← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2023 (Katwijk)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2023Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk, gelet op: de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Katwijk 2022; de Verordening tot wijziging van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2022 (1ste wijziging), overwegende, dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022 en de Verordening tot wijziging van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2022 gemeente Katwijk (1e wijziging); Besluiten vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2023. INLEIDING Met deze beleidsregels wordt nadere invulling gegeven aan de regelgeving zoals deze per 1 januari 2015 geldt. Met ingang van 1 januari 2015 is de voormalige Wet maatschappelijke ondersteuning vervangen door de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Hiermee zijn er nieuwe taken naar de gemeente gekomen. Daarbij is het mogelijk gemaakt om bestaande voorzieningen in te richten als een algemene voorziening. Veel van de nieuwe taken komen uit de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). De AWBZ is per 1 januari 2015 vervangen door de Wet langdurige zorg (Wlz). De nieuwe taken voor de gemeente houden onder meer verband met de decentralisatie van de extramurale ondersteuning. Hierdoor krijgt de gemeente taken als individuele begeleiding, groepsbegeleiding (dagbesteding) inclusief vervoer en kortdurend verblijf. Vanaf 1 januari 2023 komt daar de taak wonen met ondersteuning en maatschappelijke opvang bij. In de beleidsregels worden de nieuwe taken toegelicht in het hoofdstuk Maatwerkvoorzieningen onder Begeleiding. De Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022 voorzien in een zorgvuldige procedure van melding tot en met aanvraag. Aansluitend op de inleiding is een schematisch overzicht van melding tot en met aanvraag opgenomen. De gemeente gaat bij melding van een hulpvraag in samenspraak met belanghebbende zorgvuldig onderzoeken hoe de hulpvraag ingevuld kan worden. Met belanghebbende wordt in ieder geval zijn eigen verantwoordelijkheid om zelf in de hulpvraag te voorzien besproken. Ondersteuning met een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo is mogelijk, tenzij belanghebbende de hulpvraag in kan vullen met: eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorgers en vrijwilligers, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen, of (wettelijke) voorliggende voorzieningen. Als uit het onderzoek naar voren komt dat belanghebbende de hulpvraag niet zelf, met zijn omgeving of met algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen kan invullen, kan de gemeente een maatwerkvoorziening verstrekken. De maatwerkvoorzieningen zijn erop gericht dat mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. De gemeente kan maatwerkvoorzieningen verstrekken ten aanzien van: zelfredzaamheid en participatie of beschermd wonen en opvang. De hulpvraag is het uitgangspunt voor inzet van maatwerkvoorzieningen. Het ondersteunen van een klant met hulp bij het huishouden en/ of lokaal verplaatsen kan bijvoorbeeld onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Ook datgene dat nodig is om de mantelzorger van de klant te ondersteunen bij het verlenen van mantelzorg of om deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening is een individuele voorziening waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Als de burger in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening dan kan deze in natura of via een persoonsgebonden budget (pgb) of in een aantal gevallen als tegemoetkoming worden verstrekt. In deze beleidsregels wordt ingegaan welke, onder welke voorwaarden en afwegingskaders maatwerkvoorzieningen verstrekt worden. Overzicht procedure van melding tot en met aanvraag HOOFDSTUK1.VOORLIGGEND AAN ONDERSTEUNING VANUIT DE WMO 2015 De Wmo 2015 is uitsluitend bedoeld voor mensen die het niet lukt om een hulpvraag op eigen kracht, met de omgeving, met algemene, algemeen gebruikelijke of wettelijk voorliggende voorzieningen op te lossen. Tijdens het onderzoek volgend op een melding zal dit meegenomen worden bij het gesprek met de klant of de vertegenwoordiger. Eigen kracht De Wmo 2015 benadrukt dat mensen een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Onder eigen kracht wordt het nemen van die verantwoordelijkheid verstaan en de mogelijkheid om problemen zelf naar vermogen op te lossen. Een oplossing van problemen kan bijvoorbeeld al aanwezig zijn in die zin dat deze feitelijk al jaren behoort tot iemands normale levenspatroon. Heel veel mensen zijn op dit moment gewend al bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken, of als de auto voor hun beperking aangepast zou moeten worden. In het eerste geval kan onderzoek verricht worden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon en zou compensatie mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van meerkosten. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, is er sprake van meerkosten: zonder beperking waren de autoaanpassingen niet nodig geweest. Ook bij woonvoorzieningen speelt het nemen van de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Als iemand 65 is en zijn badkamer gaat renoveren mag een gemeente veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, zoals: is er plaats voor, wat is de rol van het bad voor therapie e.d. Er speelt ook nog iets anders mee: weten mensen wel dat van hen verwacht wordt dat ze via het denken aan dit soort dingen anticiperen op mogelijk komende problemen? Een gemeente zal ook daarover voorlichting moeten geven, duidelijk moeten maken waar verwachtingen mogen beginnen maar ook kunnen ophouden wat betreft de inzet van gemeenten in het geschikt maken van woningen. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Dit geldt voor huishoudelijke werkzaamheden, maar ook voor zorg van ouders ten opzichte van hun kinderen en gebruikelijke begeleiding. Als er sprake is van gebruikelijke hulp die de zorgvraag kan invullen, wordt er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 verstrekt. De huisgenoot moet inwonend zijn. Dit wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten water, gas of elektra , voordeur e.d. door elkaar lopen. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot (zie ook de toelichting op art. 8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022). Mantelzorg en vrijwilligers Voor het invullen van de hulpvraag kan er een beroep worden gedaan op mantelzorgers en vrijwilligers. Vanuit de sociale samenhang is het ook gebruikelijk dat mensen elkaar ondersteunen en helpen. Van mensen mag worden verwacht dat ze eerst een hulpvraag in hun (omgeving) sociale netwerk uitzetten. In de praktijk bieden kinderen vaak ondersteuning als hun ouders taken niet meer zelf kunnen. Van de gemeente uit wordt ondersteuning geboden. Voor mantelzorgers houdt dit in dat bijvoorbeeld meegekeken wordt of ter ontlasting van de mantelzorger respijtzorg dan wel andere zorg of hulp nodig is. Voor mantelzorgers is in nadere regelgeving een jaarlijkse waardering vastgesteld. Algemeen gebruikelijke voorziening Als er een beroep op een algemeen gebruikelijke voorziening gedaan kan worden, wordt er geen voorziening vanuit de Wmo 2015 verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van cliënt; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een boodschappenservice of een maaltijdvoorziening. In de toelichting op artikel 8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022 staat een niet limitatieve lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Algemene voorzieningen Onder algemene voorziening wordt het aanbod van diensten of activiteiten verstaan dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Een algemene voorziening gaat voor een individuele maatwerkvoorziening. Algemene voorzieningen kunnen – gezien de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – niet op de reguliere markt aangeboden worden, maar moeten door de gemeente gerealiseerd worden. Een algemene voorziening kan als basisvoorziening voorliggend zijn op een eventueel daarop te verstrekken maatwerkvoorziening en daarmee in bepaalde gevallen op passende wijze bijdragen aan de zelfredzaamheid van de klant. Wettelijk voorliggende voorziening Vanuit de Wmo 2015 wordt er eerst beoordeeld of de hulpvraag via een andere wet ingevuld kan worden. Wetten als de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo 2015. De verantwoordelijkheid van de gemeente houdt op als iemand een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. De zorg valt dan onder de Wlz, ook als deze thuis wordt ontvangen. De doelgroep die op dit moment gebruik maakt van wonen met ondersteuning, kan hierop een uitzondering vormen. Ook kan een maatwerkvoorziening worden geweigerd als aanspraak is op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling. Voorts kan het zijn dat medicijnen of een behandeling de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Deze worden vergoed vanuit de Zvw en zijn voorliggend. Voor ondersteuningsvragen van personen jonger dan 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie is de Jeugdwet voorliggend, met uitzondering van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen. Beoordeeld wordt of er aanspraak is of kan worden gedaan op een wettelijk voorliggende voorziening. Is er desondanks een maatwerkvoorziening noodzakelijk dan wordt deze onder meer (artikel 2.3.5. Wmo 2015) afgestemd op: de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt, zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen, onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen, betaalde werkzaamheden, scholing die de cliënt volgt of kan volgen, ondersteuning ingevolge de Participatiewet; de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. HOOFDSTUK2.MAATWERKVOORZIENINGEN De maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015 hebben betrekking op zelfredzaamheid, participatie, wonen met ondersteuning of dagopvang. Vanuit de Wmo 2015 wordt er een maatwerkvoorziening verstrekt als de hulpvraag niet op eigen kracht of gebruikelijke hulp of met een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening kan worden opgelost. Ook wordt er na de melding onderzocht of en in hoeverre belanghebbende op grond van andere regelgeving in aanmerking komt voor een oplossing voor zijn probleem. Zelfredzaamheid en participatie Onder de maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie vallen onder meer: hulp bij het huishouden, wonen in een geschikt huis, het lokaal en regionaal verplaatsen, kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger en begeleiding. Hieronder wordt ingegaan op de maatwerkvoorzieningen met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie en de criteria waaronder deze verstrekt worden. Hulp bij het huishouden Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. De gemeente is vanuit de Wmo 2015 verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners die niet in staat zijn de huishoudelijke taken uit te voeren en/of (zelfstandig) een gestructureerd huishouden te voeren en de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren. Bij de hulp bij het huishouden is het uitgangspunt dat iedereen kan leven in een schoon en leefbaar huis en gebruik moet kunnen maken van de leefruimtes die dagelijks in gebruik zijn (zie ook bijlage 1). Beoordeling hulp bij het huishouden Bij de beoordeling van een hulpvraag op dit gebied wordt per onderdeel een afwegingskader doorlopen. Er wordt onder meer gekeken of er gebruikelijke hulp is. Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake van inwonendheid is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten gas, elektra of water, voordeur e.d. door elkaar lopen. Verder wordt beoordeeld of van voorliggende voorzieningen gebruik gemaakt kan worden. Als dit niet het geval is, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt hier uitgebreider ingegaan op de afwegingskaders voor de werkzaamheden die vallen onder de hulp bij het huishouden. Deze zijn als volgt. licht en zwaar huishoudelijk werk Hieronder vallen onder meer: opruimen, stoffen, afwassen, bedden verschonen en opmaken, stofzuigen, dweilen en het binnen ramen wassen. Afwegingskader Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant. Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen compensatie nodig is, omdat het probleem al opgelost is. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. Is sprake van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner bij kan dragen aan het huishouden. Een andere optie is de (vrijwillige) hulp die wordt geboden door bijvoorbeeld bloed- en aanverwanten (in de eerste graad), waaronder (schoon)dochters en (schoon)zonen. Met deze (reeds aanwezige) hulp wordt rekening gehouden bij het bepalen van de eventueel verder benodigde ondersteuning vanuit de Wmo. Ook beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enzovoort. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke hulp wel voor geïndiceerd worden. De hulp kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Daarbij worden verschillende tarieven gehanteerd voor verschillende situaties. Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit kan in twee situaties het geval zijn. Bij de eerste situatie komt de mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Dan kan op naam van de verzorgde hulp plaats vinden. De tweede situatie betreft het niet toekomen aan het schoonmaken van het eigen huis. Dan zou aan de (dreigend) overbelaste mantelzorger hulp geboden kunnen worden. boodschappen doen en maaltijden bereiden Bij het boodschappen doen worden slechts goederen voor de primaire levensbehoeften gehaald. Hieronder vallen: de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/ wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. De grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten, vallen hier niet onder. Onder het bereiden van de maaltijden valt: broodmaaltijd en/of warme maaltijd. Met een dieet wordt rekening gehouden als deze medisch noodzakelijk is. Afwegingskader Onder goederen voor primaire levensbehoeften worden gerekend de boodschappen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding van maaltijden. Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een boodschappenservice, zowel die beschikbaar gesteld zijn door supermarkten, als die zijn opgezet door de gemeente of door vrijwilligersorganisaties. Als het gaat om het bereiden van maaltijden kan bekeken worden of vormen van maaltijdvoorziening of het gebruik maken van kant en klare maaltijden mogelijk en bruikbaar zijn. Vervolgens beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door het doen van (kleine) boodschappen en het (voor)bereiden van de maaltijd. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Het doen van boodschappen is uitstelbare hulp, het bereiden van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Hier zal dan, zo nodig, wel voor geïndiceerd kunnen worden. Daarna zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden, vrijwilligers en/of kinderen gewend of bereid zijn deze boodschappen te doen of de maaltijden te bereiden. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een maatwerkvoorziening. Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. Een uitzondering wordt door het college alleen gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één maal per week mogelijk is. De maatwerkvoorziening kan door het college in natura als ook via een persoonsgebonden budget toegekend worden. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. wasverzorging De wasverzorging leidt tot het beschikken over schone kleding en bedden- linnengoed. De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat schoongemaakt worden. Dit betekent het sorteren, wassen, ophangen en afhalen of drogen in de droger, opvouwen, opbergen van het wasgoed en eventueel en in bepaalde situaties strijken van bovenkleding. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Het kopen van kleding valt niet onder de maatwerkvoorziening. Mogelijk kan een vrijwilliger hierbij helpen. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan het gebruik van een wasserij als dat in de lijn ligt. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Hierbij kan gedacht worden aan de aanschaf door belanghebbende van een wasmachine en/of droger. Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het tillen en eventueel ophangen van de was. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding zal het over het algemeen gaan om uitstelbare taken. Alleen als de was niet kan blijven liggen, zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijke gebruikelijke hulp wel voor geïndiceerd kunnen worden. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een maatwerkvoorziening. Tot de werkzaamheden behoren onder meer het wassen en drogen van de kleding en eventueel licht verstelwerk. Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Er zal met de mantelzorger rekening worden gehouden met het oog op dreigende overbelasting. het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Het gaat hierbij om een ouder of ouders die ten gevolgen van beperkingen tijdelijk niet in staat is/zijn de verzorging en/of opvang van de kinderen uit te voeren. Hieronder vallen werkzaamheden als: wassen en aankleden, hulp bij eten en drinken, maaltijd voorbereiden en opvoedactiviteiten. De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma/ opa, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Jeugdwet en intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de gebruikelijke zorg overstijgt, valt onder de Wet langdurige zorg. Afwegingskader Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang, opvang door grootouders enzovoort. Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van zorg- en/of ouderschapsverlof. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een maatwerkvoorziening. Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden. Bij de toekenning stelt het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. dagelijkse organisatie van het huishouden De dagelijkse organisatie van het huishouden wordt geïndiceerd bij klanten die door het ontbreken van regie geen inzicht (meer) hebben in de administratieve werkzaamheden, de organisatie van het huishouden en het plannen en beheren van middelen. Onder het doen van de administratie valt het openen en doornemen van de post en lichte administratieve werkzaamheden, zoals het in de gaten houden of rekeningen betaald worden. Afwegingskader Voordat de activiteiten die vallen onder de dagelijkse organisatie worden toegekend wordt onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gebruikelijke hulp, het sociale netwerk, vrijwilligers of voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Te denken valt hierbij aan het inschakelen van budgetbegeleiding, budgetbeheer, schuldhulpverlening of een bewindvoerder. Ook zijn er meerdere organisaties die op dit vlak hulp aanbieden, bijvoorbeeld Formulierenbrigade, Broodnodig, Grip op de knip en Kwadraad. Er is over het algemeen sprake van begeleiding als er op meerdere gebieden van het dagelijks leven ondersteuning nodig is. Hierbij kan de overweging gemaakt worden om alles onder begeleiding onder te brengen of naast begeleiding de dagelijkse organisatie van het huishouden te indiceren. hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen Hieronder kan observeren vallen, evenals het formuleren van doelen met betrekking tot de huishouding, het helpen verkrijgen of handhaven van de structuur in het huishouden, het helpen verkrijgen/handhaven van zelfredzaamheid ten aanzien van budget, het begeleiden ouders bij opvoeding (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding van kinderen. Afwegingskader Voordat de activiteiten die vallen onder hulp bij ontregelde huishouding worden toegekend wordt onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Te denken valt hierbij aan begeleiding vanuit de Jeugdwet. Ook beoordeelt het college of sprake is van gebruikelijke hulp door huisgenoten Daarna zal het college boordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat kinderen, bekenden of vrijwilligers bereid zijn deze taak op zicht te nemen. advies, instructie, voorlichting gericht op het huishouden Hieronder vallen activiteiten als het geven van instructie over hoe bepaalde huishoudelijke werkzaamheden uitgevoerd worden en het gebruik van hulpmiddelen hierbij. Dit wordt kortdurend voor maximaal 6 weken tot 3 maanden toegekend. Afwegingskader Voordat de activiteiten die vallen onder hulp bij ontregelde huishouding worden toegekend wordt onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Ook beoordeelt het college of sprake is van gebruikelijke hulp door huisgenoten. Daarna zal het college boordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat kinderen, bekenden of vrijwilligers bereid zijn deze taak op zicht te nemen. Er wordt beoordeeld of iemand leerbaar is om huishoudelijke werkzaamheden binnen 6 weken tot 3 maanden eigen te maken. Als er gedurende langere periode instructie nodig is, wordt beoordeeld of er begeleiding of een andere voorziening nodig is. Wonen in een geschikt huis Bij wonen in een geschikte huis wordt onderzocht hoe iemand met beperkingen (zoveel mogelijk) zelfstandig kan blijven wonen. Als het gaat om een geschikt huis is er een reeks aan mogelijke wijzen van compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is of een woning die makkelijker geschikt te maken is. Afhankelijk van de aanpassingen die nodig zijn, wordt de mogelijkheid van verhuizen onderzocht. Het primaat van verhuizen wordt in ieder geval onderzocht als de aanpassingen die nodig zijn of op grond van de vooruitzichten nodig zullen zijn meer dan € 10.000,00 kosten. Geschikt huis Als het gaat om het wonen in een geschikt huis hebben we het over de woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Een woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van een woning. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning mag er van uit worden gegaan dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, rekening houdend met bestaande of bekende komende beperkingen. Als de woning dan nog niet geschikt is kan de gemeente compenseren. Bij wonen in een geschikt huis gaat het om woningen op het niveau sociale woningbouw. Persoonskenmerken en behoeften kunnen het noodzakelijk maken hiervan eventueel naar boven of beneden af te wijken, maar omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen niet als uitganspunt voor compensatie gelden. Heeft iemand een woning dan zal de compensatieplicht betekenen dat, in aanvulling op artikel 8 lid 1 onder a van de Verordening, hij in aanmerking kan komen voor een (maatwerk)woonvoorziening als hij aantoonbare beperkingen heeft bij het normale gebruik van zijn woning. Let wel: Geen (maatwerk)voorziening wordt toegekend wanneer een situatie als genoemd in het hoofdstuk ‘Voorliggend aan ondersteuning vanuit de Wmo’ van deze beleidsregels van toepassing is. Normale gebruik Uit jurisprudentie blijkt dat woonvoorzieningen tot doel hebben beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Onder het normale gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn (d.w.z.: bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar). Het gaat daarbij om eten, slapen, bad en toiletgebruik, koken en keukengebruik (bereiden van voedsel). Ook het normaal gebruik kunnen maken van de berging, de tuin of het balkon valt hieronder. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Het gebruik van een hobby- of studeerruimte past hierin niet, omdat het geen elementaire woonfunctie betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel. Voorzienbaarheid Uit de criteria voor een maatwerkvoorziening in artikel 8 van de verordening blijkt dat de belanghebbende alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de voorziening niet voorzienbaar was of van de inwoner niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer men verhuist naar de woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen. Afwegingskader Als het gaat om een geschikte woning waarbij er beperkingen in het normale gebruik van die woning zijn, is er een reeks aan mogelijke wijzen van compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of die goedkoper en gemakkelijker geschikt te maken is. Het college beoordeelt allereerst of het wonen in een geschikt huis ook te bereiken is via een verhuizing. Deze beoordeling vindt in ieder geval plaats als de aanpassing van de woning het bedrag van € 10.000,00 te boven gaat. Dit is het zogenaamde primaat van verhuizing. Uitganspunt bij de beoordeling zijn enerzijds de behoeften van de belanghebbende en anderzijds is er de noodzaak tot een doelmatige besteding van gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk aanvragers gecompenseerd kunnen worden met de beschikbare middelen. Bij de beoordeling zullen alle aspecten worden meegewogen: Financiële consequenties van de verhuizing voor belanghebbende. Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op financieel gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. De termijn waarop een woning beschikbaar is. De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. Sociale factoren. Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld psychische en sociale factoren, de voorkeur van belanghebbende, de binding van belanghebbende met de huidige woonomgeving, de nabijheid van de voor belanghebbende belangrijke voorzieningen, de aanwezigheid van familie, vrienden en kennissen in de nabijheid van de woning als er sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van de vergoeding voor verhuiskosten. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit, tot het al dan niet toepassen van het primaat van verhuizen, ten grondslag worden gelegd. Voor zover belanghebbende kan verhuizen, naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning kan een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskosten- vergoeding toegekend. Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning, gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgende(

  1. n)had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van ruimtelijke ordening. Als voor het wonen in een geschikt huis het resultaat het noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO- vergunning. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning vestigen waarvan niet wordt afgelost, zodat de kosten beperkt blijven tot de rentekosten, waarop bij belastingaangifte renteaftrek mogelijk is, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden. Als een inpandige aanpassing mogelijk is, zal het college allereerst die situatie beoordelen voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Een aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan belanghebbende. Bij het bepalen van woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die die door mantelzorgers bediend moeten worden. Op basis van het feit dat maatwerkvoorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn gericht op het individu en op diens eigen woonruimte, worden in beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Alleen wanneer zonder een van de hieronder genoemde voorzieningen de woning voor belanghebbende ontoegankelijk blijft, kan het college deze voorziening verlenen aan gemeenschappelijke ruimten: Het verbreden van toegangsdeuren; Het aanbrengen van elektrische deuropeners; Het aanleggen van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel); Het plaatsen van drempelhulpen; Het aanbrengen van een tweede trapleuning bij een portiekwoning; Een opstelplaats voor een rolstoel of scootmobiel. Andere toegankelijkheidsproblemen in de gemeenschappelijke ruimten dan genoemd onder a t/m f zullen dan in de regel wel op andere wijze gecompenseerd moeten worden, mogelijk door toepassing van het primaat van de verhuizing (en het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding). Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. Het aanpassen van doelgroepgebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de eigenaar van deze woningen. Een maatwerkwoonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Dit betekent dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, verzorgingstehuizen, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur. Geen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt in woninggebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen of ouderen en waarvan verwacht mag worden dat al voorzieningen getroffen zijn inde gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Lijst van woonvoorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn Er is geen complete lijst van woonvoorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: Mengkranen (zowel eengreeps als thermostatisch; Keramisch- of inductiekookplaat; Verhoogd toilet of toiletverhoger; Tweede toliet/sanibroyeur; Renovatie van badkamer en keuken1Bij een aanvraag voor een aanpassing van een badkamer of keuken kan er rekening worden gehouden met de conditie waarin de badkamer of keuken verkeert. Wanneer bijvoorbeeld de badkamer technisch functioneel is en in goede staat verkeert, dan is het niet vanzelfsprekend dat de eigenaar van de woning (volledig) verantwoordelijk is voor het vernieuwen van de badkamer. Indien de badkamer in een slechte staat verkeert en/of technische gebreken heeft dan is de eigenaar zelf verantwoordelijk voor het aanpassen van de badkamer.; Antislipvloer/coating; Wandbeugels; Zonwering (inclusief elektrische bediening); Badzitje standaard; Centrale verwarming; Douchekop op glijstang; Losse airco-units; Luchtvochtigers en ontvochtigers; Stangen voor raambediening van hoge ramen (er is ook een elektrische variant van een raamopener); Verhuizing, die in relatie tot de leeftijd van de cliënt voor de betrokken cliënt voorzienbaar en algemeen gebruikelijk is; Woningaanpassing of andere voorziening aan/in de woning, die in relatie tot de leeftijd, de gezinssituatie of de woonsituatie van de cliënt voor de betrokken cliënt voorzienbaar en algemeen gebruikelijk is; Vaatwasser; Wasdroger; Ophogen tuin/bestrating bij verzakking. Verplaatsen in en om de woning Cliënt moet zich in, om en nabij zijn woning kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan het verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een buurman of het maken van een ommetje) horen bij: lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid. Voor het verplaatsen in de woning geldt dat de normale woonruimten bereikt moeten kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, de slaapkamer(s), het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt. In principe valt het bereiken van zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de normale woonruimten die bereikt moeten kunnen worden. Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit te bereiken wordt beoordeeld of en waar ondersteuning met een hulpmiddel nodig is. Dit hulpmiddel hoeft bij verstrekking niet nieuw te zijn. Een voorbeeld van een hulpmiddel is een rolstoel. Een tillift zou ook een voorbeeld kunnen zijn. Doordat een belangrijk deel van de tilliften vanwege aard- en nagelvaste verbinding met het plafond gerekend worden tot de voorzieningen waardoor in een geschikte woning gewoond kan worden, wordt de tillift verder beschouwd als een voorziening die daar onder valt. Als cliënt beperkingen heeft bij het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel als maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er zijn de volgende rolstoelvoorzieningen: Handmatig voortbewogen rolstoel Elektrische rolstoel en/of Aanpassingen aan de rolstoel. Met aanpassingen worden extra onderdelen op de rolstoel bedoeld die niet standaard geleverd worden, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zoals een boodschappenmand of een extra spiegel zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor incidenteel gebruik een beroep op de uitleenservice of op rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen of ziekenhuizen, gedaan kan worden. Voor een rolstoel die niet in en om de woning gebruikt wordt, maar bijvoorbeeld uitsluitend voor uitstapjes wordt verwezen naar het afwegingskader bij lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bewoners van een (Wlz-)instelling kunnen voor een rolstoel een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz). Afwegingskader Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen, zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenoemde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder verplaatsen in en om de woning. Hiervoor wordt verwezen naar het afwegingskader bij lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal in de regel via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die belanghebbende zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. Zou belanghebbende een geschikte, gebruikte rolstoel ontvangen hebben, dan zal het te verstrekken bedrag gebaseerd zijn op deze rolstoel, qua prijs maar ook qua beperkte levensduur vanwege het al afgeschreven deel. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel De Wmo heeft tot doel om cliënten te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Er zijn 3 schaalniveaus waarop gereisd kan worden: Lokaal: dit zijn de verplaatsingen over de korte afstanden, vooral binnen de eigen gemeente; Regionaal: dit zijn de verplaatsingen binnen de regio over afstanden van maximal ca. 25 km; Bovenregionaal: dit zijn de verplaatsingen buiten het regionale gebied. Dit vervoer is geen gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het ministerie van VWS is opdrachtgever voor dit vervoer. Momenteel staat dit vervoer bekend onder de naam Valys. De verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Dat zijn verplaatsingen die niet uitsluitend te maken hebben met verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Als men voor woon-werkverkeer een aangepaste voorziening nodig heeft, kan mogelijk een beroep worden gedaan op bijvoorbeeld de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de participatie-wet. Een collectief vervoersysteem kan de prioriteit hebben, zodat de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt kan worden, mits men rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt, dient men in de regel voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft al 40 jaar een auto en is gewend daar alles mee te doen), zal er geen noodzaak zijn te compenseren omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt. Afwegingskader Beoordeeld wordt wat de problemen en beperkingen van de cliënt zijn op het gebied van vervoer. Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Er wordt gekeken in hoeverre cliënt zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, bijvoorbeeld: cliënt heeft zelf een fiets (met trapondersteuning), een auto, een brommer, kan meerijden of gebruik maken van het algemeen toegankelijke deel van de locale vervoersvoorziening. Voor vervoer van en naar het ziekenhuis kan de Zorgverzekeringswet voorliggend zijn. Het gaat om vervoer naar- en van medische behandeling EN er moet sprake zijn van: Het ondergaan van nierdialyses; Behandelingen bij kanker met chemotherapie, immuuntherapie of radiotherapie; Het zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen; Een zeer beperkt gezichtsvermogen waardoor verplaatsen zonder begeleiding niet mogelijk is; Een leeftijd jonger dan 18 jaar, waarbij gebruik gemaakt wordt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of aanwezigheid van een lichamelijke handicap. Als het college dient te compenseren, zal gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de cliënt uit bestaat. Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een cliënt met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1500 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het college dit aantal ophogen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte, voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers (zie Bijlage 3). Bij een cliënt met een loopafstand van minder dan 400 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Bewoners van een (Wlz-)instelling kunnen voor een scootmobiel een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz). Rolstoelen voor het zogenoemde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, kunnen ook als een voorziening in dit kader worden gezien, maar alleen als ‘goedkoper adequate’ voorziening al dan niet in combinatie met andere daarop afgestemde voorzieningen. Indien collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura (taxipas, rolstoeltaxipas) of een persoonsgebonden budget te besteden aan vervoer verstrekken (zie ook Bijlage 3). Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Kinderen hebben ten opzichte van volwassenen geen volledige vervoersbehoefte. Deze is naar leeftijdscategorieën als volgt ingedeeld: Voor de groep van 0 tot 5 jaar is er geen zelfstandige vervoersbehoefte. Voor de groep van 5 tot 12 jaar is de vergoeding maximaal 50% van de volledige voorziening. Voor de groep van 12 tot 15 jaar is de vergoeding maximaal 75% van de volledige voorziening. Voor de groep van 15 tot 18 jaar is de vergoeding maximaal 100% van de volledige voorziening. Voorzieningen kunnen door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die cliënt als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag. Zou er in natura een voorziening vanuit het depot verstrekt worden, omdat er een geschikte voorziening aanwezig is, dan zal het bedrag van het persoonsgebonden budget op deze depotvoorziening gebaseerd worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de nog resterende afschrijvingsperiode bij het bepalen van de hoogte van het bedrag. Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de mantelzorger meereist, bijvoorbeeld als begeleider. In de regiotaxi kan gratis een sociaal begeleider meereizen, hier hoeft geen indicatie voor afgegeven te worden. Ook kan het zijn dat iemand een medisch begeleider nodig heeft. Hier wordt wel een indicatie voor afgegeven. De inwoner kan dan niet zonder de medisch begeleider met de regiotaxi rijden. De begeleider rijdt dan ook gratis mee. Begeleiding Onder Begeleiding wordt verstaan: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Inwoners die beperkingen hebben op het terrein van: sociale zelfredzaamheid, bewegen en verplaatsen, psychisch functioneren, geheugen en oriëntatie of matig of zwaar probleemgedrag vertonen, kunnen aanspraak maken op begeleiding. Begeleiding kan zowel individueel als in een groep worden geboden. Onder begeleiding valt ook het vervoer van en naar de dagbesteding indien daarvoor een medische noodzaak bestaat. De aandachtsgebieden bij begeleiding zijn: Ondersteunen bij en opbouwen sociaal netwerk inwoner Ondersteunen van de thuisadministratie Ondersteuning bij arbeidsparticipatie / dagbesteding Ondersteuning bij zelfzorg Persoonlijk functioneren, gezondheid en welzijn Mantelzorg ondersteuning Onder de AWBZ (nu Wlz) was de tariefstelling voor de verschillende werkzaamheden onderverdeeld in Nza-codes (Nederlandse zorgautoriteit). Omwille van de administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging zijn deze samengevoegd en zijn nieuwe categorieën gemaakt. De nieuwe indeling in categorieën met een daarbij behorend vast tarief is als volgt: Reguliere begeleiding Gespecialiseerde begeleiding Reguliere dagbesteding Gespecialiseerde dagbesteding Kortdurend verblijf Vervoer In Bijlage 4 is met betrekking tot de indicatiestelling Begeleiding: een overzicht van de resultaten, aandachtsgebieden en de activiteiten opgenomen. opgenomen welke klassen en normtijden er gelden voor de verschillende activiteiten opgenomen wat er onder de verschillende categorieën van Begeleiding valt en onder meer welke doelgroep en activiteiten. Vormen van Begeleiding: groepsbegeleiding of individuele begeleiding Groepsbegeleiding of dagbesteding Groepsbegeleiding is veel al bekend onder de naam: dagbesteding of dagverzorging. Dagbesteding dient twee doelen. In de eerste plaats biedt dagbesteding mensen structuur in dag en week en biedt het sociale contacten en bezigheden. Voor mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd is het bovendien de bedoeling dat het hen zoveel mogelijk in een situatie brengt die te vergelijken is met de werkomgeving van niet-beperkte mensen. Het tweede doel van dagbesteding is ontlasting van mantelzorgers. Door mensen met een beperking delen van de dag buitenshuis op te vangen, is het voor mantelzorgers vol te houden om de rest van de tijd de vaak zware zorglast te dragen. Dagbesteding is: programmatisch (met een vast dag en/of weekprogramma) methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een welomschreven doel vraagt actieve betrokkenheid van de client gericht op het structureren van de dag en/of oefenen met vaardigheden, die de zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de klant actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden. Het is ook nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten; ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in dagbesteding voorkomen. Voor veel klanten zal deelname aan activiteiten in bijvoorbeeld een inloophuis of een buurthuis voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Alleen voor cliënten die door hun beperkingen (cognitieve, ernstig fysieke of gedragsproblematiek) een dergelijke dagstructurering, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen nodig hebben is dagbesteding nodig. Is de ondersteuningsbehoefte gelegen in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, dan is Begeleiding individueel de aangewezen vorm. Individuele begeleiding Begeleiding individueel is: aan de orde als cliënt ondersteuning nodig heeft bij het behalen van vastgestelde doelen; methodisch (een methode voor werken met de cliënt als basis) om een welomschreven doel te behalen en gericht op het stimuleren en/of behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en/of het voorkomen van achteruitgang daarin. Individuele Begeleiding kent vele vormen, onder meer: toezicht of aansturing bij activiteiten (zowel thuis als buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden ondersteuning bij het aanbrengen van structuur cq. het voeren van regie oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, agenda, administratie, geldzaken, regelzaken etc.); dan wordt het vaak “thuisbegeleiding “genoemd. Begeleiding individueel ligt in veel gevallen dicht bij overname van de regie bij hulp bij het huishouden en Persoonlijke verzorging (vanuit de Zorgverzekeringswet). Er zal dan ook gezocht worden naar combinaties van Hulp bij het huishouden en Begeleiding om de hulp zo efficiënt mogelijk in te zetten. Begeleiding individueel zal in sommige situaties ook in een groep kunnen worden gegeven bijvoorbeeld bij activiteiten als thuisadministratie of geldbeheer. De begeleider kan dan een paar cliënten in het buurthuis ontvangen in plaats van iedere cliënt apart thuis te bezoeken. Indiceren Begeleiding Tot 2015 was begeleiding een functie in de AWBZ. Volgens het Besluit zorgaanspraken AWBZ kon een verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking die matige, of zware beperkingen hebben op het terrein van: sociale zelfredzaamheid, bewegen en verplaatsen, psychisch functioneren, geheugen en oriëntatie of matig of zwaar probleemgedrag vertonen, aanspraak doen op de functie “begeleiding”. Wanneer er een zogenaamde AWBZ grondslag was vastgesteld kon de functie begeleiding (en het aantal uren of dagdelen dat nodig werd geacht) worden geïndiceerd. In de Wmo kennen we geen grondslagen. In de Wmo is de diagnose niet leidend, maar vormt het gesprek (het onderzoek) de basis voor de indicatiestelling. Hoe individueel deze maatwerkvoorzieningen ook worden benaderd, er is toch behoefte aan instrumenten om de hulpvraag te objectiveren en hierdoor richting geven aan de indicatiestelling. Hiervoor wordt aangesloten bij de Indicatiewijzer die door het CIZ is ontwikkeld.In de AWBZ werd de functie begeleiding alleen geïndiceerd als sprake was van matige of zware beperkingen. In de Wmo is het uitgangspunt dat in alle gevallen (licht, matige of zware) eerst de mogelijkheden van eigen netwerk en voorliggende en algemene voorzieningen wordt onderzocht maar de verwachting is wel dat met name bij matige en zware beperkingen maatwerkvoorzieningen zullen worden geïndiceerd. Voorliggende voorzieningen Voor de voorliggende voorzieningen met betrekking tot Begeleiding geldt wat al eerder is beschreven in het hoofdstuk Voorliggend aan ondersteuning vanuit de Wmo. Meer specifiek geldt ook het volgende. Zelfredzaamheid Begeleiding is gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van zelfredzaamheid. In het onderzoek wordt rekening gehouden in hoeverre een cliënt zelf zelfredzaam is of dit met behulp van zijn omgeving kan invullen of heeft ingevuld. Behandeling Alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Voor de beoordeling hiervan wordt een medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum). Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Anders dan in de AWBZ is de diagnose niet leidend maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contra- productief is). Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. (Wettelijk) voorliggende voorzieningen Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. Hier wordt in ieder geval rekening gehouden met: Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school (Leerplichtwet). Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding worden geïndiceerd Kinderopvang: kinderopvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid (kinderopvangtoeslag). Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend. Het leren omgaan van de kinderdagopvang met het kind met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door de kinderdagopvang kan worden geboden en nietvan ouders kan worden verwacht, kan begeleiding worden geïndiceerd. Jeugdwet: opvoedingsondersteuning voor alle ouders en ouders van kinderen met een beperking, medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis of tijdelijke opname worden op grond van de Jeugdwet geboden. Begeleiding kan in sommige gevallen ondersteunend op de opvoedondersteuning thuis ter bevordering van de zelfredzaamheid van ouders worden geboden. Aanspraak op de Jeugdwet is er voor kinderen tot 18 jaar. In sommige gevallen kan de doelgroep van het 18e tot en met het 23ste jaar gebruik blijven maken van de Jeugdwet. Arbeidsvoorzieningen: op grond van de Ziektewet, WIA, Wajong en WSW zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen. Participatiewet: degenen die arbeidsverplichtingen hebben op grond van de Participatiewet hebben geen aanspraak op begeleiding groep ter vervanging van arbeid. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Wanneer mensen een beperking hebben wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan Begeleiding waar voorliggende voorzieningen mogelijk zijn of het gewoon de verantwoordelijkheid is van de cliënt of zijn huisgenoten. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen: Activiteiten zoals computercursus of taalles Alarmering Pictogrammenbord of domotica in huis Gezelschap of ondersteuning door vrijwilliger Kinderopvang Gebruikelijke hulp Er wordt rekening gehouden met de aanwezige gebruikelijke hulp of zorg. Hieronder wordt de hulp verstaan die verwacht wordt van huisgenoten , die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Begeleiding door partner, ouder, volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt als gebruikelijke hulp of zorg beschouwd: In kortdurende situaties (max. 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn. In langdurige situaties: bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek huisarts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes); hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie; het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Alleen wanneer er sprake is van een langdurige situatie waarbij de gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden, is er sprake van bovengebruikelijke hulp en kan Begeleiding worden ingezet. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft voor kinderen schema’s ontwikkeld waarin per leeftijdscategorie, vaardigheden en behoefte aan toezicht of hulp voor gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel wordt beschreven. Op basis hiervan kan worden vastgesteld welke taken gebruikelijk en welke bovengebruikelijk zijn. Zie hiervoor de uitwerking van de resultaatsgebieden, resultaat 7 in bijlage 1. Omvang Begeleiding (inclusief persoonlijke verzorging) De omvang Begeleiding is onderverdeeld in individuele begeleiding en dagbesteding. De omvang en het afwegingskader verschillen en worden zodoende hierna per onderdeel weergegeven. Begeleiding maakt vaak deel uit van een heel pakket van zorg van Behandeling en Persoonlijke verzorging. De omvang van de hulp wordt hierdoor sterk bepaald. In de AWBZ werd deze functies veelal samengevoegd in een integraal pakket. In de Wmo is dit niet meer mogelijk maar zullen de indicaties voor Behandeling en Persoonlijke verzorging wel meegewogen worden bij de indicatiestelling voor Begeleiding en zal de hulp met behandelaars en thuiszorg (persoonlijke verzorging) worden afgestemd. Voor Begeleiding in combinatie met Persoonlijke verzorging geldt dat ondersteuning (zogenaamde hulp met de handen op de rug) bij de Persoonlijke verzorging onder de Wmo 2015 valt en overname van de Persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet valt. Voorbeeld: een cliënt aansturen dat deze zich gaat wassen is Wmo en het daadwerkelijk wassen van een cliënt is Zorgverzekeringswet. In de Wmo zal tevens worden gezocht naar mogelijke combinaties van maatwerkvoorziening Begeleiding en voorliggende voorzieningen op het gebied van Welzijnswerk. Omvang Individuele Begeleiding Individuele begeleiding wordt vastgesteld in klassen, de uren in de klassen lopen op tot maximaal 24,9 uren per week. Meer uren per week zijn indien nodig en duidelijk gemotiveerd mogelijk. De omvang van de indicatie (het aantal uren begeleiding) is gebaseerd op de optelsom van de duur van de betreffende activiteiten. Dus welke activiteiten zijn nodig, hoeveel tijd kosten deze activiteiten, hoe vaak per week en zijn de activiteiten planbaar of niet planbaar of is er ook vaak toezicht nodig? Om te objectiveren hoeveel tijd er nodig is voor activiteiten en in welke frequentie zal gebruik worden gemaakt van een normtijden overzicht, dat is gebaseerd op de Indicatiewijzer van het CIZ en is aangepast aan de Wmo- werkwijze. In bijlage 4 is een normtijdenoverzicht opgenomen. De omvang kan per combinatie van activiteiten nooit meer bedragen dan de in de tabel genoemde maxima. Meer uren per week zijn, indien nodig en duidelijk gemotiveerd, mogelijk. Het gaat hier om de uitzonderingsgevallen waarbij additionele tijd kan worden geïndiceerd. Klassen De klassen voor Reguliere of Gespecialiseerde Begeleiding zijn als volgt bepaald: klasse 1: 0 – 1,9 uur per week klasse 2: 2 – 3,9 uur per week klasse 3: 4 – 6,9 uur per week klasse 4: 7 – 9,9 uur per week klasse 5: 10 – 12,9 uur per week klasse 6: 13 – 15,9 uur per week klasse 7: 16 – 19,9 uur per week klasse 8: 20 – 24,9 uur per week klasse waakvlam: 0 tot 90 minuten per maand Afwegingskader Het college beoordeelt de hulpvraag in een brede context. Daarvoor worden de problemen en beperkingen van de cliënt op het gebied van Begeleiding onderzocht. Bij het beoordelingsproces wordt nadrukkelijk gebruik gemaakt van informatie zoals die voorhanden is via derden (familie, naasten, door de gemeente gecontracteerde aanbieders, cliëntondersteuner et cetera). Voor advisering in het beoordelingsproces kunnen diagnostische teams of expertise worden ingeschakeld. In het onderzoek worden alle (wettelijk) voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen, zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid of arbeid op grond van de Participatiewet. Het college beoordeelt oplossingen in de vorm van: de eigen kracht van cliënt of gebruikelijke zorg of de inzet van het sociaal netwerk. Het college houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger tijdelijk een maatwerkvoorziening aan de verzorgde belanghebbende worden toegekend. Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot het oplossen van het probleem zal het college compenseren met een maatwerkvoorziening. Vervolgens bepaalt het college wat noodzakelijk is om: te voorkomen dat de zelfredzaamheid / participatie van de klant verslechterd en/of de zelfredzaamheid / participatie van de klant te stabiliseren en/of te verbeteren. Hierbij bepaalt het college de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij het bepalen van de omvang neemt het college de normtijden in uren en minuten zoals vastgelegd in bijlage 4 als uitgangpunt. Per activiteit bepaalt het college het aantal minuten. Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. De omvang van de Begeleiding wordt vastgesteld in klassen, met daarin een bandbreedte in uren Onder de klasse waakvlam valt het “de vinger aan de pols” houden bij een client waarbij de begeleiding wordt afgebouwd. Waakvlam kan voor 6 tot 9 maanden worden afgegeven met een verlenging van 3 maanden (dus 12 maanden maximaal). Op basis van individueel maatwerk kan het college afwijken van de normtijden Omvang Dagbesteding Dagbesteding wordt vastgesteld in klassen. De hoogte van de klasse komt overeen met het aantal geïndiceerde dagdelen per week. Een dagdeel is gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Het maximum is 9 dagdelen per week. Dat is gelijk aan een in Nederland gebruikelijke 36-urige werkweek of afgeleid van het gemiddeld aantal uren dat een gezond persoon naar school gaat of studeert. Het aantal dagdelen dat voor Dagbesteding wordt geïndiceerd is afhankelijk van: de noodzaak (Hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.) de mogelijkheden van de cliënt (Hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan?) het doel dat van de ondersteuning. Daarbij kan het gaan om: dagbesteding ter vervanging van arbeid of het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid (denk aan pensioengerechtigde of mensen zonder arbeidsverleden) en tevens zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren. Voor dagbesteding zijn de klassen vastgesteld in termen van dagdelen. Klassen De klassen zijn als volgt bepaald: klasse 1: een dagdeel per week klasse 2: twee dagdelen per week klasse 3: drie dagdelen per week klasse 4: vier dagdelen per week klasse 5: vijf dagdelen per week klasse 6: zes dagdelen per week klasse 7: zeven dagdelen per week klasse 8: acht dagdelen per week klasse 9: negen dagdelen per week Afwegingskader Het college beoordeelt de hulpvraag in een brede context. De inhoud van het aandachtsgebied Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding bestaat uit het bieden van activiteiten die in de plaats komen van (betaald) werk en ter ondersteuning van de mantelzorger. Bij het beoordelingsproces wordt nadrukkelijk gebruik gemaakt van informatie zoals die voorhanden is via derden (familie, naasten, door de gemeente gecontracteerde aanbieders, cliëntondersteuner et cetera). Voor advisering in het beoordelingsproces kunnen diagnostische teams of expertise worden ingeschakeld. Het college beoordeelt oplossingen in de vorm van: de eigen kracht van cliënt of gebruikelijke zorg of de inzet van het sociaal netwerk. Het college bepaalt of de beperking van de klant gecompenseerd kan worden door gebruik te maken van wettelijk voorliggende voorzieningen, zoals regulier en speciaal onderwijs, opleiding, reguliere betaalde arbeid, of arbeid op grond van de Participatiewet. Het college beoordeelt in hoeverre de mantelzorger, het steunsysteem van de klant of algemene voorzieningen zoals bijvoorbeeld sociaal cultureel werk of vrijwilligerswerk een oplossing kunnen bieden; Is dat niet of onvoldoende het geval dan beoordeelt het college of er compensatie plaats moet vinden in de vorm van een maatwerkvoorziening. Deze kan in een collectieve vorm worden geboden of in een individuele vorm. Het college houdt bij de beoordeling collectief of individueel rekening met in de persoon van de belanghebbende gelegen factoren zoals diens (medische) situatie en zijn belastbaarheid. Als er medische contra-indicaties zijn voor collectief, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak Begeleiding (individueel) worden geïndiceerd. Waarbij opgemerkt wordt dat een dagdeel in collectief verband in die situatie niet gelijk is aan vier uur Begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het resultaat. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. Het college houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting van de mantelzorger een individuele voorziening aan de verzorgde belanghebbende worden toegekend. Het college bepaalt de omvang van de compensatie tot een maximum van 9 dagdelen collectieve dagbesteding. De omvang wordt mede afgestemd of de behoefte van belanghebbende en zijn mantelzorger(s). Vervoer naar Dagbesteding Bij een indicatie voor dagbesteding zal ook worden onderzocht of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een cliënt in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de dagbesteding kan bereiken dan is dat uiteraard voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is, zal vervoer van en naar de dagbesteding worden geïndiceerd. De meeste aanbieders van dagbesteding hebben afspraken met vervoersbedrijven die de cliënt van huis of bij een vast verzamelpunt ophalen en naar de dagbesteding brengen en halen. Op het budget voor het vervoer vanuit de AWBZ is in 2014 al fors bezuinigd waardoor instellingen zelf hebben gezocht naar manieren om het vervoer efficiënter te organiseren. Hierdoor wordt nu bij de keuze voor een bepaalde locatie dagbesteding voor een cliënt al rekening gehouden met reisafstand en zijn initiatieven ontwikkeld om cliënten te leren zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Deze ontwikkeling zal onder de Wmo zeker worden voortgezet.Toezicht in het vervoer werd onder de AWBZ niet geïndiceerd omdat werd aangenomen dat het niveau van het vervoer naar dagbesteding is aangepast aan de gebruikers. Wanneer er medisch gezien toezicht nodig is dan kan hiervoor een beroep gedaan worden op de zorgverzekeringswet. De gemeente heeft overeenkomsten gesloten met aanbieders van vervoer. Voor de vervoerstarieven gelden de afspraken die met de aanbieders zijn overeengekomen. Afwegingskader Het college beoordeelt of belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele voorziening voor vervoer van en naar de activiteiten van de dagbesteding. Indien belanghebbende om medische redenen niet in staat is zelf de locatie van de activiteiten te bereiken, wordt eerst gekeken of de mantelzorger, het steunsysteem of een vrijwillig vervoersinitiatief een oplossing kan bieden. Is dit niet het geval dan kan het college een individuele voorziening voor vervoer naar de locatie van de activiteiten verstrekken. Uitgangspunt, indien vervoer nodig is, is dat de locatie die zich het dichtst bij het adres van de belanghebbende bevindt en die adequate compensatie biedt voor de beperking van de belanghebbende, voorliggend is aan locaties die verder weg liggen. Bij de keuze voor een vervoerder betrekt het college de mogelijkheden die het collectief vervoer en ander aanwezig doelgroepenvervoer biedt. Er wordt geen toezicht tijdens het vervoer naar de dagbesteding geïndiceerd. Er mag namelijk worden aangenomen dat het niveau van het vervoer (inclusief het toezicht) naar deze zorg is aangepast aan de gebruikers. Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is bedoeld voor cliënten die permanent toezicht nodig hebben. Bij kortdurend verblijf logeert een cliënt maximaal 72 uur per week in een instelling, bijvoorbeeld in een instelling voor mensen met een beperking, verpleeghuis of verzorgingshuis. Hiermee wordt de mantelzorger (bijv. ouder, partner of huisgenoot) ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden en cliënt thuis kan blijven wonen. Kortdurend verblijf doet zich voor in situaties waarin de mantelzorger geheel of gedeeltelijk de zorg voor belanghebbende als gevolg van (dreigende) overbelasting niet meer uit kan voeren en waarvoor ook het eigen steunsysteem geen oplossing kan bieden. Een uitzondering hierop geldt wanneer het gaat om ouders die bovengebruikelijke zorg verlenen aan hun kinderen. Hierbij hoeft geen sprake te zijn van dreigende overbelasting en kan alleen op grond van hun bovengebruikelijke taken kortdurend verblijf worden geïndiceerd. Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt. Door de gemeente wordt eerst onderzocht of er andere manieren zijn om de mantelzorger te ontlasten. Hierbij valt te denken aan het inschakelen van een vrijwilliger die een paar uur de zorg voor een cliënt overneemt, en ook dagbesteding kan als belangrijk neveneffect of zelfs doel hebben de mantelzorg te ontlasten.De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van de Wlz moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om bijvoorbeeld verblijf van een week, zodat mantelzorg op vakantie kan, mogelijk te maken. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals bijvoorbeeld respijtzorg vergoed door de ziektekostenverzekeraar, geen optie zijn. In de instelling waar cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is, moet dit apart op grond van de Wlz worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. Cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor de locale vervoersvoorziening, Regiotaxi of een (rolstoel-) taxikostenvergoeding krijgen, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Kortdurend verblijf kent anders dan school of dagbesteding geen exacte starttijden zodat gebruik van een collectief vervoerssysteem als de lokale vervoersvoorziening of Regiotaxi (eventueel met begeleider) een geschikte oplossing biedt. Indicatiecriteria Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: belanghebbende heeft beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; belanghebbende is gezien de zorgbehoefte aangewezen op zorg gepaard gaand met permanent toezicht (24 uur per dag), en ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de belanghebbende levert, is noodzakelijk. Permanent toezicht Permanent toezicht omvat altijd bovengebruikelijk toezicht. Het is toezicht waarop de klant noodzakelijkerwijs is aangewezen op regelmatige en onregelmatige momenten en die geboden wordt op basis van actieve observatie. Het gaat dus om belanghebbenden die 24 uur per dag toezicht nodig hebben. Dit is op het grensvlak met de Wlz waarbij ook één van de criteria is dat de klant 24 uur per dag toezicht nodig heeft. Bij het begrip toezicht moet goed het onderscheid met de Zvw in het oog worden gehouden. Een voorbeeld is het verpleegkundig toezicht dat nodig is bij thuisbeademing. Dat valt niet onder de Wmo maar onder de verpleging op grond van de Zvw. Permanent toezicht kan verschillende aangrijpingspunten hebben en verschillen in intensiteit. Afhankelijk daarvan kan de toezichtfunctie op verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn op: het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte; en/of het verlenen van zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de klant zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; en/of het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). Klassen Kortdurend verblijf De omvang van de functie Kortdurend Verblijf wordt vastgesteld in klassen en uitgedrukt in etmalen. De klassen zijn als volgt bepaald: klasse 1: een etmaal per week klasse 2: twee etmalen per week klasse 3: drie etmalen per week Afwegingskader De inhoud van dit resultaat bestaat uit het tijdelijk overnemen van het toezicht op belanghebbende die permanent, 24 uur per dag toezicht nodig heeft. Het college stelt vast dat belanghebbende een zodanige beperking heeft dat hij een mantelzorger nodig heeft om de handelingen en activiteiten die hij zelf niet (meer) kan doen, voor hem te verrichten, dan wel om toezicht te houden in verband met gedrags- en of gezondheidsproblematiek. Het college stelt de noodzaak voor permanent, 24 uur per dag toezicht vast. Van permanent toezicht is sprake indien: hulp nodig is op regelmatige en onregelmatige momenten. De zorgverlening moet inspelen op de (frequent voorkomende) al dan niet geëxpliciteerde zorgvraag; die hulp geboden wordt op basis van actieve observatie, die tot doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of verslechtering van de gezondheidssituatie tijdig te signaleren, waardoor tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/ gevaarlijke/ (levens)bedreigende gezondheids- en of gedragssituaties kan worden voorkomen. Het college stelt vast dat verblijf in de thuissituatie verantwoord en realistisch is. De grens van de ondersteuning onder de AWBZ was vastgesteld op maximaal drie etmalen per week (= 18 dagdelen). Is er meer nodig dan gold dat verblijf in de thuissituatie niet meer verantwoord en realistisch is. Als het college heeft vastgesteld dat de ouder(
  2. s)en/of andere huisgenoten in de thuissituatie overbelast is/zijn, of dit door het bieden van mantelzorg dreigt/dreigen te raken en daardoor niet meer in staat is/zijn de mantelzorg (volledig) te leveren, beoordeelt het college eerst of binnen het eigen steunsysteem van de mantelzorger een oplossing voor de overbelasting kan worden gevonden. Te denken valt aan een familielid die een middag of weekend de zorg overneemt. Is dat niet of niet voldoende het geval dan beoordeelt het college of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Hierbij kan gedacht worden aan een steunpunt mantelzorg dat informatie kan verstrekken over voorzieningen, of een vrijwilligerssteunpunt dat kan bemiddelen voor een vrijwilliger. De belastbaarheid met het oog op de gezondheid van de ouder, partner of huisgenoot moet worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. Als het college heeft vastgesteld dat inzet van het eigen steunsysteem en de voorliggende voorzieningen het probleem van de (dreigende) overbelasting niet in voldoende mate vermindert, kan het college de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf toekennen. Een uitzondering op de regel dat sprake moet zijn van (dreigende) overbelasting geldt wanneer het gaat om ouders die bovengebruikelijke zorg verlenen aan hun kind(eren). Hierbij kan op grond van hun bovengebruikelijke taken kortdurend verblijf worden geïndiceerd. Het college gaat ook na of belanghebbende een indicatie voor Zvw-persoonlijke verzorging en verpleging heeft. Wanneer deze zorg door de partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoot zelf wordt geleverd via een pgb, kan dit een reden zijn voor (dreigende) overbelasting. De overbelasting kan in dit geval worden verminderd wanneer de mantelzorger in plaats van zelf de persoonlijke verzorging te leveren, deze inkoopt in de vorm van zorg in natura door een thuiszorgaanbieder. Deze oplossing is voorliggend aan een maatwerkvoorziening. Het college houdt rekening met de afbakening met de Zvw en Wlz. GGZ-inloop Een inloopfunctie GGZ is een laagdrempelige voorziening in het kader van dag- en arbeidsmatige activiteiten. Het gaat hierbij dan ook vooral om de beschikbaarheidsfunctie. Dat betekent dat aan de deelnemers geen strenge eisen worden gesteld voor wat betreft de deelname aan de inloop. Er is dan ook geen indicatie vereist. Over het algemeen is tijdens de openingsuren van de inloopfunctie altijd minimaal een begeleider aanwezig. Doelgroep: De inloop is bedoeld voor (ex)cliënten met een langdurige psychische stoornis en daarmee samenhangende beperkingen. Inlooppunten: De functie Inloop GGZ wordt naar alle gemeenten gedecentraliseerd, tenzij de functie onderdeel uitmaakt van de maatschappelijke opvang: dan gaat het naar centrumgemeenten. Vanuit de Zvw worden in onze regio diverse inlooppunten GGZ gefinancierd. Over het algemeen komen de meeste bezoekers van inloopfuncties uit centrumgemeenten. In onze regio zien we in aansluiting hierop ook meer inloopfuncties in Leiden dan in de regiogemeenten. Katwijk heeft een inloophuis bij Stichting De Brug. Doventolk Een van de nieuwe taken voor de gemeente is de doventolkzorg. Doventolkzorg omvat zorg door een doventolk bij het voeren van een gesprek in de leefsituatie. Het inkoopbeleid wordt landelijk ingevuld door de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Alleen belanghebbenden komen in aanmerking voor doventolkzorg. Wonen met ondersteuning en Opvang Op grond van de Wmo zijn (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk voor het bieden van een maatwerkvoorziening in de vorm van wonen met ondersteuning en opvang. Wonen met ondersteuning en opvang is op te splitsen in twee vormen: Wonen met ondersteuning aan inwoners van 18 tot 74 jaar, die tijdelijk door psychische of psychosociale problematiek niet meer zelfstandig kunnen wonen of tijdelijk intensieve (ambulante) ondersteunding nodig hebben. De problematiek ontstaat door een licht verstandelijke beperking, een psychiatrische aandoening of psychische kwetsbaarheid, al dan niet in combinatie met gedragsproblemen. Het gaat om personen die niet in staat zijn zelfstandig te wonen. Tijdelijke opvang (maximaal 3 maanden) met ondersteuning aan personen die dak- of thuisloos zijn geworden en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Aanmelding voor wonen met ondersteuning en opvang kan bij de lokale toegang in de gemeente Katwijk. Vormen van wonen met ondersteuning en opvang Wonen met ondersteuning Wonen met ondersteuning is overkoepelend voor alle genoemde vormen van wonen met ondersteuning waarbij er 24/7 ondersteuning oproepbaar en beschikbaar geleverd kan worden. Wonen met ondersteuning kan op verschillende manieren vormgegeven worden: Op basis van scheiden wonen en zorg (zoals Beschermd Thuis en Beschermd Wonen Light); Intramuraal (integraal pakket van wonen en zorg). Ambulante ondersteuning ter overbrugging Wanneer wonen met ondersteuning niet direct beschikbaar is, wordt belanghebbende op de wachtlijst geplaatst en is het college ter overbrugging verantwoordelijk voor het bieden van een passend alternatief in de vorm van ambulante begeleiding. De aard en intensiteit van deze begeleiding is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van belanghebbende en de mogelijkheid van zijn directe omgeving (familie/sociaal netwerk). Binnen de ambulante ondersteuning ter overbrugging ligt het accent van de begeleiding op het aanleren van vaardigheden en het bevorderen van participatie met als doel belanghebbende voor te bereiden op een passende vervolgplek. De gemeente en aanbieders die wonen met ondersteuning leveren, werken gezamenlijk aan een snelle doorstroom op de wachtlijst met als doel de wachtlijst zo klein mogelijk te houden. Indien er geen 24/7 oproepbaarheid nodig is wordt er Wmo begeleiding geïndiceerd. Indien er 24/7 oproepbaarheid noodzakelijk is worden deze resultaatgebieden geïndiceerd. Beschermd Thuis Beschermd Thuis heeft als doel om inwoners zelfstandig in hun eigen huis te kunnen laten wonen met een passende vorm van begeleiding op maat. Dit gebeurt door het bieden van intensieve begeleiding en oproepbare ondersteuning aan inwoners in de thuissituatie (scheiden wonen/zorg). Zelfredzaamheid en participatie worden vergroot doordat er een passende hulp beschikbaar is in de nabijheid voor mensen in een kwetsbare situatie. Ze zijn in hun eigen bekende leefomgeving en ze hebben toegang tot participatie, zoals (vrijwilligers)werk en binnen de eigen sociale leefomgeving. Indicatiecriteria: 18 jaar of ouder; psychiatrische, en/of verslavingsproblematiek met bijkomende psychosociale en/of LVB-problematiek. Zelfstandig wonend of zelfstandig gaan wonen, omdat ze bij bijvoorbeeld het ouderlijk huis gaan verlaten, uitstromen uit de maatschappelijke opvang of uit een andere intramurale woonvorm; Inzicht in eigen psychiatrische en lichamelijke problemen; De zorgvraag is niet 100% te plannen; Er is behoefte aan 24/7 oproepbare begeleiding; De zorgvraag kan over het algemeen uitgesteld worden tot maximaal een dagdeel; Er is motivatie voor begeleiding; Client is groepsongeschikt waardoor wonen in een woonvorm met anderen niet mogelijk is. In dat geval kan er intensieve zorg thuis ingezet worden. Indicaties voor Beschermd wonen thuis worden in principe voor (maximaal) één jaar afgegeven. Daarna moet er een herindicatie worden aangevraagd. Beschermd wonen light BW light is een combinatie van wonen en begeleiding voor jongeren van 18 tot 27 jaar, voor maximaal twee jaar. De jongere woont met een aantal andere jongeren. In de woning woont een beheerder, deze beheerder is het eerste aanspreekpunt voor de jongeren en voor de buurt. De beheerder is geen zorgverlener. Een zorgpartij huurt of is eigenaar van de woning en verhuurt de kamer onder aan de jongeren. De ondersteuning wordt geleverd door een zorgaanbieder, het betreft 24/7 oproepbaarheid en inzetbaarheid van ondersteuning Indicatiecriteria: Behoefte aan een beschermende woonomgeving om te werken naar zelfstandigheid en verbetering te bereiken. Ambulante begeleiding en/of dagbesteding zijn onvoldoende. Verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken; Zorg op gezette tijden en op afroep in de nabijheid is noodzakelijk: iemand kan zelf niet voldoende risico’s inschatten en adequaat en op tijd om hulp vragen met als gevolg risico op (zelf)verwaarlozing of overlast; Heeft de wens/behoefte om te verblijven en is gemotiveerd om te werken aan Beschermd wonen Light; De beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig of er kan op dat moment niet worden vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is; De aanvrager komt niet in aanmerking voor verblijf vanuit de Zorgverzekeringswet, (verlengde) Jeugdzorg of de Wet langdurige zorg. De maatwerkvoorziening Beschermd Wonen Light wordt volgens het principe van scheiden van wonen en zorg aangeboden. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de woonruimte en alle overige kosten voor levensonderhoud, de inrichting van de kamer, verzekeringen etc. Beschermd Wonen (intramuraal/integraal pakket van wonen en zorg) Dit betreft ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling. Waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont. De ondersteuning door individuele ondersteuning vindt plaats op vaste contactmomenten en/of door een vaste aanwezigheid van begeleiders op de groepswonenlocatie op bepaalde tijden van de dag. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er minimaal sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht, eventueel aangevuld met aanwezigheid op de woonlocatie in de nacht en het weekend. Wonen met ondersteuning is bestemd voor personen met psychische en/of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Bij de personen binnen wonen met ondersteuning is er sprake van de volgende algemene hulpvragen: Zelfstandig wonen is niet meer of nog niet mogelijk; Er is stabiliteit en structuur nodig; Er is 24 uurs oproepbaarheid of beschikbaarheid van hulp noodzakelijk. Er is geen 24/7 toezicht en begeleiding nodig, dan valt de indicatie onder de specialistische voorzieningen (zie regionale functie Leiden en specialistische voorzieningen). De mate van zelfredzaamheid wordt op verschillende leefgebieden getoetst. Er zijn een aantal criteria waar aan een inwoner moet voldoen om in aanmerking te komen voor wonen met ondersteuning. De criteria voor Wonen met ondersteuning zijn als volgt: De inwoner is minimaal 17,5 jaar Om de overgang van Jeugdwet naar Wmo soepel te laten verlopen kan de Wmo consulent al in gesprek met de jeugdige vanaf 16,5 jaar en tijdig meekijken (adhv een perspectiefplan); Er moet sprake zijn van een diagnose en/of advies van een specialist (BIG geregistreerd) op gebied van GGZ of Maatschappelijke opvang. Als diagnose niet mogelijk is moet er sprake zijn van aantoonbaar onvermogen om zichzelf staande te houden in een zelfstandige woning; Géén voorliggende voorzieningen mogelijk. (Wlz, Zvw, Jeugdwet, Participatiewet). Er is op het moment van onderzoek geen sprake (meer) van een klinische behandeling (zorgverzekering) of de klinische behandeling zal binnen uiterlijk 60 dagen eindigen; Er is stabiliteit en structuur nodig; Inwoner kan niet meer of nog niet zelfstandig wonen; 24/7 oproepbaarheid en inzetbaarheid van ondersteuning is noodzakelijk; Er is geen 24/7 toezicht en begeleiding nodig, dan valt de indicatie onder de specialistische voorzieningen (zie regionale functie Leiden en specialistische voorzieningen). Lokale opvang De dak- of thuisloze inwoner meldt zich bij de lokale toegang. Dit kan ook zijn vanuit de nachtopvang omdat deze inwoner zich na 17u of in het weekend heeft gemeld bij de regionale specialistische opvang in Leiden, waarbij hij/zij zich de volgende werkdag meldt bij de lokale toegang. Samen met de inwoner onderzoekt de medewerker van de lokale toegang wat de inwoner zelf kan doen en gaat na of de inwoner kan verblijven in het eigen netwerk of op een alternatieve verblijfplek (bijvoorbeeld Divorce Housing, particuliere huur). De medewerker van de lokale toegang brengt samen met de inwoner de ondersteuningsbehoefte in kaart en kijkt wat hij/zij samen met de inwoner kan regelen (bijvoorbeeld identiteitsbewijs aanvragen, postadres aanvragen, inschrijven voor woning, uitkering aanvragen). Als de inwoner kan verblijven in eigen netwerk of op een alternatieve plek, kan het wijkteam ondersteuning bieden bij het vinden van een duurzame oplossing. Als er geen oplossing is binnen het eigen netwerk, wordt er een lokale opvangplek gezocht. Hierbij geldt: zo dichtbij mogelijk (1: eigen woonplaats, 2: subregio). Er wordt ondersteuning ingezet om de uitstroom uit de MO-voorziening zo snel mogelijk te realiseren en inschrijving bij Huren in Holland Rijnland is verplicht. Daarnaast inzet op ondersteuningsbehoefte. Bij acute dakloosheid wordt de ondersteuningsbehoefte later in kaart gebracht, na plaatsing. De dak- of thuisloze inwoner krijgt een indicatie voor een lokale opvangplek voor maximaal 3 maanden, met de optie tot verlenging met 3 maanden. De inwoner betaalt huur voor de woonplek aan de zorgaanbieder. De inwoner ontvangt een beschikking. Indien de inwoner in een andere gemeente binnen de subregio (Duin- en Bollenstreek) wordt geplaatst geeft de gemeente van herkomst de beschikking af. Er zijn een aantal criteria om in aanmerking te komen voor opvang: De inwoner heeft de Nederlandse nationaliteit of de vreemdeling die gelijk wordt gesteld met een Nederlander en verblijft legaal in Nederland De inwoner heeft de thuissituatie verlaten en is zonder opvang niet in staat op eigen kracht zelfstandig te wonen en te participeren in de samenleving In gesprek met de inwoner is vastgesteld dat de inwoner momenteel dakloos en thuisloos is Het is noodzakelijk voor de inwoner om in de opvang te verblijven om te voorkomen dat hij/zij op straat leeft De inwoner heeft behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan waarmee een persoon wordt ondersteund bij het vinden van een eigen woonruimte. De inwoner wil en accepteert het ondersteuningstraject uitgaande van zijn/haar (on)mogelijkheden, gericht op het realiseren van een eigen woonsituatie, waarin hij meer op eigen kracht (zelfstandig) kan wonen en participeren in de samenleving, buiten de opvang om. Als blijkt dat de inwoner behoefte heeft aan specialistische opvang (24/07 toezicht en begeleiding nodig is en er is sprake van complexe problematiek, zie hieronder), dan behandelt gemeente Leiden de aanvraag. Gemeente Leiden is namens de gemeenten van Holland Rijnland verantwoordelijk voor de uitvoering van de specialistische maatschappelijke opvang. Criteria voor specialistische opvang: Het verblijf in een instelling is noodzakelijk voor de behandeling van een psychiatrische stoornis van de cliënt. Er is sprake van behandeling als er verbeterdoelen zijn geformuleerd, die op een gestructureerde en programmatische manier worden nagestreefd, en waarvoor specifieke deskundigheid van een behandelaar is vereist. Er is aanspraak op een voorziening vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) omdat er sprake is van verblijf dat noodzakelijk is voor de behandeling van de aandoening. Er is aanspraak op een voorziening vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) omdat er sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid op basis van een andere vastgestelde grond dan psychiatrie. Er is sprake van een acute crisissituatie in de geestelijke gezondheid en/of andere levensdomeinen en als gevolg hiervan zijn er mogelijkheden voor crisisopvang/opname in de Zvw; Er is sprake van huiselijk geweld of een risico op veiligheid, waarvoor een melding gedaan moet worden bij Veilig Thuis en via die weg opvang mogelijk is. Regionale functie Leiden De gemeenten in Holland Rijnland organiseren wonen met ondersteuning zo veel mogelijk lokaal. Uitgezonderd zijn de voorzieningen voor inwoners met meervoudig complexe problematiek die aangewezen zijn op specialistische ondersteuning met wonen. Vanwege de complexe zorgbehoefte, het kleine aantal inwoners dat hierop aangewezen is en de benodigde specialistische inzet zijn deze voorzieningen niet zelfstandig lokaal te organiseren. Er zijn twee soorten, namelijk specialistische maatschappelijke opvang en specialistische wonen met ondersteuning. De gemeente Leiden is door alle de gemeenten in Holland Rijnland gemandateerd om dit uit te voeren. Specialistisch wonen met ondersteuning (regionaal) Er zijn verschillende specialistische voorzieningen te onderscheiden: Specialistische woonvoorzieningen De inwoner is vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek aangewezen op 24/7 aanwezig toezicht en/of 24/7 oproepbaarheid van ondersteuning. Er is een ernstig vermoeden van een psychiatrische aandoening of er is diagnostiek rondom een psychiatrische aandoening aanwezig. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. Naast GGZ-problematiek is er sprake van één of meerdere bijkomende problematiek, namelijk: verslaving, gedrag (agressie, grensoverschrijdend gedrag), (Licht)Verstandelijke beperking en/of somatiek. Traject woonbegeleiding ouder-kind Het traject woonbegeleiding ouder-kind omvat kortdurende trajectondersteuning met wonen aan (jong)volwassen die zwanger zijn of jonge kinderen hebben. Er is sprake van problematiek op het gebied van GGZ bij de (jong)volwassenen, al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking. Vanwege deze problematiek is de inwoner niet in staat zelfstandig te wonen. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte is 24- uurs oproepbare of 24-uurs aanwezige ondersteuning. Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling Het traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling omvat kortdurende trajectbegeleiding aan inwoners met problematiek op het gebied van GGZ al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking. De inwoner is na het volgen van een detox-traject in een verslavingskliniek niet in staat zijn zelfstandig te gaan wonen met ambulante begeleiding. Zij zijn aangewezen op een nazorgtraject in geclusterde setting gericht op het omgaan met hun verslavingsgevoeligheid. Er is altijd sprake van meer problematiek dan enkel verslaving. Specialistische Maatschappelijke Opvang De specialistische MO (De Nieuwe Energie) zal acute en tijdelijke opvang en ondersteuning bieden voor de inwoner die dakloos is geraakt (de inwoner staat op straat) en waar sprake is van 24 uurs begeleiding en toezicht én opvang in het kader van de koude- en hitteregeling. Personen die van de opvang gebruik kunnen maken zijn kwetsbaar en niet zelfredzaam door GGZ-problematiek, verslavingsproblematiek en/of een verstandelijke beperking. Hierdoor hebben zij 24 uur per dag toezicht en begeleiding nodig. Een inwoner die acuut geen plek heeft om te wonen kan zich buiten kantoortijden (doordeweeks tussen 17.00- 23.00 uur en in het weekend tussen 9.00- 23.00 uur) melden bij de specialistische MO, de eerst volgende werkdag wordt de inwoner verwezen naar de gemeente van herkomst. Afwegingskader Het afwegingskader sluit aan bij de punten zoals genoemd onder afwegingskader Individuele begeleiding, met uitzondering van de laatste twee genoemde punten, deze gelden niet voor wonen met ondersteuning. Uitstroomperspectief is aandachtspunt in de ondersteuning, inschrijving bij Huren in Holland Rijnland is verplicht; Het college bepaalt de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Per module bepaalt het college de omvang. Door het totaal aantal in te zetten modules bij elkaar op te tellen wordt de omvang van de in te zetten maatwerkvoorziening vastgesteld door het college. Uitstroomperspectief is onderdeel van de ondersteuning, inschrijving bij Huren in Holland Rijnland is verplicht; In het onderzoek wordt de Wet langdurige zorg (Wlz) meegenomen. De inwoner komt hiervoor in aanmerking als er permanent toezicht en ondersteuning noodzakelijk is met daarnaast slechts een beperkt ontwikkelperspectief; Als een client van buiten de regio Holland Rijnland aanspraak wil maken op wonen met ondersteuning worden de kosten verrekend met de gemeente van herkomst; Er wordt gekeken of er regiobinding is of bij afwezigheid hiervan dat er gegronde redenen zijn om hier van af te wijken; Het college beoordeelt in het kader van de landelijke toegankelijkheid voor de cliëntgroep Ondersteuning met wonen Opvang. Indiceren van wonen met ondersteuning en opvang De ondersteuning vindt plaats in de vorm van een modulair opgebouwd product, opgebouwd uit één of meer van de volgende resultaatgebieden (zie ook bijlage 5: praktische uitwerking bekostigingsmodel en modulaire productstructuur): Sociaal en persoonlijk functioneren: richt zich op ondersteuning aangaande familie, relaties, netwerk; sociale vaardigheden; financiën, wonen, participatie; gedrag en organisatie van het leven. De Ondersteuning is gericht om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zo veel mogelijk eigen regie te voeren. Extra ondersteuning Zelfzorg en Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan. Geldzaken: draagt er aan bij dat cliënten een geordende en gebalanceerde financiële huishouding verkrijgen en/of behouden. Extra ondersteuning Daginvulling: draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen met ondersteuning. Veiligheid: richt zich op 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid wanneer cliënten ’s avonds/'s nachts ondersteuning van een begeleider nodig kunnen hebben. Sociaal Beheer: Ondersteuning die wordt geboden afwijkend van geplande contactmomenten overdag en eventueel ook de kosten van gezamenlijk wonen (gemeenschappelijke ruimtes) bij Wonen met Ondersteuning en de (vaste) aanwezigheid van een begeleider op de groep bij de woonlocatie, bovenop de ondersteuning op de resultaatgebieden onder sub a, b en c van dit lid, ten behoeve van gezamenlijke momenten met mede cliënten en/of het reguleren van het sociale verkeer tussen cliënten. Het modulair opgebouwde maatwerkproduct kan in het geval van Wonen met Ondersteuning uitgebreid worden met Huisvestingskosten. Om de volgende reden geldt voor de bekostiging van de maatschappelijke zorg het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg: De verantwoordelijkheid voor een eigen woning en het zelfstandig betalen van de woonkosten van die woning draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van client; Wanneer zorg en begeleiding meer onafhankelijk van de woonplek worden aangeboden (scheiden wonen en zorg) wordt het beter mogelijk in de organisatie van de ondersteuning mee te bewegen met het hersteltraject van de client en kunnen verhuisbewegingen worden beperkt. Intramurale bekostiging van huisvestiging blijft mogelijk voor voorzieningen of groepen cliënten voor wie het scheiden van wonen en zorg geen meerwaarde biedt of onbetaalbaar wordt. De Cliënt betaalt in dit geval een intramurale eigen bijdrage. Als onderdeel van daginvulling kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. De resultaatgebieden a t/m f uit het eerste lid bestaan uit verschillende intensiteiten, die staan voor de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij de keuze van een intensiteit wordt rekening gehouden met: de persoonlijke situatie van de Cliënt; de benodigde (mix van) deskundigheid van de in te zetten professional(s); de directe en indirecte cliëntgebonden tijd die nodig is om de resultaten te behalen; de mate van onplanbaarheid van de ondersteuning. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard van de te verstrekken maatwerkarrangement en de toegang daartoe als bedoeld in dit hoofdstuk. Cliëntgroepen modulaire productstructuur Voor de maatwerkvoorziening wonen met ondersteuning is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren. Bij wonen met ondersteuning en opvang wordt er een onderscheid gemaakt tussen: VG GGZ Jongvolwassenen De duur van de toekenning De duur van de toekenning is afhankelijk van: De leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van belanghebbende. Het ontwikkelingsperspectief en inzetbaarheid van het sociaal netwerk en/of Het ontwikkelen/uitbreiden van algemene (welzijns)voorzieningen. Bij herindicatie kan geconstateerd worden dat wonen met ondersteuning niet meer nodig is. Hierdoor kan een kortere indicatie afgegeven worden, zodat er tijd is om te zoeken naar een vervolgwoonplek en er daarna begeleiding afgegeven kan worden. Voor lokale opvang geldt een maximale toekenning van drie maanden, met een optie tot verlenging met nog een keer drie maanden. Voor wonen met ondersteuning duurt de indicatie maximaal 2 jaar. Wonen met ondersteuning buiten de subregio duin- en bollenstreek en binnen de regio Holland Rijnland In sommige situaties is wonen met ondersteuning buiten de duin- en bollenstreek en binnen de Holland Rijnland regio voor de belanghebbende noodzakelijk. Dit kan voorkomen doordat de (specifieke) zorg die belanghebbende nodig heeft niet geboden wordt door een aanbieder in de subregio Duin en Bollenstreek, of doordat er snel een plek nodig is die niet kan worden geboden door de bestaande wachtlijst. In al deze situaties is het noodzakelijk om met de gemeente van de andere (sub)regio in contact te treden en af te stemmen.. Afstemming gebeurt door de contactpersonen van de beide gemeenten. Deze afspraak geldt vice versa. Pgb wonen met ondersteuning Een inwoner kan gebruik maken van een pgb wonen met ondersteuning. Een pgb wonen met ondersteuning kan alleen worden ingezet als belanghebbende woont in een wooninitiatief of als er gebruik gemaakt wordt van overbruggingszorg in afwachting van een plek wonen met ondersteuning. Belanghebbende moet kunnen motiveren waarom een pgb een passende vorm van ondersteuning is. Belanghebbende kan het pgb inzetten als het wooninitiatief binnen de grenzen van de subregio Duin- en Bollenstreek is. Belanghebbende moet formeel wonen bij het wooninitiatief (basis registratie personen). Voorwaarden wooninitiatief: In een wooninitiatief wonen minimaal 3 en maximaal 26 bewoners, die een pgb ontvangen voor ten minste een of meerdere van de resultaatgebieden. Doordat zij pgb’s bundelen wordt er gezamenlijk zorg ingekocht. De bewoners verblijven op één BRP adres, of op meerdere BRP adressen binnen een straal van 100 meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is, die geschikt is om de bewoners in de gelegenheid te stellen samen activiteiten te ontplooien. HOOFDSTUK3.PERSOONSGEBONDEN BUDGET Keuze voor maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget De cliënt wordt geïnformeerd over de mogelijkheid voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget koopt cliënt zelf de ondersteuning/voorziening in. Het college bepaalt of een persoonsgebonden budget wordt toegekend. We onderscheiden een persoonsgebonden budget voor dienstverlening (= hulp bij het huishouden, begeleiding, kortdurend verblijf ) en een persoonsgebonden budget voor andere maatwerkvoorzieningen (= op het gebied van wonen, vervoer en voor rolstoelen). De medewerker informeert de cliënt op zijn verzoek over de maximale budgetten die voor de ondersteuning waarvoor hij een persoonsgebonden budget wil aanvragen van toepassing zijn. Hij wijst daarbij de cliënt op de voorwaarden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen, als ook de rechten en plichten die hieraan verbonden zijn. Afwegingskader Wet en verordening De client moet voldoen aan de volgende criteria: de cliënt moet zelf of met behulp van zijn netwerk, in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit betekent dat cliënt (of iemand die hij daarvoor inschakelt) moet kunnen inzien wat er aan ondersteuning moet worden ingekocht, hij moet offertes opvragen, hulpverleners kunnen aansturen, de administratieve verplichtingen richting gemeente en Sociale Verzekeringsbank kunnen uitvoeren etc; de cliënt moet kunnen motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wil krijgen; er moet zijn gewaarborgd dat hetgeen de cliënt met zijn pgb inkoopt veilig en doeltreffend is. Hierbij wordt meegewogen dat hetgeen de cliënt wenst in te kopen in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt en ook van voldoende kwaliteit is. Een pgb kan worden geweigerd: voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. voor zover de kosten van het betrekken van de ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening. Als de kosten hoger zijn dan de kosten van een maatwerkvoorziening, zal het pgb gemaximeerd worden op de kosten van de maatwerkvoorziening. als een pgb eerder is herzien of ingetrokken omdat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet voldoet aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; het pgb niet of voor een ander doel is gebruikt. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zolang het onderzoek voor een maatwerkvoorziening nog niet is afgerond en er op basis hiervan nog geen besluit is genomen over de noodzaak, aard en omvang van de maatwerkvoorziening. als er sprake is van een zodanig instabiele of progressieve medisch situatie dat het op voorhand duidelijk is dat de individuele voorziening snel niet meer adequaat zal zijn. als er sprake is van een cliënt met aanzienlijke schulden, terwijl deze cliënt medewerking weigert bij het oplossen van deze schuldenproblemen. Persoonlijk plan De cliënt is verplicht voor een persoonsgebonden budget voor dienstverlening een persoonlijk plan te overleggen volgens een voorgeschreven format. Het formulier Persoonlijk Plan wordt door de gemeente ter beschikking gesteld aan de cliënt. Op grond van dit plan moet de medewerker kunnen vaststellen of de cliënt in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget. Het plan moet ook inzicht geven wie de ondersteuning gaat leveren en –afhankelijk van het type ondersteuning- of deze beschikt over de benodigde kwalificaties. Is er sprake van een persoonsgebonden budget voor andere maatwerkvoorzieningen, dan moet hij desgevraagd een persoonlijk plan overleggen dat relevant is voor het type ondersteuning en voegt daarbij een offerte of factuur. De cliënt stelt het persoonlijk plan op. De medewerker toetst het persoonlijk plan in de onderzoeksfase, zodat het eventueel nog kan worden bijgesteld. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek en met behulp van de ‘handreiking 10 punten pgb vaardigheid’ beoordeelt de medewerker of het zelf organiseren van zorg met een budget past. Zorgovereenkomst De cliënt is verplicht voor de dienstverlening die hij wenst in te kopen met een persoonsgebonden budget een schriftelijke overeenkomst af te sluiten met de zorgverleners die hij daarvoor in wenst te schakelen. De zorgovereenkomst dient te voldoen aan het format, zoals dat door de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking wordt gesteld. Combinatie persoonsgebonden budget en zorg in natura Een cliënt kan ervoor kiezen een arrangement voor dienstverlening (combinatie van verschillende gebieden van ondersteuning) gedeeltelijk in de vorm van een persoonsgebonden budget en gedeeltelijk in natura te ontvangen. In dat geval moet uit het zorg- en budgetplan duidelijk zijn hoe de cliënt deze verdeling wil maken en ligt de verplichting bij de cliënt of zijn vertegenwoordiger om de ondersteuning te coördineren en op elkaar af te stemmen. Er is geen combinatie van pgb en ondersteuning in natura mogelijk binnen een gebied. Binnen een gebied van ondersteuning moet de cliënt kiezen voor òf ondersteuning in natura òf een persoonsgebonden budget. Trekkingsrecht Voor zover het persoonsgebonden budget valt onder het trekkingsrecht bij de Sociale Verzekeringsbank, zal de cliënt moeten voldoen aan de verplichtingen die aan dit trekkingsrecht zijn verbonden. Hoogte van het persoonsgebonden budget De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is afhankelijk van de vraag of er sprake is van ondersteuning door een al dan niet daartoe opgeleid persoon en/of een persoon die al dan niet werkzaam is via een instelling. Het uurbedrag wordt door de raad vastgesteld en vastgelegd in de verordening Wet maatschappelijke ondersteuning. Voor overige maatwerkvoorzieningen is het bedrag bepaald op de tegenwaarde van de zaak die de cliënt ontvangen zou hebben als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Is dat niet het geval dan zal beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag zonder korting vergoed zal moeten worden omdat anders het te bereiken resultaat onbereikbaar wordt. Verder zal worden uitgegaan van de situatie die er zou zijn als de voorziening in natura zou worden verstrekt. Zou dat een nieuwe voorziening zijn of een voorziening die verstrekt zou worden uit depot? In de eerste situatie wordt het bedrag bepaald op een nieuwe voorziening, met korting. In het tweede geval wordt het bedrag bepaald op het bedrag dat het zou kosten om de voorziening uit depot aan te schaffen. Omdat de meeste voorzieningen in natura door het college op huurbasis, inclusief het onderhoud en de reparaties , worden afgenomen, zal daar in de regel voor de bepaling van het persoonsgebonden budget ook aansluiting bij worden gezocht. In andere gevallen kan het bedrag afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Continuïteit Het is van belang dat er continuïteit is in de ondersteuning, zodat de dienstverlening efficiënt kan worden uitgevoerd. Dat vergroot de doelmatigheid en de ondersteuning

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.