Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Uitvoeringsbesluit jeugd gemeente Waalre 2017 (Waalre)

Uitvoeringsbesluit jeugd gemeente Waalre 2017 1.Inleiding Dit Uitvoeringsbesluit geeft een nadere uitwerking van de Verordening Jeugdhulp gemeente Waalre, waarin nadere regels zijn gesteld over de door het college te verlenen individuele en overige voorzieningen. Hierbij is gelet op artikel 2.9; 2. 10;2. 12 en 8. 1.1. vierde lid van de Jeugdwet. De Jeugdwet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ), de Zorgverzekeringswet en andere regelgeving. Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag (preventief jeugdbeleid). Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Sinds de aanvang van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is ervaring opgedaan met wat er redelijkerwijs verwacht mag worden van de jeugdige en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een Overige voorziening of — als dat niet volstaat — een Individuele voorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de mogelijkheden om gezond en veilig op te groeien en zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden. Dit om de hulpvraag van de jeugdige, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de jeugdige op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of dat bijvoorbeeld een Individuele voorziening nodig is. De Jeugdwet, de verordening en deze beleidsregels leggen de toegangsprocedure vast. Indien de jeugdige en/of zijn ouders van mening is dat het college hem ten onrechte geen Individuele voorziening verstrekt of dat de Individuele voorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan de jeugdige en/of zijn ouders daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de jeugdige in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Jeugdwet en de verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door het Centrum voor Maatschappelijke Deelname, geadviseerd door het PlusTeam. Waar in de verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Deze uitvoeringsregels geven handvatten voor de uitvoering van de taken die worden omschreven in de Jeugdwet en de verordening. De ervaringen die in het jaar 2015 zijn opgedaan, zijn verwerkt in deze herziene versie van het Uitvoeringsbesluit. Het bieden van passende ondersteuning voor onze inwoners staat centraal; als de regels het inzetten van passende ondersteuning hinderen dan dient afgewogen en gemotiveerd te worden of uitzonderingen mogelijk zijn. 2.Begripsbepalingen (uit de verordening): CMD: het CMD helpt inwoners (alsmede mantelzorgers, vrijwilligers en professionals) met alle vragen die betrekking hebben op het sociale domein. In het CMD wordt begeleiding/ondersteuning geboden, de professionals in het CMD activeren en versterken het netwerk rondom een vrager, bieden zelf hulp en organiseren professionele zorg. De professional uit het CMD is het aanspreekpunt voor het gezin en coördineert de ondersteuning die wordt ingezet. PlusTeam: organisatie die inwoners met complexe advies- en hulpvragen helpt. In het PlusTeam werken gespecialiseerde professionals. Deze professionals verlenen professionele zorg, activeren en versterken het netwerk rondom een jeugdige en het gezin en zetten de benodigde zorg van andere organisaties in. Hierbij is de professional van het PlusTeam aanspreekpunt voor het gezin en coördinator van de zorg. 2.Vormen van jeugdhulp Jeugdigen en hun ouders kunnen een beroep doen op zowel overige- als individuele voorzieningen. Deze worden hier onder toegelicht. 2.1Overige voorzieningen Overige voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er zijn drie vormen van overige voorzieningen: Informatie, consultatie en (handeIings)advies: Ondersteuning en begeleiding van hulpverleners en beroepskrachten- zoals huisartsen, jeugdartsen, wijkverpleegkundigen en leerkrachten - over bijvoorbeeld vermoedens van kinderen met psychiatrische of LVB problematiek en de omgang met deze kinderen. Dit kan ook betekenen dat een medewerker van het CMD of PT een consultatieve rol heeft in de ZATs op de scholen. Licht (pedagogische) hulp: bijvoorbeeld de inzet van Triple P, Video Home Training of Stevig Ouderschap, Kortdurende cliëntondersteuning 2.2Individuele voorziening Voorzieningen die alleen toegankelijk zijn na een verleningsbeschikking en gericht zijn op specialistische jeugdhulp. Dit wil zeggen dat de diensten of activiteiten pas toegankelijk zijn na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Deze voorziening wordt speciaal voor de jeugdige of zijn ouders georganiseerd. maatwerk is hierbij belangrijk. De voorziening wordt aangepast aan de persoonlijke omstandigheden. Een individuele voorziening wordt bij beschikking toegekend en de jeugdige of zijn ouders heeft de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. Een individuele voorziening kan in natura of bij persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Er zijn verschillende vormen van individuele voorzieningen beschikbaar, zoals: Zorgcoördinatie/ ondersteuning van het PlusTeam: indien er meerdere vormen van ondersteuning worden geboden in een gezin, is het PlusTeam verantwoordelijk voor de coördinatie, Dit betekent dat de hulpverleners coherent werken aan dezelfde doelen benoemd in het ondersteuningsplan en er niet langs elkaar heen wordt gewerkt. Eén PlusTeam medewerker is verantwoordelijk. Er wordt in duo's gewerkt zodat de klant altijd een tweede aanspreekpunt heeft in geval van ziekte of vakantie. Ambulante zorg: psychosociaal functioneren en gedragsproblematiek van kinderen. Ouders en/of jeugdigen hebben periodiek contact met een hulpverlener. Voorbeelden van ambulante zorg zijn diverse therapieën (bijvoorbeeld spel-, creatieve- weerbaarheids- en psychomotorische therapie) en psychiatrische behandelingen (individueel of gericht op het gezin) bijvoorbeeld voor verslaving, depressie, eetstoornis of gedragsproblematiek. In het geval van ambulante spoedhulp gaat het om het oplossen van acute problemen, het herstellen van het evenwicht in het gezin en het voorkomen van een uithuisplaatsing van één of meer kinderen. Verblijf deeltijd/ daghuIp: Bijvoorbeeld het Nledisch Kinderdagverblijf; dag hulp niet-schoolgaande jeugd; dag- een deeltijdbehandeling jeugd- en kinderpsychiatrie; verslavingszorg; forensische psychiatrische zorg, naschoolse dagbehandeling. Pleegzorg: Bij pleegzorg worden kinderen uithuisgeplaatst om pedagogische onmacht van de ouders, emotionele of fysieke verwaarlozing en mishandeling of verslavingsproblemen van de ouders of (specifieke) problematiek van het kind. Voorbeelden zijn kortdurende-, deeltijd-, crisis-, langdurige- en therapeutische pleegzorg. Verblijf 24-uurs residentiële of intramurale behandeling: Voorbeelden van zorgvormen zijn open groepen; gezinshuizen; crisiszorg; jeugdzorgplus; klinische opname en behandeling; logeerzorg; beschermd en begeleid wonen; verslavingszorg; acute psychiatrische behandeling; gesloten behandeling; behandeling met verblijf; kamertraining; weekend- of vakantieopname in logeerhuis. Jeugdbescherming: Jeugdbescherming is voor jeugdigen die bescherming nodig hebben tegen invloeden die hun ontwikkeling bedreigen. Die invloeden kunnen geweld of agressie in het gezin zijn, of ouders of opvoeders die wel het goede willen, maar die niet bij machte zijn om hun kind(eren) de veiligheid en ook de aandacht te bieden die ze nodig hebben. De kinderrechter kan in die gevallen twee jeugdbeschermingsmaatregelen opleggen: de ondertoezichtstelling (OTS) of een ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht, Jeugdreclassering: bedoeld voor jeugdigen tussen de 12 en de 18 jaar die een strafbaar feit hebben gepleegd en is een combinatie van intensieve hulp aan en controle op de jon 9ere. Centraal doel is het terugdringen van recidive. Diagnostiek Begeleiding: Ouders kunnen begeleid worden bij de opvoeding en zorg voor jeugdigen. En jeugdigen kunnen ondersteund worden bij de dagbesteding en het ontwikkelen van vaardigheden. Begeleiding kan individueel of in groepsverband zijn Persoonlijke verzorging Vervoer naar zorg En andere hier niet genoemde jeugdhulp. Aanbieders van individuele voorzieningen jeugdhulp kunnen zich inschrijven op deelovereenkomst ambulante jeugdhulp en/of de deelovereenkomst jeugdhulp met verblijf (bijlagen 5 en 6). 2.3Leeftijdscategorie 18-23 jaar In de Jeugdwet geldt in principe het uitgangspunt dat er een leeftijdsgrens van 18 jaar geldt voor jeugdhulp en jeugdbescherming (artikel l.l Jeugdwet). Vanaf 18 jaarworden zorg en ondersteuning belegd in de WMO. Jeugdhulp kan doorlopen tot maximaal het 23ste levensjaar, indien de hulp niet onder een ander wettelijk kader valt (zoals de Zorgverzekeringswet, de Wetlangdurige zorg of de WMO) en mits het voldoet aan daarvoor geldende voorwaarden. Voor jeugdreclassering geldt dat indien een delict is gepleegd vóór de jeugdige de leeftijd van 23 bereikt hij veroordeeld kan worden via het jeugdstrafrecht. De jeugdreclassering die dan wordt opgelegd en de jeugdhulp die uit de strafrechtelijke beslissing voortvloeit, loopt dan door tot het einde van de titel Jeugdreclassering en jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing kan dus doorlopen tot ná het 23ste levensjaar, indien de hulp niet onder een ander wettelijk kader valt en mits het voldoet aan daarvoor geldende voorwaarden. De gemeente is hiervoor verantwoordelijk met de inwerkingtreding van de Jeugdwet. 2.4Vervoer Wettelijke verantwoordelijkheid gemeenten In de Jeugdwet 2015, artikel 2.3, tweede lid, is vastgesteld dat gemeenten een vervoersregeling moeten treffen voor het vervoer van een jeugdige van en naar een locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien dit vervoer noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. De inrichting van de vervoersregeling kan naar eigen inzicht van het college van burgemeester en wethouders ingericht worden. Toekennen van vervoer is onderdeel van het ondersteuningsplan, inclusief een overzicht van de dagen en tijden waar het om gaat. De CMDer of PTer die het ondersteunings- plan opstelt, neemt dit mee. Wanneer heeft een cliënt recht op vervoer in het kader van jeugdhulp Het college kan ten behoeve van het bezoeken van de jeugdhulpinstelling aan de jeugdige aan wie een individuele voorziening is verstrekt een vervoersvoorziening toekennen. Bij jeugdhulp die valt onder verblijf en dagbehandeling is het uitgangspunt dat de dienstverlener verantwoordelijk is voor het regelen van het vervoer. Dit is alleen van toepassing wanneer gemeente vervoer toekent. Het woonplaatsbeginsel is van toepassing op de financiering van de vervoersregeling. Beveiligd vervoer en vervoer per ambulance vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten, maar worden geregeld door resp. de (gesloten) jeugdzorgsetting en zorgverzekeraar. Voorwaarden voor het verstrekken van een vervoersvoorziening: Er is sprake van vervoer van en naar een voorziening voor jeugdhulp, toegekend op basis van de jeugdwet; Het vervoer dient plaats te vinden tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en de behandellocatie; De jeugdige en zijn of haar netwerk zijn niet zelfredzaam betreffende het regelen van vervoer, of er is sprake van een medische noodzaak. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. Eigen bijdrage Wanneer een jeugdige onder de Jeugdwet valt, mag nooit (wettelijk verboden) een eigen bijdrage gevraagd worden. Zowel niet voor de jeugdhulp als voor het vervoer. Wanneer een cliënt onder de Wmo valt, is het wel mogelijk om een eigen bijdrage te vragen voor het vervoer. Die eigen bijdrage wordt dan gevraagd door de aanbieder. 3.Woonplaatsbeginsel Om voor een Individuele voorziening in aanmerking te komen moet de jeugdige of zijn ouders ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente Waalre. Daarnaast moet de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. In bijlage 3 staat het woonplaatsbeginsel nader toegelicht. 4.Procedure 4.1Toegang tot jeugdhulp Er zijn vier verschillende toegangspoorten naar jeugdhulp: het CMD en PlusTeam; zie de omschrijving hieronder; huisarts, medisch specialist of jeugdarts; zij mogen doorverwijzen naar alle vormen van jeugd- hulp. het justitiële kader; wanneer de rechter een maatregel oplegt, is de gemeente verplicht om de zorg die nodig is, in te zetten. Veilig thuis; bij vermoedens van kindermishandeling zetten zij een casus door naar de Raad voor de Kinderbescherming. Als ze andere problemen signaleren, verwijzen ze door naar het CMD, van daaruit wordt bezien of het CMD zelf de casus oppakt of dat het PlusTeam wordt ingezet. In geval van spoed, crisis en dwang wordt direct een tijdelijke voorziening geregeld. De beschikking volgt achteraf. 4.2Ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is een schriftelijke onderbouwing van de hulpvraag waarin ook de mogelijke oplossingen worden aangegeven. Met een ondersteuningsplan kan een aanvraag voor een individuele voorziening worden ingediend. Het ondersteuningsplan wordt door de jeugdige en zijn ouders in samenspraak met de medewerker CMD of medewerker PlusTeam opgesteld. De jeugdige wordt gestimuleerd om een bijdrage te leveren. Het ondersteuningsplan: is persoonlijk; betrekt, waar dit relevant is, de situatie van alle betrokkenen; is gericht op bevordering, behoud of ondersteunen bij de zelfredzaamheid en participatie van de leefeenheid; behandelt meerdere leefdomeinen conform de zelfredzaamheidmatrix (ZRM); is de drager van het proces en is de samenvatting van het onderzoek (wat is er aan de hand, welke zorgen zijn er), beschrijft doelen, de in te zetten ondersteuning en zorg (wat gaan we doen, wie doet wat en wanneer) en de te behalen resultaten; wordt ondertekend door de jeugdige en/ of zijn ouders en de medewerker CMD of medewerker PlusTeam, geeft richting aan de ondersteuning in de praktijk (professionele sturing), het is richtinggevend voor ondersteunende en uitvoerende werkers en is bindend voor alle betrokkenen; is consistent, de doelen van het plan en de doelen in het plan houden verband met elkaar: er is samenhang; Benoemt, indien nodig, de medewerker PlusTeam of medewerker CMD die overzicht over alle af- spraken heeft, deze coördineert en bewaakt (wie/wat/wanneer, één regisseur), zorg draagt voor evaluatie van het ondersteuningsplan, eventuele bijstelling en afronding. Het ondersteuningsplan is vormvrij. 4.3.De beschikking Naar aanleiding van het ondersteuningsplan en de professionele vormen van ondersteuning die daarin zijn opgenomen, wordt de benodigde ondersteuning aangevraagd. De jeugdige en zijn ouders ontvangen de beslissing op de aanvraag in de vorm van een beschikking. Alleen voor individuele voorzieningen is een beschikking vereist en alleen tegen de toekenning van individuele voorzieningen kan dan ook bezwaar (en beroep) worden ingediend. Bij de toekenning van overige voorzieningen is dat niet mogelijk, omdat jeugdigen en/of hun ouders hier zonder beschikking terecht kunnen. 4.4.Jeugd-GGZ Voor individuele voorzieningen in de jeugd-GGZ zijn er in de uitvoeringspraktijk specifiek afspraken ge- maakt over het omzetten van generalistische basis-GGZ naar een DBC en het verlengen van generalistische basis GGZ en DBC’. Deze afspraken staan in bijlage 5. 5.Second Opinion Als de jeugdige of zijn ouders twijfelt aan de mening, oplossing of behandeling van het CMD of PlusTeam, kan er een tweede beoordeling plaatsvinden. Deze tweede beoordeling wordt kosteloos verricht door een onafhankelijke, deskundige arts. De kosten van deze second opinion zijn voor rekening van de gemeente. De arts is deskundige op (een deel van) de problematiek van de jeugdige of zijn ouders. Het proces ver- loopt als volgt: De jeugdige of zijn ouders dienen het verzoek tot een tweede beoordeling schriftelijk in bij het CMD of PlusTeam De arts doet onderzoek naar (een deel van) de problematiek van de jeugdige of zijn ouders en geeft advies aan de jeugdige of zijn ouders en het CMD of PlusTeam Het PlusTeam reageert beargumenteerd op de uitkomst van de tweede beoordeling. Hierdoor kan verandering komen in de mening, oplossing of behandeling van het CMD of PlusTeam De uitkomst van de heroverweging door het CMD of PlusTeam wordt medegedeeld aan de jeugdige of zijn ouders Indien nodig wordt het ondersteuningsplan aangepast. 6.Het persoonsgebonden budget Een PGB kan een geschikt instrument zijn voor de jeugdige en zijn ouders om zijn leven naar eigen wen- sen en behoeften in te vullen. 6.1Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb Het persoonsgebonden budget (PGB) wordt aangevraagd door de jeugdige of zijn ouders. Zij worden dan ook ‘de aanvrager’ genoemd. Een PGB wordt verstrekt als: De jeugdige of zijn ouders op eigen kracht voldoende in staat zijn om de aan een PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze te voldoen; De kwaliteit van de jeugdhulp die wordt geleverd voor het PGB, voldoende is gewaarborgd. Het uitgangspunt in de Jeugdwet is dat een voorziening 'in natura’ wordt verstrekt. Echter, als de jeugdige of zijn ouders dit wensen, dan heeft het college de mogelijkheid om hen een persoonsgebonden budget (PGB) toe te kennen (artikel 8. 1.1 lid 1 Jeugdwet). Er is sprake van een volledige keuzevrijheid tussen een voorziening in natura en een PGB. Dat betekent dat als de jeugdige of zijn ouders voldoet aan de voorwaarden voor een PGB, het college het PGB moet verstrekken. 6.2Bekwaamheid De jeugdige en/of zijn ouders moeten in staat zijn om de aan het PGB verbonden taken op verantwoorde wijze te voldoen. Hiervoor moeten de jeugdige en/of zijn ouders onder andere voldoen aan de volgende voorwaarden: De jeugdige en/of zijn ouders moeten bekwaam zijn om zorg in te kopen. Bij jeugdigen onder de 16 jaar moeten de ouders hiertoe bekwaam zijn. Jeugdigen tussen 16 en 18 jaar kunnen zelf bekwaam zijn om zorg in te kopen, als naar oordeel van het CMD of PlusTeam wordt voldaan aan alle geschiktheidseisen en er geen sprake is van weigeringsgronden; De jeugdige en/of zijn ouders moeten zelfstandig een redelijke waardering kunnen maken van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag; De jeugdige en/of zijn ouders moeten de aan de PGB verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Denk hierbij aan het kiezen van een zorgverlener, het aangaan van een contract, bewaken van de kwaliteit van de geleverde zorg en het bijhouden van een juiste administratie; De jeugdige en/of zijn ouders is goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een PGB. De jeugdige en/of zijn ouders kan de werkgeversplichten uitvoeren wanneer er sprake is van een ondersteuning of jeugdhulp bij vier dagen of meer. Denk hierbij onder meer aan het overeenkomen van een redelijk uurloon, het doorbetalen van loon bij ziekte en het hanteren van een redelijke opzegtermijn; De jeugdige en/of zijn ouders heeft een PGB-plan opgesteld, waar in staat hoe zij het pgb wil besteden. Daarin wordt minimaal aangegeven wat de zorgvraag is, welke doel bereikt moet worden en de wijze waarop deze doelen behaald worden, de kwaliteit van zorg (op basis van de kwaliteitseisen), de duur van de ondersteuning en de soort ondersteuning. 6.3Kwaliteit van dienstverlening De kwaliteit van de jeugdhulp die wordt geleverd moet voldoende gewaarborgd zijn. Dit wordt vooraf getoetst door middel van het PGB- of ondersteuningsplan. De belangrijkste eisen zijn dat de zorg veilig, doeltreffend en jeugdig gericht geleverd wordt. Voor jeugdhulp die via een PGB geleverd wordt, gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor andere aanbieders van jeugdhulp. Deze kwaliteitseisen zijn: De jeugdhulpaanbieder verleent verantwoorde hulp. Dit betekent hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en jeugdig gericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. De jeugdhulpaanbieder zorgt door middel van de inrichting van de organisatie, personeel en materieel voor dat dit redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De hulpverlener handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortkomt uit de geldende professionele standaard. De jeugdhulpaanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag. Deze verklaring is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene gaat werken voor de aanvrager. 1Artikel 4.1.6 jeugdwet. De kwaliteit moet voldoende zijn om de doelen die zijn opgenomen in het gezinsplan te kunnen realiseren. De geleverde hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de aanvrager en eventuele andere vormen van hulp/zorg in het gezin. Er is systematische bewaking, beheersing en verbetering van kwaliteit van de hulpverlening. 2Artikel 4.1.4 jeugdwet Er wordt aangesloten bij de meldcode waarin wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling3Artikel 4.1.7 jeugdwet De aanbieder doet melding van iedere calamiteit of geweld die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering ervan plaatsvindt. De jeugdhulpaanbieder stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen4Artikel 4.1.9 jeugdwet 6.4PGB sociaal netwerk Onder bepaalde voorwaarden mag een PGB worden ingezet voor hulp door een persoon uit het sociale netwerk. Dit is iemand uit de huiselijke kring, of een andere persoon met wie de jongere of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt. Denk bijvoorbeeld aan familieleden, vrienden, kennissen, etc. Het inzetten van een PGB sociaal netwerk is alleen mogelijk bij de volgende vormen van specialistische jeugdhulp: persoonlijke verzorging; kortdurend verblijf; vervoer; begeleiding. Let op: een ouder mag zelf zorgverlener zijn voor zijn of haar kind en tegelijkertijd gemachtigd zijn als PGB houder. In de motivatie van de cliënt kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk in te willen zetten. In navolging van de regering is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. Meer informatie over wat gezien wordt als gebruikelijke zorg, is te vinden in Bijlage 2. De hoogte van het PGB sociaal netwerk is opgenomen in Bijlage 1: Financiële bijlage. 6.5.De voorziening is duurder dan zorg in natura Dat een professionele voorziening die de aanvrager wil bekostigen met een PGB duurder is dan de Zorg in Natura, betekent niet dat het PGB direct geweigerd wordt. De hoogte van het PGB is dan gelijk aan het tarief dat is bepaald op basis van de eerder genoemde punten. De extra kosten die nodig zijn voor die specifieke voorziening, worden betaald door de aanvrager zelf. 5Handreiking PGB blz. 21 + modelverordening 6.6Trekkingsrecht Voor de uitbetaling van het PGB wordt een zogenoemd trekkingsrechtmodel gehanteerd. Hierbij krijgen PGB houders geen geld meer op de eigen rekening gestort, maar wordt op factuurbasis uitbetaald aan de door de PGB houder gecontracteerde zorgverlener. Hiervoor moeten de gemeenten de Sociale Verzekeringsbank (SVB) inschakelen. De PGB houder is verplicht zich te houden aan de door de SVB gestelde regels rondom het trekkingsrecht. Niet voldoen aan de bepalingen van de SVB t.a.v. het trekkingsrecht kan tot gevolg hebben dat het PGB wordt ingetrokken. 6.7Controle en evaluatie Jaarlijks moet steekproefsgewijs gecontroleerd worden of het toegekende PGB op de juiste manier besteed is. Onderzocht wordt of het budget uitgegeven is aan de ondersteuning waarvoor het is toegekend en voldoet aan de voorwaarden waarvoor het PGB is toegekend. Vragen hierbij zijn bijvoorbeeld of de resultaten die benoemd zijn in het PGB plan worden behaald en een controle van de kwaliteitseisen waaraan de ondersteuning moet voldoen. Naast de controle van de PGB vindt ook een evaluatie van het ondersteuningsplan plaats. In het ondersteuningsplan wordt opgenomen binnen welke termijn(

  1. en)de evaluatie plaatsvindt. Tijdens de evaluatie wordt bekeken of een heroverweging noodzakelijk is door te kijken naar passendheid (sluit de pgb ondersteuning aan op de behoefte) en rechtmatigheid (tegengaan van fraude en oneigenlijk gebruik). Waar noodzakelijk worden het ondersteuningsplan- en pgb-plan bijgesteld aan de nieuwe situatie en/of op- nieuw vastgesteld welke specialistische hulp nodig is om de actuele ondersteuningsvraag te beantwoorden. 7.Vertrouwenspersoon Het college moet ervoor zorgen dan jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon en informeert hen hierover. Deze functie is belegd bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ). Cliënten kunnen contact opnemen wanneer zij vinden dat hun behandeling beter kan of een vraag hebben over hun rechtspositie in de jeugdzorg. 8.Overgangsrecht In de Jeugdwet is geregeld dat de rechten en verplichtingen die vóór 2015 golden bij verwijzingen en indicaties naar vormen van zorg of jeugdzorg (inclusief PGB’
  2. s)en die vanaf januari 2015 onder de Jeugdwet vallen, in 2015 geldig bleven. Een indicatiebesluit met een looptijd die doorloopt na 2015 verliest door het eindigen van het overgangsrecht per januari 2016 zijn effect. Als het een indicatiebesluit betreft waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg, dan eindigt het overgangsrecht niet per 1 januari 2016, maar geldt het voor de duur die is vastgesteld in het betreffende indicatiebesluit. In het uiterste geval kan dit betekenen dat de pleegzorg op basis van dat indicatiebesluit doorloopt tot het pleegkind 18 jaar wordt. Voor beschermd wonen geldt een overgangsrecht van vijf jaar. 9.Ouderbijdrage De ouderbijdrage zoals deze in 2015 gehanteerd werd is met ingang van 1-1-2016 komen te vervallen. Bijlage1Financiële bijlage 1.1 persoonsgebonden budget Voor de inzet van een PGB via zorg leverancier of ZZP’ers sluiten wij aan bij de tarieven zoals die zijn vastgesteld bij de aanbesteding. Wanneer een jeugdige of zijn ouders een duurdere vorm van ondersteuning wil, komen de meerkosten voor rekening van de jeugdige of zijn ouders. PGB Sociaal netwerk Voor de inzet van PGB sociaal netwerk, werkstudenten en overig hanteren wij het maximumtarief van € 20,- per uur of dagdeel. Daarbij sluiten wij aan bij de tariefstelling van het Zorgkantoor 2014. Dit kan geïndexeerd worden. 1.2 tarieven jeugdhulp De tarieven jeugdhulp worden vastgelegd in het inkoopproces. Ze zijn hier niet opgenomen, omdat in het registratiesysteem waarin het CMD en het PlusTeam werken altijd de juiste, actuele tarieven staan. Bijlage 2:CIZ indicatiewijzer gebruikelijke zorg versie juli 2014, hoofdstuk 4. Wanneer er sprake is van gebruikelijke zorg kan er geen individuele voorziening worden verstrekt, Gebruikelijke zorg: de normale dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar te bieden. Voor kinderen geldt dat ouders in beginsel hun minderjarige kinderen behoren te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook al is er sprake van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Er is sprake van boven gebruikelijke zorg, als de voor het kind noodzakelijke zorg op het gebied van persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding in chronische situaties uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft de aard, de frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen. Bij de functie verblijf gaat het om het leefklimaat beschermende woonomgeving, dat gelet op de levensfase van het kind als gebruikelijke zorg van ouders aan kinderen moet worden aangemerkt. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar horen te geven. kortdurende en langdurige situaties Bij gebruikelijke zorg wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de verzekerde. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de zorg langer dan drie maanden nodig zal zijn. Algemeen aanvaarde maatstaven: In kortdurende situaties moet alle PV en BG door de gebruikelijke zorger worden geboden. Voor VP geldt dit voor kinderen wanneer de handelingen door de ouders zijn aan te leren. In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de verzekerde moet worden geboden gebruikelijke zorg. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tot een leeftijd van 17 jaar gebruikelijke zorg, zowel in kortdurende als langdurige situaties. Algemeen beoordelingskader bij kinderen Het onderzoek naar de aanspraak op zorg in relatie tot gebruikelijke zorg van ouders aan kinderen richt zich in stap 1 van het onderzoek op het bepalen van de stoornissen en beperkingen die voortkomen uit een aandoening. In stap 2 van het onderzoek wordt beoordeeld: Welk deel van de benodigde zorg voortkomt uit de aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind; Welk deel van deze zorg onder de gebruikelijke zorg van ouders aan kinderen valt. Om vast te stellen op welke zorg het kind redelijkerwijs is aangewezen, wordt gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, beoordeeld welke zorg op het gebied van Persoonlijke Verzorging, Verpleging en Begeleiding uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Bij die beoordeling dienen de leeftijd van het kind, de aard van de zorg- handelingen, de frequentie van deze zorg handelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd te worden betrokken. Deze thema’s worden hieronder uitgelegd. Tevens wordt beoordeeld of sprake is van een of meer uitzonderingen die van invloed kunnen zijn bij het bepalen van de gebruikelijke zorg van ouders aan kinderen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. Leeftijd Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen kinderen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke zorg van ouders voor hun kinderen behoort, past daarom een zekere marge. Ook bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd kan de zorg die het ene kind nodig heeft meer of minder zijn dan de zorg die een ander kind nodig heeft. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Voorbeeld: Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Aard van de zorg handelingen Op zorg handelingen die het kind zelfstandig kan uitvoeren, is dat kind redelijkerwijs niet aangewezen. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorg handeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Of om handelingen die in samenhang met reguliere zorg momenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen. Bij gebruikelijke zorg gaat het om handelingen welke vallen onder specialistische jeugdhulp. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke zorg handelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. Frequentie en patroon van de zorghandelingen Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke zorg worden aangemerkt. Voorbeeld: Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke zorg aan- gemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking. Een voorbeeld van zorg handelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd De omvang van de tijd die met de zorg handelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke zorg sprake is. Voorbeeld: alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke zorg gezien. Samenhangende beoordeling De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind worden beoordeeld. Zo kan een zorg handeling die naar zijn aard en omvang voor een kind van een bepaalde leef- tijdsgroep gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie) waardoor deze zorg niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt. Zo kan bij een kind van een bepaalde leeftijd dat is aangewezen op handelingen die niet bij alle gezonde kinderen voorkomen en die kunnen meelopen in het gebruikelijke patroon van dagelijkse verzorging, niet langer sprake zijn van gebruikelijke zorg vanwege de (extra) tijd die met deze zorg handelingen gemoeid gaat. Een concrete uitwerking: het geven van medicatie (aard) bij een kind van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke zorg. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon en moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke zorg te beschouwen. Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen die zijn opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk. Het uitgangspunt van de richtlijn is de zorg die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan kinderen zonder beperkingen, rekening houdend met verschillen die bij kinderen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Gebruikelijke zorg per functie Persoonlijke Verzorging Ouders aan kinderen, in kortdurende situaties Alle Persoonlijke Verzorging door de ouder aan het kind is gebruikelijke zorg als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de verzekerde, dat AWBZ-zorg daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Voorbeeld: het (extra) verschonen bij buikgriep. Ouders aan kinderen, in langdurige situaties Een kind is aangewezen op AWBZ-zorg als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke zorg in vergelijking tot kinderen zonder AWBZ-grondslag van dezelfde leeftijdscategorie volgens de in de bijlage opgenomen richtlijn wordt overschreden. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorg handeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of om handelingen die in samenhang met reguliere zorg momenten kunnen worden geboden zoals het geven van medicijnen. Voorbeeld: het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke zorg, ook als het om sondevoeding gaat. Als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten, kan er een aanspraak op AWBZ- zorg zijn. Als een kind een handeling zelf kan uitvoeren, is er op grond van het begrip ‘redelijkerwijs’ geen aanspraak op AWBZ-zorg, zoals het legen of wisselen van een katheterzakje. Aanleren Het aanleren van handelingen op het gebied van Persoonlijke verzorging aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke zorg. Als anderen dan de gebruikelijke zorger de handelingen uitvoeren als de gebruikelijke zorger niet aanwezig is, wordt van de gebruikelijke zorger verwacht dat hij die handelingen zelf aan de desbetreffende persoon aanleert. Uitzondering voor kinderen: Voor zover een partner of ouder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke Persoonlijke verzorging ten behoeve van verzekerde uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hen geen bijdrage verwacht. Bij kinderen geldt deze uitzondering alleen voor zover het handelingen betreft die bij een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen niet voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van sondevoeding of medicijnen. Voor zover een partner of ouder overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: Wanneer er voor de partner of ouder eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde AWBZ-zorg, dient men die overbelasting op te heffen door deze zorg door (andere) zorgverleners uit te Iaten voeren/in te kopen. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke Persoonlijke verzorging, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke Persoonlijke verzorging voor op die maatschappelijke activiteiten. Voor zover gebruikelijke Persoonlijke Verzorging bij kinderen van niet uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke zorg moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind, kan hiervoor een indicatie worden gesteld. Bij zorg- handelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs, is sprake van boven gebruikelijke Persoonlijke Verzorging als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Voor zover de verzekerde zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen gebruikelijke Persoonlijke Verzorging verwacht van een partner of ouder. Voor zover het kind van 12 jaar of ouder geen intieme Persoonlijke Verzorging wil ontvangen van de ouder wordt geen bijdrage verwacht van de ouder. PV tijdens kinderopvang De opvang/zorg die instanties voor kinderopvang plegen te bieden is gebruikelijke zorg (Bza, artikel 2, lid 2). Alleen voor de zorg die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg zoals instanties voor kinderopvang die plegen te bieden, is er aanspraak op AWBZ-zorg. De niet-uitstelbare PV en VP kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden. Voorbeeld: een baby krijgt bij de kinderopvang drie keer per dag een flesje. Voor een baby valt het geven van een flesje onder normale dagelijkse zorg zoals kinderopvang die biedt, dat is dus geen indiceerbare zorg. Nu kost het bij deze baby, vanwege ernstige slikproblemen, extra tijd om dat flesje te geven. Voor het geven van een flesje staat gemiddeld 20 minuten per keer en bij deze baby kost het 35 minuten per keer. De minuten meertijd komen voort uit aandoening gerelateerde stoornissen en beperkingen. De extra tijd die het kost om het flesje te geven, is indiceerbaar, dus: drie keer 15 minuten = 45 minuten per dag dat het kind gebruik maakt van de kinderopvang. Wanneer de baby geen flesje zou krijgen maar sondevoeding, dan is de volledige tijd voor het toedienen van de sondevoeding tijdens de kinderopvang indiceerbare zorg. Het geven van sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden. Om deze reden kan het geven van sondevoeding gedurende de kinderopvang volledig worden geïndiceerd. PV tijdens onderwijs De school biedt gangbare en normale dagelijkse zorg, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse zorg kan geen AWBZ-indicatie worden afgegeven. Gedurende de tijd dat een kind de school bezoekt, is er voor de niet- uitstelbare zorg geen verplichting voor de ouders om deze gebruikelijke zorg op school te leveren. Deze zorg kan dus worden geïndiceerd. De onderwijsregelgeving is voorliggend op AWBZ-zorg tijdens schooltijd. Zie hiervoor ook hoofdstuk 5, Persoonlijke Verzorging en hoofdstuk 13, AWBZ-zorg in het onderwijs. Begeleiding Kortdurende situaties Alle begeleiding van de verzekerde door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke zorg als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie, met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de verzekerde, dat AWBZ-zorg daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurige situaties Als het gaat om een chronische situatie is de Begeleiding van een volwassen verzekerde gebruikelijke zorg wanneer die Begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een verzekerde: Het geven van BG aan een verzekerde op het terrein van de maatschappelijke participatie. Dit is in het algemeen geen AWBZ-aanspraak. Het begeleiden van verzekerde bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort. Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte verzekerde werd uitgevoerd. Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg Ouders aan kinderen in kortdurende situaties Alle begeleiding door de ouder aan het kind is gebruikelijke zorg als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de verzekerde, dat AWBZ-zorg daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Ouders aan kinderen in langdurige situaties Een kind is aangewezen op AWBZ-zorg als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie volgens de in de bijlage opgenomen richtlijn wordt overschreden. Aanleren Het Ieren omgaan van derden (familie/vrienden) met de verzekerde is gebruikelijke zorg. Uitzonderingen Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke begeleiding ten behoeve van verzekerde uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde AWBZ-zorg, dient men die overbelasting op te heffen door deze zorg door (andere) zorgverleners uit te laten voeren/in te kopen. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke begeleiding, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten. Voor zover de verzekerde zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot. Aandachtspunten Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke zorg. Kinderen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ont- wikkelt. Zie de bijlage bij dit hoofdstuk. Bovengebruikelijke Begeleiding bij kinderen tot 3 jaar komt in de praktijk niet vaak voor (kinderen in deze leeftijd hebben volledige verzorging en begeleiding van een ouder nodig). Toch kan boven gebruikelijk toezicht aan de orde zijn. Boven gebruikelijk toezicht is toezicht dat nodig is vanwege de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van het kind en is aanvullend op gebruikelijk ouderlijk toezicht. Het kan gericht zijn op (toezicht op en aansturen van) gedrag vanwege een aandoening, stoornis of beperking, of op het bieden van fysieke zorg zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte. Voorbeeld: bij kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel is pedagogische correctie op gedrag gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is. Begeleiding naar ziekenhuis: als een kind vanwege bijvoorbeeld nierdialyse meerdere keren per week naar het ziekenhuis moet, is het gebruikelijk dat een ouder meegaat. Hiervoor is geen AWBZ-indicatie mogelijk. Deze uren worden wel meegewogen in de weging van de (over)belasting van ouders voor de zorg van hun kind vanwege de aandoening. Begeleiding naar zwemles: hiervoor is geen AWBZ-indicatie mogelijk. Het is gebruikelijk dat ouders met hun kind meegaan naar zwemles. BG tijdens kinderopvang Wanneer ouders werken, zijn/blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van hun kinderen. De Begeleiding die buiten dit werk/onderwijs om als gebruikelijke zorg wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken/onderwijs volgen niet worden geïndiceerd. Wanneer sprake is van boven gebruikelijke Begeleiding, wordt de omvang van de boven gebruikelijke Begeleiding vastgesteld over het hele etmaal/zeven dagen per week. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken/onderwijs volgen. Ouders kunnen de keuze maken wanneer zij de geïndiceerde uren inzetten, thuis of tijdens de kinderopvang. BG tijdens onderwijs Zie hiervoor hoofdstuk 7 Begeleiding en Hoofdstuk 13, AWBZ zorg in het onderwijs. Beschermende woonomgeving en kinderen Ouders aan kinderen Het door de ouders aan het kind bieden van een beschermende woonomgeving als omschreven in hoofdstuk 9 (Verblijf) moet afhankelijk van de levensfase van het kind als Gebruikelijke zorg worden aangemerkt, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. In de bijlage bij dit hoofdstuk zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de Gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen. Als een kind niet bij (een van) de ouder(
  3. s)kan wonen, vanwege de onmogelijkheden van de ouder(
  4. s)om een veilig thuis te bieden en/of vanwege opvoedingsonmacht van de ouder(s), is verblijf op grond van de Wet op de jeugdzorg aan de orde. Daarnaast kan er in deze situaties bij kinderen met een aandoening, stoornis of beperking aanspraak zijn op AWBZ Verblijf als de zorg noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een therapeutisch leefklimaat en/of permanent toezicht. In de bijlage bij dit hoofdstuk is beschreven dat het bieden van een beschermende woonomgeving waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden, gebruikelijk is tot een leeftijd van 17 jaar. Dit betekent dat kinderen (tot 17 jaar) alleen in aanmerking komen voor de functie Verblijf als er een noodzaak is voor een therapeutisch leefklimaat en/of permanent toezicht. Dit therapeutisch leefklimaat en permanent toezicht worden verder beschreven in hoofdstuk 9, Verblijf. Uitzonderingen Er zijn geen uitzonderingen ten aanzien van het bieden van een beschermende woonomgeving aan kinderen. Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoten. Algemeen De zorg voor een ziek kind of een zieke partner, kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. In de meeste gevallen is de boven gebruikelijke zorg die geïndiceerd wordt voldoende om deze overbelasting te voorkomen. Maar soms blijkt deze geïndiceerde zorg niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke Persoonlijke Verzorging, Verpleging en/of Begeleiding zo nodig geheel of gedeeltelijk geïndiceerd worden. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk. Beoordeling van overbelasting Aan het indiceren van gebruikelijke zorg gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke zorger zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind of de partner (draaglast verhoging). De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke zorgtaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke zorg te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de planbare zorgtaken, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare zorg te leveren is van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke zorger. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke zorger noodzakelijk is. Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis (DSM-IV-TR) optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals: angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen; depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid; gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag; gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag; lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of kind) biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom in het indicatiebesluit worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het indicatiebesluit verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buiten- spelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Bijlage3:Woonplaatsbeginsel Stappenplan Via onderstaande link wordt verwezen naar een stappenplan waarmee een professional bepalen kan vaststellen welke gemeente verantwoordelijk is. Dit ten behoeve van de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten. De VNG en het Rijk hebben afgesproken om de Jeugdwet toe te passen zoals in dit stappenplan uiteen is gezet. Bij dit schema hoort een factsheet met uitleg over het woonplaatsbeginsel. http://www.voordejeugd.nl/attachments/article/1373/Mindmap%20op%20A0-formaat.pdf Factsheet Op 1 januari 2015 treedt de Jeugdwet in werking en worden de gemeenten verantwoordelijk voor het hele jeugdveld. Daarom is het voor gemeenten onder andere belangrijk om te bepalen of jeugdigen die in hun gemeenten jeugdhulp nodig hebben, daadwerkelijk tot hun verantwoordelijkheid behoren. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie hebben hiervoor sa- men met de VNG een stappenplan voor gemeenten ontwikkeld. Door de stappen uit dit plan te volgen, wordt voor gemeenten duidelijk welke gemeente verantwoordelijk is voor het bepalen en financieren van de benodigde jeugdhulp of die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing of voor de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering. De verantwoordelijke gemeente is in beginsel de gemeente waar de ouder met gezag woont. Als een jeugdige en zijn of haar ouders hulp nodig hebben, wordt eerst bekeken waar het gezag ligt. Daarna wordt vastgesteld wat het adres is. Zo wordt duidelijk welke gemeente verantwoordelijk is voor de desbetreffende jeugdige. Bij een verhuizing, een wijziging in het gezag of als de jeugdige meerderjarig wordt, verandert de situatie. Voor de nieuwe situatie moet opnieuw met behulp van het stappenplan worden bepaald welke gemeente op dat moment de verantwoordelijke gemeente is. Het vaststellen van de woon- of verblijfplaats Bij het bepalen van het woonadres wordt aangesloten bij de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). Als een jeugdige zelf, of zijn of haar gezagsdrager, niet heeft gezorgd voor de inschrijving in de BRP, moet hij of zij gewezen worden op zijn of haar wettelijke plicht om zich in te schrijven. Als er geen inschrijving in de BRP is, wordt gekeken naar het werkelijke verblijf van de gezagsdrager. In sommige gevallen is het werkelijke verblijfplaats van de jeugdige bepalend voor de verantwoordelijke gemeente. Soms komt het voor dat het werkelijke verblijf van een jeugdige bij een nevenvestiging van een jeugdhulpaanbieder is. In die gevallen is het adres van de nevenvestiging het adres dat geldt. Als het moment van de hulpvraag wordt gehanteerd, geldt het eerste contact van de jeugdige bij de toegang. Verhuizing Een wijziging van de inschrijving in de BRP betekent de start van overleg tussen gemeente die verantwoordelijk was en de gemeente die verantwoordelijk wordt. Dit overleg is gericht op de feitelijke overdracht. Hulp bij acute situaties Bij acute situaties wordt direct jeugdhulp aan de jeugdige geleverd of een kinderbeschermingsmaatregel uitgesproken. De gemeente die de acute hulp levert, stelt via het stappenplan vast welke gemeente formeel verantwoordelijk is. De kosten van alle geleverde acute hulp zijn immers voor rekening van die gemeente. Wanneer de Jeugdwet niet van toepassing is, is er geen gemeente direct verantwoordelijk voor de desbetreffende jeugdige. Gemeenten die kosten voor jeugdhulp hebben gemaakt moeten in die uitzonderlijke gevallen de kosten verhalen op de reisverzekering, de desbetreffende buitenlandse verzekeraar of via de gezagsdrager van de jeugdige. Overgangsrecht m.i.v. 1-1-2016 In de Jeugdwet is geregeld dat de rechten en verplichtingen die vóór 2015 golden bij verwijzingen en indicaties naar vormen van zorg of jeugdzorg en die vanaf 1 januari 2015 onder de Jeugdwet vallen, in 2015 geldig bleven. Een indicatiebesluit met een looptijd die doorloopt na 2015 verliest door het eindigen van het overgangsrecht per 1 januari 2016 zijn effect. Als het een indicatiebesluit betreft waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg, dan eindigt het overgangsrecht niet per 1 januari 2016, maar geldt het voor de duur die is vastgesteld in het betreffende indicatiebesluit. In het uiterste geval kan dit betekenen dat de pleegzorg op basis van dat indicatiebesluit doorloopt tot het pleegkind 18 jaar wordt. Voor beschermd wonen geldt een overgangsrecht van vijf jaar. Gescheiden ouders in verschillende gemeenten Als ouders na een echtscheiding in verschillende gemeenten wonen en de jeugdige bij beide ouders woont, moet er een hoofdverblijf worden aangewezen. De rechter kan bij de scheidingsuitspraak het hoofdverblijf bepalen. Als het hoofdverblijf niet door de rechter is bepaald, geven de ouders aan wat het hoofdverblijf van de jeugdige is. Kunnen of willen de ouders dit niet aangeven dan gaan de twee desbetreffende gemeenten met elkaar in overleg. Daarbij hanteren zij het criterium: de verantwoordelijke gemeente is die gemeente waar de jeugdhulp in het belang van de jeugdige binnen zijn sociale netwerk (school, sport en vriendenkring) georganiseerd kan worden. Voorlopige voogdij De kinderrechter kan om verschillende redenen een voorlopige voogdij uitspreken. Het gaat daarbij altijd om acute noodsituaties waarin een snel ingrijpen ter (tijdelijke) bescherming van de minderjarige nodig is. Zo kan het nodig zijn om een medische behandeling voor een kind mogelijk te maken, als toestemming door de ouder(
  5. s)wordt geweigerd. Voorlopige voogdij kan ook een tussenmaatregel zijn wanneer deze wordt uitgesproken gedurende het onderzoek naar een beëindiging van het ouderlijk gezag. Dan is het gezag van de ouder(
  6. s)geschorst, in afwachting van een definitieve maatregel. Bij de situatie van voorlopige voogdij is voor het bepalen van de woonplaats gekozen voor een praktische oplossing. Uitgangspunt is de situatie die gold voordat sprake was van voorlopige voogdij. De gemeente waar de ouder die het gezag had woont is verantwoordelijk. Als die ouder tijdens de duur van de situatie van voorlopige voogdij verhuist, wordt de gemeente waar deze ouder naar toe gaat verantwoordelijk. Tijdelijke voogdij Bij de situatie van tijdelijke voogdij is er tijdelijk in de voogdij voorzien. Deze situatie kan onbeperkt duren, tot het moment waarop ouders terugkeren, bijvoorbeeld na het uitzitten van een gevangenisstraf in het buitenland, of totdat een jeugdige terugkeert naar het land van herkomst (Nidos heeft dan meestal de tijdelijke voogdij) of tot het moment waarop een jeugdige meerderjarig wordt. De verblijfplaats van de jeugdige is in deze situaties bepalend. Instellingsvoogdij Als de voogdij door een gecertificeerde instelling wordt uitgeoefend is het werkelijke verblijf van de jeugdige bepalend. Vaak woont deze jeugdige in een pleeggezin of in een residentiële instelling. Als de jeugdige in een residentiële instelling woont, geldt niet het adres van de hoofdvestiging van de jeugdhulpaanbieder maar het werkelijke verblijf van een jeugdige bij de nevenvestiging. Meerderjarige jeugdige Als een jeugdige 18 jaar wordt, is er geen gezagsrelatie meer. Daarom wordt in dat geval uitgegaan van het adres van de jeugdige. Woonplaats van gezagdrager(
  7. s)onbekend of in het buitenland Als de woonplaats van de gezagsdrager(
  8. s)onbekend is, geldt het werkelijk verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag. Als de gezagsdrager(
  9. s)in het buitenland wonen en de jeugdige in Nederland verblijft, geldt het werkelijk verblijf van de jeugdige. Er is dus altijd een gemeente verantwoordelijk. Woonplaats gezagsdragers en jeugdige in buitenland Als ouders en jeugdige in het buitenland wonen, is er geen recht op jeugdhulp. Gemeenten hoeven dan geen jeugdhulp te leveren. Woonplaats gezagsdrager in Nederland en jeugdige in buitenland. De gemeente waar de gezagsdrager woont is verantwoordelijk. Briefadres Soms wordt iemand op een briefadres en niet op een woonadres ingeschreven in de BRP. Dit kan voorkomen als iemand bijvoorbeeld in een psychiatrische instelling, een Blijf van mijn Lijf-huis of in een gevangenis verblijft. Bij een briefadres geldt het werkelijke verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag. Wanneer zowel het briefadres als het woonadres bekend zijn in de BRP, wordt het woonadres gehanteerd. Bijlage4:Werkprocessen 4.1 toegang via het centrum voor maatschappelijke deelname en het PlusTeam Ondersteuning door vertrouwenspersoon of onafhankelijke cliëntondersteuning is te allen tijde mogelijk 4.2 toegang via het justitiële Bij toegang via het justitiële kader wordt gezorgd voor de inzet van jeugdhulp die nodig wordt geacht door: de rechter; de gecertificeerde instelling; de inrichtingenarts; de directeur van de justitiële inrichting; Voor de bescherming van en kinderbeschermingsmaatregel, een strafrechtelijke beslissing of de uitvoering van jeugdreclassering. Het ‘samenwerkingsprotocol Gemeenten Zuidoost-Brabant – Raad voor de Kinderbescherming’ is van toepassing. 4.4 toegang via veilig thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis (het voormalig meldpunt Kindermishandeling) een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt hiervoor contacten met de hulpverlening. 4.5 spoedeisende gevallen In geval van spoed, crisis en dwang wordt direct een tijdelijke voorziening geregeld. De beschikking volgt achteraf. Voor spoed: beschikking achteraf is mogelijk mits: Gemotiveerd kan worden waarom deze hulp, met spoed, noodzakelijk is, en Er multidisciplinair overleg met het netwerk is geweest (tenzij met argumenten is aangegeven dat dit vanwege de veiligheid niet mogelijk
  10. is)Voor crisis en dwang: beschikking achteraf is mogelijk mits: Gemotiveerd kan worden waarom deze hulp noodzakelijk is. Het protocol met Raad voor de Kinderbescherming toegepast is. Bijlage5:Uitvoeringsbesluit Jeugd Generalistische en specialistische GGZ Vanuit de Jeugdwet is de gemeente verplicht via deskundige toeleiding een aanspraak op een voorziening te regelen. Gemeenten leveren jeugdhulp op basis van door een professional gestelde ‘indicatie’. Ook huisartsen en jeugdartsen worden aangemerkt als deskundige toeleiders (verwijzers). In de huidige uitvoeringspraktijk ontvangen wij een tweetal signalen, die maken dat we bovenstaande onder de aandacht brengen. Het betreft: Omzetten van een GB-GGZ naar een DBC; Verlenging van GB-GGZ en DBC. In het kader van rechtmatigheid zijn wij gehouden aan het gegeven dat er aan iedere toewijzing en/of verlenging van jeugdhulp een geldige indicatie, gesteld door een deskundige toeleider, ten grondslag ligt. Dit betekent dat wanneer financiële administraties verzoeken om verlengingen en/of in mutaties ontvangen, deze doorgezet worden naar de deskundige toeleider (hetzij gemeentelijke professionals, hetzij huisarts/jeugdarts als verwijzer). Hieronder volgt een korte toelichting van de huidige regels. Generalistische Basis GGZ De generalistische basis GGZ is geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, niet zijnde gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg. In de generalistische basis GGZ zijn er vier patiëntprofielen die de totale doelgroep van de generalistische basis GGZ bevatten met de bijbehorende zorgvraagzwaarte. De patiëntgroepen zijn gekoppeld aan de volgende prestaties: Generalistische basis-ggz Kort. Generalistische basis-ggz Middel. Generalistische basis-ggz Intensief. Generalistische basis-ggz Chronisch. Voor meer informatie over de inhoud van deze prestaties en de bijbehorende patiëntprofielen, kunt u de beleidsregel ’Generalistische basis-ggz’ van de Nederlandse zorgautoriteit raadplegen. https://www.nza.nl/1048076/1048090/BR_REG_1716_Generalistische_basis_ggz.pdf Hieronder geven we echter enkele belang rijke aandachtspunten mee, waarvan we in de praktijk merken dat deze niet helder zijn: Er zijn geen minuten gekoppeld aan de verschillende prestaties. Aan de hand van de patiëntprofielen, zoals vastgesteld door de Nederlandse zorgautoriteit, moet er een prestatie gekozen worden. De zorgaanbieder voert de aangegeven prestatie van diagnostiek & behandeling uit. Een prestatie mag éénmalig ingezet worden. In beginsel mogen er niet meerdere prestaties tegelijkertijd worden gedeclareerd bij dezelfde patiënt. 6Uitzondering hierop is dat de prestatie Kort, Middel en Intensief wel in combinatie met de prestatie Chronisch gedeclareerd mogen worden. Daarnaast mogen alle prestaties ook in combinatie met de overige zorgproducten in rekening gebracht worden. Het is mogelijk om tijdens een behandeltraject een andere prestatie in rekening te brengen wanneer blijkt dat de patiënt een meer of minder intensieve behandeling nodig heeft en er op basis van zijn zorgvraagzwaarte een andere prestatie in rekening gebracht moet worden. In dit geval mag alleen de prestatie in rekening worden gebracht die daadwerkelijk van toepassing is op de patiënt. De patiënt moet hier altijd over geïnformeerd worden Wanneer de GB-ggz behandelaar gedurende het behandeltraject de specialistische ggz consulteert om een diagnose te (Iaten) stellen dan valt dit onder consultatie en dient dit binnen het GB-ggz traject bekostigd te worden. Na diagnostiek bij de specialistische ggz kan de patiënt behandeling bij GB-ggz behandelaar vervolgen. Voor een patiënt kunnen (voor dezelfde hulpvraag) niet twee trajecten gelijktijdig ingezet worden. Het is dus of een GB-ggz traject of een DBC. Aan het einde van het traject wordt het gehele product afgerekend. Indien tijdens het behandeltraject blijkt dat er vroegtijdig, dat wil zeggen binnen 120 minuten directe en indirecte tijd, wordt geconstateerd dat de patiënt in de gespecialiseerde ggz behandeld moet worden of dat de patiënt liever door een andere behandelaar behandeld wil worden, wordt de prestatie ‘Onvolledig behandeltraject’ in rekening gebracht. Specialistische GGZ Een DBC wordt altijd gestart met code 32000 en afgerekend op de definitieve behandelcode. JW315 is een verzoek tot zorgtoewijzing. JW305 vermeldt de definitieve startdatum zorg. Vanaf deze datum is de DBC maximaal 365 dagen geldig. Wanneer een GB-ggz aangevraagd wordt en dezelfde behandelaar aansluitend overschakelt naar een DBC, dan wordt het GB-ggz ingetrokken. Het is wél mogelijk dat een diagnose gesteld wordt binnen de GB-ggz. Het GB-ggz traject wordt afgesloten en vervolgens kan een andere zorgaanbieder een DBC voor behandeling openen mits dit via de verwijzer loopt. Als een patiënt weer terug in zorg komt voor dezelfde diagnose binnen 35 dagen na afsluiting van de DBC, moet — als de jaargrens dat mogelijk maakt - de DBC heropend worden. Een vervolg-DBC wordt geopend op het moment dat de patiënt weer terug in zorg komt voor dezelfde diagnose binnen 365 na afsluiting van de voorgaande DBC. Er wordt een nieuwe initiële DBC geopend als een bekende patiënt zich aanmeldt met dezelfde primaire diagnose, maar 365 dagen zijn verstreken sinds het sluiten van de vorige DBC. Ingevolge artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Ingevolge artikel 53 aanhef en onder b juncto artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg stelt de NZa de tarieven en de prestatiebeschrijvingen die uit deze beleidsregels voortvloeien ambtshalve vast. Ingevolge artikel 59, onderdeel a, Wmg heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met de brief van 8 juli 2013, kenmerk 129679-106375-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregels een aanwijzing op grond van artikel 7 Wmg aan de NZa gegeven. Met de brief van 15 juli 2013 (kenmerk 147345-109437-CZ) heeft de Minister van VWS de NZa de opdracht gegeven de regelgeving conform het gestelde in deze brieven aan te passen. In deze beleidsregel zijn cursief weergegeven toelichtingen opgenomen. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) niet zijnde gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg, maar generalistische basis GGZ. Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen7 Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, sub b, nr. 2°, van de Wmg. of werkzaamheden8 Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. op het terrein van de generalistische basis GGZ geleverd door of onder verantwoordelijkheid van beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 3, dan wel 34, van de Wet BIG. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om de tarieven en prestatiebeschrijvingen voor de generalistische basis GGZ vast te stellen. Begripsbepalingen Zorgaanbieder De natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg. Prestatie De prestaties als genoemd in artikel 4; als ook de OVP niet- basispakketzorg consult en de OVP niet-basispakketzorg verblijf als vermeld in artikel 6; als ook de overige prestaties als vermeld in artikel 7 van deze beleidsregel. Generalistische basis GGZ Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de Zvw, niet zijnde gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg. De patiëntprofielen als bedoeld in artikel 3.4 samen vormen een afspiegeling van de totale doelgroep van de Basis GGZ en de bijbehorende zorgvraagzwaarte. Patiëntprofiel De beschrijving van de kenmerken waarvoor de prestatie geschikt wordt geacht. Dit profiel is een weergave van de zorgvraagzwaarte van de patiënten per prestatie. Het patiëntprofiel is gebaseerd op de volgende criteria: DSM stoornis, ernst problematiek, risico, complexiteit en beloop klachten. Zorgvraagzwaarte Zorgvraagzwaarte is gerelateerd aan de patiënt (de zwaarte van de zorgvraag) en onderscheidt zich daarmee van zorgzwaarte, wat gaat over de zwaarte van de behandeling. DSM stoornis Een stoornis als bedoeld in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (kortweg DSM), versie DSM-IV-TR. Een vermoeden van een in tot het verzekerde pakket behorende DSM stoornis is een noodzakelijke voorwaarde voor toegang tot de Basis GGZ. Voor behandeling in de generalistische basis GGZ dient een stoornis aanwezig te zijn. Blended Een combinatie van face-to-face en e-health behandelingen Onderlinge dienstverlening De zorg als bedoeld in artikel 1, Wmg, die door een zorgaanbieder wordt verleend als onderdeel van een door een andere zorgaanbieder uit te voeren prestatie op het gebied van de generalistische basis GGZ. De eerstgenoemde zorgaanbieder wordt in dit kader aangeduid als ‘uitvoerende zorgaanbieder’. De laatstgenoemde zorgaanbieder wordt in dit kader aangeduid als de ‘opdrachtgevende zorgaanbieder’ Consultatie Raadpleging van een specialist of andere behandelaar door een behandelaar ten behoeve van de diagnostiek en/of behandeling van de patiënt. Hoofdbehandelaar De hoofdbehandelaars in de generalistische basis GGZ hebben een GGZ- specifieke opleiding gevolgd, zijnde: Psychiater Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychotherapeut Specialist ouderengeneeskunde Verslavingsarts in profielregister KNMG Klinisch geriater Verpleegkundig specialist GGZ GZ-psycholoog Orthopedagoog generalist Kinder- & Jeugdpsycholoog NIP De hoofdbehandelaars zijn BIG-geregistreerd met uitzondering van de orthopedagoog generalist en de kinder- & jeugdpsycholoog. De orthopedagoog generalist is ingeschreven in het register van de NVO. De kinder- & jeugdpsycholoog is ingeschreven in het register van de NIP. Voor wat betreft de taken en verantwoordelijkheden wordt verwezen naar de brief van de minister van VWS aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 2 juli 2013 betreffende het Hoofdbehandelaars schap GGZ (kenmerk 129353-106301-CZ). Medebehandelaar De medebehandelaars zijn de zorgverleners, niet zijnde de hoofdbehandelaar, die zorg verlenen in het kader van het behandeltraject van de patiënt in de Basis GGZ. Behandeltraject Een behandeltraject omvat het geheel van activiteiten van de zorgaanbieder, voortvloeiend uit de zorgvraag waarvoor de patiënt in behandeling is. Een behandeltraject kan bestaan uit meerdere behandelcomponenten, inclusief intake en diagnostiek. Behandelcomponent De behandelcomponenten zijn de bouwstenen van de prestatie. De behandelcomponenten bestaan uit zorgactiviteiten en worden niet afzonderlijk in rekening gebracht maar via één van de vier integrale prestaties BK, BM, BI of BC. OVP niet-basispakketzorg Consult Dit consult betreft een onafgebroken tijdsspanne waarin de zorgaanbieder de patiënt voor één of meerdere indicaties begeleidt, adviseert en/of behandelt. Deze prestatie is bedoeld voor patiënten die zorg ontvangen welke niet behoort tot het verzekerde pakket op grond van de Zvw maar wel zorg is zoals omschreven in de Wmg. Dit is inclusief tijdsbesteding die uit dit contact voortvloeit. Het maximumtarief voor de OVP Consult is gebaseerd op een consult van 60 minuten. OVP niet-basispakketzorg Verblijf Deze verblijfsprestatie betreft een verblijf met overnachting. Deze verblijfsprestatie is bedoeld voor patiënten die opgenomen zijn om zorg te ontvangen welke niet behoort tot het verzekerd pakket op grond van de Zvw maar wel zorg is zoals omschreven in de Wmg. De behandeling valt niet onder deze prestatie, het gaat hier uitsluitend om de verblijfskosten. Het maximumtarief voor de OVP Verblijf is gebaseerd op een verblijf van 24 uur. Patiëntgebonden activiteiten Activiteiten die een behandelaar uitvoert in het kader van de diagnostiek en behandeling van een patiënt. Niet-patiëntgebonden activiteiten Activiteiten zoals scholing, algemene vergaderingen, intervisies over het functioneren van collega’s, productontwikkeling en het lezen van vakliteratuur. Direct patiëntgebonden tijd De tijd waarin een behandelaar, in het kader van de diagnostiek of behandeling, contact heeft met de patiënt of met familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten (het systeem) van de patiënt. Hier valt face-to-face, telefonisch en elektronisch contact via e-mail of internet onder (chatten, Skype, ect.). Indirect patiëntgebonden tijd De tijd die de behandelaar besteedt aan zaken rondom een contactmoment waarbij de patiënt (of het systeem van de patiënt) zelf niet aanwezig is. Onder indirect patiëntgebonden tijd valt bijvoorbeeld: het voorbereiden van een activiteit, verslaglegging in het kader van een activiteit, reistijd van en naar de patiënt, multidisciplinair overleg of eindverslaglegging van een behandeltraject. Prestaties generalistische basis GGZ Integrale prestaties Voor de generalistische basis GGZ zijn de volgende vier integrale prestaties van toepassing: Generalistische basis GGZ Kort (BK) Generalistische basis GGZ (BM) Generalistische basis GGZ Intensief (BI) Generalistische basis GGZ Chronisch (BC) Elk van deze prestaties omvat het geheel van behandelcomponenten voor een categorie patiënten passend bij het patiëntprofiel. Toelichting: Binnen de prestatie worden verschillende behandelcomponenten aangeboden die passen bij de individuele zorgvraagzwaarte van de individuele patiënt en waarbij sprake kan zijn van gezamenlijke zorgverlening door behandelaars. De Nza stelt de inhoud van de prestatie niet op detailniveau vast. Het is aan de zorgaanbieders (in samenspraak met verzekeraars) om binnen de kaders van de prestatieomschrijving een passend zorgaanbod te organiseren voor de patiënt. Voorwaarde is dat dit uiteraard dient te gebeuren binnen de door de NZa vastgestelde tariefruimte. Patiëntprofielen Elk van de in het vorige lid bedoelde prestaties is gebaseerd op een afzonderlijk patiëntprofiel. Toelichting: Daar het patiëntprofiel is gebaseerd op vijf objectieve criteria (DSN stoornis, ernst problematiek, risico, complexiteit en beloop klachten) betekent dit dat de prestatie niet alleen iets zegt over de ernst van de stoornis maar over de mate van score op alle vijf de criteria. Generalistische basis GGZ Kort (BKR) Het patiëntprofiel dat hoort bij deze prestatie is: Er is sprake van een DSM stoornis De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft problematiek van lichte ernst toelichting: Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie. Er is sprake van een laag risico toelichting: Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie. Er is sprake van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit toelichting: Er is weliswaar sprake van comorbiditeit of problematiek ten aanzien van persoonlijkheid, zwakzinnigheid, somatische factoren of psychosociale en omgevingsproblemen, maar deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose. Er zijn aanhoudende/persisterende klachten. Eerdere interventies hebben onvoldoende effect bewerkstelligd. Generalistische basis GGZ Middel (BM) Het patiëntprofiel dat hoort bij deze prestatie is: Er is sprake van een DSM stoornis De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft problematiek van matige ernst Toelichting: De kernsymptomen behorend bij het ziektebeeld zijn aanwezig en er is sprake van waarneembare beperkingen in het dagelijks functioneren. Er is sprake van een laag tot matig risico. Toelichting: Ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen zijn er geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie. Is wel sprake van een Patent gevarenrisico dan staan daar beschermende factoren tegenover zoals: adequate coping, werk of structurele dag invulling en een steunsysteem waarop men dagelijks kan terugvallen voor toezicht, zorg, praktische en emotionele steun. Er is sprake van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit. Toelichting: Er is sprake van comorbiditeit of problematiek ten aanzien van persoonlijkheid, zwakzinnigheid, somatische factoren of psychosociale en omgevingsproblemen, maar deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose. De duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de DSM richtlijn voor het betreffende ziektebeeld. Generalistische Basis GGZ Intensief (BI) Het patiëntprofiel dat hoort bij deze prestatie is: Er is sprake van een DSM stoornis De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft ernstige problematiek Toelichting: De meeste symptomen behorend bij het ziektebeeld zijn aanwezig. er is sprake van uitval en/of substantiële beperkingen in het dagelijks functioneren. Er is sprake van een laag tot matig risico Toelichting: Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar. Is er wel sprake van een Patent gevarenrisico, dan staan er beschermende factoren tegenover, zie prestatie Middel. Er is sprake van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit Toelichting: Er is sprake van comorbiditeit of problematiek ten aanzien van persoonlijkheid, zwakzinnigheid, somatische factoren of psychosociale en omgevingsproblemen, maar deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose. De duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld. Generalistische basis GGZ chronisch (BC) Het patiëntprofiel dat hoort bij deze prestatie is: Er is sprake van een DSM stoornis De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft risicogevoelige stabiele of instabiele chronische problematiek of ernstige problematiek in remissie. Er is sprake van een laag tot matig risico Toelichting: Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie. Is er wel sprake van een latent gevarenrisico, dan staan daar beschermende factoren tegenover, zie prestatie Middel. Prestatie Onvolledig behandeltraject De behandelaar dient deze prestatie in rekening te brengen in drie situaties: De verwijzer verwijst de patiënt naar een behandelaar in de generalistische basis GGZ, maar de behandelaar stelt geen DSM- stoornis vast. Er wordt vroegtijdig (behandelinzet van maximaal 120 minuten directe en indirecte patiëntgebonden tijd) geconcludeerd dat de patiënt behandeld dient te worden in de gespecialiseerde GGZ. Vroegtijdig (behandelinzet van maximaal 120 minuten directe en indirecte patiëntgebonden tijd) wordt de behandeling door de patiënt en/of behandelaar afgebroken (bijvoorbeeld omdat de patiënt een andere behandelaar prefereert). Toelichting: Eventueel verwijst de behandelaar de patiënt terug naar de huisarts als hij geen stoornis vaststelt, waarna de huisarts in overleg met de patiënt kan bepalen wat een geschikte andere behandeling zou kunnen zijn. In geval van de conclusie dat de patiënt verwezen moet worden naar de gespecialiseerde GGZ verloopt dat altijd alsnog via de huisarts (of de in de polis genoemde verwijzer). Begin en einde van het behandeltraject Begin Een behandeltraject begint met intake en diagnostiek waarna de patiënt op basis van zijn individuele zorgvraagzwaarte ingedeeld wordt in een van de vier integrale prestaties. De startdatum van het behandeltraject wordt bepaald door de datum waarop de behandelaar voor het eerst direct en/of indirect patiëntgebonden tijd besteedt aan de betreffende patiënt Einde Het behandeltraject wordt afgesloten als de behandeling van de patiënt eindigt. Daarvan is sprake als: de behandeling is afgerond, vermoeden van DSM-stoornis niet bevestigd, patiëntprofiel patiënt te zwaar voor generalistische basis GGZ, voortijdige beëindiging behandeling op initiatief van patiënt en/of behandelaar, overlijden van de patiënt, na 365 dagen of ingeval van overgang naar een andere bekostiging. Looptijd Een prestatie kan maximaal 365 dagen ‘open’ staan. Na 365 dagen wordt de prestatie afgesloten. Voorwaarden, voorschriften, beperkingen Hoofdbehandelaar De prestaties als omschreven in artikel 4 van deze beleidsregel worden in rekening gebracht mits er sprake is van betrokkenheid van een hoofdbehandelaar bij het behandeltraject van de patiënt. Veranderen van prestatie gedurende het behandeltraject Blijkt tijdens een behandeltraject dat een patiënt een meer of minder intensieve behandeling nodig heeft en op basis van zijn individuele zorgvraagzwaarte in een andere prestatie valt, dan is het mogelijk om tijdens een behandeltraject van prestatie te veranderen, mits de patiënt hierover adequaat is geïnformeerd. Toelichting: Indien er sprake is van (een vermoeden van) een DSN stoornis en de huisarts niet zelf kan behandelen, verwijst de huisarts door naar de generalistische basis GGZ. Indien blijkt dat er sprake is van complexe- of acute problematiek kan de huisarts ervoor kiezen om een patiënt (rechtstreeks) door te verwijzen naar de Gespecialiseerde GGZ Overige producten (niet verzekerd pakket) De prestaties voor de generalistische basis GGZ als bedoeld in artikel 4 worden alleen in rekening gebracht indien sprake is van zorg die behoort tot het verzekerde pakket op grond van de Zvw. Indien de prestatie of een behandelcomponent geen onderdeel uitmaakt van het eerder bedoelde verzekerde pakket, wordt de geleverde zorg in rekening gebracht in de vorm van een Overig Product (OVP): een OVP niet-basispakketzorg Consult of een OVP niet-basispakketzorg Verblijf. Toelichting: De zorgaanbieder en de patiënt maken onderling afspraken voor wat betreft de duur en inhoud van de te leveren zorg. Zij komen een prijs overeen binnen het door de NZa bepaalde maximumtarief voor de OVP. In geval van zorg die geen onderdeel uitmaakt van het verzekerde pakket hoeft niet te worden voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden van betrokkenheid van een hoofdbehandelaar. Overige prestaties Zorgaanbieders kunnen de prestaties declareren voor keuringen, rapporten en informatieverstrekkingen die zijn opgenomen in de vigerende bijlage behorend bij de ‘Regeling medisch specialistische zorg’ met het overzicht van de overige zorgproducten (OZP). Deze overige prestaties behoren niet tot het verzekerde pakket op grond van de Zvw, maar betreffen wel zorg zoals omschreven in de Wmg. Toelichting: De Overige Prestaties voor de GGZ zijn te selecteren door bij de kolom 'Soort overig zorgproduct’ voor 'OZP Overige Verrichtingen’ te kiezen én in de kolom 'Door GGZ te declareren’ te kiezen voor '›‹’. 8Declaratie De zorgaanbieder brengt de prestaties als bedoeld in artikel 4 niet eerder in rekening dan het behandeltraject is afgesloten. Een behandeling is afgesloten indien één van de afsluitredenen van toepassing is zoals genoemd in artikel 4.4.2. De zorgaanbieder kan een OVP als bedoeld in artikel 6 of 7 ook in onderdelen in rekening brengen, bijvoorbeeld per zitting of per verblijfsdag. De zorgaanbieder maakt hierover voorafgaand aan de behandeling schriftelijke afspraken met de patiënt. Als er aan een patiënt basispakketzorg en niet-basispakketzorg wordt geleverd, dan brengt de zorgaanbieder een prestatie voor de basispakketzorg en een of meerdere OVP’s voor de niet-basispakketzorg in rekening. Zoals in artikel 4.1 van deze beleidsregel is aangegeven kunnen verschillende behandelcomponenten worden aangeboden binnen een prestatie. Deze behandelcomponenten worden niet afzonderlijk bekostigd, maar in rekening gebracht als integraal onderdeel van een van de prestaties als omschreven in deze beleidsregel. In geval van onderlinge dienstverlening brengt de uitvoerende zorgaanbieder de uitgevoerde behandelcomponent, bijvoorbeeld specialistische behandeling en/of consultatie, in rekening bij de opdrachtgevende zorgaanbieder. De zorgaanbieder declareert de prestatie met het patiëntprofiel dat aansluit bij de zorgvraagzwaarte van de patiënt. Wanneer tijdens het behandeltraject blijkt dat de patiënt op basis van (een verandering
  11. in)zorgvraagzwaarte een andere prestatie nodig heeft dan bij de start van het behandeltraject, wordt enkel de andere prestatie gedeclareerd. Bij overgang naar een andere prestatie dient de patiënt hierover te zijn geïnformeerd. indien blijkt dat er geen sprake is van een DSM stoornis, wordt het behandeltraject afgesloten en wordt uitsluitend de prestatie Onvolledig behandeltraject in rekening gebracht. Indien tijdens de behandeling in de generalistische basis GGZ blijkt dat de problematiek en klachten verergeren waardoor de patiënt niet meer binnen de patiëntprofielen van de generalistische basis GGZ past, wordt het behandeltraject in de generalistische basis GGZ afgesloten en de geleverde prestatie in rekening gebracht. Ingeval de behandeling net is gestart (behandelinzet van maximaal 120 minuten directe en indirecte patiëntgebonden tijd) en blijkt dat het patiëntprofiel van de patiënt te zwaar is voor de generalistische basis GGZ, wordt de prestatie ‘Onvolledig behandeltraject’ in rekening gebracht. Indien de behandeling voortijdig op initiatief van de patiënt en/of behandelaar wordt beëindigd, wordt het behandeltraject in de generalistische basis GGZ afgesloten en de geleverde prestatie in rekening gebracht. Ingeval de behandeling net is gestart (behandelinzet van maximaal 120 minuten directe en indirecte patiëntgebonden tijd) wordt de prestatie ‘Onvolledig behandeltraject’ in rekening gebracht. Er kunnen niet meerdere prestaties tegelijkertijd worden gedeclareerd bij dezelfde patiënt. Uitzondering is een combinatie van één van de prestaties BK, BM of BI, met de prestatie BC; en de integrale prestaties in combinatie met de OVP’s als bedoeld in artikel 3.14 en 3.15. Tariefsoort generalistische basis GGZ Voor de vier integrale prestaties en de prestatie Onvolledig behandeltraject gelden gedifferentieerde maximumtarieven (zogenaamde max/max-tarieven). Er is per prestatie sprake van een standaard en van een verhoogd maximumtarief. Het verhoogd maximumtarief is 10% hoger dan het standaard maximumtarief. Een tarief hoger dan het standaard maximumtarief (maar niet hoger dan het verhoogd maximumtarief) mag in rekening worden gebracht indien hieraan een schriftelijke overeenkomst tussen de betreffende zorgaanbieder en ziektekostenverzekeraar ten grondslag ligt. Een tarief dat niet hoger is dan het standaard maximumtarief kan aan eenieder in rekening worden gebracht. Een tarief hoger dan het standaard maximumtarief kan uitsluitend in rekening worden gebracht aan (
  12. a)de ziektekostenverzekeraar met wie het verhoogde maximumtarief is overeengekomen of (
  13. b)de verzekerde ten behoeve van wie een ziektekostenverzekering met betrekking tot generalistische basis GGZ is gesloten bij een ziektekostenverzekeraar met wie een zodanig verhoogd maximumtarief schriftelijk is overeengekomen. Voor de OVP niet-basispakketzorg Consult en Verblijf gelden maximumtarieven. Voor onderlinge dienstverlening geldt een vrij tarief. Methodiek en rekenmodel standaard maximumtarieven generalistische basis GGZ De in dit artikel beschreven normatieve methodiek is van toepassing op de in artikel 4.1 van deze beleidsregels bedoelde prestaties. Het normatieve standaard maximumtarief van elke prestatie is opgebouwd uit kostendragers. De kostendrager binnen het normatieve tarief is opgebouwd uit de volgende kostensoorten: vergoeding voor arbeid en aan arbeid gerelateerde werkgeverslasten en productiviteit vergoeding voor overige personeelskosten en materiële kosten vergoeding voor kapitaallasten vergoeding voor gederfd rendement eigen vermogen Het standaard maximumtarief wordt berekend door de som van de combinaties van kosten en tijd van de kostendragers. Toelichting: Het tarief voor de generalistische basis GGZ is normatief ontwikkeld. Dit betekent dat het tarief niet op basis van kostprijsonderzoek
  14. bi)aanbieders tot stand is gekomen, maar op basis van openbare gegevens en informatie op onderdelen uit andere onderzoeken en publicaties. Belangrijk onderdeel vormen de gedeponeerde jaarrekeningen op basis waarvan informatie wordt verkregen over de procentuele verhoudingen in het kostenpatroon van aanbieders. De indeling in de kostensoorten is conform de indeling van de jaarrekeningen voor zorginstellingen. Net kostendragers worden verder in dit hoofdstuk bedoeld de categorieën van beroepen. Bij de normatieve tariefstelling hanteert de NZa de volgende uitgangspunten: Vergoeding voor arbeid en aan arbeid gerelateerde werkgeverslasten en productiviteit: De arbeidskosten zijn gebaseerd op de FWG schalen, de salarisbedragen van de inpassingstabel, vakantiedagen, Levensfase Budget en eindejaaruitkering van de CAO GGZ. De werkgeverslasten worden uitgedrukt in een percentage van de loonkosten. De arbeidskosten van zorgverleners die als zelfstandige prestaties Basis GGZ declareren, en derhalve niet in loondienst werkzaam, worden geacht gelijk te zijn met het hiervoor beschreven uitgangspunt voor de bepaling van de kosten. De productieve uren op jaarbasis worden vastgesteld op 1.115,2 uur per FTE bij een werkweek van 36 uur. Vergoeding voor overige personeelskosten en materiële kosten: De vergoeding voor overige personeelskosten en materiële kosten worden uitgedrukt in een percentage van de loonkosten inclusief werkgeverslasten. Vergoeding voor kapitaallasten: Ten aanzien van de vergoeding voor kapitaallasten wordt uitgegaan van het verlenen van zorg in gehuurde locaties. De vergoeding voor kapitaallasten voorziet tevens in een vergoeding voor inventaris en apparatuur. De vergoeding kapitaallasten wordt uitgedrukt in een percentage van de loonkosten inclusief werkgeverslasten. Vergoeding voor gederfd rendement eigen vermogen: In de tariefberekening is een vergoeding verwerkt voor het gederfd rendement op het eigen vermogen. De vergoeding wordt gebaseerd op een normatieve balans. Voor de berekening van de standaard maximumtarieven gaat de NZa uit van de volgende hoeveelheid patiëntgebonden directe en indirecte tijd: Prestatie Duur in minuten BK 294 BM 495 BI 750 BC 753 De beroepen worden op basis van opleidingsniveau ingedeeld in 3 categorieën. Categorie 1 Categorie 2 Categorie 3 -HBO eventueel met specialisatie -WO WO ≥2 jaar specialisatie WO ≥ 4 jaar specialisatie De prestaties bestaan in beginsel uit de volgende behandelcomponenten: Intake, diagnostiek, ROM en verslaglegging; Aanvullende diagnostiek; Face-to-face behandeling; E-health behandeling; Gespecialiseerde behandeling; Consultatie. Categorie 2 zal het grootste deel van de zorg binnen de generalistische basis GGZ verlenen. Categorie 1zal (mede) uitvoering geven aan behandeling en begeleiding en categorie 3 zal doorgaans voor consultatie worden betrokken. Op basis van een functionele benadering is de volgende verdeling van de categorieën gemaakt binnen de vier prestaties: Kort MiddeI Intensief Chronisch Categorie 1 15% 10% 10% 60% Categorie 2 80% 85% 80% 25% Categorie 3 5% 5% 10% 15% 100% 100% 100% 100% Omdat ervaringsgegevens ontbreken is bovenstaande procentuele verdeling gebaseerd op een aanname en vindt afronding plaats op 5%. De verwachting is dat beroepen die generalistische basis GGZ verlenen met name psychiaters, psychotherapeuten, klinisch psychologen, GZ-psychologen en verpleegkundigen zijn. Het salaris/inkomen per categorie is gebaseerd op de gebruikelijke FWG inschaling in de zorgsector van deze beroepen. De inpassing in de salaristabel wordt gesteld op 90% van de maximale inschaling. Categorie Schaal 1 FWG 55 2 FWG 65 3 Salarisschaal medisch specialisten Berekening van de categorieën/kostendragers Kostensoort/eenheid Uitkomst a. Salaris/inkomen per categorie inclusief vakantietoeslag Bedrag categorie 1, 2 of 3 b. Werkgeverslasten 20.72% over a c. Totaal werkgeverslasten C= a + b d. Overige personeelskosten 6.22% over c e. Materiële kosten 17,45% over c f. Kaditaallasten 11,58% over c g. Vergoeding gederfd rendement eigen vermogen G h. Totaal categorie H= c + d + e + f + g i. Kostprijs categorie per uur i = h gedeeld door declarabele uren van 1115,2 uur per jaar j. Idem per minuut i gedeeld door 60 Op basis van de procentuele verdeling van de categorieën per prestaties worden de minuten per categorie per prestatie berekend. Het standaard maximumtarief per prestatie wordt berekend door de minuten per categorie te vermenigvuldigen met de kostprijs per minuut van de categorie en de uitkomsten per prestatie te sommeren. Toelichting: De uitwerking van de standaard maximumtarieven voor de generalistische basis GGZ met bovengenoemde uitgangspunten en methode is toegelicht en uitgewerkt in een verantwoordingsdocument. Het verantwoordingsdocument is beschikbaar op de website van de NZa. Standaard maximumtarief prestatie Onvolledig behandeltraject Voor de prestatie Onvolledig behandeltraject is het standaard maximumtarief gemaximeerd op 120/294 deel van het standaard maximumtarief voor de prestatie BK. Indexatie tarieven De tarieven voor de generalistische basis GGZ worden in beginsel jaarlijks ambtshalve geïndexeerd. Voor wat betreft de loonkosten wordt de index vastgesteld door het Ministerie van VWS. Deze index houdt verband met de cao-afspraken. Voor wat betreft de materiële kosten wordt aangesloten bij de prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). De op het tarief toe te passen index is het gewogen gemiddelde van de loon- en materiële indices waarbij wordt uitgegaan van een aandeel van 90% loonkosten en 10% materiële kosten. Het tarief wordt vastgesteld op basis van een voorcalculatie voor jaar t en de definitieve indices van jaar t-1. Evaluatie De generalistische basis GGZ vormt een onderdeel van de nieuwe bekostigingsstructuur van de GGZ. Dit betekent dat ontwikkelingen goed gevolgd worden en dat een evaluatie zal plaatsvinden op het gestelde in deze beleidsregel, zowel ten aanzien van de prestaties als ook de tarieven. Om deze evaluatie zorgvuldig uit te kunnen voeren legt de NZa registratie- en aanleveringsregels op. Hiervoor wordt verwezen naar de regeling Generalistische basis GGZ. Om te kunnen zorgdragen dat aanbieders en verzekeraars op een gelijke en transparante wijze de nieuwe prestaties aanbieden en in rekening brengen worden in de eerdergenoemde regeling hieraan regels gesteld. Toelichting: Om in dit kader de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken wordt waar mogelijk aangesloten bij/ gebruik gemaakt van de al bij partijen in gebruik zijnde registraties. Intrekking oude beleidsregel(
  15. s)De beleidsregel ‘Generalistische basis GGZ’, met kenmerk BR/CU-7114, wordt per 1 januari 2016 ingetrokken. De beleidsregel Generalistische basis GGZ (BR/CU-7114) blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold. Deze beleidsregel vervangt de reeds eerder door de NZa gepubliceerde, maar nog niet in werking getreden Beleidsregel Generalistische Basis GGZ met kenmerk BR/CU-7137. Inwerkingtreding en citeerregel Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1januari 2016. Indien de Staatscourant waarin de mededeling als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2015 treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de mededeling wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1januari 2016. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel Generalistische basis GGZ’. Bijlage3:addendum 1 proces beschrijving Voorstel; Wijzigingen d.d. 20 december 2016 Procedure facturering Cliënten Jeugdwet Inwoner meldt zich met een verwijsbrief (arts)/ opdracht (justitie) bij de zorgaanbieder. Zorgaanbieder meldt bij gemeente dat de cliënt zich heeft gemeld en verzoekt binnen 2 weken om toewijzing opdracht via JW 315-bericht. (format zie 1.1) De gemeente stuurt binnen 2 weken een ontvangstbevestiging via een JW 316-bericht. Gemeente stuurt binnen 2 weken middels Vecozo een JW 301-bericht een opdrachttoewijzing naar zorgaanbieder. Zorgaanbieder stuurt binnen 4 weken middels Vecozo een JW 302-bericht een ontvangstbevestiging naar gemeente. Zorgaanbieder stuurt binnen 2 weken, nadat de levering van de zorg aan de inwoner is begonnen, middels Vecozo een JW 305-bericht aanvang zorg. Zorgaanbieder stuurt maandelijks over het geleverde werk via Vecozo een JW 303-bericht of een JW 321-bericht (j-ggz) na het afronden van een DBC de factuur. Na controle op regelniveau worden de regels die akkoord bevonden zijn binnen 30 dagen betaald. De gemeente stuurt binnen 30 dagen na ontvangst van het JW303-bericht of het JW321- bericht middels een JW 304-bericht of een JW 322-bericht (j-ggz) een verwerkingsverslag van de factuur naar zorgaanbieder. In dit verslag zijn de afgekeurde factuurregels opgenomen. Indien relevant stuurt de desbetreffende gemeentelijke administratie de zorgaanbieder een mail met daarin een nadere toelichting. De zorgaanbieder kan via een JW 303-bericht of een JW 321-bericht een gecorrigeerde factuur sturen. Wanneer er sprake is van einde zorg, dan wordt dit binnen 4 weken gemeld bij de gemeente door de zorgaanbieder via een JW 307-bericht. Dit geschiedt conform de afspraken in de desbetreffende deelovereenkomst. Wanneer de er sprake is van een gewijzigd besluit stuurt de gemeente een JW 301-bericht met daarin het (nieuwe) besluit met daarbij een (nieuwe) einddatum. Cliënten jeugd-GGZ Voor wat betreft de jeugd-ggz is dezelfde werkwijze van toepassing. Echter de DBC systematiek, vraagt om een nadere uitwerking: Dienstverleners brengen in beginsel de uitgevoerde voorziening maandelijks in rekening bij de gemeente. Het zorggebruik op maandniveau is gelijk aan het aantal geschreven minuten cliëntgebonden tijd in de desbetreffende maand. Het maandbedrag wordt door middel van de volgende formule bepaald: aantal geschreven minuten in de desbetreffende maand (in uren) maal €85,- (prijspeil 2015). Na afloop van het zorgtraject volgt dan op basis van nacalculatie een eindfactuur/creditnota voor de resterende zorgkosten. Cliënten Wmo Inwoner meldt zich met beschikking bij zorgaanbieder. Gemeente stuurt binnen 2 weken middels Vecozo een Wmo301-bericht een opdrachttoewijzing naar zorgaanbieder. Zorgaanbieder stuurt middels Vecozo een Wmo302-bericht een ontvangstbevestiging naar gemeente. Zorgaanbieder stuurt binnen 2 weken, nadat de levering van de zorg aan de inwoner is begonnen, middels Vecozo een Wmo305-bericht aanvang zorg. Zorgaanbieder stuurt maandelijks over het geleverde werk via Vecozo een Wmo303- bericht de factuur. Na controle op regelniveau worden de regels die akkoord bevonden zijn binnen 30 dagen betaald. De gemeente stuurt binnen 30 dagen na ontvangst van het Wmo303-bericht middels een Wmo304-bericht een verwerkingsverslag van de factuur naar zorgaanbieder. In dit verslag zijn de afgekeurde factuurregels opgenomen. Indien relevant stuurt de desbetreffende gemeentelijke administratie de zorgaanbieder een mail met daarin een nadere toelichting. De zorgaanbieder kan via een Wmo303-bericht een gecorrigeerde factuur sturen. . Wanneer er sprake is van einde zorg, dan wordt dit binnen 4 weken gemeld bij de gemeente door de zorgaanbieder via een Wmo307-bericht. Dit geschiedt conform de afspraken in de desbetreffende deelovereenkomst. Wanneer de er sprake is van een gewijzigd besluit stuurt de gemeente een Wmo301-bericht met daarin het (nieuwe) besluit met daarbij een (nieuwe) einddatum. Contactgegevens voor vragen over facturatie Zie aparte bijlage Bijlage6Uitvoeringsbesluit Jeugd Datum: 20141023 Versie 009 Waalre De Deelovereenkomst voor het leveren van Individuele voorziening ambulante Jeugdhulp overgangs- en nieuwe cliënten (de Overeenkomst) gaat in op 1 januari 2015. De onderstaande gemeenten vallen onder de Dommelvallei-- Gemeente Geldrop-Mierlo, publiekrechtelijk rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend aan de Hofstraat 4 te Geldrop, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer B.H.M. Link, de burgemeester, zulks ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van d.d. 28 oktober 2014. Gemeente Nuenen c.a., publiekrechtelijk rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend aan de Jan van Schijnveltlaan 2 te Nuenen, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer M. Houben, de burgemeester, zulks ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van d.d. 28 oktober 2014. Gemeente Waalre, publiekrechtelijk rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend aan de Laan van Diepenvoorde 8 te Waalre, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer drs. J.W. Brenninkmeijer, de burgemeester, zulks ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van d.d. 28 oktober 2014. Gemeente Son en Breugel, publiekrechtelijk rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend aan de Raadhuisplein 1 te Son en Breugel, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer J.F.M. Gaillard, de burgemeester, zulks ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van d.d. 28 oktober 2014., en Dienstverleners genoemd in bijlage 1. De Overeenkomst noemt de gemeenten gezamenlijk Gemeente. De Overeenkomst noemt Gemeente en Dienstverleners gezamenlijk Partijen en ook separaat van elkaar een Partij. De Overeenkomst noemt Dienstverleners ook separaat van elkaar Dienstverlener. Partijen overwegen bij het aangaan van deze Overeenkomst als volgt: Gemeente stelde op 1 juli 2014 een Basisovereenkomst Inkoopnetwerk Wmo 2015 en Jeugd Dommelvallei+ voor ondertekening open voor Dienstverleners en Dienstverleners hebben deze ondertekend. De Basisovereenkomst ziet toe op de uitvoering van een verantwoorde transitie en transformatie van onderdelen van de Jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet waaronder Individuele voorzieningen en van onderdelen uit de Algemene Wet Bijzondere Kosten (AWBZ), te weten individuele begeleiding, persoonlijke verzorging, dagbesteding en kortdurend verblijf. Onderdeel van de Basisovereenkomst is het in de Dommelvallei+ in samenspraak van Gemeente met Dienstverleners komen tot een invulling van de Individuele voorziening ambulante Jeugdhulp zoals bedoeld in de Jeugdwet. Deze nieuwe invulling van voorzieningen moet voldoen aan de door Partijen onderschreven visie waarbij participatie en zelfredzaamheid het doel zijn, eigen kracht van Jeugdigen en hun omgeving het vertrekpunt zijn, mogelijkheden van Jeugdigen centraal staan, Partijen vraaggericht en resultaatgericht werken, Partijen oog hebben voor de totale context en niet alleen voor individuen daarbinnen en Partijen streven naar ontschotting en vermindering van administratieve lasten. Tegelijkertijd realiseren Partijen zich dat het verwerkelijken van deze visie een groot beroep doet op het aanpassingsvermogen en de eigen verantwoordelijkheid van Jeugdigen, het verandervermogen van Dienstverleners en hun medewerkers en de faciliterende rol en het verandervermogen van Gemeente en met zich meebrengt dat Partijen met respect voor hun wederzijdse belangen en rollen een intensief ontwikkelproces aangaan. Partijen wensen voor de individuele voorziening ambulante Jeugdhulp verder afspraken te maken over een Voorziening en deze vast te leggen in de Overeenkomst. Gemeente wenst de onder (D) genoemde visie met betrekking tot de Voorziening te realiseren, waarbij zij uitgaat van reële kosten voor het uitvoeren ervan door dienstverleners, binnen het financiële kader dat de Gemeenten beschikbaar hebben. Bij het realiseren van de Voorziening binnen het genoemde financiële kader zullen Partijen vooral kijken naar het verminderen van bureaucratie, het verlagen van administratieve lasten en een innovatief bekostigingsmodel. Voor zover de onder (D) genoemde visie niet per 1 januari 2015 voor wat betreft de Voorziening is te realiseren, wensen Partijen afspraken te maken over het door ontwikkelen van de Voorziening vanaf 1 januari 2015 (“Ontwikkelagenda”). De Voorziening bevordert, behoudt of compenseert de zelfredzaamheid en participatie van een Jeugdige opdat deze zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. De Voorziening wordt ingezet als een Jeugdige over onvoldoende eigen kracht bezit, het sociale netwerk onvoldoende in staat is te helpen en geen geschikte Algemene voorziening aanwezig is. Partijen verklaren als volgt overeen te zijn gekomen: artikel 1: Begrippen Algemene voorziening: diensten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van Jeugdigen en Inwoners, toegankelijk zijn en die zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning. Besluit: beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht afgegeven door Gemeente aan Jeugdige, waarmee Jeugdige in aanmerking komt voor een Individuele voorziening ambulante Jeugdhulp. Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD): een loket waar Jeugdigen, maar ook mantelzorgers, vrijwilligers en professionals terecht kunnen met alle vragen die betrekking hebben op het sociale domein. Dienstverlener: een organisatie of zelfstandige zonder personeel die zorg, maatschappelijke en/of vergelijkbare dienstverlening aanbiedt aan Jeugdigen van de Gemeente. Gemeente: gemeenten Geldrop-Mierlo, Nuenen, Waalre, Son en Breugel. Ondersteuningsplan: hulpverleningsplan of behandelplan dat opgesteld wordt in samenspraak met de Jeugdige, zijn Ouders, en indien noodzakelijk samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving behoren. In het Ondersteuningsplan staan alle vormen van ondersteuning en hulp opgenomen die ten behoeve van de Jeugdige worden ingezet. Hulpvleningsplan: plan betreffende de verlening van Jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 van de Jeugdwet. Individuele opdrachtverstrekking: opdracht van Gemeente aan een Dienstverlener voor het uitvoeren van de Voorziening aan een Jeugdige die daarvoor over een Besluit beschikt onder de voorwaarden van de Overeenkomst en met het benoemen van concrete doelen. Individuele voorziening ambulante jeugdhulp: niet vrij toegankelijke voorziening gericht op: Ambulante behandeling van en hulp en zorg, niet zijnde preventie en begeleiding, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie-gerelateerde problemen; Ambulante behandeling/hulp voor de bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer, niet zijnde preventie en begeleiding, van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem; Het herstellen van de veiligheid van de jeugdige en/of de samenleving. Jeugdige: persoon die: de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht; of de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van Jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van Jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van Jeugdhulp die was aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de Jeugdhulp noodzakelijk is. Ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een Jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. PlusTeam: organisatie waar de complexe advies- en hulpvragen aan worden overgedragen als deze door het CMD niet kunnen worden beantwoord. In het Plusteam werken gespecialiseerde professionals die enerzijds het netwerk rondom een Jeugdige activeren en versterken en anderzijds ook de professionele zorg organiseren. Indien een Jeugdige of zijn Ouders en zijn omgeving meer dan vijf gesprekken aan begeleiding of ondersteuning nodig hebben, dan wordt de begeleiding of ondersteuning georganiseerd door het Plusteam. Regionaal Transitiearrangement: arrangement overeengekomen met Dienstverleners die lopende en nieuwe Jeugdhulp leveren. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie Jeugdige een sociale relatie onderhoudt. 5ppg: naar het oordeel van Gemeente, CMD en/of Plusteam en/of, in het geval van een Jeugdige, een Verwijzer, niet uitstelbare zorg, achteraf te bevestigen door Gemeente door een Besluit. Toename: de weg die een Jeugdige bewandelt om een Algemene voorziening, Individuele voorziening of Maatwerkvoorziening geleverd te krijgen. Verwijzer: het CMD, de PT’er, de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Voorziening: Individuele voorziening ambulant Jeugdhulp. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Artikel 2: voorwerp en omvang van de Overeenkomst Dienstverlener voert in opdracht van Gemeente de Voorziening uit conform de Overeenkomst waaronder mede begrepen de bijlagen die integraal onderdeel uitmaken van deze overeenkomst. Artikel 3: Algemene voorwaarden Op de Overeenkomst zijn de Algemene inkoopvoorwaarden (bijlage 3) van de gemeente Geldrop Mierlo van toepassing. Uitgezonderd zijn de artikelen 23.2, 23.3 en 23.4. Op de Overeenkomst zijn de Algemene leveringsvoorwaarden van Dienstverlener niet van toepassing. Op de overeenkomst die Dienstverlener sluit met Jeugdige voor het uitvoeren van de Voorziening kan Dienstverlener Algemene leveringsvoorwaarden van toepassing verklaren, voor zover dit geen strijd oplevert met de Overeenkomst en bijlagen In het geval van tegenstrijdigheden geldt de navolgende rangorde in documenten: de Basisovereenkomst; de Overeenkomst en bijlagen; de algemene inkoopvoorwaarden van de Gemeente Geldrop Mierlo. Artikel 4: Duur van de Overeenkomst De Overeenkomst gaat in op 1 januari 2015 en eindigt op 31 december 2019. Partijen kunnen deze Overeenkomst zes maanden voor het aflopen van de initiële looptijd of einde van een verlengingsperiode, telkens verlengen met twee jaar, waarbij Partijen onverminderd de mogelijkheid blijven houden de Overeenkomst tussentijds op te zeggen conform artikel 5. Artikel 5: Opzegging van de Overeenkomst Partijen hebben het recht om de Overeenkomst tussentijds per aangetekende brief te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes kalendermaanden. De opzegtermijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de aangetekende brief door de andere Partij is ontvangen. De Overeenkomst wordt voortgezet door overige Partijen, tenzij Gemeente opzeggende Partij is, waarna de Overeenkomst voor alle Partijen eindigt. Als een Dienstverlener gebruik maakt van zijn mogelijkheid tot opzegging is deze verplicht om per direct in overleg te treden met de resterende Dienstverleners over de (mogelijke) overname van verplichtingen, zoals personeel en dienstverlening aan Jeugdigen, voortvloeiende uit de Overeenkomst. Opzeggende Dienstverlener verplicht zich tot volledige medewerking bij voornoemde mogelijke overname. Dit alles binnen de wettelijke kaders. Gemeente heeft verder het recht om deze Overeenkomst met een Dienstverlener tussentijds per aangetekende brief (buitengerechtelijke verklarin

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.