Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2023Het college van de gemeente Pijnacker-Nootdorp; gezien het advies van de afdeling d.d. 31 januari 2023; gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Pijnacker-Nootdorp 2018; besluit: de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2023 vast te stellen: HOOFDSTUK1.INLEIDING 1.1Inleiding Deze beleidsregels en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Pijnacker-Nootdorp 2018 vormen een nadere uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Pijnacker-Nootdorp 2018 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en zijn hiermee onlosmakelijk verbonden. Met deze beleidsregels in de zin van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht geeft het college een nadere invulling aan de bevoegdheden die zijn gegeven op grond van de Wmo 2015 en de verordening. De gemeente Pijnacker-Nootdorp vindt het belangrijk dat alle bewoners kunnen meedoen in de samenleving. De insteek blijft dat de Wmo 2015 wordt ingezet waarvoor deze bedoeld is. Dat wil zeggen dat alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemeen gebruikelijke voorziening, algemene voorziening of een voorziening op grond van een andere wet geen uitkomst biedt, een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Hierbij geven we voorrang aan de goedkoopste passende voorzieningen. Normaliseren en het ‘goed genoeg’ principe zijn hierbij belangrijke uitgangspunten. De nadruk van deze beleidsregels ligt op helderheid voor de inwoner over de werkwijze van de gemeente en het geven van concrete handvatten aan de uitvoering. Deze beleidsregels vervangen de beleidsregels zoals die van kracht waren per 1 juni 2021. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Pijnacker-Nootdorp 2018; nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Pijnacker-Nootdorp 2018; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); gemeente: de gemeente Pijnacker-Nootdorp; waar ‘hij/hem/zijn’ wordt geschreven, wordt ook ‘zij/haar’ of ‘die/hen/hun’ bedoeld. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening en de Nadere regels. 1.3Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de toegangsprocedure van melding tot besluitvorming beschreven. In hoofdstuk 3 worden voorwaarden en weigeringsgronden uiteengezet die een rol spelen bij de afweging of een inwoner in aanmerking komt voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Hoofdstuk 4 beschrijft het beoordelingskader van de meest voorkomende maatwerkvoorzieningen. Hoofdstuk 5 beschrijft de voorwaarden voor de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura en een persoonsgebonden budget. In hoofdstuk 6 wordt informatie gegeven over de eigen bijdrage. Hoofdstuk 7 geeft informatie over het heronderzoek, intrekking, herziening en terugvordering. Hoofdstuk 8 regelt de inwerkingtreding en citeertitel van deze beleidsregels. HOOFDSTUK2.PROCEDURE Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting over de toegangsprocedure vanaf het moment dat iemand een melding bij het college doet. 2.1Melding Wanneer iemand problemen ervaart in zijn zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie en niet zelf of met hulp van zijn omgeving een oplossing kan vinden, dan kan hij zijn hulpvraag en behoefte aan maatschappelijke ondersteuning bij het college melden. De melding gaat dus vooraf aan een eventuele aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning. De cliënt ontvangt een schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding. Hierin staat dat de cliënt gebruik kan maken van gratis cliëntondersteuning en de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. Hierin dient gemotiveerd te worden aangegeven welke maatschappelijke ondersteuning volgens de cliënt nodig is. In spoedeisende gevallen zorgt het college na de melding direct voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 2.2Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is een onafhankelijke ondersteuning aan de inwoners van onze gemeente. Deze ondersteuning bestaat uit informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning en wijst de cliënt voor de start van het Wmo onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van deze ondersteuning. 2.3Het onderzoek Naar aanleiding van een melding start het Wmo-onderzoek. Volgens vaste rechtspraak1Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11-07-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2182) is het van belang dat het onderzoek zorgvuldig en in de juiste volgorde plaatsvindt. De volgende stappen worden tijdens het onderzoek achtereenvolgend gezet. 1. Vaststellen van de hulpvraag Na ontvangst van de melding vindt een gesprek plaats tussen de Wmo consulent en de cliënt. Tijdens dit gesprek wordt de identiteit van de cliënt vastgesteld en informeert de Wmo consulent de cliënt over de gang van zaken bij het onderzoek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure. Tijdens het gesprek wordt vervolgens de hulpvraag van de cliënt vastgesteld: een inventarisatie van de beperkingen die de cliënt ervaart in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Deze hulpvraag is het uitgangspunt bij de start van het onderzoek, maar is niet per se leidend voor het verdere onderzoeksproces. De hulpvraag kan namelijk breder zijn dan in eerste instantie gedacht. Een breed allesomvattend onderzoek is niet het doel, maar de consulent kijkt wel verder dan de vraag of de cliënt in aanmerking komt voor de gewenste voorziening. Voorbeeld: Een cliënt meldt zich voor een vervoerspas voor de regiotaxi. Via het gesprek wordt duidelijk dat niet alleen sprake is van een vervoersprobleem, maar dat cliënt ook problemen heeft met het bereiken van de badkamer (een woonprobleem). Het nadere onderzoek spitst zich vervolgens toe op beide problemen. 2. Vaststellen of het college verantwoordelijk is Nadat is vastgesteld wat de hulpvraag van de cliënt is, wordt beoordeeld of het college hiervoor verantwoordelijk is. Een ingezetene van de gemeente Pijnacker-Nootdorp kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Als de hulpvraag betrekking heeft op beschermd wonen of opvang, dan beslist de Centrumgemeente Delft hierover. Als het college van een andere gemeente verantwoordelijk blijkt te zijn, dan stuurt het college de melding (inclusief de toegevoegde stukken) door naar het bevoegde college. 3. Onderzoek naar beperkingen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie Na het vaststellen van de hulpvraag wordt onderzocht of sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Voor een zorgvuldig onderzoek kan de Wmo consulent een extern advies vragen bij een (medische) adviesinstantie. Dit hangt af van de aard van de hulpvraag en de beperkingen van de cliënt. Waar het altijd om gaat is dat, waar nodig, deskundigheid wordt ingeschakeld om op zorgvuldige wijze en dus op basis van voldoende en adequate gegevens, te kunnen besluiten. Gelet op de kosten van een medisch advies is het vragen van medisch advies geen automatisme en beoordeelt de Wmo consulent telkens of het inwinnen van advies noodzakelijk is. Voorbeeld: Een cliënt op hoge leeftijd vraagt hulp bij het huishouden aan. Voor de Wmo consulent is duidelijk dat overneming van een groot deel van de huishoudelijke taken noodzakelijk is. In die situatie behoeft geen medisch advies te worden gevraagd. In het bijzonder kan er aanleiding zijn om medisch advies te vragen bij een progressief ziektebeeld of bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Ook als het onduidelijk is of de beperkingen van de cliënt nog kunnen verbeteren door een behandeling, kan het van belang zijn om een medisch advies te vragen waarin de behandelmogelijkheden worden meegenomen. Als hieruit blijkt dat de cliënt reële behandelmogelijkheden heeft op grond van de Zorgverzekeringswet, dan mag in het kader van eigen kracht verwacht worden dat hij van deze behandelmogelijkheden gebruik maakt. Zeker als het gaat om niet-ingrijpende behandelingen als cognitieve gedragstherapie, fysiotherapie of ergotherapie. De maatwerkvoorziening kan hier dan op worden afgestemd, bijvoorbeeld door voor kortere duur een voorziening toe te kennen. 4. Bepalen welke ondersteuning nodig is Als duidelijk is wat de beperkingen van de cliënt zijn, dan wordt bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 5. In kaart brengen of cliënt de beperkingen geheel of gedeeltelijk kan wegnemen met een beroep op: eigen kracht; gebruikelijke hulp; mantelzorg; hulp uit het sociale netwerk; algemeen gebruikelijke voorzieningen; algemene voorzieningen; een beroep op andere wetten. 6. Onderzoek inzet maatwerkvoorziening Na het doorlopen van bovenstaande stappen is duidelijk of, en zo ja in welke vorm, duur en frequentie het college aan de cliënt een maatwerkvoorziening moet verstrekken. 2.4Het ondersteuningsplan Nadat het onderzoek is afgerond ontvangt de cliënt een ondersteuningsplan met daarin de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Aan de cliënt wordt verzocht het ondersteuningsplan te ondertekenen voor gezien of akkoord. Wanneer voor ‘gezien’ wordt ondertekend, kan de cliënt aangeven waarom hij niet akkoord gaat met de uitkomsten van het onderzoek en indien van toepassing aangeven voor welke maatwerkvoorziening een aanvraag wordt ingediend. De cliënt dient het ondertekende ondersteuningsplan binnen 5 werkdagen na ontvangst terug te sturen naar het college. 2.5Aanvraag De procedure om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening begint altijd met een melding en onderzoek. Pas nadat het onderzoek is uitgevoerd kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden ingediend. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan als volgt bij het college worden ingediend: schriftelijk; een ondertekend ondersteuningsplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening, als de cliënt dat in het ondersteuningsplan heeft aangegeven. een ondertekend gespreksverslag van het huisbezoek wordt aangemerkt als aanvraag indien de cliënt dat in het gespreksverslag heeft aangegeven. Dit gebeurt alleen wanneer de informatie uit het huisbezoek toereikend is om op basis daarvan een besluit te nemen. Het gespreksverslag dat tijdens het huisbezoek wordt opgesteld wordt naderhand verder uitgewerkt in een ondersteuningsplan; voor het verlengen van een lopende maatwerkvoorzienig is een telefonische aanvraag mogelijk. 2.6Beschikking De cliënt ontvangt in ieder geval een beschikking bij: de beslissing op een aanvraag om een maatwerkvoorziening (toekenning en afwijzing); het buiten behandeling stellen van een aanvraag; het beëindigen van een maatwerkvoorziening; het intrekken en/of herzien van het recht op een maatwerkvoorziening; het overgaan tot terugvorderen; het afwijzen van een hernieuwde aanvraag onder verwijzing naar de eerdere afwijzing. In de verordening is opgenomen wat er in geval van toekenning van een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb in de beschikking moet zijn opgenomen2Zie artikel 2.8 van de verordening. Als een maatwerkvoorziening wordt afgewezen moet uit de beschikking duidelijk blijken waarom dit zo is met verwijzing naar de van toepassing zijnde artikelen uit de wet en de verordening. Als het besluit gebaseerd is op een extern advies, wordt hiernaar verwezen. Ook wordt in de beschikking aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.7Medewerkings- en inlichtingenplicht van cliënt en huisgenoten De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor uitvoering van Wmo 20153Zie artikel 2.3.8 lid 3 van de Wmo 2015. De medewerkingsplicht betreft alle denkbare vormen van medewerking. Het gaat om het verlenen van medewerking aan het onderzoek maar ook daarna. Van de cliënt wordt daarom verlangd dat hij de gegevens verstrekt die nodig zijn voor een goede beoordeling van zijn hulpvraag en dat hij zo goed mogelijk meewerkt aan een daarvoor benodigd onderzoek. De inlichtingenplicht ligt in het verlengde van de medewerkingsplicht. Dat wil zeggen dat de cliënt de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken aan het college moet verstrekken4Zie artikel 2.3.2 lid 7 van de Wmo 2015. Daarnaast is de cliënt verplicht om gevraagd en uit eigen beweging het college te informeren over alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de toekenning of heroverweging van een maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget5Zie artikel 2.3.8 lid 1 van de Wmo 2015. De medewerkings- en inlichtingenplicht geldt ook voor de huisgenoten van de cliënt, voor zover het gaat om het bepalen van de noodzaak en omvang van de maatschappelijke ondersteuning6Zie de uitspraak van de CRvB van 17-04-2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1334). Als het college dat noodzakelijk vindt, moeten de huisgenoten meewerken aan een onderzoek om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het vaststellen van het recht van de cliënt. Als een cliënt of zijn huisgenoten niet voldoen aan de medewerkings- of inlichtingenplicht kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Het college neemt dan een besluit op basis van de gegevens waarover het wel kan beschikken. Dit kan tot gevolg hebben dat het college de aanvraag afwijst omdat het recht op een maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld. HOOFDSTUK3VOORWAARDEN EN WEIGERINGSGRONDEN In dit hoofdstuk komen de belangrijkste voorwaarden en weigeringsgronden aan bod vanuit de Wmo 2015 en de Verordening, die in de weg kunnen staan van toekenning van een maatwerkvoorziening. 3.1Eigen kracht De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van maatwerkvoorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Het begrip eigen kracht is in de Wmo 2015 niet gedefinieerd. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 volgt echter dat het uitgangspunt van het wetsvoorstel is, dat de cliënt eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of met zijn directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie7Zie de memorie van toelichting bij de Wmo 2015: TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, pagina 27. De gemeente mag dit ook verwachten en vragen van een ingezetene die een beroep doet op de gemeente. Het is naar de mening van de regering immers heel normaal dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Onder eigen kracht wordt niet verstaan dat het inkomen of vermogen van een cliënt toereikend is om een voorziening zelf aan te schaffen. Uiteraard mag een financieel daadkrachtige cliënt wel gewezen worden op de mogelijkheid om voorzieningen op eigen kosten te realiseren. Voorbeelden van situaties uit de rechtspraak waarin eigen kracht wel een rol speelde: Opsparen van zware boodschappen Herinrichting van de woning en verplaatsing van voorwerpen Het ophangen van een douchegordijn Het gebruik van adequate apparatuur en deze strategisch plaatsen Behandeling ondergaan en hieraan meewerken naar vermogen (al wordt dit volgens rechtspraak ook gezien als een beroep op de Zorgverzekeringswet) Overlast melden bij de politie Het gebruik van een badplank uitproberen als alternatief voor een woningaanpassing Gebruik maken van hulp van vrijwilligers of een sportinstructeur, als alternatief voor begeleiding Strijkvrije kleding en gebruik apparatuur Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid betekent bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op ondersteuning te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden, zoals aanschaf van huishoudelijke apparatuur, kunnen bekeken worden. Mogelijk is er een hulpmiddel waardoor een cliënt een taak weer zelf kan verrichten. Gebruik eigen auto Heel veel mensen zijn op dit moment gewend al bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn: als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken op de korte afstanden, of als de auto voor hun beperking aangepast zou moeten worden. In het eerste geval kan onderzoek plaatsvinden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon en zou een maatwerkvoorziening mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van extra kosten. In dat geval worden alleen de extra kilometers, die bovengebruikelijk zijn, vergoed. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, is er sprake van extra kosten: zonder beperking waren de autoaanpassingen niet nodig geweest. Maar in beide gevallen geldt dat in eerste instantie wordt gekeken naar de regiotaxi als mogelijke oplossing. De Verordening regelt immers dat als er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, de goedkoopst-passende voorziening wordt verstrekt. 3.2Gebruikelijke hulp Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan dehulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten8Zie artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Het gaat hierbij dus om huisgenoten, personen die met de cliënt één woning delen en daardoor bepaalde momenten gezamenlijk met de cliënt aanwezig zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat er belang wordt gehecht aan de wijze waarop een gemeente het begrip gebruikelijke hulp concreet invult. Daarom is bijlage 4 een nadere invulling gegeven wat de gemeente Pijnacker-Nootdorp hieronder verstaat. De basis voor deze invulling ligt in het Protocol gebruikelijke zorg van CIZ (april 2005). 3.3Mantelzorg Mantelzorg komt voort uit een tussen personen bestaande sociale relatie9Zie artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Het verlenen van mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale gang van zaken. Het gaat om hulp die verder gaat dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg en kan niet verplicht worden. Op het moment dat een mantelzorger betaald wil worden voor de verleende ondersteuning, dan is geen sprake meer van mantelzorg. Ondanks dat mantelzorg niet verplicht kan worden, doet de gemeente wel zoveel mogelijk een beroep op de zorg van mensen voor elkaar. Waar burgers de ondersteuning ook zelf met hun netwerk kunnen organiseren, wordt geen maatwerkvoorziening ingezet. Dit past bij de gedachte van de Wmo 2015 om de betrokkenheid van mensen bij elkaar te vergroten. De mogelijkheden van mensen of hun sociale omgeving om zelf te voorzien in hulp en ondersteuning is te veel op de achtergrond geraakt. Ondersteuning van mantelzorgers kan eraan bijdragen dat zij hun ondersteuning kunnen blijven verlenen en het voorkomt of vermindert de inzet van Wmo-ondersteuning. Denk hierbij bijvoorbeeld aan familieleden, buren of kennissen die boodschappen doen, extra koken, de was doen of kinderen meenemen naar school of naar de sportclub. 3.4Hulp uit het sociale netwerk van een cliënt Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt om een beroep op het eigen sociale netwerk te doen voordat hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Als een cliënt met hulp uit het sociale netwerk in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken10Zie artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015. Volgens rechtspraak kan het college hulp vanuit het sociale netwerk niet afdwingen. De personen uit het sociale netwerk zijn namelijk niet verplicht om de cliënt bij te staan. Hiertoe zijn dan ook geen verplichtingen opgenomen in de Wmo 2015 (met uitzondering van gebruikelijke hulp) Wanneer er geen sociaal netwerk is, of de personen uit het sociale netwerk geen ondersteuning kunnen of willen bieden, dan zal het college de benodigde ondersteuning moeten organiseren. Ondanks dat hulp vanuit het sociale netwerk niet verplicht kan worden, doet de gemeente wel zoveel mogelijk een beroep op de zorg van mensen voor elkaar. 3.5Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het college is niet verplicht een maatwerkvoorziening te verstrekken, als het probleem van de cliënt kan worden opgelost met een algemeen gebruikelijke voorziening. Volgens jurisprudentie is een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel algemeen gebruikelijk als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking én; daadwerkelijk beschikbaar is, én een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, én financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau11Zie de uitspraak van de CRvB van 20-11-2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) . De criteria zijn cumulatief. Dat betekent dat een voorziening pas als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt indien aan alle voornoemde criteria wordt voldaan. Financiële draagbaarheid Eén van de criteria voor een algemeen gebruikelijke voorziening is dat de voorziening financieel gedragen kan worden met een minimuminkomen. Dat is een inkomen op bijstandsniveau. Het gaat er echter niet om of de cliënt een inkomen op bijstandsniveau heeft, maar of de voorziening met een inkomen op bijstandsniveau betaald kan worden. Het uitgangspunt van het college is dat een voorziening financieel draagbaar is met een inkomen op bijstandsniveau als deze binnen 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. De berekening is dan als volgt: bedrag geldende bijstandsnorm x 5 % x 36 maanden. Het college sluit hiervoor aan bij de afloscapaciteit van 5% volgens de Wet vereenvoudigde beslagvrijevoet. Door deze berekeningswijze wordt er rekening mee gehouden dat een cliënt in ieder geval over het bestaansminimum kan blijven beschikken. Volgens rechtspraak is de door het college gehanteerde berekeningswijze redelijk en toegestaan12Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24-05-2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:5272). Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt uitgegaan van een algemene situatie. Hierop is één uitzondering mogelijk: wanneer de cliënt aangeeft dat hij de algemeen gebruikelijke voorziening niet kan betalen. In dat geval wordt beoordeeld of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke cliënt. Het is dan aan de cliënt om aan te tonen dat hij de kosten van de voorziening niet financieel kan dragen. Dit is uitdrukkelijk aan de cliënt, omdat bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening voor eenieder als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, het inkomen en/of vermogen geen rol mag spelen. De cliënt zal inzicht moeten geven in zijn financiële positie en moeten onderbouwen met stukken waarom hij in dat specifieke geval de voorziening financieel niet kan dragen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarbij de cliënt problematische schulden heeft, of in een schuldhulpverleningstraject zit en om die reden niet/minder kan reserveren voor een voorziening. Of de situatie dat een cliënt is aangewezen op meerdere voorzieningen die in beginsel als algemeen gebruikelijk zijn aangemerkt voor de woon- en leefsituatie van cliënt. Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); fiets met lage instap, ligfiets; spartamet/ tandemmet; elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) bakfiets, fietskar, aanhangfiets; autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; éénhendelmengkranen; thermostatische kranen; inductie- of elektrische kookplaat; verhoogd toilet of toiletverhoger; gebruikelijke renovatie van badkamer en keuken na verloop afschrijvingstermijn13Voor wat betreft de afschrijvingstermijnen voor voorzieningen wordt verwezen naar bijlage 3, afschrijvingstermijnen voor woningverbeteringen.; antislipvloer/coating; zonwering (inclusief elektrische bediening); ophogen tuin/bestrating bij verzakking; gemaksdiensten van de zorgverzekeraar; doucheglijstang; thermostaatkraan; verrijdbare airco; luchtbevochtiger; wasdroger; verwijderen van lavet en vervangen door een douche; centrale verwarming; vervanging van vloerbedekking en gordijnen; vervanging van reeds afgeschreven zaken; elektrische garagedeuropener; computer (eventueel met braille-leesregel); eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zoals rollators, krukken en loophulpen; sta-op stoel; aangepaste keukenspullen zoals openers, scharen en fixeersnijplanken; noise cancelling koptelefoon; wandbeugels en handgrepen; drempelhulp. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen Voor een aantal woonvoorzieningen hanteert het college afschrijvingstermijnen, die zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels. Dat wil zeggen dat er alleen een woonvoorziening wordt toegekend, als de afschrijvingstermijn van een voorziening nog niet verstreken is. Er wordt vanuit gegaan dat een cliënt (of bij huur, de verhuurder) de woonvoorziening na deze afschrijvingstermijn op eigen kosten vervangt, omdat ook een persoon zonder beperkingen na verloop van de afschrijvingstermijn de woonvoorziening vervangt. Anders gezegd, het vervangen van de woonvoorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Voorbeeld: een cliënt kan geen gebruik meer maken van het bad. Deze moet worden vervangen door een inloopdouche. De badkamer is 30 jaar geleden voor het laatst gerenoveerd. Vertrekpunt is dan dat renovatie algemeen gebruikelijk is, omdat de badkamer is afgeschreven. De cliënt kan de badkamer renoveren op eigen kosten en daarbij gelijk zelf het bad laten vervangen door een inloopdouche. 3.6Algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke diensten De definitie van een algemene voorziening in de Wmo 2015 luidt: een aanbod van diensten ofactiviteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken enmogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken vanzelfredzaamheid en participatie, of op opvang. Algemene voorzieningen mogen in de weg staan aan het verstrekken van voorzieningen, mits die algemene voorzieningen: daadwerkelijk beschikbaar zijn; door de belanghebbende financieel gedragen kunnen worden; adequate compensatie bieden. Diensten van particuliere aanbieders (bijvoorbeeld een boodschappenservice van een supermarkt), waar de gemeente geen bemoeienis mee heeft, zijn strikt genomen geen algemene voorzieningen. Deze worden vaak aangemerkt als algemeen gebruikelijke diensten. De benadering is echter gelijk als bij algemene voorzieningen. Ook voor algemeen gebruikelijke diensten geldt dat de algemeen gebruikelijke dienst pas in de weg staat aan toekenning van een maatwerkvoorziening, als voldaan is aan de criteria hiervoor genoemd. Bijdrage in de kosten Vanaf 2020 geldt er een abonnementstarief voor Wmo-voorzieningen. Algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan, vallen vanaf dan ook onder het abonnementstarief. Als een bijdrage voor een algemene voorziening wordt gevraagd, betaalt de gebruiker of de marktprijs of een al dan niet kostendekkend tarief als het gaat om een door de gemeente gesubsidieerde voorziening. Geen beschikking algemene voorziening De zin ”zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk” moet wel in de context worden bekeken. Er kan wel een lichte toegangstoets plaatsvinden, om te beoordelen of een cliënt voldoet aan de criteria die gelden voor een specifieke algemene voorziening (bijvoorbeeld of het een inwoner van de gemeente betreft). Verder betekent het dat de gemeente voor deze voorziening geen beschikking afgeeft. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke diensten zijn: peuterspeelzalen en scholen (onderwijs); kinderopvang; boodschappendiensten supermarkten; glazenwasser; tuinonderhoud; commercieel sportaanbod; klussendiensten; was en strijkservice; maaltijdvoorziening; personenalarmering; Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: algemeen maatschappelijk werk (via kernteam); onafhankelijke clientondersteuning; MEE en Zorgbelang; collectief vervoer met de Regiotaxi zonder Wmo-vervoerspas; schuldhulpverlening en budgettering, (via team Schuldhulpverlening van de gemeente) vrijwilligers ondersteuning bij schuldhulp: Humanitas Schuldhulpmaatje Kledingbank De buurvrouw Delft Stichting urgente noden Voedselbank Delft dienstverlening door de GGD; welzijns- en ouderwerk door de Stichting Welzijn & Ondersteuning Pijnacker-Nootdorp (SWOP): ouderenadviseur; welzijn op recept (via huisarts); zinvolle dagbesteding; vrijwilligers boodschappendienst; vrijwilligers klussen in en om het huis; vrijwilligers digitale klussen; vrijwilligers vervoer naar medische bestemming; vrijwilligers vervoer met Automaatje;- vrijwilligers belastingservice; vrijwilligers formulierenbrigade; vrijwilligers thuisadministratie; vrijwilligers maatjes bezoekdienst; zelf als vrijwilliger aan het werk; vrijwilligersmeldpunt SWOP; mantelzorgondersteuning via mantelzorgmeldpunt SWOP (info, advies, luisterend oor, praktische ondersteuning); vluchtelingenbegeleiding (ook voor advies over cultuurverschillen, taal en tolk); inloop GGZ (Prins Hendrikstraat); activiteiten en info en advies; buddynetwerk (maatjes ondersteuning bij kanker, aids); inloophuis Debora Delft (lotgenotencontact bij kanker); VTV (activiteiten voor mensen met een verstandelijke beperking); VTV (thuishulp, oppas voor huishoudens met kind met beperking); Jong Perspectief (vrijwillige hulp bij vrije tijd jongeren); Humanitas Home-Start (vrijwillige hulp aan gezinnen, maatje); Humanitas Home-Start (vrijwillige hulp voor vergunninghouders gezinnen, maatje); Bibliotheek Oostland (o.a. taalhuis); jongerenwerk, Informatie- en advieswerk (gro-up jeugdhulp): ambulant jongerenwerk individuele coaching jongeren; meidenwerk; sportvoorzieningen; beweegcoach Pijnacker-Nootdorp. Gebouwen die specifiek zijn gericht op ouderen of gehandicapten Is het gebouw waarin een cliënt verblijft specifiek bestemd voor gehandicapten of ouderen, dan mag een voorziening worden geweigerd als deze algemeen gebruikelijk is voor een dergelijk gebouw. Uit rechtspraak blijkt dat die situatie zich voordoet als op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning: op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen. Ook moet worden aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij het wel voldoen aan die vereisten niet nodig zou zijn. 3.7Beroep op andere wetten Het college kan, als daar aanleiding voor bestaat, de maatwerkvoorziening afstemmen op andere zorg, hulp en diensten uit het sociaal domein14Zie artikel 2.3.5 lid 5 van de Wmo 2015. Door de afstemming met de zorgverzekeraars, zorgaanbieders en partijen op diverse terreinen (o.a. gezondheid, jeugdhulp, welzijn, wonen, onderwijs en werk) kan de dienstverlening aan cliënt zo goed mogelijk worden georganiseerd. De formulering ‘voor zover daartoe aanleiding bestaat’ maakt duidelijk dat het college alleen tot deze afstemming verplicht is als het Wmo onderzoek daar aanleiding toe geeft. Uit de memorie van toelichting volgt dat de afstemming ook kan inhouden dat het college de cliënt verwijst naar de Zorgverzekeringswet, Jeugdwet, Participatiewet etc15Zie de memorie van toelichting bij de Wmo 2015: TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, pagina 150. Sinds de invoering van de Wmo 2015 is de aanwezigheid van een voorliggende voorziening echter geen in de wet geformuleerde afwijzingsgrond meer. Van cliënten mag desondanks worden verwacht dat ze gebruik maken van een bestaande voorziening waarop aanspraak bestaat16Zie de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13-04-2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:1358). Het onderzoek zal dus steeds moeten uitwijzen of cliënt een concreet beroep kan doen op andere wetten. Het college verricht onderzoek naar de mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. De cliënt zal zich daarom in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Een beroep doen op andere regelgeving valt hier ook onder. Immers als een cliënt in staat is een melding op grond van de Wmo 2015 te doen dan kan hij ook een beroep doen op andere wetgeving. Indien uit het onderzoek van het college blijkt dat de cliënt naar verwachting aanspraak kan maken op zorg of ondersteuning op grond van een andere wet, dan wordt van de cliënt verwacht dat hij op eigen kracht aanspraak probeert te maken op deze zorg of ondersteuning. De cliënt dient daarom op verzoek van het college binnen twee weken een aanvraag onder een andere wet of een declaratie op basis van de (aanvullende) verzekering in. De cliëntondersteuning kan daarbij ook een rol spelen. Als de cliënt het verzoek van het college niet binnen twee weken opvolgt, dan kan dit een reden zijn om de aanvraag voor een maatwerkvoorziening af te wijzen. Het college kan in dat geval van oordeel zijn dat de cliënt op eigen kracht aanspraak kan maken op zorg of ondersteuning op grond van een andere wetgeving. Omdat de afbakening tussen de Wmo 2015 met de Zorgverzekeringswet (Zwv) en de Wet langdurige zorg (Wlz) veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder nader toegelicht. Afbakening Zvw De Zvw regelt het recht op geneeskundig zorg of een hoog risico daarop. Met ‘hoog risico daarop’ wordt bedoeld dat geneeskundige zorg op grond van de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking maar wel een ‘hoog risico’ hierop hebben. De Zvw-aanspraken zijn door de overheid vastgelegd in een basispakket. Het basispakket geeft verzekerden recht op17Zie artikel 10 van de Zvw en artikel 2.4 t/m 2.15 van het Besluit zorgverzekering: geneeskundige zorg, waaronder de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen worden geboden; mondzorg; farmaceutische zorg (inclusief verstrekking van medicijnen); hulpmiddelenzorg, waaronder: Loophulpmiddelen (voor een beperkte duur met een uitleentermijn van max. 26 weken) Transferhulpmiddelen18 Er zijn verschillende transferhulpmiddelen die het verplaatsen van mensen eenvoudiger maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan transferplanken, draaischijven of glijzeilen voor liggende en/of zittende transfers van bed naar bed, van bed naar (rol)stoel of van rolstoel naar toilet. Hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang (voor een beperkte duur met een uitleentermijn van max. 26 weken) Omgevingsbediening19 Omgevingsbediening, ook wel domotica genoemd, houdt in het bedienen van diverse apparaten en functies door middel van ICT-oplossingen vanuit bijvoorbeeld een bed of rolstoel. Verzorging en verpleging op bed Hulpmiddelen bij communicatie medisch-specialistische zorg (verpleging en verzorging, inclusief wijkverpleging); verblijf in verband met geneeskundige zorg; zintuiglijk gehandicaptenzorg; paramedische zorg (fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, ergotherapie en diëtetiek); ziekenvervoer. Voor de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw gelden de volgende uitgangspunten: indien de ondersteuning en persoonlijke verzorging verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, valt die zorg onder de Zvw; indien de verzorgende handelingen gericht zijn op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensactiviteiten (ADL), valt die zorg onder de Wmo 2015. Afhankelijk van de situatie van cliënt is dus ofwel de zorgverzekeraar ofwel het college verantwoordelijk voor het organiseren en betalen van de verzorging. Ook een combinatie is mogelijk. De indicerende wijkverpleegkundige bepaalt of in een specifieke situatie een behoefte bestaat aan verzorging die ‘verband houdt met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ of niet. Hiermee wordt bedoeld de verpleging en verzorging die verpleegkundigen bieden. Als dat zo is, geeft de wijkverpleegkundige een indicatie af voor hulp bij maaltijden of persoonlijke verzorging op grond van de Zvw. Indien de cliënt aanspraak kan maken op zorg vanuit de Zvw waarmee de cliënt in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning wordt voorzien, dan hoeft het college in het kader van de eigen kracht geen maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.5 lid 3 de Wmo 2015 te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem kan oplossen, namelijk door gebruik te maken van zijn recht op een voorziening op grond van een andere wet. Wet langdurige zorg (Wlz) Als een cliënt recht heeft op verblijf met zorg op grond van de Wlz, dan kan het college een maatwerkvoorziening weigeren20Zie artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015. Uitzondering hierop zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen voor Wlz-cliënten die thuis wonen21Zie artikel 8:6a Wmo 2015. Met thuis wonen wordt bedoeld dat zij gebruik maken van hun Wlz-indicatie via een pgb, volledig pakket thuis (VPT) of modulair pakket thuis (MPT). Ondanks dat het college niet verplicht is om een maatwerkvoorziening te verstrekken aan een Wlz-gerechtigde, is ze hier wél toe bevoegd. Het college kan er in bepaalde situaties dus wel voor kiezen om aan een cliënt die Wlz-zorg ontvangt, aanvullend ondersteuning vanuit de Wmo te verstrekken. Dat het college deze bevoegdheid heeft, betekent volgens rechtspraak22Zie de uitspraken van de CRvB van 19-12-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3933), van 19-12-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4226) en van 19-12-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4305) dat ze altijd moet bekijken of ze hiervan gebruik maakt. Daarvoor is het noodzakelijk dat het college onderzoek heeft gedaan naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Naar verwachting is in veel gevallen de uitkomst van het onderzoek dat de ondersteuningsvraag van de cliënt voldoende is opgelost met de zorg die vanuit de Wlz wordt geboden. Als er recht op zorg op basis van de Wlz bestaat is het college, voor de onderdelen die het betreft, niet verplicht maatschappelijke ondersteuning te bieden. Het kan echter voorkomen dat er een ondersteuningsbehoefte resteert, die niet door de Wlz wordt gedekt. Dit kan met name bij begeleiding (gericht op participatie), sportvoorzieningen en het bezoekbaar of logeerbaar maken van woningen het geval zijn. Aanspraak op Wlz-indicatie Als er redenen zijn om aan te nemen dat een cliënt aanspraak kan maken op een Wlz-indicatie, dan kan dit eveneens een reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren23Zie artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015. De gemeente zal daartoe moeten aantonen dat cliënt voldoet aan de Wlz-criteria en hiervoor is het inwinnen van medisch advies onvermijdelijk. Voorbeeld: Een cliënt op leeftijd maakt gebruik van dagbesteding en huishoudelijke hulp (schoonmaak, hulp bij maaltijden). Verder is er hulp bij de persoonlijke verzorging vanuit de wijkverpleging. Cliënt is al vaker verward op straat aangetroffen. De familie wil geen Wlz-indicatie aanvragen, vanwege de hoge bijdrage in de kosten. De gemeente kan medisch advies opvragen om te beoordelen of een cliënt voldoet aan de Wlz-criteria, en afstemming zoeken met CIZ. Participatiewet Het hebben van werk betekent dat een cliënt een daginvulling en een inkomen heeft. Als een cliënt dus beschikt over arbeidsmogelijkheden, dan heeft de gemeente vanuit de Participatiewet mogelijkheden om een cliënt te re-integreren in het arbeidsproces. Maar de Participatiewet biedt ook mogelijkheden voor beschut werk. Het uitgangspunt is dat als vastgesteld is dat iemand beschikt over arbeidsvermogen, hij van die mogelijkheden gebruik maakt en er geen dagbesteding wordt toegekend. Bedenk wel dat niet alle re-integratietrajecten een daginvulling vormen voor een cliënt. In die situatie zal cliënt mogelijk toch (tijdelijk) aangewezen zijn op dagbesteding vanuit de Wmo. Dagbesteding kan soms ook tijdelijk worden ingezet, als opstap naar regulier of beschut werk. 3.8Goedkoopst passende voorziening Maatwerkvoorzieningen dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope maatwerkvoorziening te zijn. Zijn er twee of meer maatwerkvoorzieningen passend voor een cliënt, dan kiezen we voor de goedkoopste maatwerkvoorziening. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die ook passend
- is)komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de cliënt. 3.9De voorziening is veilig en werkt niet anti-revaliderend Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Volgens rechtspraak kan een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen24Zie de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18-01-2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:391). 3.10De voorziening is gekocht of gerealiseerd voor de melding of besluit Het college is niet verplicht een maatwerkvoorziening te verstrekken als de cliënt de voorziening zelf al heeft geaccepteerd of gerealiseerd. Er is dan geen sprake meer van te compenseren beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee situaties: 1. De gevraagde voorziening is voor de melding geaccepteerd of gerealiseerd Als de voorziening is geaccepteerd of gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake was van een acute noodsituatie, waardoor de cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met het college. Het is uitdrukkelijk aan de cliënt om aan te tonen dat sprake was een acute noodsituatie. Ook dient de cliënt aan te tonen waarom hij voor de realisatie of acceptatie van de voorziening geen contact kon opnemen met het college. In principe wordt ervan uitgegaan dat de cliënt tijdig een melding doet van zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Bij acute noodsituaties kan het college ook direct na de melding een (tijdelijke) maatwerkvoorziening treffen. 2. De gevraagde voorziening is na de melding en vóór de datum van het besluit geaccepteerd of gerealiseerd Indien de voorziening na de melding, maar vóór de datum van het besluit is gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren. Tenzij het college expliciet schriftelijk toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening of de noodzaak en passendheid van die voorziening achteraf nog kan worden beoordeeld. Het is uitdrukkelijk aan de cliënt om aan te tonen dat de reeds gerealiseerde of aangeschafte voorziening noodzakelijk en passend was. 3.11Hardheidsclausule De individuele omstandigheden van de cliënt, zoals zijn persoonskenmerken en behoeften, kunnen het noodzakelijk maken af te wijken van de Verordening of deze Beleidsregels. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule is een uitzondering en geen regel. Het college geeft in verband met precedentwerking dan ook steeds duidelijk aan waarom in een bepaalde situatie wordt afgeweken. Afwijken van verordening Het afwijken van de Verordening gebeurt met een stevige onderbouwing onder toepassing van de in de Verordening opgenomen hardheidsclausule. Afwijken van de beleidsregels Er moet worden afgeweken van deze beleidsregels, indien toepassing daarvan voor een of meer cliënten gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 Awb). Dit wordt de ‘inherente afwijkingsbevoegdheid’ genoemd. HOOFDSTUK4MAATWERKVOORZIENINGEN Een maatwerkvoorziening komt pas aan bod als voldaan is aan de voorwaarden en weigeringsgronden van hoofdstuk 3. Dat betekent dat de beperkingen niet kunnen worden weggenomen: op eigen kracht; met een beroep op gebruikelijke hulp; met een beroep op mantelzorg; met hulp van andere personen uit het sociale netwerk van cliënt; met algemeen gebruikelijke voorzieningen; met een beroep op algemene voorzieningen; met een beroep op andere wetten. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan zal het college de goedkoopst passende voorziening toekennen. 4.1Ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis 4.1.1Inleiding Via de Wmo 2015 biedt het college waar nodig ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie. In de Verordening is dit nader gespecificeerd, waarbij het wonen in een geschikt huis onderdeel is van de zelfredzaamheid. Daarbij is er één belangrijke voorwaarde voor het vaststellen van passende ondersteuning: er moet een woning zijn. Een eigen woning kan zowel een koop- als huurwoning zijn. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van een woning (wat niet betekent dat ook woningaanpassingen worden toegekend voor deze categorieën van woningen). Als er geen woning is, dan is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedereen moet zelf voor een woning zorgen, dat is geen Wmo-zaak. 4.1.2Afwegingskader algemeen Normaal gebruik van de woning Alleen problemen die de cliënt ervaart bij het normale gebruik van de (huidige) zelfstandige woonruimte zijn relevant. Bij het normale gebruik van de woning gaat het om zogenaamde elementaire woonfuncties zoals slapen, (zorgen voor) eten en drinken, toiletgang en lichaamsreiniging. Verder is de toe- en doorgankelijkheid van de woning van belang. Het gebruik van hobby-, werk- of recreatieruimten in de woning valt in principe niet onder de elementaire woonfuncties. Therapeutisch gebruik evenmin. Eigen oplossingen In redelijkheid mag er wat van de aanwezige huisgenoten verwacht worden, bijvoorbeeld het ophalen van de was van de bovenverdieping of het legen van de po op de bovenverdieping (gebruikelijke hulp)25Zie de uitspraak van de CRvB van 17-4-2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1334). Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om de woning anders in te richten (eigen kracht). 4.1.3Primaat van verhuizing Het college beoordeelt ook of het resultaat ’wonen in een geschikt huis’ ook te bereiken is via een verhuizing. Deze beoordeling vindt alleen plaats als de kosten van het aanpassen van de woning hoger zijn dan € 10.000,-. Deze regel is bekend als het zogenaamde primaat van de verhuizing. Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Als het college het primaat van verhuizing oplegt, dan kan het college een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing verstrekken. De financiële tegemoetkoming wordt pas uitgekeerd indien de cliënt naar een passende woning is verhuisd. Als de afweging tussen aanpassen en verhuizen wordt gemaakt, worden hierbij per geval alle relevante aspecten meegewogen. Hierbij gaat het in elk geval om onderstaande afwegingsfactoren, voor zover die toepasselijk zijn in de situatie van de cliënt. a. Aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte Het is afhankelijk van de beschikbaarheid van een adequate woning in de regiogemeenten26De regiogemeenten zijn de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, of de gemeente genoodzaakt is om de bestaande woning aan te passen. b. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woning Om inzicht te krijgen in wat de goedkoopst passende oplossing is, moeten de kosten van de direct noodzakelijke maar ook van voorzienbare aanpassingen in de huidige woning in kaart worden gebracht27Zie de uitspraak van de CRvB van 31-07-2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1261). Deze kosten worden afgezet tegen de kosten van een verhuizing, waarbij rekening gehouden moet worden met de volgende kosten: eventuele verhuis- en inrichtingskosten; aanpassingskosten nieuwe woning; eventuele kosten voor vrijmaken van de nieuwe woning. Zijn de kosten moeilijk (feitelijk) inzichtelijk te maken, dan kan worden volstaan met een zo goed mogelijke benadering van de werkelijkheid (ervaringcijfers, aannames). Ook de prognose van de cliënt speelt hierbij een rol bij de inschatting van de kosten, zie onderdeel e. c. Volkshuisvestelijke afwegingen Aanpassen van de oude (huidige) woning is ondoelmatig, als een reeds aangepaste woning beschikbaar is. Verder is van belang te onderzoeken of de huidige woning een zogenaamde sloopnominatie heeft. Ook dient rekening gehouden te worden met beschikbaarheid van een woning met een voldoende aantal kamers in relatie tot aantal bewoners. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat twee kinderen een slaapkamer kunnen delen. Tenslotte is van belang dat het college en de cliënt niet verplicht zijn de woningaanpassing ongedaan te maken, als de cliënt niet langer gebruik maakt van de woning28Zie artikel 2.3.7 lid 3 van de Wmo 2015. Dat kan, met name in sociale huurwoningen, een prikkel zijn voor hergebruik ten behoeve van de Wmo-doelgroep. d. Termijn waarop het woonprobleem opgelost kan worden Van belang is dat de cliënt binnen een medisch aanvaarbare termijn kan verhuizen naar een geschikte of eenvoudig geschikt te maken woning. Wat medisch aanvaardbaar is, kan per individueel geval verschillen en zal middels onderzoek onderbouwd moeten worden. Eventueel kan hiervoor een sociaal medisch advies worden opgevraagd. Verhuizen kan een snellere oplossing zijn dan aanpassen. Bijvoorbeeld wanneer het ontslag uit het ziekenhuis of de verpleeginrichting afhankelijk is van de woningaanpassing. De mate van de noodzaak tot verhuizen mag in relatie worden gebracht tot de termijn waarop iemand een woning kan betrekken. In een situatie waar blijkt dat de medische noodzaak voor een verhuizing niet groot is, kan de termijn worden verlengd, indien dat verantwoord is. Het college verwacht van cliënt een actieve inspanning naar het zoeken van een geschikte woning. Ook de Wmo consulent kan de cliënt begeleiden bij het zoeken naar een andere woning. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het regionale woningportaal “Woonnet-Haaglanden” voor sociale huurwoningen. Ook kan er gekeken worden of de client in aanmerking komt voor een urgentie/bemiddeling binnen de regio Haaglanden. Dit kan op basis van de Huisvestingsverordening Pijnacker-Nootdorp (2019-2023) en de bijbehorende beleidsregels urgentieverklaringen. e. Prognose wonen – zorg Aansluitend op onderdeel d moet eveneens rekening gehouden worden met de tijdsinschatting over de gebruiksduur van de aangevraagde woonvoorzieningen. Bij de afweging kan rekening gehouden worden met de prognose van het ziektebeeld, al of niet op de wachtlijst staan voor opname in een woonzorgcentrum of andere woonvorm, etc. Hierbij gaat het erom dat de investeringskosten in verhouding staan tot de verwachte duur van het gebruik van de geboden voorziening, waarbij het uitgangspunt is dat het college een resultaatsverplichting heeft. f. Sociale omstandigheden Verhuizing kan leiden tot aantasting van het sociale netwerk van de cliënt. Het college moet daarom de sociale omstandigheden van de cliënt in kaart brengen. Daarbij valt te denken aan: de binding die de cliënt heeft met de buurt (hoelang woont de cliënt al in die buurt); mantelzorg die in belangrijke mate ondersteunt bij algemene dagelijkse levensactiviteiten; buurtgebonden vrijwilligerswerk; gevolgen voor de aanwezige huisgenoten; overige door de cliënt aangehaalde factoren. g. Afstemming met andere voorzieningen Afstemming met andere voorzieningen is van belang om te komen tot een besluit op een aanvraag. Afstemming met vervoersvoorzieningen kan een belangrijke rol spelen. De afstand tot openbaar-vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen zoals winkelcentra, scholen en andere voorzieningen kan daarbij van belang zijn. h. Eigen woning Verhuizen kan nog meer consequenties hebben wanneer de persoon met beperkingen eigenaar is van de woning. Er wordt nagegaan of cliënt vermogensverlies lijdt bij gedwongen verkoop en er een schuld ontstaat als restant. Van ernstig vermogensverlies is sprake als 5% of meer op de verwervingsprijs moet worden toegelegd. Ook voor het college zijn er extra consequenties wanneer het een eigen woning betreft. Bij een aangepaste eigen woning is minder kans op hergebruik. Bij grotere aanpassingen kan daarom ook bezien worden of plaatsing van een herplaatsbare woonunit kan leiden tot het resultaat. i. Noodzaak tot verhuizen door inkomensachteruitgang Iemand kan door zijn beperkingen aangewezen zijn op een (arbeidsongeschiktheids-)uitkering, wanneer werken niet meer mogelijk is. Het hierdoor ontstane inkomensverlies kan ertoe leiden dat een cliënt de woonlasten van zijn huidige woning niet meer kan dragen waardoor verhuizen een adequatere oplossing is dan aanpassing van de huidige woning. j. Woonlastenstijging en draagkracht Wanneer een woonruimte als niet betaalbaar wordt beschouwd hangt af van de individuele situatie. Een voorbeeld is een woning waarvan de huur boven de individuele huurtoeslaggrens ligt terwijl cliënt, gelet op de hoogte van zijn inkomen, wel voor huurtoeslag in aanmerking zou komen. Indien bij verhuizing de woonlastenstijging de draagkracht van cliënt te boven gaat, moet hiermee rekening worden gehouden. Uitgangspunt zijn algemeen aanvaarde normen voor woonlasten in relatie tot het inkomen. 4.1.4Mantelzorgwoning Er is sprake van een mantelzorgwoning als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en hiervoor een aan- of bijgebouw bij de woning van de mantelzorger geschikt wordt gemaakt, een tijdelijke mantelzorgunit aan de woning wordt gekoppeld, dan wel een aparte woning of woonunit op het erf van de mantelzorger wordt gerealiseerd. Ook in deze situatie gaat het college uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het voorzien in eigen woonruimte. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is het uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(
- n)had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente Pijnacker-Nootdorp kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen in de mantelzorgwoning houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Een veelgehoord argument is dat de bouw van een mantelzorgwoning goedkoper is dan het voorzien in kosten van huishoudelijke hulp, begeleiding en woonvoorzieningen in de woning van waaruit de cliënt verhuist (naar de mantelzorgwoning). Voor cliënten met een Wlz-indicatie wordt begeleiding en huishoudelijke hulp vanuit de Wlz geleverd, maar bij cliënten zonder Wlz-indicatie kan dit inderdaad een belangrijk argument zijn. Als er sprake is van een mantelzorgwoning, verwacht het college daarom ook dat er in een bepaalde mate mantelzorg wordt verleend en wordt hier rekening mee gehouden bij een aanvraag om ondersteuning. Hierbij moet wel altijd onderzocht worden of er sprake is van een veranderde situatie en van (dreigende) overbelasting van de betreffende mantelzorgers. Zolang dat niet het geval is, verwacht het college dat de toegezegde mantelzorg daadwerkelijk wordt verleend en wordt hier dus geen maatwerkvoorziening voor ingezet. Wel is het mogelijk dat er professionele hulp ingezet moet worden naast de mantelzorg, omdat gelet op de beperkingen van de cliënt ondersteuning door een professional moet worden geboden. 4.1.5Aanbouw Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, dan wordt eerst onderzocht of het plaatsen van een losse woonunit compenserend is. Zeker als sprake is van een eigen woning, omdat hergebruik van de aanbouw voor de Wmo-doelgroep niet snel zal plaatsvinden. Voorrang inpandige aanpassing Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding via een aanbouw plaatsvindt. Er wordt altijd voor de goedkoopst passende oplossing gekozen. 4.1.6Gemeenschappelijke ruimten Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten betreffen meestal het verbeteren van de toe- en doorgankelijkheid van entrees en portieken. Voorwaarde is dat de voorzieningen voor de cliënt noodzakelijk zijn om de eigen woning te kunnen bereiken en er geen sprake is van een woongebouw dat specifiek op mensen met een beperking is gericht. Het gaat hierbij specifiek om automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen. Is er een andere voorziening noodzakelijk, dan wordt deze in principe niet verstrekt29Zie artikel 4.2.1 lid 8 onder g van de verordening. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt om, indien van toepassing, een beroep op de Vereniging van Eigenaren (VvE) of de woningbouwvereniging te doen voor het aanpassen van een gemeenschappelijke ruimte, voordat hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Indien een cliënt met succes op eigen kracht een beroep kan doen op de VvE of de woningbouwvereniging voor het aanpassen van de gemeenschappelijke ruimte, hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten mogen geen overlast opleveren voor overige bewoners en moeten voldoen aan bouwvoorschriften. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. Criterium is uiteraard dat de goedkoopst passende voorziening wordt verstrekt. 4.1.7Bouwkundige woningaanpassingen Bij bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen. Indien nodig wordt deze opgemaakt door een ter zake deskundig bureau. Uitgaande van het programma van eisen wordt vervolgens een berekening van de noodzakelijke kosten van de woningaanpassing gemaakt. Deze berekening wordt gemaakt op basis van offertes van aannemers en/of een calculatie van de kosten door een ter zake deskundig bureau. Hierbij rekening houdende met de goedkoopst passende woonoplossing voor de cliënt. 4.1.8Woningsanering Een maatwerkvoorziening voor woningsanering is mogelijk in gevallen waarin dit als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (COPD) noodzakelijk is. Basis is een duidelijke diagnose door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het leefpatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden bepaald. Verwacht wordt dat de cliënt zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat de cliënt zelf maatregelen treft ter voorkoming van COPD-klachten. In de regel kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt indien: de cliënt bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat COPD zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. Indien de cliënt jonger is dan vier jaar kan ook de woonkamer worden gesaneerd. Er wordt alleen een voorziening voor woningsanering toegekend, als de in bijlage 3 genoemde afschrijvingstermijn nog niet verstreken is. Indien de cliënt verhuist, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt omdat het algemeen gebruikelijk is dat bij verhuizing nieuwe vloerbedekking wordt aangeschaft. In de nadere regels is de hoogte van het pgb voor de woningsanering opgenomen. 4.1.9Prikkelarme rustruimte Een prikkelarme rustruimte is bedoeld voor kinderen of volwassenen met aantoonbare gedragsstoornissen waarbij het noodzakelijk is dat zij zich kunnen terugtrekken om tot rust te komen. De maatwerkvoorziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van de verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de prikkelarme rustruimte, het tot rust laten komen. In principe zal de ruimte daarom leeg, prikkelarm en veilig moeten zijn, en indien nodig zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is, kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk worden bestaande ruimten in de woning aangepast. 4.1.10Overige bepalingen Horen verhuurder bij woningaanpassing Indien een huurder een woningaanpassing nodig heeft, moet de eigenaar gehoord worden omtrent het aanbrengen van die aanpassing. Toestemming van de verhuurder is niet vereist voor het aanbrengen of realiseren van de woningaanpassing30Zie artikel 2.3.7 lid 1 van de Wmo 2015. Verwijderen woningaanpassing De woningaanpassing hoeft bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd31Zie artikel 2.3.7 lid 3 van de Wmo 2015. (Deze regel is een uitzondering op artikel 7:216 lid 1 BW (TK 2013-2014, 33841, nr. 3, p.154). 4.2Ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden 4.2.1Inleiding De maatwerkvoorziening ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden kan bijdragen aan de zelfredzaamheid van de cliënt door ondersteuning te bieden bij het realiseren van een gestructureerd huishouden. Deze maatwerkvoorziening kan worden ingezet als er aantoonbare beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden of wanneer er sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden. Dat kan zich uiten door (dreigende) vervuiling van de woning of van kleding doordat de cliënt het huishouden niet meer (voldoende) zelf kan doen. Maar ook doordat de cliënt niet in staat is voor zichzelf maaltijden te bereiden of boodschappen te doen. Als dit nodig is, kan hieronder ook de verzorging van gezonde, jonge kinderen bij uitval van ouders en/of verzorgers horen. 4.2.2.Afwegingskader Bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden kan worden ingezet, gelden de voorwaarden en weigeringsgronden uit hoofdstuk 3 van de verordening en hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Hierna worden een aantal van deze voorwaarden nader toegelicht: Eigen kracht De cliënt en diens leefeenheid zijn primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Met leefeenheid wordt bedoeld alle op hetzelfde adres wonende meerderjarige huisgenoten die samen een huishouden voeren. Deze verantwoordelijkheid houdt ook in dat het huis zodanig is ingericht dat dit in redelijkheid schoongehouden kan worden. Ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden. Gebruikelijke hulp Van iedere huisgenoot vanaf 18 jaar wordt verwacht dat deze een eenpersoonshuishouden kan voeren en vanaf 23 jaar een volledig huishouden. Dit naast een volledige baan, het volgen van een opleiding of andere activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie. Als gebruikelijke hulp geleverd wordt door (fulltime) werkenden, wordt met het werk en daarmee samenhangende drukte ten aanzien van huishoudelijke taken geen rekening gehouden. Stofzuigen of de badkamer schoonmaken kan immers ook in het weekend of vrije tijd verricht worden. Uitgangspunt is dat de huishoudelijke taken volledig kunnen worden overgenomen door de huisgenoten. Hiervan kan worden afgeweken op basis van belastbaarheid of door langdurige afwezigheid van de huisgenoot. In bijlage 4 is nader uitgewerkt wanneer sprake kan zijn van gebruikelijke hulp. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Zie hiervoor paragraaf 3.5. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen die ingezet kunnen worden bij het voeren van een gestructureerd huishouden zijn: Diensten: Was- en strijkservice Personenalarmering Boodschappenservice door een commercieel bedrijf, bijvoorbeeld een supermarkt Maaltijdservice of kant-en-klaarmaaltijden door een commercieel bedrijf, bijvoorbeeld van een slager of supermarkt Klussendienst bijvoorbeeld door een bouwmarkt of woonwinkel Glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant Kinderopvang/peuterspeelzaal Voor- en naschoolse opvang Hulpmiddelen: Wasmachine Verhoging voor de wasmachine Droger Afwasmachine (Robot-)stofzuiger Grijper (om spullen van de grond op te ruimen) Magnetron Deze lijsten zijn niet limitatief. In de loop der tijd zullen diensten en hulpmiddelen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer gebruikelijk worden en dan als algemeen gebruikelijk voorziening kunnen worden aangemerkt. Algemene voorzieningen Zie hiervoor paragraaf 3.6. Voorbeelden van algemene voorzieningen die ingezet kunnen worden bij het voeren van een gestructureerd huishouden zijn: Boodschappenservice door een vrijwilligersorganisatie Maaltijdvoorziening door een vrijwilligersorganisatie Beroep op andere wetten Zie hiervoor paragraaf 3.7. Andere (wettelijke) regelingen kunnen voorgaan op (onderdelen van) ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden: Kinderopvangtoeslag en kinderopvang. Kinderopvang is beschikbaar voor kinderen van 0 tot 4 jaar. Bij een Wlz indicatie van thuiswonenden valt ondersteuning bij een gestructureerd huishouden onder de Wlz. 4.2.3Het realiseren van een schoon en leefbaar huis: aard van de activiteiten Als uit onderzoek blijkt dat de cliënt echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is een (gestructureerd) huishouden te voeren en ook een algemeen gebruikelijke voorziening, algemene voorziening of een voorziening op grond van een andere wet niet voldoende uitkomst biedt, verstrekt het college een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt voor de resultaten van het huishouden die de cliënt niet op een andere manier kan oplossen. Het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van Bureau HHM (hierna: normenkader) wordt als richtlijn gehanteerd om de omvang van de huishoudelijke ondersteuning te bepalen, zie bijlage 1. Volgens vaste rechtspraak is het normenkader van HHM gebaseerd op objectief, onafhankelijk en deugdelijk onderzoek1. Daarmee kan het door gemeenten worden gebruikt voor de onderbouwing van de in te zetten omvang van de huishoudelijke ondersteuning. In het normenkader is per resultaatgebied opgenomen hoeveel tijd van een professionele hulp nodig is als deze het huishouden in de ‘gemiddelde cliëntsituatie’ volledig moet overnemen. Dit is de ‘ijk-situatie’. Deze normtijden zijn per resultaatgebied weergegeven in minuten per week. Bij het onderzoek naar de omvang van de ondersteuning gebruikt de Wmo consulent het normenkader als richtlijn om te komen tot een professionele afweging van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning voor de cliënt. Dit wordt per resultaatgebied bekeken en daarna opgeteld tot de totaal te indiceren tijd in minuten. Hierbij wordt de situatie van de cliënt vergeleken met de ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Deze vergelijking kan leiden tot ‘meer’ of ‘minder’ inzet van de ondersteuning dan in de gemiddelde cliëntsituatie het geval zou zijn. Als de cliënt eigen mogelijkheden heeft of vanuit zijn netwerk of vanuit een algemeen gebruikelijke voorziening, algemene voorziening of een voorziening op grond van een andere wet ondersteuning kan worden geboden, dan is minder inzet van ondersteuning bij een (gestructureerd)huishouden mogelijk. Als het nodig is vanwege beperkingen of belemmeringen van de cliënt of andere bijzonderheden om extra vaak of extra goed of extra veel schoon te maken, dan is meer inzet van de ondersteuning mogelijk. In het normenkader is per resultaatgebied weergegeven hoeveel minuten minder of meer kunnen worden ingezet. Op deze manier wordt per cliënt een individuele beoordeling gemaakt en is sprake van maatwerk. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Cliënten passen niet altijd precies in deze omschrijving van ‘de gemiddelde cliëntsituatie’. Er kan sprake zijn van invloedsfactoren die minder of juist meer inzet nodig maken. De aanwezigheid van invloedsfactoren leidt niet automatisch tot meer of minder inzet. Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de cliënt wordt telkens een individuele beoordeling gemaakt. De invloedsfactoren zijn als volgt: Minder inzet door eigen mogelijkheden cliënt, gebruikelijke hulp en/of hulp uit het netwerk Als de cliënt nog een deel van de huishoudelijke activiteiten kan uitvoeren, dan kan per resultaatgebied één of meerdere malen minder inzet op het totaal aantal minuten per resultaatgebied worden toegepast. Bovenop of in plaats van de mindering vanwege de mogelijkheden van de cliënt zelf, kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege ondersteuning vanuit de gebruikelijke hulp of het netwerk van de cliënt. In het normenkader is weergegeven hoeveel minuten wekelijks per resultaatgebied in mindering kunnen worden gebracht. Extra inzet door beperkingen en belemmeringen van de cliënt Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt. De hoeveelheid extra benodigde ondersteuning is leidend, niet de problematiek als zodanig. Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, (ernstige) tremors, besmet wasgoed door bijvoorbeeld een chemokuur. Van enige extra inzet is sprake als door de beperkingen of belemmeringen van de cliënt het toilet en/of sanitair extra vaak moet worden gereinigd of als door rolstoelgebruik binnen en buiten de woning sneller vervuilt. Veel extra inzet is aan de orde als door beperkingen of belemmeringen van de cliënt duidelijk extra vervuiling ontstaat of er juist extra goed moet worden schoongemaakt om gezondheidsrisico’s te voorkomen. Samenstelling huishouden Als sprake is van een huishouden van twee of meer personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit wordt grotendeels bepaald door de regels voor gebruikelijke hulp op basis van de samenstelling van het huishouden. Van extra inzet kan sprake zijn als de huisgenoten apart slapen waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk, gebruikelijke hulp). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is. Huisdieren Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Alleen als sprake is van een professioneel opgeleide hulphond of assistentiehond en hierdoor de woning extra vervuilt, is extra inzet van huishoudelijke ondersteuning mogelijk. De verzorging van de hond valt buiten de maatwerkvoorziening. Bij toepassing van het normenkader gelden daarnaast de volgende uitgangspunten: Met dit normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden worden gerealiseerd. Aandachtspunt is dat persoonlijke opvattingen van cliënten of hulpen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. In deze is dan het normenkader leidend, omdat dit op basis van onderzoek bij en met vele cliënten en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen. Het normenkader betreft de voor de hulp beschikbare totale tijd. Er is geen sprake van ‘instructietijden’ per activiteit. In ieder huishouden, in iedere situatie, is sprake van net weer wat andere verdelingen van activiteiten en van de tijd die dit vergt per activiteit. In het normenkader is naast directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen. Het totaal aantal te indiceren minuten wordt afgerond op 5 minuten. Resultaten ondersteuning bij een gestructureerd huishouden Ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden kan gericht zijn op één of meer van onderstaande resultaatgebieden. Schoon en leefbaar huis Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: zorgen voor een basishygiëne, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Ondersteuning bij het huishouden wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning én die daadwerkelijk in gebruik zijn. Onder normaal gebruik van de woning wordt verstaan het gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de schoonmaakactiviteiten waarop het normenkader is gebaseerd. Hiermee kan een schoon en leefbaar huis worden gerealiseerd. Dit betreft dan volledige professionele overname van alle werkzaamheden, zonder dat sprake is van bijzonderheden in de cliëntsituatie die minder inzet mogelijk of meer inzet nodig maken. Het overzicht wil overigens niet zeggen dat alle schoonmaakactiviteiten wekelijks uitgevoerd moeten worden. Het betekent dat de woonruimten niet vervuilen en met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden zodat een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd. Wasverzorging De dagelijkse kleding (en overig huishoudtextiel) moet met enige regelmaat schoongemaakt worden. Dit betekent wassen, drogen en, als het medisch noodzakelijk is gezien de beperkingen, strijken van textiel. Het gaat uitsluitend over normale kleding voor alledag. Het uitgangspunt is dat er zo weinig mogelijk gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding dient de cliënt hiermee rekening te houden. Van cliënt wordt verwacht hij vermijdt dat kleding via speciale wasprogramma’s of handwas moet worden gewassen. Ook wordt verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week een volle trommel gewassen kan worden. Boodschappen De cliënt moet in staat zijn te beschikken over de noodzakelijke boodschappen en maaltijden. Onder de noodzakelijke boodschappen wordt verstaan de levens- en schoonmaakmiddelen voor dagelijks gebruik. Uitgangspunt is dat een cliënt, al dan niet met ondersteuning vanuit zijn eigen leefeenheid, mantelzorg of sociale netwerk, hiervoor gebruik maakt van een algemene voorziening en/of een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals een boodschappendienst. Slechts als dit niet mogelijk is, kan hiervoor ondersteuning bij een gestructureerd huishouden worden ingezet. Het uitgangspunt hierbij is het maximaal 1 keer per week in huis halen van de boodschappen. Regie en organisatie Als de cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden en er daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden door de hulp uitgevoerd moeten worden, kan hiervoor ondersteuning bij een gestructureerd huishouden worden ingezet. Extra ondersteuning kan ook worden ingezet als de cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar hierbij toezicht en aansturing nodig heeft. Daarnaast kan er een probleem ontstaan bij het voeren van een huishouden doordat de persoon die gewend is voor het huishouden te zorgen dit, al dan niet tijdelijk, niet meer kan doen. De andere huisgenoot dient deze taken dan over te nemen. Om deze huisgenoot hierbij te ondersteunen kan tijdelijke ondersteuning bij een gestructureerd huishouden worden ingezet voor advies, instructie en voorlichting over huishoudelijk werk. Uitgangspunt hierbij is dat in maximaal 6 weken tijd de huisgenoot geleerd wordt het huishouden te kunnen voeren. De noodzakelijke bereiding/opwarming van maaltijden Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen/klaarzetten van de broodmaaltijden en/of het opwarmen en klaarzetten van een warme maaltijd. Uitgangspunt is dat een cliënt, al dan niet met ondersteuning vanuit zijn eigen leefeenheid, mantelzorg of sociale netwerk, hiervoor gebruik maakt van een algemene voorziening en/of een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals een boodschappendienst, maaltijdvoorziening of kant-en-klaarmaaltijden. Hierbij kan ook gedacht worden aan het bereiden van maaltijden voor meerdere dagen tegelijk die cliënt kan opwarmen. Slechts als dit niet mogelijk is, kan ondersteuning bij een gestructureerd huishouden worden ingezet. Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de orde kan zijn. Er wordt alleen ondersteuning geboden voor het aantal dagen waarop (aanvullend) ondersteuning nodig is bij het verzorgen of opwarmen van de maaltijd. Het maximum is zeven dagen per week. Kindzorg De zorg voor minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Het gaat om het zorgen voor de persoonlijke hygiëne van de kinderen, het verzorgen van de maaltijden en de opvang van de kinderen. Als ouders door beperkingen niet of niet meer in staat zijn de zorg voor hun kinderen op zich te nemen, kan hiervoor ondersteuning bij een gestructureerd huishouden worden ingezet. Kinderopvang (peuterspeelzaal, voorschoolse-, tussenschoolse- en naschoolse opvang) vormt daarbij echter een algemeen gebruikelijke dienst, als voldaan is aan de hiervoor geldende voorwaarden (zie paragraaf 3.6). Daarnaast wordt onderzocht of een andere ouder gebruik kan maken van een verlofregeling (calamiteitenverlof, zorgverlof). De Wmo 2015 heeft vooral de functie om tijdelijk bij te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet blijvende oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden ondervangen zodat er gezocht kan worden naar een eigen, al dan niet permanente oplossing. Het resultaat Kindzorg valt buiten de reikwijdte van het normenkader. Daarom wordt de omvang van de kindzorg bepaald op basis van subparagraaf 3.2.2 ‘Normering van activiteiten ten behoeve van de verzorging van kinderen’ van de Wmo richtlijn, Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van december 2006. Deze normtijden worden gebruikt bij het berekenen van de totale benodigde tijd voor de activiteiten met betrekking tot kinderen. Hiervoor wordt de normtijd vermenigvuldigd met het aantal keer per dag en het aantal keer per week. Dit levert dan de totaaltijd op van de activiteiten met betrekking tot kinderen. Het is hierbij mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind. De normtijden zijn als volgt: Naar bed brengen 10 min per keer per kind Uit bed halen 10 min per keer per kind Wassen en kleden 30 min per dag per kind Eten en/of drinken geven 20 min per maaltijd Babyvoeding (flesje/potje) 10 min per keer per kind Naar school/crèche brengen/halen 15 min per keer per gezin 4.3Ondersteuning bij zelfzorg, de thuisadministratie, het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk en dagbesteding 4.3.1Inleiding De ondersteuningsvormen ondersteuning bij zelfzorg, de thuisadministratie, het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk en dagbesteding zijn onderdeel van de maatwerkvoorziening begeleiding. Begeleiding is in de Wmo 2015 gedefinieerd als 'activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven’32Zie het begrip ‘begeleiding’ in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Het gaat dus om hulp in het dagelijks leven om zelfstandig te kunnen leven. Dit kan individuele begeleiding zijn of in een groep (dagbesteding). Begeleiding hangt nauw samen met de ondersteuning die is gericht op behoud of verbetering van zelfredzaamheid. Bij begeleiding gaat het echter niet om de overname van taken, maar om de ondersteuning ervan. Daarbij zal het veelal gaan om het ondersteunen bij laten uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) door de cliënt zelf, zoals een aansporing om onder de douche te gaan. De doelgroep die in aanmerking kan komen voor begeleiding bestaat uit33Zie artikel 1.2.1 van de Wmo 2015: cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem; en die niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. 4.3.2Resultaatgebieden begeleiding De te behalen resultaten van de begeleiding zijn, evenals een beschrijving van de begeleidingsactiviteiten, opgenomen in de Deelovereenkomst maatwerkvoorziening begeleiding (hierna: Deelovereenkomst begeleiding). De Deelovereenkomst begeleiding omvat ook afspraken over het verstrekken van individuele opdrachten aan de zorgaanbieders, de wijze van leveren van de maatwerkvoorziening, monitoring, administratie, verantwoording, bekostiging en declaratie. De afspraken zijn ook – voor zover van belang - opgenomen in deze beleidsregels omdat ze bepalend zijn voor de indicatiestelling, waaronder de toekenning van pgb’s. Resultaatgebieden begeleiding Resultaten en activiteiten die deel kunnen uitmaken van de Maatwerkvoorziening Begeleiding: De Maatwerkvoorziening Begeleiding is gericht op: het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en/of participatie; of het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van cliënt; of het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van cliënt. Uitwerking resultaatgebieden De door de zorgaanbieder te verrichten activiteiten vallen binnen de volgende resultaatsgebieden: Begeleiden bij een gestructureerd huishouden Ondersteunen bij en opbouwen van een sociaal netwerk voor de cliënt Ondersteunen van de thuisadministratie Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding Ondersteuning bij zelfzorg Mantelzorgondersteuning 1. Begeleiden bij een gestructureerd huishouden Cliënt brengt structuur aan en voert regie over de dagelijkse bezigheden, regelt zelf en neemt besluiten, plant en voert taken uit Cliënt is trouw aan behandeling 2. Ondersteunen bij en het opbouwen van een sociaal netwerk voor de cliënt Cliënt heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociale netwerk Cliënt kan eigen problematiek in relatie tot zijn/haar sociale netwerk hanteren Bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk NB. Bij bemoeizorg en geïsoleerde cliënten zonder een sociaal netwerk is het resultaat 'Cliënt heeft een gezond Sociaal netwerk' een brug te ver. Het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling cliënten uit isolement of uit 'verkeerde/foute sociale' omgeving' te halen. Bij bemoeizorg is op die wijze afname van overlast en hanteerbaar gedrag beoogd. 3. Resultaatgebied: Ondersteunen van de thuisadministratie Overzicht van de administratie/administratie op orde Tijdige betaling van rekeningen door cliënt 4. Resultaatgebied: Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle dagbesteding Mantelzorger is niet overbelast 5. Resultaatgebied: Ondersteuning bij zelfzorg Cliënt is in staat zichzelf (eventueel met behulp van aansturing) te verzorgen Cliënt draagt schone kleding Cliënt ziet er verzorgd uit Cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na Cliënt is trouw aan behandeling 6. Resultaatgebied: Mantelzorgondersteuning Mantelzorger is niet overbelast Mantelzorger kan effectief ondersteunen 4.3.3Afwegingskader bij zelfzorg, thuisadministratie en opbouw en onderhouden van een sociaal netwerk In het algemeen geldt dat eerst wordt onderzocht of een cliënt de mogelijkheid heeft om de beperkingen zelf of met hulp van zijn omgeving weg te nemen of hiervoor een beroep kan doen op een algemene voorziening of een voorziening op grond van een andere wet. Deze oplossingen gaan voor op de inzet van een maatwerkvoorziening begeleiding. Zie hierover ook hoofdstuk 3. Zelfzorg Zie in de eerste plaats paragraaf 3.7. Persoonlijke verzorging kan zowel vanuit de Zvw als vanuit de Wmo 2015 worden geboden. Persoonlijke verzorging wordt vanuit de Zvw geboden als sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een verhoogd risico hierop. De wijkverpleegkundige beoordeelt of hier sprake van is. De toevoeging “of een hoog risico daarop” is de basis voor de inzet van persoonlijke verzorging bij mensen, bijvoorbeeld op een hoge leeftijd, die nog niet direct behoefte hebben aan geneeskundige zorg, maar wel een hoog risico hebben hieraan behoefte te krijgen. De (wijk)verpleegkundige heeft de ruimte om, op basis van de professionele afweging, persoonlijke verzorging in te zetten in een situatie waar nog geen sprake is van dominante medische problematiek. Cliënten kunnen aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Hierbij hoeft het niet altijd te gaan om persoonlijke verzorging ‘met de handen op de rug’ of verzorging die niet lijfsgebonden is. Als de Wmo consulent vermoedt dat een cliënt in aanmerking komt voor persoonlijke verzorging vanuit de Zvw, dan vindt hierover afstemming plaats met de wijkverpleging. De wijkverpleegkundige stelt de indicatie en zonder indicatie kan Wmo-ondersteuning niet worden geweigerd met een beroep op artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015. Thuisadministratie Op het gebied van hulp bij de thuisadministratie zijn er diverse oplossingen beschikbaar die voorgaan op de inzet van een maatwerkvoorziening. Hierbij kan specifiek gedacht worden aan: “formulierenbrigades”; hulp via vakverenigingen; budgetbeheer en -begeleiding; vrijwillige schuldhulp en/of vrijwillige schuldhulpverlening. Opbouw en onderhouden van een sociaal netwerk Om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer is van belang dat een cliënt kan deelnemen aan het “leven van alledag” en de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten kan onderhouden. Het aangaan en onderhouden van sociale contacten zijn van belang om een sociaal isolement te voorkomen. Voor cliënten met beperkingen of met chronische psychische of psychosociale problemen is het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk echter niet altijd vanzelfsprekend. Indien een cliënt hierbij beperkingen ondervindt, dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen. Om een cliënt hierbij te ondersteunen heeft het college diverse mogelijkheden beschikbaar die voorgaan op de inzet van een maatwerkvoorziening, zie de lijst met algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke diensten in paragraaf 3.6. 4.3.4Afwegingskader ondersteuning bij dagbesteding Om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen is het van belang dat een cliënt een zinvolle dagbesteding heeft en –indien van toepassing- eventuele mantelzorgers niet overbelast raken. Voor veel mensen is het hebben van een ingevulde dag uiteraard heel gewoon. Vanaf 4 jaar bezoekt ieder kind het onderwijs, na het onderwijs vinden de meeste mensen werk, als er niet meer gewerkt hoeft te worden zijn veel mensen uitstekend in staat hun dag te vullen. Voor wie dat, door de ondervonden beperkingen, niet kan, is dagbesteding een belangrijke doelstelling onder de Wmo 2015. Voor veel mensen geldt dat de dag wordt besteed aan onderwijs en werk. Dat betekent dat tussen 4 jaar en de AOW-leeftijd (die op dit moment verschuift) er in principe van uitgegaan mag worden dat wie dat kan naar het onderwijs gaat en wie dat kan aan het werk gaat. Uitsluitend wanneer dat, om wat voor reden, niet mogelijk is, kan de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening aanbieden om een ingevulde dag te hebben. Een dag kan op veel verschillende manieren ingevuld worden. Het kan gaan om arbeidsmatige-, recreatieve- of andere activiteiten. Bij deze activiteiten kan ook het aspect van het vasthouden van aangeleerde mogelijkheden, of het eventueel uitbreiden van die mogelijkheden, een rol spelen. De manier waarop de dag besteed wordt en of er leermatige of behoudende aspecten aanwezig zijn moet gedurende het onderzoek na melding bepaald worden. Het is sterk van de persoon afhankelijk of er leeraspecten zijn of niet. Het is ook sterk van de persoon afhankelijk of arbeidsmatige aspecten mogelijk zijn of niet. Is dat niet mogelijk, dan zal het karakter van dagbesteding deels recreatief worden. Ook mengvormen kunnen zeer frequent voorkomen; alleen dat al is een aanwijzing dat het leveren van maatwerk vereist is. De vraag is of er behoefte is aan dagbesteding en waarom. Daarna moet bezien worden of er eigen mogelijkheden of andere alternatieven zijn. Pas aan het eind de omvang te bepalen. Dit omdat er ook combinaties mogelijk zijn, die in een arrangement de eigen oplossingen kunnen aanvullen met een maatwerkoplossing. Is er een behoefte aan een ingevulde dag die niet met eigen oplossingen of een beroep op andere wetten, algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen of diensten kan worden ingevuld, dan gaat het om de vraag wat voor soort dag invulling gewenst is. Gaat het om een arbeidsmatige of vooral recreatieve invulling of een combinatie van die twee? En zo ja in welke verhouding? Daarna komt de vraag van de omvang. Op de persoon afgestemd zal beoordeeld moeten worden aan hoeveel dagdelen dag invulling de cliënt behoefte heeft. Het aantal toe te kennen dagdelen dagbesteding is gemaximeerd op zes dagdelen per week. 4.3.5Onderscheid basis of specialistische begeleiding Voor de cliënt die begeleiding in natura ontvangt, is minder van belang of sprake is van begeleiding basis of specialistisch. Voor de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder en de cliënt die begeleiding inkoopt met een pgb is dit echter wel van belang. Hierna wordt aangegeven hoe het onderscheid wordt gemaakt. Uitgangspunt is dat er begeleiding basis geïndiceerd wordt, tenzij er argumenten zijn waarom dit niet volstaat. Verder is het aan het de Wmo consulent om te beoordelen of sprake is van begeleiding basis of specialistisch. Deze beoordeling vindt altijd op individuele basis plaats. De Wmo consulent onderzoekt de aard van de ondersteuningsvraag en vormt zich een concreet beeld van de praktische inzet die nodig is in het kader van de begeleiding individueel of begeleiding groep. De volgende factoren kunnen om specialistische deskundige competenties van de begeleider/zorgverlener vragen: de aanwezigheid van gedragsproblemen of de mate van voorspelbaarheid van gedrag. Als een cliënt onvoorspelbaar gedrag vertoont is de ondersteuning die nodig is vaak complexer; dynamische of onstabiele situatie. Bij een wisselende ondersteuningsvraag of een steeds veranderende situatie wordt een beroep gedaan op het anticipatievermogen van de begeleider; is multidisciplinaire afstemming door de begeleider nodig? De mate waarin hier een beroep wordt gedaan op de regievaardigheden van de begeleider; de aanwezigheid van forse communicatieproblemen die een beroep doen op speciale competenties van een begeleider. Dit kan zowel fysiek zijn (doof, stom, blind) als neurologisch (afasie) als een verstandelijke oorzaak hebben (de vraag niet goed onder woorden kunnen brengen of antwoorden niet begrijpen). Wat leidt niet per definitie tot een indicatie voor begeleiding specialistisch? mate van beperkingen: Iemand met licht verstandelijke beperkingen kan moeilijker te ondersteunen zijn dan een persoon met ernstige verstandelijke beperkingen; meervoudige problematiek in de zin van meervoudig beperkt. Dit hoeft niet per se complex te zijn. Te denken valt aan de zorg en ondersteuning van mensen die zowel verstandelijk als lichamelijk zwaar beperkt zijn; omvang en duur: Dat is niet hetzelfde als complex/specialistisch. 4.3.6Normering begeleiding Om eenduidig en onderbouwd de omvang van de begeleiding vast te kunnen stellen is in bijlage 2 de ‘Normering begeleiding’ opgenomen die het college als leidraad hanteert. Deze normering is gebaseerd op de CIZ indicatiewijzer 7.0, januari 2014. Binnen deze normen zijn er mogelijkheden om in specifieke situaties maatwerk te leveren. 4.3.7Vervoer In de beschikking wordt vastgesteld of vervoer nodig is en onderdeel moet uitmaken van de maatwerkvoorziening begeleiding individueel of groep. Als vervoer geïndiceerd wordt dan is de zorgaanbieder verplicht dit te organiseren. Het vervoer kan hij regelen in samenspraak met de cliënt, hij kan dit zelf regelen of hij kan daarvoor een overeenkomst sluiten met een vervoerder. Het vervoer moet zodanig georganiseerd worden dat het bruikbaar is voor de cliënt. lndien nodig maakt begeleiding van/naar de deur hier onderdeel van uit. In het natura- of pgb tarief voor begeleiding is rekening gehouden met de noodzakelijke vervoerskosten. Hiervoor wordt dus geen aparte vergoeding verstrekt. Aan de cliënt mag geen extra bijdrage gevraagd worden voor het vervoer. 4.4Ondersteuning bij beschermd wonen en opvang In het kader van de Wmo 2015 zijn alle gemeenten verantwoordelijk voor beschermd wonen en opvang34Zie artikel 1.21 onderdeel b en c van de Wmo 2015. Beschermd wonen is voor personen vanaf 18 jaar met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en daarom een beschermde woonomgeving nodig hebben. Wonen in een beschermde woonomgeving betekent wonen in een accommodatie van een instelling waar ook toezicht en begeleiding wordt geboden. Het toezicht en de begeleiding zijn gericht op: het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie; het bevorderen van het psychisch en psychosociaal functioneren; stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld; het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast; het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. Onder opvang wordt verstaan onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Iedereen kan een vraag voor een maatwerkvoorziening in het kader van beschermd wonen en opvang vooralsnog indienen bij elke gemeente. Voorlopig werkt de gemeente Pijnacker-Nootdorp voor beschermd wonen en opvang samen met de gemeenten Delft, Westland en Midden-Delfland. Per 1 januari 2015 is het college van de gemeente Delft (centrumgemeente) gemandateerd om in het kader van beschermd wonen en opvang besluiten over de toegang tot deze voorzieningen te nemen voor cliënten van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Aansluiting beleid centrumgemeente De gemeente Pijnacker-Nootdorp kiest ervoor om de aanspraak op beschermd wonen en opvang volledig te verstrekken overeenkomstig de geldende (raads- en college) verordeningen van de gemeente Delft en de gemeentelijke beleidsregels van deze gemeente. Dit geldt voor alle onderdelen van het beleid rondom beschermd wonen en opvang, waaronder de bepalingen die zien op de toegang en de bijdrage in de kosten. Hiermee wordt de aansluiting op het actuele beleid van centrumgemeente Delft gewaarborgd. In artikel 6.3 van de verordening en in de nadere regels zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het pgb voor beschermd wonen. Hierbij wordt ook aansluiting gezocht bij het beleid van de centrumgemeente Delft. Onderscheid beschermd wonen en begeleiding Bij beschermd wonen gaat het om wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding35Zie het begrip ‘beschermd wonen’ in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Beschermd wonen is bedoeld voor personen die zich, door psychische of psychosociale problemen of een licht verstandelijke beperking, niet op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Voor de beoordeling of voor een cliënt beschermd wonen of begeleiding moet worden ingezet, is dus van belang of de cliënt zelfstandig kan wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht en ondersteuning. Als hier twijfel over bestaat, stemt de Wmo-consulent hierover af met de centrumgemeente. 4.5Ondersteuning van mantelzorg Dit resultaat moet de cliënt de mogelijkheid bieden in zijn eigen leefomgeving te blijven wonen als de mantelzorg zo zwaar belast is dat mantelzorgverlening in gevaar komt. Dat kan het geval zijn als de mantelzorger door verlening van mantelzorg in diens eigen dagelijkse activiteiten overbelast raakt of dreigt te raken. De gemeente Pijnacker-Nootdorp is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van cliënten zonder een Wlz-indicatie. Een belangrijke vorm van ondersteuning kan zijn het bieden van respijtzorg. Respijtzorg wil zeggen: zorg waardoor de mantelzorger tijdelijk ontlast wordt van zijn taak. Dit kan door beroepskrachten of vrijwilligers en soms ook vanuit de aanvullende zorgverzekering. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft grote waardering voor mantelzorgers en ziet het belang ervan dat mantelzorgers zorg kunnen blijven leveren en niet overbelast raken. Daartoe wordt door de gemeente een actief beleid gevoerd m.b.t. het ondersteunen van mantelzorgers. Dit betekent dat de Wmo consulenten tijdens het onderzoek niet alleen bespreken welk deel van de problematiek kan worden weggenomen met behulp van mantelzorg, maar ook wat deze mantelzorgers nodig hebben om de mantelzorgtaken te blijven verrichten. Onderzoek alternatieven Er zijn veel mogelijkheden denkbaar om de mantelzorger in de bestaande situatie te ontlasten. Misschien is het mogelijk met behulp van een hulpmiddel (denk bijvoorbeeld aan een alarmeringssysteem) de mantelzorger meer ruimte te bieden. Dit terrein zal als eerste beoordeeld moeten worden. Ook hier kunnen adviseurs worden ingeschakeld als die op dit terrein beschikbaar zijn. Te denken valt verder aan persoonlijke verzorging vanuit de Zvw. Ook algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen zullen hier niet gemakkelijk een totaaloplossing bieden, maar wellicht wel een bescheiden bijdrage, zoals deelname aan activiteiten van de SWOP. Algemene mantelzorgondersteuning De gemeente Pijnacker-Nootdorp biedt algemene mantelzorgondersteuning aan via de SWOP. Maatwerkvoorzieningen Ter ontlasting van de mantelzorger kunnen in elk geval de volgende maatwerkvoorzieningen worden ingezet: Begeleiding Kortdurend verblijf Dagbesteding Hulp bij het huishouden Voor de vaststelling van wat in het individuele geval noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de reguliere normering die op basis van deze beleidsregels geldt voor de betreffende maatwerkvoorziening, zie paragraaf 4.2 voor hulp bij het huishouden en paragraaf 4.3 voor begeleiding en dagbesteding. De maatwerkvoorziening ‘kortdurend verblijf’ wordt in sub paragraaf 4.5.1 nader toegelicht. Criteria voor toekenning respijtzorg De mantelzorger woont in de gemeente en zorgt voor een cliënt in de gemeente De mantelzorger verleent gedurende een periode van ten minste 3 maanden aaneengesloten, minimaal 8 uur per week mantelzorg De omvang van de toegekende respijtzorg is zodanig dat de mantelzorger daarmee effectief wordt ontlast en in staat blijft de mantelzorgtaken te blijven verrichten De respijtzorg wordt toegekend aan de cliënt, niet aan de mantelzorger. 4.5.1Kortdurend verblijf De maatwerkvoorziening ten behoeve van het ontlasten van mantelzorgers kan bestaan uit kortdurend verblijf in een instelling. Kortdurend verblijf is dus uitsluitend bedoeld ter ontlasting van mantelzorgers. Het doel van kortdurend verblijf is dat de mantelzorger duurzaam inzetbaar blijft. De toets is dus of de mantelzorger inderdaad ontlast wordt en of het tijdelijk overnemen van de ondersteuning leidt tot duurzame inzet van de betreffende mantelzorger. Afwegingskader kortdurend verblijf In het algemeen geldt dat eerst wordt onderzocht of een cliënt de mogelijkheid heeft om de beperkingen zelf of met hulp van zijn omgeving weg te nemen of hiervoor een beroep kan doen op een algemene voorziening of een voorziening op grond van een andere wet. Deze oplossingen gaan voor op de inzet van een maatwerkvoorziening kortdurend verblijf. Zie hierover ook hoofdstuk 3. Een cliënt kan in aanmerking komen voor kortdurend verblijf indien hij voldoet aan alle hieronder genoemde voorwaarden36Zie artikel 4.9 lid 2 van de verordening : het kortdurend verblijf is noodzakelijk ter ontlasting van de mantelzorger; de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaande met permanent toezicht; de cliënt kan geen aanspraak maken op de Zvw of de Wlz om de overbelasting te voorkomen. Onder permanent toezicht wordt verstaan: toezicht dat geboden wordt op basis van actieve observatie, met als doel dreigende escalatie in het gedrag of de gezondheidssituatie vroegtijdig te signaleren. Door tijdig ingrijpen kan escalatie van onveilige/gevaarlijke/ (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de cliënt worden voorkomen. Het toezicht kan gericht zijn op: het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte; en/of het verlenen van zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; en/of het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). Omvang De omvang van kortdurend verblijf bedraagt maximaal 52 etmalen per jaar, waarbij de cliënt maximaal 28 etmalen aaneengesloten mag afnemen37Zie artikel 4.9 lid 3 van de verordening . 4.6Ondersteuning bij het zich verplaatsen in en om de woning Het gaat om cliënten die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Hierbij betreft het verplaatsingen in en om de woning en om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Vanuit de Zvw worden rolstoelen verstrekt voor beperkte (<26 weken) of onzekere duur. Als een cliënt vanuit een situatie van revalidatie is aangewezen op een rolstoel, dan zal hiervoor veelal een beroep kunnen worden gedaan op de Zvw. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal, zo nodig via een medisch of ergonomisch advies, een programma van eisen worden opgesteld voor de rolstoel en de daarvoor noodzakelijke aanpassingen en accessoires. Deze uitgangspunten bij de selectie van een rolstoel zijn ook van toepassing op kinderrolstoelen. Daarbij geldt in nog hogere mate dan voor rolstoelen voor volwassenen dat de selectie zorgvuldig moet gebeuren. Omdat kinderen groeien is het aan te bevelen de rolstoel zodanig te selecteren dat deze niet jaarlijks vervangen hoeft te worden. Onder rolstoelvoorzieningen voor kinderen vallen ook buggy’s en wandelwagens (aangepast) en zitondersteuningselementen. Rekening houden met mantelzorgers Er wordt ook rekening gehouden met de belangen van mantelzorgers. Als de mantelzorger bijvoorbeeld niet in staat is de rolstoel te duwen, zal gekeken worden naar alternatieven om het hier bedoelde resultaat te bereiken. Beroep op Wlz Voor cliënten die in een Wlz-instelling verblijven wordt de rolstoel verstrekt vanuit de Wlz. 4.7Ondersteuning bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 4.7.1Inleiding De maatwerkvoorziening lokaal verplaatsen per vervoermiddel is gericht op het sociaal vervoer, ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de cliënt in zijn eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. 4.7.2Afwegingskader Wanneer een cliënt beperkingen ervaart en in overwegende mate en langdurig niet kan deelnemen aan het leven van alledag, kan een vervoersvoorziening die sociale participatie bewerkstelligt verstrekt worden. Een verstrekking hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van cliënt. Bij het bepalen van het te bereiken resultaat gaat het er bij maatschappelijke participatie niet om hoe vaak een cliënt een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen. Het uitgangspunt hierbij is dat de cliënt kan deelnemen aan het "leven van alledag" en de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten kan onderhouden. Daarnaast is het van belang hoe de cliënt zich tot nu toe heeft gered, al dan niet met behulp van anderen. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen. Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met: de beperkingen van de cliënt; de individuele vervoersbehoefte van de cliënt; de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in de vervoersbehoefte van de cliënt te voorzien. De beperkingen Onderzocht wordt welke beperkingen de cliënt ondervindt en of deze beperkingen aanleiding zijn voor het vervoersprobleem dat de cliënt ervaart. Uitsluitend aantoonbare beperkingen in relatie tot de individuele vervoersbehoefte van de cliënt met beperkingen zijn bepalend voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de cliënt in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Vaststellen vervoersbehoefte Bij het vaststellen van de vervoersbehoefte van de cliënt wordt gekeken naar de vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo 2015 valt, anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst passende en meest proportionele voorziening is. Om de beperkingen en vervoersbehoefte van de cliënt inzichtelijk te maken wordt hierbij onderscheid gemaakt in drie verschillende afstanden: de korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving; de middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio; de lange afstanden: naar bestemmingen buiten de regio. Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een cliënt en diens verplaatsingsgedrag: kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige verplaatsingsbehoefte. De vervoersbehoefte zal in de regel niet dusdanig afwijkend zijn van die van niet-beperkte leeftijdsgenoten dat er aanleiding is voor een vervoersvoorziening; kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben een beperkte individuele vervoersbehoefte voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (verplaatsingen naast het reguliere woon-schoolverkeer, waarin wordt voorzien vanuit het leerlingenvervoer); bij kinderen van 12 jaar en ouder spelen verplaatsingen zich veelal af binnen de mogelijkheden van de fietsafstand of openbaar vervoer (verplaatsingen naast het reguliere woon-schoolverkeer, waarin wordt voorzien vanuit het leerlingenvervoer). Gebruikelijke en voorliggende oplossingen Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen zal het college eerst alle mogelijke alternatieven beoordelen. Immers, een cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als hij volgens het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of een voorziening op grond van een andere wet, in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Voor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende oplossingen, zoals: het gewone openbaar vervoer (OV) of de buurtbus; meerijden met huisgenoten, familie, vrienden, mantelzorgers en/of vrijwilligers; fiets met lage instap en/of hulpmotor; elektrische (bak)fiets; (elektrische) Tandem; vervoer vanuit de dagbesteding/begeleiding groep; vervoer vanuit beschut werk; vervoer vanuit de zorgverzekeraar in verband met medisch vervoer (onder andere bij nierdialyse in een instelling en oncologische behandelingen); leerlingenvervoer voor het vervoer naar en van school; het UWV of de werkgever voor het vervoer in verband met het woon-werk verkeer. Als bovenstaande oplossingen niet adequaat zijn kan het college een vervoersvoorziening inzetten. 4.7.3Reikwijdte en omvang van het lokaal vervoer Volgens rechtspraak bedraagt de reikwijdte van het lokaal verplaatsen een afstand van 15 tot 20 km vanaf het woonadres van de cliënt38Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 02-08-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6884. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aanbiedt. Het bovenregionaal vervoer is echter pas beschikbaar als cliënten verder reizen dan 25 kilometer vanaf hun woonadres. Om het lokaal en regionaal vervoer op elkaar aan te laten sluiten, stelt het college daarom een vervoersvoorziening beschikbaar waarmee de cliënt een afstand van maximaal 25 kilometer vanaf diens woonadres kan reizen. De maximale reisafstand van een enkele rit mag daarbij niet langer zijn dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de cliënt, waarbij voor de berekening van het aantal kilometers wordt uitgegaan van de kortste route volgens de ANWB Routeplanner. Het college stelt een vervoersvoorziening ter beschikking waarmee de cliënt op jaarbasis maximaal 2400 kilometer kan reizen. Dit kan een collectieve vervoersvoorziening (Regiotaxi) of een combinatie van vervoersvoorzieningen betreffen. Volgens rechtspraak is dit kilometerbudget ruim toereikend om de cliënt in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag39Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20-03-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2128. 4.7.4Voorrang collectief vervoer (Regiotaxi) Collectief vervoer is een vorm van openbaar vervoer speciaal gericht op mensen met beperkingen. Het betreft een voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep van deur tot deur worden vervoerd. Het collectief vervoer maakt vervoer mogelijk in de directe woon- en leefomgeving van de cliënt. Een enkele rit is maximaal 25 kilometer lang gerekend vanaf het woonadres van de cliënt. Het vervoer wordt uitgevoerd in personenbusjes, personenauto’s of combi-voertuigen en biedt mogelijkheden om loophulpmiddelen, rolstoelen en scootmobielen te vervoeren. De chauffeur biedt de cliënt de benodigde begeleiding. De cliënt betaalt aan de vervoerder een ritbijdrage die is vastgelegd in de verordening. Het college hanteert voor het zich lokaal verplaatsen per vervoersmiddel in principe het primaat collectief vervoer. Dit betekent dat indien het collectief vervoer een passende oplossing kan bieden, deze oplossing voorrang heeft op andere vervoersvoorzieningen. Aan de hand van de vastgestelde vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een cliënt met een maximale loopafstand van 800 meter opgelost kan worden door gebruik van het collectief vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de individuele situatie en persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. In de gemeente Pijnacker-Nootdorp wordt het collectief vervoer uitgevoerd door de Regiotaxi Haaglanden. Ook mensen zonder beperkingen kunnen hier tegen kostprijs gebruik van maken. 4.7.5Overige vervoersvoorzieningen Indien het collectief vervoer gezien de beperkingen van de cliënt geen passende ondersteuning biedt of niet beschikbaar is, kan het college een andere vervoersvoorziening verstrekken. Welke voorziening dat is, hangt helemaal af van de vervoersbehoefte op korte en langere afstanden, en de fysieke en geestelijke mogelijkheden van de cliënt. Het kan bijvoorbeeld gaan om een scootmobiel, een aangepaste fiets of een andere maatwerkvoorziening voor lokaal verplaatsen. Ernstig beperkte mobiliteit Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter en een relevante vervoerbehoefte op korte afstanden zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstanden. In veel gevallen zal men overigens kunnen volstaan met het verstrekken van een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Vervoersvoorziening voor korte afstanden Voor een vervoersvoorziening voor de korte afstanden gelden de volgende voorwaarden: de persoon met beperkingen heeft objectief aangetoonde ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie en ondervindt ten gevolge hiervan problemen bij het verplaatsen buitenshuis; deze problemen doen zich voor op de zeer korte afstand (tot 100 meter) of de iets langere afstanden (tot 500 meter); er kan geen gebruik gemaakt worden van andere oplossingen, zoals het openbaar vervoer, de fiets, een rolstoel, rollator, stok, en dergelijke; in de vervoersbehoefte is niet of niet volledig te voorzien met het collectief vervoer; er moet een geschikte stallingsmogelijkheid voor de voorziening zijn, of die mogelijkheid moet gerealiseerd kunnen worden. Als een scootmobiel noodzakelijk is voor de beperkingen van cliënt, maar een adequate stallingsmogelijkheid ontbreekt, dan is het college verantwoordelijk hiervoor indien mogelijk te zorgen. Een scootmobiel dient overdekt gestald te worden en er dient een oplaadpunt in de nabije omgeving aanwezig te zijn. Het college onderzoekt per individueel geval welke voorziening hiervoor de meest passende en goedkoopste stallingsmogelijkheid biedt, bijvoorbeeld de toekenning van een beschermhoes voor het stallen van de scootmobiel, onder voorwaarde dat de cliënt of diens huisgenoot in het kader van gebruikelijke hulp op deze wijze de scootmobiel kunnen stallen. Als het niet mogelijk is een adequate stallingsmogelijkheid te realiseren, kan er ook geen scootmobiel verstrekt worden; de stalling van een aangepaste fiets of driewielfiets is algemeen gebruikelijk. Hier moet de cliënt dus zelf voor zorgen. Maatwerkvoorziening voor gebruik eigen vervoer Zie over het gebruik van de eigen auto paragraaf 3.1 (eigen kracht). Als het college op basis daarvan besluit een pgb voor vervoer toe te kennen (voor de bovengebruikelijke ritten over korte afstanden per eigen auto) dan wordt deze berekend op basis van de rekentool Grip op geld -wat kost een auto- van het Nibud uitgaande van de variabele kosten per maand voor een compacte klasse auto, vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, uitgaande van maximaal 2400 kilometer per jaar. Mantelzorg en begeleiding bij vervoer Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de mantelzorger mee wordt vervoerd vanwege de (medische) noodzaak om tijdens het vervoer in te kunnen grijpen. Het vervoer van de mantelzorger als noodzakelijke begeleider is dan gratis. HOOFDSTUK5.MAATWERKVOORZIENING IN NATURA EN PGB 5.1Inleiding Als vaststaat welke maatwerkvoorziening in vorm, duur en frequentie nodig is, dan wordt met de cliënt de wijze van verstrekking van de maatwerkvoorziening besproken. Het uitgangspunt in de Wmo 2015 is dat een voorziening in zorg in natura wordt verstrekt40Zie de memorie van toelichting bij de Wmo 2015: TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, pagina 152. Zorg in natura houdt in dat de maatwerkvoorziening wordt geleverd door een door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde zorgaanbieder. Als de cliënt dit wenst, dan kan het college een persoonsgebonden budget (pgb) toekennen als wordt voldaan aan de voorwaarden die hiervoor zijn gesteld. Een pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf de maatwerkvoorziening mee in te kopen. Het pgb is niet bedoeld om een inkomen te genereren of een verlies van inkomsten te vergoeden of te compenseren. De Wmo 2015 voorziet daar niet in en is daar ook niet voor bedoeld. In dit hoofdstuk worden de voorwaarden en weigeringsgronden die van toepassing zijn voor de beoordeling van een pgb-aanvraag nader toegelicht. 5.2Maatwerkvoorziening in natura Bij een maatwerkvoorziening in natura verstrekt het college deze voorziening in de regel via een gecontracteerde of gesubsidieerde (zorg)aanbieder (bijvoorbeeld een thuiszorgorganisatie of een hulpmiddelenleverancier). De maatwerkvoorziening kan als volgt aan de cliënt worden verstrekt: i