Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggenAanleiding Naar aanleiding van een aanvraag kan door het college een omgevingsvergunning worden verleend waarna er uitvoering aan het gevraagde voornemen kan worden gegeven. Het komt echter ook voor dat er geen of pas na een lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende vergunning. Om een aantal uiteenlopende redenen is het ongewenst een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, slopen of aanleggen in stand te laten zonder dat daaraan binnen een bepaalde termijn uitvoering wordt gegeven: (nieuwe) planologische en stedenbouwkundige inzichten (bestemmings-plannen) kunnen doorkruist worden door nog te bouwen zaken of uit te voeren werken die in het verleden zijn vergund maar nog niet gerealiseerd. bouwwerken worden gerealiseerd naar verouderde inzichten als gevolg van vergunningen die ruim tevoren verleend zijn. vanuit het oogpunt van omwonenden is het onplezierig als zij geconfronteerd worden met oude “rechten” waartegen in principe geen rechtsmiddelen meer openstaan. Daarom achten wij het wenselijk de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, slopen of aanleggen na verloop van een bepaalde periode in te trekken. In deze beleidsregels wordt invulling gegeven aan de wettelijke mogelijkheid om aan de omgevingsvergunning een geldigheidsduur te koppelen en aan de bevoegdheid van het college om de vergunning in te (kunnen) trekken. Met de beleidsregels wordt invulling gegeven aan de gemandateerde bevoegdheid aan de ambtelijke organisatie tot het intrekken van vergunningen. Daar waar de beleidsregels niet voorzien, blijft de beslissingsbevoegdheid bij ons college. Gelet op het bovenstaande en gelet op het bepaalde in artikel 1:3, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 4:81 tot en met 4:84 Awb, artikel 1.2 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.33, lid 2, onder a, van de Wabo; hebben wij besloten: de hierna volgende beleidsregels voor het intrekken van de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggen vast te stellen. Artikel1Begripsbepaling In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Omgevingsvergunning voor activiteit bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Omgevingsvergunning voor activiteit aanleggen: vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Omgevingsvergunning voor activiteit slopen: vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder g of artikel 2.2., lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk; Aanleggen: het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. Gedacht moet worden aan het aanleggen van wegen en/of paden, het ophogen van wallen, het planten en rooien van bomen, het graven van sloten, het verwijderen, aanleggen of wijzigen van oppervlakteverhardingen en het aanbrengen van oeverbeschoeiingen en aanlegplaatsen; Slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan; Intrekken: het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, slopen of aanleggen; Urgente en zwaarwegende planologische belangen: in dit kader een situatie waarbij voor het gebied waarbinnen het vergunde object is gesitueerd een bestemmingsplan in voorbereiding is en het vergunde object het toekomstig planologisch kader frustreert. Hierbij moet tenminste sprake zijn van een ontwerpbestemmingsplan dat op grond van artikel 3.8 van de Wro ter inzage is gelegd en gepubliceerd. Artikel2Intrekkingsregeling bij uitblijven aanvang bouw, sloop of aanleg Volgens artikel 2.33, lid 2 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning een begin is gemaakt met de uitvoering ervan. Indien zich urgente en zwaarwegende planologische belangen voordoen, wordt van deze bevoegdheid na 26 weken actief gebruik gemaakt. Doen zich geen urgente en zwaarwegende planologische belangen voor, dan wordt niet eerder dan 104 weken na het onherroepelijk worden van de verleende vergunning gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Als niet tijdig met de bouw, sloop of aanleg is begonnen, wordt aan de vergunninghouder het voornemen van het intrekken van de omgevingsvergunning bekend gemaakt of wordt een ontwerp van het besluit ter inzage gelegd volgens artikel 6 van deze beleidsregels. In het geval er een zienswijze is ingediend, wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen met de uitvoering een begin moet zijn gemaakt. De termijn bedoeld onder d. wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 156 weken na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning. Artikel3Intrekkingsregeling bij stilliggen bouwwerkzaamheden Volgens artikel 2.33, lid 2 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken als de werkzaamheden langer dan 26 weken hebben stilgelegen. Van deze bevoegdheid wordt na 26 weken actief gebruik gemaakt. Als het werk 26 weken heeft stilgelegen, wordt aan de vergunninghouder het voornemen van het intrekken van de omgevingsvergunning bekend gemaakt of wordt een ontwerp van het besluit ter inzage gelegd volgens artikel 6 van deze beleidsregels. Als een zienswijze is ingediend, wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen weer gestart moet worden met de werkzaamheden. De termijn bedoeld onder d. wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 52 weken. Artikel4Intrekken na toekenning ruimere termijn Als binnen de in artikel 2 onder e, en artikel 3 onder e, van deze beleidsregels gestelde ruimere termijn geen begin is gemaakt met de bouw, sloop of aanleg kan de verleende omgevingsvergunning voor de betreffende activiteit worden ingetrokken. Artikel5Procedure tot intrekking van de omgevingsvergunning Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure of de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, slopen of aanleggen is verleend voor 1 oktober 2010: krijgen belanghebbenden, voordat de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, de gelegenheid om hierover binnen een redelijke termijn schriftelijk of mondeling aan te geven welk belang zij hebben bij het in stand houden van de vergunning (conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht). Deze redelijke termijn is bepaald op vier weken. Het college van burgemeester en wethouders neemt binnen acht weken na ontvangst van de in lid 1 bedoelde zienswijze een besluit over het al dan niet intrekken van de omgevingsvergunning. Als er geen zienswijze als bedoeld in lid 1 naar voren is gebracht, neemt het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken, nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning. Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventuele andere belang-hebbenden en wordt gepubliceerd in Nieuwsklok. Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure: wordt voordat de omgevingsvergunning wordt ingetrokken het ontwerp van het te nemen besluit zes weken ter inzage gelegd en in afschrift toegezonden aan belanghebbenden. Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt een kennisgeving van het ontwerp van het te nemen besluit gepubliceerd in Nieuwsklok. Belanghebbenden kunnen binnen de hierboven genoemde termijn een mondelinge of schriftelijke zienswijze naar voren te brengen. Als er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, neemt het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken, nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning. Als er wel zienswijzen naar voren zijn gebracht, neemt het college van burgemeester en wethouders binnen 12 weken na de terinzagelegging een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning (conform artikel 3:18 Algemene wet bestuursrecht). Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventuele andere belang-hebbenden en wordt gepubliceerd in Nieuwsklok. Artikel6Uitsluiting overige intrekkingsgronden Deze beleidsregels sluiten besluiten over de overige in artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen intrekkingsgronden niet uit. Artikel7Hardheidsclausule Er wordt volgens deze beleidsregels gehandeld, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die door bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Artikel8Citeertitel Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggen”. Artikel9Slotbepaling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.