Welstandsnota 2010 gemeente Etten–Leur (Etten-Leur)
Welstandsnota 2010 gemeente Etten–LeurHoofdstuk1Inleiding. 1.1Aanleiding. Op 17 mei 2004 heeft de gemeenteraad de welstandsnota Etten–Leur vastgesteld. In deze nota zijn de criteria opgenomen waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht moeten uitoefenen. Een welstandsnota is op grond van de Woningwet vanaf 1 juli 2004 een voorwaarde voor het uitoefenen van welstandstoezicht. Een belangrijke doelstelling hiervan is het creëren van een grotere transparantie rondom de welstandsadvisering en toezicht. Vooraf dient duidelijk te zijn aan welke welstandscriteria een bouwplan wordt getoetst. Bij de bouwplanontwikkeling kan hiermede dan rekening gehouden worden. Na enkele jaren met de welstandsnota 2004 gewerkt te hebben, heeft er eind 2008/begin 2009 een evaluatie plaatsgevonden. In het kader hiervan zijn diverse gebruikersgroepen (burgers, bedrijven, architecten/projectontwikkelaars, ambtenaren en de welstandscommissie) schriftelijk en/of mondeling geïnterviewd. Ten aanzien van de inhoud van de welstandsnota 2004 is het volgende geconcludeerd. De welstandsnota is omvangrijk en moeilijk leesbaar. Er ontbreekt een duidelijk onderscheid in de welstandsniveaus van de verschillende deelgebieden. De welstandscriteria zijn niet altijd toepasbaar bij herontwikkelingen. Sneltoetscriteria zijn niet praktijkgericht en worden derhalve nauwelijks toegepast. Tevens is gebleken dat er geen voorstanders zijn van welstandsvrij bouwen. Deze conclusies zijn aanleiding geweest om de “Welstandsnota 2010” op te stellen 1.2Doel en reikwijdte van de Welstandsnota
- Eén van de doelen van de Welstandsnota 2010 is het leveren van een bijdrage aan het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteiten van een omgeving. Deze kwaliteiten worden met name bepaald door de stedenbouwkundige opzet, de inrichting van het openbaar gebied en de architectonische vormgeving van de gebouwen en bouwwerken. De stedenbouwkundige opzet waaronder de verkaveling en de toegestane bouwmassa’s worden begrepen, wordt vastgelegd in een bestemmingsplan. De gemeente is verantwoordelijk voor de inrichting van het openbaar gebied. Bij de inrichting en materiaalkeuze wordt rekening gehouden met de omgeving zodat er een harmonisch geheel ontstaat. Het architectonisch kwaliteitsniveau van de bebouwing zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving, wordt geregeld in een welstandsnota. Etten–Leur streeft naar een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Een ander belangrijk doel van de Welstandsnota 2010 is het transparanter maken van het welstandstoezicht en de welstandsadvisering. Met het oog hierop zijn de criteria concreter geformuleerd. Aanvrager heeft inzicht in de aspecten waarop wordt getoetst. Bovendien zijn de criteria inhoudelijk en/of qua mate van gedetailleerdheid afgestemd op het welstandsniveau van het desbetreffende gebied. De gebiedsbeschrijvingen en de algemene gedeelten van de nota zijn beperkt tot de onderwerpen die relevant zijn voor het welstandstoezicht. De sneltoetscriteria zijn afgestemd op de in de gemeente Etten–Leur gebruikelijke bestemmingsplanregels en/of de gebruikelijke maatvoeringen van bouwwerken zodat deze criteria in de praktijk ook toegepast kunnen worden. Hiermede wordt bereikt dat er sneller tot vergunningverlening kan worden overgegaan zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De Welstandsnota 2010 is primair bedoeld voor de toetsing van bouwplannen aan redelijke eisen van welstand waarvoor op grond van de Woningwet een vergunning nodig is. Uitzondering daarop zijn kunstwerken/gedenktekens. Deze bouwwerken vallen niet onder welstandstoezicht. Daarnaast kan de Welstandsnota 2010 de basis zijn voor het tegengaan van excessen in de bebouwde omgeving (handhaving). Tenslotte is de Welstandsnota 2010 ook het kader voor andere regelgeving die een welstandstoets voorschrijft (bv. Algemene Plaatselijke Verordening). De opgenomen criteria voor het stedelijk gebied zijn gericht op verbouwingen en kleinschalige herontwikkelingen (bv. de vervanging van één of enkele panden). Feitelijk betreft het de beheersituaties. Bij grootschaligere herontwikkelingen zullen er nieuwe welstandscriteria nodig zijn. Dit geldt eveneens voor de ontwikkeling van nieuwe woongebieden of bedrijventerreinen (uitleggebieden). De in de nota opgenomen criteria voor het buitengebied hebben zowel betrekking op verbouwingen als volledige nieuwbouw. 1.3Opzet en gebruik van de criteria uit de Welstandsnota
- In een welstandsnota zijn de toetsingscriteria opgenomen waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht moeten uitoefenen. Bij de opstelling van de welstandscriteria is het volgende onderscheid gemaakt. ■ Algemene criteria. De algemene criteria vormen de basis van het welstandstoezicht. Deze komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester de heer Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel “Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid”. De criteria hebben betrekking op universele kwaliteiten van een architectonisch ontwerp. Het zijn in principe geen directe toetsingscriteria. De algemene criteria zijn concreter gemaakt in de sneltoetscriteria, de gebiedsgerichte criteria en de criteria voor de reclame. Indirect liggen deze criteria dus wel ten grondslag aan elke planbeoordeling. Een uitgebreidere toelichting van de algemene criteria is als bijlage bij de Welstandsnota 2010 gevoegd. ■ Sneltoetscriteria. De sneltoetscriteria zijn niet gebiedsgebonden. Indien een bouwwerk getoetst mag worden aan deze criteria en hiermede niet strijdig is, kan geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand. De sneltoetscriteria zijn niet van toepassing voor rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, authentieke traditionele boerderijen in het buitengebied en het gebied “de historische dorpse bebouwingslinten”. De monumentenlijsten zijn als bijlage bij de Welstandsnota 2010 gevoegd. Bij de ontwikkeling van een bouwplan is het niet verplicht om de sneltoetscriteria te volgen. Indien hiervan wordt afgeweken, dient er getoetst te worden aan de gebiedsgerichte criteria. ■ Gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte criteria zijn gekoppeld aan specifieke gebieden. Deze gebiedsindeling is aangegeven op de kaarten die onderdeel uitmaken van de Welstandsnota
- Elk gebied kent een specifiek welstandsniveau nl. hoog, regulier of laag. Deze niveaus zijn bij de gebiedsbeschrijvingen vermeld en op afzonderlijke kaarten aangegeven. Het welstandsniveau en de criteria zijn afgestemd op de karakteristieken van de omgeving en/of de beeldbepalende waarde van het gebied voor de gemeente. De gebiedsgerichte criteria dienen in combinatie met de gebiedsbeschrijving gelezen te worden. De gebiedsbeschrijvingen bevatten geen welstandscriteria. Het zijn uitsluitend beschrijvingen van de bestaande situatie en de aanwezige karakteristieke van een gebied. ■ Trendsetters. De trendsetter is een bouwplan dat als eerste binnenkomt voor een bouwkundige eenheid en past binnen de gestelde criteria. Feitelijk betreft het een nadere specificatie binnen die criteria. Burgemeester en wethouders wijzen de trendsetters aan. Indien een volgend bouwplan overeenkomt met de trendsetter kan geconcludeerd worden dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij de ontwikkeling van een bouwplan is het niet verplicht om de trendsetter te volgen. Indien hiervan wordt afgeweken, wordt er getoetst aan de sneltoetscriteria of gebiedsgerichte criteria. ■ Reclame. Reclame komt in diverse vormen overal in de gemeente voor. Het is een specifieke materie die een wezenlijke invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteiten van een omgeving. Derhalve zijn hiervoor afzonderlijke welstandscriteria geformuleerd. De begrippen die in de Welstandsnota 2010 worden gebruikt, zijn nader toegelicht in de begrippenlijst die als bijlage bij de nota is gevoegd. Bij de toetsing van een bouwplan aan de Welstandsnota 2010 kan het volgende stappenplan worden aangehouden. De welstandscriteria zijn uitsluitend aan de orde indien er sprake is van de realisering van een gebouw of bouwwerk waarvoor een vergunning nodig is. Dit aspect zal dus eerst beoordeeld moeten worden. Indien er een vergunning nodig is, dient beoordeeld te worden of het gebouw of bouwwerk past binnen het geldend bestemmingsplan inclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheden. Vervolgens dient nagegaan te worden of trendsettersregeling respectievelijk de sneltoetscriteria toegepast kunnen worden. Indien blijkt dat deze niet toegepast kunnen worden, dient er getoetst te worden aan de geldende gebiedsgerichte criteria. Daarbij is het noodzakelijk de bij de nota behorende kaarten te raadplegen. 1.4Leeswijzer. In hoofdstuk 1 is op een beknopte wijze de aanleiding, het doel, de reikwijdte, de opzet en het gebruik van de Welstandsnota 2010 weergegeven. Hoofdstuk 2, 3 en 4 bevatten de sneltoetscriteria respectievelijk de gebiedsgerichte criteria en de criteria voor reclame. In hoofdstuk 5 worden in hoofdlijnen de beleidsmatige en procedurele aspecten met betrekking tot het welstandstoezicht beschreven. Daarnaast maken de kaarten van de gebiedsindelingen en de kaarten van de welstandniveaus onderdeel uit van de Welstandsnota
- Daarbij is onderscheid gemaakt in het stedelijk gebied inclusief bedrijventerreinen en het buitengebied. De begrippenlijst, de rijks– en gemeentelijke monumentenlijsten en een uitgebreide beschrijving van de algemene criteria zijn als bijlagen bij de nota gevoegd. Hoofdstuk2Sneltoetscriteria. 2.1Inleiding. Sneltoetscriteria zijn gestandaardiseerde welstandscriteria voor kleine veel voorkomende bouwwerken bij woningen. Het betreft uiteraard altijd bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is. Indien het een bouwplan betreft waarvoor reeds een trendsetter is aangewezen en hiermede overeenkomt, behoeft er geen toetsing meer plaats te vinden aan de sneltoets– criteria. Een bouwplan dat voldoet aan de sneltoetscriteria voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het blijft mogelijk om een bouwplan in te dienen dat afwijkt van de standaarden en derhalve niet voldoet aan de sneltoetscriteria. Er moet dan getoetst worden aan de gebiedsgerichte criteria. Voor de volgende categorieën bouwwerken zijn sneltoetscriteria opgesteld. Een erker aan de voorgevel van een woning. Een erker of serre aan de zij–of achtergevel van een woning. Een aanbouw (= aan– of uitbouw of aangebouwd bijgebouw) aan de zij–of achtergevel van een woning. Een vrijstaand bijgebouw bij een woning. Gevelwijzigingen aan de voor– of zijgevel van een woning of aanbouw. Gevelwijzigingen aan de achtergevel van een woning. Kozijnwijzigingen aan de voorgevel van een woning. Een dakkapel aan de voor– of zijkant van een woning. Een dakkapel aan de achterkant van een woning. Erfafscheidingen bij een woning. De sneltoetscriteria zijn in de volgende paragrafen opgenomen. 2.2Sneltoetscriteria voor een erker aan de voorgevel van een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De erker voldoet aan het geldende bestemmingsplan inclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheden. Er is per woning maximaal één erker aan de desbetreffende gevel aanwezig. Plaats. De erker is geplaatst aan de woning (dus niet aan een aanbouw). De erker is geplaatst binnen de contour van een bestaande gevelopening. De afstand tussen de zijkant erker en de aangrenzende woning is minimaal 0,5 meter. Maat. De erker heeft een maximaal grondoppervlak van 6 m
- De hoogte van de erker is maximaal de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer vermeerderd met 0,3 meter. De erker heeft een dieptemaat van maximaal 1,1 meter. De erker heeft een breedtemaat van maximaal 60% van de breedte van de voorgevel. Massa en vorm. De erker heeft een rechthoekige plattegrond (alle hoeken zijn 90 graden). De erker is plat afgedekt. De erker heeft een kozijnindeling die is afgestemd op de bestaande kozijnen in de gevel. Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik van de erker is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. De erker heeft aan alle zijden glas. De erker heeft een gemetselde borstwering van ongeveer 0,6 meter hoog in baksteen. Er is geen balkon of hekwerk op de bovenkant van de erker. De erker heeft een bescheiden detaillering. Dit betekent geen groot dakoverstek, geen hoog boeiboord aan de dakrand (maximaal 0,25 meter hoog) en een slanke hoek– kozijndetaillering (maximaal 0,12 x 0,12 meter). Het dak van de erker loopt niet door in de vorm van een luifel boven de voordeur. 2.3Sneltoetscriteria voor een erker of serre aan de zij– of achtergevel van een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De erker of serre voldoet aan het geldende bestemmingsplan inclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheden. Er is per woning maximaal één erker of serre aan de desbetreffende gevel aanwezig. Plaats. De erker of serre is geplaatst aan de woning (dus niet aan een aanbouw). Als de erker of serre geplaatst wordt tegen de zijgevel van de woning dan is de afstand tussen het verlengde van de voorgevel en de voorkant van de erker of serre minimaal 1,5 meter. Maat. De hoogte van de erker of serre is maximaal de bovenkant van de eerste verdiepings– vloer vermeerderd met 0,3 meter. De erker of serre aan de zijgevel beslaat maximaal 60% van de breedte van deze gevel tot een maximum van 3 meter. De breedte van de erker of serre aan de achtergevel is maximaal de breedte van de woning. De diepte van de erker aan de zijgevel is maximaal 1,1 meter. Massa en vorm. De erker is plat afgedekt. De serre is plat afgedekt of met een licht hellend glazen dak. De erker of serre heeft een rechthoekige plattegrond (alle hoeken zijn 90 graden). Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik van de erker of serre is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. De erker heeft aan alle zijden glas. Indien de erker of serre wordt geplaatst tegen de achtergevel en met de zijgevels op de perceelgrens dan zijn de zijgevels in baksteen. Er is geen balkon of hekwerk op de bovenkant van de erker of serre. De detaillering is bescheiden. Dit betekent geen groot dakoverstek en geen hoog boeiboord (maximaal 0,25 meter). 2.4Sneltoetscriteria voor een aanbouw (= aan– of uitbouw of aangebouwd bijgebouw) aan de zij– of achtergevel van een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De aanbouw voldoet aan het geldende bestemmingsplan inclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheden. Er is per woning maximaal één aanbouw aan de desbetreffende gevel aanwezig. Het betreft geen aanbouw in de vorm van een erker of serre. Plaats. De aanbouw is geplaatst aan de woning (dus niet aan een reeds aanwezige aanbouw). Als de aanbouw geplaatst wordt tegen de zijgevel van de woning dan is de afstand tussen het verlengde van de voorgevel en de voorkant van de aanbouw minimaal 1,5 meter. Maat. De hoogte van de aanbouw is maximaal de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer vermeerderd met 0,3 meter. Massa en vorm. De aanbouw heeft een rechthoekige plattegrond (alle hoeken zijn 90 graden) en is in één bouwlaag vormgegeven. De aanbouw is plat afgedekt. Een aanbouw aan de zijgevel van de woning heeft in de voorgevel een of meerdere gevelopeningen (deur of raam). De gevelopeningen hebben qua breedte–hoogte verhouding een relatie met die van de woning. Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik van de aanbouw is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. Indien de aanbouw wordt geplaatst tegen de achtergevel en met de zijgevels op de perceelsgrens dan zijn de zijgevels in baksteen. Er is geen balkon of hekwerk op de bovenkant van de aanbouw. De detaillering is bescheiden. Dit betekent eenvoudige dakranden, geen metselwerk– versieringen, een daktrim als dakrand of boeiboord van maximaal 0,25 meter hoog. Bij de toepassing van een dakoverstek is deze maximaal 0,25 meter. 2.5Sneltoetscriteria voor een vrijstaand bijgebouw bij een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. Het bijgebouw voldoet aan het geldende bestemmingsplan inclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheden. Plaats. Het bijgebouw is met de voorkant minimaal 1,5 meter terugliggend gelegen ten opzichte van het verlengde van de voorgevel van de eigen woning. Maat. Bij toepassing van een plat dak is de hoogte van het bijgebouw maximaal 3,25 meter. Bij toepassing van een zadelkap is de goothoogte maximaal 3,25 meter en de nokhoogte maximaal 4,0 meter. Massa en vorm. Het bijgebouw heeft een rechthoekige plattegrond (alle hoeken zijn 90 graden). Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik van het bijgebouw is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. of Het bijgebouw is volledig in hout uitgevoerd waarbij de gevelvlakken in horizontale houten delen zijn uitgevoerd. Een eventuele kap is gedekt met pannen, cement golfplaat of bitumen shingels. De detaillering is bescheiden. Dit betekent eenvoudige dakranden, geen metselwerkversieringen, een daktrim als dakrand of een boeiboord van maximaal 0,25 meter hoog en bij toepassing van een dakoverstek is deze maximaal 0,25 meter. 2.6Sneltoetscriteria voor gevelwijzigingen aan de voor– of zijgevel van een woning of aanbouw. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De gevelwijziging betreft de wijziging van een bestaande gevelopening (bv.een houten puivulling die vervangen wordt door steen; het vervangen van een garagedeur door een pui). Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. Bij de vervanging van in hout of plaatmateriaal uitgevoerde gevelvlakken door metselwerk blijft de bestaande vlakverdeling in tact. Dit kan worden gerealiseerd door metselwerk in dezelfde kleur baksteen als de woning terugliggend in het vlak te maken (20mm) of door het vlak in een andere kleurtint van het origineel metselwerk uit te voeren. De wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gevel. Dit betekent dat de verticale of horizontale indeling van de gevel behouden blijft. Bestaande kenmerkende gevelverbijzonderingen zoals lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en of rollagen blijven gehandhaafd. 2.7Sneltoetscriteria voor gevelwijzigingen aan de achtergevel van een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De gevelwijziging betreft de wijziging van een bestaande gevelopening (bv.een houten puivulling die vervangen wordt door steen). Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. Bij de vervanging van in hout of plaatmateriaal uitgevoerde gevelvlakken door metselwerk blijft de bestaande vlakverdeling in tact. Dit kan worden gerealiseerd door metselwerk in dezelfde kleur baksteen als de woning terugliggend in het vlak te maken (20mm) of door het vlak in een andere kleurtint van het origineel metselwerk uit te voeren. De wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gevel. Dit betekent dat de verticale of horizontale indeling van de gevel behouden blijft. 2.8Sneltoetscriteria voor kozijnwijzigingen aan de voorgevel van een woning of aanbouw. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De bestaande gevelopeningen blijven behouden. De nieuwe kozijnindeling is gelijk aan de bestaande kozijnindeling van de woning. Een wijziging betreft uitsluitend het toevoegen of weglaten van tussenstijlen, dorpels of draairamen waarbij de oorspronkelijke architectonische kenmerken van de gevel behouden blijven. Dit betekent dat de horizontale of verticale verhoudingen in de kozijnindelingen behouden blijven. Detaillering, kleur en materiaal. Kleur– en materiaalgebruik is overeenkomstig het kleur– en materiaalgebruik van de woning. De profilering van nieuwe kozijnen is conform de profilering van de bestaande kozijnen van de woning. Vervanging van houten kozijnen door kunststof of aluminium kozijnen is toegestaan. Er is geen sprake van de toepassing van (imitatie)roeden tussen glasbladen. 2.9Sneltoetscriteria voor een dakkapel aan de voor– of zijkant van een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. Het dakvlak waarin de dakkapel wordt geplaatst heeft een hellingshoek van minimaal 30 graden. Op het betreffende dakvlak van de woning is nog geen dakkapel aanwezig. Plaats. Het betreft geen dakkapel op een aanbouw. De afstand vanaf bovenkant dakkapel tot de nok van het dak is minimaal 0,3 meter (verticaal gemeten). De afstand van onderkant dakkapel tot aan de dakgoot is minimaal 0,5 meter (verticaal gemeten). De afstand van zijkant dakkapel (exclusief dakoverstek) tot de zijkant van de dakrand van de woning of het midden van de woningscheidende muur, is minimaal 0,5 meter. Maat. De maximale breedte van de dakkapel is 70% van de breedte van de woning met een maximum van 3,8 meter. De maximale hoogte van de dakkapel is 1,75 meter. Massa en vorm. De dakkapel is plat afgedekt. Detaillering, kleur en materiaal. De dakkapel heeft geen ondoorzichtige delen in het kozijnvlak. De zijkanten zijn ondoorzichtig. De dakrand is maximaal 0,3 meter hoog. Het kleurgebruik is overeenkomstig het kleurgebruik van de woning. 2.10Sneltoetscriteria voor een dakkapel aan de achterkant van een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning betreft geen authentieke traditionele boerderij in het agrarisch buitengebied. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. Het dakvlak waarin de dakkapel wordt geplaatst heeft een hellingshoek van minimaal 30 graden. Op het betreffende dakvlak van de woning is nog geen dakkapel aanwezig. Plaats. Het betreft geen dakkapel op een aanbouw. De afstand vanaf bovenkant dakkapel tot de nok van het dak is minimaal 0,3 meter (verticaal gemeten). De afstand van onderkant dakkapel tot aan de dakgoot is minimaal 0,5 meter (verticaal gemeten). De afstand van zijkant dakkapel (exclusief dakoverstek) tot de zijkant van de dakrand van de woning of het midden van de woningscheidende muur, is minimaal 0,5 meter. Maat. De dakkapel is maximaal 1,75 meter hoog. Massa en vorm. De dakkapel is plat afgedekt. Detaillering, kleur en materiaal. De dakkapel heeft geen ondoorzichtige delen in het kozijnvlak. De zijkanten zijn ondoorzichtig. De dakrand is maximaal 0,3 meter hoog. Het kleurgebruik is overeenkomstig het kleurgebruik van de woning. 2.11Sneltoetscriteria voor een erfafscheiding bij een woning. Algemeen. De woning is niet gelegen in het deelgebied “historische dorpse bebouwingslinten”. De woning is geen rijks– of gemeentelijk monument. De erfafscheiding voldoet aan het geldende bestemmingsplan inclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheden. Detaillering, kleur en materiaal. De erfafscheiding is een gaas hekwerk bedoeld om te laten begroeien met beplanting. of De erfafscheiding bestaat uit houten planken, horizontaal of verticaal aangebracht om en om waardoor er een mate van transparantie is. of De erfafscheiding bestaat uit een gemetseld muurtje van maximaal 1 meter hoog uitgevoerd in baksteen overeenkomstig de kleur baksteen van de woning waarop een metalen spijlenhekwerk in een donkere kleur of houten schotten van planken tussen gemetselde penanten zijn aangebracht. Er zijn geen combinaties met rietmatten. Het betreft geen houten vlechtschermen. Een erfafscheiding langer dan 20 meter direct grenzend aan het openbare gebied heeft een visuele onderbreking. Daarbij kan gedacht worden aan: Elkaar afwisselende verticale of horizontale geledingen. Het gedeeltelijk terugleggen van de erfafscheiding (niet alles op 1 lijn plaatsen). Penanten die als onderbreking worden ingevoegd. De erfafscheiding is opgebouwd uit elementen met horizontale en/of verticale belijningen (dus geen toogvormen). Beton, kunststof, golfplaat en andere plaatmaterialen zijn geen zichtbare onderdelen van de erfafscheiding. Hoofdstuk3Gebiedsgerichte criteria. 3.1Inleiding. De gebiedsgerichte criteria zijn gekoppeld aan specifieke gebieden. Per gebied is er een gebiedsbeschrijving en waardering opgesteld met daaraan gekoppeld een welstandsniveau en gebiedsgerichte criteria. De gebiedsbeschrijvingen bevatten geen welstandscriteria. Het zijn uitsluitend beschrijvingen van de bestaande situatie en de aanwezige karakteristieke kenmerken van een gebied. De gebiedsindelingen en de welstandsniveaus zijn op de bij de Welstandsnota 2010 behorende kaarten aangegeven. Bij de formulering van de gebiedsgerichte criteria wordt van grof naar fijn gewerkt. Feitelijk is het een lijst met toetsingscriteria die in de opgestelde volgorde afgewerkt kan worden. Bepaalde criteria zullen niet aan de orde zijn omdat het desbetreffende bouwplan daar geen betrekking op heeft. De gebiedsgerichte criteria dienen in samenhang met de gebiedsbeschrijving en waardering gelezen te worden. Er is gekozen voor de volgende gebiedsindeling. Centrum. Historische dorpse bebouwingslinten met een onderverdeling. Lange Brugstraat, oostelijk deel. Lange Brugstraat, westelijk deel. Korte Brugstraat, oostelijk deel. Korte Brugstraat, westelijk deel. Kop van de haven–Geerkade. Lichttorenhoofd. Lage Vaartkant, westkant. Haansberg, oostkant. Markt. Bisschopsmolenstraat, noordelijk deel. Bisschopsmolenstraat, zuidelijk deel. Zundertseweg, bebouwde kom. Oude Bredaseweg, westelijk deel. Oude Bredaseweg, oostelijk deel. Stationsstraat, westelijk deel. Gemengde bebouwing. Woongebieden. Individuele woningbouw. Industrieterreinen. Bedrijventerrein. Bedrijventerrein met bedrijfswoningen. Representatief gebied. Woonwagenterrein. Sportvelden. Instituten. Op zichzelf staande bebouwing. Agrarisch buitengebied. De gebiedsgerichte criteria zijn zo veel mogelijk afgestemd op de geldende bestemmingsplannen. Desondanks zijn er situaties denkbaar waarin toepassing van de gebiedsgerichte criteria tot gevolg heeft dat de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, volstrekt onmogelijk wordt gemaakt. De desbetreffende criteria blijven dan buiten toepassing. Dit is geregeld in de Woningwet. 3.21– Centrum. 3.21– Centrum. Gebied in hoofdlijnen. Na de omlegging van de rijksweg uit het centrum van Etten–Leur is het voormalige tracé heringericht en omgebouwd tot een nieuw stadscentrum met voorzieningen en duidelijke representatieve hoofdinvalsroutes aan de west– en oostkant. In het centrum bestaat de inrichting uit bebouwing, pleinen en winkelpromenades. Dit deelgebied heeft door de aard van de bebouwing een stedelijk karakter en het straalt allure uit. Het manifesteert zich als een samenhangend bebouwingscluster dat op een harmonische manier aansluit op de bestaande historische structuren. Aan de oost– en westkant van het centrum bevinden zich de ingangen naar de ondergrondse parkeergarage. Bij deze belangrijkste invalspunten vormen grootschalige, modern ogende gebouwen een stedenbouwkundige poort. Met de eenduidige inrichting van de openbare ruimte is er een duidelijke samenhang in het gehele deelgebied aanwezig. Bebouwing in hoofdlijnen. De bebouwing kenmerkt zich door de individualiteit van de verschillende bouwmassa’s met herhaling en accenten op strategische plekken. De maat en schaal van de gebouwen is groot, in architectuur zorgvuldig en expressief. Ze fungeren als blikvangers en geven uitdrukking aan de ambitie. In architectuur heeft elk gebouw een eigentijdse expressie. Kenmerkend is de alzijdigheid van de gebouwen en de gerichtheid op de openbare ruimte. Op meerdere plaatsen worden hiermede de pleinwanden gevormd. Prominent zijn de winkels op de begane grondlaag. Op de verdiepingen bevinden zich woonlagen met gemeenschappelijke daktuinen. De bevoorradingshoven zijn met zorg ingepast. Geleding in de gevels zijn sterk horizontaal of juist verticaal gericht. Appartementen worden centraal ontsloten aan de straat. Balkons zijn voornamelijk inpandig en dakterrassen zijn geen deel van het straatbeeld. Detaillering, kleur en materiaal. De bebouwing kent een zorgvuldige geveldetaillering en een bij de eigentijdse architectuur passend materiaal– en kleurgebruik. Het meest gebruikte materiaal is baksteen in gedekte kleuren. Uitzondering is de bebouwing aan het Raadhuisplein waar een variatie met gestuukte gevels voorkomt. De winkelpuien zijn verfijnd vormgegeven, eenduidig qua materiaal, kleur en binnen elk bouwblok op elkaar afgestemd. Met een strikt reclamebeleid is een overdaad en chaos aan reclame uitingen bij de winkels voorkomen. Handhaving van de bestaande kwaliteit geldt als uitgangspunt bij ontwikkelingen. Waardering. Het centrumgebied is het winkelhart van de gemeente en heeft een hoogwaardige eigentijdse architectuur en uitstraling. Waardevol is vooral de samenhang tussen de gebouwen onderling die is ontstaan vanuit een doordachte stedenbouwkundige opzet in combinatie met de inrichting en kwaliteit van de openbare ruimte. Een belangrijke kwaliteit is ook de wijze waarop de nieuwe grootschalige bebouwing zich voegt in de bestaande omgeving. De bestaande architectuur is leidend bij aanpassingen en of toevoegingen. Een hoog architectonisch ontwerpniveau dient bij elke ingreep uitgangspunt te zijn. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria 1 –Centrum. Bebouwing en omgeving. De gebouwen zijn alzijdig en met de belangrijkste zijde gericht op de openbare ruimte. Bij ontwikkelingen blijven de diversiteit van de verschillende gebouwen en de samenhang tussen de gebouwen behouden. Achterzijden van gebouwen die direct grenzen aan de openbare ruimte hebben een architectonische kwaliteit die gelijk is aan die van de voorkant. Massa en vorm. De bouwmassa’s zijn individueel en afwisselend maar het totaalbeeld vertoont samenhang. De gebouwen zijn gevarieerd van opbouw en hebben een duidelijke beëindiging. De gebouwen op beeldbepalende locaties zijn verbijzonderd in maat en/of in schaal. De gebouwen hebben een sterke architectonische expressie. Entreepartijen zijn vormgegeven als accenten in het straatbeeld. De bebouwing direct grenzend aan het openbaar gebied heeft geen dichte vlakke gevels. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in elementen zoals daklijsten, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden of patronen in het gevelvlak. Het materiaalgebruik is per gebouw of deel daarvan terughoudend en eenduidig. De gevels zijn van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen en in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Het kleurgebruik is terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van de detaillering, kleur en materiaalgebruik zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.32– Historische dorpse bebouwingslinten. 3.32– Historische dorpse bebouwingslinten. Algemeen. Gebied in hoofdlijnen. Langs de oudere hoofdwegen en uitvalswegen zijn vanuit de historische bebouwingskernen Etten en Leur in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Ook ontstond langs secundaire landwegen op strategische plekken bebouwing. Aan het beeld van deze routes is de ontstaansgeschiedenis van de gemeente binnen de oorspronkelijke landschappelijke omgeving af te lezen. De ruimtelijke karakteristiek van de bebouwingslinten varieert. Samen met de meer moderne infrastructuur (spoor, Parklaan en rondweg) bepalen de bebouwingslinten de structuur van Etten–Leur. Samen vormen zij een orthogonaal stelsel van structuurlijnen, die van noord naar zuid en van oost naar west door de gemeente lopen. De bebouwingslinten verbinden het bebouwde gebied tevens met het buitengebied. De overgang van het buitengebied naar de kern is zichtbaar door meer intensieve bebouwing, een smaller profiel van de straten, een meer stenige uitstraling en een meer verfijnde architectuur. Bebouwing in hoofdlijnen. De bebouwing is overwegend kleinschalig, dorps en traditioneel. Dichter naar het centrum van de dorpskernen is de bebouwing meer verdicht en neemt de grootte van het individuele pand toe. De massa wordt bepaald door de individuele woningen. Hierbij speelt de (oorspronkelijke) parcelering een grote rol. Bij de aaneengesloten bebouwing is de individuele woning herkenbaar door de eigen architectuur, materiaalgebruik, gevelindeling en kleine verspringingen. Ook de afwijking in dakvormen draagt bij aan de herkenbaarheid van de individuele woning. Detaillering, kleur en materiaal. In de bebouwingslinten staan veel panden met oude, originele gevels en detaillering. Details zijn bijvoorbeeld speklagen, lateien, daklijsten, diepe neggen en luiken. De detailleringen en gevelversieringen passen bij het karakter van de bebouwing. In zijn algemeenheid geldt dat het materiaalgebruik traditioneel en het kleurgebruik behoudend is. De gevels zijn opgetrokken in baksteen dan wel bepleisterd. Andere toegepaste gevelmaterialen zijn natuursteen en hout. Door verschillend materiaal– en kleurgebruik is een architectonische variëteit te aanschouwen. Waardering. De bebouwingslinten vertellen iets over de ontwikkelingsgeschiedenis van Etten–Leur en zijn daarmee van historisch belang. De groei vanuit twee kernen wordt inzichtelijk gemaakt en de geleidelijke overgang van dorpskern naar het buitengebied is zichtbaar. Het welstandsbeleid is gericht op het leesbaar houden van de historische ontwikkeling. Hiervoor is van belang dat het volgende onderscheid helder blijft: De eigenheid van de kern Etten en de kern Leur; De overgang van de dorpskern naar het buitengebied. Om dit onderscheid ook bij ontwikkelingen helder te houden zijn de bebouwingslinten binnen de dorpskernen onderverdeeld in deelgebieden. Voor ieder deelgebied wordt ingezet op behoud van de eigen karakteristiek. Hiermee blijft de kenmerkende variatie tussen de bebouwingslinten onderling bestaan. Het welstandsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de diversiteit van de bebouwing en de maat en schaal van de gebouwen in het bestaande straatbeeld van de linten. Daarbij is vooral het samenhangende totaalbeeld in elk deelgebied van belang. Waar mogelijk kan de historische kwaliteit worden aangevuld met eigentijdse vormgeving en architectuur passend binnen de bestaande context. Dat betekent met name dat maat, schaal, kapvorm, materiaalgebruik en mate van detaillering aangepast moeten worden aan het karakteristieke beeld. Welstandsniveau: hoog of regulier (afhankelijk van het deelgebied). 3.32.1– Lange Brugstraat, oostelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 1: oostelijk deel van de Lange Brugstraat. Kenmerkend in dit deel is de geleidelijke overgang naar het buitengebied. Dit wordt duidelijk doordat de bebouwingsdichtheid richting buitengebied afneemt en het bebouwingsbeeld meer los wordt. De bebouwing is overwegend kleinschalig en traditioneel. De massa wordt bepaald door de individuele woningen. Bebouwing is doorgaans eenlaags met zadelkap waarbij de langskap vaak wordt toegepast. Ook gerichtheid met de topgevel naar de straat komt voor. De breedtemaat van de kavel is voor de kaprichting vaak leidend. Het gebruik van traditionele materialen zoals baksteen, hout en stucwerk en het toepassen van een zorgvuldige detaillering van de gevel geeft het totaalbeeld een waardevolle architectonische variëteit. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en afgestemd op het historische beeld van de straat. De bouwmassa voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn compact en enkelvoudig. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen of andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Bijgebouwen die op de achtergrond staan of vanuit de straat niet zichtbaar zijn hoeven geen vormrelatie te hebben met het hoofdgebouw. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Bij wijzigingen blijven aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Toevoegingen aan het hoofdgebouw hebben een gelijksoortige detaillering als het bestaande. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink). Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen in een gedekte kleur. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. 3.32.2– Lange Brugstraat, westelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 2: westelijk deel van de Lange Brugstraat. Dit deelgebied heeft een grote historische waarde. De panden zijn divers, individueel en maken iets zichtbaar van de welvaart en het handelsverleden van het dorp. Een grotere schaal van de bebouwing is kenmerkend. De monumentale kerken nemen in het beeld een prominente plek in. Bij de aaneengesloten bebouwing is het individuele pand herkenbaar door de architectuur, materiaalgebruik, gevelindeling en kleine verspringingen. Ook de verschillende dakvormen dragen bij aan de herkenbaarheid van het individuele pand. Regelmatig komen panden voor met een rijke en gedecoreerde gevelarchitectuur. Natuurlijke materialen worden gebruikt zoals baksteen, stucwerk en hout. Goot– en daklijsten dragen sterk bij aan de kwaliteit van het bebouwingsbeeld. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en verkavelings. patroon zijn uitgangspunt. De panden variëren in breedte en laten onderling een diversiteit zien. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel en afwisselend en voegen zich in het historische beeld van de straat. Er wordt aangesloten op de maat van de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen of andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Gevels zijn verticaal geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. De gevelindeling van de begane grondlaag heeft een architectonische relatie met de indeling van de verdiepingslaag. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van het hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen worden de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Gevels direct grenzend aan de straat zijn voorzien van een plint (natuursteen, pleisterwerk, schilderwerk of afwijkende kleur steen). Gevelopeningen in de straatgevels hebben een staande breedte–hoogte verhouding. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. Ventilatieroosters zichtbaar in de ramen van de straatgevel, zijn niet toegestaan. 3.32.3– Korte Brugstraat, oostelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 3: oostelijk deel van de Korte Brugstraat. Dit deelgebied heeft een grote historische waarde. Meest opvallend zijn de grotere karakteristieke historische panden in dit deelgebied. Deze worden afgewisseld met meer recente panden. De historische panden duiden op de welvaart en het handelsverleden. Omdat deze panden direct met de gevel aan de straat staan of slechts een stoep hebben wordt het straatbeeld door de massa en gevels bepaald. De diversiteit aan panden uit verschillende bouwperioden levert een gevarieerd straatbeeld op. Historische panden met een rijke detaillering staan naast panden die eenvoudig en onopvallend zijn. De samenhang in variatie en het verschil in rijkdom is waardevol. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en voegen zich in het beeld van de straat. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen of andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Gevels zijn verticaal geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van een hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals daklijsten, gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Het materiaalgebruik is traditioneel. (baksteen, natuursteen, pleisterwerk, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. Ventilatieroosters zichtbaar in de ramen van de straatgevel, zijn niet toegestaan. 3.32.4– Korte Brugstraat, westelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 4: westelijk deel van de Korte Brugstraat. In dit deelgebied komen typische dorpswoningen en ook nog enkele boerderijen voor. Diverse bouwperioden zijn afleesbaar en verschillende bouwstijlen staan naast elkaar. De ruimtelijke eenheid in de straat wordt bepaald door in hoofdzaak vrijstaande woningen afgedekt met zadelkappen. De open ruimte tussen de panden is wisselend. Belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit is de historische bebouwing die aan het straatbeeld vooral een dorpse uitstraling geeft. Het dorpse komt mede tot uitdrukking door de vrijstaande ligging en de oriëntatie van deze gebouwen. De tussenliggende bebouwing voegt zich naar de karakteristiek van deze dragers. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en voegen zich in het beeld van de straat. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen, of andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van een hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals daklijsten, gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, natuursteen, pleisterwerk, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. Ventilatieroosters zichtbaar in de ramen van de straatgevel, zijn niet toegestaan. 3.32.5– Kop van de haven–Geerkade. Gebiedsbeschrijving deelgebied 5: Kop van de haven – Geerkade. De historische betekenis van deze locatie is groot. De verwijzing naar de historie is zichtbaar door de industriële havenwand, de molen en de molenaarswoning. De beslotenheid van de haven als ruimte wordt mede gevormd door recent toegevoegde nieuwbouw in de vorm van woongebouwen en het Turfschip. Het aansluitende gebied achter de industriële havenwand is op een aantrekkelijke stedenbouwkundige en architectonische wijze verdicht. De kop van de haven zal met bebouwing verder afgesloten worden hetgeen de kwaliteit van de ruimte verder vergroot. Blijvende doorzichten op de achterkant van de bebouwing aan de Lange Brugstraat zijn belangrijk. Er is bij alle bebouwing veel aandacht voor de positionering, architectuur, detaillering en materialisering. In combinatie met een afgestemde inrichting van de openbare ruimte is er sprake van een hoge beeldkwaliteit die in stand dient te blijven. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Panden variëren in breedte en de diversiteit van de gebouwen onderling moet worden behouden. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en afgestemd op het historische beeld van de stedenbouwkundige ruimte. De bouwmassa voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw en hebben een duidelijke beëindiging. Dakkapellen, dakramen of andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het desbetreffende dakvlak. Gevels zijn geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. De gevelindeling van de begane grondlaag heeft een architectonische relatie met de indeling van de verdiepingslaag. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van een hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals daklijsten, gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Gevels direct grenzend aan de straat zijn voorzien van een plint (natuursteen, pleisterwerk, schilderwerk of afwijkende kleur steen). Gevelopeningen hebben bij voorkeur een staande breedte–hoogte verhouding. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. 3.32.6– Lichttorenhoofd. Gebiedsbeschrijving deelgebied 6: Lichttorenhoofd. Het Lichttorenhoofd heeft links en rechts van de straat een contrasterend bebouwingsbeeld. Grote vrijstaande historische villa’s met veel groen aan de westzijde van de straat en kleinschalige meer gesloten bebouwing aan de oostzijde. Dit bebouwingsbeeld is kenmerkend en vertelt daarmee iets over het verleden. Niet alleen de rijke architectuur van de villa’s is waardevol maar ook de eenvoud en eenheid in bouwmassa en materialisering van de bebouwing aan de oostkant. Kappen bepalen in dit deel in grote mate het beeld dat wordt verlevendigd door het incidentele verschil in vorm en kaprichting. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan bij het bestaande verkaveling– bebouwingspatroon. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdbouwmassa is een architectonische eenheid maar ook duidelijk deel van het grote geheel waarin het zich bevindt. De bouwmassa voegt zich in maat en schaal naar de naaste bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Bijgebouwen die vanaf de openbare ruimte waarneembaar zijn hebben een architectonische relatie met het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaal. Er is ontwerpaandacht voor alle details. Wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking overeenkomstig het hoofdgebouw. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen in een gedekte kleur. De daken van de villa’s kunnen gedekt zijn met (natuur) leien. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). 3.32.7– Lage Vaartkant, westkant. Gebiedsbeschrijving deelgebied 7: Lage Vaartkant (westkant). De Lage Vaartkant vormt de begrenzing tussen de bebouwde kom en het buitengebied. De betreffende bebouwingsstrook die hier wordt bedoeld vormt het nog zichtbare begin van het oude lint in de aanloop naar het centrum van Leur. Het bebouwingsbeeld is oorspronkelijk kleinschalig en sober en bestaat uit vrijstaande en geschakelde woningen. Ondanks de modernisering en uitbreiding van de afzonderlijke panden en de veranderingen in de omgeving in de loop der tijd is de oorspronkelijkheid van dit deelgebied toch nog behouden gebleven. Thans is er sprake van een wisselend beeld aan bebouwing met als overeenkomst de traditionele architectuur en eenvoudige uitstraling. Waardevol binnen het totaalbeeld is de variatie die ontstaat door de verspringende rooilijn, meerdere kapvormen en de kaprichtingen. Welstandsniveau: regulier. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Belangrijke kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan bij het bestaande verkaveling– bebouwingspatroon. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en eenvoudig van opbouw. De hoofdgebouwen zijn afgedekt gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is sober. Wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking overeenkomstig het hoofdgebouw. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen in een gedekte kleur. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.32.8– Haansberg, oostkant. Gebiedsbeschrijving deelgebied 8: Haansberg (oostkant). De Haansberg vormt de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied aan de noordkant van de kern. Dit gebied kent een los bebouwingsbeeld dat wordt bepaald door op zichzelf staande (vrijstaande) woningen, veelal met een royale tussenruimte, een voortuin en een wisselende bebouwingslijn. Dit geeft het geheel een groene setting. De oriëntatie van de woning is op de straat gericht. De waardevolle eenheid in het straatbeeld ontstaat door de eenduidige hoofdvorm, de toepassing van een zadelkap en het gebruik van baksteen als belangrijkste materiaal. De bouwperiode van de afzonderlijke panden is duidelijk afleesbaar. Welstandsniveau: regulier. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Belangrijke kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan bij het bestaande verkaveling– bebouwingspatroon. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en eenvoudig van opbouw. De bouwmassa voegt zich in maat en schaal naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Bij kappen zijn wolfseinden zijn toegestaan. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het gekozen concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke kenmerken en detailleringen behouden. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink). Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen in een gedekte kleur. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.32.9– Markt. Gebiedsbeschrijving deelgebied 9: Markt. De Markt heeft een langgerekte basisvorm die zich op de kop bij de Moeierboom verbreedt. Aan de Markt bevinden zich een groot aantal monumentale panden. Een bijzonder ensemble vormt het oude raadhuis, de voormalige NH kerk, de kosterswoning, restaurant de Zwaan en woonhuis de Linden. Verderop is het Paulushofje en de Lambertuskerk beeldbepalend. Voorts zijn er een aantal monumentale woonhuispanden die deel zijn van de bebouwings– wanden aan weerszijden van het ruime middengebied. De monumentale gebouwen zijn belangrijke dragers. De waarde van de Markt wordt vooral bepaald door het samenspel van het middengebied en de bebouwingswanden aan weerszijden. De constante rooilijn en de gerichtheid van de panden naar het midden zorgt voor een rustig beeld. Het behoud van de oorspronkelijke schaal is belangrijk, de parcelering is bepalend voor de omvang van de architectonische eenheid. Openheid, dichtheid en de aanwezigheid van doorgangen of steegjes zijn waardevolle kenmerken. De bebouwing is gevarieerd. Nieuwere bebouwing is afgestemd op het historische beeld van de Markt. Over het algemeen is de detaillering en het materiaal– en kleurgebruik traditioneel. Baksteen en stucwerk zijn de belangrijkste gevelmaterialen. De tegen de gevels liggende stoepen en stoeppalen met stangen of kettingen zijn eveneens kenmerkend voor de Markt. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Panden variëren in breedte en de diversiteit van de gebouwen onderling moet worden behouden. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte. Bebouwing in de invloedssfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en afgestemd op het historische beeld van de Markt. De bouwmassa voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap is de vorm traditioneel. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Gevels zijn verticaal geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. De gevelindeling van de begane grondlaag heeft een architectonische relatie met de indeling van de verdiepingslaag. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van een hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Gevels direct grenzend aan de straat zijn voorzien van een plint (natuursteen, pleisterwerk, schilderwerk of een afwijkende kleur steen). Gevelopeningen in de straatgevels hebben een staande breedte–hoogte verhouding. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink). Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. Ventilatieroosters zichtbaar in de ramen van de straatgevel, zijn niet toegestaan. 3.32.10– Bisschopsmolenstraat, noordelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 10: noordelijk deel van de Bisschopsmolenstraat. Dit gebied kent een breed straatprofiel met aan weerszijden bebouwing die sterk wisselend is in uitstraling en waarde. De verdere verwijding van het straatprofiel net buiten het centrum is kenmerkend. Toevoegingen die vanaf de jaren ‘60 hebben plaatsgevonden, kenmerken zich veelal door een grotere schaal en beperkte detaillering. Deze ontwikkelingen hebben de oorspronkelijke bebouwingskarakteristiek veranderd. De bomenrijen die aan weerszijden aanwezig zijn en de rijbaan volgen, domineren voor een belangrijk deel het straatbeeld. Deze inrichting levert in combinatie met de mix aan bouwstijlen en verschillende gevelarchitectuur toch een waardevol straatbeeld op. Winkelfuncties hebben de overhand gekregen. De begane grondlaag van diverse panden zijn hierop aangepast. In sommige gevallen zijn de puien niet afgestemd op de gevel, zijn zware luifels toegevoegd en is een overdaad aan reclame. Dergelijke ingrepen gaan doorgaans ten koste van de oorspronkelijke beeldkwaliteit. Waardevol is de herkenbare oorspronkelijke maat en schaal van de afzonderlijke gebouwen en de continue straatwand die daarmee is gevormd. Kenmerkend in de straatwanden zijn de incidenteel voorkomende toevallige doorsteekjes en openingen. Het belangrijkste bouwmateriaal in het straatbeeld is baksteen. Plaatmaterialen en kunststoffen verarmen het beeld. De mate van detaillering verschilt sterk per bouwperiode. Bij de historische panden is de detaillering rijkelijk. Reliëf en een sterke gevelexpressie vallen op en geven kwaliteit. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Panden variëren in breedte en de diversiteit van de gebouwen onderling moet worden behouden. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel en afwisselend. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap dient de vorm traditioneel te zijn. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. De gevels zijn verticaal geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. De gevelindeling van de begane grondlaag heeft een architectonische relatie met de indeling van de verdiepingslaag. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van het hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Gevelopeningen in de straatgevels hebben een staande breedte–hoogte verhouding. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. 3.32.11– Bisschopsmolenstraat, zuidelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 11: zuidelijk deel van de Bisschopsmolenstraat. Dit gedeelte van de Bisschopsmolenstraat heeft het karakter van een dorpse straat die zich aan het eind verwijdt. De molen staat centraal op de kop in het middengebied. De straatwanden worden gevormd door in hoofdzaak individuele woningen. Het verloop van geslotenheid in de straatwand naar meer openheid is kenmerkend. Het historisch gegroeide beeld met woningen uit diverse bouwperioden is waardevol. Enkele historische panden, (boerderijen), de molen en het zicht op het klooster vormen de belangrijkste beeldpunten. De vorm en materialisering van de gebouwen is overwegend traditioneel en passend in het totaalbeeld. Welstandsniveau: regulier. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Belangrijke kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Panden variëren in breedte en de diversiteit van de gebouwen onderling moet worden behouden. Bebouwing in de invloedssfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel en afwisselend. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap is de vorm traditioneel. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. Bij wijzigingen blijven de karakteristieke detailleringen behouden. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn in principe van baksteen en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.32.12– Zundertseweg, bebouwde kom. Gebiedsbeschrijving deelgebied 12: Zundertseweg. De straat is door de aanleg van de rijksweg doodlopend geworden. In het recente verleden was de weg duidelijk deel van het landelijke gebied. Mede hierdoor heeft het lint een rustige en landelijke uitstraling. Vrijstaande woningen op ruime kavels hebben de overhand. Waardevol is de nog voelbare overgang naar het buitengebied en de eenvoudige en heldere hoofdvorm van de woonhuizen (1 of 2 bouwlagen met een zadelkap) waardoor het bebouwingsbeeld rustig is. De variatie die aanwezig is door de situering van het gebouw op het perceel, door het verschil in materiaalgebruik en de wisselende kaprichting is eveneens een waardevolle kwaliteit. De mate van detaillering is beperkt maar passend bij de architectuur van het pand. Welstandsniveau: regulier. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Belangrijke kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel en afwisselend. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap is de vorm traditioneel. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, natuursteen, hout, zink). Gevels zijn in principe van baksteen en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.32.13– Oude Bredaseweg, westelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 13: Westelijk deel van de Oude Bredaseweg. De straat heeft als oude verbindingsweg tussen Etten en Breda een grote historische waarde. Aan de zuidkant is er sprake van een sterk aaneengesloten en waardevol straatbeeld dat is ontstaan uit de groei en dynamiek in het gebied. Enkele historische panden vormen belangrijke beeldpunten. Het tijdsbeeld in de straatwand is leesbaar en er is een grote variatie aan bebouwing echter met een duidelijke samenhang. Aan de noordkant is de bebouwing meer recent en bestaat uit grotere meer zelfstandige eenheden. Er is in het gebied een sterke eenheid in het materiaalgebruik namelijk baksteen in rode of bruine tinten. De hoofdvorm is met een kap, overwegend de zadelkap. De wisseling in kaprichting, hoogtes en geeft een positieve bijdrage aan het gevarieerde straatbeeld. Detaillering is over het algemeen rijkelijk en zorgvuldig. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon moeten worden gerespecteerd. Panden variëren in breedte en de diversiteit van de gebouwen onderling moet worden behouden. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte Bebouwing in de invloedssfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en afgestemd op het historische beeld van de straat. De bouwmassa voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap is de vorm traditioneel. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Gevels zijn verticaal geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. De gevelindeling van de begane grondlaag heeft een architectonische relatie met de indeling van de verdiepingslaag. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van het hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. De gevels direct grenzend aan de straat zijn voorzien van een plint (natuursteen, pleisterwerk, schilderwerk of een afwijkende kleur steen). Gevelopeningen in de straatgevels hebben een staande breedte–hoogte verhouding. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, pleisterwerk, hout, zink, natuursteen). Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. 3.32.14– Oude Bredaseweg, oostelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 14: Oostelijk deel van de Oude Bredaseweg. In dit gedeelte van de straat komen met name vrijstaande of geschakelde woningen voor die op korte afstand van elkaar zijn gelegen hetgeen een aaneengesloten straatbeeld laat zien. In het gevarieerde beeld is de bouwperiode van de panden afleesbaar. Er is een sterke eenheid in het materiaalgebruik. Voor alle gevels is baksteen het belangrijkste materiaal, overwegend is een rode of bruine kleur gebruikt. Panden zijn met een kap waarbij de zadelkap en mansarde kap het meest voorkomt. Ook komen andere dakvormen of samengestelde dakvormen voor. In die gevallen is er sprake van een verbijzonderde architectuur. Waardevolle toevoegingen aan panden zijn de erkers balkons en schoorstenen. De detaillering verschilt en is afhankelijk van de bouwperiode. Een verfijnde detaillering en verbijzondering van de gevel levert een belangrijke bijdrage aan de beeldkwaliteit van het bebouwingslint. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Panden variëren in breedte en de diversiteit van de gebouwen onderling moet worden behouden. Hoofdgebouwen richten zich met de voorgevel naar de openbare ruimte. Bebouwing in de invloedssfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en afgestemd op het historische beeld van de straat. De bouwmassa voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap is de vorm traditioneel. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Gevelopeningen in de straatgevels hebben een staande breedte–hoogte verhouding. Het materiaalgebruik is traditioneel (baksteen, stucwerk, natuursteen, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd. Hellende daken zijn gedekt met pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. 3.32.15– Stationsstraat, westelijk deel. Gebiedsbeschrijving deelgebied 15: westelijk deel van de Stationsstraat. De Stationsstraat is een oude verbindingsweg tussen Etten en Leur en heeft als zodanig historische waarde. Als zijstraat van de Markt is het tevens een belangrijk deel van de oorspronkelijke dorpsstructuur. Hoekpanden vormen de straatopening in de bebouwingswand van de Markt. Deze panden zijn de aanzet van de aaneengesloten bebouwingswanden aan weerszijden in de kop van de straat. Het straatprofiel is nauw en gaandeweg wordt het profiel wijder en komt er meer openheid tussen de bebouwing. De bebouwing is divers en bestaat in hoofdzaak uit individuele woonhuizen, enkele winkel– panden, een school en de voormalige pastorie. Aan het eind van de aaneengesloten bebouwingswand aan de zuidkant ligt de begraafplaats die aan de straatzijde is voorzien van een tuinmuur met poort. Waardevol is de dorpse sfeer die deze straat uitstraalt. Dit komt vooral tot uitdrukking in de maat en schaal van de bebouwing, de traditionele bouwvormen en de gevels. Ook de toevallige doorsteekjes en stegen op diverse plaatsen dragen bij aan de karakteristiek. De afwisseling van eenvoudige panden naast rijkelijk gedetailleerde historische panden geeft aan het geheel een belangrijke meerwaarde. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria voor het historisch dorps bebouwingslint deelgebied
- Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied dienen behouden te blijven. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het ritme en de oriëntatie van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. De oorspronkelijke parcelering en het verkavelingspatroon zijn uitgangspunt. Panden variëren in breedte en laten onderling een diversiteit zien. Bebouwing in de invloedsfeer van monumenten is in architectuur ingetogen en terughoudend. De waarde van het monument wordt niet aangetast. Massa en vorm. De hoofdmassa’s zijn individueel, afwisselend en voegen zich in het beeld van de straat. De bouwmassa voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing. De hoofdgebouwen zijn gevarieerd van opbouw. Bij toepassing van een kap is de vorm traditioneel. Dakkapellen, dakramen en andersoortige toevoegingen in de kap zijn ondergeschikt aan het betreffende dakvlak. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Gevels zijn verticaal geleed en bestaande geledingen in het gevelvlak blijven behouden. De gevelindeling van de begane grondlaag heeft een architectonische relatie met de indeling van de verdiepingslaag. Bij nieuwbouw van een woongebouw is de oorspronkelijke parcelering uitgangspunt. De ontsluiting is direct aan de straat. Trappenhuizen zijn inpandig of aan de achterzijde gelegen. Balkons aan de voorzijde zijn inpandig en een ondergeschikt deel van de gevel. De voor– en achterkant van een hoofdgebouw hebben een duidelijke architectonische relatie met elkaar. Detaillering, materiaal– en kleurgebruik. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. De verfijnde detaillering wordt benadrukt in kleine elementen zoals daklijsten, gootklossen, gevelbelijningen, gevelbeëindigingen, baksteenverbanden, verbijzonderd voegwerk of patronen in het gevelvlak. Bij wijzigingen blijven de aanwezige karakteristieke detailleringen behouden. Het materiaalgebruik is traditioneel. (baksteen, natuursteen, pleisterwerk, hout, zink) Gevels zijn van baksteen in een warme kleur en een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte kleurtint. Hellende daken zijn gedekt met keramische pannen in een gedekte kleur. Het houtwerk van kozijnen, dak– en gootlijsten is geschilderd in lichte kleuren. Het kleurgebruik is traditioneel (wit, crème, donkergroen voor deuren en luiken) of terughoudend (geen felle kleuren). Aan de voor– of zijkant is de toepassing van andere materialen dan hout voor bv. kozijnen en goten toegestaan mits de profilering niet wezenlijk afwijkt van het karakteristieke houten profiel. 3.43– Gemengde bebouwing. 3.43– Gemengde bebouwing. Gebied in hoofdlijnen. Dit gebied ligt centraal in Etten–Leur. Het gebied wordt begrensd door de historische linten Oude Bredaseweg en Markt, de spoorlijn en de woonwijk Etten Oost. Het gebied heeft een dynamisch karakter vanwege de uiteenlopende typen bebouwing en functies. De utiliteitsgebouwen zijn individueel en het meest opvallend aanwezig. De woonfuncties zijn in diverse vormen door het gebied verweven. Vrijstaand, geschakeld en rijenwoningen. Het centraal gelegen Oderkerkpark en de aansluitende begraafplaats geven aan het gebied een groen en open karakter. Bebouwing in hoofdlijnen. De gebouwen variëren in grootte, hoogte en verschijningsvorm. In het algemeen is de bebouwing relatief grootschalig. Het aantal bouwlagen verschilt per gebouw en varieert van één tot drie bouwlagen. Gebouwen zijn plat, hebben een zadeldak of een bijzondere kapvorm. Veelal is de entree als opvallend deel van het gebouw vormgegeven. De architectuurstijl van de bebouwing is verschillend, afhankelijk van de bouwperiode en van de functie die wordt gehuisvest. De woonbebouwing in het gebied is eenvoudig en traditioneel van opzet. Detaillering kleur en materiaal. De gevelindeling is afhankelijk van de architectuur, functie en aard van het gebouw en verschilt van traditioneel tot modern. Door de zelfstandigheid van de gebouwen is er binnen het gebied een mix aan detaillering, kleur– en materiaalgebruik. De woningen die in het gebied voorkomen hebben een eenvoudige uitvoering met beperkte detaillering. Bij de overige bebouwing is vaak een combinatie van materiaal (baksteen en plaatmateriaal) en kleuren (voornamelijk baksteenkleur, wit en/of grijs) gebruikt. Glas maakt in een aantal gevallen een groot deel van de gevel uit. Waardering. Waardevol is de herkenbaarheid van de gebouwen en de losse bebouwingsstructuur. Daarnaast kent dit gebied een waardevolle variatie aan bebouwing. Verschillende tijdsperioden, functies en verschijningsvormen komen naast elkaar voor. De eenheid per gebouw in materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering is waardevol. Dit gebied is vanwege de ligging, herkenbaarheid en de oriëntatiemogelijkheden van belang voor de structuur van de kern Etten–Leur. Welstandsniveau: hoog. Welstandscriteria 3– Gemengde Bebouwing. Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het deelgebied blijven behouden. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het bestaande verkavelings– bebouwingspatroon. Bebouwing speelt qua positionering en richting in op de specifieke locatiekenmerken. Binnen een samenhangend cluster zijn de individuele hoofdgebouwen op elkaar afgestemd. Het hoofdgebouw en de aangrenzende (semi openbare) ruimte vertonen een samenhang. Er is aandacht besteed aan de aansluiting van het gebouw (begane grond) op het maaiveld. Aanwezige architectonische samenhang tussen gebouwen moet worden behouden. Het hoofdgebouw is met de representatieve voorgevel georiënteerd op het openbaar gebied. Massa en vorm. Het hoofdgebouw is individueel en afwisselend vormgegeven. Bij nieuwbouw heeft het gebouw een bijzondere, originele en eigentijdse architectuur. De hoofdfunctie van het gebouw komt tot uiting in de vorm van het gebouw. Aanbouwen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Technische installaties (of opbouwen daarvoor) die op het dak worden gepositioneerd zijn als onderdeel van het totale ontwerp vormgegeven. Gevels zijn duidelijk geleed. De aanwezige ritmiek en geleding blijven bij aanpassingen behouden. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering kleur en materiaal. De detaillering is helder, logisch en ondersteunend aan het concept. Er is ontwerpaandacht voor alle details. Het hoofdgebouw heeft accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van de aanwezige functies. Entreepartijen hebben een bijzondere ontwerpaandacht. De detaillering en het kleur– en materiaalgebruik ondersteunen de zelfstandige uitstraling van het hoofdgebouw. De gebruikte materialen en kleuren dragen bij aan een hoogwaardige, representatieve en duurzame architectonische uitstraling. Het belangrijkste materiaal voor de gevels is baksteen. Stucwerkafwerking of toepassing van natuursteen is mogelijk mits het deel is van de architectuur van het gebouw. Hellende daken van woningen zijn gedekt met pannen. Felle kleuren aan de gevels zijn niet toegestaan. Wijzigingen en toevoegingen aan het gebouw zijn in architectuur en uitwerking afgestemd op het bestaande. Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.54– Woongebieden. 3.54– Woongebieden. Gebieden in hoofdlijnen. Vanaf de jaren '50 van de vorige eeuw tot op heden zijn rondom de historische dorpskernen woongebieden planmatig gerealiseerd in stedenbouwkundige patronen die kenmerkend zijn voor hun tijd. Het betreft hier woongebieden die meestal begrensd worden door oudere structuren. Er is door de opzet van elke wijk en de bebouwing die daarin voorkomt sprake van een herkenbaar tijdsbeeld. Op enkele plaatsen heeft al een herinvulling of inbreiding plaatsgevonden. Hierbij is steeds zoveel als mogelijk aansluiting gezocht op de bestaande structuren en karakteristiek. Incidenteel komen ook andere functies in de woongebieden voor. De aard van de bebouwing voegt zich over het algemeen in de woonomgeving. Het komt ook voor dat dergelijke gebouwen zich manifesteren als verbijzondering in het bebouwingsbeeld. Naast de overwegend planmatig gebouwde woningbouwcomplexen die een duidelijke eenduidigheid laten zien komen ook verspreid in de gebieden vrijstaande woningen voor die meestal individueel vormgegeven zijn. In het totale bebouwingsbeeld vormen zij geen echte uitzondering. In de beginperiode bestaat het stedenbouwkundige patroon uit rechte straten meestal orthogonaal georiënteerd. De bebouwing is geclusterd van opzet, waarbij meerdere woningen een eenheid vormen in architectuur en verkaveling. De woningen hebben meestal een voortuin en zijn met de voorzijde op de straat gericht. Het betreft hoofdzakelijk rijenwoning soms afgewisseld met twee–onder–1 kap en een enkele vrijstaande woning. De hoofdmassa is eenvoudig en doorgaans tweelaags afgedekt met een zadelkap. In de jaren ‘70 en begin ’80 is de hofjesstructuur geïntroduceerd waarbij rijenwoningen in vergelijkbare stempels zijn gebouwd rondom verkeersluwe hofjes. Kenmerkend in deze wijken is dat de woningen zich afkeren van de doorgaande straten. In veel gevallen is de achtertuin aan de straat gelegen. Ook hier is de hoofdvorm eenvoudig en tweelaags met zadelkap, evenwijdig aan het woningblok. Blokgeledingen en samengestelde bouwmassa’s waarbij bergingen zijn aangebouwd of zich bevinden onder een doorgetrokken dakvlak is kenmerkend. Aan het eind van de jaren ‘80 ontstaat een meer grillig stratenpatroon, de zgn. boomstructuur. Doorgaande gebogen routes waar de woonstraten al of niet doodlopend op aantakken. De woningen zijn met hun voorzijde weer gericht op de openbare ruimte. Dit kan de straat zijn maar ook openbaar groen. De diversiteit aan woonbebouwing neemt toe. Naast de blokjes rijenwoningen die in opzet bestaan uit twee bouwlagen met zadelkap evenwijdig aan de straat komen nu ook forse zadelkappen haaks op de weg voor en kappen die doorlopen tot aan de eerste bouwlaag. Op bepaalde straathoeken zijn woongebouwen of gestapelde woningen duidelijk aanwezig als onderdeel van de ruimtelijke structuur. De architectuur hiervan sluit aan op de aangrenzende woningen en vormt hiermee een eenheid. Begin jaren ‘90 vindt een omslag plaats in het ontwerp van nieuwe woongebieden. Deze nieuwe woongebieden worden stedenbouwkundig opgezet vanuit sterke structuurdragers zoals historische routes, zichtassen, duidelijke randen en groene ruimten. Deze opzet geeft een eigen identiteit aan het gebied. Er is weer een helder onderscheid tussen openbaar en particulier terrein. De openbare ruimte is een belangrijk deel geworden van de wijk en is veelal met zorg ontwikkeld. Er is veel aandacht voor de architectonische uitstraling. Architectuurthema’s krijgen een bewuste plek toegewezen. Materiaal en kleur zijn gebruikt als instrument om de woningen binnen een architectonisch cluster een eenheid te laten vormen. Vanwege de duidelijke omslag in de stedenbouw en bouwtraditie is het gewenst om een onderscheid te behouden tussen de tijdsperiode voor en na de jaren ’90 ofwel de traditionele blokverkaveling/forumbeweging en de thematische architectuur en stedenbouw. Bebouwing in hoofdlijnen. Traditionele blokverkaveling en forumbeweging. De architectuur van de woningen in deze woongebieden is in hoofdlijnen gebaseerd op herhaling van de individuele woning. De rijenwoningen hebben in het algemeen een eenvoudige opbouw bestaande uit meestal twee bouwlagen met een kap. De zadelkap is het meest voorkomend. De nokrichting kan evenwijdig of haaks op de straat zijn. Aanbouwen zijn ondergeschikte toevoegingen of juist deel van de hoofdbouwmassa. Dakopbouwen of dakverhogingen zijn in oorsprong per blok eenduidig. De vrijstaande woningen zijn op zichzelf staand en voegen zich door hun vorm, massa en typologie in het bestaande bebouwingsbeeld. Thematische architectuur en stedenbouw De thematisch gebouwde wijken worden gekenmerkt door extra aandacht voor de stedenbouwkundige opzet van buurten en wijken en de eigentijdse herinterpretatie van historische typologieën en bouwstijlen. Door de heldere opzet van de openbare ruimte, de grote variatie in woningtypen en de sterke samenhang van de bebouwing op straat– en blokniveau maar ook door het grote onderscheid tussen bouwblokken onderling, onderscheiden deze gebieden zich van de andere planmatige woningbouw. Kenmerkend is de clustering van bouwstijlen waardoor er een herkenbare ruimtelijke samenhang is. Detaillering, kleur en materiaal. Traditionele blokverkaveling en forumbeweging De detaillering is over het algemeen sober. De jaren ‘50 bebouwing kent een zorgvuldige detaillering, in de jaren daaropvolgend is er duidelijk minder aandacht voor dit aspect. Blokgeledingen en een sterke geleding in de gevel door middel van penanten of uitbouwen komt regelmatig voor. Baksteen in gedekte kleur is het belangrijkste materiaal voor de gevels. Ook komen in lichte kleur geschilderde gevels voor. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Thematische architectuur en stedenbouw Er is weer aandacht voor de detaillering, afwisselende kleur en materiaaltoepassingen gerelateerd aan de architectuur. Dit geeft duidelijk ondersteuning aan de architectuur en het komt tevens de gewenste duurzaamheid van de beeldkwaliteit ten goede. De diversiteit van de materialen en kleuren waaruit de bebouwing is opgetrokken is groot. Architectuurtrends zijn waarneembaar. Waardering. Traditionele blokverkaveling en forumbeweging. Bij de traditionele blokverkaveling is vooral het overzichtelijke karakter met het rechtlijnige straatpatroon en het straatgericht wonen waardevol. Ook de eenheid in massa, vorm en kleur– materiaalgebruik levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit. Door veranderingen en vernieuwingen kan een welkome variatie ontstaan tussen de bouwkundige eenheden waarmee het straatbeeld verlevendigd. De op zichzelf staande gebouwen en de vrijstaande woningen vormen een welkome afwisseling in het bebouwingsbeeld. De kwaliteit van de forumbeweging ligt in het andersgericht wonen. Er is een sterke eenheid in de massa van de bebouwing en vormgeving. Hierdoor straalt het woongebied een zekere mate van rust uit maar ook van monotonie. Veranderingen of vernieuwingen kunnen in deze zin een waardevolle betekenis hebben. Thematische architectuur en stedenbouw Het oorspronkelijke architectuurthema is nog duidelijk aanwezig. De waarde van de thematisch gebouwde wijken ligt vooral in de doordachte stedenbouwkundige opzet en de sterke variatie in architectuur. De uitgesproken architectuur van de bebouwing en de wijze waarop ingespeeld is op hoeken, zichtlijnen en beeldpunten is waardevol. Ook de clustering van bouwstijlen geeft een duidelijke ordening in het beeld. Welstandsniveau: regulier. Welstandscriteria 4– woongebieden. Bebouwing en omgeving. Waardevolle kenmerken van het woongebied blijven behouden. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het bestaande verkaveling– en bebouwingspatroon. De ritmiek door herhaling van gelijkvormige bouwmassa’s blijft behouden. Op zichzelf staande bebouwing voegt zich in de omgeving. Hoofdgebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op het openbaar gebied. Bebouwing speelt in op de specifieke locatiekenmerken. Massa en vorm. De onderlinge samenhang en eenheid binnen een blok of eenheid blijft behouden. Een op zichzelf staand gebouw (vrijstaande woning of ander gebouw) is een architectonische eenheid. Bouwmassa’s hebben een heldere en eenvoudige opbouw. Bestaande kenmerkende geledingen binnen een blok rijenwoningen blijven behouden. De bestaande hoofdvorm van de bouwkundige eenheid in het straatbeeld blijft behouden. Toevoegingen zoals aanbouwen, erkers, dakkapellen, luifels en overkappingen aan de straatzijde zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Dakopbouwen zijn per woningblok eenduidig en in vormgeving afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, materiaal– en kleurgebruik. Bij wijzigingen blijven de kenmerkende details van het hoofdgebouw behouden. Bij wijzigingen en toevoegingen aan de straatzijde is er aandacht voor details. Gevels zijn van baksteen. Gevelfragmenten, vullingen of verbijzonderingen kunnen in een ander materiaal of kleur zijn. De bestaande architectuur en materialisering zijn uitgangspunt voor het materiaalgebruik bij veranderingen, vernieuwingen of toevoegingen. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Het kleurgebruik is terughoudend (geen felle kleuren). Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.65– Individuele woningbouw. 3.65– Individuele woningbouw. Gebied in hoofdlijnen. Verspreid in de gemeente komen aaneengesloten gebieden voor met in hoofdzaak vrijstaande woningen, soms afgewisseld met 2–onder–1 kapwoningen. Deze woningclusters zijn vaak onderdeel van een uitleggebied en zijn gebouwd binnen het stedenbouwkundige patroon van het betreffende gebied. Kenmerkend voor de vrijstaande woning waaronder ook de 2–onder –1 kapwoning valt, is de individualiteit. Individuele woningbouw komt voor in vele soorten en maten, veelal met een traditionele verschijningsvorm. Af en toe is er een pand dat hiervan afwijkt, door de architectuur, kleur, materiaal, dakhelling, maatvoering, etc. Mede door de eenduidige stedenbouwkundige bepalingen passen deze afwijkingen meestal in het gevarieerde beeld. Belangrijk is de individuele uitstraling van de woning of het blok van de 2– onder–1 kapwoning. De vrijstaande panden zijn te beschouwen als afzonderlijke objecten met een grote variatie in vormen en bouwstijlen. Dit leidt tot een diversiteit aan gevelindeling, kapvormen, vensters, gootlijsten, schoorstenen e.d. De woningen zijn overwegend voorzien van een (ruime) voor– en zijtuin. Daarbij zijn de woningen georiënteerd op de straat en aan de voorzijde vaak voorzien van een erfafscheiding of haag. De onderlinge afstand tussen de woningen varieert. Bij recente ontwikkelingen is de onderlinge afstand tussen de bebouwing vaak beperkt. Bebouwing in hoofdlijnen. Overwegend is gebouwd in één of twee bouwlagen met kap. Ook komen plat afgedekte woningen voor in een, twee of drie bouwlagen. Een derde bouwlaag kan een beëindiging zijn van de bouwmassa. Uiteenlopende kapvormen komen voor: zadeldak, lessenaarsdak, tentdak, schilddak of een samengesteld dak. Het straatbeeld wordt bepaald door de relatief forse massa van de afzonderlijke woningen. Iedere vrijstaande woning (of twee–onder–een– kap) is duidelijk als eenheid herkenbaar. Het komt voor dat naast elkaar gelegen woningen sterk contrasteren in massa, vorm en architectonische uitstraling of dat er juist een architectonische verwantschap is tussen de woningen. Dit laatste is vooral bij de thematisch gebouwde wijken zichtbaar. Detaillering, kleur en materiaal. Detaillering, kleur en materiaal verschillen sterk. Voor een groot deel is sprake van traditionele kleuren en materialen: gevelstenen in aardetinten gekleurd en rode en donkergrijze dakpannen. Recent gerealiseerde woningen hebben vaak een uitgesproken architectuur. Hierbij wordt regelmatig verwezen naar stromingen uit de architectuurhistorie (bijvoorbeeld postmodernisme). Ook worden vaak (moderne) materialen op een eigentijdse manier toegepast hetgeen leidt tot originele woningbouw. Indien andere kleuren en materialen gebruikt zijn, passen die bij de architectuur van de individuele woning. De toegepaste detaillering past ook bij de architectuur van de individuele woning. Bij clustervormig gebouwde vrijstaande woningen is er juist een grote mate van afstemming in kleur, detaillering en materiaal. Waardering. De variatie van de individuele woningen of juist de architectonische verwantschap van een cluster is karakteristiek en waardevol voor het straatbeeld. De woningen hebben veelal een uitgesproken architectuur. Originele nieuwbouw die zich harmonieus voegt in de bestaande omgeving maar ook aanpassingen of toevoegingen aan de voor– of zijkant die goed passen bij de architectuurstijl van de bestaande woning of juist eigentijds en contrasterend zijn, zijn een waardevolle aanvulling op het totaalbeeld. Welstandsniveau: regulier Welstandscriteria 5– individuele woningbouw. Bebouwing en omgeving. (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het bestaande verkavelings– en bebouwingspatroon. De woning of het blok van de 2–onder–1 kapwoning heeft een individuele uitstraling. De woning is met de voorzijde georiënteerd op het openbaar gebied. De woning of het blok van de 2–onder–1 kapwoning voegt zich harmonieus in zijn omgeving en speelt in op de locatiekenmerken. Dit betekent individueel maar passend of juist aansluitend bij het architectuurthema van de omgeving. Massa en vorm. De vrijstaande woning of het blok van de 2–onder–1 kapwoning is afwisselend en vormt een architectonische eenheid. Wijzigingen en toevoegingen aan de voor– en zijkant van de woning zoals gevelwijzigingen, aanbouwen, erkers, overkappingen, dakkapellen zijn in architectuur verwant aan de architectuur van het hoofdgebouw. Dakopbouwen op plat afgedekte woningen dienen in het gevelbeeld een architectonische relatie te hebben met de onderliggende bouwlagen. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. Er is eenheid in detaillering, kleur en materiaal per individueel pand. De detaillering, kleur en materiaalgebruik ondersteunen het architectonisch concept van het hoofdgebouw. Aanbouwen zijn in hetzelfde materiaal, kleur en textuur als het bestaande hoofdgebouw.. De aard en mate van detaillering van toevoegingen en wijzigingen aan het gebouw is gelijk aan de detaillering van het hoofdgebouw. Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.76– Industrieterreinen. 3.76– Industrieterreinen. Gebied in hoofdlijnen. De hier bedoelde industrieterreinen omvatten het fabriekscomplex Isover gelegen binnen het bedrijventerrein Vosdonk en het noordelijk in de gemeente gelegen industrieterrein Zwartenberg. Het bedrijf Isover vormt binnen de karakteristiek van het bedrijventerrein Vosdonk een uitzondering vanwege de grootschaligheid van de gebouwen in combinatie met de grote installaties en schoorstenen. Dit geeft het beeld van een ingewikkeld en zwaar industrieel complex. De buitenruimte wordt in beslag genomen door productenopslag, verkeersruimte en grootschalige expeditievoorzieningen. Slechts het kantoor aan de straatkant dat een relatief klein gebouw is in de context, heeft een representatieve uitstraling. Ook hier is enige groenvoorziening aanwezig. In de verre omgeving zijn de contouren van het complex zichtbaar en daarmee beeldbepalend. De gebouwen hebben over het algemeen een eenvoudige en functionele uitstraling. Industrieterrein Zwartenberg ligt ingeklemd tussen rivier de Mark en het noordelijke buitengebied. Het industrieterrein heeft een eenduidige verkavelingsrichting. In de gebouwenopzet komt deze verkaveling echter niet tot uitdrukking. Naast de willekeurige positionering van de gebouwen is er ook weinig eenduidigheid en samenhang herkenbaar. Ook is over het algemeen de architectuur ondergeschikt aan de functie. Beeldbepalend zijn ook hier de grote installaties die voornamelijk aan de noordrand aan de oever van de rivier geconcentreerd zijn. Een stevige bomenrij schermt het gebied enigszins af van het open polderlandschap aan de zuidkant. Het silhouet van dit industrieterrein is in de wijde omtrek zichtbaar. Beide bedrijvenlocaties zijn sterk intern gericht en zijn slechts in beperkte mate georiënteerd op de openbare weg. De hoeveelheid beplanting op de terreinen is beperkt. Hekwerken, opslag, loodsen en installaties bepalen het beeld vanaf de openbare weg, de spoorlijn en de rivier. Bebouwing in hoofdlijnen. Het bebouwingsbeeld op deze industrieterreinen wordt bepaald door een aaneenschakeling van bouwmassa’s in allerlei formaten en uitvoeringen. Daartussen verweven zijn grote installaties, schoorstenen en torens. Gebouwen zijn niet of nauwelijks geleed. De gevels zijn overwegend gesloten. Alleen bij de kantoorfuncties komen meer transparante gevels voor. Daken zijn plat of hebben een lichte helling in de vorm van een zadeldak. Detaillering, kleur en materiaal. De bebouwing kent weinig detaillering. De gevels zijn opgetrokken uit industriële materialen en zijn overwegend wit tot grijs. Oudere gebouwen zijn in steen. Waardering. De beeldkwaliteit van deze industrieterreinen is laag. Er is door de aaneenschakeling van bouwmassa’s en installaties in allerlei vormen een niet geordend beeld ontstaan waardoor geen duidelijke bebouwingsstructuur is te herkennen. De grootschaligheid van de bebouwing en de industriële uitstraling leveren geen waardevolle bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit komt ondermeer voort uit de wijze waarop de gebouwen gepositioneerd zijn, de vormgeving ervan, de combinatie met de installaties op en tussen de gebouwen en de terreininrichting. Welstandsniveau: laag. Welstandscriteria 6– Industrieterreinen. Bebouwing en omgeving. Gebouwen met een representatieve functie zijn met de voorzijde georiënteerd op het openbaar gebied. Massa en vorm. De gebouwen hebben een eenvoudige en functionele opbouw. De gebouwen zijn doosvormig en bij voorkeur plat afgedekt. Representatieve functies onderscheiden zich in het bebouwingsbeeld door de architectuur van het gebouw. Detaillering, kleur en materiaal. De detaillering is eenvoudig. Het materiaalgebruik is vrij. Grote gevelvlakken bestaan uit materiaal met een duidelijk reliëf zoals bv. geprofileerd staalplaat. De kleur van de gebouwen en bouwwerken is in onderlinge samenhang en bij voorkeur in grijstinten of donkerder. Felle kleuren of accenten door middel van felle kleuren zijn niet toegestaan. 3.87– Bedrijventerrein. 3.87– Bedrijventerrein. Gebied in hoofdlijnen. De bedrijventerreinen van Etten–Leur vormen elk stedenbouwkundig afgebakende gebieden waarbij de milieucategorie van de bedrijven zorgt voor een clustering. Het grootste aaneengesloten bedrijvengebied is aan de westkant van de bebouwde kom en strekt zich uit tot aan de gemeentegrens. De snelweg vormt de begrenzing aan de zuidzijde. Dit is bedrijventerrein Vosdonk. Bedrijventerrein Attelaken ligt aan de oostkant van de kern Leur en ligt ingesloten tussen de spoorlijn en de Lange Brugstraat. Aan de Voorsteven is een kleinschalige bedrijvenlocatie op de overgang van de Korte Brugstraat naar woonwijk de Keen. Hier is een duidelijke ordening van de bedrijfsgebouwen en oriëntatie op de straat. De nog nieuwe bedrijfsbebouwing schermt het zicht op de achterkant van de Korte Brugstraat af. Het bedrijventerrein Vosdonk heeft een overzichtelijke structuur met overwegend een rechthoekig stratenpatroon. Enkele doorgaande routes met een breed profiel en twee ruim opgezette rotondes maken een goede oriëntatie mogelijk. Er zijn diverse functies aanwezig die vaak gemengd voorkomen. Onder andere kantoren met bijbehorende bedrijfshallen, opslag en distributie, bedrijfsverzamelgebouwen, autoshowrooms en productiebedrijven. De kantoren en/of verkoopruimtes zijn veelal georiënteerd op de openbare weg. De bedrijfsruimten zijn daarentegen vaak sterk naar binnen gericht. Straatprofielen hebben veelal groene bermen met boombeplanting; op sommige plaatsen zijn deze bermen echter verdwenen ten behoeve van laad–/los– en parkeerruimte. Bedrijfsgebouwen hebben onderling een wisselende voorgevelrooilijn. De bebouwing varieert in omvang en hoogte. De oudere bedrijfspanden hebben overwegend een utilitaire uitstraling waarbij de bebouwing overwegend op functionele gronden vorm heeft gekregen. Op het oudste deel van Vosdonk zijn panden die een verouderde indruk maken, bijvoorbeeld door slijtage van gevelmateriaal of vervaging van kleuren. In de meer recente uitbreidingen van het bedrijventerrein Vosdonk is uitdrukkelijk aandacht besteed aan de architectonische verschijning van het bedrijfspand. Vaak is bewust aandacht besteed aan architectuur als afspiegeling van het imago van het bedrijf. Gebied Attelaken is recent gebouwd. De bedrijfsbebouwing geeft een relatief eenduidig beeld. Dit is bereikt door de stedenbouwkundige voorschriften en de ontwikkeling binnen een korte tijdsperiode. Hetzelfde geldt voor de Voorsteven. Bebouwing in hoofdlijnen. Kenmerkend voor de bedrijfsbebouwing in het algemeen is de eenvoudige doos als hoofdvorm. De uitwerking kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Het overgrote deel van de bebouwing heeft een rechthoekige plattegrond. Enkele gebouwen hebben een afwijkende verschijningsvorm (bijvoorbeeld een ronde gevel). De verschillen in uitwerking zeggen vaak iets over de aard en het imago van het bedrijf, de logistieke processen en de mate van toegang. Dit draagt bij aan een gevarieerd en leesbaar beeld van het bedrijventerrein. De vorm van de kap varieert, waarbij platte daken, sheddaken en zadelkappen (met een lichte hellingshoek) het meest voorkomen. De gevels zijn vaak grotendeels gesloten. Grote bedrijfsdeuren maken een belangrijk onderdeel uit van de gevel. Gebouwen met een kantoorfunctie of commerciële functie zijn vaak voorzien van raampartijen. Waar grote gevelvlakken voorkomen, vindt vaak geleding plaats door variatie in materiaalgebruik en reliëf. Detaillering, kleur en materiaal. Het gebruikte gevelmateriaal is divers en bestaat veelal uit een combinatie van materialen, zoals baksteen, industriële plaatmaterialen en glas. De bedrijfsgebouwen vertonen een grote variatie aan kleuren. De basiskleur is over het algemeen wit of grijs, maar ook rood, blauw en aardetinten komen voor. Een aantal bedrijfsgebouwen heeft reclame aan de gevel, maar deze is in het algemeen niet bepalend voor het beeld van het bedrijventerrein. De detaillering van de bebouwing is doorgaans sober en functioneel. Waardering. Waardevol is de heldere structuur van de bedrijventerreinen, waarbij de hoofdroutes duidelijk herkenbaar zijn. Daarnaast schuilt de waarde in de verschijningsvorm van de afzonderlijke panden en de variatie tussen de bedrijfspanden onderling. In meer recente plannen is duidelijk afleesbaar dat bewust aandacht is geschonken aan de architectonische verschijning van de bedrijfspanden hetgeen positief wordt gewaardeerd. De inrichting en het gebruik van de voorterreinen voor opslag en/of parkeren heeft een negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit. Dit geldt eveneens voor de grote verscheiden– heid van de utilitaire omheiningen aan de voorzijde. Ook de zichtbare veroudering van enkele gebouwen op de oudere delen van de bedrijventerreinen heeft een negatieve invloed op de waardering. De architectonische kwaliteit van de bebouwing aan de belangrijkste routes door het gebied, de ontsluitingswegen en de buitenranden is in hoge mate bepalend voor het totaalbeeld en het imago van de bedrijventerreinen. Het welstandsbeleid is vooral hierop gericht. Bij de meer naar binnen gerichte gebieden en achterkanten heeft het welstandstoezicht een minder hoge prioriteit. Bij de bebouwing aan de belangrijke routes wordt verwacht dat architectuur bewust wordt ingezet als afspiegeling van het bedrijf (imago, functie, openbaarheid). Extra aandacht wordt gevraagd voor de inrichting voor de voorterreinen daar deze in sterke mate beeldbepalend is. Welstandsniveaus: Regulier. Dit welstandsniveau geldt voor: Alle locaties aan de volgende hoofdroutes: Snelweg A58, Vosdonk, Nijverheidsweg, Mon Plaisir, spoorlijn, Vossendaal, Hoevenseweg, Klompenmakerstraat en Voorsteven. Bebouwing op deze locaties die vanaf de openbare weg niet of slechts op grote afstand zichtbaar zijn (meer dan 40 m) vallen onder het welstandsniveau ‘laag’. Laag. Dit welstandsniveau geldt voor: Niet direct vanaf de openbare weg zichtbare bebouwing. Bebouwing die slechts op grote afstand van de openbare weg waarneembaar is (meer dan 40 m) Locaties die niet zijn gelegen aan de genoemde hoofdroutes. Welstandscriteria 7– Bedrijventerreinen, regulier welstandsniveau. Bebouwing en omgeving. – Het gebouw gaat een relatie aan met de straat. – (Vervangende) nieuwbouw sluit aan op het bestaande verkavelings– en bebouwingspatroon. – Bij (vervangende) nieuwbouw heeft de bebouwing een representatieve uitstraling. – Bij (vervangende) nieuwbouw zijn representatieve gebouwfuncties, zoals de entree, kantoorruimtes, showroom etc. georiënteerd op de straat. – Bij (vervangende) nieuwbouw is het gebied tussen het gebouw en de straat representatief ingericht. Groenbeplanting maakt hier deel van uit. Massa en vorm. De hoofdvorm van het gebouw is doosvormig. De dakvorm past bij de functie van het gebouw. Mogelijk zijn (een combinatie van) plat dak, sheddak, lessenaarkap of een licht gebogen dak. Veranderingen of toevoegingen aan of bij een gebouw zijn in dezelfde architectuur als de architectuur van het hoofdgebouw. Bij (vervangende) nieuwbouw worden grote gesloten gevelvlakken vermeden of verlevendigd door de inbreng van verticale en/of horizontale architectonisch ontworpen elementen. Het enkel toepassen van meerdere kleuren binnen een gevelvlak is niet afdoende om gesloten gevelvlakken te doorbreken. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. Materiaalgebruik is vrij, structuur of reliëf in de gevel is onderdeel van de architectuur. De basiskleur per gebouw is die van de gebruikte materialen. Kleuraccenten zijn beperkt toegestaan en enkel om het bedrijfsimago tot uiting te brengen. Bij (vervangende) nieuwbouw is het gebruik van kleur onderdeel van het ontwerp. Gevels van gebouwen die grenzen aan het buitengebied hebben een overwegend donkere kleurstelling. Ter indicatie: uitgedrukt in grijstinten wordt RAL kleur 7005 als ondergrens van de donkere tinten gezien. De detaillering is eenvoudig. Bij (vervangende) nieuwbouw is de reclamevoering onderdeel van het ontwerp. Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Welstandscriteria 7– Bedrijventerreinen, laag welstandsniveau. Bebouwing en omgeving. Bij (vervangende) nieuwbouw gaat het gebouw een relatie aan met de straat. Bij (vervangende) nieuwbouw zijn de representatieve functies, zoals entree, kantoorruimtes, showroom etc. georiënteerd op het openbaar gebied. Massa en vorm. De hoofdvorm van het gebouw is doosvormig. De architectonische uitstraling van het gebouw is eenduidig. De opzet en uitwerking van het gebouw is eenvoudig. Veranderingen of toevoegingen aan of bij het gebouw zijn in dezelfde architectuur als de architectuur van het hoofdgebouw. Afwijkende bebouwing is mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. Detaillering, kleur en materiaal. Materiaalgebruik is vrij. Er is sprake van eenduidig materiaalgebruik en kleur per gebouw. Kleuraccenten zijn beperkt toegestaan en enkel om het bedrijfsimago tot uiting te brengen. De detaillering is eenvoudig. Afwijkingen ten aanzien van detaillering, kleur en materiaal zijn mogelijk mits met respect voor de oorspronkelijke kwaliteit van de omgeving en architectuur. 3.98– Bedrijventerreinen met bedrijfswoningen. 3.98– Bedrijventerreinen met bedrijfswoningen. Gebied in hoofdlijnen. Het bebouwingsbeeld op deze bedrijventerreinen wordt bepaald door de bedrijfswoningen. De bedrijfswoningen staan op onderling vergelijkbare afstand en staan met de voorgevel in de rooilijn. Dit zorgt voor een geordend straatbeeld. De woningen zijn georiënteerd op de straat. De erfafscheiding aan de voorkant bestaat voornamelijk uit hagen in combinatie met diverse lage hekwerken. Voor de hekwerken wordt gebruik gemaakt van steen en/of staal in zowel donkere als lichte kleurstelling. Bebouwing in hoofdlijnen. De individuele bedrijfswoning is bepalend voor de massa die zichtbaar is vanaf het openbaar gebied. De bedrijfsgebouwen die een ruimere omvang hebben, staan op de achtergrond. De bedrijfsgebouwen zijn doorgaans doosachtige volumes, voorzien van een plat dak of een zadelkap met lichte hellingshoek. In hoogte variëren ze van 1 tot 2 bouwlagen. De woningen hebben overwegend een eenduidige vorm en een traditionele uitstraling. Een rechthoekige plattegrond is gecombineerd met een zadelkap. In enkele gevallen is sprake van een asymmetrische kap, een schildkap, toepassing van wolfseinden komt ook voor bij de oudere bedrijfswoningen. Meer eigentijdse vormen zoals kubistisch komen voor in nieuw ontwikkelde bedrijvenlocaties. De locaties waar overwegend zadelkappen voorkomen zorgen voor een karakteristiek en eenduidig straatbeeld. In enkele gevallen is sprake van samengestelde volumes en