← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2023 (Apeldoorn)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2023Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2023 en de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2023; BESLUITEN: vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2023 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd Apeldoorn 2023 DEEL 1 Algemeen Hoofdstuk1Inleiding De beleidsregels in dit document zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Apeldoorn en de Verordening Zorg voor Jeugd Gemeente Apeldoorn die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2023. Dit document kan in de loop der tijd verder aangevuld worden met andere onderwerpen. De beleidsregels geven een toelichting op het beleid in het kader van de Wmo en de Jeugdwet. In de beleidsregels verduidelijkt het college van burgemeester en wethouders hoe in een concrete situatie met een bevoegdheid wordt omgegaan. Denk bijvoorbeeld aan een bepaling waarin wordt gezegd dat het college iets 'kan' doen. Burgemeester en wethouders kunnen dan in de beleidsregels aangeven wanneer dit wel of niet zal gebeuren. In de beleidsregels kunnen ook begrippen uit de verordening worden uitgelegd. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen naar worden verwezen. De Wmo 2015 en de Jeugdwet leggen de nadruk op de eigen kracht, zelfredzaamheid en samenredzaamheid. Mensen komen waar mogelijk zelf tot oplossingen op basis waarvan wordt bepaald op welke punten aanvullend een maatwerkvoorziening of individuele jeugdhulpvoorziening nodig is. Waar een inwoner niet meer in staat is om zelf of samen met het sociale netwerk te voorzien in zijn of haar zelfredzaamheid en participatie, kan hij of zij een beroep doen op een Wmo maatwerkvoorziening of een individuele voorziening Jeugdhulp. Hierbij wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden van de inwoner zelf en zijn netwerk of de inzet van een vrijwilliger, de beschikbaarheid en passendheid van algemene voorzieningen voor de hulpvraag, de mogelijkheid om gebruik te maken van voorzieningen in de buurt, zoals het consultatiebureau, een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van (andere) algemene of overige voorzieningen die het college ter beschikking stelt of die al door marktpartijen zijn opgezet. De basisgedachte van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is dat de inwoner waar mogelijk verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen leven. Dit betekent dat van de inwoner kan worden verwacht dat hij zich binnen zijn eigen kracht zo goed mogelijk voorbereid op de verschillende levensfasen. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid en, de grootte van de woning, de bereikbaarheid van winkels en voorzieningen. Een inwoner moet hierop anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op een nieuwe levensfase. Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator om zodoende, in het kader van eigen kracht, zelf in zijn hulpvraag te kunnen voorzien . Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen. Bestaat er voor een inwoner een noodzaak voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een complex mobiliteitshulpmiddel of roerende woonvoorzieningen, dan wordt een beschikbaar en functioneel advies van de behandelaar (therapeut of arts) van de inwoner zo veel mogelijk overgenomen bij de beoordeling welk hulpmiddel of welke roerende woonvoorziening passend is voor deze inwoner. Tenzij de inwoner zich hierin niet kan vinden. Hoofdstuk2Begripsbepaling Voor de leesbaarheid worden voor Wmo en Jeugd dezelfde begrippen gehanteerd. Dit betekent dat waar in de beleidsregels wordt gesproken over onderzoeksverslag ook het gezinsplan, zoals genoemd in artikel 4.1.2 van de Jeugdwet en zoals door het CJG gehanteerd, wordt bedoeld. maatwerkvoorzieningen ook de individuele voorziening conform de Jeugdwet wordt bedoeld het sociale netwerk van de inwoner ook dat van het gezin worden bedoeld. 2.1 Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wetten, de Verordeningen en de Algemene Wet Bestuursrecht. 2.2 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: 24-uurs toezicht Direct aanwezige zorg, begeleiding en toezicht, die gericht is op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, psychisch en psychosociaal beter functioneren, stabilisatie van het psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of voor anderen. Aangepast vervoer Vervoer per taxi, taxibus of bustaxi. Aanschafprijs De prijs waarvoor een voorziening wordt ingekocht door het college. Anti-cumulatie bepaling De stapeling / optelsom van de eigen bedragen (berekend en geïnd door het CAK) kan nooit meer bedragen dan de maximum gestelde eigen bijdrage door het Rijk. Beschermd Wonen / Wonen/Verblijf Wonen in een accommodatie van een instelling met 24-uurs toezicht. CJG Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn; toegang voor individuele voorzieningen op grond van de Jeugdwet. College Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn. Dagdeel Aaneengesloten periode van maximaal vier uren. Doelmatigheid De maatwerkvoorziening die het goedkoopst compenserend is. Feitelijk dakloos Personen die voor hun overnachting aangewezen zijn op straat, of op een kortdurend verblijf in een laagdrempelige opvangvoorziening (minimaal 10 nachten per jaar) of een tijdelijk onderkomen bij familie, vrienden of kennissen. Gebruikelijke hulpverlener Partner, ouder, inwonend kind of andere huisgenoot die de normale, dagelijkse hulp biedt aan een partner, kind of andere huisgenoot. Hulpverlening Diensten geboden door informele of formele hulpverleners, die op grond van de Wmo of Jeugdwet als maatwerkvoorziening worden ingezet. Inherente afwijkingsbevoegdheid (vgl. art 4:84 Awb) Van een (bijlage bij een) beleidsregel moet worden afgeweken als de (bijlage bij een) beleidsregel voor één of meer belanghebbenden gevolgen zouden hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de (bijlagen bij

  1. de)beleidsregels te dienen doelen. Bij bijzondere omstandigheden gaat het om niet in dit protocol genoemde omstandigheden én waarin de strikte navolging van de regeling zou leiden tot een niet beoogde uitkomst. Instandhoudingskosten Kosten voor onderhoud en reparatie van een mogelijke krachtens de wet toe te kennen individuele maatwerkvoorziening. Jong volwassene Inwoner in de leeftijd van 18 tot 23 jaar. Kind/jeugdige Inwoner jonger dan 18 jaar. Kortdurende individuele inwonersondersteuning De inwoner heeft kortdurende ondersteuning nodig gericht op versterking van de eigen kracht en zelfredzaamheid. De ondersteuning bevat maximaal circa 10 contactmomenten over een periode van maximaal 6 maanden Kostprijs De aanschafprijs van een maatwerkvoorziening inclusief eventuele kosten van onderhoud, reparatie, verzekering en depotbeheer. Leefklimaat Leefomgeving waarop inwoner is aangewezen in verband met noodzakelijk samenhangende hulp. Het leefklimaat kan bestaan uit een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of er wordt permanent toezicht geboden. Format zorgovereenkomsten De format zorgovereenkomsten die de SVB ter beschikking stelt. Opting-in Salarisadministratie, uitgevoerd door de SVB, voor: de hulpverlener die ingevolge de arbeidsovereenkomst maximaal drie dagen in de week voor de inwoner werkt. de partner, een familielid of een freelancer waarmee de inwoner een zorgovereenkomst heeft afgesloten. De SVB zorgt op verzoek van inwoner en hulpverlener voor de maandelijkse afdrachten van belastingen en premies op het loon van de hulpverlener en deze ontvangt een salarisstrook. Opvang Onderdak en begeleiding aan personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld of kindermishandeling. Deze personen zijn niet in staat zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Ouder gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Participatieladder Een hulpmiddel om de mate van participatie in de samenleving van een inwoner en daarmee de afstand tot de arbeidsmarkt vast te stellen. Per Saldo De landelijke belangenvereniging van mensen met een pgb; Routegebonden vervoer Door een gecontracteerde vervoerder geleverd vervoer van inwoners van en naar een locatie voor Begeleiding Groep volgens een vaste route naar een vaste bestemming Respijtzorg Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk gebruikelijke hulp op zich dient te nemen, maar daartoe niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting, die anderszins niet door hem is op te lossen. Alleen dan kan, op titel van respijtzorg, de hulp die als gebruikelijke hulp moet worden beschouwd, worden meegenomen. Het gaat dan om een individuele maatwerkvoorziening op grond van de Wmo of Jeugdwet als woont de inwoner zonder gebruikelijke hulpverlener. Salarisadministratie Uitgevoerd door de SVB, als de inwoner een arbeidsovereenkomst heeft met een hulpverlener die minimaal 4 dagen per week voor de inwoner werkt waardoor de inwoner werkgever of opdrachtgever wordt. De inwoner is verplicht een salarisadministratie bij te houden. De SVB maakt maandelijks het loon voor de hulpverlener en de afdrachten aan de Belastingdienst over, verzorgt salarisstroken en de jaaropgave en doet de jaaraangifte loonheffingen namens de inwoner. SVB De Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB ondersteunt inwoners en voert het trekkingsrecht uit. Trekkingsrecht De inwoner krijgt het pgb niet meer op de eigen bankrekening gestort. De SVB beheert het pgb. De SVB betaalt in opdracht van de inwoner de hulpverleners met wie een zorgovereenkomst is gesloten. Ook controleert de SVB in opdracht van de gemeente de uitgaven die worden gedaan uit het pgb. Waakvlamcontact Een vorm van laagintensief contact door een inwonersondersteuner, waarbij laag frequente ondersteuning over een wat langere periode nodig is (maximaal 15 uur ondersteuning over een periode van een jaar). Er een risico op terugval van problemen met betrekking tot zelfredzaamheid (multiprobleem) waarbij het noodzakelijk is om ondersteuning te bieden voor langere tijd om de situatie in beeld te houden. Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) Brengt de mate van zelfredzaamheid van inwoners eenvoudig en volledig in beeld. De ZRM toetst de zelfredzaamheid op de leefgebieden: inkomen, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties, geestelijke gezondheidszorg, fysieke gezondheid, verslaving, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Per leefgebied is aangegeven welke feitelijke omstandigheden bij welk niveau van zelfredzaamheid horen. Zelfstandig wonen Wonen in een eigen (huur)woning met extramurale ondersteuning. Zorgbeschrijving Een beschrijving van de betaalde hulp die de informele en formele hulpverleners bieden en de reden waarom deze ondersteuning noodzakelijk is. Hoofdstuk3Toeleiding tot maatschappelijke ondersteuning en jeugd Procedure melding, onderzoek en aanvraag 3.1 De melding (Wmo) of aanvraag (Jeugdwet) stelt het college in de gelegenheid om onderzoek te doen naar de noodzakelijkheid van hulp of ondersteuning. 3.2 Het onderzoeksverslag vormt de basis voor de aanvraag van een of meerdere maatwerkvoorzieningen. 3.3 Het college neemt een besluit op de aanvraag voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen in de vorm van een beschikking. 3.4 De inwoner ontvangt de beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet schriftelijk in een beschikking. Hoofdstuk4Gebruikelijke Hulp 4.1. Het college gaat ervan uit dat, voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde hulp bieden, de inwoner mogelijk niet is aangewezen op een individuele maatwerkvoorziening op basis van de Wmo of de Jeugdwet, tenzij onderzoek anders uitwijst. 4.2 Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten naar redelijkheid geacht worden elkaar onderling te bieden. 4.3 Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter waarbij geen onderscheid wordt gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het bieden van gebruikelijke hulp. 4.4 Voor kinderen geldt dat ouders voor hun kinderen doen wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt. Dit betekent o.a. dat ze de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen behoren te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook al is er sprake van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. 4.5. Bij het beoordelen van de gebruikelijk hulp weegt het college de volgende factoren de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige/inwoner; de voor de jeugdige/inwoner benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; de mogelijkheden, de fysieke en psychische draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of huisgenoten, dit ter beoordeling van een onafhankelijk medisch adviseur de samenstelling van het gezin en de woonsituatie van de inwoner de fysieke aanwezigheid van een huisgenoot. Is deze huisgenoot langdurig en in een aaneengesloten periode afwezig met een verplichtend karakter, bijvoorbeeld vanwege werk als internationaal vrachtwagenchauffeur, kan mogelijk geen gebruikelijke hulp worden verwacht. Uit onderzoek moet blijken in hoeverre de huisgenoot een deel van de (uitstelbare) taken al dan niet kan overnemen. (een combinatie van) andere redenen of omstandigheden die een belemmering voor de huisgenoot kunnen vormen om de huishoudelijke taken over te nemen. het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen; daarbij hanteert het college de richtlijnen van het NIBUD. 4.6 Bij verblijf gaat het om een leefklimaat beschermende woonomgeving, die gelet op de levensfase van het kind als gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen moet worden aangemerkt. 4.7 Huishoudelijke Hulp 4.7.1 kan een inwoner de huishoudelijke taken niet of ten dele uitvoeren, wordt verwacht dat deze taken door de huisgenoten worden overgenomen die hiertoe wel in staat worden geacht 4.7.2 er kan een tijdelijke indicatie voor huishoudelijke hulp worden ingezet om het sociaal netwerk te laten wennen aan de herverdeling van taken en/of de uitvoering van taken aan te leren middels samen opwerken met de hulp 4.7.3 Iedere volwassene wordt geacht ook naast een drukke baan of gezin een huishouden te voeren. 4.7.4 Wanneer de mantelzorger, tevens huisgenoot, overbelast blijkt te zijn door de zorg voor de inwoner, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. Van inwoner en mantelzorger/huisgenoot wordt dan verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden uitgevoerd. Een cliëntondersteuner of mantelzorgconsulent kan hierbij adviseren of ondersteuning bieden. Alleen wanneer blijkt dat, na een tijdelijke toekenning, ondanks herhaalde pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen, het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langdurig hulp bij het huishouden worden ingezet. 4.8 Het hangt af van de sociale relatie welke hulp mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp bieden, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op een maatwerkvoorziening op basis van Wmo en Jeugdwet, bijvoorbeeld hulp van ouders aan hun minderjarige kinderen. 4.9 De invulling van gebruikelijke hulp in kortdurende en langdurige situaties is opgenomen in bijgevoegde richtlijn Gebruikelijke Hulp in bijlage 1. Hoofdstuk5Medische advisering 5.1 Het college kan advies van een (para)medisch specialist inwinnen bij het verduidelijken van de hulpvraag van een inwoner en bij elke volgende stap van het onderzoek (stappenplan CRvB). Gezinsleden en overige huisgenotenmoeten hieraan meewerken, ook als hiervoor een gesprek of nader onderzoek door deze specialist nodig is, zodat tot een goede beoordeling van de hulpvraag kan worden gekomen en de passende ondersteuning kan worden ingezet. 5.2 Ook kan advisering door een externe partij worden ingezet als het gaat om de beoordeling van de draagkracht en draaglast van het gezin en overige huisgenoten. Ook hieraan moeten alle gezinsleden en overige huisgenoten meewerken. 5.3 second opinion 5.3.1 inwoners, ouders, jeugdigen vanaf 16 jaar en overige huisgenoten kunnen een second opinion vragen bij een onafhankelijk arts, niet zijnde de eigen behandelaar. Zij zijn hiervoor zelf verantwoordelijk en de kosten zijn voor eigen rekening. Het college kan de kosten vergoeden als dit advies tot wijziging van het besluit leidt. 5.3.2 Kan de inwoner de kosten voor een second opinion niet dragen, dan kan het college, in overleg met de inwoner, deze de mogelijkheid bieden om een schriftelijke verklaring van de eigen arts of behandelaar ter beoordeling voor te leggen aan een door het college gecontracteerd onafhankelijk medisch adviesbureau. Hoofdstuk6Mantelzorg 6.1 Mantelzorgers dragen vaak in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners en aan de mate waarin hun naasten nog in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De mantelzorger is vertrouwd voor de inwoner die ondersteuning / hulp nodig heeft. 6.2 Een groot risico is dat mantelzorgers worden overbelast. Om dat te voorkomen kan ondersteuning aan de mantelzorger worden geboden. Bijvoorbeeld door de inwoner voor 1 of meer dagdelen per week gebruik te maken van Begeleiding Groep, zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen. Ook respijtzorg is mogelijk, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. In dat geval wordt de mantelzorg tijdelijk overgenomen door een formele, een informele hulpverlener of een combinatie van beiden. 6.3 Onder voorwaarden kan een inwoner ook één of meer etmalen per week worden opgenomen in een instelling. De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat de inwoner ’s nachts toezicht nodig heeft en niet alleen gelaten kan worden. In dat geval kan het overigens ook zo zijn dat de inwoner in aanmerking komt voor de Wlz. 6.4 Het college heeft oog voor de inzet van mantelzorgers. Dit wordt erkend en gewaardeerd. De inzet van mantelzorgers verdient steun en waardering. De gemeente wil de waardering vormgeven op basis van artikel 19 Verordening Wmo door aan getoetste aanvragen een geldelijke waardering toe te kennen. Hoofdstuk7Persoonsgebonden budget (pgb) 7.1 Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en deze in de vorm van een pgb wenst te ontvangen, dan geldt dat de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger of de gewaarborgde regievoerder voldoende vaardig is om alle aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. De pgb-vaardigheid kan worden getoetst met behulp van de door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitgegeven “Checklist 10-punten PGB-vaardigheid” en bijbehorende “Handreiking voor toetsing (minimale) PGB-vaardigheid”. de maatwerkvoorziening die de inwoner met het pgb wenst in te kopen, naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het onderzoeksverslag opgenomen doelstellingen. 7.2 Het college bepaalt of in verband met de kwaliteitsborging bepaalde hulp door een formele hulp moet worden geboden. 7.2.1. Bij Begeleiding crisis, begeleiding intensief en begeleiding perspectief is, gezien de vereiste professionaliteit de inzet van een informele hulp niet mogelijk (zie de productbeschrijvingen op https://www.zorgregiomijov.nl/aanbieders/104). Hierbij is sprake van acute en hoge intensiteit van zorg voor korte of lange duur of begeleiding gericht op ontwikkeling waarvoor een formele hulp in natura ingezet moet worden. 7.2.2. Begeleidend duurzaam kan worden geboden door een informele hulp. Het college kan de inzet van formele hulp als aanvullende voorwaarde stellen. Bij een beperkt aantal uren begeleiding duurzaam (lage intensiteit van zorg voor een lange duur), kan uitsluitend de inzet van een informele hulp passend zijn (ondersteunen bij/ overnemen van een aantal concrete taken). Gaat het echter om een aanzienlijke hoeveelheid uren en/of is er (enig) ontwikkelperspectief? Dan kan er het met oog op de vereiste ‘doelmatig’ (artikel 15 lid 1 van de Verordening) de aanvullende voorwaarde gesteld worden dat er naast een informele hulp uit pgb ook professionele inzet nodig is. 7.3 Hulpverleners kunnen geen taken van elkaar overnemen (uitruil), tenzij hierover andere afspraken door het college zijn vastgelegd. Over de omvang van de inzet van deeltijd verblijf/ logeeropvang worden altijd afspraken gemaakt. 7.4 Het gebruik van de model zorgovereenkomsten van de SVB is verplicht. 7.5 De inwoner kan met de hulpverlener een reiskostenvergoeding van € 0,19 per km afspreken. Een kilometervergoeding kan worden verstrekt als de enkele reis afstand meer dan 6 km bedraagt. De maximaal te vergoeden reisafstand is 150 km per keer (retour reis). De totale kosten van hulpverlening, inclusief vervoer, kunnen de kostprijs van Zorg in Natura, zoals genoemd in de verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 artikel 9 en artikel 11 van de verordening Zorg voor Jeugd 2023 niet overschrijden. Met andere woorden de reiskosten maken integraal onderdeel uit van het geldende maximum uurtarief. De vergoeding van reiskosten mag niet ten koste gaan van het aantal geïndiceerde uren. 7.6 De SVB biedt gratis ondersteuning aan inwoners met een pgb, waaronder het verzorgen van de salarisadministratie en opting-in. Hoofdstuk8Wijziging en handhaving 8.1 Uit de Wet maatschappelijke ondersteuning vloeit voor dat nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot een herziening of het herroepen of intrekken van een maatwerkvoorziening/individuele voorziening in natura en/of pgb, moeten door de inwoner worden gemeld. Zie hiervoor tevens artikel 17, lid 2 van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 en de artikelen 18, lid 2 van de Verordening Zorg voor Jeugd 2023. 8.2 Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het pgb kan het college (thema)controles uitvoeren van de besteding van het pgb. De inwoner dient hiervoor van belang zijnde stukken beschikbaar te houden, zoals correspondentie met de hulpverlener/aanbieder, urenbriefjes, facturen, zorgmomentenoverzichten van de data en de tijdsduur van de geleverde ondersteuning. 8.3 Het pgb voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere eenmalige voorzieningen wordt door het college rechtstreeks aan de leverancier of aanbieder uitbetaald. Het pgb voor een hulpmiddel en reparatie en onderhoud hiervan wordt toegekend voor de duur van 7 jaar conform de handreiking inkoop hulpmiddelen van de VNG die is gebaseerd op een technische levensduur van 7 jaar. https://vng.nl/files/vng/publicaties/2019/inkoop-hulpmiddelen_20181214.pdf 8.4 Voor zover het een pgb voor een periodieke voorziening als hulpverlening betreft, controleert het college de besteding van het budget na afloop van een kalenderjaar of anders steekproefsgewijs. 8.5 De inwoner mag tot een door de SVB te bepalen en met de inwoner gecommuniceerde datum in het jaar volgend op het kalenderjaar waarover verantwoording moet worden afgelegd, betalingen vanuit het pgb doen die betrekking hebben op het te verantwoorden jaar; 8.6 De besteding van het pgb moet, tenzij hierover schriftelijke afwijkende afspraken zijn gemaakt, binnen 3 maanden zijn gestart. Indien dit niet het geval is, kan het pgb worden ingetrokken. 8.7 Bedragen tot € 50,- worden niet teruggevorderd of verrekend. 8.8 Indien de inwoner het terug te vorderen pgb of de restwaarde van een in natura verstrekte voorziening niet of niet volledig binnen de schriftelijk gestelde termijn terugbetaalt, kan overdracht aan de gerechtsdeurwaarder plaatsvinden. De openstaande vordering wordt in dat geval verhoogd met buitengerechtelijke en eventuele gerechtelijke kosten. 8.9 In geval van spoed, crisis en dwang treft het college direct een tijdelijke voorziening. Het college beschikt achteraf. 8.10 Wanneer nieuwe afspraken met het college leiden tot aanpassing van de zorgovereenkomst van de informele hulp, en deze door de nieuwe gemeentelijke pgb-regels er qua inkomen op achteruitgaat, kan afhankelijk van de situatie en de omvang van de inkomensdaling een overgangsperiode van minimaal 1 maand en maximaal een half jaar worden geboden. Hoofdstuk9Eigen bijdrage en tegemoetkoming meerkosten Wmo 9.1 Voorziening in natura en pgb en de eigen bijdrage Bij een voorziening in natura en pgb mag een bijdrage in de kosten worden gevraagd. In de verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 zijn de kaders opgenomen bij welke voorzieningen een bijdrage gevraagd wordt en de hoogte van deze bijdrage. Het college kondigt schriftelijk aan dat een bijdrage opgelegd wordt. Berekening en inning zal plaats vinden door het CAK. 9.2 Voor de gevallen waarin een tegemoetkoming in de meerkosten van toepassing is, wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023. Hoofdstuk10Bezwaar en mediation Op de besluiten op basis van de WMO en Jeugdwet is de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing evenals de Verordening behandeling bezwaarschriften van de gemeente Apeldoorn. Hoofdstuk11Inherente afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de inwoner, jeugdige of ouders leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Hoofdstuk12Inwerkingtreding en citeertitel Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2023 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2023”. Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders d.d. 13 december 2022 Burgemeester en wethouders voornoemd, De secretaris, T.J.H.M. Berben de burgemeester, A.J.M. Heerts DEEL 2 Uitwerking naar thema HoofdstukA.Jeugdhulp 1 Inleiding 1.1 De Verordening Zorg voor Jeugd Gemeente Apeldoorn 2023 en deze beleidsregels geven uitvoering aan de Jeugdwet. Met de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid van de gemeenten vanaf 2015 uitgebreid met de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidzorg voor kinderen en jongeren (jeugd-ggz), zorg voor jeugd met een licht verstandelijk beperking (jeugd-lvb), ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt naar een stelsel met een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen, waar nodig, tijdig bij hun situatie passende hulp. Met als beoogd doel de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. 2 Afwegingskader 2.1 Met de stelselwijziging streven we naar een grotere inzet op preventie, (vroeg)tijdige ondersteuning en het versterken van eigen kracht van jeugdigen en hun ouders. Door gemeenten verantwoordelijk te maken voor alle taken op het gebied van de ondersteuning en hulp aan jeugd, krijgen zij de mogelijkheid om een samenhangend stelsel te realiseren. Daarbij gelden in Apeldoorn de volgende uitgangspunten: Preventie en vroege signalering van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. De-medicaliseren, ontzorgen en normaliseren door onder meer het opvoedkundig klimaat te versterken in gezinnen, wijken, buurten, scholen en voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen. Het bevorderen van de opvoedvaardigheden van ouders en de sociale omgeving, zodat de ouders zoveel mogelijk in staat worden gesteld om zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen. Het inschakelen, herstellen en versterken van het eigen probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en zijn sociale omgeving (eigen kracht). Ondersteuning zoveel mogelijk inzetten op lokaal niveau, zo dicht mogelijk bij het kind en gezin. Het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit. Integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt: één gezin, één plan, één regisseur. Transitie en transformatie vraagt om een forse cultuuromslag bij álle betrokkenen. 2.2 Kernbegrippen zijn het leveren van zorg en ondersteuning op maat, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Een belangrijk uitgangspunt bij de toeleiding en toegang is het centraal stellen van de hulpvraag van de jeugdige en zijn ouders. De aanpak is vervolgens oplossingsgericht. Omdat maatwerk nodig is, vindt een gesprek plaats ter verkenning van de mogelijkheden, waaronder ook de eigen kracht en het eigen netwerk. 2.3 In deze beleidsregels wordt het proces van de toegang tot een maatwerkvoorziening vastgelegd. Jeugdigen en ouders hebben het recht op een zorgvuldige procedure. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal tot een juist besluit moeten leiden; passende zorg en ondersteuning waar deze nodig is. De verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2023 legt veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundigen in het CJG. 3 Voorliggende voorzieningen (algemene voorzieningen) In de samenleving zijn veel voorzieningen te vinden waar ouders en jeugdigen terecht kunnen met vragen en voor preventieve ondersteuning, vaak gekoppeld aan welzijn, onderwijs of vrije tijdsbesteding. Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk en dragen bij aan de eigen kracht. Deze zogenaamde voorliggende voorzieningen die zich richten op preventie, informatie en (vroeg)advies en signalering vallen niet onder de Jeugdwet. 4 Individuele voorzieningen Individuele voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van (intensieve,) specialistische ondersteuning. Deze voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk. Individuele voorzieningen jeugd zijn voorzieningen op het gebied van: Jeugd- en opvoedhulp in de thuissituatie Verblijf in gezinsvormen (pleegzorg, gezinshuizen) en andere vormen van verblijf voor jeugdigen Crisiszorg en spoedzorg Ondersteuning en behandeling voor jeugd met een (licht) verstandelijke beperking Specialistische zorg o.a. geestelijke gezondheidszorg voor Jeugd Dyslexiezorg bij enkelvoudige ernstige dyslexie Gesloten jeugdhulp Activiteiten in het preventief justitieel kader Kindergeneeskunde Vervoer Individuele voorzieningen zijn ingekocht bij de aanbieders die een overeenkomst zijn aangegaan met de gemeente Apeldoorn voor het leveren van individuele voorzieningen jeugdhulp. Individuele voorzieningen kunnen worden ingezet als zorg in natura en via een pgb. Voor de regels met betrekking tot een pgb wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Verblijf in gezinsvormen: in Apeldoorn streven we er naar kinderen op te laten groeien in een gezin. Liefst het eigen gezin. Plaatsing binnen een leefgroep is het uiterste middel als dit voor de ontwikkeling van de jeugdige de beste keus is of geen plek in een gezin gerealiseerd kan worden. Dyslexiezorg: Een individuele voorziening op het gebied van dyslexiezorg is mogelijk na overleg met de school. De school toont met het leesdossier aan dat volgens het “protocol dyslexie” is gehandeld en dat extra begeleiding op school (minimaal 60 minuten per week gedurende minimaal 24 weken) geen gemeten effect heeft gehad (meting met genormeerde toetsen). Aanwezigheid van bijkomende stoornissen kan een contra-indicatie zijn. 5 Overige voorzieningen Onder de Jeugdwet is ook sprake van overige voorzieningen. Dit zijn voorzieningen jeugdhulp die vrij toegankelijk zijn (artikel 2 van de Verordening Zorg voor Jeugd). De overige voorzieningen zijn: CJG4kracht: ambulante jeugdhulp voor maximaal 1 jaar; Veilig Thuis: advies- en meldpunt kindermishandeling en huiselijk geweld; meldpunt spoedeisende zorg: interventiehulp in spoedeisende situaties. 6 Toezichthoudend ambtenaar jeugd Op grond van hoofdstuk 9 van de Jeugdwet zijn de inspecties Jeugdzorg, Gezondheidszorg en Veiligheid en Justitie verantwoordelijk voor de kwaliteit van de Jeugdhulp. Op grond van de Jeugdwet artikel 2.6 lid 1a. is de gemeente verantwoordelijk voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod aan jeugdhulp. In de processen contracteren, samenwerking, afstemming, facturatie en monitoring komen signalen naar voren over de kwaliteit van de te leveren/geleverde zorg. Deze signalen kan de gemeente doorspelen naar de gezamenlijke inspecties Toezicht Sociaal Domein of Samenwerkend Toezicht Jeugd. Ook heeft de gemeente een verantwoordelijkheid in het tegengaan van misbruik en fraude (artikel 2.9a Jeugdwet). Binnen deze opdrachten past het aanwijzen van een toezichthoudend ambtenaar jeugd. KWALITATIEVE ZORG Toezicht op rechtmatigheid en kwaliteit wordt vooral ingezet om inwoners de juiste kwalitatieve zorg te kunnen geven. Kwaliteit en rechtmatigheid hangen daarbij vaak samen, waar onrechtmatigheid is, is de kwaliteit van de zorg vaak ook niet goed. Toezicht is daarom een belangrijk middel om goede zorg te kunnen garanderen voor inwoners. Toezicht op kwaliteit Het is aan de toezichthouder om vast te stellen of de criteria die we aan aanbieders stellen voor goede zorg (wenselijke zorg) overeenkomen met de praktijk van de zorg (feitelijke zorg). Dit betekent dat de toezichthouder zich voor de kwaliteit van zorg dient te richten op: De uitvoering van de zorg en ondersteuning: Wordt er methodisch gewerkt? Wordt de norm verantwoorde werktoedeling toegepast (bij jeugdhulp)? Zijn de professionals ingezet die het zorgproductenboek vereist? Is er een onderzoeksverslag dat samen met de inwoner is opgesteld? Worden er professionele standaarden gehanteerd? Wordt er systemisch gewerkt (1 gezin, 1 plan)? Wordt er doelmatig gewerkt, en evalueert de zorgaanbieder die doelen? Hoe is de cliënttevredenheid? Is er sprake van een uitvoeringsplan? Hoe wordt hier invulling aan gegeven? Hoe worden benodigde netwerkpartners hierbij betrokken (afschalen)? De organisatie: Zijn de wachtlijsten en wachttijden transparant? Is de geboden hulp passend bij het zorgproduct (qua aard en doelen van de hulp)? Hoe ziet de functiemix per product er uit? Hoe wordt er geregistreerd? Hoe is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen verschillende professionals geregeld? Hoe is de afstemming met netwerkpartners geregeld? Wat is de groepsgrootte? Wat is het aantal professionals per inwoner (bij groepen en verblijf)? Wat is het aantal en de aard van de incidenten? Wordt er gewerkt aan deskundigheidsbevordering? Wordt de Verwijsindex gebruikt? Is de zorgaanbieder aangesloten bij beroepsverenigingen/moederorganisaties? Is de zorgaanbieder HKZ/ISO of gelijkwaardig gecertificeerd? Hoe was de laatste audit? De veiligheid: Wordt er zicht gehouden op de veiligheid van inwoners, en wordt er een risicotaxatie instrument gebruikt? Op welke momenten in het zorgproces? Zachte elementen van zorg: Te denken valt aan de geschiktheid van zorg, voldoende professionele afstand tussen inwoner en zorgverlener, voldoende ambitieuze doelen voor de inwoner, bejegening (eventueel) voor, tijdens en na het zorgtraject, Als input voor toezicht op kwaliteit kunnen onder andere de zorgsignalen over zorgaanbieders gebruikt worden. Momenteel wordt daar nog te weinig gebruik van gemaakt. Toezicht op rechtmatigheid Met betrekking tot rechtmatigheid dient de toezichthouder te controleren of de factuur en de daadwerkelijk afgesproken en geleverde zorg met elkaar in overeenstemming zijn. Ofwel; of de zorggelden rechtmatig gebruikt zijn. Er kan hierbinnen een onderscheid gemaakt worden tussen fouten: ‘het onbedoeld overtreden van regels als gevolg van onduidelijkheid of vergissingen’ en fraude: ‘het opzettelijk en doelbewust in strijd met regels handelen, met het oog op eigen of andermans financiële gewin’. De toezichthouder rechtmatigheid zal niet álle taken op het gebied van rechtmatigheid op zich gaan nemen. De back-offices van de gemeenten gaan over de lokale taken en verantwoordelijkheden op het gebied van rechtmatigheid. Hieronder vallen de interne controle en jaarverantwoording richting de accountants. Het toezicht op de fouten vindt daarmee plaats bij de back-offices van de verschillende gemeenten. Zij spreken aanbieders er op aan als er onregelmatigheden in de financiën zijn. Wanneer binnen deze back-offices gesignaleerd wordt dat er vaak fouten gemaakt worden of wanneer zich signalen voordoen van fraude, dan komt de regionale toezichthouder rechtmatigheid in zicht. Het is daarvoor belangrijk dat er werkafspraken gemaakt worden tussen de back-offices en de toezichthouder(s). Ook is het van belang dat ook de back-offices fraudealert zijn, zodat doorgeschakeld kan worden naar de toezichthouder indien nodig. Met de back-offices is contact geweest over de huidige mate van fraudealertheid en welke wensen zij daarin hebben. Hieruit is naar voren gekomen dat de back-offices acteren op ontvangen signalen van mogelijke fraude maar dat er bij geen van de back-offices een formele werkwijze ontwikkeld is om fraude op te sporen. Bij de meeste back-offices is er daarin wel een behoefte naar eenvoudig instrumentarium/handvatten voor een eerste check op mogelijke fraude. Daarom zal aan hen een lijst verstrekt worden met indicatoren van fraude. Fraude met zorggelden kan op verschillende manieren voorkomen: Spookzorg: Niet-geleverde zorg en ondersteuning die wel door de aanbieder gedeclareerd wordt Niet-vergoede zorg: Een aanbieder declareert voor hulp en zorg die in principe niet wordt vergoed of alleen onder bepaalde voorwaarden Declaratie-overtredingen: De zorg en ondersteuning komt in principe wel voor vergoeding in aanmerking, maar in het proces van declaratie ontstaan onrechtmatigheden door bijvoorbeeld: Het tweemaal declareren van dezelfde hulp en zorg Het declareren van een hoger bedrag dan het afgesproken tarief Het ten onrechte rekenen van een hoger tarief voor een complexe behandeling, terwijl sprake is van een standaard behandeling (upcoding) Onderdelen van een bundel activiteiten apart declareren met hogere kosten. Tegen/om de patiënt: De patiënt wordt gedupeerd door bijvoorbeeld onterecht een eigen bijdrage voor bepaalde diensten te vragen of door een vergoeding voor de verwijzing te vragen. Ongepast gebruik: De hulp en zorg is rechtmatig geleverd en gedeclareerd maar er is geen medische noodzaak voor (overbehandeling) of de noodzakelijke hulp en zorg wordt niet geleverd (onderbehandeling) Dubbele bekostiging: De geleverde zorg en ondersteuning wordt dubbel gedeclareerd Op basis van meerdere bekostigingssystemen Bij aanbieders met een vaste en een variabele component doordat iets dat al in de behandeling zit via een toeslag nog een keer extra wordt gedeclareerd Te hoge indicatie: De ondersteuningsbehoefte van een patiënt of inwoner/budgethouder kan ernstiger worden voorgesteld dan die in de realiteit is. PGB-fraude: Frauderen met het persoonsgebonden budget doordat: Het budget aan iets anders wordt besteed dan hulp en zorg; De hoogte van de declaratie niet overeenkomt met de ingekochte of geleverde hulp of zorg; De inwoner/budgethouder een onnodige of te hoge indicatie krijgt. Identiteitsfraude: Het doelbewust verkrijgen en misbruik maken van de persoonsgegevens van anderen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer PGB-houders hun DigiD moeten afstaan aan een zorgbemiddelingsbureau. VEREISTEN AAN EEN TOEZICHTHOUDER De toezichthouder wordt aangesteld door de gemeenten. Een toezichthouder is in zijn toezicht onafhankelijk. De toezichthouder vormt een oordeel op basis van feiten. De beschrijving over wat plaatsvindt / plaatsgevonden heeft, is een feitelijke weergave. Naast deze feiten worden alle omstandigheden waarin de feitelijke situatie heeft plaatsgevonden meegewogen. Door oog te hebben voor de ‘zachte’ elementen, zoals beleving en gevoel kan tot een weloverwogen advies gekomen worden. Toezicht op kwaliteit en toezicht op rechtmatigheid zijn twee verschillende takken van sport en vragen om verschillende competenties. Het heeft daarom de voorkeur om het toezicht in te richten met twee verschillende rollen, een toezichthouder kwaliteit en een toezichthouder rechtmatigheid. Beide rollen zullen worden verenigd in één ‘Team Toezicht’. INRICHTING TOEZICHT Fraude en misbruik De gemeente heeft een taak in het beoordelen van de rechtmatigheid van de bestedingen van een individuele voorziening in natura of pgb. Voor het tegengaan van en ingrijpen bij misbruik en fraude doet de toezichthoudend ambtenaar periodiek onderzoek, al dan niet steekproefsgewijs, naar het gebruik van de individuele voorzieningen in natura of pgb. Ook treedt hij op bij signalen die wijzen op misbruik of fraude. Hij handelt daarbij volgens paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet. Calamiteiten en geweld Bij aanbieders die vallen onder de Jeugdwet worden calamiteiten en geweld bij verlening van hulp gemeld bij de Inspectie Jeugdzorg. Hieronder vallen ook voorzieningen die toeleiden naar jeugdhulp. In artikel 4.1.8, lid 1 van de Jeugdwet is opgenomen dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen melding doen bij de rijksinspectie van: Iedere calamiteit die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft plaatsgevonden; Geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor een kwalitatief en kwantitatief goed aanbod, is het van belang dat zij informatie krijgt wanneer zich calamiteiten voordoen bij een aanbieder die zij heeft gecontracteerd en/of wanneer inwoners uit de gemeente bij een calamiteit betrokken zijn. De toezichthoudend ambtenaar jeugd moet weten van calamiteiten en geweldsincidenten die zich hebben voorgedaan. De impact van een calamiteit kan lokaal en ook daarbuiten groot zijn. De gemeente moet in dit proces haar rol en taak kunnen vervullen. Daarnaast is de kans groot dat er media-aandacht en/of (dreiging) voor maatschappelijke onrust is n.a.v. de calamiteit. Omwille van eenduidigheid wordt er daarom ook bij jeugd gewerkt volgens het calamiteitenprotocol. De zorgaanbieder meldt de calamiteit of het geweldsincident bij zowel de toezichthoudend ambtenaar jeugd als de inspectie Jeugdzorg. HoofdstukB.Huishoudelijke Hulp Als ondersteuning door het college bij het schoon houden van het huis noodzakelijk blijkt, wordt een maatwerkvoorziening Huishoudelijke hulp toegekend. Om de totale omvang van de ondersteuning te bepalen wordt de benodigde ondersteuningstijd van verschillende resultaten vastgesteld. Deze resultaten zijn: Het huis is schoon en leefbaar: Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Met ‘schoon’ bedoelen we: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. ‘Leefbaar’ staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken hier geen onderdeel van uit. De inwoner beschikt over schoon linnen- en beddengoed en schone kleding De bewoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden Er wordt gezorgd voor minderjarige kinderen Er is sprake van regie over het doen van het huishouden Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening Huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019. In meerdere gevallen heeft de rechtbank en uiteindelijk ook de CRvB (10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835) het onderzoek dat door bureau HHM en KPMG Plexus is uitgevoerd, beoordeeld als ‘objectief, onafhankelijk en deugdelijk’. Daarmee voldoet het aan de criteria die eerder door de Raad zijn gesteld en kan het worden benut voor onderbouwing van de in te zetten omvang van de Huishoudelijke hulp door een gemeente. Onderzocht wordt of met oplossingen uit het voorliggend veld de noodzaak van ondersteuning door het college kan worden weggenomen of verminderd. Hierbij kan gedacht worden aan de inzet van hulpmiddelen (zoals een lichte handstofzuiger/ robotstofzuiger), het gebruik van een glazenwasser of een particuliere schoonmaakhulp, de wasservice of maaltijdondersteuning vanuit de Zvw. Het college toetst of algemene voorzieningen, zoals de wasservice, passend zijn door in het gesprek na te gaan of: de algemene voorziening ook daadwerkelijk beschikbaar is, zijn er bijvoorbeeld geen wachtlijsten de algemene voorziening adequate compensatie biedt de inwoner in staat is dit financieel te dragen Het normenkader gaat uit van 125 minuten per week in de ‘gemiddelde situatie’ bij volledige overname. Wanneer inwoners als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Basisuren schoon en leefbaar huis in de gemiddelde situatie De basisuren richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair en bedden verschonen. Uit objectief, onafhankelijk onderzoek is gebleken dat er 125 minuten per week nodig is om het resultaat ‘Schoon en leefbaar huis’ te behalen in een ‘gemiddelde situatie’. Hieronder verstaan we: Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap Er zijn geen hulp- of geleidehonden aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen De inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak. De inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd. Er is geen ondersteuning vanuit de eigen leefeenheid, mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers mogelijk bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd. Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de bewoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn. De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Persoonlijke opvattingen van inwoners of hulpen kunnen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. In die gevallen is het normenkader leidend, omdat deze op basis van onderzoek bij en met vele inwoners en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen. Het normenkader betreft de voor de hulp beschikbare totale tijd, inclusief de indirecte tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de inwoner en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. De activiteiten benodigd voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis staan in bijlage 2. Een activiteit kan in het ene huishouden meer tijd kosten dan in het andere. De inwoner is vrij de uren naar eigen inzicht in te zetten voor het realiseren van het resultaat ‘Schoon en leefbaar huis’. De inwoner stemt zelf met de door hem/haar gekozen aanbieder af met welke taken met welke frequentie dit wordt ingevuld. Meer en minder inzet schoon en leefbaar huis Niet iedere inwoner past in deze omschrijving van de gemiddelde situatie. Voor inwoners waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze invloedsfactoren kunnen leiden tot ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere inwoner maatwerk gerealiseerd. De aanwezigheid van de bepaalde kenmerken leidt niet automatisch tot meer inzet. Het is steeds de vraag de aan consulent of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is: a. Kenmerken inwoner Mogelijkheden inwoner zelf: de fysieke mogelijkheden van de inwoner om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt de trainbaarheid en leerbaarheid van de bewoner mee. Beperkingen en belemmeringen van de inwoner die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is door de gevolgen van de problematiek, zijn leidend. Niet de problematiek als zodanig. De problematiek dient medisch aantoonbaar te zijn. Dit kan op twee manieren uitwerken: Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD in combinatie met een allergie/huisstofmijt. Er wordt eerst onderzocht of inwoner via de eigen mogelijkheden, het eigen netwerk en de eigen kracht in combinatie met de basisuren in staat is (een deel van) het noodzakelijke hoger niveau van hygiëne of schoonmaken te realiseren. Van de inwoner wordt verwacht dat maatregelen getroffen worden om de extra inzet te beperken, zoals het inschakelen van een incontinentieverpleegkundige en/of het saneren van de woning. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de inwoner en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan. b. Kenmerken huishouden Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij (noodzakelijkerwijs) gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is. Hulp- of geleidehonden: door de aanwezigheid van een of meer erkende hulp- of geleidehonden in het huishouden, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. De aanwezigheid van gewone huisdieren is geen aanleiding is voor het toekennen van extra inzet. c. Kenmerken woning Inrichting, bewerkelijkheid en omvang van de woning. Extra inzet voor kenmerken van de woning worden alleen in uitzonderlijke situaties toegekend. Van de inwoner wordt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door zorg te dragen dat de woning toegankelijk, praktisch ingericht, opgeruimd en onderhouden is. Een voorbeeld hiervan is het beperken van beeldjes, fotolijstjes en andere losse accessoires op plekken die regelmatig gestoft moet worden. In extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt, kan extra (tijdelijk) inzet nodig zijn. Bijvoorbeeld tijdelijk wanneer er sprake is van hoarding, wanneer er ondersteuning is ingezet. Ook kan extra inzet nodig zijn door bouwkundige en externe factoren. Bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Resultaat: schoon en leefbaar huis Basis inwonersituatie Bij volledige overname 125 minuten Minder inzet Eigen mogelijkheden inwoner of netwerk Stof afnemen middenniveau + algemeen opruimen Overig ‘licht huishoudelijk werk’ Hulp netwerk/ gebruikelijke hulp 15 minuten 15/30 minuten 15 of meer minuten Kenmerken die kunnen leiden tot meer inzet Beperkingen en belemmeringen (Meer vervuiling en/of hoger niveau van hygiëne vereist) Enig extra inzet Veel extra inzet + 30 minuten + 60 minuten Veel extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede werkmoment per week van de hulp noodzakelijk is. Samenstelling huishouden +/- Afwegen noodzaak meer inzet door extra vervuiling/ ondersteuningsbehoefte versus minder inzet door aanwezigheid eigen kracht en/of gebruikelijke hulp Extra kamer in gebruik als slaapkamer + 18 minuten Extra kamer niet in gebruik als slaapkamer + 5 minuten Extra inzet vanwege vervuiling door hulp- of geleidehond + 15 minuten Omvang, inrichting of bewerkelijkheid van de woning + 15 minuten Alleen in uitzonderlijke situaties. In minuten per week Schoon linnen- en beddengoed en schone kleding Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als de inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van het linnen- en/of beddengoed en kleding. De verzorging van de was, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Er wordt binnen dit resultaatgebied gekeken naar wat de inwoner zelf nog kan en in welke mate het netwerk ondersteuning kan bieden. Daarbij kan gedacht worden aan de vraag of de inwoner met behulp van de mensen om hem of haar heen kan zorgen voor schone en draagbare kleding. Is er bijvoorbeeld een familielid of zijn buren bereid de was wekelijks te doen? Als sprake is van een gezonde huisgenoot valt dit resultaat vrijwel altijd onder de reikwijdte van gebruikelijke zorg en biedt het college geen ondersteuning. In de gemeente Apeldoorn is een algemene voorziening opgezet in de vorm van een wasservice. Inwoners met of zonder Wmo-indicatie kunnen hier hun was naar toe brengen of laten brengen en halen. De was wordt door de wassservice gewassen en eventueel op verzoek ook gestreken. Inwoners betalen hiervoor een bijdrage. Deze staat vermeld in de verordening. Een inwoner met een Wmo-indicatie ontvangt korting op het gebruik van de wasservice. Als door de inzet van een was- service het gewenste resultaat behaald kan worden hoeft de gemeente hierin niet te ondersteunen. Als het noodzakelijke resultaat desondanks niet wordt behaald of de inwoner de wasservice niet zelf of met hulp kan regelen en betalen, kan het nodig zijn om de wasverzorging (deels) over te nemen. Verwacht mag worden dat de inwoner beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het realiseren van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de inwoner. Daarnaast wordt van de inwoner verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger. Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Strijken wordt zonder medische noodzaak niet geïndiceerd omdat dit in de vorm van strijkvrije kleding en voorzieningen zoals de strijkservice kan worden opgelost. Resultaat: schoon linnen- en beddengoed en schone kleding Voorliggend, o.a.: Wasservice - Gemiddelde situatie bij noodzaak tot overname Was 1-p huishouden 35 minuten Was 2-p huishouden 43 minuten Strijken 1 of 2-p huishouden (in uitzonderlijke situaties) 20 minuten Minder inzet Eigen mogelijkheden inwoner -/- 17 minuten Meer inzet Extra wasmachine per week t.g.v. beperkingen en belemmeringen 16 minuten In minuten per week Boodschappen Van de inwoner wordt in principe verwacht dat hij/zij met op eigen kracht, met behulp van gebruikelijke zorg/ het netwerk, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen de boodschappen doet. Verschillende supermarkten bezorgen boodschappen aan huis. Daarnaast zijn er in Apeldoorn vrijwilligers actief die kunnen ondersteunen met het doen van de boodschappen. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wordt ondersteuning door het college bezien. Bijvoorbeeld wanneer de inwoner vanwege een medische oorzaak voor de dagelijkse levensbehoeften aangewezen is op een groot aantal verschillende winkels waardoor de bezorgkosten niet door de inwoner te dragen zijn. De taken bestaat uit het een maal per week opstellen van een boodschappenlijst, het doen van de boodschappen en het opruimen van de boodschappen. Resultaat: De inwoner beschikt over primaire levensbehoeften Voorliggend, o.a.: Boodschappenservices Overname boodschappen + 51 minuten Eigen mogelijkheden inwoner/ netwerken -/- 10 minuten In minuten per week Het klaarzetten of bereiden van primaire levensbehoeften Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag 2 broodmaaltijden worden bereid en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. De taken bestaan uit: tafel dekken, eten en drinken eventueel opwarmen en klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Kan betrokkene op eigen kracht of met hulp van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is er een huisgenoot aanwezig of een van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt er in het onderzoek gekeken of voorliggende of Algemene voorzieningen zoals kant en klaar maaltijden van de supermarkt, de maaltijd op een (basis)ontmoetingsplek, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering of Wet langdurige zorg. Indien dit er niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leidt, kan ondersteuning door het college worden bezien. Resultaat: Het klaarzetten van primaire levensbehoeften Voorliggend, o.a.: Zorgverzekering Kant en klaar maaltijden van de supermarkt, de maaltijd op een (basis)ontmoetingsplek, maaltijdbezorging aan huis. 1 x 2 broodmaaltijden 20 minuten per dag Warme maaltijd 20 minuten per dag Thuis zorgen voor minderjarige kinderen Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven om ouder(
  2. s)of verzorger(
  3. s)de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. De zorg voor kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene, collectieve of overige voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen? De zorg voor kinderen kan bestaan uit de volgende activiteiten: wassen, aankleden, eten geven, structuur bieden, was verzorgen, kamers opruimen, eten maken, tasjes school klaarmaken, meer tijd huishoudelijke taken, brengen naar school/crèche, naar bed brengen, afstemmen met andere hulp/informele zorg, afstemming/sociaal contact. Resultaat: Er wordt gezorgd voor minderjarige kinderen Kindzorg Op maat (tijdelijk) Regie op gestructureerd huishouden Regie bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. De hulp heeft signalerende, aansturende en regietaken. De ondersteuning bestaat uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Waaronder het opslaan en beheer van levensmiddelen. Voor de hulp geldt een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren (en doorgeven aan de gemeente) van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner. Waaronder het bewaken of het nog verantwoord is dat de inwoner zelfstandig woont. De hulp dient de inwoner zoveel mogelijk te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de inwoner. Overnemen van regie Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Regie bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt niet ingezet wanneer de inwoner een Wmo-indicatie voor individuele begeleiding heeft. Dit omdat individuele begeleiding gericht is op de algehele zelfredzaamheid in het dagelijks leven van de inwoner, waar het huishouden onderdeel van uitmaakt. Ondersteunen met advies, instructie en voorlichting Een andere vorm van regie is het ondersteunen met advies, instructie en voorlichting gericht op het aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen. Soms is het dan praktisch hiervoor aan de (vaak al vertrouwde) huishoudelijke hulp voor een aantal weken extra tijd toe te kennen. Deze ondersteuning is altijd van korte duur. De taken bestaan uit het aanleren en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging. In uitzonderlijke situaties wordt ook ondersteuning ingezet voor het aanleren en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden. Resultaat: Er is sprake van regie over het doen van het huishouden Samen met inwoner organiseren van huishoudelijke taken + 30 minuten Advies, instructie en voorlichting + Maximaal 90 minuten (tijdelijk) In minuten per week HoofdstukC.Wonen 1 Inleiding Een inwoner komt in aanmerking voor een woonvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Maar wat wordt nu verstaan onder de eigen leefomgeving? En hoe ver gaat zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving? Hieronder wordt dit uitgewerkt. Onder de eigen leefomgeving wordt verstaan de eigen woonruimte. Onder woonruimte wordt verstaan een woning bedoeld voor permanente zelfstandige bewoning. En een woonwagen als bedoeld in de Woningwet. Het kan zowel een koop als huurwoning betreffen. Problemen die de inwoner ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte kunnen door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven is de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. 1.1 Bezoekbaar maken van een woning Woont inwoner in een Wlz-instelling, dan kan er wel een woning bezoekbaar worden gemaakt indien: de inwoner de woning regelmatig bezoekt de kosten niet meer bedragen dan door het college in de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 vastgestelde bedrag de aan te passen woning in de gemeente Apeldoorn staat en niet eerder in de gemeente Apeldoorn een woning voor de inwoner bezoekbaar is gemaakt. In aanvulling op de inwoner die genoemd is in het eerste lid, kan een woning ook bezoekbaar worden gehouden indien de inwoner een student is die gedurende zijn studietijd elders op kamers woont. Onder bezoekbaar houden wordt verstaan: het in bruikleen behouden van verstrekte voorzieningen; het eventuele onderhoud en reparaties van deze verstrekte voorzieningen. Onder bezoekbaar maken wordt verstaan dat de inwoner de woning, de woonkamer en een toilet (zo nodig) kan bereiken en gebruiken met voorzieningen die hiervoor noodzakelijk zijn. 1.2 Mantelzorgunit of woning Betreft de vraag een extra grote woning of een mantelzorgunit op het erf om mantelzorgtaken op zich te kunnen nemen, dan dient men hier zelf voor te zorgen. 1.3 Uitraaskamer Voor een inwoner met een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem die een uitraasruimte nodig heeft om de woning normaal te kunnen gebruiken (bijvoorbeeld veilig verblijven of spelen), kan de uitraasruimte een mogelijke voorziening zijn. 1.4 Rechtstreeks oorzakelijk verband Een woonvoorziening kan pas worden verstrekt indien er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen, en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woning. Wanneer belemmeringen voortvloeien uit de aard en gevolgen van het gebruikte materiaal of de staat van onderhoud van de woning, dan wordt een woonvoorziening niet verstrekt (bijvoorbeeld vocht en tocht of kou als gevolg van enkel glas of gebrekkige ventilatie). Indien er sprake is van onverwacht optredende meerkosten, waarvoor de inwoner niet heeft kunnen reserveren, kan wel een woonvoorziening worden verstrekt. 1.5 Sloop en kraakwoningen Aan bewoners van sloopwoningen en kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, opnieuw te gebruiken woonvoorzieningen verstrekt, aangezien het hier gaat om woningen, waarbij de verdere woonduur beperkt is. 1.6 Toestemming van de woningeigenaar bij bouwkundige en woontechnische aanpassingen Op grond van artikel 2.3.7 van de Wet maatschappelijke ondersteuning moet de eigenaar van een woning een noodzakelijke woningaanpassing die door het college wordt aangebracht accepteren. 2 Voorzieningen in het voorliggend veld Wanneer een inwoner aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, hoeft de gemeente geen voorziening te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de inwoner op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. 2.1 Wet Langdurige Zorg (WLZ) Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan personen die verblijven in een WLZ-instelling. In het geval er sprake is van deeltijdverblijf, kunnen woonvoorzieningen uit de Wmo worden verstrekt. 2.2 Zorgverzekeringswet Wanneer een hulpmiddel uit de Zvw het probleem kan compenseren, wordt geen voorziening uit de Wmo verstrekt. 2.3 Collectieve maatwerkvoorzieningen Als aan de hand van de inventarisatie blijkt dat een roerende woonvoorziening noodzakelijk is, en er een pool van deze voorziening in de nabije omgeving van de inwoner, dan wordt gebruik van deze voorziening als voorliggend beschouwd op een maatwerkvoorziening. Dit kan bijvoorbeeld een tillift of een douchestoel zijn die door meerdere inwoners of bewoners gebruikt kan worden. 3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen 3.1 Specifiek op inwoners met een beperking en ouderen gerichte gebouwen Een voorziening in een specifiek op inwoners met een beperking of ouderen gericht gebouw is algemeen gebruikelijk indien: Op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat het een sociale huurwoning is, die bestemd is voor een specifieke groep bewoners én: deze woning onmiskenbaar niet voldoet aan de vereisten voor een dergelijke woning: Op grond van wettelijke voorschriften; Algemeen aanvaardbare regels, óf; Contractuele bepalingen. Dit geldt ook voor gebouwen die niet specifiek bestemd zijn voor een bepaalde groep bewoners, maar die in de praktijk wel grotendeels door ouderen of inwoners met een beperking worden bewoond. Bijvoorbeeld een woongebouw waar vooral ouderen wonen die loophulpmiddelen (gaan) gebruiken en waarvoor elektrische dooropeners worden gevraagd voor de centrale toegang of algemene ruimtes. 3.2 Renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd Ingeval van renovatie of aanpassing van een woning aan de eisen van de tijd, zal beoordeeld moeten worden of deze voor de inwoner als algemeen gebruikelijk kan worden beoordeeld. 3.3 Achterstallig onderhoud Er hoeft geen woonvoorziening te worden verstrekt, indien de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften. 3.4 Niveau sociale woningbouw Indien er maatwerkvoorzieningen worden getroffen wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. 3.5 Meerkosten bij nieuwbouw In geval van nieuwbouw wordt geen woonvoorziening toegekend indien deze zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 4 Maatwerkvoorzieningen 4.1 Verhuizen Indien de kosten van de verhuizing niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd, kan het college een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekken aan: Een inwoner Een medebewoner van een inwoner indien de aangepaste woonruimte, nadat bewoning door de inwoner met beperkingen beëindigd is, op verzoek van het college vrijkomt voor bewoning van een volgende inwoner met beperkingen. 4.2 Noodzaak tot verhuizen bij belemmeringen in normaal gebruik van de woning Wanneer er belemmeringen zijn in het normale gebruik van een woning waardoor er een acute noodzaak tot verhuizen bestaat, kan hiervoor een tegemoetkoming in de kosten in de verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt. Indien er een noodzaak tot verhuizen bestaat vanwege een andere reden dan het ondervinden van belemmeringen in het normale gebruik van de woning, kan per situatie beoordeeld worden of er een indicatie bestaat voor een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. 4.3 Beperkingen voorzienbaar bij betrekken woning Een woonvoorziening wordt geweigerd indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door een inwoner te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte worden ondervonden. Bij een verhuizing naar een inadequate woning kan de inwoner in aanmerking komen voor een woningaanpassing in het geval er geen adequate woning beschikbaar is en hierover vòòr de acceptatie of aankoop van de woning afstemming is geweest met het college. 4.4 Aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten van een wooncomplex Een aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex kan worden toegekend, indien deze aanpassing voor het complex niet als algemeen gebruikelijk kan worden bezien en het complex niet is aangemerkt als Wlz-verblijf locatie. De aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte kan worden toegekend indien hiermee een woonruimte bereikbaar wordt gemaakt en bestaat uit: het verbreden van een gemeenschappelijke toegangsdeur het aanbrengen van elektrische deuropeners het aanleggen van een hellingbaan het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders een opstelplaats voor rolstoel of vervoerhulpmiddel 5.1 Toegankelijkheid en doorgankelijkheid van de woning Er wordt slechts 1 toegang van de woning geschikt gemaakt. 5.2 Stallingsruimte of berging Indien het noodzakelijk is een stalling aan te passen, kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. 5.3 Sanering van vloerbedekking, gordijnen en bankstel in geval van chronische luchtwegaandoeningen Er kan ten gevolge van een calamiteit een tegemoetkoming in de kosten worden verstrekt voor de kosten van vervanging van vloerbedekking, gordijnen en/of een bankstel. geen tegemoetkoming in de kosten van sanering wordt verstrekt, indien een inwoner bij aanschaf van de artikelen wist dat hij gevoelig was voor bepaalde stoffen. de sanering niet zal leiden tot een verbetering van de situatie van de inwoner. de sanering gevraagd wordt ten gevolge van een verhuizing. 6.1 Aanbouw of uitbreiding van woonruimte Bij een aanbouw of uitbreiding van ruimten wordt het minimaal noodzakelijk aantal m2 verleend. Bijvoorbeeld op basis van het handboek van toegankelijkheid. 6.2 Woonwagens Indien een inwoner een woonwagen bewoont, kan het college een woonvoorziening verstrekken indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is de woonwagen ten tijde van de aanvraag op een standplaats staat als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en de standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt. 6.3 Zorgunits Een zorgunit kan in bruikleen of in de vorm van een pgb worden verstrekt. Voor het bepalen van de kostprijs van een herplaatsbare losse zorgunit bij een woning wordt 3/25e deel van de waarde van deze voorziening inclusief omzetbelasting (btw) aangehouden, plus de volledige kosten van de plaatsing. De looptijd van de eigen bijdrage van zorgunits bedraagt 10 jaar. 7 Onderhoud, keuring en reparatie 7.1. Het college verleent een tegemoetkoming in de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie indien: de woonvoorziening in het kader van de Wmo 2015, Wmo, Wvg of Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is verleend en de inwoner ten tijde van het onderhoud, de keuring of de reparatie de woonruimte als hoofdverblijf heeft of de inwoner zijn hoofdverblijf elders (Wlz of vanwege studie) heeft maar de woning frequent bezoekt en de aanpassingen in het verleden door het college zijn verstrekt. de woonvoorziening niet technisch of economisch is afgeschreven, dit ter beoordeling aan het door een college aangewezen deskundige. 7.2. Het bedrag voor onderhoud, keuring en reparatie wordt vastgesteld op het niveau van de door het college geaccepteerde kosten. 8 Tijdelijke huisvesting, huurderving en het verwijderen van woonvoorzieningen In de Verordening zijn de kaders opgenomen voor de beoordeling van de aanvraag voor: Tijdelijke huisvesting; Huurderving; Het verwijderen van woonvoorzieningen; HoofdstukD.Lokaal verplaatsen per vervoermiddel 1 Inleiding Het college moet de inwoner in staat stellen maatschappelijk te participeren. Hieronder wordt verstaan dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Dit noemen we verplaatsingen in het leven van alledag. 1.2 Aanvaardbare maatschappelijke participatie Het gaat er niet om hoe vaak een inwoner een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen. 1.3 Sport en recreatie Vervoer naar sport en recreatie kunnen behoren tot het maatschappelijke leven van een inwoner. 1.4 Lokaal verplaatsen Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om zich in de directe, eigen woon- en leefomgeving te verplaatsen. Onder de reikwijdte van het begrip "lokaal verplaatsen" wordt een afstand van 25 kilometer vanaf de woning verstaan. Een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand van ongeveer 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar, acht het college in beginsel toereikend om iemand in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Indien de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij een hogere vervoersbehoefte heeft. Het college mag rekening houden met een afwijkende (lagere) vervoersbehoefte dan de vervoersbehoefte die volgens het gemeentelijke beleid in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht. 2. Bovenlokaal verplaatsen Het college biedt geen compensatie voor bovenlokaal vervoer. In bepaalde uitzonderingssituaties zoals dreigende vereenzaming, ziekenhuisbezoek bovenlokaal, dagbesteding bovenlokaal kan een inwoner gecompenseerd worden voor het bovenlokaal vervoer. Voor bovenlokaal vervoer via eigen auto of derde, bedraagt de tegemoetkoming in de meerkosten € 0,38 per kilometer. De tegemoetkoming in de meerkosten wordt in maandelijkse termijnen en bij vooruitbetaling uitgekeerd. Zie hiervoor bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 voor de geldende tarieven. 3.1 Openbaar vervoer Het openbaar vervoer kan als een passende voorliggende voorziening worden gehanteerd, wanneer een inwoner het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken. 3.2 Valys Gebruik van Valys is voorliggend voor vervoer naar bestemmingen verder dan 25 kilometer van het woonadres. 3.3 OV-begeleiderskaart Het gebruik van een OV-begeleiderskaart kan voorliggend zijn op het inzetten van maatwerk. 3.4 Vervoer naar basis en voortgezet (speciaal) onderwijs Voor vervoer naar basis en voortgezet (speciaal) onderwijs kan een beroep gedaan worden op Leerlingenvervoer. Dit is voorliggend op maatwerk vanuit de Wmo. 3.5 Vervoer naar beroepsonderwijs Als een inwoner gebruik kan maken van een vervoersvoorziening op grond van de WIA, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt. 3.6 Vervoer naar werk Als een inwoner gebruik kan maken van een vervoersvoorziening op grond van de WIA, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt. 3.7 Vervoer naar dagbehandeling Jeugdwet Voor jeugdigen tot 18 jaar kan voor vervoer naar dagbehandeling een beroep gedaan worden op de Jeugdwet. 3.8 Vervoer naar dagbesteding Jeugdwet Voor jeugdigen tot 18 jaar kan voor vervoer naar dagbesteding geïndiceerd vanuit de Jeugdwet een beroep gedaan worden op deze Jeugdwet. 3.9 Vervoer vanuit school naar buitenschoolse opvang/dagbehandeling Voor vervoer naar buitenschoolse opvang/ dagbehandeling vanuit school kan een beroep gedaan worden op Leerlingenvervoer of Jeugdwet. 3.10 Vervoer naar dagbehandeling 18+/volwassenen Thuiswonenden met een Wlz indicatie, kunnen het vervoer naar dagbesteding of dagbehandeling vergoed krijgen vanuit hun zorgprofiel. Thuiswonenden zonder Wlz indicatie die in het kader van dagbehandeling vervoer nodig hebben, kunnen een beroep doen op de Subsidieregeling extramurale behandeling. 3.11 Vervoer naar een ziekenhuis Indien de inwoner gebruik kan maken van medisch vervoer op grond van de Zvw, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt voor dit doel. Indien de inwoner geen aanspraak kan maken, dan valt het medisch vervoer onder de compensatieplicht. 3.12 Maatschappelijke participatie mensen met een Wlz indicatie Vanaf 1 januari 2020 krijgen bewoners van Wlz-instellingen hulpmiddelen niet meer uit de Wmo of Zvw maar uit de Wlz. Het gaat om individuele vervoersvoorzieningen, zoals een rolstoel en een scoot-mobiel en roerende woonvoorzieningen, zoals tilliften en douchezitjes. Het college is verantwoordelijk voor bewoners van Wlz-instellingen voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Het college is verantwoordelijk voor vervoer voor inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen met een Volledig Pakket Thuis of een Modulair Pakket Thuis. 3.13 Bijzondere bijstand Indien via bovenwettelijk begunstigend beleid via de Bijzondere Bijstand een vergoeding kan worden verleend, is dit voorliggend op maatwerk vanuit de Wmo. 4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het college hoeft geen maatwerkvoorziening te verstrekken wanneer de voorziening algemeen gebruikelijk is. Vervoerskosten, ook voor de hieronder vermelde algemene voorzieningen, behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in principe uit het inkomen op bijstandsniveau worden betaald. Een voorziening kan echter nooit zonder meer algemeen gebruikelijk worden genoemd. Er moet steeds beoordeeld worden of de specifieke voorziening ook voor de inwoner in het concrete geval algemeen gebruikelijk is. Behoort de voorziening naar geldende maatschappelijke opvattingen ook tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als belanghebbende? 4.1 Algemeen gebruikelijk Wanneer een voorziening voor de inwoner noodzakelijk is, maar deze zit in de WSNP, dan is voldoende vastgesteld dat de kosten voor de algemeen gebruikelijke voorziening niet bekostigd kunnen worden. Wanneer een voorziening voor de inwoner noodzakelijk is, maar deze krijgt schuldhulpverlening via de Stadsbank, dan is voldoende vastgesteld dat de kosten voor de algemeen gebruikelijke voorziening niet bekostigd kunnen worden. Via een voorzieningencheck en budgetadvies van sociaal raadslieden kan onderzocht worden of er voldoende draagkracht is om een voorziening aan te schaffen of dat deze voor deze inwoner niet als algemeen gebruikelijk kan worden geacht. Hieronder volgen voorbeelden van vervoersvoorzieningen of accessoires die als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt: Fiets Bakfiets of tandem met en zonder trapondersteuning Spartamet Fiets met (lage instap
  4. en)trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor) Balansfiets Oplaadpunt elektrische fiets Stalling algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening Fietszitje voor kind Fietskar achter de fiets Schootskleed voor scootmobiel Winterbeenbekleding voor scootmobiel Autoaanpassingen die de fabrikant kan treffen voor levering worden niet vergoed; elektrisch bedienbare ramen; kosten van een APK-keuring; een derde of vijfde deur en warmtewerend glas; cruise control automatische transmissie stuurbekrachtiging elektrische achterruitwisser airco standkachel opklapbare achterbank achterruitverwarming Indien dergelijke aanpassingen nodig zijn bij een aangepaste bruikleenbus/auto, kunnen deze, indien noodzakelijk, worden gecompenseerd. 4.2 Beschikbaarheid eigen auto Indien de inwoner de beschikking heeft over een eigen auto, hoeft deze niet voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer of individueel (rolstoel)taxivervoer in aanmerking te worden gebracht. Indien de inwoner beschikt over een eigen auto, zijn de kosten voor het gebruik van een eigen auto in beginsel eveneens algemeen gebruikelijk. 5 Maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening kan een voorziening zijn of een aanpassing aan een voorziening. Deze kan verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De Wmo geeft gemeenten tevens de bevoegdheid om burgers financieel tegemoet te komen als zij als gevolg van een chronische ziekte of een beperking aannemelijke meerkosten moeten maken. Dan kan een tegemoetkoming in de meerkosten worden verstrekt. 5.1 Primaat collectief vervoer In de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 is opgenomen dat het collectief vervoer via PlusOV voorliggend is op het verstrekken van individuele maatwerk vervoersvoorzieningen. 5.2 Collectief vraagafhankelijk vervoer via PlusOV Indien gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is, kan Collectief Vraagafhankelijk Vervoer via PlusOV worden geïndiceerd. Een inwoner moet verplicht onder begeleiding reizen indien de begeleiding van de chauffeur onvoldoende is. De begeleider reist dan kosteloos mee. Wanneer inwoner niet om medische redenen op iedere rit begeleiding nodig heeft, maar wel incidenteel begeleiding nodig is, kan de indicatie sociale begeleiding worden afgegeven. De begeleider reist dan kosteloos mee. Voor kinderen onder de 12 jaar kan een sociale begeleidersindicatie worden afgegeven. De begeleider reist dan kosteloos mee. Op basis van de indicatie rechtstreeks wordt een cliënt rechtstreeks van ophaaladres naar bestemmingsadres gebracht, alvorens eventuele medereizigers worden weggebracht. Op basis van de indicatie kamer tot kamer wordt inwoner opgehaald op de kamer/wooneenheid en begeleidt naar het voertuig, en omgekeerd. Op basis van de indicatie voorin dient cliënt voorin het voertuig vervoerd te worden. Op basis van de indicatie geen taxi/personenauto wordt cliënt uitsluitend vervoerd met een personenbus. De opties e t/m h zijn kostenverhogend en zijn alleen mogelijk als hiervoor een medische noodzaak is vastgesteld. 6.1 Collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk Als het collectief Vraagafhankelijk Vervoer geen oplossing biedt, kan een andere maatwerkvoorziening worden verstrekt. 6.2 Individueel (rolstoel)taxivervoer via Plus OV Is samen reizen om medische redenen niet mogelijk, dan kan het college individueel (rolstoel)taxivervoer toekennen. 6.3 Kilometerbudget ten behoeve van een (rolstoel)taxi Indien collectief vraagafhankelijk vervoer of individueel (rolstoel)taxivervoer via PlusOV niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een taxi-kilometerbudget of rolstoel taxi-kilometerbudget verstrekken indien het vervoer betreft anders dan naar maatwerkvoorziening begeleiding groep of Apeldoorn Werkt Mee. Het kilometerbudget als genoemd in het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op 1.500 tot maximaal 2.000 taxikilometers per jaar. Voor de gebruikers geldt hiervoor een ritbijdrage per kilometer plus een opstaptarief per rit. Zie hiervoor bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023 voor de geldende tarieven. De ritbijdrage als bedoeld in het derde lid van dit artikel wordt achteraf en maandelijks via automatische incasso geïnd. Het budget voor samenwonende partners, die een ten dele samenvallende vervoersbehoefte hebben, bestaat uit maximaal anderhalf maal het taxikilometerbudget dat individueel geldt. Het budget wordt door twee gedeeld en individueel toegekend. 6.4 Vervoer van en naar maatwerkvoorziening Begeleiding Groep Hiervoor wordt routegebonden vervoer ingezet. Dit is vervoer op vaste tijden en naar vaste bestemmingen. Vervoer van en naar een locatie voor groepsbegeleiding georganiseerd door een aanbieder kan worden ingezet als het routegebonden vervoer niet passend is voor de inwoner of dit de goedkoopst compenserende oplossing is. Indien noodzakelijk is dat de aanbieder ook het vervoer van en naar de locatie voor groepsbegeleiding organiseert, wordt voor het bepalen van de kostprijs verwezen naar de tarieven in bijlage 1 bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023. 6.5 Vervoer van en naar dagbesteding algemene voorziening De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het organiseren van het vervoer naar de dagbesteding algemene voorziening. Heeft de inwoner een maatwerkvoorziening voor het vervoer, bijvoorbeeld collectief vraagafhankelijk vervoer of een scootmobiel, dan kan hij hiervan gebruik maken voor het vervoer naar de dagbesteding algemene voorziening. Dit stelt hem in staat te participeren en sociale contacten aan te gaan. Indien de inwoner zonder een maatwerkvoorziening voor vervoer de kosten van noodzakelijk vervoer naar de dagbesteding algemene voorziening niet kan dragen, kan een tegemoetkoming in de kosten worden gegeven. 6.6 Gebruik van eigen auto of vervoer door derden (voor lokale verplaatsingen) Indien collectief vraagafhankelijk vervoer of individueel (rolstoel)taxivervoer via PlusOV niet mogelijk is, kan het college een tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto toekennen voor zover deze kosten niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd voor de inwoner. Een tegemoetkoming in de meerkosten als bedoeld in dit artikel bedraagt een bedrag per kilometer. Zie hiervoor bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023. De tegemoetkoming als genoemd in dit artikel wordt in maandelijkse termijnen en bij vooruitbetaling uitgekeerd. De tegemoetkoming voor samenwonende partners, die een ten dele samenvallende vervoersbehoefte hebben, bestaat uit maximaal anderhalf maal het normbedrag dat individueel geldt. De tegemoetkoming als genoemd in het vorige lid van dit artikel wordt door twee gedeeld en maandelijks individueel uitgekeerd. 6.7 Afkoop collectief vraagafhankelijk vervoer voor autoaanpassing Indien het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) wel mogelijk is, maar de inwoner gebruik wenst te maken van een eigen aan te passen auto, kan een tegemoetkoming in de kosten van het aanpassen van de auto worden verstrekt indien deze aanpassing noodzakelijk is. Deze tegemoetkoming in de kosten bedraagt een maximum bedrag voor de duur van 7 jaar. Is het bedrag lager dan het maximum bedrag, dan wordt dit bedrag uitbetaald en de duur naar rato bepaald. Zie bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning. De inwoner mag dan gedurende de periode waarover het CVV is afgekocht, geen gebruik maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer of een andere maatwerkvoorziening voor vervoer voor (middel)lange afstanden. De inwoner dient de autoaanpassing zelf te verzekeren. Voor aanvullende kosten die voortkomen uit de aanschaf van de autoaanpassing kan geen beroep worden gedaan op de Wmo. Bij vervanging van de auto komen de kosten voor overzetting van de aanpassing(
  5. en)voor rekening en risico van de inwoner 6.8 Auto(aanpassingen) Een (tegemoetkoming in de kosten van een) autoaanpassing kan worden verstrekt indien: Gebruik van openbaar vervoer, Collectief Vraagafhankelijk Vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer niet mogelijk zijn of: Een autoaanpassing de goedkoopst compenserende oplossing is. 6.9 Aangepast autozitje voor een kind Indien een kind geen plaats kan nemen in een regulier autozitje, kan het noodzakelijk zijn een aangepaste autozitje in bruikleen te verstrekken. 6.10 Meerkosten aangepaste auto of bus Indien een auto in aangepaste auto noodzakelijk is, worden uitsluitend de meerkosten door het college vergoed. Voor het bepalen van de hoogte van de aanschafprijs van een auto welke algemeen gebruikelijk wordt geacht wordt de aanschafprijs referentieauto uit de normenlijst van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aangehouden. Een meerkostenvergoeding voor een aangepaste auto/bus wordt niet vaker dan eenmaal per 10 jaar verstrekt. 6.11 Bruikleenauto/bruikleenbus Indien een auto voor een inwoner niet algemeen gebruikelijk kan worden geacht maar wel noodzakelijk wordt bevonden door het college, dan kan hij in aanmerking worden gebracht voor een bruikleenauto. 6.12 Europese gehandicaptenparkeerkaart Op grond van Artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kan het college een Europese gehandicaptenparkeerkaart verstrekken. 6.13 Gemeentelijke gehandicaptenparkeerkaart Op grond van de “Uitvoeringsvoorschriften gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Apeldoorn” kan het college een gemeentelijke gehandicaptenparkeerkaart verstrekken. 6.14 Gehandicaptenparkeerkaart op kenteken Het college kan een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken toekennen (Verkeersbesluit) indien de inwoner voldoet aan de criteria die daarvoor zijn opgenomen In de “Uitvoeringsvoorschriften gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Apeldoorn”. 6.15 Combinatie van maatwerkvoorzieningen voor verplaatsingen korte, middellange en lange afstanden In aanvulling op reizen met (collectieve) taxi of auto kan een andere maatwerkvoorziening worden verstrekt. Met deze maatwerkvoorziening moet dan wel in een ander, substantiële vervoersbehoefte worden voorzien. Het gaat dan om korte afstanden. Een voorziening wordt als additioneel beschouwd wanneer deze geen aanvulling biedt op de reeds in gebruik zijnde mogelijkheden voor verplaatsingen in het leven van alledag. Deze voorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking. 6.16 Haalbaarheidstoets, instructie en gewenningslessen Standaard wordt door de leverancier in ieder geval bij een eerste uitlevering een haalbaarheidstoets, instructie en gewenningsles gegeven. 6.17 Stalling van hulpmiddelen Hulpmiddelen voor vervoer dienen gestald te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde en indien noodzakelijk van elektrische aansluiting voorziene ruimte. Zo is het hulpmiddel beschermd tegen diefstal, vernieling en weersinvloeden. Indien adequate stallingsruimte ontbreekt en niet te realiseren is, kan geen voorziening worden verstrekt en onderzoekt het college de mogelijkheid voor een andere passende oplossing voor het vervoersprobleem. Indien het noodzakelijk is een stalling aan te passen, kan hiervoor een voorziening in natura dan wel een pgb worden verstrekt. Bijvoorbeeld het verbreden van de toegangsdeur of het aanleggen van een oplaadpunt. Indien noodzakelijk kan het college huurkosten of plaatsingskosten van een stallingsruimte vergoeden. Indien een hulpmiddel niet in de gemeenschappelijke ruimte kan worden gestald, dan wordt samen met inwoner en verhuurder naar een andere mogelijkheid gezocht. 6.18 Onderhoud en reparatie vervoersvoorzieningen Het college kan een vergoeding voor onderhoud en reparatie verstrekken. HoofdstukE.Verplaatsen over korte en middellange afstand 1 Inleiding Wanneer iemand beperkt is in de mobiliteit over de korte afstand (loopafstand) kunnen voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning gebruikt worden. Richtlijn is dat de inwoner in staat gesteld moet worden om zich binnenshuis en buitenshuis in een straal van 100 meter om de woning zelfstandig moet kunnen voortbewegen. Niet uitsluitend voor verplaatsingen in en om de woning kan compensatie worden aangeboden. Ook wanneer iemand zich dagelijks over middellange afstanden (fietsafstand) moet verplaatsen en hiertoe niet in staat is, kan een voorziening noodzakelijk zijn. Wanneer iemand niet in staat is al dan niet met andere hulpmiddelen een afstand van zo’n 1.000 meter binnen een half uur af te kunnen leggen. Ter compensatie van de beperkingen kan gedacht worden aan rolstoelen voor dagelijks zittend verplaatsen, zowel door lichaamskracht als elektrisch voort te bewegen. Ook een buggy voor kinderen valt hieronder. 2 Verplaatsen onder de Wmo Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om inwoners die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel of vergelijkbare voorziening. 3 Voorzieningen in het voorliggend veld Een inwoner kan voor loophulpmiddelen mogelijk aanspraak maken op de Zorgverzekeringswet. Rolstoelen voor incidenteel gebruik zijn niet bedoeld voor dagelijks zittend verplaatsen. Deze voorzieningen vallen daarom onder mogelijkheden anderen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. Voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning worden verstrekt aan cliënten met een zelfstandige woonruimte. 4 Maatwerkvoorzieningen Programma van eisen Als er noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening voor dagelijks gebruik in de vorm van een hulpmiddel voor verplaatsingen, kan door het college een programma van eisen worden opgesteld. Het college kan hiervoor een ergonomisch of medisch advies inwinnen bij een daartoe gecontracteerde adviesinstantie. Mantelzorgtaken die vallen onder de compensatieplicht van de Wmo Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, er duwondersteuning op de rolstoel verschaft kan worden. In eerste instantie is echter de zelfredzaamheid van de inwoner het uitgangspunt. Wanneer deze inwoner aangeeft ondersteuning nodig te hebben van een mantelzorger worden de (on)mogelijkheden van de vaste mantelzorger onderzocht. HoofdstukF.Rolstoel en sportvoorziening 1 Inleiding Het is belangrijk voor mensen om de mogelijkheid te hebben om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te kunnen gaan, dat wil zeggen lokaal en in het leven van alledag. Een vervoers- of verplaatsingshulpmiddel is veelal nodig om andere locaties waar activiteiten plaatsvinden te bereiken. 2 Maatwerkvoorzieningen Gebruik van een voorziening via de uitleen of via een pool kan als voorliggend worden beschouwd op een maatwerkvoorziening. Rolstoel en scootmobiel voor incidenteel gebruik Indien een inwoner voor incidenteel gebruik een voorziening nodig heeft om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan, wordt onderzocht in hoeverre deze gebruik kan maken van een voorziening via de uitleen of een pool. Een rolstoel die slechts tijdelijk of incidenteel wordt gebruikt, kan geleend worden via de Zorgverzekeringswet-uitleen. Hier kunnen voorzieningen kosteloos 26 weken geleend worden, en daarna gehuurd worden tegen betaling. Bij het bezoek aan openbare gebouwen, pretparken etc. kan vaak gebruik worden gemaakt van een ter plekke beschikbaar gestelde leenrolstoel. Scootmobielen kunnen geleend worden via de scootmobielpool Sporthulpmiddel Het college biedt inwoners met een beperking die voldoende participeren de mogelijkheid een sport te beoefenen. De sport moet regelmatig worden beoefend. Dit gaat niet om sporten die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën en snowboarden tijdens vakanties. Heeft de inwoner de sport van zijn keuze nog niet eerder beoefend of wil hij een andere sport beoefenen dan hij deed, dan kan Uniek Sporten adviseren bij het zoeken van een passende sport en biedt de mogelijkheid om sporthulpmiddelen voor maximaal 6 maanden kosteloos te lenen om te proberen of de betreffende sport ook daadwerkelijk passend is. Dit onderzoek dient vooraf te gaan aan het toekennen van een financiële tegemoetkoming voor een sporthulpmiddel. Zie de website www.unieksporten/nl Heeft de inwoner een keuze gemaakt voor een sport, dan onderzoekt het college vervolgens of de sport beoefend kan worden middels het gebruiken van een (sport)hulpmiddel dat is verstrekt aan of beschikbaar is bij een lokale sportvereniging. Denk bijvoorbeeld aan een racetandem voor inwoners met een visuele beperking. Is gebruik hiervan niet mogelijk of niet beschikbaar dan kan er een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor een individueel sporthulpmiddel. Een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van een sporthulpmiddel kan worden toegekend indien de inwoner een sport op recreatief niveau zelfstandig wenst te beoefenen, en dit om medische redenen niet zonder sporthulpmiddel kan doen. Er wordt uitsluitend een financiële tegemoetkoming verstrekt in de aanschaf en de kosten verband houdend met dit sporthulpmiddel, zoals bijvoorbeeld onderhoud, reparatie, verzekering of stalling. HoofdstukG.Begeleiding Individueel 1. Afbakening Begeleiding individueel 1.1 Het product Begeleiding Individueel wordt ingezet voor ondersteuningsbehoeften in de thuissituatie gericht op zelfredzaamheid en participatie, behalve ondersteuning gericht op het werk en/of structurele daginvulling op trede 3 t/m 6 (zie hoofdstuk H Begeleiding Groep). Inwoners op trede 1 of 2 die zich niet verder kunnen ontwikkelen vallen voor het toeleiden naar structurele daginvulling mogelijk wel onder het product Begeleiding Individueel. Zie hoofdstuk H Begeleiding Groep en Werkt Mee. 1.2 Als een inwoner zowel de producten Begeleiding Individueel en Hulp in het huishouden heeft of toegekend krijgt, waarbij de organisatie van het huishouden overgenomen moet worden (regie bij het organiseren van huishoudelijke taken), valt deze overname onder het product Begeleiding Individueel en wordt het product ‘regie op gestructureerd huishouden’ niet ingezet maar schoon huis. Individuele begeleiding is gericht is op de algehele zelfredzaamheid in het dagelijks leven van de inwoner, waarvan het huishouden onderdeel uitmaakt. 2. Cliëntprofielen en producten Begeleiding Individueel 2.1 De productkeuze vanuit Begeleiding Individueel wordt bepaald op basis van de genoemde cliëntprofielen vanuit het zorgproductenboek van de ZorgRegio MIJ/OV https://www.zorgregiomijov.nl/aanbieders/104-documenten-en-downloads 2.2 Vanuit het zorgproductenboek is ook bepaald welke producten onder welke cliënttypen vallen. Begeleiding Individueel Complex onder Crisis en Intensief; Begeleiding Individueel Basis onder Perspectief en Duurzaam. 2.3 Begeleiding Individueel Basis De inwoner heeft regie maar de vraag gaat veelal om het vasthouden of vergroten van de regie. Er is ondersteuning nodig bij het leren (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar psychosociale problematiek. De inwoner heeft ondersteuning nodig om tot actie over te gaan en overzicht te krijgen. 2.4 Begeleiding Individueel complex De inwoner ervaart regieverlies, weet niet meer wat te doen, is het overzicht kwijt, kan problematiek niet meer voldoende managen. De situatie is instabiel, er is een reëel risico op het ontstaan van een crisis. Regie moet (deels) overgenomen worden. De inwoner zit met het denken en handelen vast in bepaalde patronen en heeft ondersteuning nodig om deze te doorbreken. Inwoner heeft onvoldoende inzicht in eigen problematiek. De cliënt en/of zijn systeem heeft begeleiding nodig bij het (h)erkennen vanen leren omgaan met zijn of haar psychosociale problematiek. Er is sprake van meervoudige en complexe problematiek op meerdere leefgebieden bij de inwoner en/of cliëntsysteem. Bij het stellen van de indicatie is niet de complexiteit van de problematiek van de inwoner leidend voor het vaststellen of begeleiding basis of complex nodig is maar de benodigde hulp om zelfredzaam te kunnen zijn en in de woning te kunnen blijven wonen. HoofdstukH.Begeleiding Groep 1.1. Participatie De ontwikkeling van inwoners brengen we in beeld met de participatieladder. De participatieladder kent zes treden van geïsoleerd werk (trede 1) tot en met betaald werk (trede 6). In dit hoofdstuk behandelen we ondersteuning gericht op ontmoeten (trede 2), ondersteuning gericht op een ‘bijdrage leveren’ (trede 3) en ‘onbetaald werk’ (trede 4) verrichten. We stimuleren inwoners zo mogelijk om stappen te zetten op de participatieladder (naar trede 3, 4 en 5 ‘betaald werk met ondersteuning’). In dit hoofdstuk behandelen we eerst ontmoeten (trede 2 van de participatieladder). Daarna gaan we dieper in op Werkt Mee-producten (naar of op trede 3 en 4, en naar trede 5 van de participatieladder). Werkt Mee-producten zetten we in voor inwoners van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd met een grote afstand (meer dan 1 jaar) tot de arbeidsmarkt. Werkleerbedrijf Lucrato richt zich op inwoners die binnen 1 jaar zicht hebben op betaald werk. 1.2. Participatieladder trede 2 ontmoeten 1.2.1. Inleiding Binnen de gemeente Apeldoorn zijn er vele activiteiten en locaties gericht op dat mensen elkaar kunnen ontmoeten. Voor mensen die daarbij ondersteuning nodig hebben zijn activiteiten zowel vormgegeven binnen de algemene voorzieningen als binnen maatwerkvoorzieningen1ook wel Begeleiding Groep of Werkt Mee genoemd. . 1.3. Algemene voorzieningen ontmoeten, Begeleiding Groep en ondersteuning Het uitgangspunt is dat ontmoeten in de eerste plaats door inwoners zelf vorm en inhoud wordt gegeven. Bijvoorbeeld op (sport)clubs, in kerken, thuis, in horecagelegenheden en in buurthuizen. Onder ontmoeten binnen de algemene voorzieningen verstaan we de activiteiten die de Basisontmoetingsplekken bieden voor zowel volwassenen als de jeugd. Ook inwonersondersteuners en vrijwilligers dragen er aan bij dat inwoners kunnen participeren. De gemeente Apeldoorn kent een goede basisinfrastructuur van Algemene voorzieningen, die de gemeente subsidieert. Deze infrastructuur biedt ook ondersteuning aan mensen die dit nodig hebben. Binnen de algemene voorzieningen gaat het in essentie om de lichtere vormen van ondersteuning dat geboden wordt op de Basisontmoetingsplekken, door de vele vrijwilligers in Apeldoorn of door inwonersondersteuners. Het jongerenwerk valt ook onder de Algemene voorzieningen. De Algemene voorziening ontmoeten kan gebruikt worden door alle inwoners. Voor de algemene voorzieningen en collectieve- en individuele ondersteuning geldt een lichte toets. Voorbeeld van een collectieve ondersteuning zijn de basisontmoetingsplekken en de inwonersondersteuning. Vanuit de ondersteuningsbehoeften van de inwoner kan hij gebruik maken een inwonersondersteuner voor bijvoorbeeld informatie en advies, onafhankelijke inwonersondersteuning, kortdurende individuele inwonersondersteuning of een vorm van collectieve ondersteuning en/of waakvlamcontact. De lichte toets voor algemene voorzieningen houdt in: Is de algemene voorziening daadwerkelijk beschikbaar (wachtlijsten, etc.)?; Biedt de algemene voorziening adequate compensatie?; Is de inwoner in staat dit financieel te dragen? Op een Basisontmoetingsplek onderscheiden we de volgende activiteiten: Ontmoetingsactiviteiten Collectieve ondersteuning Recreatieve daginvulling Sociaal juridisch spreekuur Jeugd- en jongerenwerk locatiegebonden Binnen het Jeugd- en jongerenwerk onderscheiden we twee soorten: Organiseren van ontmoetingsactiviteiten Collectieve ondersteuning Dit aanbod is te vinden op www.ontmoetelkaarinapeldoorn.nl Binnen de algemene voorzieningen Inwonersondersteuning onderscheiden we de volgende onderdelen: Informatie en advies Onafhankelijke cliëntondersteuning Individuele ondersteuning Collectieve inwonersondersteuning Waakvlamcontact Leefbaarheid en samenredzaamheid 1.4 Maatwerkvoorzieningen begeleiding groep Bij deze vorm van participatie gaat het om het laagdrempelig meedoen in de samenleving met ondersteuning. Vanuit de participatieladder kun je deze doelgroep voornamelijk zien onder trede 1 en 2; Inwoners die een pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben ( > 67 jaar); Er is geen ontwikkelmogelijkheid richting trede 3 en de inzet is vooral gericht op het behouden/vasthouden van vaardigheden, handelingen en taken. De maatwerkvoorzieningen begeleiding groep richt zich op doelgroepen veelal dicht tegen de Wlz (Wet langdurige zorg) bijvoorbeeld ernstige dementie. 1.4. Clientprofielen producten Begeleiding Groep De productkeuze vanuit Begeleiding Groep wordt bepaald op basis van de genoemde cliëntprofielen vanuit het zorgproductenboek van de ZorgRegio MIJ/OV https://www.zorgregiomijov.nl/aanbieders/104-documenten-en-downloads Vanuit het zorgproductenboek is ook bepaald welke producten onder welke cliënttypen vallen. Begeleiding Groep Basis valt onder de clientprofielen Perspectief, Duurzaam en Intensief; Begeleiding Groep Complex valt onder clientprofiel Intensief; Begeleiding Groep Duurzaam Intensief onder Duurzaam. 1.4.1. Omvang Begeleiding Groep Begeleiding groep wordt vastgesteld in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Als er meer ondersteuning nodig is dan 9 dagdelen per week, dan moet er onderzocht worden of er zorg in nabijheid nodig is en/of een inwoner aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg (Wlz). Het aantal dagdelen Begeleiding Groep dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van: de noodzaak: hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of oplossingen in het voorliggende veld? de mogelijkheden van de inwoner: hoeveel kan de inwoner fysiek en mentaal aan? Apeldoorn Werkt Mee 2. Participatieladder naar trede 3, op trede 3 of 4 en naar trede 5 2.1 Inleiding Werkt Mee heeft als doel het ondersteunen van inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, die behoren tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd, die actief een bijdrage willen leveren aan de samenleving, die willen werken en hierbij ondersteuning nodig hebben. Er wordt zoveel mogelijk reguliere vormen van werk met ondersteuning ingezet zodat een inwoner kan participeren zodat hij of zij een bijdrage kan leveren aan de inclusieve samenleving. Er wordt waar mogelijk ingezet op ontwikkeling en doorstroom naar een volgende stap op de participatieladder. Voor deze inwoners wordt passend werk georganiseerd, zo lokaal en regulier mogelijk en gericht op ontwikkeling. Door deze inwoners zoveel mogelijk in reguliere vormen van werk met ondersteuning te laten participeren wordt een bijdrage geleverd aan een inclusieve samenleving. Er wordt zoveel mogelijk ingezet op ontwikkeling en op doorstroom naar een volgende stap op de participatieladder. De Werkt Mee-werkplekken bestaan uit het aanbieden van passende werkzaamheden inclusief de bijbehorende begeleiding, waardoor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. Het gaat om werkplekken op trede 3 (bijdrage leveren) en trede 4 (onbetaald werk) van de participatieladder. Wanneer de cliënt zich kan ontwikkelen naar een volgende trede op de participatieladder omvat ‘Werkt Mee’ ook de begeleiding van het traject dat de cliënt hiervoor moet doorlopen. De mate van begeleiding is afhankelijk van de vraag van de cliënt. De positie van de cliënt op de participatieladder hangt hiermee samen, namelijk naar trede 3,4 of 5. Bij de keuze van passende werkzaamheden wordt uitgegaan van de kracht en de kwaliteiten van de cliënt en het werk dat daarbij past, in plaats van de belemmeringen en de zorg die nodig is. Het aanbod is te vinden op www.apeldoornwerktmee.nl Wet langdurige zorg i.r.t. producten Werkt Mee Wanneer een inwoner een indicatie vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) heeft, dan komt deze inwoner niet in aanmerking voor een toewijzing Apeldoorn Werkt Mee, tenzij: de inwoner een uitkering Participatiewet heeft; en perspectief heeft op betaald werk (doeltrede 5 of 6) binnen maximaal twee jaar; en doorstroom naar doeltrede 5 of 6 naar verwachting en ter beoordeling van de trajectregisseur niet binnen 1 jaar mogelijk is. Heeft de inwoner perspectief op betaald werk binnen 1 jaar dan wordt hij direct doorverwezen naar Werkleerbedrijf Lucrato Het college wil met dit product bereiken dat met name jongeren met een Wlz-indicatie zo veel mogelijk een betaalde baan krijgen. 2.2 Oriëntatiefase Werkt Mee ‘Werkt Mee’ Oriëntatie Aanvullend op de producten van ‘Werkt Mee’ biedt de gemeente Apeldoorn ook een oriëntatiefase aan. Dit traject is erop gericht om cliënten die zich op trede 2 t/m 4 van de participatieladder bevinden inzicht te geven in de wensen, mogelijkheden en perspectief ten aanzien van werk. Het traject wordt afgesloten met een schriftelijk advies over een passende werkplek en/of werkveld, opleidingsmogelijkheden en de te nemen vervolgstappen. Het oriëntatietraject wordt door het Centrum Apeldoorn Werkt uitgevoerd en duurt maximaal 3 maanden. In het Centrum Apeldoorn werkt zijn de verschillende ketenpartners (gemeente, onderwijs, (sociale) ondernemingen, werkbedrijf en zorg) vertegenwoordigd. Dit Centrum Apeldoorn werkt krijgt ook een advies- en informatiefunctie en gaat een rol spelen in de verdere ontwikkeling van Werkt Mee. 2.3 Maatwerkvoorzieningen Werkt Mee Werkt Mee wordt voor 36 uur per week afgegeven. Hierbij sluiten we aan bij de in Nederland gebruikelijke 36-jarige werkweek. De ‘Werkt Mee’ maatwerkvoorzieningen bestaan uit: werkplekken op trede 3 en trede 4 en ontwikkeltrajecten naar trede 3, 4 of 5. I Werkplek op trede 3 en 4 de begeleiding van het traject is gericht op de persoonlijke ontwikkeling volgens de gestelde doelen die aansluiten bij het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt; de indicatie duurt maximaal 2 jaar en kan worden verlengd; vergoeding aan de aanbieders vindt plaats op basis van aantal uren per week (maatwerk) met een vast uurtarief. de cliënt betaalt geen eigen bijdrage. Er zijn hierbinnen twee producten: Cliëntprofiel werkplek trede 3: De cliënt levert een bijdrage aan de samenleving (trede drie van de participatieladder) met lage werkdruk, nog weinig eigen verantwoordelijkheid en/of zelfstandigheid. Begeleiding is op de werkplek en nabij. Cliëntprofiel werkplek trede 4: De cliënt voert onbetaald zelfstandig werkzaamheden of taken uit (trede 4 van de participatieladder), waarbij sprake is van (enige mate van) verantwoordelijkheid en werkdruk en/of de opbrengst van de cliënt heeft economische waarde. Begeleiding is op afstand (oproepbaar). II Ontwikkeling naar trede 3,4 of 5 bij dit product gaat het om de ontwikkeling naar een volgende trede op de participatieladder (resultaatgericht); het traject bevat de begeleiding ter ondersteuning van de cliënt zodat deze een stap zet naar de afgesproken trede op de participatieladder ; de begeleiding van het traject is gericht op de persoonlijke ontwikkeling volgens de gestelde doelen die aansluiten bij het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt; het ontwikkeltraject duurt zes maanden en kan indien nodig een keer worden verlengd; er geldt een vaste trajectprijs. Er zijn binnen Werkt Mee ontwikkeling 3 producten. Vaak vindt de toewijzing hiervan plaats in combinatie met een toewijzing ‘Werkt Mee op trede 3’ of ‘Werkt Mee op trede 4. Cliëntprofiel Ontwikkeling naar trede 3: De cliënt wil zich ontwikkelen naar trede 3 van de participatieladder (bijdrage leveren aan de samenleving). De cliënt bevindt zich bij de start op trede 2 van de participatie ladder. Begeleiding is gericht op het bieden van structuur en aanzet werknemersvaardigheden. Cliëntprofiel Ontwikkeling naar trede 4: De cliënt wil zich ontwikkelen naar trede 4 van de participatieladder (onbetaald werk). De cliënt bevindt zich bij de start op trede 2 of trede 3 van de participatie ladder. Begeleiding is gericht op ontwikkelen van werknemersvaardigheden en eerste aanzet vakvaardigheden. Cliëntprofiel Ontwikkeling naar trede 5: De cliënt wil zich ontwikkelen naar trede 5 of trede 6 van de participatieladder (betaald werk met of zonder ondersteuning). De cliënt bevindt zich bij de start op trede 2, trede 3 of trede 4 van de participatie ladder. Begeleiding is gericht op ontwikkelen van vakvaardigheden en voorbereiden op/vinden van betaald werk. Voor I en II geldt: de deelnemer heeft waar mogelijk de regie; de deelnemer krijgt ondersteuning van de aanbieder bij het opzetten en onderhouden van een portfolio, waarin de talenten, opgedane kennis, werkzaamheden en behaalde certificaten in beeld worden gebracht; de deelnemer ontvangt van de aanbieder wanneer nodig lichte ondersteuning op de algemene dagelijkse levensverrichtingen tijdens de taken/ werkzaamheden. Bij een combinatie van ‘Werkt Mee ontwikkeling’ en ‘Werkt Mee op trede’ kan de begeleiding van het traject en de begeleiding op de werkplek door verschillende organisaties uitgevoerd worden. Beide organisaties kunnen hiervoor een toewijzing ontvangen. HoofdstukI.Beschermd Thuis 1. Inleiding Vanaf 1 januari 2015 zijn de Maatschappelijke Opvang en het Beschermd Wonen (hierna: MO/BW) voor mensen met psychische of psychosociale problemen een verantwoordelijkheid van elke gemeente. Dit is conform de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015. In de regio Oost-Veluwe wordt deze verantwoordelijkheid gezamenlijk gedragen door de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Hattem en Voorst en is er sprake van een regionale samenwerking welke is vastgelegd in een convenant. Met de invoering van een woonplaatsbeginsel en het daarmee samenhangend nieuw verdeelmodel, gepland voor 1 januari 2024, wordt de doordecentralisatie van beschermd wonen voortgezet en wordt daarmee de centrumgemeente constructie voor Beschermd Wonen losgelaten. Middels een ingroeipad van tien jaar wordt het historisch budget wat centrumgemeentes ontvangen afgebouwd en krijgen alle individuele gemeenten een eigen budget voor beschermd wonen overgemaakt op basis van een nieuw objectief verdeelmodel. Voor wat betreft Maatschappelijke Opvang is er sprake van voortzetting van de centrumgemeente constructie. De gemeenten in de regio Oost-Veluwe hebben zich uitgesproken over blijvende financiële solidariteit en regionale samenwerking op het gebied van MO/BW. Daartoe wordt een regionaal budget gevormd waarbij elke individuele gemeente op basis van een jaarlijks bij te stellen percentage een deel van het eigen individuele budget voor Beschermd Wonen overhevelt naar een regionaal budget. Het budgethouderschap hiervan is belegd bij de gemeente Apeldoorn. Via de verlening van het mandaat bieden de regiogemeenten de budgethouder het juridisch kader om de betreffende taken daadwerkelijk uit te voeren. De taken die de budgethouder uitvoert voor de gemeenten in de regio Oost-Veluwe zijn vastgelegd in een DVO. Wanneer gemeenten spreken over beschermd thuis, dan bedoelen zij daarmee beschermd wonen zoals bedoeld in de wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maar ook over beschermd wonen in een tussenvorm of zelfstandig in de wijk. 2.Overgangsjaar 2023 voor beschermd thuis In 2021 zijn gemeenten in de regio Oost-Veluwe gestart met de implementatie van het Regionaal Ontwerp Beschermd Thuis 2030 welke specifiek gericht is op de transformatie van beschermd wonen naar een beschermd thuis voor mensen met een psychische kwetsbaarheid in de regio Oost-Veluwe. Een onderdeel hiervan is een nieuwe regionale inkoop voor beschermd wonen naar beschermd thuis. De geplande ingangsdatum van het nieuwe inkoopcontract voor beschermd thuis is 1 januari 2024. Dit komt overeen met de datum van invoering van het woonplaatsbeginsel en het nieuw verdeelmodel voor beschermd wonen. Gemeenten gaan nieuwe producten, zogeheten ‘integrale hersteltrajecten, inkopen welke uitvoering moeten geven aan de uitgangspunten van het regionaal ontwerp beschermd thuis 2030. In het overgangsjaar 2023 wordt er nog gewerkt met de producten zoals wij die sinds 2019 kennen voor het domein MO/BW, de zogeheten Wonen/Verblijf producten. Vanaf 2024 gaan gemeenten werken met nieuwe producten. In 2023 worden de beleidsregels van een update voorzien met nieuwe productbeschrijvingen. De criteria zoals die in de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2023 zijn opgenomen zijn zowel van toepassing op de huidige producten als op de nieuw in te kopen producten. In beide gevallen gaat he

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.