← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2023 (Leiderdorp)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2023Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp; gelet op de relevante artikelen in vigerende Verordening Maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp, eerste wijziging; besluit vast te stellen de: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2023 Hoofdstuk1.Toegangsprocedure Artikel1.1.Inleiding Als een inwoner of zijn vertegenwoordiger zich meldt met een vraag om ondersteuning, wordt onderzocht of de inwoner hiervoor in aanmerking komt. Incluzio Leiderdorp onderzoekt de situatie van de inwoner en het college toetst het onderzoeksverslag en advies aan de Verordening en de beleidsregels en beslist op grond hiervan of een maatwerkvoorziening wordt toegekend. Artikel1.2.Melding Met een melding verzoekt een inwoner het college om te onderzoeken of hij of zij in aanmerking komt voor ondersteuning. De melding kan bij Incluzio Leiderdorp worden gedaan. Een melding is vormvrij en wordt geregistreerd en bevestigd. Voor feitelijk en residentieel daklozen 1 Feitelijke daklozen zijn personen zonder vaste verblijfplaats, die op straat leven of – niet-structureel – bij familie of vrienden slapen, en die kort gebruik maken van nachtopvang. Residentieel daklozen – mensen die in een instelling voor maatschappelijke opvang verblijven (en hier ingeschreven staan). en voor slachtoffers huiselijk geweld geldt dat de melding direct bij de door de gemeente aangewezen organisaties voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang gedaan wordt. Zij toetsen daarna de toegang tot de opvang. Artikel1.3Scheiding melding en aanvraag Een melding is geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Als het onderzoek, dat volgt op de melding, is afgerond, kan een inwoner een aanvraag indienen. Artikel1.4Behandeling melding Na de melding wordt contact opgenomen met de aanvrager en eventuele mantelzorger. Bij het eerste contact komen de procedureregels, de mogelijkheid tot cliëntondersteuning en de optie om een persoonlijk plan in te dienen aan de orde. Het college heeft Incluzio Leiderdorp de opdracht gegeven om de onderzoeken uit te voeren. Indien de melding gaat over opvang dan wordt deze melding in behandeling genomen door de door de gemeente aangewezen organisaties voor (specialistische) maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. De vrouwenopvang toetst aan de hand van toelatingscriteria zoals beschreven in het beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang & opvang in acute crisissituaties van slachtoffers huiselijk geweld in de vrouwenopvang (vanaf nu: Beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang). In hoofdstuk 6 (artikel 6.7) zijn de toetsingscriteria voor de (specialistische) maatschappelijke opvang nader omschreven. Artikel1.4.1Onafhankelijke cliëntondersteuning Voor de start van het onderzoek vertelt Incluzio Leiderdorp de inwoner over de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het gaat hierbij om ondersteuning in de vorm van informatie en advies over maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan. Deze ondersteuning wordt door een onafhankelijke partij geboden en is voor de inwoner kosteloos. Artikel1.4.2Persoonlijk plan Incluzio Leiderdorp vertelt de inwoner over de mogelijkheid om, indien van toepassing, een persoonlijk plan in te dienen. In het persoonlijk plan beschrijft de inwoner, al dan niet met behulp van een onafhankelijk cliëntondersteuner, welke vorm van ondersteuning naar zijn mening het beste van toepassing is op zijn situatie. Het persoonlijk plan moet voor de start van het onderzoek worden aangeleverd. Artikel1.5Onderzoek Het onderzoek wordt binnen zes weken na de melding uitgevoerd. Het college bespreekt met de inwoner wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. De inwoner is verplicht om zich tijdens het onderzoek te identificeren aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Het onderzoek verloopt zoals omschreven in artikel 5 van de Verordening en is daarmee conform aan de onderzoek stappen van de Centrale Raad van Beroep. Daarbij stel het college in het onderzoek door een aantal stappen de volgende zaken vast: De hulpvraag van de aanvrager; Welke problemen zich voordoen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is voor een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van de aanvrager; In hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere in het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de benodigde hulp en ondersteuning kunnen bieden. Artikel1.5.1Procedureregels en opschorten beslistermijn De inwoner verschaft Incluzio Leiderdorp de gegevens die nodig zijn voor het onderzoek. Als de inwoner niet de benodigde gegevens, documenten of medewerking verleent aan het onderzoek, kan de beslistermijn worden opgeschort. Artikel1.5.2Mantelzorg en dreigende overbelasting Incluzio Leiderdorp onderzoekt of er mantelzorg aanwezig is en of er maatregelen genomen moeten worden om de mantelzorger te ondersteunen en/of om (dreigende) overbelasting te voorkomen (zie ook bijlage 1 ‘Dreigende overbelasting mantelzorgers’). Artikel1.6Verslag Na het gesprek met Incluzio Leiderdorp ontvangt de inwoner het gespreksverslag van Incluzio Leiderdorp met de uitkomst van het onderzoek en het advies van Incluzio Leiderdorp aan de gemeente. Het verslag moet worden getekend door de inwoner en Incluzio Leiderdorp voordat deze behandeld kan worden door het college. Artikel1.6.1Verschil van mening over het verslag Wanneer de inwoner het niet eens is met de inhoud van het verslag, kunnen opmerkingen worden besproken met Incluzio Leiderdorp en kan het verslag worden aangepast. De inwoner wordt gevraagd mogelijke opmerkingen zo spoedig mogelijk door te geven, aangezien het onderzoek pas na ondertekening beoordeeld kan worden door de gemeente. Verschillen de inwoner en Incluzio Leiderdorp met elkaar van mening over het verslag, dan kan de inwoner zijn opmerkingen aan het daarvoor bestemde tekstvlak in het verslag toevoegen. De onafhankelijk cliëntondersteuner kan hierbij ondersteunen wanneer gewenst (zie ook artikel 1.4.1). Artikel1.7Aanvraag maatwerkvoorziening Na ontvangst van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, heeft het college twee weken de tijd om een beschikking voor een maatwerkvoorziening af te geven. Artikel1.7.1Inwinnen advies Het college kan besluiten om advies in te winnen van een (medisch) deskundige. In dat geval moet het advies worden afgewacht, voordat het onderzoek kan worden afgerond. De beslistermijn wordt in deze gevallen uitgesteld met 4 tot 8 weken op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht. De gemeente stuurt een brief aan de inwoner om de inwoner hiervan op de hoogte te stellen. Artikel1.8Beschikking voor een maatwerkvoorziening Het college is verplicht om een beschikking af te geven over de aanvraag van een maatwerkvoorziening. Met een beschikking wordt het collegebesluit bedoeld waarin wordt aangegeven of de inwoner een Wmo-voorziening krijgt toegewezen. De beschikking kan zowel toekennend als afwijzend zijn. In de beschikking voor een toegekende maatwerkvoorziening staat in ieder geval: welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt; het beoogde resultaat; de verplichtingen die zijn verbonden aan de verstrekte maatwerkvoorziening; mogelijk: dat een eigen bijdrage van de inwoner wordt verwacht; de hoogte van het persoonsgebonden budget (bij verstrekking van een maatwerkvoorziening door middel van een persoonsgebonden budget); de mogelijkheid om tegen de beslissing in bezwaar te gaan. Artikel1.8.1Beschikking voor vrouwenopvang In afwijking op het gestelde in artikel 1.8 is de vrouwenopvang voor onbepaalde tijd gemandateerd tot het afgeven van beschikkingen. Dit is het gevolg van de landelijke afspraken over toetsingscriteria en eventuele plaatsing in een andere regio indien dat vanwege veiligheid noodzakelijk is, zoals beschreven in het Beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang. Artikel1.9Eigen bijdrage maatwerkvoorziening Voor de eigen bijdrage voor diensten wordt aangesloten op wat daarover is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daarin staat een aparte eigen bijdrage systematiek voor wonen met ondersteuning. Voor de eigen bijdrage voor de overige maatwerkvoorzieningen geldt vanaf 2019 het landelijke abonnementstarief. Dat wil zeggen dat een inwoner maximaal € 19,- per maand als eigen bijdrage krijgt opgelegd en dat het CAK deze int. De eigen bijdrage wordt opgelegd tot 100 procent van de kostprijs is bereikt behalve voor de bij Verordening uitgezonderde voorzieningen 2 In de Verordening zijn in artikel 12 en 13 uitzonderingen geregeld voor de volgende voorzieningen: het collectief vraagafhankelijk vervoer; een rolstoel; een maatwerkvoorziening in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen; een hulpmiddel voor een belanghebbende jonger dan 18 jaar; begeleiding individueel intensiteit waakvlam (lage frequentie van ondersteuning) kortdurend verblijf; individueel vervoer; verhuiskosten. Voor de maatwerkvoorzieningen in de vorm van diensten, zoals huishoudelijke ondersteuning, ambulante begeleiding en wonen met ondersteuning geldt dat de eigen bijdrage wordt opgelegd zolang de inwoner de maatwerkvoorziening ontvangt; Voor hulpmiddelen zoals scootmobielen geldt dat de eigen bijdrage wordt opgelegd zolang de inwoner het hulpmiddel in bruikleen heeft; Voor woningaanpassingen geldt dat de eigen bijdrage wordt opgelegd totdat 75% van de kostprijs is betaald. Voor een persoonsgebonden budget geldt dat de eigen bijdrage wordt opgelegd zolang de inwoner het persoonsgebonden budget ontvangt. Artikel1.9.1Eigen bijdrage in geval van opvang In afwijking op het gestelde in artikel 1.9 wordt de eigen bijdrage voor de maatschappelijke opvang en de vrouwenopvang vastgesteld en geïnd door de betreffende organisatie. Voor de specialistische maatschappelijke opvang geldt een eigen bijdrage per nacht. De eigen bijdrage voor de vrouwenopvang betreft de wooncomponent van de voorziening. Het uitgangspunt is dat voor de cliënt in ieder geval de norm voor zak- en kleedgeld, zoals genoemd in artikel 23 van de Participatiewet, beschikbaar blijft. Vanwege persoonlijke financiële omstandigheden bestaat de mogelijkheid om van het standaard bedrag af te wijken. Artikel1.9.2Start eigen bijdrage De gemeente meldt aan het CAK wanneer de eigen bijdrage moet starten en stoppen. In de gemeente Leiderdorp is afgesproken dat de eigen bijdrage start op het moment dat de gemeente de voorziening start via een beschikking plus twee weken. In verband met de huidige personeelstekorten in de zorg is het mogelijk om bij hoge noodzaak bij wijze van uitzondering af te wijken van deze starttermijn. Dit wordt gedaan in overleg met de beleidsmedewerker. Uitzondering daarop zijn woningaanpassingen, daarvoor geldt dat de daadwerkelijke levering van de woningaanpassing als startmoment voor de eigen bijdrage geldt. De reden daarvan is dat een beschikking voor een woningaanpassing (bijvoorbeeld voor een traplift) wordt afgegeven waarna de leverancier de opdracht krijgt tot levering. Artikel1.9.3Eigen bijdrage voor maatwerkvoorziening in gemeenschappelijke ruimte Ten aanzien van een maatwerkvoorziening die wordt geplaatst in gemeenschappelijke ruimten, zoals elektrische deuropeners, wordt in principe een eigen bijdrage verlangd van de aanvrager. Wanneer uit de praktijk blijkt dat een groep inwoners belang heeft bij de maatwerkvoorziening, kan het college ervoor kiezen om geen eigen bijdrage in de kosten op te leggen. Hoofdstuk2.Beoordelingscriteria maatwerkvoorzieningen Artikel2.1Inleiding Tijdens de onderzoeksfase wordt onderzocht waar de inwoner ondersteuning bij nodig heeft en wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van de inzet van algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke voorzieningen en voorliggende wet- en regelgeving. Artikel2.2Ondersteuningsterreinen Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als hij een beperking ondervindt op één of meerdere van onderstaande terreinen: sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; probleemgedrag; psychisch functioneren; geheugen- en oriëntatiestoornissen. Zie bijlage 2 voor de uitwerking van de van de verschillende terreinen waarop een inwoner een beperking kan ondervinden. Artikel2.3Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is voorliggend voor een maatwerkvoorziening. Met een algemene voorziening wordt verwezen naar een voorziening die toegankelijk is voor alle inwoners mét en zonder beperkingen. Voorbeelden zijn het openbaar vervoer en ontmoetingsochtenden. Ook ondersteuning en begeleiding via Incluzio Leiderdorp is een algemene voorziening. Om gebruik te kunnen maken van een algemene voorziening is geen toestemming en doorverwijzing van het college nodig. Eventueel kan er sprake zijn van een lichte toegangstoets, maar er wordt geen beschikking afgegeven. Bijlage 3 bevat een lijst met voorbeelden van algemene voorzieningen. Artikel2.4Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Met een algemeen gebruikelijke voorziening wordt verwezen naar een voorziening: niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking; in de reguliere handel verkrijgbaar; niet duurder is dan soortgelijke producten; draagbaar is op een inkomen op minimumniveau; die een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is. Voorbeelden zijn een elektrische fiets of een verhoogd toilet. Niet relevant is of een inwoner gebruik wil maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Algemeen gebruikelijk voorzieningen worden niet vergoed vanuit de Wmo, maar zijn voor de rekening van de inwoner. Bijlage 4 bevat een lijst met voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Artikel2.5Gebruikelijke hulp Gebruikelijke zorg is per definitie zorg waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar worden geacht te bieden. Bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijke hulp wordt gekeken naar: de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte; de aard van de relatie met de inwoner; de leeftijd van inwonende kinderen; de mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren. Van een huisgenoot wordt geen gebruikelijke hulp verwacht wanneer hij een belemmerende beperking heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden aan te leren. Artikel2.5.1Aard en de omvang ondersteuningsbehoefte De ondersteuningsbehoefte van de inwoner kan van dusdanige omvang zijn dat er (deels) niet meer gesproken kan worden van gebruikelijke hulp. Dit kan als boven-gebruikelijk worden aangemerkt. Van boven- gebruikelijke hulp is bijvoorbeeld sprake wanneer inwoners elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. Artikel2.5.2Aard van de relatie met de inwoner Wat als gebruikelijke hulp wordt aangemerkt, kan voor een partner of ouder anders zijn dan voor een kind. Als uitgangspunt geldt dat van een partner meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp, dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Ouders (of verzorgers) hebben een zorgplicht ten opzichte van hun kinderen. Bij uitval van één van de ouders, wordt verwacht dat de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen overneemt. Artikel2.5.3Leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Van thuiswonende kinderen wordt verwacht dat zij huishoudelijke taken uitvoeren. Het bieden van ondersteuning, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand. De volgende uitgangspunten zijn van toepassing: kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding; kinderen tussen 5-12 jaar worden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals opruimen, tafeldekken, afwassen en een boodschap doen; kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden: rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen; van een thuiswonende 18 tot 23-jarige wordt verwacht dat hij een eenpersoonshuishouden kan voeren en eventuele jongere gezinsleden kan verzorgen en begeleiden. Artikel2.5.4Mogelijkheid om gebruikelijke hulp aan te leren Het is mogelijk dat een huisgenoot niet weet hoe hij gebruikelijke hulp kan verlenen, maar dat wel kan aanleren. Er kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet om de gebruikelijke hulp aan te leren, zie hiervoor bijvoorbeeld artikel 3.3.4. Artikel2.6Mantelzorg Mantelzorg is zorg of ondersteuning die een inwoner ontvangt van iemand uit zijn directe omgeving. Het gaat om onbetaalde ondersteuning die: huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en voortkomt uit onderlinge relaties; wordt verleend vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase; varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding; in principe langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat wordt geacht deze zorg te leveren. Het college kan en mag mantelzorg niet afdwingen. Artikel2.7Aanspraak op andere wetgeving Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt wanneer een inwoner een indicatie heeft op grond van: de Wet langdurige zorg (zie artikel 2.8); de Zorgverzekeringswet bijvoorbeeld zittend ziekenvervoer of ambulancevervoer (zie artikel 2.9)3 Ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet (Zvw) ; de Jeugdwet4 Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan; oncologische behandelingen met chemotherapie immuuntherapie of radiotherapie moet ondergaan; zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen; jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap heeft; aangewezen is op geriatrische revalidatiezorg.) ; de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen, bijvoorbeeld vervoer in het kader van betaalde arbeid of regulier onderwijs. Wel moet worden beoordeeld wat buiten de voorliggende aanspraak valt, dit blijft voor de Wmo. Artikel2.7.1Eigen aanschaf Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als er een voorziening wordt aangevraagd die de inwoner na de melding, maar voor de datum van het besluit, heeft gerealiseerd of aangeschaft, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld. Artikel2.8Afstemming met de Wet langdurige zorg Indien een inwoner een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), dan kunnen zij bepaalde maatwerkvoorzieningen zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning niet meer vanuit de Wmo ontvangen. Artikel2.8.1Thuiswonen met Wlz-indicatie Zolang mensen nog thuis wonen met een Wlz indicatie blijft de gemeente vanuit de Wmo verantwoordelijk voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en vervoersvoorzieningen. Als mensen in een Wlz-instelling wonen of daar naartoe verhuizen dan is de zorginstelling verantwoordelijk voor de hulpmiddelen. Uitzondering daarop is de situatie waarin mensen in een Wlz-instelling wonen en al een hulpmiddel via de Wmo hebben. In dat geval blijft de gemeente nog verantwoordelijk voor het onderhoud ervan totdat het middel moet worden vervangen. Dan neemt de Wlz de zorg voor het hulpmiddel over. Artikel2.8.2Overgang Wmo naar Wlz Als het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een indicatiebesluit heeft genomen dat een inwoner toegang heeft tot de Wlz, is er enige tijd nodig om de Wlz-zorg in te regelen. Als de inwoner al zorg ontving vanuit de Wmo, is dat niet meteen omgezet in Wlz-zorg. Bestaande ondersteuning wordt daarom voortgezet tot de Wlz-zorg in werking treedt. Hiervoor is landelijk afgesproken dat de bestaande zorg nog maximaal 5 dagen wordt voortgezet. Artikel2.9Afstemming Zorgverzekeringswet Wanneer een inwoner aanspraak kan maken op zorg vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw), hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Verzekerden kunnen via het basispakket aanspraak maken op een (gedeeltelijke) vergoeding van: hulpmiddelen, waarbij het gaat om zorg voor een beperkte of onzekere duur (maximaal 26 weken) waaronder: loophulpmiddelen, zoals drempelhulpen, rolstoelen, loopwagens of trippelstoelen; transferhulpmiddelen, zoals transferplanken, patiëntenliften en draaischijven; hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang, zoals losse toiletverhogers, douchestoelen en toiletstoelen; omgevingsbediening, zoals omgevingsbediening; robotmanipulator; armondersteuningen of eetapparaten; hulpmiddelen bij communicatie, zoals opname- en voorleesapparatuur en een alarmeringssysteem; omgevingsbediening: apparatuur die o.a. gebruikt kan worden voor het op afstand openen van ramen en deuren en uitzetten van allerlei apparaten; verzorging en verpleging op bed; verpleging en verzorging (wijkverpleging); diensten, zoals IQ testen en het verzorgen van de maaltijd; ziekenvervoer Artikel2.10Lopende beschikking Het college verstrekt de inwoner geen maatwerkvoorziening als: de afschrijvingstermijn van een eerder toegekende gelijkwaardige maatwerkvoorziening nog niet is verlopen; de eerder toegekende maatwerkvoorziening technisch nog niet is afgeschreven. Artikel2.11Goedkoopst compenserende voorziening In beginsel kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe. Hoofdstuk3.Een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden Artikel3.1.Inleiding Een inwoner kan in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning wanneer hij niet in staat is (volledig) zorg te dragen voor een schoon, leefbaar en een gestructureerd huishouden en hij geen of onvoldoende aanspraak kan maken op zijn eigen netwerk. De nadruk bij de beoordeling van de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning ligt in wat kan de inwoner nog wel. Ook zal, wanneer de kennis tot het vervullen van huishoudelijke taken ontbreekt bij de huisgenoten, worden gekeken in hoeverre de huishoudelijke taken aangeleerd kunnen worden. Artikel3.2Resultaten Het college kan ondersteuning bieden om de volgende resultaten te bereiken: een schoon en leefbaar huis; het dagelijks functioneren; de noodzakelijke bereiding van maaltijden; het voeren van regie op het huishouden; wasverzorging. Deze resultaten verder uitgewerkt in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (bijlage 5). Het onderhoud van de tuin wordt niet tot het huishouden gerekend. Artikel3.3Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar worden geacht te bieden, omdat zij gezamenlijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. Bij een aanvraag van huishoudelijke ondersteuning door een inwoner, wordt daarom verwacht dat een (gezonde) huisgenoot de huishoudelijke taken overneemt, tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting. Het kan daarom noodzakelijk zijn dat ook met de huisgenoten van de aanvrager wordt gesproken (zie ook artikel 2.5). Artikel3.3.1Aanvraag voor kortdurende huishoudelijke ondersteuning Wanneer uitzicht is op herstel van het vermogen tot zelfredzaamheid en participatie binnen drie maanden is sprake van gebruikelijke hulp en zal geen maatwerkvoorziening worden toegekend. Artikel3.3.2Fysieke aanwezigheid Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen voeren. In principe wordt alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten de niet-uitstelbare taken overgenomen. Artikel3.3.3Uitstelbare huishoudelijke taken Bij het in kaart brengen van de ondersteuningsbehoefte van een inwoner, wordt beoordeeld in hoeverre er sprake is van uitstelbare taken. Wanneer er sprake is van uitstelbare taken, die de aanvrager of zijn huisgenoot of huisgenoten niet in één keer, maar in gedeelten kan uitvoeren, wordt hier in principe geen huishoudelijk ondersteuning voor toegekend. De volgende taken worden, op grond van de Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden van het CIZ, als uitstelbaar beoordeeld: wasverzorging; stofzuigen; sanitair; keuken; bedden verschonen. Artikel3.3.4Aanleren huishoudelijke taken Indien uit onderzoek blijkt dat een inwoner bepaalde huishoudelijke taken nog zelfstandig kan doen, hoeft het college voor die taken geen huishoudelijke ondersteuning te verstrekken. In situaties dat huisgenoten nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit (nog) niet kunnen, kan het nodig zijn om tijdelijk huishoudelijke ondersteuning met regie in te zetten om huishoudelijke taken aan te leren. Artikel3.4Eigen verantwoordelijkheid inwoner Hulp bij het voeren van een huishouden wordt in het kader van de Wmo alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd op het gebied van een schoon en leefbaar huis, behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de inwoner mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Uit deze eigen verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat, in het algemeen, het type en de grootte van de woning niet van invloed zijn op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Dit zijn keuzes waarop inwoners zelf invloed kunnen uitoefenen en veranderingen in kunnen aanbrengen. Was men al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is in het principe het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een toekenning te krijgen voor ondersteuning in het kader van de Wmo. Een inwoner had deze situatie kunnen voorzien. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden wegvallen of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak niet meer toereikend is. Artikel 3.4.1 Technische hulpmiddelen en woonvoorzieningen Huishoudelijke ondersteuning wordt niet toegekend wanneer de beperkingen van de inwoner afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen of woonvoorzieningen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of (robot of steel)stofzuiger. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden ook voor een helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van al aanwezige hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, is de aanschaf van deze hulpmiddelen voorliggend op het inzetten van ondersteuning. Tijdens het onderzoek wordt gekeken of technische hulpmiddelen een adequate oplossing kunnen vormen voor de ervaren beperking. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het plaatsen van een verhoging voor een droger/wasmachine, de mogelijkheid tot zittend strijken in plaats van staand, het gebruik van een verlengstok of het ophangen van de was op een wasrekje in plaats van aan de waslijn. Artikel3.4.2Houden van huisdieren De gevolgen van het houden van huisdieren (met uitzondering van hulpdieren) op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor, behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Artikel3.5Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit taken die er op gericht zijn personen een schoon, gestructureerd en leefbaar huishouden te kunnen laten voeren. Deze taken hebben niet alleen betrekking op het (zware en lichte) huishoudelijke werk, maar hebben ook betrekking op het “in staat stellen tot” het voeren van het huishouden. Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basis hygiëne-eisen. Hiermee worden vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van de ruimtes die frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn, zoals de woonkamer, slaapkamers die in gebruik zijn, keuken, badkamer, toilet en gang/trap. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Buitenruimtes bij het huis (tuin, balkon etc.) of buitenzijde van het huis (ramen) en overige kamers/ruimtes in het huis worden niet door de huishoudelijk ondersteuner schoongemaakt. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kent onderscheid tussen midden en zwaar. Daarnaast is er de mogelijkheid om aanvullende activiteiten zoals wasverzorging en regievoering toe te voegen aan deze vormen. In bijlage 5 is aan de hand van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning verder uitgewerkt wat deze vormen van ondersteuning inhouden en hoe deze worden ingezet. 3.5.1Eenmalige aanpak schoonmaakwerkzaamheden bij ernstige vervuiling Bij sommige cliënten moet er vanwege een ernstig vervuild huis een eenmalige schoonmaak worden ingezet om een huis weer bewoonbaar te kunnen maken. Het product wordt ingezet voor cliënten die niet op eigen kracht of met hulp van het netwerk het huis weer bewoonbaar kunnen maken of waarbij er geen oplossing in het voorliggend veld kan worden gevonden. Door de woning eenmalig volledig op te ruimen en schoon te maken, wordt (samen met de inwoner) de situatie tot een beheersbaar niveau teruggebracht, zodat de inwoner kan beschikken over een leefbare woning. De incidentele werkzaamheden die behoren bij een zogenoemde grote schoonmaak/voorjaarsschoonmaak vallen niet onder dit product, maar horen bij het resultaat Schoon en leefbaar huis. Ook een ontruiming van de woning valt hier niet onder. Artikel3.6Maaltijdvoorziening Wanneer een inwoner niet in staat is een maaltijd te bereiden of om deze op te warmen, bijvoorbeeld met hulp van de magnetron, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. De maaltijdvoorziening kan betrekking hebben op de volgende activiteiten: Maaltijdvoorbereiding: Bereiding van de broodmaaltijd: broodmaaltijden smeren en klaarzetten, tafel dekken, afwassen of in- uitruimen van de vaatwasmachine. Bereiding van warme maaltijden: maaltijden opwarmen en klaarzetten, tafel dekken, afwassen of in- of uitruimen van de vaatwasmachine. In uitzonderlijke gevallen kan het bereiden van de maaltijd hierbij horen. Toezicht: de medewerker ziet erop toe dat de inwoner het eten en drinken daadwerkelijk tot zich neemt. Indien een inwoner al wijkverpleegkundige zorg ontvangt én vanuit de Wmo maaltijdverzorging dient te krijgen, kan de gemeente besluiten om in plaats van de hiervoor gecontracteerde aanbieder, de aanbieder van de wijkverpleging in te schakelen. Zie bijlage 6 voor de normtijden per activiteit. Hoofdstuk4.Wonen in een geschikte woning Artikel4.1.Inleiding Maatwerkvoorzieningen moet ervoor zorgen dat de inwoner zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden zodat alle verplaatsingen voor een normaal gebruik van de woning mogelijk is. Onder het normaal gebruik van de woning hoort ook de verplaatsing naar een centrale hal in een flat of het gebruik van een tuin of balkon. Voorzieningen met een therapeutisch doel vallen niet binnen de Wmo. Een maatwerkvoorziening moet daarin zowel een medische (noodzakelijk) als een toekomstbestendige oplossing bieden. Artikel4.2Eigen verantwoordelijkheid Een inwoner dient zelf te zorgen voor een geschikte woning. Als problemen een gevolg zijn van een verhuizing van een geschikte woning naar een ongeschikte woning en er zijn geen redenen voor de verhuizing, zoals een medische noodzaak of de nabijheid van mantelzorg, is de inwoner zelf verantwoordelijk voor een oplossing voor de (ontstane) problemen. Ook wanneer ondervonden problemen in de woning voortvloeien uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of uit de slechte staat van onderhoud van de woning, is het oplossen van deze problemen de verantwoordelijkheid van de inwoner. Ook de volgende omstandigheden vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en het college hoeft hier geen maatwerkvoorziening voor toe te wijzen: de inwoner verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud; de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; de woonvoorziening is enkel bedoeld is voor renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd. Artikel4.2.1.Plotselinge noodzaak Onder eigen verantwoordelijkheid vallen geen gevallen waarbij sprake is van plotselinge noodzaak. Het gaat hierbij om problemen met de geschiktheid van de woning die onverwacht zijn ontstaan, doordat iemand op een bepaald moment, zonder dat dit op basis van leeftijd of aandoening te verwachten is, geconfronteerd wordt met een beperking met consequenties voor de geschiktheid van de woning. Artikel4.2.2Aanvraag voor drempel(hulp) In principe worden drempelhulpen gezien als algemeen gebruikelijk en worden deze niet toegekend als maatwerkvoorziening, tenzij er sprake is van een situatie waardoor de aanvraag niet voldoet aan de criteria voor algemeen gebruikelijk. Artikel4.3Zelfstandige woonruimte, woonboten en woonwagens Een woning kan zowel een koop- of huurwoning zijn. Voorwaarde is dat het een zelfstandige woonruimte betreft. Voor woonwagens met een vaste standplaats, voor woonschepen met een officiële ligplaats en voor het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde voorwaarden als voor zelfstandige woningen. Artikel4.4Primaat van verhuizen en maatwerkvoorziening verhuis- en herinrichtingskosten Bij de aanvraag van een woningaanpassing, weegt het college af of het primaat van verhuizen van toepassing is. Er is sprake van het primaat van verhuizen, wanneer een verhuizing naar een andere woning een compenserende voorziening is voor de beperking(

  1. en)die de inwoner ervaart. Hierbij zullen de volgende aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de woningaanpassing en een eventuele verhuizing5 Indien de noodzakelijke woningaanpassingen hoger zijn dan € 10.000,00 kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Als het primaat van toepassing is, kan zonder aparte aanvraag een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden verstrekt.; beschikbaarheid van de nieuwe (aangepaste) woning; termijn waarop een nieuwe woning beschikbaar komt; afstemming met andere voorzieningen; gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger; frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week); gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk. Als er uit deze belangenafweging blijkt dat het primaat van verhuizing niet binnen redelijke en/ of medisch aanvaardbare termijn realiseerbaar is, dan wel als er in de persoon gelegen factoren zijn die niet mogelijk maken dan kan het primaat van verhuizen niet worden toegepast. Artikel4.4.1Tijdelijke maatwerkvoorzieningen Indien wordt besloten dat verhuizing de beste oplossing is, is het mogelijk om eenvoudige, tijdelijke maatwerkvoorzieningen aan te brengen ter overbrugging. Artikel4.5Specifieke criteria ten aanzien van een maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen. Er worden geen maatwerkvoorzieningen verstrekt voor: het aanpassen van hotels, pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur; het aanpassen van, specifiek op mensen met beperkingen gerichte, woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel maatwerkvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. Artikel4.5.1.Bereiken van de tuin Voldoende is als de inwoner de tuin via één toegang kan bereiken. Wanneer een inwoner in staat is zijn tuin te bereiken op een andere wijze dan via de (achter)deur, bijvoorbeeld via de garage of de gang achter het huis, hoeft het college geen woningaanpassing toe te wijzen. Artikel4.6Eigenaar maatwerkvoorzieningen De maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing wordt toegekend aan de eigenaar van de woning. De beschikking wordt daarom verstuurd aan de aanvrager of belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. Artikel4.7Onderhoud en reparatie maatwerkvoorzieningen Kosten voor onderhoud en reparatie van een maatwerkvoorziening zijn in principe onderdeel van de maatwerkvoorziening, tenzij er sprake is van schade door verwijtbaar gedrag van de zorgvrager of zijn gezinsleden. Als een maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget is verstrekt, zijn de kosten van keuring en onderhoud en/of reparatie in het persoonsgebonden budget opgenomen. Artikel4.7.1Onderhoud van maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten De redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat van de Vereniging van Eigenaren een bijdrage in de kosten kan worden verlangd voor het onderhoud- en reparatiekosten of vervanging van maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. Om te bepalen wat redelijk en billijk is dient de aanvrager inzage te verschaffen in het reservefonds van de Vereniging van Eigenaren of andere daartoe strekkende documenten. Artikel4.8Verwijderen maatwerkvoorzieningen Aangepaste woningen die vrijkomen, zullen zoveel mogelijk opnieuw worden toegewezen aan een andere cliënt. Indien de inwoner niet langer gebruik maakt van de woning waarin maatwerkvoorzieningen zijn doorgevoerd, dan is het college niet verantwoordelijk voor het ongedaan maken van deze voorzieningen. Artikel4.9Logeerbaar maken van een woning voor inwoners van een Wlz-instelling Wanneer een inwoner in een Wlz-instelling verblijft en een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd voor het bezoekbaar en/of logeerbaar maken van de woning van ouders of partner, valt dit in beginsel niet onder de compensatieplicht van het college. Het college is wel verplicht een onderzoek in te stellen. Wanneer blijkt dat het voor de participatie van de inwoner met de Wlz-indicatie noodzakelijk is, kan het college overwegen toch een woning te laten aanpassen. Artikel4.10Woningsanering Er kan een maatwerkvoorziening voor woningsanering worden toegekend, wanneer de sanering niet verwijtbaar betreft. De volgende voorwaarden gelden voor een sanering: er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege ernstige vervuiling van de woning of vanwege klachten aan de luchtwegen in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt die door longverpleegkundige zijn aangetoond; de woningsanering moet aangevraagd zijn binnen één jaar nadat de allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. De woningsanering kan beperkt blijven tot die woonruimten die het meeste gebruikt worden. Meestal betreft het dan alleen de woonkamer en/of slaapkamer. In beginsel saneert het college geen woonruimten die de inwoner af en toe gebruikt, bijvoorbeeld de keuken en slaapkamers van andere huisgenoten (kinderen). Er wordt rekening gehouden met de afschrijftermijn van de vloerbedekking of gordijnen. Als afschrijftermijn wordt een periode van acht jaar gehanteerd. Afschrijving over deze periode gebeurt evenredig. Artikel4.10.1Afwijzing woningsanering Het college hoeft een woningsanering onder de volgende omstandigheden niet te vergoeden: Indien de belemmeringen het gevolg zijn van achterstallig onderhoud, vocht en tocht veroorzaakt door in de woning gelegen factoren; wanneer de inwoner bij de aankoop van een product had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert; wanneer bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking sprake was van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering; wanneer de huidige woning eerder door de inwoner op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving is gesaneerd; Indien bij een verhuizing de nieuwe woning geheel gestoffeerd en ingericht moet worden; de inwoner kan bij de keuze van de materialen rekening houden met de klachten en de materialen op deze klachten afstemmen. Artikel4.11Mantelzorgwoning Voor de plaatsingskosten van de mantelzorgwoning wordt geen subsidie verleend. Wel kan geadviseerd en meegedacht worden. Hoofdstuk5.Uitvoeren van dagelijkse activiteiten en een ingevulde dag hebben Artikel5.1Inleiding Het college kan maatwerkvoorzieningen toekennen ten aanzien van het uitvoeren van algemene dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag. De ondersteuning richt zich daarbij op: begeleiden, stabiliseren of verbeteren. Deze vorm van ondersteuning heet een maatwerkarrangement. Een maatwerkarrangement bestaat uit een op de cliënt individueel afgestemd pakket aan ondersteuning op één of meerdere resultaatgebieden. Een resultaatgebied is een leefgebied waarop een verandering beoogd wordt met de ondersteuning. Artikel5.2Eigen verantwoordelijkheid Incluzio Leiderdorp onderzoekt of iemand activiteiten kan aanleren en of er hulpmiddelen zijn waarmee iemand de dagelijkse activiteiten zelf kan uitvoeren. Ook wordt onderzocht of een inwoner in staat is zelf voor een daginvulling te zorgen, bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk, het zoeken van een passende hobby of het bezoeken van (welzijns)activiteiten. Artikel5.3Algemene doelen van maatwerkarrangementen Het college kan ondersteuning bieden om de volgende doelen te bereiken: een schoon en leefbaar huis; opbouwen van het sociaal netwerk; ondersteuning richting onderwijs en bij arbeidsparticipatie, dagbesteding; mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning; ondersteuning bij zelfzorg. het bieden van woonbegeleiding en een beschutte woonomgeving In bijlage 7 zijn de maatwerkarrangementen nader uitgewerkt. Artikel5.4Soorten maatwerkarrangementen De volgende soorten maatwerkarrangementen zijn beschikbaar: ambulante ondersteuning: ambulant: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Er geen sprake is van de structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. ambulant plus: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is tevens er sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. wonen met ondersteuning : Begeleid wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning vindt veelal plaats op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is er sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. Beschut wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning door individuele ondersteuning vindt plaats op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders op de groepswonenlocatie op bepaalde tijden van de dag. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er minimaal sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht, eventueel aangevuld met aanwezigheid op de woonlocatie in de nacht in het weekend. Beschermd wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning plaatsvindt door individuele ondersteuning op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders gedurende (bijna) de (hele) dag op de groepswonenlocatie. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er sprake van aanwezigheid in de nacht op de groepswonenlocatie. Artikel5.5De opbouw van de maatwerkarrangementen Een maatwerkarrangement richt zich op een aantal resultaatgebieden en kent verschillende intensiteiten. Hieronder zijn deze hoofdonderdelen uitwerkt. Artikel5.5.1De resultaatgebieden De ondersteuning zoals genoemd in artikel 5.1 vindt plaats in de vorm van een modulair opgebouwd arrangement, bestaande uit één of meer van de volgende resultaatgebieden. Dit zijn; Sociaal en persoonlijk functioneren: richt zich op ondersteuning aangaande familie, relaties, netwerk; sociale vaardigheden; financiën, wonen, participatie; gedrag en organisatie van het leven. De ondersteuning is gericht om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zo veel mogelijk eigen regie te voeren. Zelfzorg en Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard. Geldzaken: draagt er aan bij dat cliënten een geordende en gebalanceerde financiële huishouding verkrijgen en/of behouden. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard. Daginvulling en vervoer (van en naar): draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning. Van daginvulling bestaan er twee typen regulier en plus. De plus variant is voor cliënten die vanwege de aard van hun problematiek en/of de te bereiken doelen niet kunnen deelnemen aan daginvulling met een reguliere groepsgrootte, maar waarbij een kleinere ratio groepsbegeleider en cliënten noodzakelijk is. Als onderdeel van daginvulling kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. Veiligheid: richt zich op 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid wanneer cliënten ’s avonds/'s nachts ondersteuning van een begeleider nodig kunnen hebben. Sociaal Beheer: Ondersteuning die wordt geboden afwijkend van geplande contactmomenten overdag en eventueel ook de kosten van gezamenlijk wonen (gemeenschappelijke ruimtes) bij wonen met ondersteuning. Indien er sprake is van Beschut of Beschermd Wonen valt onder Sociaal Beheer ook de (vaste) aanwezigheid van een begeleider op de groep in de woonlocatie, bovenop de individuele ondersteuning op de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren, zelfzorg en geldzaken. Deze vaste aanwezigheid overdag op de woonlocatie dient onder meer voor de ondersteuning van de gezamenlijke momenten met mede cliënten en/of het reguleren van het sociale verkeer tussen cliënten. Artikel5.5.2De intensiteiten De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten, zoals genoemd in bijlage 7 , dit is uitgewerkt in de onderstaande tabel. De intensiteiten staan voor de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en de noodzakelijke zorgzwaarte. Overzicht arrangementenmodel Resultaatgebied Intensiteiten Sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Intensiteit 5 Zelfzorg en gezondheid *Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 2 Intensiteit 3 Niet beschikbaar Niet beschikbaar Geldzaken * Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 2 Intensiteit 3 Niet beschikbaar Niet beschikbaar Daginvulling en vervoer Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Intensiteit 5 Veiligheid Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Niet beschikbaar Sociaal Beheer Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Niet beschikbaar 5.5.3scheiden wonen en zorg In de regel (en bij PGB altijd) gaat de gemeente bij de bovenstaande drie vormen van Wonen met Ondersteuning uit van scheiden wonen en zorg. Dat betekent dat de cliënt zelf de huur betaalt en het maatwerkarrangement alleen de ondersteuning en de 24/7 bereikbaarheid omvat. Indien er sprake is van scheiden wonen en zorg, betaalt de cliënt als eigen bijdrage het abonnementstarief. In sommige (uitzonderings) situaties is het zelf betalen van de huur (tijdelijk nog) geen optie, dan is een zogenoemde intramurale indicatie een mogelijkheid. De cliënt betaalt bij een intramurale indicatie geen huur, maar wel hoge eigen bijdrage tot aan zak- en kleedgeldnorm, zoals bedoeld in Hoofdstuk 3 van het landelijke uitvoeringsbesluit Wmo . Artikel5.6Cliëntgroepen maatwerkarrangementen Voor de maatwerkarrangementen is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren. Er worden de volgende cliëntgroepen bij Ambulante Ondersteuning onderscheiden: Ouderdom gerelateerd; Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp). Bij Wonen met Ondersteuning wordt er een onderscheid gemaakt tussen: Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp). Artikel5.7Maatwerkvoorziening kindverzorging De maatwerkvoorziening kindverzorging kan worden toegewezen wanneer een inwoner door een beperking tijdelijk de dagelijkse zorg voor een kind niet op zich kunnen nemen. Hierbij kan gedacht worden aan het overnemen van de verzorging van een minderjarig kind na een ziekenhuisopname van de ouder of wanneer één of beide ouders de zorg tijdelijk niet zelf kunnen geven. Het doel van de maatwerkvoorziening is dat acute problemen tijdelijk worden opgelost, zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. De maatwerkvoorziening wordt in principe niet langer dan zes weken afgegeven. Artikel5.8Personen met een zintuiglijke beperking De VNG heeft in afstemming met het ministerie van VWS landelijke inkoopafspraken gemaakt voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking. Het college geeft de beschikking af voor de specialistische begeleiding. Het gaat om specialistische begeleiding voor: doofblinde volwassene; visueel beperkte volwassene; vroegdove volwassene. Het college verleent een maatwerkvoorziening als de ondersteuning niet is opgenomen in de landelijke inkoopafspraken en de inwoner vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld een tolk Nederlandse gebarentaal bij een bezoek aan huisarts, notaris of ouderavond op school. Artikel5.9Bemoeizorg Bemoeizorg kan worden ingezet als het geen optie is om af te wachten tot een inwoner zelf om die hulp vraagt en/of om verdere verwaarlozing te voorkomen. Bemoeizorg richt zich op zorgmijders. Specifiek gaat het om inwoners waarbij sprake is van een vorm van verwaarlozing, maar die de stap naar hulpverlening niet kunnen of willen maken. Zorgmijders hebben meestal problemen op meerdere leefgebieden, en dat maakt dat er vaak meerdere partijen bij betrokken zijn (bijvoorbeeld gemeente, GGD, ggz, woningcorporatie). De voor Wmo relevante leefgebieden zijn bijvoorbeeld huisvesting (opvang), dagbesteding, persoonlijke verzorging, huishoudelijke ondersteuning. Wanneer bemoeizorg wordt ingezet, wordt er geen eigen bijdrage opgelegd, aangezien de inwoner geen aanvraag heeft ingediend voor ondersteuning. Hoofdstuk6Specialistische voorziening wonen met ondersteuning & (specialistische) maatschappelijke opvang Artikel6.1Inleiding De wet omschrijft beschermd wonen als wonen in een instelling met daarbij horend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. Bij beschermd wonen en opvang gaat het dus om het bieden van onderdak en begeleiding van inwoners die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang is bedoeld voor mensen die geen vaste verblijfplaats hebben of die (tijdelijk) dakloos zijn. In de Leidse regio gebruiken wij voor deze vormen van ondersteuning de namen: Wonen met ondersteuning en specialistische maatschappelijke opvang (zie artikel 1 Verordening maatschappelijke ondersteuning). Artikel6.2specialistisch maatwerkvoorziening wonen met ondersteuning Wonen met ondersteuning wordt zo veel mogelijk lokaal georganiseerd. Een uitzondering zijn de voorzieningen voor inwoners met meervoudig complexe problematiek die aangewezen zijn op specialistische ondersteuning met wonen. Vanwege de complexe zorgbehoefte, het kleine aantal inwoners dat hierop aangewezen is en de benodigde specialistische inzet zijn deze voorzieningen niet zelfstandig lokaal te organiseren. Deze voorzieningen worden als specialistische voorzieningen wonen met ondersteuning regionaal ingekocht en toegewezen6 Het gaat hierbij om het regionale verband van Holland Rijnland. De regio Holland Rijnland bestaat uit de volgende gemeentes: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude.. Artikel6.2.1aanmelden specialistisch wonen met ondersteuning Aanmelding voor specialistisch Wonen met ondersteuning kan op dezelfde wijze als bij lokaal wonen met ondersteuning bij Incluzio Leiderdorp (zie hoofdstuk 1). Indien een inwoner mogelijk in aanmerking komt voor specialistisch wonen met ondersteuning, wordt de aanvraag voorgelegd aan het regionaal team Maatschappelijke Zorg dat de aanvraag verder behandelt. Artikel6.2.2criteria voor specialistisch wonen met ondersteuning Een inwoner komt in aanmerking voor een specialistische woonvoorziening als: De inwoner vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek in de regel aangewezen is op 24/7 aanwezigheid van ondersteuning en/of toezicht, maar minimaal aangewezen is op 24/7 oproepbaarheid. Er een ernstig vermoeden van een psychische aandoening of diagnostiek rondom een psychische aandoening aanwezig is. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. Naast GGZ-problematiek is er sprake van één of meerdere bijkomende problematiek, namelijk: Verslaving; Gedrag (agressie, grensoverschrijdend gedrag); (Licht)Verstandelijke beperking; Somatiek. Inwoners die aangewezen zijn op specialistische woonvoorzieningen verblijven hier naar verwachting 1 of meerdere jaren. Ervaring leert dat zij hierna uitstromen naar: Een lichtere vorm van wonen met ondersteuning of ambulante ondersteuning op lokaal niveau; Ondersteuning met wonen op basis van een WLZ GGZ indicatie. Specialistische woonvoorzieningen kunnen zowel op basis van scheiden wonen en zorg als intramuraal worden bekostigd, zie artikel 5.5.3 voor meer toelichting. Woonvoorzieningen voor éénouder gezinnen, waarbij bij de ouder sprake is van GGZ-problematiek al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking, vallen ook onder de specialistische woonvoorzieningen. Artikel6.2.3De duur van de toekenning De duur van de toekenning is afhankelijk van de volgende factoren: De leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van belanghebbende, alsmede de inzetbaarheid van het sociaal netwerk. Bij herindicatie kan geconstateerd worden dat (specialistisch) Wonen met ondersteuning niet meer nodig is. Hierdoor kan een kortere indicatie afgegeven worden, zodat er tijd is om te zoeken naar een vervolgwoonplek en er daarna (gespecialiseerde) Begeleiding afgegeven kan worden. Artikel6.3overbruggingszorg Wanneer een specialistisch wonen met ondersteuning plek niet direct beschikbaar is, wordt de inwoner op een wachtlijst geplaatst. In de tussentijd kan de inwoner aanspraak maken op overbruggingszorg in de vorm van ambulante ondersteuning. Deze ambulante ondersteuning wordt georganiseerd door de lokale gemeente en staat voor de gemeente Leiderdorp beschreven in hoofdstuk 5. Artikel6.5vormen specialistische woonvoorzieningen Er zijn verschillende specialistische ondersteuningsvormen, ook wel voorzieningen genoemd, te onderscheiden: Specialistische woonvoorzieningen Traject woonbegeleiding ouder-kind Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling Beschermd wonen thuis Artikel6.5.1Traject woonbegeleiding ouder-kind Het traject woonbegeleiding ouder-kind omvat kortdurende trajectondersteuning met wonen aan (jong)volwassen die zwanger zijn of jonge kinderen hebben en bij wie sprake is van problematiek op het gebied van GGZ, al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking en die vanwege hun persoonlijke problematiek niet in staat zijn zelfstandig te wonen. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte is 24-uurs oproepbare of 24-uurs aanwezige ondersteuning. Traject woonbegeleiding ouder-kind heeft een duur van minimaal drie maanden en maximaal anderhalf jaar, waarna uitstroom naar zelfstandig wonen met ambulante begeleiding of naar een meer langdurige vorm van wonen met ondersteuning (specialistische of subregionaal/ lokaal) mogelijk is. Traject woonbegeleiding ouder kind kan zowel op basis van scheiden wonen en zorg als intramuraal worden bekostigd. Artikel6.5.2Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling Het traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling omvat kortdurende trajectbegeleiding aan inwoners met problematiek op het gebied van GGZ al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking, die na het volgen van een detox-traject in een verslavingskliniek, niet in staat zijn zelfstandig te gaan wonen met ambulante begeleiding. Zij zijn aangewezen op een nazorgtraject in geclusterde setting gericht op het omgaan met hun verslavingsgevoeligheid. Er is altijd sprake van meer problematiek dan enkel verslaving. Inwoners verblijven in dit type woonvoorziening met het doel weer zelfstandig te kunnen functioneren in de samenleving. Zij stromen uit naar zelfstandig wonen of een reguliere vorm van wonen met ondersteuning. Na een half jaar vind er een evaluatie plaats, onder andere om te bespreken of er al is nagedacht over vervolghuisvesting. Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling wordt primair in de vorm van scheiden wonen en zorg bekostigd Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling is altijd tijdelijk (bij voorkeur niet langer dan 1 jaar). De noodzakelijke indicatieduur wordt door het regionaal team Maatschappelijke Zorg vastgesteld. Indicaties voor dit traject worden niet met terugwerkende kracht verstrekt. Artikel6.5.3Specialistisch wonen thuis Een klein aantal (bestaande) inwoners vult specialistisch wonen met ondersteuning thuis in. Er is 24-uurs zorg nodig, maar dat wordt in de thuissituatie ingezet. In uitzonderlijke situaties kan ervoor worden gekozen om specialistisch wonen thuis in te zetten: In het geval cliënten groepsongeschikt zijn; In het geval dat er geen reguliere wonen met ondersteuningvoorziening beschikbaar is waar passende ondersteuning geboden kan worden, ook niet buiten de regio; Er is behoefte aan aanwezigheid van zorg in de avond en nacht; In het geval cliënten zo lang op een plek in een (specialistische) wonen met ondersteuning instelling moeten wachten dat hun problematiek zal verslechteren en/of er is zodanig veel ondersteuning nodig dat dit de overbruggingszorg ver te boven gaat. Indicaties voor Specialistisch wonen thuis worden voor één jaar afgegeven. Daarna moet er een herindicatie worden aangevraagd. Uitgangspunt blijft altijd dat iemand op een wachtlijst voor een reguliere Wonen met ondersteuning-voorziening komt. Er dienen dan ook doelen te worden opgesteld om te werken aan de mogelijkheid om in een reguliere Wonen met ondersteuning-voorziening te kunnen functioneren. Na zes maanden vindt er een evaluatie van deze doelen plaats. Verder zijn de reguliere voorwaarden van Wonen met ondersteuning van toepassing bij het indicatieproces. De zorg wordt geleverd vanuit een persoonsgebonden budget (pgb). Dit moet door meerdere professionals worden uitgevoerd. In sommige situaties is het noodzakelijk dat een deel van de zorg door een non-professional wordt uitgevoerd. Dit wordt per cliënt bekeken en beoordeeld. In dit geval dient minimaal 10% van de zorg te worden geleverd door een professional. De ondersteuning rondom de cliënt dient gecoördineerd te worden door een professional uit de hulpverlening. Deze coördinator zorgt dat de ondersteuning die de cliënt ontvangt op elkaar is afgestemd en is een aanspreekpunt voor de consulenten en andere hulp/zorgverleners. De cliënt kan zelf een coördinator aandragen of de consulent kan een coördinator zoeken. Een externe coördinator die geen actieve rol heeft in de zorg van de cliënt is ook een mogelijkheid, maar deze zal moeten worden betaald vanuit het beschikbare budget. Artikel6.6Persoonsgebonden budget Wonen met ondersteuning Een inwoner kan gebruikmaken van een persoonsgebonden budget voor specialistisch wonen met ondersteuning. Een persoonsgebonden budget wonen met ondersteuning kan alleen worden ingezet als de inwoner woont in een wooninitiatief. De inwoner moet kunnen motiveren waarom een persoonsgebonden budget een passende vorm van ondersteuning is. De inwoner kan het persoonsgebonden budget inzetten als het een wooninitiatief binnen de grenzen van de Leidse regio is, of voor specialistische voorzieningen, binnen de regio Holland Rijnland. De inwoner moet formeel (volgens het basis registratie personen)wonen bij het wooninitiatief. Voorwaarden wooninitiatief Er kunnen kwaliteitseisen gesteld worden in lijn met de gestelde voorwaarden bij zorg in natura; In een wooninitiatief wonen minimaal drie en maximaal 26 bewoners, die een pgb ontvangen voor ten minste de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding Individueel; Doordat zij pgb’s bundelen wordt er gezamenlijk zorg ingekocht; De bewoners verblijven op één BRP adres, of op meerdere BRP adressen binnen een straal van 100 meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is, die geschikt is om de bewoners in de gelegenheid te stellen samen activiteiten te ontplooien; Indien een persoon inwoont bij ouders, vertegenwoordigers of andere particuliere personen, dan wordt dit niet beschouwd als een wooninitiatief. Wanneer een organisatie de is gecontracteerd voor Wonen met Ondersteuning (Zorg in natura), kan de organisatie niet diezelfde ondersteuning via een persoonsgebonden budget leveren. Voor het PGB budget specialistische wonen met ondersteuning thuis wordt verwezen naar de beleidsregels en het Financieel Besluit 2023 van de gemeente Leiden Artikel6.7(Specialistische) Maatschappelijke opvang De gemeenten in Holland Rijnland hebben gekozen om de Maatschappelijke opvang zo veel mogelijk lokaal te organiseren. Toch zal dit voor een aantal inwoners geen geschikte optie zijn. In aanvulling op de criteria gesteld in artikel 8 van de Verordening kan een inwoner in aanmerking komen voor Maatschappelijke Opvang als deze; Feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en ; Niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen; De inwoner niet zelfredzaam is. De inwoner heeft onvoldoende vermogen om zichzelf te redden op alle levensterreinen met zo min mogelijk professionele ondersteuning en zorg. Dit blijkt uit het ondersteuningsplan van de inwoner; De inwoner geen voldoende steunend netwerk heeft. De inwoner heeft geen familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en/of buren die praktische, sociale of emotionele steun kunnen bieden. Voor een aantal inwoners zal dit geen geschikte optie zijn. In aanvulling op de criteria hierboven, kan een inwoner in aanmerking komen voor Specialistische Maatschappelijke Opvang als deze; De inwoner vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek in de regel aangewezen is op 24/7 aanwezigheid van ondersteuning en/of toezicht. Er een ernstig vermoeden van een psychische aandoening of diagnostiek rondom een psychische aandoening aanwezig is. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. De inwoner geen voldoende steunend netwerk heeft. De inwoner heeft geen familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en/of buren die praktische, sociale of emotionele steun kunnen bieden. De inwoner niet zelfredzaam is. De inwoner heeft onvoldoende vermogen om zichzelf te redden op alle levensterreinen met zo min mogelijk professionele ondersteuning en zorg. Dit blijkt uit het ondersteuningsplan van de inwoner. Middelengebruik leidt tot ernstig orde verstorend gedrag op de lokale opvanglocatie. Artikel6.8Vrouwenopvang In aanvulling op criteria gesteld in artikel 8 Verordening kan: een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang inclusief bescherming en bijbehorende ondersteuning als deze: slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de woonsituatie moet verlaten, en 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige woonsituatie te creëren. een slachtoffer van huiselijk geweld, waartoe ook alle leden van het gezin met hun onderlinge gezinsrelaties en patronen behoren, in aanmerking komen voor ambulante hulpverlening als: het slachtoffer of de ouder met gezag of verzorger 18 jaar of ouder is, en het slachtoffer en de leden van het gezin niet in staat zijn om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, en opvang niet of niet meer nodig is. Hoofdstuk7.Verplaatsen, vervoeren en sociale contacten aangaan Artikel7.1Inleiding Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen wanneer een inwoner een beperking heeft in het verplaatsen, vervoeren en het aangaan van sociale contacten. Artikel7.2Vervoer als maatwerkvoorziening Als een inwoner geen gebruik kan maken van het regulier en het aanvullend openbaar vervoer in de directe woon- en leefomgeving, kan de maatwerkvoorziening vervoer worden toegewezen. Er zijn verschillende soorten vervoersvoorzieningen, dit zijn onder andere: het Collectief Vraagafhankelijk vervoer (ook wel regiotaxi genoemd), scootmobiel, (driewiel) fiets, aanpassing van de eigen auto en rolstoel. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie. Om hier een goede inschatting van te kunnen maken worden aard en mobiliteit onderzocht. Artikel7.3Aard van de verplaatsingen Tijdens het onderzoek wordt de vervoersbehoefte van de inwoner vastgesteld. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; verplaatsingsmotief (waarom); verplaatsingsbestemming (waarheen). (Extra) Vervoersbehoefte of –kosten in verband met het verrichten van vrijwilligerswerk vormt in beginsel geen aanleiding tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor vervoer Artikel7.4Beoordelingscriteria ten aanzien van de mobiliteit Tijdens het onderzoek naar de vervoersbehoeften houdt het college rekening met de volgende aspecten: Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel (rollator, wandelstok, kruk, et cetera). Uithoudingsvermogen: maximale reisduur; mogelijkheid om gedurende de reis over te stappen; invloed weersomstandigheden op functioneren; invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren. Organisatie en begeleiding van de reis: kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi. Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi: kan met iedereen gecombineerd worden; kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden; kan met niemand gecombineerd worden. Artikel7.5Gemiddelde vervoersbehoefte Er wordt uitgegaan van een gemiddelde vervoersbehoefte van 1500 kilometer per jaar. Als de inwoner gebruik maakt van een andere maatwerkvoorziening voor vervoer of een eigen verplaatsingsmiddel heeft, zoals een auto of elektrische fiets, wordt de aanvraag voor de Regiotaxi in principe afgewezen. Tenzij blijkt dat de inwoner ondanks de andere maatwerkvoorziening of eigen verplaatsingsmiddel onvoldoende kan voldoen aan zijn vervoersbehoefte in het kader van participatie In deze gevallen zal worden uitgegaan van een aangepast aantal kilometers, aangezien de inwoner deels gebruik kan maken van een andere vervoersvorm. Ook wanneer de partner van de inwoner gebruikmaakt van dezelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer heeft, kan, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte, de omvang van de maatwerkvoorziening worden aangepast. Wanneer het tot slot gaat om een vervoersvoorziening voor kinderen, kan het gemiddelde ook worden aangepast. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte. Artikel 7.6 Vervoeren en verplaatsen in de directe leefomgeving Als directe leefomgeving wordt een afstand tot 25 kilometer rondom de woning als redelijk aangemerkt. Wel moet de inwoner basisvoorzieningen kunnen bereiken zoals het ziekenhuis, winkelcentrum en de huisartsenpraktijk. Bij een dreigend sociaal isolement kan een maatwerkvoorziening voor vervoer worden afgegeven voor reizen buiten de directe leefomgeving. Maatwerkvoorzieningen gericht op de verplaatsing van de inwoner buiten de eigen leefomgeving, vallen niet onder de ondersteuningsplicht van het college. Artikel7.6.1Valys Wil de inwoner sociale contacten onderhouden buiten de directe leefomgeving, dan geldt daarvoor het landelijke vervoersysteem Valys. Valys regelt het vervoer wanneer de inwoner een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de inwoner of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de inwoner. Om gebruik te kunnen maken van Valys, heeft de inwoner een Valys-pas nodig. Een inwoner heeft hiervoor één van de volgende indicaties nodig: maatwerkvoorziening vervoer; maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel of scootmobiel; een gehandicaptenparkeerkaart; een begeleiderskaart van het openbaar vervoer; een verklaring van de gemeente dat, ondanks het ontbreken van bovenstaande indicaties, er voor de inwoner een noodzaak bestaat om gebruikt te maken van Valys Artikel7.7Collectieve voorziening: de Regiotaxi In de Leidse regio, de Duin- en Bollenstreek en de Rijnstreek is collectief vervoer beschikbaar via de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer voor zowel inwoners met als zonder Wmo indicatie. De Regiotaxi rijdt van deur tot deur en is toegankelijk voor iedereen die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De gemeente is verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met 25 kilometer vanaf het woonadres van de inwoner of het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 25 kilometer vanaf het woonadres van de inwoner. De Regiotaxi kan ook meer dan 25 kilometer afleggen, hiervoor geldt het volledige tarief. In principe wordt het collectieve vervoer van de Regiotaxi ingezet als vervoersvoorziening, tenzij anders beter passend wordt bepaald door het onderzoek. Een uitzondering op dit geldt voor een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto (zie artikel 7.10) en hieronder beschreven gevallen. Artikel7.7.1Afwijken van het collectief vervoer Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan er een maatwerk voorziening worden toegewezen in de vorm van een individuele rolstoeltaxi of een tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto. Het gaat hierbij om redenen van medische, psychische en/of sociale aard, waardoor het collectief vervoer voor bepaalde inwoners geen passende oplossing voor het vervoersprobleem biedt. Hierbij kan worden gedacht aan: personen die tijdens de rit noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de regiotaxi; personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie; personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie of longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is; situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de inwoner. In deze gevallen kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi of een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto verstrekken. Artikel7.7.2Vorm van verstrekken De verstrekking betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van het CVV ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal kilometers per jaar. De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. Artikel7.7.3Begeleiding bij het gebruik van de Regiotaxi Inwoners kunnen voor hun verplaatsingen met de Regiotaxi aangewezen zijn op begeleiding. Die noodzaak kan zijn: medische noodzaak van begeleiding onderweg: De begeleider moet kunnen ingrijpen, bijvoorbeeld bij een epilepsieaanval of een andere uiting die het gevolg is van de beperking. Bij deze groep is het noodzakelijk dat er iemand aanwezig is die kennis van zaken heeft. medische noodzaak waardoor er behoefte is aan toezicht onderweg: De noodzaak van begeleiding is een medische oorzaak waardoor de inwoner de regie kwijt kan raken. Voorbeelden hiervan zijn psychogeriatrische (bijvoorbeeld dementie) psychiatrische ziektebeelden (bijvoorbeeld fobieën) of mensen met gedragsstoornissen ten gevolge van hersenbeschadiging. Artikel7.8Maatwerkvoorziening voor de zeer korte afstand Bij inwoners met een loopafstand van minder dan 800 meter wordt beoordeeld of er een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand, bijvoorbeeld een scootmobiel of driewielfiets. Een dergelijke maatwerkvoorziening kan alleen worden verstrekt als de inwoner verantwoord met het middel overweg kan7 Toetsing van de rijvaardigheid kan hier deel van uitmaken. en over een adequate stalling beschikt. Indien er sprake is van een contraindicatie, het zij door medicijnengebruik of door verwachte tegenwerking op de revalidatie, dan kan het de voorziening niet versterkt wordt. Bovendien worden de volgende accessoires voor de vervoersvoorziening scootmobiel niet vergoed; Regenkleding; Bandenpompen; Handschoenen; Boodschappenmandjes en netjes (voor zover niet standaard aangebracht); Schootkleed (uitzonderingssituaties wel mogelijk ); Winterbeenbekleding. Artikel7.9Aanpassing eigen auto Wanneer een inwoner een eigen auto heeft en geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel of de Regiotaxi of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van een autoaanpassing. Deze aanpassingen kunnen betreffen: de bediening en besturing van de auto; het in en uit de auto komen; de zithouding; het mee kunnen nemen van hulpmiddelen. De autoaanpassing wordt voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor eenzelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Artikel7.9.1Voorwaarden aanpassing eigen auto Aanvullend op de voorwaarden uit artikel 7.9 gelden de volgende voorwaarden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening aanpassing eigen auto: de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de belanghebbende; er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden; de bestuurder is de aanvrager of lid van het gezin van de aanvrager; de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing; er doet zich naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende verandering voor in de situatie van de bestuurder die invloed heeft op de rijbevoegdheid van de bestuurder (bijvoorbeeld doordat de verwachting is dat de medische situatie van de bestuurder in de nabije toekomst zo verslechterd dat autorijden niet meer mogelijk zal zijn). Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld, deze moet: redelijk aan te passen en in goede staat zijn; het goedkoopst aan te passen model zijn; in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen (dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen). Artikel7.10Rolstoel als maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel is bedoeld om een inwoner in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen, zodat normaal functioneren mogelijk is. De inwoner moet in staat zijn de woonkamer, slaapvertrek(ken), douche en het toilet te bereiken en, indien noodzakelijk, de berging wanneer daar regelmatig gebruik van wordt gemaakt. Ook de tuin of het balkon moeten kunnen worden bereikt. Artikel7.10.1Rolstoel voor continu gebruik Het college kan een rolstoel voor continu gebruik verstrekken wanneer een inwoner voor het dagelijks verplaatsingen is aangewezen op een rolstoel. Zo nodig zal een programma van eisen worden opgesteld aan de hand van medisch of ergotherapeutisch advies. Artikel7.10.2Incidenteel rolstoelgebruik Slechts in uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend. Indien een inwoner zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich over korte vervoersafstanden niet lopend kan verplaatsen. Afhankelijk van de aard van het gebruik, wordt eerst beoordeeld of er gebruik gemaakt kan worden van een uitleenrolstoel of van een rolstoel die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in een winkelcentrum, ziekenhuis of pretpark. Artikel7.10.3Sportrolstoel De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten. Toekenning van een sportrolstoel kan alleen maar wanneer de rolstoel noodzakelijk is voor de beoefening van deze sport en wanneer aangetoond is dat de sport daadwerkelijk beoefend gaat worden (bijvoorbeeld door een lidmaatschap). In beginsel wordt deelname aan één sport als voldoende gezien. Wanneer men de sport professioneel gaat beoefenen zijn de sportvereniging, bond en fondsen voorliggend. Artikel7.11Criteria rolstoel via het persoonsgebonden budget Bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel, gelden de volgende criteria: voor het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt de rolstoel die de inwoner zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen; voor de rolstoel wordt een gebruiksduur van 7 jaar gehanteerd; de inwoner is verplicht de rolstoel tijdens de gebruiksduur voldoende te (laten) onderhouden; schaft een inwoner een elektrische rolstoel aan via zijn pgb, dan is hij verplicht om gedurende de gebruiksduur een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten; de gemeente baseert het pgb op de vastgestelde bedragen in het Financieel besluit. De bedragen uit het Financieel besluit gelden hierbij als maximum en is inclusief de standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering. de meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100 procent vergoed. Hoofdstuk8.Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget Artikel8.1Inleiding Een inwoner die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening heeft in principe de keuze tussen een maatwerkvoorziening in natura of een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget (pgb). Incluzio Leiderdorp informeert de inwoner (en bij minderjarige ook de ouders) over de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en de gevolgen van deze keuze. Artikel8.2Voorwaarden toekennen persoonsgeboden budget Het college toetst of de aanvraag van de inwoner voor een maatwerkvoorziening vanuit een pgb voldoet aan de volgende voorwaarden: de motivatie van de inwoner om te kiezen voor een pgb; de pgb-vaardigheden van de inwoner of eventuele vertegenwoordiger; de kwaliteit van de in te kopen ondersteuning. Artikel8.2.1Motiveren persoonsgebonden budget De keuze voor een persoonsgebonden budget dient altijd een bewuste, weloverwogen en vrijwillige keuze van de inwoner te zijn. De inwoner of zijn vertegenwoordiger moet kunnen motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wil krijgen. Om te toetsen of er sprake is van een weloverwogen keuze, kan Incluzio Leiderdorp een apart pgb-gesprek inplannen met de inwoner en zijn eventuele vertegenwoordiger. Tijdens dit gesprek kan zowel de motivatie voor en de rechten en plichten bij een pgb worden besproken, ook zal het pgb-plan worden besproken. Om een goed beeld te krijgen van de motivatie, mag de zorgverlener niet bij het pgb-gesprek aanwezig zijn. Artikel8.2.2Pgb-vaardigheden Om de maatwerkvoorziening toegewezen te kunnen krijgen vanuit een pgb, moet de inwoner of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig zijn Het oordeel van het college is hierin leidend. Gekeken wordt naar de vaardigheden om de volgende taken uit te voeren: aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteuningsvraag); inkopen en aansturen van ondersteuner (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); goed werkgeverschap; coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid van familie en mantelzorg; voeren van een administratie; verantwoording afleggen en contact met de gemeente (taalvaardig en ICT-vaardig). Om bovenstaande vaardigheden te toetsen kan Incluzio Leiderdorp ervoor kiezen de inwoner een pgb-zelftest te laten invullen als middel om in gesprek gaan over de wenselijkheid van het pgb als financieringsvorm en de plichten die hieraan verbonden zijn. Artikel8.2.3De kwaliteit van de in te kopen ondersteuning De budgethouder heeft zelf de regie over de ondersteuning die hij met het persoonsgebonden budget contracteert of inkoopt. De inwoner heeft daarmee de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan zo nodig de kwaliteit van de ondersteuning bijsturen. Het college kan voor- of achteraf toetsen of de veiligheid en doeltreffendheid van de ingekochte of gecontracteerde ondersteuning voldoende is gegarandeerd. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt mee of de maatwerkvoorziening in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Artikel8.2.4kwaliteitseisen voor PGB bij Wonen met ondersteuning Het verstrekken van een PGB budget voor Wonen met ondersteuning gelden de volgende kwaliteitseisen: Er is 24-uurs zorg oproepbaar; Zorg wordt geleverd aan de hand van een zorgplan, waarin staat vastgelegd welke doelen belanghebbende wil bereiken tijdens de periode dat hij gebruik maakt van de Beschermde woonvorm; Er is een scheiding tussen de budgethouder van het pgb en de uitvoerende zorgverlener. De budgethouder is financieel verantwoordelijk. De budgethouder legt verantwoording af over het besteedde bedrag aan de gemeente; De zorgverlener(
  2. s)beschikken over een VOG; Belanghebbende beschikt over een budgetplan, waarin staat vastgelegd bij welke zorgverleners hij de zorg gaat inkopen, het tarief van de zorgverlener en het aantal uren per zorgverlener. Ook geeft belanghebbende aan om welke reden hij geen gebruik wil maken van zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door de gemeente. Indien het gaat om één zorgverlener dan dient belanghebbende aan te tonen op welke manier de zorg gewaarborgd kan worden als deze zorgverlener uitvalt. Artikel8.2.5Kwaliteitseisen voor PGB voor (Specialistisch) wonen met ondersteuning Aanvullend op het gestelde in artikel 6.6 wordt aan een Pgb(-voorziening) (specialistische) Wonen met ondersteuning de volgende voorwaarden gesteld: Het Pgb kan alleen ingezet worden voor het inhuren van instelling In het wooninitiatief wonen minimaal 3 en maximaal 26 bewoners, die een Pgb ontvangen voor ten minste de resultaatgebieden individuele ondersteuning en sociaal beheer en veiligheid. De bewoners verblijven op één BRP adres, of op meerdere BRP adressen binnen een straal van 100 meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is, die geschikt is om de bewoners in de gelegenheid te stellen samen activiteiten te ontplooien. Indien een persoon inwoont bij ouders, vertegenwoordigers of andere particuliere personen, dan wordt dit niet beschouwd als een wooninitiatief. Kwaliteitseisen zoals zijn geformuleerd voor zorg in natura zijn van kracht en kunnen worden getoetst: Belanghebbende moet formeel wonen bij het wooninitiatief (basis registratie personen). Wanneer een organisatie is gecontracteerd voor (specialistisch) Wonen met ondersteuning (Zorg in natura), kan de organisatie niet diezelfde ondersteuning via een pgb leveren. Voor Wonen met ondersteuning geldt dat wanneer een nieuw pgb gefinancierd wooninitiatief start, de gemeente pas overgaat tot het verstrekken van een pgb voor deze maatwerkvoorziening wanneer de kwaliteit van het initiatief met de gemeente is afgestemd. Indien een wooninitiatief niet of niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen, zal een verbeterplan worden opgesteld. Wanneer niet kan worden voldaan aan het verbeterplan, zal het pgb niet meer kunnen worden ingezet bij het betreffende wooninitiatief. Artikel8.3Overwegende bezwaren Het college kan een pgb weigeren als: een pgb eerder is ingetrokken/beëindigd door de gemeente vanwege het handelen van cliënt. Bijvoorbeeld door het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen voor het pgb of na het budget te hebben besteed aan andere doelen dan waar dit voor was bestemd; voor het deel van de kosten dat hoger is dan de kosten voor de ondersteuning in natura (zie ook artikel 8.6); als de inwoner (en zijn eventuele vertegenwoordiger) niet voldoende pgb-vaardig is (zie artikel 8.2.2); de kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende geborgd is (zie artikel 8.2.3.). Ook kan de uitgangssituatie van de inwoner of vertegenwoordiger ertoe leiden dat het college de verstrekking van een pgb weigert. Hierbij valt te denken aan de volgende omstandigheden: problematische schulden; ernstige verslavingsproblematiek; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende, cognitieve stoornis het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift, zonder dat er in een tolk is voorzien. Om een persoonsgebonden budget af te wijzen op grond van overwegende bezwaren, moet er een feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan een persoonsgebonden budget niet wordt verstrekt. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld. Artikel8.4Omvang persoonsgebonden budget Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor ondersteuning uit het sociale netwerk van de inwoner (non-professionele ondersteuning), ondersteuning geleverd door een ter zake kundige zzp-er en ondersteuning die via een instelling wordt geleverd. Non-professional: ondersteuning die wordt verleend door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. Ondersteuning door iemand binnen dezelfde leefeenheid of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt wordt altijd als non-professionele ondersteuning beschouwd. Zzp-er: ondersteuning die wordt verleend door een persoon die beroepsmatig gekwalificeerd is de betreffende ondersteuning te leveren en hier relevante diploma’s voor heeft. Instelling: ondersteuning die wordt geleverd door gekwalificeerd personeel dat in loondienst is bij een erkende zorginstelling. Het persoonsgebonden budget voor maatwerkvoorzieningen dient in beginsel vergelijkbaar te zijn met een voorziening in natura. Het college mag een lager pgb-tarief hanteren dan de tarieven voor een voorziening in natura, wanneer vaststaat dat dit lagere tarief toereikend is om de benodigde ondersteuning in te kunnen kopen. Dit geldt ook voor een tweedehands voorziening. Artikel8.4.1geen uitruil budgetten Per verstrekte maatwerkvoorziening wordt een budget toegekend om de vastgestelde doelen te bewerkstelligen. Uitruil tussen de verstrekte persoonsgebonden budgetten behorend bij de verschillende maatwerkvoorzieningen is niet toegestaan. Artikel8.5Ondersteuning door non-professional Er wordt geen vergoeding verstrekt voor ondersteuning die anders geleverd zou worden uit het sociale netwerk van de inwoner. Tenzij er sprake is van de volgende criteria: De ondersteuning moet de gebruikelijke hulp overstijgen Ondersteuning uit het sociaal netwerk, moet gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie, waardoor de ondersteuningsbehoefte groter wordt dan wat als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt (zie artikel 2.4). De persoon uit het sociaal netwerk is aantoonbaar beter en/of flexibeler dan professionele ondersteuning Factoren die daarbij een rol spelen zijn: de continuïteit van de ondersteuning: de partner of ouder kan zorgen voor permanent toezicht; de emotionele binding: de emotionele band met partner, ouder of andere familie/kennis draagt bij aan de effectiviteit van de ondersteuning; de veiligheid: ondersteuning in de eigen leefomgeving door ouder, partner of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt bij aan de resultaten in het ondersteuningsplan of de beschikking; praktische overwegingen: partner of ouder kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd. De ondersteuning moet passend, adequaat en veilig zijn De persoon uit het sociaal netwerk moet de juiste vaardigheden hebben. Eventueel worden mogelijkheden besproken om door middel van scholing te komen tot de juiste vaardigheden. De persoon uit het sociaal netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties De persoon is bewust van de verantwoordelijkheid die hij, mogelijk langdurig, op zich neemt. In situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting, kan geen persoonsgebonden budget worden ingezet, voor de overbelaste persoon. Artikel8.5.1Uitbetaling persoonsgebonden budget volgens wettelijk minimumloon Bij de uitbetaling van het pgb voor ondersteuning vanuit het informele netwerk (non-professional), dient rekening gehouden te worden met het wettelijk minimumloon, inclusief vakantiebijslag. Artikel8.6Meerkosten persoonsgebonden budget Wanneer de aangeschafte voorziening via het persoonsgebonden budget duurder is dan de voorziening in natura, wordt alleen een budget verstrekt ter hoogte van de kosten van de voorziening in natura. De inwoner kan de meerkosten zelf bijbetalen of beslissen te kiezen voor een andere maatwerkvoorziening. Een uitzondering hierop is wanneer uit het pgb-plan blijkt waarom een hoger tarief nodig is, bijvoorbeeld als er zeer gespecialiseerde ondersteuning nodig is. Artikel8.7Eisen aan de zorgovereenkomst Het college controleert de zorgovereenkomst die de inwoner heeft gesloten. De zorgovereenkomst behoort aan de volgende eisen te voldoen: De zorgovereenkomst is afgesloten voor een bepaalde tijd: de overeenkomst loopt gelijk met de besproken indicatieduur. Een zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd zal worden afgekeurd. In de zorgovereenkomst wordt in de regel een uurloon afgesproken. Ook voor ondersteuning door een non professional geldt dat er in de regel alleen zorgovereenkomsten goedgekeurd worden waarbij er sprake is van uurloon. Wanneer de zorgovereenkomst niet aan de gestelde eisen voldoet, gaat het college met de inwoner of zijn vertegenwoordiger in gesprek om dit te laten aanpassen. Mocht op grond van de gesloten zorgovereenkomst vragen opkomen over de pgb-vaardigheden van de inwoner of zijn vertegenwoordiger, kan dit een reden zijn om het pgb niet toe te kennen. Artikel8.8Eisen aan een vertegenwoordiger Wanneer een inwoner niet over de pgb-vaardigheden beschikt, zoals genoemd in artikel 8.2.2, kan een vertegenwoordiger (een deel van) de taken overnemen. De eisen aar de budgethouder aan moet voldoen, gelden ook voor de vertegenwoordiger. Het college kent geen pgb toe wanneer de vertegenwoordiger een relatie heeft met de zorgverlener. Ook kent het college geen pgb toe wanneer de vertegenwoordiger van de inwoner met een ondersteuningsbehoefte, ook de zorgverlener is. Een uitzondering hierop is wanneer er non-professionele ondersteuning door ouders/verzorgers wordt geleverd die tevens wettelijk vertegenwoordiger zijn van de zorgontvanger. Artikel8.9Persoonsgebonden budget voor materiële maatwerkvoorzieningen Het persoonsgebonden budget voor materiële maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld op maximaal de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. Deze worden bepaald op basis van contracten die met leveranciers zijn afgesloten. Als voor de maatwerkvoorziening geen contract is afgesloten, worden de kosten bepaald op basis van een door het college op te vragen offerte(s). Voor zover van toepassing, worden bij het persoonsgebonden budget voor de maatwerkvoorziening bedragen meegenomen voor het onderhoud en de verzekering. Artikel8.9.1Uitbetaling van het persoonsgebonden budget voor materiële maatwerkvoorzieningen Wanneer er sprake is van een persoonsgebonden budget voor een materiële maatwerkvoorziening wordt er eenmalig een bedrag uitgekeerd. Voor deze voorziening levert de inwoner binnen zes maanden een aankoopverplichting aan bij het college. De betaling van het budget vindt plaats na aanlevering van het bewijs van aankoop, een onderhoudscontract en, indien van toepassing, een verzekeringsbewijs. De voorziening wordt in één keer volledig uitbetaald; de componenten voor het onderhoud en de verzekering worden in jaarlijkse termijnen betaald. Artikel8.9.2Onderhoud materiële maatwerkvoorzieningen De gemeente hanteert voor een maatwerkvoorziening een gebruiksduur van zeven jaar. Wanneer de maatwerkvoorziening is aangeschaft via het persoonsgebonden budget, is de betrokkene verplicht de aangeschafte maatwerkvoorziening gedurende de gebruiksduur voldoende te laten onderhouden. Bij de aanschaf van elektrische maatwerkvoorzieningen, zoals een elektrische rolstoel of scootmobiel, via het persoonsgebonden budget, is de gebruiker tevens verplicht een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten (eerste drie jaar all risk). Artikel8.9.3Hoogte persoonsgebonden budget tweedehands materiële maatwerkvoorzieningen De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op de kostprijs van de goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. Indien dit een tweedehands voorziening betreft, dan kan het college de hoogte daar dus op baseren, mits de cliënt met dit bedrag dan ook daadwerkelijk de voorziening kan aanschaffen bij een aanbieder. Artikel8.10Aanvraag persoonsgebonden budget gedurende verstrekkingstermijn Indien binnen de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt opnieuw een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd, dan wordt deze eventueel verstrekt onder inhouding van het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Artikel8.11Controle rechtmatigheid persoonsgebonden budget Controle op besteding van het persoonsgebonden budget vindt plaats via de gemeente. De gemeente kan steekproefsgewijs onderzoeken of het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en wordt gebruikt om het resultaat, zoals omschreven in de beschikking, te realiseren. Blijkt bij controle dat het persoonsgebonden budget aan een ander doel of activiteit is besteed dan waar het voor is toegekend, dan kan het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen. In voorkomende gevallen kan het bedrag ook bij erfgenamen teruggevorderd worden. Daarbij wordt in redelijkheid en billijkheid gehandeld. Artikel8.11.1Controle doelen persoonsgebonden budget De inwoner stelt een pgb-plan op met hierin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. Incluzio Leiderdorp kan ervoor kiezen om periodiek met de budgethouder te spreken over de voorgang van het pgbplan en de situatie van de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld wanneer er sprake is van twijfels over de regievaardigheid, bij een indicatie met een lange looptijd, bij te verwachten veranderingen in de persoonlijke omstandigheden of op basis van risico-indicatoren. Artikel8.12Beëindigen persoonsgebonden budget Het persoonsgebonden budget kan beëindigd worden wanneer uit heronderzoek vastgesteld wordt dat de gestelde doelen niet gehaald worden omdat de zorgverlener niet voldoende gericht is op het bereiken van de doelen en/of dat de ondersteuning onvoldoende cliëntgericht is. Als uit het heronderzoek blijkt dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger onvoldoende heeft geprobeerd om de ondersteuning bij te sturen, is ook dat een grond om het persoonsgebonden budget te beëindigen. Als de inwoner wel voldoende pgb-vaardig is en door omstandigheden het resultaat niet gehaald is, kan de inwoner een andere zorgverlener zoeken en daar een zorgovereenkomst mee sluiten. Hoofdstuk9.Overige bepalingen Artikel9.1Mantelzorgondersteuning Mantelondersteuning is het pakket aan diensten, activiteiten en goederen dat beschikbaar wordt gesteld aan de mantelzorger en dat tot doel heeft de mantelzorger te ondersteunen bij zijn ondersteuning aan de inwoner. De ondersteuning heeft onder meer betrekking op: cursussen, lotgenotencontacten, informatie en advies, respijtzorg en de jaarlijkse Dag van de Mantelzorg op. Artikel9.1.1Mantelzorgwaardering Mantelzorgers kunnen aanspraak maken op een mantelzorgwaardering als erkenning voor wat zij voor een inwoner van Leiderdorp doen. Alle mantelzorgers die zorg verlenen in Leiderdorp komen in aanmerking voor de waardering. Dit houdt in dat de mantelzorger zelf woonachtig kan zijn in een andere gemeente, maar degene voor wie gezorgd wordt in Leiderdorp woont. Aan de uitreiking van de mantelzorgwaardering kan het college voorwaarden verbinden. Artikel9.1.2Respijtzorg Respijtzorg is de ondersteuning die aan de inwoner wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is ondersteuning te bieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger de ondersteuning te kunnen laten bieden; en maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. Artikel9.1.3.Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg. Het zwaartepunt ligt vooral op logeren, met als doel het overnemen van het (permanente) toezicht ter ontlasting van de persoon die de gebruikelijke hulp geeft of de mantelzorger. Er is geen sprake van (medische) opname in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Ook is er geen sprake van spoed of crisis. Iemand komt in aanmerking voor kortdurend verblijf, wanneer: hij een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking heeft, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap; of hij zowel een maatwerkvoorziening begeleiding ontvangt en ondersteuning krijgt bij persoonlijke verzorging; Daarnaast is er sprake van alle volgende condities; hij is aangewezen op zorg gepaard gaand met (permanent) toezicht; hij hierop gedurende maximaal drie etmalen per week is aangewezen; de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de inwoner levert, noodzakelijk ontlast dient te worden. Het kortdurend verblijf kan maximaal 72 uur per week bedragen met een maximum van 52 etmalen per jaar, maar kan flexibel worden ingezet. Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of in een accommodatie. Het vervoer naar de locatie waar het kortdurend verblijf wordt geboden is enkel inbegrepen, wanneer de mantelzorger niet in staat is de inwoner te brengen (en te halen) en er geen andere vervoersmogelijkheden zijn om de locatie te bereiken. Artikel9.2Ondersteuning aan 16-23 jarigen De Leidse regio gemeenten voeren geen harde kalenderleeftijd voor zowel de ondersteuning die Incluzio Leiderdorp of de Jeugdteams zelf bieden als voor de specialistische Jeugdhulp of Wmo maatwerkvoorziening. Artikel9.2.1Zorgcontinuïteit specialistische aanbieders en gebruik van het Perspectiefplan (Specialistische hulp of Maatwerkvoorziening) Iedere jeugdige die al in jeugdhulp is, wordt door de betreffende aanbieder tijdig en geleidelijk voorbereid op de 18e verjaardag: jeugdhulpaanbieders in Holland Rijnland zijn verplicht om uiterlijk bij 17,5 jaar, samen met de jongere en betrokken vervolgaanbieders een Perspectiefplan opgesteld te hebben. Per ingang van 2023 kan dit al vanaf 16,5 jaar. In dit Plan zijn alle relevante leefdomeinen opgenomen, van werk of school tot financiën, zorg en welzijn, inclusief mogelijke vervolgtrajecten. Dit Plan heeft als doel zorgcontinuïteit beter te regelen, en zorgt er daarnaast voor dat jongeren goed voorbereid zijn op alle veranderingen en verplichtingen als zij achttien worden. Iedere jongere die uitstroomt uit jeugdhulp is dus in het bezit van een Perspectiefplan, waar aanbieders Wmo en maatschappelijke zorg bij betrokken dienen te worden. Artikel9.2.2Verlengde jeugdhulp tot maximaal 23 jaar Het gaat hier om ondersteuning die niet op grond van de ZvW, Wmo of Wlz geboden kan worden. Dit dient dan ook eerst door aanbieders uitgesloten te worden. Verlengde jeugdhulp kan bijvoorbeeld gaan om pleegzorg, opvoedondersteuning, of pedagogische gezinsbegeleiding. Deze hulp kan maximaal doorlopen tot een jongere 23 jaar is. Verlengde jeugdhulp wordt geboden binnen het met Holland Rijnland afgesproken budgetplafond van gecontracteerde specialistische jeugdhulpaanbieders en kan plaats vinden in de volgende drie gevallen: De jongere ontving voor zijn 18e al jeugdhulp en het is nodig dat deze doorloopt; De jongere kreeg voor zijn 18e nog geen hulp, maar het Jeugdteam heeft samen met belanghebbende en aanbieder voor de 18e verjaardag bepaald dat dit vanaf het 18e jaar nodig is en het (specialistische of complexe) opvoed- en ouderproblematiek betreft. De eventuele benodigde behandeling valt na het 18de jaar onder de ZvW. ; De jongere kreeg voor zijn 18e hulp en is gestopt, maar specialistische jeugdhulpaanbieder bepaalt samen met het Jeugdteam dat hervatting nodig is. De hulp moet binnen 6 maanden worden hervat. Indien een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder buiten het vastgestelde budgetplafond verlengde jeugdhulp in wenst te zetten, dan dient daarvoor een verzoek te worden ingediend bij de Service Organisatie Zorg (SOZ) Holland Rijnland. Artikel9.2.3Overzetten Pgb-jeugd in Wmo-pgb Jeugdteams geven pgb beschikkingen af tot het 18e jaar. Soms is het wenselijk dat ondersteuning nog even doorloopt. Met andere woorden: de ondersteuningsvraag is nog aanwezig als iemand achttien wordt. Of dit moet doorlopen onder Jeugdhulp of Wmo, is een vergelijkbare inhoudelijke afweging als bij Zorg in Natura. Afspraken naar overgang volwassen ondersteuning zullen gemaakt moeten worden, zodra passende ondersteuning vanuit Wmo aan de jeugdige geboden kan worden. Afstemming tussen belanghebbende, Incluzio Leiderdorp en het Jeugdteam is dan ook van belang. Er zijn afspraken gemaakt zodat voor betrokken partijen in de uitvoering helder is wat te doen als een jongere achttien wordt: Als de zorg al bekend is bij het Jeugdteam, voert het Jeugdteam het gesprek met de jongere/de ouders, samen, afgestemd met het betrokken sociaal werker van Incluzio Indien het een nieuwe zorgvraag betreft, behandelt het Incluzio Leiderdorp de aanvraag. Indien nodig consulteert Incluzio het Jeugdteam. Artikel9.3Contractmanagement Wmo De gemeente Leiderdorp heeft het beheer van de contracten voor ingekochte Wmo diensten en producten uitbesteed aan het team contractmanagement van de gemeente Leiden. Zij bewaakt namens de Leidse regio de uitnutting van de contracten en ziet toe op het nakomen van de contractafspraken door de aanbieders en gemeente. Kwaliteitseisen zijn een onderdeel van de contracten. Team contractmanagement werkt pro-actief door bijvoorbeeld voortgang van het contract te meten en in gesprek te zijn met de leveranciers over de uitvoering van de contracten. Team Contractmanagement werkt ook re-actief door bij wanprestatie verbetertrajecten te initiëren en monitoren en eventueel boetes op te leggen. Artikel9.4Toezichthoudend ambtenaar De gemeente is verplicht een toezichthoudende ambtenaar aan te stellen. De Leidse regio borgt dit door de functie van toezichthoudend ambtenaar te beleggen bij de GGD Hollands Midden. Artikel9.5Toezichthouder rechtmatigheid Het college heeft ook een toezichthouder rechtmatigheid aangesteld. Deze ziet er op toe dat de toegekende maatwerkvoorzieningen -in zorg in natura (ZIN) of persoonsgebonden budget (pgb)- rechtmatig worden besteed. In de Leidse regio is dit belegt bij het team Toezicht in de Zorg. Artikel9.6Verplichting tot medewerking Het toezicht op zowel rechtmatigheid als kwaliteit is onderdeel van de uitvoering van gemeentelijke voorzieningen en verstrekkingen volgens de geldende regels en besluiten. Er is een verplichting voor zowel zorgaanbieders, cliënten, budgethouders en andere betrokkenen bij de verstrekking van zorg in natura of een pgb tot volledige medewerking aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college (of door hen daartoe aangewezen derden) op de naleving van de contracteisen, inhoudelijke kwaliteit en op presentie- en financiële administratie waaronder begrepen: formele- en materiële onderzoeken, kwaliteitsonderzoeken, rechtmatigheid- en doelmatigheid onderzoeken, onderzoeken n.a.v. calamiteiten/geweldsincidenten, detailcontroles, fysieke controles op locatie en fraudeonderzoeken. Deze onderzoeken zijn vooral op gericht het doen van aanbevelingen waarmee in de toekomst de kans op overtredingen of het voordoen van calamiteit wordt verkleind. De toezicht rapportages kunnen openbaar gemaakt worden. Artikel9.7Meldcode huiselijk geweld Wanneer een professional vermoedens heeft van huiselijk geweld of kindermishandeling, is deze verplicht de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, te volgen. Het gaat hierbij niet alleen om vermoedens van fysiek geweld, maar ook van psychisch of seksueel geweld en vermoedens van verwaarlozing. Artikel9.8Privacy Inwoners die een beroep doen op hulp, hebben zelf de regie over hun gegevens. Voor het uitwisselen van persoonsgegevens is altijd de toestemming van de inwoner nodig. Met persoonsgegevens worden alle gegevens bedoeld die direct of indirect herleidbaar zijn tot de inwoner. Professionals dienen zorgvuldig af te wegen óf en welke informatie noodzakelijk is om gedeeld te worden. Gegevensuitwisseling dient te voldoen aan de standaarden, zoals vermeld in de AVG. Artikel9.9Overgangsregeling PGB In het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2023 zijn de (nieuwe) pgb-tarieven vastgesteld. Voor de inwoners met een PGB budget hebben, waarvan de indicatie afloopt in 2023 en bij herindicatie blijkt dat het nieuwe budget lager is dan het eerdere budget is een overgangsregeling nodig om op verantwoorde en acceptabele wijze de overgang te maken naar deze nieuwe tarieven. De overgangsregeling kent de volgende onderdelen; Inwoners met een lopende indicatie voor een persoonsgebonden budget voor Huishoudelijke Ondersteuning, Begeleiding, Dagbesteding of Beschermd Wonen behouden hun bestaande budget tot en met de in hun indicatie genoemde einddatum, maar uiterlijk tot en met 31 december 2023. Voor inwoners met een persoonsgebonden budget waarvan de indicatie afloopt in 2023 en waarbij bij herindicatie blijkt dat het nieuwe budget op basis van artikel 9.8 en de bedragen uit het Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2023 lager is dan het lopende budget geldt: het verschil tussen het vorige toegekende budget en het nieuw vastgestelde budget wordt gedurende een periode van maximaal drie maanden gecompenseerd door het college; na deze periode van (maximaal) drie maanden, geldt het nieuwe budget op basis van artikel 11 van de Verordening voor de resterende looptijd van de indicatie. Inwoners met een indicatie voor een persoonsgebonden budget voor Huishoudelijke Ondersteuning, Begeleiding, Dagbesteding of Beschermd Wonen waarvan de indicatie afloopt in 2024 of verder, worden vóór 1 oktober 2023 geherindiceerd. Zij ontvangen per 1 januari 2024 een nieuwe indicatie en het bijhorend budget op basis van artikel 11 van de Verordening. Artikel9.10Overgangsrecht Zorg in Natura Voor inwoners die Zorg in Natura ontvangen is het overgangsrecht van toepassing. Dit recht omvat de volgende onderdelen; Inwoners met een lopende indicatie voor Beschut wonen houden deze tot en met de daarbij geldende einddatum, maar uiterlijk tot en met 30 juni 2023. Voor een eventuele indicatie daarna worden ze geherindiceerd volgens het arrangementenmodel. Inwoners met een lopende indicatie voor Begeleiding, Dagbesteding en Beschermd Wonen houden deze tot en met de daarbij geldende einddatum maar uiterlijk tot en met 31 december 2024. Voor een eventuele indicatie daarna worden ze geherindiceerd volgens het arrangementenmodel. Inwoners met een lopende indicatie voor Thuisondersteuning houden deze tot en met de daarbij geldende einddatum maar uiterlijk tot en met 31 december 2023. Voor een eventuele indicatie daarna worden ze geherindiceerd volgens de nieuwe producten. Cliënten met een lopende indicatie voor Huishoudelijke Ondersteuning die hun zorg afnemen bij aanbieders die vanaf 2023 geen contract meer hebben met de gemeente, houden deze tot en met de daarbij geldende einddatum maar uiterlijk tot en met 31 december 2023. In 2023 worden de indicaties van deze cliënten omgezet naar indicaties conform hoofdstuk 3. Artikel9.11Citeertitel en inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2023; 2.Deze beleidsregels treden na hun bekendmaking in werking op 1 januari 2023; 3.Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2022 ingetrokken. Vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders op 20 december 2022. Bijlage1.Dreigende overbelasting mantelzorger Het kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken overneemt, overbelast dreigt te raken. Er is sprake van een disbalans tussen draagkracht en draaglast. Het kan heel duidelijk zijn dat de mantelzorger of de persoon die gebruikelijke hulp levert overbelast is, in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het gesprek moeten worden uitgediept. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: lichamelijke conditie; geestelijke conditie; wijze van omgaan met problemen (coping); motivatie voor zorgtaak; sociaal netwerk. Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: omvang en mate van (niet te )plannen zorgtaken; ziektebeeld en prognose; inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager; woonsituatie; bijkomende sociale problemen; bijkomende emotionele problemen; bijkomende relationele problemen. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is, maar over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate waarin de symptomen zich manifesteren, zijn verschillend van persoon tot persoon. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de mantelzorger zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen. Mogelijke symptomen van overbelasting zijn: gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug; hoge bloeddruk; gewrichtspijn; gevoelens van slapte; slapeloosheid; migraine, duizeligheid; spierkrampen; verminderde weerstand, ziektegevoeligheid; opvliegingen; ademnood en gevoelens van beklemming op de borst; plotseling hevig zweten; gevoelens van beklemming in de hals; spiertrekkingen in het gezicht; verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen; ongeduld; vaak huilen; neerslachtigheid; isolering; verbittering; concentratieproblemen; dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen; rusteloosheid; perfectionisme; geen beslissingen kunnen nemen; denkblokkades. Vragen aan de mantelzorger Mogelijke vragen die tijdens het gesprek die kunnen helpen bij het signaleren van eventuele overbelasting van de mantelzorger. Hoe ervaart de mantelzorger het zorgen voor de inwoner? Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger? Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid? Heeft de mantelzorger een uitlaatklep? Heeft hij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan hij zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen? Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en cliënt? Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren.) Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig? Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.) Wat zijn de knelpunten in de zorg? Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen? Bijlage2.Ondersteuningsterreinen De inwoner kan beperkingen ondervinden op de volgende terreinen: sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; probleemgedrag; psychisch functioneren; oriëntatiestoornissen. 2.1 Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: een gesprek voeren: begrijpen wat iemand zegt en zich begrijpelijk maken; initiëren en uitvoeren van eenvoudige taken; initiëren en uitvoeren van complexere taken; lezen, schrijven en rekenen; communicatiehulpmiddel(
  3. en)gebruiken; dagelijkse bezigheden uitvoeren en regelen; problemen oplossen en besluiten nemen; zelf administratieve zaken bijhouden en eigen geld beheren; (naar behoefte) sociale contacten aangaan en onderhouden. 2.2 Bewegen en verplaatsen Bij bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven; grove hand- en armbewegingen maken; fijne handbewegingen maken; lichtere voorwerpen tillen; gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten; lichaamspositie veranderen; trap op en af gaan zonder hulp(middelen); zich verplaatsen met hulp(middelen); voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); gebruik maken van het openbaar vervoer; eigen vervoermiddel gebruiken; voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); korte afstanden lopen; zwaardere voorwerpen tillen. 2.3 Probleemgedrag Bij probleemgedrag gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); dwangmatig gedrag; lichamelijk agressief gedrag; manipulatief gedrag; verbaal agressief gedrag; zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag; grensoverschrijdend seksueel gedrag. 2.4 Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: concentratie; geheugen en denken; perceptie van omgeving. 2.5 Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: desoriëntatie in persoon (persoon herkent mensen in zijn omgeving niet meer, of herkent personen wel, maar kan ze niet plaatsen); desoriëntatie in tijd en ruimte (persoon weet niet meer welke dag het is, tijdbesef is niet meer aanwezig, persoon weet niet hoe lang geleden iets is gebeurd en/of op welke volgorde gebeurtenissen zich voordeden); oriëntatie naar plaats (persoon herkent niet meer waar hij woont, raakt de weg in huis en/of buurt kwijt, weet niet hoe hij van de ene naar de andere plek kan komen). Bijlage3.Voorbeelden algemene voorzieningen (niet limitatief) budgetbeheer; budgetbegeleiding; vrijwillige schuldhulp en/of schuldhulpverlening; boodschappenservice; maaltijdenservice (zoals tafeltje-dek-je, Apetito), kant-en-klaar of koel-vers-maaltijden; - wasserij; glazenwasser (buitenzijde); voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse (kinder)opvang; gastouders; mogelijkheid tot het inzetten van vrijwilligers via het welzijnswerk; openbare en algemene activiteiten van Incluzio (zoals dagactief of de langste eettafel); openbaar vervoer; buurthuis; klussendienst; formulierenhulp; ouderenadviseur; huisarts; hondenuitlaatservice; opnemen zorgverlof; financieel administratieve ondersteuning; mantelzorgcoach. Bijlage4.Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen (niet limitatief) WOONVOORZIENINGEN Aankleedtafel voor kinderen en volwassenen Airco – losse eenheid Antislipcoating Antislip tegels bij nieuwbouw of renovatie Automatische deuropeners voor garages Badplank Vervanging l

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.