Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2023De raad van de gemeente Apeldoorn; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 29 november en nummer 4475892; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het uitvoeringsbesluit Wmo en de handreiking landelijke toegang maatschappelijke opvang, december 2014, en de handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen, november 2016; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Apeldoorn van 2 november 2022; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn. besluit vast te stellen de Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2023 Opmerkingen met betrekking tot de regeling Deze regeling vervangt de Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2022 Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Afschrijvingstermijn: de periode waarover een voorziening economisch wordt afgeschreven; Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Andere voorziening: een voorziening anders dan in het kader van de wet; Beschermd Thuis: Beschermd wonen zoals bedoeld in de wet (intramuraal verblijf in een 7x24 uurs woonvoorziening), maar ook beschermd wonen in een tussenvorm of zelfstandig in de wijk (zie toelichting bij dit artikel voor een nadere duiding van de varianten). Budgethouder: de inwoner aan wie een maatwerkvoorziening is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget; CAK-periode: een termijn van een maand die gehanteerd wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) bij de inning van de eigen bijdrage waarbij een jaar 12 perioden kent; Dienst: een voorziening die niet tastbaar is, niet beet te pakken of aan te raken zoals huishoudelijke hulp, begeleiding, respijtzorg, vervoer en dagbesteding; Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; Gesprek: een gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 4 van deze verordening, dat gedaan moet worden als bij het college een hulpvraag is gemeld; Gewaarborgde regievoerder: door de inwoner ingeschakelde derde, die aanspreekbaar en bereid is verantwoordelijk gehouden te worden voor de feitelijke nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen conform het begrip gewaarborgde hulp. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn feitelijke vaste woon- en verblijfplaats heeft; Hulpvraag: een aan het college gerichte vraag om maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Inwoner: de cliënt die gebruik maakt en/of gebruik wil maken van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. Nibud: het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; Onderzoeksverslag: een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek na melding van de hulpvraag. Participatieladder: een meetinstrument voor het bepalen van de mate van participatie in de samenleving van een betrokkene, en daarmee de afstand tot de arbeidsmarkt. Partner: Wat is een partner die meetelt voor de eigen bijdrage? Bij het bepalen van de eigen bijdrage voor de Wmo wordt er rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de inwoner. In de volgende situaties heeft de inwoner een partner die meetelt voor de eigen bijdrage: De inwoner is getrouwd. De inwoner heeft een geregistreerd partnerschap. De inwoner leeft samen en vormt een ‘gezamenlijk huishouden’ met iemand. Dat wil zeggen: De inwoner is het grootste deel van de tijd samen in een woning. Er wordt voor elkaar gezorgd, financieel en/of medisch. Een gezamenlijk huishouden bestaat uit niet meer dan 2 personen. Persoonlijk plan: een beschrijving van de inwoner van zijn omstandigheden en welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is; Pgb: persoonsgebonden budget; Pgb-plan: een plan van de inwoner waarin hij de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt; het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener. UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen; Vertegenwoordiger: is bijvoorbeeld de curator, de mentor of een gevolmachtigde. Werkt Mee: Werkt Mee is een maatwerkvoorziening op het gebied van arbeid waarbij o.a. op grond van de Wmo passende werkzaamheden wordt aangeboden aan een inwoner inclusief de bijbehorende begeleiding. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel2Melding 1.Een hulpvraag kan door of namens een inwoner bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek bedoeld in artikel 4 van deze verordening. 4.Voordat het onderzoek van start gaat, brengt het college de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt het hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Het college betrekt het plan bij zijn onderzoek. Artikel3Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. 2.Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning inclusief de mogelijkheid zich tijdens het gesprek te laten bijstaan. Artikel4Onderzoek 1.Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek en wordt gevoerd met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger of cliëntondersteuning, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen; 2.Er vindt door het college een onderzoek plaats naar de noodzaak van ondersteuning. De volgende onderdelen vormen de basis van het gesprek: wat de hulpvraag is; welke problemen de inwoner ondervindt bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.; welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving.; in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning bieden. Te beoordelen of de mogelijkheden onder sub d ontoereikend zijn en er een noodzaak is om een maatwerkvoorziening te verlenen; Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 3.Bij het onderzoek wordt meegewogen: welke hulp passend is bij de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; de mogelijkheden op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan wonen/verblijf; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan wonen/verblijf; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening en ander voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan wonen/verblijf; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan wonen/verblijf; 4.Het onderzoek moet resulteren in: vastlegging van het beoogde doel van het verzoek om ondersteuning. vastlegging welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn; 5.De inwoner of zijn vertegenwoordiger verschaft het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de inwoner op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 6.Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 7.Het college informeert de inwoner over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 8.Als dit naar het oordeel van het college nodig is voor het onderzoek, kan het college, in het kader van de medewerkingsplicht op grond van de Wmo, de inwoner, zijn mantelzorger, vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 9.Het college geeft de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Artikel5Aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk, elektronisch of mondeling ingediend bij het college. 2.Als een inwoner dat wenst, wordt een door of namens de inwoner ondertekende weergave van de uitkomsten van het onderzoek gezien als aanvraag. 3.Uit de aanvraag blijkt welke ondersteuning wordt aangevraagd door de inwoner en welk doel deze ondersteuning dient. Artikel6Criteria voor maatwerkvoorzieningen in natura en pgb 1.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: eigen kracht; gebruikelijke hulp; mantelzorg; hulp van andere personen uit het sociale netwerk; algemeen gebruikelijke voorzieningen; algemene voorzieningen; andere voorzieningen. 2.Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: eigen kracht; gebruikelijke hulp; mantelzorg; hulp van andere personen uit het sociale netwerk; algemene voorzieningen; of andere voorzieningen. 3.Bij het onderzoek of een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie weegt het college mee of de inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs had kunnen voorzien. 4.Maatwerkvoorzieningen, niet zijnde een dienst, kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. 5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. 6.Het college kan nadere regels opstellen over de bepalingen in deze verordening. Artikel6aAanvullende criteria voor Maatschappelijke opvang 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 6 kan een cliënt in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als hij: feitelijk dakloos is; niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke dakloosheid op kunnen heffen. uit verricht onderzoek van de gemeente Apeldoorn is gebleken dat een vervolgtraject in de regio Oost-Veluwe het best past bij het (maatschappelijk) herstel van de inwoner. Artikel6bAanvullende criteria voor Beschermd Thuis 1.Het college kan de inwoner in aanmerking laten komen voor beschermd thuis indien de inwoner: is aangewezen op een beschermde woonomgeving ter voorkoming van verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen; er sprake is van complexe psychosociale of psychiatrische problematiek; niet in staat is om zichzelf op eigen kracht te handhaven in de samenleving; niet geholpen is met ondersteuning vanuit voorliggende en algemene voorzieningen aangevuld met ambulante maatwerkvoorzieningen al dan niet gecombineerd met respijtverblijf of een tijdelijk terugvalverblijf; binnen redelijke termijn zichzelf weer op eigen kracht zou kunnen handhaven in de samenleving zonder beschermde woonomgeving. 2.Het college kan de inwoner in aanmerking laten komen voor tijdelijk intramuraal verblijf bij een instelling waarbij er 24/7 begeleiding beschikbaar is op de locatie indien de inwoner: niet geholpen is met reeds ingezette ambulante maatwerkvoorzieningen vanuit een beschermde woonomgeving waardoor de leefsituatie instabiel is geworden ADL-taken niet meer zelfstandig kan uitvoeren en de regie overgenomen moet worden is aangewezen op 24/7 toezicht in de nabijheid omdat verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijk overlast of gevaar voor inwoner en anderen niet meer afgewend kan worden in de huidige leefsituatie Artikel6c:soorten woonvoorzieningen 1.Een woonvoorziening kan bestaan uit: Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, hierna: woningaanpassing; Een niet bouwkundige of niet woontechnische roerende voorziening, hierna roerende woonvoorziening; Artikel 6d: primaat van verhuizing 1.Indien een woonvoorziening als bedoeld in artikel 6c onder a of b is geïndiceerd en de kosten van de voorziening boven € 10.000,- uitstijgen, moet de inwoner in beginsel omzien naar andere adequate of op goedkopere wijze adequaat te maken woonruimte; 2.Zijn de kosten van de gevraagde woonvoorzieningen in totaal lager dan € 10.000,-, dan kan het primaat van verhuizen buiten toepassing blijven indien: de aanpassing redelijkerwijs voor de komende 5 jaren een adequate oplossing is; niet meer grotere aanpassingen te verwachten zijn voor de komende 5 jaren; indien de situatie van de inwoner niet voldoet aan deze voorwaarden dan wordt onderzocht of een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt kan worden; indien er een urgent probleem in de woonsituatie is ontstaan, wordt onderzocht of er ter overbrugging maatregelen getroffen dienen te worden tot verhuizing geregeld is. 3.Wanneer het primaat van verhuizen wordt toegepast, kan aan de inwoner een voorziening als bedoeld in artikel 20 worden toegekend. 4.Bij het toepassen van het primaat tot verhuizen zullen onder andere de volgende aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, zoals een kostenvergelijking en woonlastenconsequenties; termijn waarop een andere, meer passende woning volgens een door het college gesteld programma van eisen beschikbaar komt; aanwezigheid van mantelzorg (o.a. frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week) en gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger; gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk; de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; de snelheid waarmee het woonprobleem moet en kan worden opgelost; de werksituatie; is de inwoner huurder of eigenaar van de woning; de wil van de inwoner om te verhuizen; volkshuisvestelijke afwegingen. Artikel6e.Aanvullende criteria voor woningaanpassing 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 6 c kan een inwoner in aanmerking komen voor een voorziening tot woningaanpassing indien: de inwoner aantoonbare beperkingen heeft bij normaal gebruik van zijn woning, en aantoonbaar alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen. een verhuizing niet mogelijk of niet de goedkoopst compenserende oplossing is. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 6 en 6c wordt een voorziening tot woningaanpassing slechts verleend indien: niet reeds een begin met de werkzaamheden is gemaakt zonder schriftelijke toestemming van het college; voor deze bouwkundige of woontechnische aanpassing een omgevingsvergunning is verleend, indien van toepassing; de door het college aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woning waar de bouwkundige of woontechnische aanpassing wordt verricht op basis van de schriftelijke toestemming onder a.; aan de onder c. genoemde personen inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, die betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische aanpassing. het een woning betreft die bestemd is voor permanente bewoning en de inwoner hier zijn hoofdverblijf heeft, tenzij het om deeltijdverblijf Wlz gaat en is voldaan aan de criteria 3.Er wordt slechts een voorziening tot het bezoekbaar maken van een woning verstrekt indien: de bezoeker de woning regelmatig bezoekt; de aan te passen woning in de gemeente Apeldoorn staat; niet eerder in de gemeente Apeldoorn een woning voor de bezoeker bezoekbaar is gemaakt; de kosten niet meer bedragen dan het in bijlage 1 vastgestelde maximum. Artikel6fAanvullende criteria woonvoorzieningen 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 6 worden de kosten voor onderhoud, keuring of reparatie van een woonvoorziening verstrekt indien: de inwoner ten tijde van het onderhoud, de keuring of de reparatie de woning als hoofdverblijf bewoont; of de inwoner zijn hoofdverblijf elders heeft, maar de woning frequent bezoekt en de aanpassingen in het verleden door het college zijn verstrekt. 2.Het bedrag voor onderhoud, keuring en reparatie wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst compenserende voorziening. 3.De kosten voor tijdelijke huisvesting omvatten de werkelijke kosten gedurende maximaal zes maanden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een zelfstandige en een onzelfstandige woning. De tegemoetkoming wordt per maand verstrekt en tot maximaal de bedragen zoals vermeld in bijlage 1. 4.De kosten voor het verwijderen van woonvoorzieningen worden vergoed indien: de woning langer dan zes maanden leeg staat, tenzij bekend is dat binnen een periode van drie maanden na het verstrijken van de termijn van zes maanden een inwoner in aanmerking voor de woning zal komen; de woningaanpassingen zo specifiek zijn dat het door de aanwezigheid van de voorzieningen niet mogelijk is om de woning aan een niet-gehandicapte inwoner te verhuren; het een traplift betreft die in bruikleen is verstrekt; de voorziening op verzoek van het college verwijderd wordt, zodat deze opnieuw (elders) ingezet kan worden. 5.De kosten voor het vroegtijdig vervangen van vloer- en raambedekking of het overhuizen en op maat maken van bestaande vloer- en raambedekking worden vergoed als uit onderzoek blijkt dat er een medische noodzaak is, tenzij de kosten gemaakt worden ten gevolge van een niet noodzakelijke of niet adequate verhuizing. 6.De kosten voor het vervangen van vloer- en raambedekking wordt berekend aan de hand van de benodigde oppervlakte en de richtprijs voor vinyl van het Nibud. Artikel6gAanvullende criteria voor lokaal verplaatsen Onverminderd het bepaalde in artikel 6 wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingsbehoeften in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. Artikel6hAanvullende criteria voor huishoudelijke hulp Onverminderd het bepaalde in artikel 6 wordt voor de individuele maatwerkvoorziening huishoudelijk hulp gebruik gemaakt van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019. Artikel6iBegeleiding individueel 1.Een inwoner kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding individueel als hij ondersteuning nodig heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie in het dagelijks leven. 2.Dit in relatie tot één of meerdere van de volgende criteria: Er is professionele kennis en kunde nodig vanwege de psychosociale en/of lichamelijk problemen die de inwoner ervaart in het dagelijks leven; Er professionele ondersteuning in de thuissituatie nodig is gericht op het aanleren, vasthouden of vergroten van de zelfredzaamheid en participatie; Er formele ondersteuning nodig is gericht op het behouden van vaardigheden en taken in het dagelijks leven, waarbij er periodiek in de gaten wordt gehouden of resultaten zijn behaald en of ondersteuning nog nodig is. Artikel6jBegeleiding groep 1.Een inwoner met een verstandelijke, zintuiglijke, lichamelijke en/of psychische of geriatrische (dementie) beperking bij wie sprake is van een zelfredzaamheidsvraagstuk kan in aanmerking komen voor Begeleiding groep indien hij niet in staat is: aangepast werk of vrijwilligerswerk zelfstandig te verrichten of deel te nemen aan Werkt Mee. 2.Begeleiding groep bestaat uit activiteiten in groepsverband die overdag plaatsvinden op een locatie buiten de woonsituatie en die, afhankelijk van de persoonskenmerken van de inwoner en het in te zetten product, gericht zijn op: het trainen en/of onderhouden van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden; het bevorderen van de cognitieve en/of fysieke zelfredzaamheid of vertragen van de achteruitgang daarvan; het ontlasten van de mantelzorger of de persoon die gebruikelijke hulp levert; het bieden van structuur; het bevorderen van het fysiek en mentaal welbevinden en een gezonde leefstijl; het ontmoeten van anderen in het kader van bestrijding van eenzaamheid. 3.Om in aanmerking te komen voor Begeleiding groep geldt de voorwaarde dat de inwoner zich bevindt op trede 2 (Ontmoeten) van de participatieladder en zich naar verwachting niet kan ontwikkelen naar een hogere trede op de participatieladder. Artikel6kWerkt Mee 1.Om in aanmerking te komen voor Werkt Mee gelden de volgende voorwaarden: de inwoner bevindt zich op trede 2 (ontmoeten) en kan zich in zes maanden ontwikkelen naar een hogere trede of bevindt zich op trede 3 (bijdrage leveren) of 4 (onbetaald werk) van de participatieladder; de inwoner vraagt om ondersteuning bij het vergroten van de regie op het terrein van werk en opleiding; en de inwoner wil een bijdrage leveren aan de maatschappij. Artikel7Weigeringsgronden 1.Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt indien: de inwoner geen ingezetene is van of zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Apeldoorn of; de voorziening voor de inwoner algemeen gebruikelijk is; het gebruik van een voorziening voor de inwoner zelf of voor derden onveilig is of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of niet voldoet aan de kwaliteit zoals opgenomen in artikel 3.1 van de Wet. de inwoner zich bewust in een situatie heeft gebracht waarin hij, al dan niet opnieuw, aanspraak moet maken op een voorziening of als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten door vroegtijdige vervanging van de voorziening; de voorziening uitsluitend therapeutische doeleinden heeft; de inwoner de gevraagde voorziening 6 maanden voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten op het moment van de melding achteraf niet meer kan worden beoordeeld. Of als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en voor de datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college uitdrukkelijk daarvoor schriftelijke toestemming heeft gegeven; aannemelijk is of er al recht bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling; deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij collectief vervoer, het huishouden of begeleiding. er geen compensatieplicht resteert omdat de inwoner de beperkingen weg kan nemen op grond van eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligerswerk of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; de inwoner de beperkingen weg kan nemen met gebruikmaking van algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen; het niet aangemerkt wordt als de goedkoopste passende voorziening. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt indien: de inwoner zijn medewerking niet verleent aan een onderzoek zoals genoemd in artikel 2.3.2 lid 1. die redelijkerwijs nodig is om te beoordelen of en in welke mate de inwoner zelfredzaam is en in welke mate de inwoner kan participeren in de samenleving. 2.Voor maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie geldt daarnaast dat deze alleen kan worden toegekend voor zover: de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. de beperkingen het gevolg zijn van een lichamelijke, geestelijke, verstandelijk oorzaak, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem; de noodzaak tot ondersteuning voor inwoner niet redelijkerwijs vermijdbaar is geweest. 3.De weigeringsgrond genoemd in het eerste lid, onder a is niet van toepassing op maatschappelijk opvang/verblijf. Artikel8Algemene regels voor pgb 1.Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. De inwoner dient ter toetsing een pgb-plan in. 2.Binnen het toegekende pgb dienen de gestelde doelen uit het onderzoeksverslag binnen de in de beschikking genoemde periode te worden behaald, tenzij zich nieuwe omstandigheden voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de resultaten. 3.Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel en wordt uitbetaald per feitelijk geleverde uren, niet zijnde maandloon. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 7 wordt een pgb geweigerd als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet. 5.Een pgb mag niet worden aangewend: voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland langer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periode langer dan zes weken, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college; voor bemiddelings- of administratiekosten, coördinatie, voortgezette diagnostiek, tussenpersonen of belangenbehartiging; voor het inkopen van voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten en voorzieningen; voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; en voor kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb. voor werkgeverslasten; voor bijzondere kosten; voor bijkomende zorgkosten. 6.Gewaarborgde regievoerder: De gewaarborgde regievoerder voldoet aan de volgende vereisten: De gewaarborgde regievoerder is een natuurlijk persoon uit het sociale netwerk van de inwoner of is zijn vertegenwoordiger. De gewaarborgde regievoeder is niet de hulpverlener en geen familielid in de eerste graad of tweede graad, huisgenoot, of medewerker van de hulpverlener, tenzij het gaat om huishoudelijke hulp die wordt geleverd door een familielid in de eerste graad of tweede graad. De inwoner die een gewaarborgde regievoerder inschakelt, verstrekt het college desgevraagd of uit eigen beweging direct: de naam en het adres van de regievoerder; de verklaring gewaarborgde regievoerder die de inwoner of zijn vertegenwoordiger samen met de beoogd regievoerder hebben ingevuld en ondertekend. een pgb wordt geweigerd als de inwoner niet in staat is regie te voeren en de beoogde regievoerder onvoldoende waarborg kan bieden voor het nakomen van de voor de inwoner aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen Artikel9Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over een AGB code en de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over een AGB code en de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. Indien er sprake is van intramuraal verblijf beschikt de instelling over een locatie met een voor de zorg passende bestemming, waar meerdere inwoners verblijven en waar sprake is van permanent toezicht en een beschermde woonomgeving 3.Informele hulp is: hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van inwoner horen. 4.Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp met een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: is de informele hulp in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het onderzoeksverslag benodigd is; de belastbaarheid van de mantelzorger en/of informele hulp; er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting; de inwoner of de vertegenwoordiger, gewaarborgde regievoerder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit; de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten. 5.Bij de vaststelling van de hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst wordt ook het door de inwoner op te stellen pgb-plan betrokken, waarin in ieder geval uiteengezet wordt: welke diensten die tot de maatwerkvoorziening behoren de inwoner van het budget wil betrekken; indien van toepassing welke hiervan de inwoner wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; de kosten van de dienst, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 6.De hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst: wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten van derden te betrekken; de benodigde ondersteuning moet tenminste bij één aanbieder in te kopen zijn; wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst compenserende oplossing voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura; wordt voor de informele hulp van 21 jaar en ouder vastgesteld conform de maximumtarieven zoals opgenomen in bijlage 1. is voor de informele hulp jonger dan 21 jaar gelijk aan het wettelijk minimumjeugdloon inclusief vakantietoeslag. 7.In afwijking van het gestelde in het zesde lid, onder b, wordt de kostprijs van de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening vergoed als uit het onderzoek is gebleken dat de inwoner een andere vorm van ondersteuning nodig heeft dan het college in natura heeft ingekocht. Artikel10Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst 1.De maximale hoogte van een pgb voor maatwerkvoorzieningen niet zijnde een dienst wordt vastgesteld op basis van de aanschafprijs van de goedkoopst compenserende voorziening die het college in natura zou verstrekken, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting. 2.Achteraf en op declaratiebasis wordt tevens een bedrag verstrekt voor onderhoud, reparatie en een WA-verzekering als deze verplicht is. Het totaalbedrag is gebaseerd op maximaal de kosten die het college maakt voor onderhoud, reparatie en WA-verzekering wanneer een vergelijkbare voorziening in natura verstrekt wordt. 3.Indien de inwoner een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt: wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb; wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb het pgb voor onderhoud, reparatie en indien verplicht een WA-verzekering voor de nog niet verstreken termijn verrekend met het nieuw toe te kennen bedrag. Artikel11Inhoud beschikking 1.Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. 2.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt; de ingangsdatum en duur van de verstrekking; of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: voor welk doel het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden; hoe de besteding van de pgb verantwoord moet worden; en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Artikel12Bijdrage in de kosten en bijdrage in de onkosten van algemene voorzieningen 1.Er wordt geen bijdrage in de kosten van een algemene voorziening gevraagd; 2.Een inwoner met een Wmo-indicatie ontvangt korting op het gebruik van de wasservice met dien verstande dat de inwoner per was van 5,5 kg maximaal het geldende Nibud tarief betaalt zoals is opgenomen in bijlage 1. De korting geldt voor een eenpersoonshuishouden voor één was per week en voor een twee- of meerpersoonshuishouden voor twee wassen per week. 3.Een aanbieder van een algemene voorziening kan onkosten in rekening brengen bij de inwoner voor het nuttigen van consumptieve goederen en het gebruik van materiaal. Deze kosten mogen niet hoger zijn dan de redelijkerwijs vastgestelde kostprijs van het desbetreffende product. Daarbij mag afname van deze producten niet verplicht worden gesteld aan de inwoner die van een desbetreffende algemene voorziening gebruik maakt (geen gedwongen winkelnering). Het bedrag dat genoemd is in het tweede lid is uitgedrukt in het prijspeil van juli 2019 en wordt ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van de richtprijs van het Nibud. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20. Artikel13Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen in natura en pgb 1.Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb, zolang de maatwerkvoorziening is toegekend. 2.De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 3.De kostprijs voor een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 4.Als een maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen; en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner. 5.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura en pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 6.De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor intramuraal verblijf Beschermd Thuis, zolang de inwoner van deze maatwerkvoorziening gebruikt maakt. De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de inwoner en zijn of haar eventuele partner . 7.De bijdrage is niet verschuldigd: indien de inwoner of de partner van de inwoner een bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verschuldigd is; indien de inwoner of zijn partner gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de bijdrageperiode in een instelling voor maatschappelijke opvang verblijft; indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het AMHK, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; voor een rolstoel; voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van woningaanpassingen; door de gehuwde inwoner of de gehuwde inwoners tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de inwoner; indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een inwoner die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente; indien het inkomen van de inwoner niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c, van de Participatiewet (deze uitzondering is niet van toepassing op ‘Wonen/ Verblijf’); voor autokosten; voor eenmalige verhuiskostenvergoeding. voor crisisopvang; voor respijtzorg thuis, basis en complex. voor Werkt mee. Artikel14Ritbijdrage collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer 1.Voor het gebruik van het collectief vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd die bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief, waarvan de tarieven zijn opgenomen in bijlage 1. 2.Er wordt een onderscheid gemaakt in het tarief voor lokaal en bovenlokaal verplaatsen: lokaal verplaatsen: in het vervoergebied van maximaal 20 kilometer om het woonadres van de reiziger is het kilometertarief en het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart kilometertarief en opstaptarief van de openbaar vervoerconcessies die liggen in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen; bovenlokaal verplaatsen: in het vervoergebied 20 tot en met 40 kilometer om het woonadres van de reiziger is het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart opstaptarief en het kilometertarief is gebaseerd op het commercieel tarief. 3.Minderjarigen van 4 jaar tot 12 jaar met een Wmo-vervoerpas krijgen op de genoemde ritbijdragen een procentuele korting zoals vermeld in bijlage 1. 4.Voor het collectief traject vervoer ten behoeve van een maatwerkvoorziening worden de volgende ritbijdragen gerekend: voor het vervoer naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening betaalt de reiziger geen ritbijdrage; voor de onder a geïndiceerde trajecten geldt een kilometertarief en een opstaptarief dat gelijk is aan de tarieven, genoemd in het tweede lid. 5.Voor de aanschaf van de Wmo-vervoerspas wordt, ook bij diefstel of verlies, een bedrag in rekening gebracht, zoals opgenomen in bijlage 1. 6.Voor het reizen met het collectief traject vervoer ten behoeve van is het hebben van een Wmo-vervoerpas niet verplicht. 7.Een begeleider die op medische of sociale indicatie meereist, betaalt geen ritbijdrage. 8.Voor reizen met het individueel (rolstoel)taxi- kilometerbudget geldt een ritbijdrage, zoals vermeld in bijlage 1. Artikel15Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning zorg in natura en persoonsgebonden budget 1.De aanbieder is verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van de voorziening. Dat betekent dat: de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd; de voorziening kwalitatief voldoet aan hetgeen bepaald is in de wet en in de door het college vastgestelde, meest recente voorwaarden voor de inkoop Maatschappelijke Ondersteuning en Beschermd Wonen; de voorziening beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk die voor zover noodzakelijk/gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiende uit de professionele standaard; de voorziening vanuit meervoudig perspectief is afgestemd op de behoefte van de inwoner en op andere vormen van zorg, ondersteuning of hulp die de inwoner ontvangt; de voorziening is verstrekt in overeenstemming met de op de aanbieder rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; de voorziening is verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de inwoner; de aanbieder er zorg voor draagt dat beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met inwoners van de aanbieder in contact kunnen komen in het bezit zijn van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens; bij het uitvoeren van de gevraagde dienstverlening alleen personeel wordt ingezet dat beschikt over de competenties, de opleiding en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren; de aanbieder ervoor verantwoordelijk is dat personeel continu wordt opgeleid en bijgeschoold op basis van relevante ontwikkelingen met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden; de aanbieder voor zover van toepassing, erop toe ziet dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Op de aanbieder die zelf hulp aan een inwoner verleent zijn de eisen die in het eerste lid onder g tot en met j aan het personeel of beroepskrachten worden gesteld, van overeenkomstige toepassing; 3.Een informele hulpverlener is verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van de voorziening. Dat betekent dat de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd. Met oog op de genoemde veiligheid is een vereiste dat de informele hulp een verklaring omtrent gedrag dient te overleggen. Tenzij het om een familielid in de eerste graad of tweede graad gaat. 4.Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner al dan niet ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 5.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerk-voorzieningen in natura en pgb met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel16Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel17Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen in natura en pgb en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1.Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college na onderzoek vaststelt dat: de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen; de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; de inwoner verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; de inwoner niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden; of de inwoner de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt. 3.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan, opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening. 4.Bij het tussentijds wegvallen van de noodzaak tot de maatwerkvoorziening of aan het einde van de verstrekking van een voorziening, wordt de voorziening door of namens het college ingenomen 5.Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan de voorziening worden teruggevorderd. 6.Indien door inwoner of aanbieder niet of niet tijdig medewerking wordt verleend aan een onderzoek naar misbruik en oneigenlijk gebruik dan kan het college daartegen op basis van artikel 5:20 Awb handhavend optreden. Artikel18Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onder d. 3.Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt, schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel19Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Mantelzorgers van inwoners in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht; 2.De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 100,-. 3.Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Artikel20Financiële tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten 1.Er wordt een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. De tegemoetkoming bestaat uit een vast bedrag, zoals opgenomen in bijlage 1. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 7 wordt een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten geweigerd indien: betrokkene verhuist naar een woning die niet bestemd is voor permanente bewoning; betrokkene niet is verhuisd naar de voor hem op dat moment meest geschikte en beschikbare woning; de verhuizing niet bijdraagt aan het opheffen of verminderen van de beperkingen; betrokkene verhuist naar een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg; betrokkene verhuist vanuit een geschikte woning; de kosten voor het aanpassen van de woning lager zijn dan de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; de kosten voor verhuizing en herinrichting voor de inwoner als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Artikel21Financiële tegemoetkoming kosten lokaal verplaatsen 1.Een tegemoetkoming in de kosten voor een aangepaste auto of bus is afgeleid van het bedrag dat het UWV hanteert voor een referentieauto. Uitsluitend de meerkosten boven dit bedrag komen voor tegemoetkoming in aanmerking. De hoogte staat vermeld in bijlage 1. De tegemoetkoming kan bestaan uit de meerkosten voor de aanschaf van deze auto of bus, en de kosten voor het aanpassen van deze auto of bus. 2.De tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto of vervoer door derden voor lokale verplaatsingen is opgenomen in bijlage 1 met een bedrag per kilometer. 3.Een tegemoetkoming in de kosten voor een autoaanpassing, wanneer gebruik van het collectief vervoer wel mogelijk is, bestaat uit de werkelijk te maken kosten rekening houdend met het bedrag genoemd in bijlage 1. Deze tegemoetkoming wordt in de regel niet vaker dan eenmaal in de zeven jaar verstrekt. Artikel22Financiële tegemoetkoming kosten sporthulpmiddelen 1.Het hulpmiddel wordt alleen verstrekt als: een inwoner in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel of een verplaatsingsmiddel; het beoefenen van de sport uitsluitend mogelijk is met een aan de beperking aangepast/aanpasbaar hulpmiddel, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk. er sprake is van een serieuze langdurige sportbeoefening; het niet om topsport of sport op hoog niveau gaat. er sprake is van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. 2.Voor de verstrekking van een door spierkracht voortbewogen sporthulpmiddel geldt een tegemoetkoming in de kosten tot een maximum bedrag zoals is opgenomen in bijlage 1. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud van een sporthulpmiddel voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode worden onderhoudskosten vergoed indien de voorziening technisch door het college is gekeurd en is goedgekeurd. 3.Voor de verstrekking van een elektrisch voortgedreven sporthulpmiddel geldt een tegemoetkoming in de kosten tot een maximum bedrag zoals is opgenomen in bijlage 1. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor de aanschaf en het onderhoud van een sporthulpmiddel voor een periode van minimaal vier jaar. Na deze periode worden onderhoudskosten vergoed, indien de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd. Artikel23Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde; en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis- en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid het een overeenkomst aangaat. Artikel24Klachtregeling 1.Het college behandelt klachten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 (klachtbehandeling) van de Algemene wet bestuursrecht. 2.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van de door hen aangeboden voorzieningen. 3.Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel25Medezeggenschap 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door hen aangeboden voorzieningen. 2.Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel26Beëindiging of intrekking recht op een maatwerkvoorziening in natura of pgb of een financiële tegemoetkoming 1.Op verzoek van de inwoner of bij het overlijden van de inwoner wordt het recht op een maatwerkvoorziening in natura of pgb of de financiële tegemoetkoming ingetrokken. 2.Bij verhuizing van de inwoner naar een andere gemeente of indien een inwoner in een andere gemeente zijn hoofdverblijf heeft, eindigt het recht of wordt het recht op een maatwerkvoorziening in natura of in pgb of de financiële tegemoetkoming ingetrokken. 3.In afwijking van het tweede lid kan het college ingeval van het bezoekbaar maken van woningen of wonen/verblijf besluiten de voorziening te continueren. Artikel27Beëindiging bijdrage in de kosten CAK 1.In het geval de inwoner verzoekt om beëindiging of intrekking van de voorziening, overlijdt of verhuist buiten de gemeentegrenzen, stopt de inning van de bijdrage in de kosten van rechtswege per eerstvolgende CAK-periode tenzij deze periode eindigt na de overlijdensdatum. In dat geval stopt de inning per CAK-periode waarvan de einddatum ligt voor de overlijdensdatum. 2.Indien de inwoner verhuist naar een andere woning binnen de gemeentegrenzen, maakt het college hiervan melding bij het CAK en stopt de inning van de bijdrage voor bouwkundige of woon technische aanpassingen per eerstvolgende CAK-periode. 3.Indien het college de maatwerkvoorziening inneemt of beëindigt, al dan niet op verzoek van de inwoner, maakt het hiervan melding bij het CAK en stopt de inning van de bijdrage per eerstvolgende CAK-periode. Artikel28Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3.In de Verordening Cliëntenparticipatie Sociaal Domein Apeldoorn zijn regels opgenomen ten aanzien van het eerste en tweede lid. Artikel29Hardheidsclausule 1. Burgemeester en wethouders kunnen een of meerdere artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de te dienen doelen van de bepalingen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel30Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn, die op 1 januari 2022 in werking is getreden, wordt ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze verordening. 2.Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2022 wordt beslist met inachtneming van de oude verordening. Artikel31Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2023. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 22 december 2022.De griffier,De burgemeester,Bijlage1:Kostprijs, bijdragen in de kosten Wmo en gemaximeerde bedragen (herziene versie per 1/1/2023) Binnen het zorgproduct wordt bepaald welke hulp precies nodig is binnen de daarvoor door de gemeente gestelde kaders. Een nadere duiding van de zorgproducten is te vinden in het meest recente zorgproductenboek welke te raadplegen is via: https://zorgregiomijov.nl/aanbieders/104-documenten-en-downloads. Voor de tarieven van zorg in natura wordt verwezen naar de geldige productcodetabel van de gemeente Apeldoorn (www.zorgregiomijov.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.