← Nederland

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2023 (Tilburg)

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2023[Deze publicatie betreft een rectificatie omdat een onjuiste versie is bekendgemaakt. De oorspronkelijke publicatie is op 28 december 20

Artikel2

.6aanvraag maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen 1.Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen wordt samengewerkt met de gecontracteerde partij (Consortium). De Toegangsprofessional voert het onderzoek uit zoals beschreven in artikel 2.1.2 van de Wmo2015. Zodra er sprake is van een noodzaak voor een maatwerkvoorziening wordt de cliënt overgedragen aan de gecontracteerde partij. Zij bepaalt in afstemming met de cliënt de aard en omvang van de maatwerkvoorziening. 2.De uitkomsten van dit onderzoek worden vastgelegd in een verslag (Plan van Aanpak). Het door de cliënt/diens vertegenwoordiger ondertekende verslag van het onderzoek (Plan van Aanpak) vormt tevens de beschikking. 3.Het

Artikel2

.7Aanvraag persoonsgebonden budget In aanvulling op artikel 2.4 omvat een aanvraag voor een persoonsgebonden budget in elk geval: de motivering waarom een pgb gewenst wordt; de te treffen maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat; de voorgenomen uitvoering daarvan en de kwalificaties van de uitvoering. Artikel2.8Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding, dagbesteding en persoonlijke verzorging persoonsgebonden budget 1.Indien er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding, dagbesteding of persoonlijke verzorging en de cliënt wenst deze te verzilveren in de vorm van een persoonsgebonden budget, stelt de Toegangsprofessional eerst vast of de cliënt (of diens vertegenwoordiger) voldoende regievaardig voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsbonden budget. Indien de cliënt voldoende regievaardig is, kan de gecontracteerde partij voor begeleiding (het Consortium) gevraagd worden om een expertadvies voor de bepaling van de aard en omvang van de voorziening. In een Plan van Aanpak worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd. 2.De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangegeven hoe de ondersteuning wordt verleend. De Toegangsprofessional beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het Plan van Aanpak in voldoende mate behaald kunnen worden. 3.Zorgverlener en cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen het budgetplan. 4.Het ondertekende budgetplan samen met het ondertekende verslag van het onderzoek kunnen als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt. 5.Het

. Artikel2.9Aanvraag voor maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen 1.Indien er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van Beschermd Wonen en de cliënt wenst deze te verzilveren in de vorm van een persoonsgebonden budget, stelt de Toegangsprofessional eerst vast of de cliënt (of diens vertegenwoordiger) voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsbonden budget. Indien de cliënt voldoende regievaardig is, kan de gecontracteerde partij voor begeleiding (het Consortium) gevraagd worden om een expertadvies voor de bepaling van de aard en omvang van de voorziening. In een Plan van Aanpak worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd. 2.De cliënt en/of zijn vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangegeven hoe de ondersteuning wordt verleend. De Toegangsprofessional beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het Plan van Aanpak in voldoende mate behaald kunnen worden. 3.Zorgverlener en cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen het budgetplan. 4.Het ondertekende budgetplan samen met het ondertekende verslag van het onderzoek kunnen als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt. 5.Het

. Artikel2.10Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening geeft het college in ieder geval aan of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en geeft het college tevens aan hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. 5.Bij zowel Beschermd Wonen als Begeleiding (Zorg in Natura) wordt er geen separate beschikking afgegeven. Het ondertekende Plan van Aanpak (opgesteld door Toegang en/of gecontracteerde aanbieder) vormt de beschikking. Artikel2.11Advisering 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp/zorg diens relevante huisgenoten: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip op een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2.Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 2.2 is gevoerd. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 2.2 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of soort van voorziening kunnen beïnvloeden. het college dat overigens gewenst vindt. 3.Indien het college advies gaat inwinnen als bedoeld in lid 1 en lid 2 wordt de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger hiervan op de hoogte gebracht. Hoofdstuk3Algemene voorzieningen Artikel3.1Algemene voorziening 1.Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Tilburg of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. Het

. Artikel3.2Waardering voor mantelzorgers Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. Het college zal bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Hoofdstuk4Maatwerkvoorzieningen Artikel4.1Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening (zaak), wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 4.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. Artikel4.2Regels voor pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.Het tarief voor een pgb: wordt vastgesteld op de soort voorziening, de omvang van de voorziening en een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige en doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 4.De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten. In hoofdstuk 5 is de opbouw van de pgb tarieven opgenomen alsmede de betreffende tarieven voor maatwerkvoorzieningen. 5.Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 6.Een pgb wordt alleen verstrekt als tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding is vastgesteld dat cliënt en/of zijn pgb vertegenwoordiger voldoende in staat is regie te voeren over de kwaliteit en uitvoering van het budgetplan met het oog op de te behalen resultaten. 7.Als de cliënt een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn. 8.Het

aan de toegang tot en het gebruik van het persoonsgebonden budget. 9.Tussenpersonen en belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. 10.Het is verplicht om de modelovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank te gebruiken. 11De persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.16 of 5.17, danwel de vertegenwoordiger, mag met de zorgaanbieder geen afspraak maken op basis waarvan de SVB de zorgaanbieder uitbetaalt zonder dat de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt de factuur heeft geaccordeerd. Dit betekent dat de zorgaanbieder maandelijks een factuur met daadwerkelijk gerealiseerde uren aan de persoon die het persoonsgebonden budget beheert ter accordering aanbiedt. Artikel4.3Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1.Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, eerst of de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat. Deze beoordeling zal alleen plaatsvinden indien de aanpassing van de woning een bedrag zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg te boven gaat. 2.Het college stelt nadere regels. Artikel4.4Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen 1.Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, eerst of de cliënt gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare algemene voorziening of van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de individuele situatie van de cliënt kan leiden tot het te bereiken resultaat. 2.Het college stelt nadere regels. Artikel4.5Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden 1.Bij de toekenning van ondersteuning bij het huishouden in de vorm van een maatwerkvoorziening richt het college zich op één of meerdere van de volgende resultaten: het schoon en leefbaar houden van de woning; het beschikken over schone en draagbare kleding. 2.Het schoon en leefbaar houden van de woning heeft uitsluitend betrekking op woonruimten binnen de woning. Buitenruimten vallen hier niet onder. 3.Het college beoordeelt, in aanvulling op artikel 4.1, of de cliënt één of meerdere huisgenoten heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen in het kader van gebruikelijke zorg. 4.Een cliënt komt, in aanvulling op artikel 4.1, niet in aanmerking voor ondersteuning bij het huishouden als hij zelf, of met behulp van zijn partner/gezin of sociale netwerk de resultaten zoals genoemd in lid 1 kan behalen. 5.Het college stelt nadere regels. Artikel4.6Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen 1.In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij: feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. 2.In aanvulling op artikel 4.1 kan een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang als deze: slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorziening. 3.In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: er sprake is van een beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en/of beperkt intellectueel functioneren (al dan niet in combinatie met gedragsproblemen, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap en/of verslavingskenmerken), en er behoefte is aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken, en het voor de cliënt noodzakelijk is dat er een woonomgeving is waarbij toezicht en begeleiding aanwezig is, of in de nabijheid aanwezig is, en hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. 4.Het

inzake toelating naar aanleiding van afspraken met andere gemeenten over wederzijdse overdracht van cliënten inzake prioritering van doelgroepen bij de toegang tot beschermd wonen. Artikel4.7Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen 1.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening: als met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; als de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; als de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; als deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; indien er sprake is van voorzienbaarheid. 2.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie: als deze niet langdurig noodzakelijk is; als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Tilburg. 3.Het college verstrekt geen woonvoorziening: als de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; als het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingenbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college. Hoofdstuk5Persoonsgebonden budgetten Hulpmiddelen Artikel5.1Opbouw van tarief van persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen 1.Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst passende voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten en een eventueel verplichte WA-verzekering. 2.Bij hulpmiddelen wordt een onderscheid gemaakt tussen hulpmiddelen die binnen het kernassortiment vallen en hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen. Artikel5.2Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen binnen het kernassortiment 1.Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen, die binnen het kernassortiment van de gemeente Tilburg vallen, wordt per voorzieningencategorie vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening. 2.Deze bedragen zijn vastgelegd in bijlage 1. 3.Deze basisbedragen worden, indien van toepassing, verhoogd met een bedrag voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen. 4.De noodzaak voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt vastgesteld op basis van een (medisch) advies en/of het selectierapport van de voorziening. 5.Het persoonsgebonden budget voor maatwerk en/of modulaire aanpassingen wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(

  1. s)van de cliënt te toetsen. 6.De PGB-bedragen bedoeld in dit artikel onder lid 1 en lid 3 vormen tezamen het totale persoonsgebonden budget voor de voorziening. Artikel5.3Persoonsgebonden voor hulpmiddelen buiten het kernassortiment 1.Het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen die buiten het kernassortiment van de gemeente Tilburg vallen, wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte moet ook (indien van toepassing) een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(
  2. s)van de cliënt te toetsen. 2.Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder. Sportvoorziening Artikel5.4Persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening 1.Voor een sportvoorziening kan men in aanmerking komen als zonder deze voorziening sporten niet mogelijk is. 2.Voor een sportvoorziening wordt uitsluitend een gemaximeerd persoonsgebonden budget verstrekt. De hoogte is, ongeacht het inkomen, gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum van € 3.463,26. Tegelijk met de verstrekking van de aanschafkosten wordt een forfaitair bedrag verstrekt van € 770,03 waarmee voor een periode van drie jaar een sportvoorziening aangepast, verzekerd, gerepareerd en onderhouden dient te worden. De werkelijke kosten van de sportvoorziening worden bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. De offerte moet ook bevatten een indicatie voor de onderhouds- en reparatiekosten gedurende de afschrijvingsduur. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(
  3. s)van de cliënt te toetsen. Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde leverancier 3.Als de cliënt nog steeds gebruikt maakt van de sportvoorziening, kan aansluitend aan de in het tweede lid bedoelde periode van drie jaar, jaarlijks een forfaitair bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt worden van € 533,56 in de kosten van aanpassing, verzekering, onderhoud en reparatie van de sportvoorziening. Vervoersvoorzieningen Artikel5.5Persoonsgebonden budget voor vervoerskosten 1.Kan een persoon vanwege zijn specifieke situatie geen gebruik maken van het CVV (regiotaxi/regiovervoer), dan kan hij in aanmerking komen voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget om zelf in het vervoer te voorzien. De onderstaande bedragen zijn per kalenderjaar. voor gebruik van een (eigen) auto: € 465,00; voor gebruik van een taxi: € 465,00; voor gebruikskosten bruikleenauto € 285,00; 2.De tarieven (lid 1 sub a en
  4. b)zijn gebaseerd op de voorziening in natura (regiotaxi/regiovervoer) waarbij maximaal 1500 kilometer per (kalender)jaar gereisd mag worden en een kilometertarief van € 0,31 per kilometer. Het tarief onder lid 1 sub c is gebaseerd op een kilometertarief van € 0,19 per kilometer. 3.Indien een cliënt geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, regiotaxi niet mogelijk is en eigen vervoer niet beschikbaar is, en op geen enkele andere manier een goedkopere passende vervoersvoorziening gegeven kan worden, wordt aan de cliënt een persoonsgebonden budget verstrekt om met een reguliere (rolstoel)taxi te reizen. Dit bedrag wordt vastgesteld op grond van het feitelijke vervoerspatroon van de cliënt, maar met een maximum van 1500 kilometer tegen een bedrag dat met het taxibedrijf wordt afgesproken, maar maximaal het goedkoopste tarief van de reguliere (rolstoel)taxi. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(
  5. s)van de cliënt te toetsen. Artikel5.6Persoonsgebonden budget voor weekendvervoer 1.Onder weekendvervoer wordt verstaan het vervoer van de instelling waar de cliënt woont naar het adres waar de te bezoeken relatie (bijv. ouder, broer) woonachtig is en vice versa. 2.Vervoer vanuit het woonadres van de relatie waar de cliënt gedurende het weekend verblijft wordt niet vergoed. 3.Het aantal bezoeken wordt in overleg met de cliënt en/of diens vertegenwoordiger bepaald. Per kalenderjaar wordt voor maximaal 26 bezoeken aan het weekendadres een persoonsgebonden budget verstrekt. 4.Per weekend wordt maximaal 2 maal de afstand tussen de instelling en het te bezoeken adres en de afstand van het te bezoeken adres terug naar de instelling vergoed. 5.De gemeente bepaalt de afstand van de instelling naar het te bezoeken adres met behulp van de ANWB-routeplanner. 6.Voor vergoeding komen alleen in aanmerking kilometers die binnen Nederland worden gereden. 7.De kilometerprijs bedraagt € 0,19 per kilometer. 8.De vergoeding per kalenderjaar is beperkt tot maximaal het bedrag dat verstrekt wordt op grond van artikel 5.5 lid 1 sub a van deze verordening. 9.Het persoonsgebonden budget wordt door de gemeente maandelijks uitbetaald. Na afloop van het kalenderjaar vindt middels een steekproef controle plaats op het gebruik van de voorziening. Artikel5.7Tarieven voor cliënt met een toekenning voor vervoerskosten op grond van de Wmo 2007 (vóór 1 januari 2015). Voor cliënten aan wie een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor vervoer is toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 blijven de bedragen zoals toegekend van toepassing voor de duur dat de beschikking is afgegeven. De tarieven worden geïndexeerd zoals beschreven in artikel 5.30. Artikel5.8Persoonsgebonden budget voor een gehandicapten parkeerkaart / kosten parkeerplaats 1.Als een cliënt niet of onvoldoende gecompenseerd wordt met collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi/regiovervoer) en het gebruik van een auto wel voldoende compensatie biedt, kan hij, als een gehandicaptenparkeerkaart voor hem noodzakelijk is, in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor de kosten van een invalidenparkeerkaart en de kosten van de noodzakelijke medische keuring. 2.Als een cliënt niet of onvoldoende gecompenseerd wordt met collectief vraagafhankelijk vervoer en het gebruik van een auto wel voldoende compensatie biedt, kan hij, als een gehandicaptenparkeerplaats voor hem noodzakelijk is, in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget in verband met de aanleg van die parkeerplaats. De hoogte van het persoonsgebonden budget is gelijk aan de kosten die de gemeente in rekening brengt voor het aanleggen van de parkeerplaats. Artikel5.9Persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing 1.Het persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing wordt bepaald op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. De offerte moet ook (indien van toepassing) een indicatie voor de onderhoudskosten gedurende de afschrijvingsduur bevatten. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(
  6. s)van de cliënt te toetsen. 2.Indien een geschikt middel verkrijgbaar is bij een gecontracteerde leverancier kan het persoonsgebonden budget nooit hoger zijn dan de kosten die het college kwijt zou zijn bij deze gecontracteerde aanbieder. Woonvoorzieningen Artikel5.10Persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen 1.Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Het college zal de cliënt verzoeken om één of twee offertes op te vragen. Het college kan ook zelf nog een offerte opvragen om de offerte(
  7. s)van de cliënt te toetsen. 2.Het is mogelijk een persoonsbonden budget te krijgen voor de kosten van het aanbouwen of uitbreiden van een vertrek bij een bestaande woning of de extra bouwkosten bij een nieuw te bouwen woning. Voor de berekening van het persoonsgebonden budget wordt als richtlijn genomen een aantal extra m2 (conform de aanvullende criteria in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg), vermenigvuldigd met de verdiepingshoogte, met een maximum van 3.00m. De grondprijs wordt bepaald op grond van het "Kader Grondprijzen" dat jaarlijks door de gemeenteraad wordt vastgesteld Artikel5.11Persoonsgebonden budget voor verhuis-en inrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning 1.Een persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten De hoofdbewoner van een woonruimte kan een gemaximeerd persoonsgebonden budget voor verhuis- en inrichtingskosten ontvangen van € 2.458,00. Een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een gehandicapte een aangepaste woonruimte ontruimt, komt in aanmerking voor een gemaximeerd persoonsgebonden budget van € 4.497,64. 2.Een persoonsgebonden budget voor het bezoekbaar maken Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken bedraagt € 6.452,40. Artikel5.12Persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van niet bouwkundige of technische aard Indien de bedoelde voorziening een woningsanering betreft, die noodzakelijk is in verband met cara en/of allergische aandoeningen, of de vervanging van tapijt dat niet geschikt is voor rolstoelgebruik, worden de maximale vergoedingsbedragen berekend op de wijze als aangegeven onder a en b. Voor gordijnen en vloerbedekking worden de volgende normbedragen per vierkante meter gehanteerd: Overgordijnen woonkamer € 40,47 per m2 raamoppervlak Overgordijnen slaapkamer € 28,99 per m2 raamoppervlak Vitrage woon- en slaapkamer € 26,65 per m2 raamoppervlak Vloerbedekking woonkamer € 21,60 per m2 vloeroppervlak Vloerbedekking slaapkamer € 19,06 per m2 vloeroppervlak Bij het bepalen van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking in een periode van 8 jaar, op de volgende wijze: Leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100 % van het normbedrag; Leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75 % van het normbedrag; Leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50 % van het normbedrag; Leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25 % van het normbedrag; Ouder dan 8 jaar: geen vergoeding meer omdat de artikelen economisch zijn afgeschreven Reparatie/keuring/onderhoud Artikel5.13Persoonsgebonden budget voor reparatie en onderhoud van hulpmiddelen 1.Het persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie van hulpmiddelen is een vast bedrag op jaarbasis. 2.De vaste bedragen zijn opgenomen in bijlage 1. 3.Het persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie wordt jaarlijks uitgekeerd. Artikel5.14Persoonsgebonden budget voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen 1.Ten aanzien van de onder lid 2 genoemde voorzieningen komen de werkelijk gemaakte kosten voor reparatie in aanmerking voor vergoeding alsmede de kosten van de wettelijke verplichte keuringen en de onderhoudskosten (1 maal per jaar) in aanmerking voor vergoeding. De hoogte van het persoonsgebonden budget is dan gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten 2.Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de volgende voorzieningen; elektromechanisch openings- en sluitingsmechanisme van deuren; stoelliften, rolstoel- of sta plateauliften, woonhuisliften, hefplateauliften en balansliften. Dienstverlening Artikel5.15Persoonsgebonden budgetten voor diensten 1.Het persoonsgebonden budget voor diensten is afgeleid van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd bij verstrekking in natura. 2.Er is sprake van gedifferentieerde tariefstelling. We maken onderscheid tussen professionele zorgverleners en informele zorgverleners (informele zorgverleners kunnen uitsluitend worden ingezet voor begeleiding en hulp bij het huishouden). Een pgb-houder die professionele zorgverleners inschakelt kan het maximale pgb-tarief ontvangen. Het maximale pgb-tarief voor deze professionele zorgverleners is bepaald op 85% van de prijs van zorg in natura. Ook bij inschakeling door de pgb-houder van iemand uit zijn sociale netwerk geldt een korting op het pgb-tarief. Voor een zorgverlener uit het sociale netwerk is het maximale tarief voor informele zorgverleners bepaald op 125% van het minimumloon. Verderop in dit hoofdstuk zijn de maximale pgb-bedragen per categorie opgenomen. 3.Onder een professionele zorgverlener verstaan we een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a,b, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg die meerdere personeelsleden in dienst heeft of die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel. In artikel 5.18 staan de eisen waaraan een professionele aanbieder moet voldoen om voor het hoge tarief in aanmerking te komen. 4.Informele zorgverleners uit het eigen sociale netwerk en overige niet-gekwalificeerde zorgverleners ontvangen het tarief voor informele zorg. Bij vaststelling of er sprake is van een formeel (geleverd door zorgaanbieder) of informeel (geleverd door informeel zorgverlener) tarief, geldt dat 1e, 2e & 3e graads familiebanden voorgaan op de kwalificatie. 5.Indien een cliënt een persoonsgebonden budget wil verzilveren bij een door de gemeente Tilburg gecontracteerde aanbieder (Zorg in Natura) wordt het pgb budget gelijkgesteld aan het tarief dat de aanbieder bij Zorg in Natura zou ontvangen (ongeacht het aantal uren of dagdelen begeleiding dat nodig is voor het te behalen resultaat). Dit is conform de contractuele afspraken die met de aanbieders voor Zorg in Natura zijn gemaakt. Huishoudelijke Hulp Artikel5.16Persoonsbonden budget voor maatwerkvoorzieningen Hulp bij het huishouden 1.Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van het aantal benodigde uren/minuten vermenigvuldigd met het geldende tarief. 2.De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden gaat uit van een modulair systeem met drie onderdelen. Voor het bepalen van het aantal benodigde uren/minuten word gebruik gemaakt van het blokkenschema uit bijlage 3. 3.Het is aan de cliënt om samen met de zorgverlener afspraken te maken over het tarief per uur.De hoogte van het tarief hoeft niet te corresponderen met het tarief zoals verder in dit artikel beschreven. 4.Het is toegestaan om een lager tarief met de zorgverlener af te spreken mits dit tarief niet lager is dan het geldende minimumloon. 5.De toegangsprofessional beoordeelt op basis van het budgetplan of het resultaat zoals beschreven in het plan van aanpak, met het voorstel van de cliënt en zijn zorgverlener, redelijkerwijs kan worden behaald. Indien de toegangsprofessional van mening is dat het resultaat niet kan worden behaald, wordt het budgetplan afgewezen. 6.Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van het aantal benodigde uren/minuten is het budgetplan leidend. 7.Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget moet er sprake zijn van boven gebruikelijke zorg. 8.Het tarief voor het persoonsgebonden budget is € 16,48 per uur bij de maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden en is afgeleid van de Regeling "Particuliere dienstverlening aan Huis". Begeleiding individueel/dagbesteding/ kortdurend verblijf/persoonlijke verzorging Artikel5.17Persoonsgebonden budget voor begeleiding individueel, dagbesteding, kortdurend verblijf en/of persoonlijke verzorging 1.Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van het aantal benodigde uren/dagdelen vermenigvuldigd met het geldende tarief. 2.Het is aan de cliënt om samen met de zorgverlener afspraken te maken over het tarief per uur, dagdeel of etmaal en dit op te nemen in het budgetplan. De hoogte van het tarief hoeft niet te corresponderen met de tarieven zoals verder in dit hoofdstuk beschreven. 3.Het is toegestaan om een lager tarief met de zorgverlener af te spreken mits dit tarief niet lager is dan het geldende minimumloon. 4.Het is toegestaan om een hoger tarief met de zorgverlener af te spreken mits de resultaten zoals beschreven in het plan van aanpak worden behaald. Het afspreken van een hoger tarief dan de tarieven in dit hoofdstuk beschreven zal nooit leiden tot een verhoging van het persoonsgebonden budget of het toekennen van meer dagdelen of uren tegen dit hogere tarief. 5.De toegangsprofessional beoordeelt op basis van het budgetplan of het resultaat zoals beschreven in het plan van aanpak, met het voorstel van de cliënt en zijn zorgverlener, redelijkerwijs kan worden behaald. Indien de toegangsprofessional van mening is dat het resultaat niet kan worden behaald, wordt het budgetplan afgewezen. 6.Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van het aantal benodigde uren/dagdelen is het budgetplan leidend. 7.Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget moet er sprake zijn van boven gebruikelijke zorg 8.Er kan alleen een persoonsgebonden budget worden toegekend voor begeleiding indien de zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg. Voldoet de beoogd zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen dan wordt het persoonsgebonden budget niet verstrekt. De cliënt kan dan kiezen voor een andere pgb aanbieder of voor zorg in natura. Artikel5.18eisen ten aanzien van de zorgverlening 1.Om goede kwaliteit van zorgverlening te kunnen waarborgen stellen we eisen aan de kwaliteit van zorg(aanbieders). 2.Voor álle zorgverleners gelden de eisen zoals opgenomen in bijlage 4. Alleen indien aan deze eisen wordt voldaan kan zorg worden ingekocht bij de betreffende aanbieder/zorgverlener. 3.Alleen voor professionele zorgverleners die voldoen aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 5 kan het tarief voor een professionele zorgverlener worden toegekend. Zorgverleners die niet voldoen aan deze eisen ontvangen het tarief van de informeel zorgverlener. 4.Het

Artikel5

.19Tarieven voor begeleiding 1.€ 62,23 per uur indien geleverd door een professionele zorgverlener 2.€ 16,48 per uur indien geleverd door een informeel zorgverlener Artikel5.20Tarieven voor dagbesteding 1.€ 28,03 per dagdeel indien geleverd door een professionele zorgverlener 2.€ 8,24 per dagdeel indien geleverd door een informeel zorgverlener 3.De tarieven genoemd in lid 1 en lid 2 worden verhoogd met een bedrag van € 8,90 per dag als is vastgesteld dat vervoer van en naar de locatie van de dagbesteding noodzakelijk is. 4.De tarieven genoemd in lid 1 en lid 2 worden verhoogd met een bedrag van € 33,80 per dag als is vastgesteld dat rolstoelvervoer van en naar de locatie van de dagbesteding noodzakelijk is. Artikel5.21Logeeropvang op locatie met overnachting) 1.€ 94,25 per etmaal (inclusief locatiekosten en 5 uur begeleiding) 2.€ 124,45 per etmaal (inclusief locatiekosten en 9 uur begeleiding) 3.€ 154,65 per etmaal (inclusief locatiekosten en 13 uur begeleiding) De bovenstaande tarieven zijn gebaseerd op opvang in een groep en gebaseerd op de daadwerkelijke aanwezigheid van begeleiding gedurende het verblijf. Voor locatiekosten is een bedrag van € 56,50 meegenomen in de bovenstaande tarieven en € 7,55 per uur voor begeleiding. Beschermd wonen Artikel5.22Persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen 1.Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van de soort benodigde zorg. De toegangsprofessional bepaalt welk soort zorg nodig is. 2.Het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is uitsluitend in te zetten bij een professionele zorgaanbieder. 3.Een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is altijd exclusief de kosten voor huisvesting. 4.Er kan alleen een persoonsgebonden budget worden toegekend voor beschermd wonen indien de zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg. Voldoet de beoogd zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen dan wordt het persoonsgebonden budget niet verstrekt. De cliënt kan dan kiezen voor een andere pgb aanbieder of voor zorg in natura. 5.Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van de soort zorg is het budgetplan leidend. 6.De tarieven zijn ingedeeld in arrangementen. De omschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 2 van deze verordening. Artikel5.23Tarieven voor Beschermd Wonen 1.Arrangement 1 (Begeleid (zelfstandig) wonen): € 417,62 per week (€ 59,66 per etmaal) 2.Arrangement 2 (Ondersteund wonen 1): € 626,43 per week (€ 89,49 per etmaal) 3.Arrangement 3 (Ondersteund wonen 2): € 835,24 per week (€ 119,32 per etmaal) 4.Arrangement 4: (Beschermd Wonen) : € 1.044,05 per week (€ 149,15 per etmaal) Indexatie Artikel5.24Indexering van tarieven Jaarlijks per 1 januari vindt indexering plaats van de door de gemeente verstrekte maatwerkvoorzieningen als volgt: Persoonsgebonden budget voor dienstverlening: aangesloten wordt bij de prijs die de gemeente betaald voor de voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het PGB niet verhoogd. De overige persoonsgebonden budgetten worden verhoogd met de Consumenten Prijsindex (CPI). Dit CPI-percentage baseren we op de "nominale ontwikkelingen t.b.v. actualisering" die het Rijk verstrekt in maart van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden. De persoonsgebonden budgetten voor informele zorg zijn gebaseerd op de Wet minimumloon (Wml). Wij indexeren deze bedragen jaarlijks uitgaande van het indexeringspercentage van de Wml van 1 juli van het voorafgaande jaar. Er is een overgangsregeling voor de bestaande cliënten die gebruik maken van het pgb informeel begeleiding en informeel Hulp aan Huis. Dit houdt in dat voor hen de huidige pgb tarieven voor informele zorg blijven gelden tot afloop van de huidige indicatie, in ieder geval tot 1 januari 2023. Hoofdstuk6Bijdragen Artikel6.1Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb is verstrekt. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan te hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. In afwijking van het eerste en tweede lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer/regiotaxi) ter hoogte van; Een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op het niveau van het in de regio geldende standaardtarief van openbaar vervoer, of in afwijking daarvan; Een opstaptarief en een bijdrage per kilometer met een hoger tarief zodra de cliënt zijn jaarlijks te gebruiken kilometerbudget heeft verbruikt; De bedragen, zoals bedoeld in lid 5 sub a, worden jaarlijks vastgesteld door de Provincie Noord-Brabant & de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant Voor het verstrekken van een Regiovervoerspas wordt éénmaal per vijf jaar een vergoeding op het niveau van de kosten van een OV chipkaart in rekening gebracht door Regiovervoer Midden-Brabant Voor ritten, zoals bedoeld in lid 3, is tijdens de door de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant vastgestelde piektijden het tarief per rit gelijk aan het vrije reizigerstarief van Regiovervoer. De bedragen, zoals bedoeld in lid 3 lid b, worden jaarlijks vastgesteld door de Stuurgroep Regiovervoer Midden Brabant. Het college stelt nadere regels De kostprijs van een: maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (eigendom, huur of bruikleen). Persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget. Hoofdstuk7Toezicht en handhaving Artikel7.1Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1.Het college informeert cliënten of vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorzieningen of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. 3.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening is aangewezen; de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening verbonden voorwaarden, of de cliënt de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt. 4.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, algemene voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6.Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. 7.Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. 8.Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wmo2015 verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Artikel7.2Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e van de wet. Artikel7.3Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel7.4Tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude Het college treft de nodige maatregelen om oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen tegen te gaan en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: Het college zoekt waar mogelijk de samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; Het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie hebben met de gemeente Tilburg onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente Tilburg; Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; Het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen; Het

. Hoofdstuk8Kwaliteit en Klachten Artikel8.1Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning en erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, er op toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Het

over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen (waaronder persoonsgebonden budgetten), eisen met betrekking tot deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen Artikel8.2Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel8.3Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende instantie aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende instantie. 3.De toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel8.4Klachtregeling 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden. Artikel8.5Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden. Hoofdstuk9Inspraak Artikel9.1Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk10Privacy Artikel10.1Privacyprotocol Op de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening is het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing. Hoofdstuk11Slotbepalingen Artikel11.1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt of mantelzorger afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel11.2Voorwaarden Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening. Artikel11.3Besluit en Beleidsregels Het college stelt een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels vast. Hierin neemt het nadere regels op over de uitvoering van deze verordening, over de omvang van verstrekkingen en over de omvang van de eigen bijdrage. Artikel11.4Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende bedragen indexeren. In deze verordening en in het Besluit Maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg is opgenomen voor welke bedragen dit geldt, welk prijsindexcijfer gehanteerd wordt en over welke periode van 12 maanden de index berekend wordt. Artikel11.5Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2022 wordt ingetrokken. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3.Meldingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2023 onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 5.Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2022, geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. 6.Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel11.6Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari

  1. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2023 (Verordening MO Tilburg 2023). Toelichting op de verordening Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg
  2. Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo en het daarop gebaseerde Besluit is een groot aantal definities opgenomen. Voor de leesbaarheid is een selectie hiervan opgenomen in de begripsbepalingen van de verordening. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt richt zich op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep(december 2019), de volgende criteria een rol spelen. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Bijdrage in de kosten Bijdrage in de kosten van een algemene of maatwerkvoorziening (m.u.v. onafhankelijke cliëntondersteuning). Voorheen werd dit eigen bijdrage of eigen aandeel genoemd. In hoofdstuk 5 wordt dit nader uitgewerkt. Budgetplan In het budgetplan beschrijft de cliënt, samen met de beoogd zorgverlener, hoe hij het persoonsgebonden budget wil besteden. De basis voor dit plan is het gesprek dat de cliënt heeft gehad met de Toegangsprofessional en het plan van Aanpak dat is opgesteld. In het plan van aanpak staat ook beschreven wat de cliënt met deze ondersteuning concreet moet bereiken. Het ingevulde budgetplan wordt beoordeeld door de Toegangsprofessional. College College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg Gebruikelijke hulp/zorg Hulp of zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gesprek Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. Melding Iedereen kan zich melden met een hulpvraag. Door het melden maakt men de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien de ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, in te stellen. Persoonlijk plan In het plan kan de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst beschrijven. Artikel 1.2 Doelgroep Deze verordening kent twee doelgroepen. Allereerst cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie. Om hiervoor in aanmerking te komen, dient de cliënt ingezetene te zijn van de gemeente Tilburg. We gaan hierbij uit van de inschrijving in de Basis registratie personen (Brp). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen in aanmerking te komen moet men in ieder geval ingezetene zijn van Nederland, maar niet per se van de gemeente Tilburg. Mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeente Tilburg. Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding en vooronderzoek In dit artikel is opgenomen dat een hulpvraag schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college kan worden gedaan. Dit kan zowel op het gemeentelijk LoketZ als bij één van de partners van de gemeente die gezamenlijk de Tilburgse Toegang vormen. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In lid 2 is opgenomen dat het college de ontvangst van de melding registreert (tijdstip van melding) en schriftelijk bevestigt. Tevens wordt de cliënt geïnformeerd over de vervolgprocedure en diens rechten en plichten, zoals het maken van een afspraak voor het gesprek, de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. De cliënt mag zich tijdens het onderzoek laten bij bijstaan door iemand uit zijn eigen netwerk of een cliëntondersteuner. Het gebruik van een cliëntondersteuner is altijd gratis. In lid 3 is opgenomen dat in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.
  3. van de wet het college na ontvangst van de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening treft in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Met onverwijld bedoelen wij binnen maximaal 3 werkdagen. In lid 5 is opgenomen dat het college alle gegevens verzamelt die door het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, toegankelijk en van belang zijn over de cliënt en zijn situatie. Er wordt zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek. Lid 6 bepaalt dat de cliënt voor het gesprek alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen aan het college moet overhandigen. In ieder geval verstrekt de cliënt een identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. In lid 7 is opgenomen dat de cliënt de mogelijkheid heeft een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op stellen. In dit plan kan de cliënt aangeven op welke wijze hij vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Dit draagt bij aan de mate van eigen regie door de cliënt. Indien de cliënt zo'n persoonlijk plan wil indienen, dient hij dit uiterlijk 7 dagen na de melding te overhandigen aan het college. Artikel 2.2 Gesprek In dit artikel is opgenomen dat het college in een gesprek onderzoek doet. Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 vierde lid de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Het gesprek wordt gevoerd namens het college door professionals. Het uitgangspunt hierbij is dat het (eerste) gesprek bij de cliënt thuis zal plaatsvinden. Op verzoek van de cliënt kan het gesprek ook op een andere locatie plaatsvinden. In lid 2 is opgenomen dat bij een aanvraag voor een persoonsgebonden budget waarbij er sprake is van een gemachtigde/vertegenwoordiger deze bij de aanvraag kan worden betrokken. Deze gemachtigde/vertegenwoordiger mag echter niet de (beoogd) zorgaanbieder zijn of medewerker van de (beoogd) zorgaanbieder zijn. Om het onderzoek behorende bij de Wmo goed te kunnen uitvoeren is het van belang eerst samen met de cliënt zelf en een eventuele (onafhankelijke) vertegenwoordiger te onderzoeken welke voorziening noodzakelijk is en of de cliënt en of deze vertegenwoordiger in voldoende mate in staat is de taken die horen bij het PGB te kunnen uitvoeren alvorens de (beoogd) zorgaanbieder hierbij te betrekken. In lid 3 is opgenomen dat indien de cliënt een persoonlijk plan heeft overhandigd dit wordt betrokken bij het onderzoek. In lid 4 is bepaald dat het college de cliënt informeert over de gang van zaken tijdens het gesprek, dienst rechten en plichten, uitleg geeft over de vervolgprocedure en hem vraagt om toestemming te geven voor het verwerken van zijn persoonsgegevens. Lid 5 bepaalt dat voor het inwinnen van informatie bij derden (bijvoorbeeld hulp- of zorgverleners) een toestemmingsverklaring wordt ondertekend. Lid 6 bepaalt dat indien de cliënt genoegzaam bekend is het college met de cliënt kan besluiten af te zien van het onderzoek zoals bedoeld in de wet. De cliënt kan dan middels een aanvraagformulier een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek Het college draagt zorg voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek (plan van aanpak) en verstrekt dit binnen 10 werkdagen aan de cliënt. De weergave van het onderzoek bevat tevens een verslag van het gesprek. Dit is een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. In lid 3 is opgenomen dat de cliënt het verslag tekent voor gezien of akkoord. Indien hij uitsluitend tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven waarom hij niet akkoord is. De cliënt draagt er zorg voor dat het getekende exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie hij het gesprek heeft gevoerd. Ondertekening (voor gezien dan wel akkoord) kan tevens plaatsvinden via een berichtgeving aan het college door cliënt per mail. In lid 5 is opgenomen dat indien de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening hij dit kan aangeven op het door hem ondertekende verslag. Dit verslag dient dan tevens als aanvraag. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 zijn de termijnen afwijkend geregeld ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Na ontvangst van de melding dient er binnen maximaal zes weken een onderzoek plaats te vinden. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is afgerond tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding. Na ontvangst van een aanvraag heeft het college twee weken de tijd om een beschikking af te geven. Indien er conform artikel 2.2 lid 6 wordt afgezien van een onderzoek kan de cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger een aanvraag schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Lid 3 bepaalt dat ook een ondertekend verslag van het onderzoek kan dienen als aanvraag indien de cliënt op het verslag heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding, dagbesteding en persoonlijke verzorging zorg in natura De Toegangsprofessional onderzoekt of er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding. Als uit het onderzoek blijkt dat hier een noodzaak voor bestaat, wordt de cliënt overgedragen aan de gecontracteerde partij (Consortium). De gecontracteerde partij bepaalt de aard en omvang van de benodigde begeleiding. Samen met de cliënt wordt gekeken welke aanbieder het beste bij de problematiek van de cliënt past. De uitkomsten van het onderzoek wordt vastgelegd in een Plan van Aanpak. Deze vormt tevens de beschikking (er volgt geen separate beschikking meer). In het Besluit en de Beleidsregels kan het college deze procedure nader uitwerken. Artikel 2.6 Aanvraag maatwerkvoorziening Beschermd Wonen De Toegangsprofessional onderzoekt of er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen. Als uit het onderzoek blijkt dat hier een noodzaak voor bestaat, wordt de cliënt overgedragen aan de gecontracteerde partij (Consortium). De gecontracteerde partij bepaalt de aard en omvang van Beschermd Wonen. Samen met de cliënt wordt gekeken welke aanbieder het beste bij de problematiek van de cliënt past. De uitkomsten van het onderzoek wordt vastgelegd in een Plan van Aanpak. Deze vormt tevens de beschikking (er volgt geen separate beschikking meer). In het Besluit en de Beleidsregels kan het college deze procedure nader uitwerken. Artikel 2.7 Aanvraag persoonsgebonden budget Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te kiezen tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget. Indien de cliënt kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een motivering kunnen geven, zoals bedoeld in artikel 2.3.6 tweede lid onder b van de wet. Door de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Ook moet hij vooraf inzicht geven in hoe de besteding van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het budget. Met sub c bedoelen we bij een materiele zaak bijvoorbeeld technische eisen van bijvoorbeeld een traplift of scootermobiel. Bij een dienst gaan we uit van het budgetplan waarin staat opgenomen hoe, door wie en in welke vorm de dienst wordt verleend. Artikel 2.8 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding, dagbesteding en persoonlijke verzorging in de vorm van persoonsgebonden budget Indien er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding, kan een cliënt hiervoor een persoonsgebonden budget ontvangen. Een belangrijke voorwaarde om hiervoor in aanmerking te komen is dat de cliënt of diens vertegenwoordiger voldoende in staat is om alle taken die horen bij een persoonsgebonden budget in voldoende mate kan uitvoeren. Dit wordt ook wel regievaardigheid genoemd. Daarnaast stellen we ook (kwaliteitseisen) aan de zorgverlener. Om de hoogte van het persoonsgebonden budget te kunnen bepalen is het nodig om weten wat de zorgomvang is (aard en omvang van de voorziening) en welke resultaten hiermee behaald moeten worden. De gecontracteerde partij voor Zorg in Natura (het Consortium) kan om een expertadvies worden gevraagd voor de bepaling hiervan (het aantal benodigde uren/dagdelen of etmalen). De cliënt en de (beoogd) zorgaanbieder maken vervolgens samen een budgetplan waarin wordt beschreven hoe ze het budget gaan besteden om de doelen te kunnen behalen. De Toegangsprofessional beoordeelt of het ingediende plan voldoende is om de doelen te kunnen behalen. Artikel 2.9 Aanvraag maatwerkvoorziening Beschermd Wonen in de vorm van een persoonsgebonden budget Indien er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van Beschermd Wonen, kan een cliënt hiervoor een persoonsgebonden budget ontvangen. Een belangrijke voorwaarde om hiervoor in aanmerking te komen, is dat de cliënt of diens vertegenwoordiger voldoende in staat is om alle taken die horen bij een persoonsgebonden budget in voldoende mate kan uitvoeren. Dit wordt ook wel regievaardigheid genoemd. Daarnaast stellen we ook (kwaliteitseisen) aan de zorgverlener. Om de hoogte van het persoonsgebonden budget te kunnen bepalen is het nodig om weten wat de zorgomvang is (aard en omvang van de voorziening) en welke resultaten hiermee behaald moeten worden. De gecontracteerde partij voor Zorg in Natura (het Consortium) kan om een expertadvies worden gevraagd voor de bepaling hiervan.. De cliënt en de (beoogd) zorgaanbieder maken vervolgens samen een (budget)plan waarin wordt beschreven hoe ze het budget gaan besteden om de doelen te kunnen behalen. De Toegangsprofessional beoordeelt of het ingediende plan voldoende is om de doelen te kunnen behalen. Artikel 2.10 Inhoud beschikking In dit artikel is opgenomen welke elementen worden opgenomen in de beschikking. In de beschikking staat de informatie die voor de cliënt nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Voor Begeleiding en Beschermd Wonen vormt het Plan van Aanpak de beschikking. Het is mogelijk (via de reguliere procedure) hier bezwaar tegen te maken. De afhandeling van bezwaarzaken wordt uitgevoerd door de afdeling Juridische Zaken van de gemeente Tilburg. Artikel 2.11 Advisering Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemene voorziening Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang. De beperkte toegangsbeoordeling van de algemene voorziening zal voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening. Het college kan de regels voor bepaalde algemene voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels. Artikel 3.2 Waardering voor mantelzorgers Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De woonplaats van de cliënt is bepalend, het kan dus ook mantelzorgers betreffen die in andere gemeenten wonen. Het gaat hierbij ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van de wet uitgekomen. Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Criteria voor maatwerkvoorzieningen In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In dit artikel van de verordening zijn de algemene criteria opgenomen, in de volgende artikelen uit dit hoofdstuk zijn meer specifieke criteria opgenomen per productgroep. Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen komt het neer op het leveren van maatwerk. Het is daardoor niet mogelijk en wenselijk om in de verordening limitatief te regelen welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. In lid 4 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan wordt, moge duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Ook bij maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is het begrip goedkoopst compenserend van toepassing. Indien bijvoorbeeld de kosten van het te leveren aantal uren begeleiding de vastgestelde tarieven voor Beschermd Wonen (een zwaardere ondersteuningsvorm) overstijgt, kan het persoonsgebonden budget voor begeleiding worden gemaximeerd tot het niveau van de kostprijs van Beschermd Wonen. Artikel 4.2 Regels voor pgb In dit artikel is opgenomen dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt in overeenstemming met de wet. Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt dit wenst en hier gemotiveerd om vraagt. Door deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Een persoonsgebonden budget is bedoeld voor cliënten met een specifieke zorgbehoefte waarbij het Zorg in Natura aanbod niet voldoende passend is en nadrukkelijk geen alternatieve financieringsstroom voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders. In lid 2 is opgenomen dat het in beginsel niet mogelijk is om kosten achteraf te declareren. Lid 3 bepaalt de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Het tarief van het pgb is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden en is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal de hoogte van de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd zal worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Er zijn verschillende tarieven voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Er wordt rekening worden gehouden met onder andere de rechtsvorm van de dienstverleners. Tevens wordt in nadere regels verder uitgewerkt onder welke voorwaarden een cliënt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Uitgangspunt is hierbij dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp/zorg overstijgt. In lid 11 is opgenomen dat het niet is toegestaan om een vast maandloon met de zorgaanbieder af te bespreken voor de voorzieningen uit artikel 5.16 (Hulp bij het Huishouden) en artikel 5.17 (begeleiding individueel, dagbesteding, kortdurend verblijf of persoonlijke verzorging). Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgaanbieder in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgaanbieder vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Wij vinden een dergelijke afspraak niet wenselijk en staan deze daarom niet toe. Los van het feit dat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt, vinden wij het belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn. Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijk geschikt te maken woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning. Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk rekening gehouden worden met de behoeften van de cliënt. Dat wil zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen In dit artikel is bepaald dat bij vervoersvoorzieningen een aanwezige en bruikbare algemene voorziening (zoals een rolstoel of scootermobielpoule) een oplossing kan bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de cliënt uitgangspunt zijn voor de beoordeling welke voorziening nodig is om het te bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen maatwerkvoorzieningen voorkomen. De omvang van de te bieden compensatie zal over het algemeen liggen op 1500 kilometer per jaar. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden Dit artikel gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid die ouder zijn dan 18 jaar. Wanneer die in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt allereerst gekeken of dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten boven de 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dan, wanneer één van de huisgenoten uitvalt, via herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig (bijvoorbeeld militairen op uitzending) zijn, kan er aanleiding bestaan voor het verstrekken van een voorziening. Uiteraard bestaat er een noodzaak tot verstrekken van een voorziening als de huisgenoot zelf ook niet in staat is de bedoelde werkzaamheden te verrichten. Niet gewend zijn deze werkzaamheden te verrichten, is geen reden tot het verstrekken van een voorziening. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten kan hiertoe aanleiding zijn. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld worden. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen voor opvang of beschermd wonen. Indien blijkt dat beschermd wonen voor een cliënt noodzakelijk is, wordt er ook altijd beoordeeld wat voor deze cliënt de meest passende plek is. In lid 3 is uitgewerkt wanneer een cliënt in aanmerking komt voor beschermd wonen. Er moet sprake zijn van de in het artikel genoemde beperkingen en een noodzaak zijn om verslechtering van de huidige situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Een cliënt komt alleen in aanmerking voor beschermd wonen als de cliënt niet beschikt over alternatieven. Artikel 4.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen In lid 1 sub a wordt bepaald dat voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, er geen maatwerkvoorziening wordt toegekend. Lid 1 sub b is een herhaling van het algemene toetsingskader zoals deze in de wet centraal staat. Indien men op eigen kracht, met gebruikelijke hulp/zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen, bestaat er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening. Ook lid 1 sub c is een herhaling van het algemene toetsingskader van de wet. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Kan men gebruik maken van een algemene voorziening, dan bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. Lid 1 sub d gaat over algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij de begripsbepalingen is een nadere uitleg opgenomen over het begrip algemeen gebruikelijk voorziening. Indien een voorziening voor een persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. In lid 1 sub f is opgenomen dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. De maatwerkvoorziening is immers gericht op de individuele cliënt. Het past niet om generieke voorzieningen te treffen, daar zijn algemene voorzieningen meer geschikte instrumenten voor. In lid 1 sub g is opgenomen dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de noodzaak voor deze voorziening door de cliënt redelijkerwijs te voorzien was en de cliënt in redelijkheid te vergen mogelijkheden heeft/had om zelf voor een passende oplossing te zorgen . In lid 2 is opgenomen dat er geen voorziening wordt verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk is. Er worden alleen voorzieningen verstrekt als die voor langere tijd nodig zijn en tevens noodzakelijk zijn om de beperkingen op te heffen of te verminderen. Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten In dit hoofdstuk is de tariefstelling van de persoonsgebonden budgetten geregeld. Er zijn diverse soorten tarieven voor persoonsgebonden budgetten zoals voor hulpmiddelen (zoals bijvoorbeeld rolstoelen), voor vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen, maar ook voor begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf en beschermd wonen. De opbouw van de tarieven staat hier beschreven, maar ook de daadwerkelijke tarieven zijn opgesomd per voorzieningencategorie. Voor enkele voorzieningen wordt voor een nadere uitwerking verwezen naar bijlage 1,2,3, 4 &
  4. Hoofstuk 6 Bijdragen Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Dit artikel geeft uitvoering aan het artikel 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. Op maatwerkvoorzieningen is het abonnementstarief van toepassing. In het landelijke uitvoeringsbesluit is het tarief per maand opgenomen. In dit artikel is opgenomen voor welke voorzieningen het abonnementstarief van toepassing is en hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs. In het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen. Het CAK is verantwoordelijk voor de vaststelling en inning van de eigen bijdragen. Het college kan eventueel nadere regels stellen met betrekking tot de eigen bijdrage. Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 In dit artikel zijn regels opgenomen ter bestrijding van het onterecht ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit artikel is tevens van toepassing op de algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. Lid 1 Het is van belang dat cliënten zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een maatwerkvoorziening of een daaraan gekoppeld persoonsgebonden budget. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden of de medewerkingsverplichting. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de cliënt hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2 Deze bepaling berust mede op artikel 2.3.8 van de wet, waarin is vastgelegd dat de cliënt het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget. De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 2.3.8 ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op rechtmatige verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb. Lid 3 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening of algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening, kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij "wijzigen" gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is "herzien", wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. Lid 8 Deze bepaling ziet op het wettelijk mogen verwerken/gebruikmaken van (bijzondere) persoonsgegevens bij controle door de Toezichthouder Wmo. Ook vormt dit de grondslag om (controlerende) interventies en passende maatregelen te kunnen toepassen. Artikel 7.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget In dit artikel is geregeld dat het college aan de Sociale Verzekeringsbank kan verzoeken om de betalingen uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk op te schorten (voor maximaal 13 weken van betalingen) als er een ernstig vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid uit artikel 2.3.10 eerste lid, onder a, d of e. Het gaat dan om bijvoorbeeld niet voldoen aan de gestelde voorwaarden of het persoonsgebonden budget gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is toegekend. Artikel 7.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten Naast met het oog op de beoordeling van kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb's worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder. Artikel 7.4 Tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude Het college treft de nodige maatregelen om oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen tegen te gaan en fraude te bestrijden. Dit doet het college door samenwerkingen aan te gaan met organisaties die zich hier ook mee bezig houden. Ook verricht het college onderzoeken naar zorgverleners en maakt ze afspraken met aanbieders op bijvoorbeeld het gebied van facturatie. Hoofdstuk 8 Kwaliteit en klachten Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning In dit artikel zijn de kwaliteitseisen opgenomen voor aanbieders ten behoeve van een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundigheid van beroepskrachten. Het college kan tevens nadere regels stellen op het gebied van kwaliteit voor te verstrekken persoonsgebonden budgetten. Het college ziet toe op naleving van de eisen door periodieke overleggen, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien nodig het ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit voorzieningen door derden In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.
  5. van de wet, of een vaste prijs vaststelt, of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college en reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid is opgenomen dat bij het vaststellen van de prijs het college rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het derde lid bepaalt dat het college de vaste prijs of reële prijs minimaal moet baseren op de in het artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend, er kunnen elementen aan worden toegevoegd. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen, maar de bepaling van de hoogte van de reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen meldingen over incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het contractmanagement onderwerp van gesprek zijn. Artikel 8.4 Klachtregeling Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten met de aanbieder worden eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Artikel 8.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, opvang of beschermd wonen moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door het voeren van periodieke overleggen met de aanbieders en door een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Hoofdstuk 9 Inspraak Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In lid 1 wordt verwezen naar de door gemeente vastgestelde inspraakverordening ter waarborging van eenzelfde inspraakprocedure voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Hoofdstuk 10 Privacy Artikel 10.1 Privacyprotocol Het college heeft op 15 december 2015 een Privacyprotocol vastgesteld met betrekking tot de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens. Voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) is het vastleggen en verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk. Naast de regels die opgenomen in de wetgeving is ook het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze hardheidsclausule. Artikel 11.2 Voorwaarden In dit artikel wordt bepaald dat er aan het verstrekken van voorzieningen voorwaarden verbonden mogen worden. Artikel 11.3 Besluit en Beleidsregels In dit artikel wordt bepaald dat er een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels worden vastgesteld. Deze documenten bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening. Het besluit bevat onder andere de hoogte van eigen bijdrage in de kosten. Artikel 11.4 Indexering De tarieven en bijdragen uit deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg kunnen jaarlijks worden geïndexeerd. In deze verordening en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg staan de regels opgenomen op grond waarvan dit gebeurt. Artikel 11.5 Intrekkingen oude verordening en overgangsrecht De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de Wmo overgaan naar de Wmo 2015 (artikel 8.9). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. Bestaande rechten lopen door, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat meldingen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. De zelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid. Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd. De kortere vorm voor dagelijks gebruik is Verordening MO Tilburg
  6. Bijlage1Persoonsgebonden Budget voor hulpmiddelen die vallen onder het kernassortiment A B C D E F Hulpmiddel PGB in maanden PGB-bedrag hulpmiddel incl. BTW excl. aanpassingen Afschrijving per maand All-in onderhoud (vast tarief, gehele PGB periode, maximaal 60 resp. 84 mnd. Incl. BTW) Verzekering WA incl. assurantie-belasting 1 Rolstoelen incidenteel gebruik 84 € 813,34 € 9,68 € 488,01 2a Rolstoelen semi permanent 84 € 1.742,90 € 20,75 € 488,01 2b Kantel rolstoel permanent volwassen 84 € 2,904,82 € 34,59 € 488,01 3 Actieve rolstoelen 84 € 2,904,82 € 34,59 € 488,01 4 Elektrische rolstoelen volwassenen 84 € 8.133,51 € 96,82 € 2.440,05 € 60,39 5a Scootmobiel, meeneembaar, verkleinbaar 84 € 1.161,93 € 13,82 € 2.440,05 € 60,39 5b Scootmobiel, standaard 84 € 3.137,21 € 37,34 € 2.440,05 € 60,39 5c Scootmobiel, complex, extra geveerd 84 € 4.066,75 € 48,43 € 2.440,05 € 60,39 6a Speciale fietsen eenvoudig 84 € 2.323,85 € 27,68 € 488,01 6b Speciale fietsen met hulpmotor 84 € 4.880,10 € 58,11 € 2.464,29 7 Douche- en toiletstoelen verrijdbaar 84 € 871,45 € 10,37 n.v.t. 8a Hoepelondersteuning, Joystick 84 € 6.855,39 € 81,61 € 2.464,29 € 60,39 8b Duwondersteuning 84 € 3.253,40 € 38,73 € 2.464,29 € 60,39 9a Aankoppelbaar fietsdeel 84 € 3.253,40 € 38,73 € 488,01 9b Aankoppelbaar fietsdeel met ondersteuning 84 € 3.839,39 € 48,43 € 2.464,29 € 60,39* * alleen indien een verzekering voor aansprakelijkheid wettelijk is verplicht Bijlage2Toelichting arrangementen en modules Beschermd Wonen in persoonsgebonden budget Beschermd wonen is onderverdeeld in arrangementen en modules. In deze bijlage zijn de omschrijvingen opgenomen van de arrangementen en modules behorend bij artikel 4.6 lid 3 en 4 juncto artikel 5.23 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg
  7. Deze bijlage heeft uitsluitend betrekking op Beschermd Wonen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Algemeen Wonen in een accommodatie (zelfstandig of binnen een instelling) waarmee een veilige leefomgeving wordt geboden met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en sociaal functioneren, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. Bestemd voor personen met beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en/of beperkt intellectueel functioneren (al dan niet in combinatie met gedragsproblemen, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap en/of verslavingskenmerken), die (tijdelijk) niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Bij de keuze voor een passend arrangement geldt het principe 'zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig'. Begeleid (Zelfstandig) Wonen Ondersteund wonen 1 (in of excl. huisvesting) Ondersteund wonen 2 (in of excl. huisvesting) Beschermd Wonen Omschrijving Een vorm van lichte tot matige ondersteuning voor cliënten die over (eigen) huisvesting beschikken (eventueel samen met anderen). Begeleiding vindt plaats op afgesproken tijden (cfm het ondersteuningsplan). Daarnaast kan op verzoek van de cliënt ondersteuning van een zorgprofessional (7x24 uur) worden ingeroepen. In het algemeen is de fysieke opvolging uitstelbaar tot de geplande contactmomenten, danwel is begeleiding op afstand voldoende. Een vorm van matige tot intensieve ondersteuning, waarbij de aanbieder voorziet in 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid in een woon-accommodatie [1]. Begeleiding is dagelijks aanwezig en in de nabijheid van de locatie beschikbaar (24-uurs bereikbaar, en indien nodig binnen 15 - 30 minuten aanwezig) in verband met de combinatie tussen on-planbaarheid (overdag en 's nachts) en ondersteuning die voorziet in overname van taken indien nodig. Een vorm van intensieve ondersteuning, waarbij de aanbieder voorziet in 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid in een woon-accommodatie. Begeleiding is dagelijks aanwezig en in de nabijheid van de locatie beschikbaar (24-uurs bereikbaar en indien nodig binnen 15-30 minuten aanwezig) in verband met de combinatie tussen on-planbaarheid (overdag en 's nachts) en ondersteuning die voorziet in overname van taken indien nodig. Een vorm van (zeer) intensieve zorg en begeleiding, waarbij de aanbieder voorziet in 24-uurs aanwezigheid in een woonaccommodatie [2]. Begeleiding is 24-uur per dag aanwezig, omdat voortdurende ondersteu

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.