karakter van de uiterwaarden aangetast door bebouwing. Montfoort is grotendeels aangewezen als landbouwgebied, de polders Mastwijk en Achthoven zijn tevens recreatief uitloopgebied. Het Lopikse grondgebied heeft een grote landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische betekenis. Natuur en landschapswaarden zijn gebaseerd op het agrarische systeem. De diversiteit van natuur en landschap neemt af door landinrichtingsprojecten en moderne agrarische bedrijfsvoering. Wel neemt de natuur kwantitatief toe door realisatie van de EHS. De hoogste natuurwaarden zijn gekoppeld aan oudere natuurgebieden: landgoed Linschoten, polder Blokland, Een fraai gelegen camping Nieuwe villa’s in het lint reservaat Benschop, de Hoge grienden en delen van de uiterwaarden. Probleem is een gebrek aan subsidie en expertise bij particulieren om natuurdoeltypen te realiseren. Renderende landbouw is van groot belang voor natuur- en landschapsbeheer. Oudewater, landelijk bekend als ‘heksenstad’, is het meest gevorderd in haar recreatief en toeristisch beleid, en kent het project ‘Natuurlijk Historisch Oudewater’. Oudewater maakt tevens deel uit van het ‘blauwe netwerk’ van de recreatieve toervaart en is recreatief knooppunt in het ontwikkelingsprogramma Groene Hart. Lopik en Montfoort lopen hierin achterop en nemen geen deel aan ‘Rivierenland Holland’, waardoor de Lopikerwaard een kans mist zich te profileren. Montfoort heeft als oud vestingstadje met poorten, molen en kasteel wel potenties, ook door haar ligging aan het water, het landgoed Linschoten en schilderachtige dorpskern Linschoten. Lopik kent veel historische bebouwing, de kern Jaarsveld en fraaie vergezichten vanaf de dijk. Lopik neemt tevens deel in het recreatieschap Stichtse Groenlanden. Problemen liggen in de slechte toegankelijkheid van het gebied voor extensief recreatief gebruik en de slechte bekendheid van het gebied. Vaak ontbreken vrijliggende wandel- en fietspaden, noord-zuid verbindingen en kleinschalige recreatieve voorzieningen (transferpunten en zitjes). Ook kunnen hindergevoelige functies de agrarische ontwikkeling bedreigen (stankcirkels). Alleen recreatief medegebruik is daarom gewenst. De gemeenten hebben ten doel te zorgen voor voldoende recreatieve mogelijkheden voor eigen bewoners. De Lopikerwaard biedt momenteel geen volledig aanbod, dat voorziet in de totale recreatieve behoefte van de bewoners (speeltuinen, waterplassen, natuurterreinen, dierentuinen, attractieparken, bungalowparken). Nu richt men zich op Salmsteke, de Reeuwijkse Plassen en de Groenstructuur van Utrecht. De drie meest populaire bestemmingen, namelijk de kern van Oudewater, de Hollandse IJssel en de Lekdijk, lijken in de zomer hun capaciteitsgrens te hebben bereikt. Promotie van het recreatieve gebruik in de zomer wordt dan ook niet wenselijk geacht, tenzij gecombineerd met het weren van gemotoriseerd verkeer. Wel zouden meer fietsroutes bewegwijzerd kunnen worden, en kortere routes worden gecreëerd. Kansen liggen in de verbreding van de landbouw, rust en ruimte profilering, uitbreiding infrastructuur. Dit wordt bemoeilijkt door het niet deelnemen van Montfoort en Oudewater in het recreatieschap. Er wordt een directe druk verwacht, die negatief kan uitpakken, ten zuiden van Woerden en ten westen van IJsselstein; op de Lekdijk en andere door gemotoriseerd verkeer druk bezochte wegen kunnen ‘s zomers verkeerswerende maatregelen worden genomen. De landbouw zal naar verwachting afnemen met 4%, maar blijft grootste grondgebruiker, met melkveehouderij als dominante bedrijfstak. De verbouw van maïs heeft een negatieve uitwerking op de beschermende werking van een dunne minerale toplaag voor de afbraak van veen. Er wordt ingezet op behoud van de agrarische functie, als beheerder van het landschap, met extra inkomsten uit verbrede activiteiten. Beperkingen liggen op het gebied van de vrij dichte bebouwingslinten, en de vele niet-agrarische woningen hierin. Veelal gaan verbrede, recreatieve activiteiten slecht gepaard met landschapsbeheer. Inrichten en aanwijzen van beheersgebieden dient zodanig te gebeuren dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterbeheersing voor de agrarische bedrijfsvoering. Door het waterrijke karakter en de cultuurhistorisch toeristische waarde verdient de waterhuishouding en het milieu grote aandacht;verweving landbouw met natuur, wateropgave (vernatting) en droogtebestrijding, vergroting van het doorstroomvermogen van de Lek, beschermingsgebied voor grondwater tbv drinkwaterwinning in Lopik en Montfoort, stiltegebieden Blokland/broek en Hoenkoop/Polsbroek, verontreinigde waterbodems van de Hollandsche IJssel en de Lopikerwetering. Projectplan recreatief netwerk Lopikerwaard, Recreatieschap Stichtse Groenlanden Het plan omvat routepunten en tracé-voorstellen voor recreatieve wandel-, fiets- en kanoroutes om het tekort aan dagrecreatieplaatsen in de Lopikerwaard op te heffen. De recreatieve druk komt vooral van stadsgewest Utrecht. Deze druk wordt zoveel mogelijk aan de rand van de stad opgevangen, waartoe de Nedereindse Plas ten noorden van IJsselstein, Laagraven en het groengebied Hollandsche IJssel worden ingericht. Het recreatief netwerk voorziet in de recreatieve behoefte van de mensen uit de regio, en draagt zorg voor kwaliteiten als rust, ruimte, natuur en stilte, zodat particulier eigendom en kwetsbare natuur worden ontzien. Er zijn 5 routepunten ontwikkeld, waaraan groene recreatieve routes zijn gekoppeld. Deze routes dienen niet om grote hoeveelheden bezoekers te trekken, maar zijn puur bedoeld als regulerende maatregel. De routes zijn voorzien van een routemarkering en voldoen aan een aantal geformuleerde kwaliteitseisen zoals verkeersveiligheid. Ruimtelijk plan Landgoed Linschoten, stichting landgoed Linschoten , 2001 Het ruimtelijke plan voor het landgoed Linschoten zet in op de duurzame inbedding van het landgoed in de grotere groenblauwe structuur. Door goede sturing van de ruimtelijke ontwikkelingen kan dit worden gerealiseerd. Het plan geeft bouwstenen en twee mogelijke inrichtingsmodellen. Basis hierbij is initiatief, contextbenadering en het zoeken naar slimme functiecombinaties en coalities. Belangrijke doelstellingen zijn een duurzaam en innovatief beheer van het landgoed als zelfstandige eenheid met de instandhouding en versterking van een aantal economisch rendabele, extensieve pachtbedrijven. Daarnaast zijn belangrijke doelstellingen het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed, de ontwikkeling van het landgoed als regionale cultuurdrager en het versterken van de herkenbaarheid en belevingswaarde. Het eerste model gaat uit van de landschappelijke ondergrond en het historische cultuurlandschap (verdichte stroomruggen en open komgronden/ veengebieden). Er wordt gestreefd naar een duurzame, groene omzoming van het open poldergebied van de Linschoterwaard door op strategische plaatsen op de stroomruggen nieuwe boselementen aan te leggen. Voor vergroting van de waterberging worden de achterweteringen verbreed tot waterassen met een ecologische functie. Het netwerk van wandelpaden wordt uitgebreid en samenhangend gemaakt. Bij belangrijke entrees worden groene poorten aangelegd waar informatie te vinden is en geparkeerd kan worden. Er is ruimte voor nieuwe buitenplaatsen langs de Kromwijkerwetering en de Korte Linschoten. Het tweede model legt de nadruk op de ontwikkeling van een nieuwe ruimtelijke structuur door aanleg van monumentale bos- of rietelementen en waterassen in de polder om daarmee nieuwe beelden en kwaliteiten toe te voegen zonder de bestaande kwaliteiten te ontkennen. Er is ruimte voor nieuwe buitenplaatsen langs de Hollandse IJssel, de Oude Rijn, de Korte Linschoten en de Kromwijkerwetering binnen het bestaande verkavelingspatroon. Waterberging en recreatie wordt gekoppeld aan de nieuwe structuur. Waterstructuurvisie, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, 2002 Een duurzaam waterbeheer is meer dan alleen ‘veilige dijken’, ‘droge voeten’ en ‘schoon water’. Er moet in toenemende mate rekening worden gehouden met wateroverlast in diverse delen van het plangebied, de waterkwaliteit voldoet nog geenszins, het systeem is nog teveel afhankelijk van voldoende aan- en afvoer van water. Robuuste, meer zelfvoorzienende en veerkrachtige watersystemen zijn nodig. Het Hoogheemraadschap onderscheidt drie strategieën: blauw: tijdelijke berging van neerslagoverschotten om wateroverlast en watertekort te voorkomen, effect- en brongerichte aanpak waterkwaliteit, grondgebruik en waterbeheer worden op elkaar afgestemd; geel: optimale beheersing watersysteem dmv techniek, effectgerichte een zuiveringstechnische aanpak waterkwaliteit, aanpassing watersysteem aan grondgebruik; groen: natuurlijke dynamiek vormt de leidraad voor waterbeheer, brongerichte aanpak waterkwaliteit, grondgebruiksfuncties passen zich aan aan natuurlijke dynamiek. In het plangebied ligt een groot accent op landbouw met een lage dynamiek. Knelpunten zijn wateroverlast en watertekort en bodemdaling in het veengebied. Potenties liggen er in de kwel in de Lopikerwaard. In het plangebied geldt hoofdzakelijk de gele en blauwe strategie; in het veengebied en in de Lopikerwaard voorzover mogelijk inzet op groen (benutting van kansen). Ingrepen zijn o.a. scheiding vuil- en schoonwaterstromen, realisering waterberging rond stedelijk gebied, afkoppeling verhard oppervlak van riolering, vergroting waterbergend vermogen dmv meer open water en flexibel peilbeheer, uitbreiding boezemcapaciteit van de Hollandsche IJssel, beperking bodemdaling door aangepast peilbeheer. Bij Lopikerkapel zou een inlaatpunt met natuurlijke zuivering van het Lekwater kunnen komen. Er zijn drie zoekgebieden voor drinkwaterwinning in de Lopikerwaard. Ook liggen er zoekgebieden voor retentie bij een maalstop; ten noorden van Lange Linschoten, bij Hoenkoop, bij Polsbroekerdam en tussen Lopik en Cabauw. Regionale Welstandsnota Westelijk Weide- en Kromme Rijngebied, BRO, 2002 Langs de weteringen en de veenstroompjes ontstonden bebouwingslinten. De nota onderscheidt diverse gebiedstypologieën: de Oeverwal- en stroomrugnederzettingen, zoals Montfoort en Oudewater; de Veenontginnings- en polderlinten, bijvoorbeeld Lopik, Cabauw, Papekop, Polsbroek en Benschop; Dijklinten, bijvoorbeeld Willige Langerak-oost; Historische kernen zoals Oudewater. Per type is ingegaan op de algemene beschrijving, dynamiek, waardering en de welstandsaspecten zoals situering van de woning, oriëntatie van de woning t.o.v. de verkaveling en doorzichten naar het landschap. Ook zijn thema’s onderscheiden zoals historische boerderijen, zendmasten, de Oude Hollandsche Waterlinie, dorps- en stadsranden, bijzondere bebouwing en weg- en waterbouwwerken. Welstand toetst niet alleen op de puur esthetische waarde, het beeld vormt ook een verwijzing naar de geschiedkundige betekenis van een gebied, kenmerkend voor een bepaalde stijlperiode of een sterk ensemble. De toetsing wordt uiteindelijk gebaseerd op de ruimtelijke karakteristiek en samenhang, de cultuurhistorische kwaliteiten en de dynamiek van de bouwopgave. Bescherming ligt op drie niveaus: ‘regulier’, ‘plus’ en ‘bijzonder’ niveau van welstand. Integraal Ontwikkelingsperspectief Hollandse IJssel, zie bijlage 3 3.3Provinciaal beleid Waterhuishoudingsplan 1999-2003, Provincie Utrecht, 1999 De watersysteembenadering houdt in dat beheertaken in samenhang worden uitgevoerd en dat wordt bekeken welke effecten de beheertaken hebben op het watersysteem. Rekening wordt gehouden met de interne relaties in het watersysteem (grond- en oppervlaktewater, kwaliteit en kwantiteit, waterbodem en oever) en de externe relaties met de omgeving. Op korte termijn zal de snelheid van de bodemdaling niet verder mogen toenemen, en op de lange termijn moet zij sterk worden beperkt. Veengronden en klei op veengronden zijn dermate gevoelig voor maaivelddaling dat hiervoor beperkingen worden opgelegd ten aanzien van de drooglegging van een maximum van 60 cm beneden maaiveld. Raamplan Groengebied Utrecht-West, DLG, 2000 Dit plan heeft betrekking op de polder Reijerscop, ten noordoosten van Montfoort, deels buiten het plangebied. Het raamplan omvat de aanleg van bos, recreatie- en natuurgebied, inclusief groene verbindingen om dichtbij de stad en de omringende dorpen een veelzijdige, groene omgeving te creëren. De polder Reijerscop blijft een open weidegebied, bestemd voor agrarische productie. Enkele nieuwe fietsverbindingen worden aangelegd. Langs de Oude Wetering kunnen mensen De welstandsnota gaat in op de beeldkwaliteit van de linten dwars door het weidse gebied wandelen en fietsen en zo de evenwijdige lijnen in het open gebied ervaren. Wandelen en fietsen worden aantrekkelijk, door de ontwikkeling van moeras en bloemrijke bermen. Deze zone is daarnaast van belang als ecologische verbinding tussen de Hollandse IJssel en de Venen, maar ook naar het centrale park van Leidsche Rijn. In relatie met de landbouwactiviteiten kan het gebied zijn huidige functie als broedgebied voor weidevogels behouden. Naast het agrarische natuurbeheer kan de toenemende recreatie voor enkele agrariërs een nevenbron van inkomsten met zich meebrengen. De huidige stortplaats Mastwijk kan mogelijk in de toekomst worden gesaneerd en ingericht als bos- en recreatiegebied. Landinrichting Lopikerwaard 1953-2003, Stichting Matrijs, 2002 Tussen de stemming in 1979 en de uitvoering in deze eeuw is de landbouwkundige situatie van de Lopikerwaard verbeterd. Dit hield vooral het administratief herindelen van de landbouwgronden in. Er zijn wegen gereconstrueerd en aangelegd, de ontwatering is verbeterd, boerderijen zijn verplaatst, ecologische verbindingsroutes en natuurreservaten zijn opgenomen, het recreatieve padennetwerk is uitgebreid en boombeplantingen langs hoofdwegen en weteringen en struikbeplantingen langs achterkaden zijn aangelegd. Landschapsvisie, Provincie Utrecht, 2002 Op basis van de landschappelijke identiteit is de provincie opgedeeld in 12 deelgebieden. Het plangebied valt onder de gebieden ‘Lopikerwaard’ en ‘Oude Rijn en Hollandsche IJssel’. In het gebied van de Hollandsche IJssel is er nog een duidelijk herkenbaar contrast tussen half open stroomruggen en open kommen. Landgoed Linschoten is een opvallend groen element op de stroomrug. De Lopikerwaard vormt een grote venige kom met een stelsel van zeer lange ontginningslinten, weteringen en achterkaden. De copeverkaveling is zeer gaaf en de bruggen over de hoofdwetering zijn karakteristiek. Het landschappelijk wensbeeld 2030 volgt uit deze analyse en omvat kortweg het versterken van de karakteristieke openheid in de kommen en de verdichting van de stroomruggen tot groene linten. De Lopikerwaard is één van de vier landschappelijke parels. Uit de ruimtelijke verkenningen volgen diverse opgaven: de wateropgave: vernatting van het veen ten westen van de Lange Linschoten, een maaiveldverlaging van de uiterwaarden van de Hollandsche IJssel en Lek, en verbreding van de weteringen ten oosten van Linschoten en bij Polsbroek-Benschop en Lopik; de natuuropgave: weidevogelgraslanden tussen de Hollandse IJssel en de A12, versterking van de natuurwaarden van het parklandschap op de stroomruggen en de waterlopen en weteringen als natuurlijke, blauwe aders; de landbouwopgave: versterking van de landschappelijke hoofdstructuur tot een grootschalig agrarisch landschap met melkveehouderij en beheerslandbouw in de klei- en veenkommen, en tot kleinschalig agrarisch landschap met verbrede landbouw en landgoederen tussen de Lopikerwetering en de Lek, ten oosten en zuiden van Lopik; de recreatieopgave: de waterlopen en weteringen vormen het recreatief netwerk, de kommen herbergen rust en ruimte en de stroomruggen kunnen multifunctionele linten worden; de verstedelijkingsopgave: de kommen dienen niet te verstedelijken vanwege de abiotische ondergrond. De stroomrug van de Hollandsche IJssel tussen IJsselstein en Oudewater kan nieuwe buitenplaatsen voor wonen gaan bevatten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur, Provincie Utrecht, 2002 Niet alleen de elementen, maar juist de cultuurhistorische samenhang in en tussen gebieden, structuren en elementen maakt de provincie Utrecht zo uniek. Een jarenlange inventarisatie van de afzonderlijke archeologische, historisch-geografische en historische (steden)bouwkundige elementen heeft geleid tot de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). De provincie Utrecht is bezig met het voorbereiden van de invoering van het Verdrag van Valletta, dat de omgang met het Europees archeologisch erfgoed regelt. Binnen het plangebied stuurt de provincie op: het openhouden van het polderlandschap tussen de vestingsteden Woerden en Oudewater met daarin het groene eiland van Landgoed Linschoten en het boerderijlint langs de Lange Linschoten; het herkenbaar maken van de Oude Hollandse Waterlinie, in het bijzonder de Linie van Linschoten dwars op de Linschoter Stroomrug; het instandhouden van het boerderijlint langs de Hollandsche IJssel tussen Oudewater en Hekendorp met onder meer (resten van) boezemsystemen en molengangen. de stedelijke druk vanuit Woerden zou door een doordachte (cultuurhistorische) tegendruk bij de A12 staande moeten worden gehouden. De plannen hebben op het moment geen verdere status. het herkenbaar en openhouden van de Lopikerwaard als omgrensde eenheid met een gaaf en volledig kopenverkavelingspatroon, in het westelijk deel verbijzonderd door een dicht slotenpatroon en boezems; het handhaven van de openheid in oost- west richting, in contrast met de dichte bebouwingslinten, als tegenhanger van het stedelijk gewest. De invulling aan de relatie tussen de agrarische sector en de cultuurhistorie, als drager van het cultuurlandschap, is een belangrijke opgave. Vogel- en Habitatrichtlijn In het plangebied komen geen gebieden voor die onderdeel zijn van Natura
  11. Natura 2000 is het Europese netwerk van natuurgebieden en bestaat uit alle zogenaamde speciale beschermingszones (SBZ), die zijn aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn of aangemeld in het kader van de Habitatrichtlijn. De Zouweboezem, de Nieuwkoopse en Reeuwijkse Plassen zijn de dichtstbijzijnde SBZ’s. Deze gebieden zijn belangrijk vanwege de aanwezigheid van bijzondere moerasvogels (Purperreiger, Roerdomp, Zwarte stern), water- en moerasvegetaties (habitattypen 3150 en 7210), Noordse woelmuis en Grote modderkruiper. SBZ’s zijn zwaar beschermd. Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn bepaalt dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het (natuur)beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten gevolgen kan hebben voor een SBZ: een ‘passende’ beoordeling gemaakt wordt rekening houdend met de instand houdingsdoelstelling van het gebied; er slechts toestemming verleend wordt, nadat er zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken waarvoor het gebied is aangewezen, niet zullen worden aangetast; bij een negatieve beoordeling alternatieve oplossingen worden onderzocht; indien als nog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft’; Indien het gaat om een gebied met een prioritaire habitat of een prioritaire soort kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten worden aangevoerd. Flora- en faunawet Naast gebiedsbescherming zijn er op internationaal niveau ook afspraken gemaakt over soortbescherming. De hierboven genoemde prioritaire soorten zijn samen met de andere soorten van bijlage I van de Vogelrichtlijn en bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn van communautair belang. Dit geldt ook voor de soorten die genoemd worden in de conventies van Bonn of Bern. Dit zijn internationale verdragen gericht op de bescherming van kwetsbare diersoorten, hun leefmilieu en trekroute. Bovengenoemde richtlijnen en conventies wetten zijn geïncorporeerd in de Flora- en faunawet

(2002). De Flora- en faunawet voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Verder regelt de wet onder meer de handel in beschermde planten en dieren en de in- en uitvoer daarvan, de jacht en het beheer. Voor handelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen betreffende planten op hun groeiplaats of dieren in hun natuurlijke leefomgeving moet ontheffing worden aangevraagd. Bij het aanvragen van een ontheffing moet de initiatiefnemer kunnen aantonen dat het maatschappelijk belang van de ingreep opweegt tegen de verwachten schade. Er worden 3 categorieën van bescherming (en daarmee toetsingskader) onderscheiden: streng beschermd – beschermd - algemeen. Om ontheffing te krijgen in het geval van streng beschermde soorten zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat er geen alternatief is en er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. In Zuidwest Utrecht komen een twintigtal streng beschermde soorten voor waaronder Blauwborst, Visdief, Heikikker, Rugstreeppad, Kleine modderkruiper, Bittervoorn. Ecologische hooftstructuur van Nederland (EHS) Het Rijks- en provinciale natuurbeleid concentreert zich niet alleen op bescherming maar ook op realisatie van een ruimtelijk stabiele en samenhangende ecologische hoofdstructuur in
  1. In Zuidwest Utrecht zijn in de eerste plaats de uiterwaarden en de Lek zelf onderdeel van de ecologische hoofdstructuur van Nederland (EHS). Deze zijn als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van voorbijtrekkende riviervissen (Zalm, Harder, Serpeling), stroomdalplanten, water en moerasvegetaties, bijzondere amfibiesoorten (Rugstreeppad, Heikikker, Kamsalamander), pleisterende en foeragerende watervogels (zwanen, ganzen, eenden) (Provincie utrecht - Natuurgebiedsplan Uiterwaarden van Nederrijn en Lek, 2002.). Het ligt in de bedoeling vrijwel alle buitendijkse gronden te onttrekken aan de landbouw en her in te richten als waterplas, rietgors, droog of nat soortenrijk grasland. Deze (grazige) natuur zal zich de komende jaren (voor 2018) uitbreiden van ca. 87 naar 471 ha. De binnendijkse onderdelen van de EHS betreffen allereerst houtachtige vegetatie in de vorm van houtkades, grienden, eendenkooien, het landgoed Linschoten en verspreide bosopstanden langs de Hollandse IJssel. Het ontwikkelingsperspectief bestaat uit verdere uitbreiding van bos (maar ook stroomdalgraslanden, moerassen, open water) en de ontwikkeling van ecologische verbindingszones (EVZ), die de verspreide natuurgebieden met elkaar moeten verbinden (Provincie utrecht - Natuurgebiedsplan Zuidwest Utrecht, 2002.). De gidssoorten van deze verbindingen zijn o.a Dwergmuis, Ringslang, Blauwborst, Kamsalamander, Oranjetipje, Boommarter,vleermuizen, Ree en Hermelijn (Provincie Utrecht - Werkdocument Ecologische Verbindingszones, 1993.). De binnendijkse EHS omvat verder ook een aantal blokken graslandpercelen met goede perspectieven voor behoud en ontwikkeling van natte schraalgraslanden en weidevogelreservaten. Kerngebieden zijn de Schrale Linschoten, Ruige weide, Willeskop en Achtersloot- Blokland. In totaal moet de binnendijkse natuur van nationaal niveau zich in Zuidwest Utrecht de komende twee decennia uitbreiden van 150 naar 622 ha. Strategisch Mobiliteitplan 2004-2015, ProvincieUtrecht, 2003 In mei 2000 is de provincie Utrecht gestart met de uitvoering van het project ‘Wegenstructuur Lopikerwaard’. Doel van het project is het verbeteren van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in de Lopikerwaard. Het project speelt zich af op en rond de provinciale weg N210 (Nieuwegein – Lopik - Schoonhoven). Een doortrekking van de N210 werd op prijs gesteld door de gemeente Lopik en inwoners van Benschop voor een betere verkeersveiligheid en leefbaarheid. De N228 tussen Montfoort en de A12 wordt op dit moment nog relatief veel als sluiproute gebruikt. Pas als de doorstroming op de A2, de A12 en de N204 voldoende is en er verkeersbeperkende maatregelen in Montfoort genomen zijn, kan de intensiteit worden teruggedrongen en kan de N228 worden ingericht als erftoegangs-weg. Tussen de Noord-IJsseldijk en de A12 wordt de weg ingericht als gebiedsontsluitingsweg. Milieubeleidsplan 2004-2008 (ontwerp),Provincie Utrecht, 2003 De begrippen duurzaamheid en leefbaarheid staan hierin centraal. Hierbij is de diversiteit in de provincie Utrecht als het gaat om landschap, woon- en werkmilieus, planten en dieren en cultureel erfgoed aangemerkt als kenmerkende waarde. Ontwerp Streekplan 2005-2015,Provincie Utrecht 2003 Het hele plangebied is aangewezen als landbouwkerngebied. Een groot deel van de polders is binnen de landschappelijke hoofdstructuur als open landschap benoemd. De oeverwallen langs de Lek, de Hollandsche IJssel en de Lange Linschoten zijn als halfopen mozaïeklandschap benoemd. De Lange Linschoten, de Polsbroeker en Benschopper Voorwetering en de Lopikerwetering en de bijbehorende waterlopen vormen oude landschappelijke structuurlijnen. Het hele plangebied is ten aanzien van cultuurhistorie onderdeel van de ‘veilig te stellen gebieden’, waarbij voor de uiterwaarden van de Lek de eisen nog te stellen zijn. Bij huis te Linschoten ligt een recreatief kerngebied, de Hollandsche IJssel ten oosten van Montfoort en de verbinding naar Harmelen vormen recreatieve ontwikkelingsgebieden. De Lopikerwaard is ten noorden van het lint Polsbroek-Benschop een stiltegebied. De EHS bestaat uit bestaande natuurterreintjes en enkele grotere gebieden nieuwe natuur binnen- en buitendijks en een groot netwerk van ecologische verbindingszones langs de binnendijkse waterlopen. Natuurgebieden en ecologische verbindingszones volgens natuurgebiedsplannen De waterbergingsopgave is nog nader in te vullen. Er is risico op wateroverlast op 3 punten binnen de Lopikerwaard: bij de bebouwingskern Benschop, bedrijventerrein Lopik en midden in het lint van Polsbroek. De aanpak van de verdroging heeft de hoogste prioriteit in de polder Blokland, ten zuiden van de Zuidzijdse kade, in de uiterwaarden ten zuiden van Uitweg en Lopik en rond Huis te Linschoten. Er ligt een grondwaterbescherming op de drie waterwinningsgebieden: ten oosten van Linschoten, bij Montfoort en tussen Lopik en Cabauw. Projecten agenda 2010, Provincie Utrecht, 2004 Drie projecten van de provincie hebben betrekking op het plangebied: ‘Op de fiets, promotie van de fiets voor verplaatsing over korte afstanden ten behoeve van woon-werkverkeer, scholieren en recreanten. Hiervoor dienen genoeg veilige en comfortabele fietspaden en -voorzieningen aanwezig te zijn. ‘Wandelen in Utrecht’, investeren in bewegwijzerde wandelroutes in Utrecht. De kwaliteitseisen omvatten onder meer afwisseling, veiligheid en toegankelijkheid. Zo ligt bijvoorbeeld de ‘Veenweidegebied’, een nieuw perspectief voor een oud landschap. Ontwikkeling van het veenweidegebied op de langere termijn nu het beheer van natuur en water andere eisen stelt aan de inrichting dan de landbouw. Hiervoor moet gezocht worden naar aanvullende inkomensbronnen voor de melkveebedrijven. Erven in het lint met veel stedelijke inrichtingselementen 3.4Nationaal beleid Vierde Nota waterhuishouding, Ministerie van V en W, 1997 De waterproblematiek wordt steviger op de agenda gezet. Door ontwikkelingen als zeespiegelrijzing, bodemdaling, verzilting, wateroverlast en verdroging is een fundamenteel andere aanpak van het waterbeleid vereist. Deze oplossingen lijken goed combineerbaar met natuur- en landschaps-doelstellingen. Zo zijn de grote rivieren zowel kern- als natuurontwikkelingsgebie d van de Ecologische Hoofdstructuur. De belangrijkste retentiebekkens liggen vooral bovenstrooms tegen de Duitse grens. Verder stroomafwaarts in de delta komt het waterbeheer neer op het vasthouden van neerslag tot in de haarvaten van Ruimtelijk economisch beleid. Buitendijks wordt ruimte gegeven aan de rivier door verruiming van het zomerbed, verlaging van het winterbed, aanleg van nevengeulen en verwijdering van obstakels uit het winterbed. Nota Belvedère, Ministerie van OCW, 1999 Cultuurhistorie is sinds de nota Belvedère niet meer weg te denken uit de ruimtelijke ordening. De nota Belvedère stelt het erkennen en herkenbaar houden van cultuurhistorische identiteit ten doel in zowel het stedelijke als landelijke gebied, als kwaliteit en Grote schuren vallen op in het open landschap uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen. Het beleid vanuit deze nota is daarin vooral stimulerend van aard. Hierbij worden cultuurhistorische kwaliteiten bewust, vroegtijdig en volwaardig in de ruimtelijke ontwikkeling betrokken. Oudewater is een cultuurhistorische belangrijke stad. De Lopikerwaard is een belangrijk Belvedèregebied. Als strategie is voorgesteld de cultuurhistorische identiteit te ontwikkelen door aan te sluiten bij bestaande initiatieven, met name Ontwikkelingsprogramma Groene Hart, waterbeheer, natuurontwikkeling en (agrarisch) natuurbeheer. Ruimtelijk economisch beleid, Ministerie van EZ, 1999 Rond de A12 en aan de oostkant van de Lopikerwaard ligt de Ruimtelijk-economische hoofdstructuur. Ontwerpen aan Nederland, architectuurbeleid 2001-2004, Ministerie van OCW, 2000 Deze nota beoogt een grotere rol van het ontwerp in grote projecten. De integrerende en creatieve kracht van ontwerpers wordt ingezet om integraler te werken op een hoger schaalniveau. Daarnaast zou architectuur meer een publieke zaak moeten worden, door het debat te verbreden, het onderwijs verder te ontwikkelen, bruggen te slaan met de markt en het welstandsbeleid open te breken. Om deze doelen te realiseren zijn tien grote projecten aangewezen, waaronder het routeontwerp voor de A
  2. Natuur voor mensen, mensen voor natuur, Ministerie van LNV, 2000 Natuur moet aansluiten bij de wensen van mensen en moet goed bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn. Dit betekent eveneens dat de natuur door mensen beheerd, beschermd, bewerkt en ontwikkeld wordt: de natuur kan niet zonder de zorg van mensen. De hoofddoelstelling van het natuurbeleid luidt dan ook: behoud, herstel, ontwikkeling en duurzaam gebruik van natuur en landschap, als essentiële bijdrage aan een leefbare en duurzame samenleving. De realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur wordt extra kracht bijgezet. Daarbij dient barrièrewerking van infrastructuur te worden tegengegaan, gebieden beter te worden begrensd, de combinatie met water en recreatie te worden gezocht, de kwaliteit van het omliggende landbouwgebied te worden verbeterd en versnippering te worden tegengegaan. In het plangebied liggen verschillende Ecologische Verbindingszones. Nota Ruimte, Ministerie van VROM, 2004 De Nota Ruimte staat voor drie belangrijke strategieën op het gebied van water en groene ruimte. Ten eerste anticiperen op en meebewegen met water, ten tweede investeren in de kwaliteit van natuur en ten derde landschap ontwikkelen met kwaliteit. Hierbij zijn belangrijke uitgangspunten onder andere: een duurzame en vitale landbouw. Een bundeling van niet grondgebonden, kapitaalintensieve landbouw is van belang naast economisch vitale, grondgebonden landbouw voor het beheer en grondgebruik van het buitengebied. Tevens dient er ruimte te zijn voor verbreding van de landbouw. voorkomen van wateroverlast en –tekorten en verbeteren van de water- en bodemkwaliteit. borging en ontwikkeling van natuurwaarden, realisatie van de EHS en ecologische verbindingen. ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit. De ruimtevraag zorgvuldig en zoveel mogelijk binnen bestaande patronen accommoderen. ruimte voor hergebruik van bebouwing en nieuwbouw in het buitengebied koppelen aan ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit en realisatie van nieuwe natuurgebieden of extra waterbergingscapaciteit. vergroten en aanpassen toeristisch- recreatieve mogelijkheden met een accent verlegging naar het buitengebied. Lijnvormige beplantingen markeren de landschapsstructuur Het overgrote deel van het plangebied is aangewezen als Nationaal Landschap Hollands-Utrechts veenweidegebied (het Groene Hart). De kernkwaliteiten die hierbij gedefinieerd worden zijn de grote mate van openheid van de waarden, bestaande uit weiden, de strokenverkaveling met hoog percentage waterland en het groene karakter door beplante dijken en kades. Langs het Groene Hart liggen transformatiezones, gericht op ontwikkelruimte voor diverse kleinschalige functies. Verder wordt ingezet op een goede samenhang met de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de ontwikkeling van de Natte As (respectievelijk ten oosten en westen van het plangebied), behoud en versterking van economische dragers, benutting van kansen die het water biedt ook in combinatie met andere functies en een integratie en snelle uitvoering van lopende strategische Groene Hartprojecten. Het belangrijkste van de Nota Ruimte zit in het “Ja, mits..”- regime: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of worden versterkt. Er wordt ruimte geboden aan een beperkte groei van woningbouw (ruimte voor eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo=0) en regionale of lokale bedrijvigheid. In de EHS geldt een “nee, tenzij..”- regime: nieuwe plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien deze wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Veel belang wordt tenslotte gehecht aan Ruimte voor de Rivier. Structuurschema Groene Ruimte 2, Ministerie van LNV, 2002 Wetering Het landelijk geb

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.