← Nederland

Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022 (Lansingerland)

Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 20221Algemene bepalingen 1.1Definities Artikel1.1.1Begrippen De in deze beleidsregels opgenomen begrippen kennen, tenzij uit deze beleidsregels het tegendeel blijkt, dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022. 1.2Toepassingsbereik Artikel1.2.1Sociaal Domein Deze beleidsregels stellen regels met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en bieden een handreiking voor de invulling van in deze wetten en in de Verordening Sociaal Domein. Artikel1.2.2Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De in deze beleidsregels opgenomen regels zijn niet van toepassing op de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Voor deze voorzieningen gelden de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018, zoals vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op 27 juli 2018 (gmb-2018-8261) en laatstelijk gewijzigd op 21 januari 2020 (gmb-2020-13909). Artikel1.2.3Strijd met hogere wet- en regelgeving Indien de uitvoering van een bepaling van deze beleidsregels in voorkomende gevallen in strijd is met de wet of de verordening, dan geldt de bepaling uit deze beleidsregels in dat geval niet. Artikel1.2.4Klachtenreglement Al het handelen van medewerkers van de gemeente in het kader van uitvoering van de Wet maatschappe-lijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, Wet gemeentelijke schuld-hulpverlening en de gemeentelijke regelgeving zoals omschreven in de Verordening Sociaal Domein en deze beleidsregels valt onder het geldende gemeentelijk klachtenreglement. 2Toegang 2.1Melding Artikel2.1.1Contact Een inwoner, of een derde namens hem, kan zich met een verzoek om informatie of een ondersteunings-vraag op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk, inkomen of schulden melden bij de gemeente of bij een voor dat gebied aangewezen toegangspartij. Een melding/ondersteuningsvraag op het gebied van inkomen vindt plaats bij de gemeente en niet bij het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen. Artikel2.1.2Verzoek om informatie 1.Een verzoek om informatie wordt, zo mogelijk, direct afgehandeld. Dat wil zeggen dat de inwoner, of de derde namens hem, direct de juiste informatie krijgt of wordt doorverwezen naar de juiste instantie/organisatie waar de vraag kan worden beantwoord. Als de vraag niet direct beantwoord kan worden dan wordt er een afspraak gemaakt om de informatie op een later moment te verstrekken. 2.De afhandeling van het informatieverzoek kan, afhankelijk van de aard van het informatieverzoek, als contactmoment geregistreerd worden in het digitale contactregistratiesysteem van de gemeente. Artikel2.1.3Verzoek tot ondersteuning Een ondersteuningsvraag wordt afgehandeld op de manier zoals beschreven in hoofdstuk 2 van de Verordening. 2.2Onderzoek Artikel2.2.1Gesprek 1.Om een ondersteuningsvraag goed te kunnen onderzoeken en zorgvuldig (integraal) af te kunnen handelen vindt er een gesprek plaats met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger conform artikel 2.2.3 van de Verordening. In het gesprek, ook wel “de brede uitvraag”, komen alle levensdomeinen uit de zelfredzaamheidsmatrix aan de orde. De verzameling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving (T19.10353). De toegangs-medewerker bepaalt of het uitvragen en vastleggen (verwerken) van de gegevens doelmatig is, in proportie is en of er een alternatief is. De mening en argumenten van de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger zijn onderdeel van deze afweging. 2.Om het gesprek goed te laten verlopen bereidt de gemeente of de toegangspartij zich voor op het gesprek door alvast informatie op te vragen. Ook maakt de gemeente waar nodig gebruik maken van de bevoegdheid om van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie ten behoeve van het onderzoek te verzamelen. 3.Om het gesprek goed te laten verlopen wordt de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger gevraagd zich voor te bereiden op het gesprek. De gemeente of de toegangspartij informeert de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger over wat hij kan doen ter voorbereiding op het gesprek en welke gegevens en bescheiden nodig zijn om mee te brengen naar het gesprek. Artikel2.2.2Derde 1.Een inwoner kan een derde meenemen naar het gesprek en/of gebruik maken van een vertegen-woordiger. De gemeente of de toegangspartij kan deze derde (verdere) toegang tot het gesprek weigeren als er bijvoorbeeld sprake is van: misdraging door deze derde; of een persoonlijk belang van deze derde bij de uitkomst van het onderzoek (de derde is bijvoorbeeld beoogd zorgverlener vanuit een Pgb). 2.Ook indien er geen reden is om de betrokkenheid van de derde te weigeren kan het in het belang van het onderzoek nodig zijn dat de gemeente of de toegangspartij het gesprek met de inwoner zelf voert, al dan niet in aanwezigheid van deze derde. Het gaat in het onderzoek immers om de inwoner en het is belangrijk dat de gemeente of de toegangspartij een goed beeld heeft van zijn situatie. Bovendien rust de inlichtingenplicht op de inwoner zelf. Artikel2.2.3Ondersteuningsplan De gemeente of de toegangspartij zoekt op basis van de brede uitvraag, samen met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger, naar de meest passende ondersteuning binnen de gestelde kaders van wet- en regelgeving. Hiervoor kunnen meerdere gesprekken en eventueel extern advies van een deskundige noodzakelijk zijn. De mogelijke oplossingen en te behalen resultaten worden vastgelegd in een onder-steuningsplan. In het ondersteuningsplan wordt, indien van toepassing, ook een casushouder benoemd die de uitvoering van het ondersteuningsplan zal coördineren. 2.3Besluitvorming Artikel2.3.2Besluit De gemeente beoordeelt de aanvraag aan de hand van de resultaten van het onderzoek en op basis van de relevante wet- en regelgeving en neemt een gemotiveerd besluit. Artikel2.3.2Nazorg De gemeente kan nazorg leveren als dat nodig is. Dit kan telefonisch of door een persoonlijk gesprek. In sommige gevallen zal er na een bepaalde periode onderzocht moeten worden of de gekozen oplossing nog steeds de best passende oplossing is. In samenspraak met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger kunnen afspraken worden gemaakt over contactmomenten, die worden vastgelegd in een verslag en geregistreerd in het informatiesysteem van de gemeente. De gemaakte afspraken nemen niet weg dat de gemeente ook los van deze afspraken onderzoek kan doen naar de passendheid van een verstrekte voorziening. Artikel2.3.3Efficiënte besluitvorming De gemeente kan, met het oog op een efficiënte besluitvorming, afwijken van de standaard onderzoeks-procedure indien de situatie voldoende duidelijk is om een gemotiveerd besluit te nemen. 3Adviesraad Sociaal Domein Met betrekking tot de Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland zijn vooralsnog geen beleidsregels vastgesteld. De wettelijke regelingen en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland worden gevolgd. 4Wmo De financiële richtlijnen voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen staan in bijlage 1. 4.1Wat is een maatwerkvoorziening? 4.1.1Soorten maatwerkvoorziening [vervallen] 4.2Hulp bij het huishouden 4.2.1Wat verstaan we eronder? Inwoners krijgen hulp bij het huishouden in aanvulling op wat zij zelf kunnen doen of zelf kunnen regelen in de eigen sociale omgeving. De gemeente onderzoekt met de inwoner de mogelijkheden van de eigen inzet, ondersteuning door familie, vrienden of buren en het gebruik van algemene voorzieningen in de wijk en neemt dit op in het ondersteuningsplan. De aanbieder die de hulp bij het huishouden namens de gemeente levert maakt op basis van het ondersteuningsplan nadere afspraken over de uitvoering van de toegekende hulp bij het huishouden. Het gaat om ondersteuning bij het schoon en leefbaar houden van de elementaire gebruiksruimtes in het huis, zoals woonkamer, slaapkamer, keuken, sanitaire voorzieningen en de was. 4.2.2Resultaat Een schoon en leefbaar huis. 4.2.3Afwegingskader Bij de beoordeling van de noodzaak van hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de specifieke persoonskenmerken van de inwoner, zijn situatie met huisgenoten en zijn sociale omgeving. Eigen mogelijkheden Het college beoordeelt of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, doet de gemeente een moreel appèl op de financiële zelfredzaamheid van de inwoner. Gebruikelijke zorg Daarnaast beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg, die huisgenoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt als een voorliggende voorziening beschouwd. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld een uitgebreid onderzoek van de consulent en/of door medisch onderzoek. Bij (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(

  1. en)die gebruikelijke zorg verlenen, kan een tijdelijke voorziening worden ingezet voor de duur van 6 maanden voor het herstel van draagkracht en draaglast. Van de huisgeno(o)t(
  2. en)wordt dan verwacht dat zij werken aan het wegnemen van de (dreigende) overbelasting en/of het vinden van een eigen langdurige oplossing. Wanneer de inwoner een verlenging van de tijdelijke voorziening aanvraagt omdat de huisgeno(o)t(
  3. en)de (dreigende) overbelasting niet heeft kunnen wegnemen of een langdurige oplossing heeft gevonden, kan het college een medisch onderzoek starten. Huisgenoot Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind of inwonende ouders. Wie zijn geen huisgenoten? Personen die een (pension) kamerhuren, niet in enige familiebetrekking staan tot de aanvrager en een huurcontract hebben, worden niet gezien als huisgenoten. Van hen wordt wel verwacht dat zij de ruimten schoonhouden waar zij zelf (mede) gebruik van maken. Rekening houden met de leeftijd van de huisgenoten Bij gebruikelijke zorg wordt er rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Kinderen vanaf 13 jaar tot 18 jaar kunnen (naar hun eigen mogelijkheden) lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien, hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Van jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een meerpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een volledig huishouden kunnen voeren. Huishouden naast een baan/studie Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een baan/studie een meerpersoonshuishouden te kunnen runnen. Ver en lang van huis Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een tenminste meerdere aaneengesloten perioden van tenminste 7 etmalen kunnen niet uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Voor niet-uitstelbare taken zal ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg een maat-werkvoorziening ingezet kunnen worden. Dat is niet mogelijk als de afwezigheid van een huisgenoot een gevolg is van een eigen keuze. De afwezigheid moet dus een verplichtend karakter hebben, zoals bij opdrachten in het kader van werk of bij detentie. Niet willen of niet gewend Bij de beoordeling wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat huisgenoten aangeven dat ze het huishoudelijk werk niet willen doen of niet gewend zijn om te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit niet kunnen, wordt goed gekeken naar de persoonlijke situatie en indien mogelijk verwezen naar vrij toegankelijke voorzieningen als cursussen of trainingen voor het aanleren van huishoudelijke taken. Algemeen gebruikelijk en/of algemene voorziening Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en of hij in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Voorbeelden hiervan zijn: Een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant Het bestellen en laten leveren van boodschappen via internet Boodschappendienst door vrijwilligers Een vrijwilliger die meegaat om boodschappen te doen Maaltijdvoorziening of kant-en-klaar maaltijden Aanschaf van een droogtrommel Strijkservice Tuinman Hondenuitlaat-service Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn situatie (eigen kracht). 4.2.4Maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Als al het voorgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college een maatwerk-voorziening inzetten in de vorm van hulp bij het huishouden. Er zal aan de hand van de situatie en de inzet van bovenstaande voorliggende oplossingen worden beoordeeld welk type ondersteuning het meest passend is. Vormen van hulp bij het huishouden Onder hulp bij huishouden vallen de huishoudelijke werkzaamheden gericht op zelfredzaamheid van de inwoner. Wanneer er een cliënt, bij uitzondering, hulp behoeft bij het organiseren van het huishouden, neemt de gemeente dit op in het ondersteuningsplan. Daar waar nodig worden hier tijdelijk extra minuten voor geïndiceerd. Werkwijze: handreiking hulp bij het huishouden. De consulent indiceert de hulp bij het huishouden en bepaalt het aantal uren inzet en, op hoofdlijnen, de bijbehorende taken conform de KPMG normenkader handreiking hulp bij het huishouden, zie bijlage 6. Voor het bepalen van de inzet van hulp bij (dreigend) overbelaste mantelzorgers die niet in hetzelfde huis wonen als degene(
  4. n)waarvoor zij mantelzorger zijn, hanteert de consulent de Caregiver Strain Index (CSI). Hulp bij het huishouden wordt in gevallen waarbij de mantelzorger en zorgvrager niet in hetzelfde huis wonen, afgegeven op de mantelzorger. In het ondersteuningsplan en in de beschikking is beschreven wat de inwoner zelf kan, in hoeverre er gebruik gemaakt wordt van het sociale netwerk en gebruikelijke hulp en of een algemene voorziening onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan. Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot Wanneer de inwoner overlijdt en een huisgenoot met beperkingen alleen achterblijft kan de hulp bij het huishouden gedurende 2 maanden worden voortgezet. Dit gebeurt op naam van de overleden huisgenoot. De achterblijvende huisgenoot heeft op deze manier tijd om de hulp te organiseren. De Wmo consulent neemt zelf contact op met de achterblijvende huisgenoot om onderzoek te doen. Indien nodig dient de achter-blijvende huisgenoot een nieuwe aanvraag tot een Wmo-voorziening in. 4.2.5Hulp bij het huishouden voor kinderen die tot het gezin behoren [vervallen] 4.3Begeleiding 4.3.1Wat verstaan we eronder? Begeleiding is gericht op het bevorderen en/of, het behoud van zelfredzaamheid van de inwoner. Begeleiding is bedoeld voor mensen die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een intramurale instelling of zouden verwaarlozen. Begeleiding kan individueel of in groepsverband worden ingezet. Bij zelfredzaamheid gaat het hier om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de inwoner, waardoor deze onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. In de tweede plaats kan de begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. 4.3.2Resultaat Het resultaat van de begeleiding is: Een verbetering van de zelfredzaamheid en participatie of een stabilisatie van de zelfredzaamheid en participatie of het voorkomen van verdere ontregeling of teloorgang. 4.3.3Afwegingskader Om tot de gewenste resultaten te komen en om te beoordelen of de inzet van een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding daartoe bijdraagt wordt het volgende afwegingskader gehanteerd: Algemeen gebruikelijke en of algemene voorziening Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en deze ook in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Voorbeelden hiervan zijn: Verenigingsactiviteiten Maatjes of buddy’s Begeleiding door vrijwilligers Bezoekdienst Vrij toegankelijke dagactiviteiten (inloop) Thuisadministratie Formulierenbrigade Open tafels Deze lijst is niet limitatief. Van inwoners die daartoe in staat zijn, wordt actie en initiatief verwacht om hun netwerk in te schakelen en zo te voorzien in hun vraag naar hulp bij dagelijkse bezigheden, dagactiviteiten en ontmoeting. Administratieve taken door huisgenoten Administratieve taken vallen onder gebruikelijke zorg en kunnen daarom worden overgenomen door huisgenoten die daartoe in staat worden geacht. Werk en school Als een inwoner niet in staat is (aangepast) te werken of naar school te gaan, kan er aanspraak zijn op begeleiding groep ter vervanging van arbeid of school als de inwoner hierop is aangewezen. Dit betekent echter niet dat als de inwoner wel naar school kan gaan of kan werken, er geen aanspraak kan zijn op begeleiding groep anders dan ter vervanging van arbeid of school. Dit moet afzonderlijk worden afgewogen. Mantelzorg Als de mantelzorger aangeeft de boven gebruikelijke zorg niet (meer) te kunnen leveren, kan een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding mantelzorger ingezet worden. Bemoeizorg Inwoners met risico of verwaarlozing of teloorgang die zelf geen hulp zoeken of die geen hulp accepteren noemen we zorgmijders. Vanuit de Wmo kan bemoeizorg worden ingezet. De bemoeizorgmedewerker legt contact met de zorgmijder en regelt de zorgcoördinatie en de praktische ondersteuning. Bemoeizorg is een geïndiceerde voorziening. Het abonnementstarief is niet van toepassing. Voorliggende voorzieningen op grond van andere wetgeving: Bemoeizorg is voor inwoners met een niet gestelde hulpvraag en die eventueel aangeboden hulp en zorg mijden omdat ze niet kunnen of willen gebruik maken van de reguliere hulpverlening. Onder bemoeizorg vallen de volgende taken: Situatie en problematiek van de inwoner in kaart brengen Investeren in contact en relatie Aansluiten bij woon- en leefwereld Praktische zaken zoals schulden en vervuiling zo snel mogelijk verhelpen zodat daarna de onderliggende problematiek (zoals psychiatrie en verslaving) aangepakt kan worden De inwoner zoveel mogelijk activeren een en ander op te pakken, bijvoorbeeld dagbesteding. De duur van de begeleiding wordt bepaald door het te verwachten resultaat. Begeleiding jongeren Begeleiding voor kinderen en jongeren tot 18 jaar valt onder de Jeugdwet. Als een voorziening vanuit de Jeugdwet is geïndiceerd voor het 18de jaar en het noodzakelijk is die voort te zetten, maar dit niet mogelijk is vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning, kan de voorziening tot 23 jaar worden voortgezet vanuit de Jeugdwet (Verlengde Jeugdhulp). Behandeling Behandeling valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of onder de Wet langdurige zorg (Wlz) en is voorliggend op begeleiding, mits de behandeling beschikbaar is voor de inwoner. Onder behandeling vallen activiteiten die gericht zijn op het verbeteren (tegengaan van verslechtering) van de aandoening, stoornis of beperking. Daarbij hoort het verbeteren van algemene competenties en vaardigheden (zoals beheersen van gedrag, verbeteren van fysieke vaardigheden als conditie, bewegings-vermogen, en/of mentale vaardigheden als oriëntatie vermogen, concentratievermogen, enzovoort). Het gaat om gerichte professionele interventies, waarvoor expertise op het niveau van een specifiek medicus (specialist ouderen-geneeskunde, arts verstandelijk beperkten, enzovoort), specifiek paramedicus (bijvoorbeeld ergotherapeut), vak therapeut (bijvoorbeeld drama-/speltherapeut) of gedragswetenschapper (bijvoorbeeld orthopedagoog, gz-psycholoog) noodzakelijk is. Het is mogelijk om tijdens de periode van behandeling een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding in te zetten. Persoonlijke verzorging Wanneer een cliënt hulp nodig heeft bij zijn persoonlijke verzorging, moet gekeken worden waarbij de cliënt precies hulp nodig heeft, het verzorgen zelf of de begeleiding hierbij. Persoonlijke verzorging valt onder de Wmo wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Persoonlijke verzorging kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levens-verrichtingen (ADL), waaronder: in en uit bed komen; aan-en uitkleden: bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne; toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen. Het gaat bij persoonlijke verzorging op grond van de Wmo niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de cliënt, maar om de begeleiding hierbij. Het gaat dus om cliënten die zichzelf wel kunnen wassen en aankleden en dergelijke, maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regieprobleem hebben, bijvoorbeeld cliënten met een verstandelijke handicap of een psychiatrische aandoening. Dit betekent dat de aanspraak op persoonlijke verzorging verband houdt met de zelfredzaamheid en in het verlengde ligt van begeleiding. Een cliënt kan op grond van de Zorgverzekeringswet aanspraak maken op persoonlijke verzorging wanneer er behoefte is aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop (artikel 2.10 Besluit zorgverzekering). Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die plegen te bieden. 4.3.4De maatwerkvoorziening begeleiding Begeleiding kan nodig zijn voor inwoners met hulpvraag op één of meerdere gebieden: Het voeren van een gestructureerd huishouden; Het opbouwen van een sociaal netwerk voor de cliënt; Het voeren van thuisadministratie; Arbeidsparticipatie/dagbesteding; Zelfzorg; Mantelzorg ontlasten. Vormen van begeleiding Met betrekking tot de begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel, begeleiding groep of een combinatie van beide. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel wanneer hetzelfde doel wordt beoogd. Individuele begeleiding Individuele begeleiding is één op één hulp voor het verkrijgen van structuur orde en regelmaat in het leven. Voorbeelden van individuele begeleiding zijn: Hulp bij de administratie, post en financiën. Hulp bij het leren om het huishouden te doen. Begeleiding van de opvoeder bij de opvoeding tenzij er sprake is van kindgebonden problematiek. Hulp om de dag in te delen en dingen te ondernemen. Hulp bij het zoeken van contact met mensen in de omgeving. Hulp om te communiceren met anderen. Hulp om gedragsproblemen te verminderen. Hulp bij het vinden van een daginvulling. De volgende maatwerkvoorzieningen vallen onder individuele begeleiding: Kortdurende begeleiding bij acute probleemsituaties Individuele begeleiding gericht op leren/ontwikkelen Groepstraining Bereik- en beschikbaarheidsdienst Individuele begeleiding gericht op behouden Waakvlamcontact Ad. Kortdurende begeleiding bij acute probleemsituaties Dit product wordt ingezet bij acute probleem-/ crisissituaties die direct aangepakt moeten worden. Dit product kan worden ingezet als ondersteuning bij de crisis waarvoor de inwoner behandeld wordt. Het doel van kortdurende begeleiding bij acute probleemsituaties is het stabiliseren van de situatie en het opstellen van een zorgplan. Bij het opstellen van het zorgplan wordt de inwoner, het sociale netwerk, de maatschappelijke en zorgpartners betrokken. Ad. Individuele begeleiding gericht op leren/ontwikkelen Dit product wordt ingezet bij hulpvragen, waarbij gericht aan ontwikkeldoelen op één of meerdere resultaatgebieden gewerkt kan worden. Het resultaat is dat de inwoner zelfredzaam is. Hij heeft regie en structuur in het dagelijks leven en kan dagelijkse activiteiten plannen. De benodigde vaardigheden zijn hiervoor aangeleerd. Indien nodig wordt groepstraining of een bereik- en beschikbaarheidsdienst ingezet. Ad. Individuele begeleiding gericht op behouden Deze begeleiding is gericht op het bereiken van doelen op één of meerdere resultaatgebieden. Dit product wordt ingezet wanneer de inwoner matig of nauwelijks leerbaar is en behoud middels begeleiding de situatie stabiliseert. Er is geen uitzicht op volledige zelfredzaamheid. Het doel is om de situatiestabiel te houden en terugval voorkomen. Ook het bereiken van kleine doelen staat centraal. Waar mogelijk wordt de inwoner toe geleidt naar het voorliggend veld. Ad. Waakvlamcontact Waakvlamcontact wordt ingezet voor inwoner die eerder individuele begeleiding hebben gehad. De inwoner is zelfredzaam, maar er is nog een onzekerheid in eigen kunnen. De inwoner heeft een vangnet nodig om het zelfvertrouwen te krijgen. Door het inzetten van waakvlamcontact is er een vraagbaak/vangnet voor de inwoner waar hij op terug kan vallen indien nodig. Er wordt op afstand nazorg geboden tijdens kantooruren. Het resultaat is dat de inwoner volledig zelfredzaam is en geen verdere begeleiding meer nodig heeft. Begeleiding mantelzorg Hulp bij het huishouden voor kinderen die tot het gezin behoren (gezinsgerichte ondersteuning) Het afwegingskader voor de inzet van hulp bij het huishouden bij gezinnen met kinderen wijkt op enkele punten af van het afwegingskader zoals beschreven in artikel 4.2.3. De zorg voor (jonge) kinderen De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Het gaat om het zorgen voor de persoonlijke hygiëne van de kinderen, het verzorgen van de maaltijden en de opvang van de kinderen. Als ouders door beperkingen niet of niet meer in staat zijn de zorg voor hun kinderen op zich te nemen, kan een maatwerkvoorziening een passende oplossing bieden. In een acute situatie kan een tijdelijke maatwerkvoorziening ingezet worden voor maximaal 3 maanden en in het uiterste geval tot een omvang van maximaal 40 uur per week om tot een permanente oplossing te komen. Algemeen gebruikelijke, voorliggende of algemene voorziening en of eigen netwerk. Algemeen gebruikelijke voorzieningen in deze situatie zijn bijvoorbeeld voorschoolse, tussen schoolse en naschoolse opvang, kinderopvang en opvang door grootouders. Eigen mogelijkheden Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschapsverlof. Maatwerkvoorziening voor kinderen die tot het gezin behoren Na afweging van gebruikelijke en algemene voorzieningen, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden inzetten. Begeleiding mantelzorger kan worden ingezet ter ontlasting van de (dreigend) overbelaste mantelzorger. De mate van overbelasting wordt bepaald met de CSI-index. Bij begeleiding mantelzorger worden de taken van de mantelzorger deels tijdelijk overgenomen door de begeleider. Onder begeleiding mantelzorger vallen de volgende taken: praktische hand- en spandiensten in en om het huis bijhouden van post en administratie ondersteuning bij sociale contacten ondersteuning bij contact met instanties het bieden van aandacht en een luisterend oor Het resultaat van begeleiding mantelzorger is stabilisatie van de dagelijkse structuur in een situatie waarin door omstandigheden en/of persoonlijke factoren de zelfredzaamheid tijdelijk of langer belemmerd is waardoor de mantelzorger zich (dreigend) overbelast voelt. Wanneer de zorgvrager van de mantelzorger komt te overlijden, kan begeleiding mantelzorger nog één maand worden voortgezet. Begeleiding groep Begeleiding groep wordt ook wel dagbesteding genoemd. Het gaat om creatieve, educatieve en bewegingsactiviteiten die worden aangeboden in een gestructureerd programma. Groepsbegeleiding is bedoeld voor: Volwassenen met een zeer gering arbeidsvermogen (bijvoorbeeld door verstandelijke beperking of psychische aandoening). Ouderen in isolement of met regieverlies. Personen van wie de mantelzorgers overbelast dreigen te raken. Personen met psychiatrische problematiek die structuur, begeleiding of sociale contacten nodig hebben. De volgende maatwerkvoorzieningen vallen onder begeleiding groep: Dagbesteding behouden Dagbesteding ontwikkelen Ad. Dagbesteding behouden Dagbesteding behouden wordt ingezet als een inwoner niet in staat is om zelfstandig structuur aan te brengen en de dag zinvol in te richten of als de mantelzorger ontlast dient te worden. Het doel is om langer thuis te kunnen blijven wonen. De inwoner heeft een zinvolle dagbesteding met een (dag)structuur. Tegelijkertijd onderhoudt en bouwt de inwoner aan een sociaal netwerk. Ook wordt de mantelzorger ontlast. Ad. Dagbesteding ontwikkeling (arbeidsmatige dagbesteding) Dagbesteding ontwikkeling wordt ingezet wanneer een inwoner onvoldoende in staat is om zelfstandig structuur aan te brengen en de dag zinvol in te richten. De stap naar (vrijwilligers)werk is nog te groot. Het doel is dat de inwoner zicht verder ontwikkeld gericht op zelfredzaamheid, regie en terugkomen in de dagelijkse structuur om zelfstandig mee te kunnen doen in de maatschappij. Een doel is doorstroming naar (vrijwilligers)werk of begeleid werk. Het richt zich op mensen van 18 tot pensioengerechtigde leeftijd met een gering arbeidsvermogen. De dagbesteding omvat gestructureerde dagactiviteiten gericht op productie of dienstverlening en kunnen in solistisch verband of in groepsverband plaatsvinden. Voorbeelden van activiteiten zijn: Papier / archief vernietigen Horecawerkzaamheden Bedrijfskleding vouwen Materialen verpakken Omvang van begeleiding groep Voor begeleiding groep kan maximaal 9 dagdelen per week worden ingezet, in lijn met een 36-urige werkweek. De duur van de begeleiding De duur van de begeleiding wordt bepaald door het te verwachten resultaat. 4.3.5Vervoer Als een inwoner met een maatwerkvoorziening begeleiding groep niet in staat is om op eigen gelegenheid naar de dagbesteding te gaan, maakt het vervoer van huis naar de dagbestedingslocatie deel uit van de maatwerk-voorziening. Op eigen gelegenheid is lopend, met eigen vervoermiddel, meereizend met iemand anders of met het openbaar vervoer. Als de aanbieder van een maatwerkvoorziening begeleiding groep niet in staat is om te voorzien in het vervoer van huis naar de dagbestedingslocatie, verstrekt de gemeente hiervoor een aanvullende voorziening vervoer naar begeleiding groep. 4.4Kortdurend verblijf 4.4.1Wat verstaan we eronder? Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die toezicht nodig hebben. Bijvoorbeeld als er valgevaar is of als de inwoner zelf niet in staat is hulp in te roepen als dat nodig is of omdat er ernstige gedragsproblemen zijn. Het kan ook gaan om constante zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen, bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie. Bij kortdurend verblijf logeert iemand (maximaal 3 etmalen dus 72 uur per week) in een intramurale instelling. Het doel van kortdurend verblijf is dat de mantelzorger tijdelijk ontlast wordt. 4.4.2Resultaat De mantelzorger is (tijdelijk) ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden. De inwoner kan langer thuis blijven wonen. 4.4.3Afwegingskader Eigen inspanning De mantelzorger kan hulp van zijn eigen netwerk inroepen, maar de mogelijkheden daarvan zijn meestal beperkt, omdat het hele netwerk vaak al is ingeschakeld. Algemene voorzieningen De mantelzorger kan gebruik maken van algemene voorzieningen die geboden worden bijvoorbeeld door het Steunpunt Mantelzorg. Het gaat om diensten als: respijtzorg door een vrijwilliger, vrijwillige thuishulp of in een enkel geval om palliatieve hulp. Ook de vrij toegankelijke dagbesteding kan ingezet worden om de mantelzorger te ontlasten. Voorzieningen op grond van andere wetgeving Soms biedt de zorgverzekeraar de mogelijkheid om gebruik te maken van logeeropvang of kortdurend verblijf. Als dat zo is, is deze hulp voorliggend op de maatwerkvoorziening. 4.4.4De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf Soms is het voor de mantelzorger moeilijk om de zorg langdurig vol te kunnen houden of is de zorg die een vrijwilliger kan bieden onvoldoende vanwege de beperkingen van de inwoner. Ook kan het zijn dat de mantelzorger zelf tijdelijk uitvalt. Als er sprake is van de combinatie van zorg en toezicht van de inwoner en dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen kan kortdurend verblijf worden ingezet. Een uitzondering hierop geldt wanneer het gaat om ouders die boven gebruikelijke zorg verlenen aan hun kinderen; hierbij hoeft geen sprake te zijn van dreigende overbelasting en kan alleen op grond van hun boven gebruikelijke taken kortdurend verblijf worden geïndiceerd. Omvang De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de inwoner. In de indicatie voor kortdurend verblijf is drie uur begeleiding individueel opgenomen. Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van WLZ moet worden gesteld. 4.4.5Vervoer De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer, van hulp uit het eigen netwerk of een algemene voorziening. 4.5Woonvoorzieningen 4.5.1Wat verstaan we eronder? Met betrekking tot het wonen in een geschikt huis is er een grote diversiteit aan oplossingen. Van goedkoop tot duur, van eenvoudig tot complex, materieel en immaterieel. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. 4.5.2Resultaat Een woningaanpassing heeft als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. 4.5.3Afwegingskader Eigen inspanningen Van inwoners wordt in het algemeen verwacht dat zij ervoor zorgen dat hun woonsituatie past bij hun levensfase. Ook wordt verwacht dat zij zich tijdig voorbereiden op het langer in de eigen woning blijven wonen. Daarbij mag ervan uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Dat wil zeggen dat zij zich oriënteren op de woningmarkt om de afweging te kunnen maken tussen het blijven wonen in de huidige woning en verhuizen naar een woning die geschikt is om lang in te blijven wonen. Algemeen gebruikelijk Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en of hij in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Enkele voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe: Toiletverhoger Drempelhulpen tot 6 cm Douchemengkraan Toiletbeugels Wandgrepen Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn (o.a. financiële situatie). Algemeen gebruikelijke renovatie Voorzieningen in een woning hebben een bepaalde economische en technische levensduur. De economische levensduur is gebaseerd op de periode waarbinnen de gemiddelde Nederlander de voorziening afschrijft en overgaat tot vervanging. De technische levensduur is afhankelijk van de kwaliteit van de voorziening en verstrijkt op het moment dat de voorziening niet meer goed functioneert. Als de levensduur van de voorziening is verstreken dan is het algemeen gebruikelijk om deze voorziening te vervangen/te renoveren. Van inwoners wordt verwacht dat zij de kosten voor een algemeen gebruikelijke renovatie ook kunnen dragen. Bij de bepaling van de economische levensduur sluit het college als richtlijn aan bij de richtlijnen van de Landelijke Huurcommissie. Bekijk hiervoor het Beleidsboek ‘Huurverhoging na woningverbetering’ van de Huurcommissie. Voorziening: Economische levensduur in jaren: Badkamer/douche/sanitair 25 Toilet 15 Keuken 15 Beoordelingskader indien levensduur nog niet is verstreken is er sprake van een verandering in de lichamelijke en/of geestelijke situatie waardoor er een extra beperking is opgetreden waardoor er een hulpvraag is? en, is de levensduur van de voorziening nog niet verstreken of is de voorziening na het verstrijken van de levensduur nog functioneel? Dan beoordeelt het college of aanpassing of vervanging van de voorziening algemeen gebruikelijk is aan de hand van de hieronder genoemde criteria die volgen uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 en ECLI:NL:CRVB:2024:136). De aanpassing of voorziening is: niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking daadwerkelijk beschikbaar levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau is naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar. In individuele situaties wijkt het college gemotiveerd af van deze criteria als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Een reden om af te wijken kan zijn dat de voorziening zeer goed of zeer slecht is onderhouden, waarbij ook de persoonskenmerken van de inwoner een rol spelen. Het college weegt hierbij ook de in artikel 2.2.3 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 opgenomen criteria af. Reparatie en onderhoud Inwoners zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden en/of (dwingend of regulier) onderhoud. Het college kent hiervoor geen voorziening of pgb toe. Mantelzorgwoning Mantelzorgers kunnen soms op eigen terrein vergunningsvrij een mantelzorgwoning realiseren. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de hulpbehoevende inwoner had voor de situatie van de mantelzorg in de mantel-zorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz., maar ook kosten voor een hypotheek. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Aan de mantelzorgwoning zijn eisen op het gebied van handhaving verbonden: Er moet aantoonbaar sprake zijn van een intensieve mantelzorgrelatie. Hierbij gaat de gemeente Lansingerland uit van de definitie van intensieve mantelzorg: uitvoeren van lijfgebonden zorg voor meer dan 8 uur per week, verspreid over minimaal 4 dagen per week, voor een periode van langer dan 6 maanden. Hiervoor zal er onafhankelijke toetsing plaats vinden door de medisch adviseur in opdracht van het college. De woning moet voldoen aan de eisen gesteld in het omgevingsplan. Het moet gaan om een tijdelijke woonsituatie. Houdt de mantelzorg op? Dan mag het bouwwerk niet langer gebruikt worden als woning. U hoeft de woning niet af te breken, maar u moet bijvoorbeeld wel de keuken en badkamer verwijderen. Dit moet uiterlijk gebeurd zijn 6 maanden na het overlijden of verhuizen van de verzorgde(n). De inwoner dient het realiseren van een mantelzorgwoning zelf te regelen. Meer informatie over deze wetgeving over mantelzorgwoningen is te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/vraag-en-antwoord/bouwregels-mantelzorgwoning 4.5.4De maatwerkvoorziening Woningaanpassing Voorwaarde: er is een woning Voor een maatwerkvoorziening van de gemeente is er een belangrijke voorwaarde: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Een aanvraag voor een woningaanpassing kan worden beoordeeld als betrokkene beschikt over een getekend huurcontract of een getekend koopcontract. Er moet daarnaast voldoende ruimte aanwezig in de woning zijn om de maatwerkvoorziening adequaat en veilig te gebruiken. Hulpmiddelen in de woning Het college kan hulpmiddelen voor in de woning verstrekken voor zover deze noodzakelijk en niet algemeen gebruikelijk zijn en er geen voorliggende voorzieningen mogelijk zijn. Bouwkundige aanpassingen Bouwkundige aanpassingen zijn niet- en nagelvaste voorzieningen. Bij grotere bouwkundige aanpassingen (hoger dan € 15.000) aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig 2 of meer offertes opgevraagd kunnen worden. Voor woningaanpassingen moeten offertes aangeleverd worden om de goedkoopste maatwerkvoorziening te bepalen. Voor verschillende kleinere woonvoorzieningen zoals trapliften, is duidelijk van welke prijs uitgegaan kan worden en is één offerte voldoende. Als het gaat om een huurwoning betaalt het college het bedrag voor de bouwkundige aanpassing uit aan de eigenaar van de woning. De beschikking voor de bouwkundige aanpassing wordt verstuurd aan de aanvrager/ inwoner met een afschrift aan de eigenaar van de woning. Indien het college er voor kiest de maatwerkvoorziening te verwijderen, is het college verantwoordelijk om de minimale schade te herstellen die ontstaat door het weghalen van een maatwerkvoorziening. Onder minimaal schadeherstel wordt verstaan dat er geen onveilige situaties mogen zijn. Het gaat niet om cosmetische aanpassingen. Verhuizing Bij ingrijpende aanpassingen beoordeelt het college of het resultaat van het wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Deze beoordeling is op basis van artikel 4.3.2. lid 2 van de verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequen-ties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medisch verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. De aanpassingskosten van de huidige woon-ruimte moeten worden afgezet tegen de kosten van verhuizing voor de inwoner, het eventueel aanpassen van de nieuwe woning en het eventueel vrijmaken van de woning. Verhuiskostenvergoeding Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. 4.5.5Eigen bijdrage Voor de verhuiskostenvergoeding geldt geen eigen bijdrage. 4.6Vervoersvoorzieningen 4.6.1Wat verstaan we eronder? De Wmo heeft tot doel om de inwoner te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer een inwoner problemen ervaart op het gebied van vervoer zal worden onderzocht of en welke beperkingen inwoner heeft en wat de vervoersbehoefte is. 4.6.2Resultaat 1.De inwoner kan zich zelfstandig verplaatsen in en om de woning. 2.De inwoner kan door hulp bij vervoer deelnemen aan het sociaal verkeer, deelnemen aan activiteiten en algemene voorzieningen bereiken (school, dokter, winkels, sport, etc.). 4.6.3Afwegingskader Om voor een maatwerkvoorziening vervoer in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Algemeen gebruikelijk Voor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende en gebruikelijke oplossingen: Het blijven gebruiken van de eigen auto. Taxivervoer of vervoer via familie, vrienden en/of vrijwilligers. Fiets met lage instap. Elektrische (bak)fietsen. (Elektrische) Tandem. Algemene voorzieningen Het college beoordeelt in hoeverre de aanvrager gebruik kan maken van algemene voorzieningen: Het openbaar vervoer 3B Bus Voorzieningen op grond van andere wetgeving Vervoer naar werk of school Voor vervoer naar school is men zelf verantwoordelijk. In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs verder dan 6 km vanaf de woning) kan leerlingenvervoer bij de gemeente worden aangevraagd op grond van de Verordening leerlingenvervoer. Als bij vervoer naar werk beperkingen worden ervaren kan men hiervoor een beroep doen op de werkgever of op het UWV. Vervoer vanuit de zorgverzekeraar Het basispakket van de zorgverzekeraar vergoedt medisch noodzakelijk vervoer. Valys Voor vervoer buiten het Wmo-gebied (maximaal 30 kilometer vanaf of tot het woonadres) kan de inwoner gebruik maken van het Valys vervoersysteem. Om Valys aan te vragen moet de inwoner kunnen aantonen dat hij een beschikking heeft voor een vervoers- of rolstoelvoorziening, gehandicaptenparkeerkaart, OV-begeleiderskaart of een scootmobiel. Heeft de inwoner geen indicatie voor één van deze Wmo-voorzieningen, maar is vervoer buiten het Wmo-gebied wel noodzakelijk, dan kan het college op aanvraag een verklaring afgeven waarmee de inwoner vervoer bij Valys kan aanvragen. 4.6.4Wmo maatwerkvoorziening Vervoer Als bovenstaande voorliggende oplossingen niet adequaat zijn kan het college een maatwerkvoorziening inzetten. Mogelijke maatwerkvoorzieningen zijn: collectief vraagafhankelijk vervoer (ook in te zetten in geval dat voorliggende voorzieningen tijdelijk door omstandigheden niet beschikbaar zijn). Individueel taxivervoer. Een aangepast vervoermiddel. Vervoersbehoefte Het college onderzoekt welke vervoersbehoefte de inwoner heeft. Om beperkingen en vervoersbehoefte inzichtelijk te maken onderscheiden we 3 soorten afstanden: De korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving (bijvoorbeeld om een brief te posten, kinderen naar school te brengen of de dichtstbijzijnde winkels te bezoeken of om überhaupt zich in de woning te kunnen verplaatsen. De middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio (bijvoorbeeld naar een (groter) winkelcentrum, ziekenhuis of uitgaanscentra). De lange afstanden: naar bestemmingen buiten de regio. Met het totaalpakket aan vervoersvoorzieningen wordt de inwoner in staat gesteld om in zijn dagelijkse vervoersbehoefte te voorzien. Er wordt daarbij uitgegaan van maximaal 1500 km per jaar. Hierbij geldt: Het aantal kilometers wordt toegekend vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag en naar rato van het jaartotaal vastgesteld. Indien er op 1 januari van een nieuw kalenderjaar nog kilometers over zijn van het voorafgaande jaar dan komen deze kilometers te vervallen. De resterende kilometers mogen niet worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar. Indien de inwoner de 1500 km per jaar volledig heeft benut, kan het college dit aantal ophogen als daar ook aanleiding voor is. De inwoner mag zijn kilometers naar eigen inzicht besteden met uitzondering van inzet voor woon-werkverkeer. Goedkoopst adequaat Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee de inwoner in zijn vervoersbehoefte kan worden voorzien, dan wordt de goedkoopste optie gekozen. Beltax De Beltax biedt vervoer van deur tot deur voor mensen met een mobiliteitsprobleem die niet kunnen reizen zonder hulp of op een andere manier. Dit kan tot maximaal 30 kilometer afstand vanaf of tot het woonadres van de inwoner. De inwoner kan een loophulpmiddel of rolstoel meenemen in het vervoer. Voor begeleiding, die gratis kan meereizen, is een beschikking nodig. De inwoner die een indicatie CVV heeft, heeft een zodanige beperking dat alleen reizen niet verantwoord is en deze persoon mag dan ook niet zonder begeleiding reizen. Zonder begeleidingspas kan iemand meereizen voor het tarief van € 5. Begeleiding bij het reizen Primair is de persoon in kwestie (of zijn vertegenwoordiger) zelf verantwoordelijk voor het vinden van oplossingen voor het begeleidingsvraagstuk bij vervoer. Bijvoorbeeld via het eigen netwerk of via vrijwilligers. Voor een aantal mensen met een beperking is het noodzakelijk dat zij bij het reizen begeleid worden. Reisbegeleiding kan nodig zijn in de volgende situaties: De gebruiker heeft begeleiding nodig tijdens het vervoer (medisch en / of psychosociaal); De gebruiker is niet in staat om zich bij vertrek of aankomst zelfstandig voort te bewegen, ook niet met gebruikmaking van een elektrische of handbewogen rolstoel; De gebruiker heeft een visuele beperking en kan zich niet zelfstandig voortbewegen op een voor hem onbekende plek; De gebruiker heeft een verstandelijke beperking waarbij voortdurende begeleiding nodig is; De gebruiker heeft een psychiatrisch of psychosociaal probleem waarbij voortdurende begeleiding nodig is. Een noodzakelijke begeleider betaald niet voor het vervoer. Aangepast vervoermiddel Om gebruik te kunnen maken van een aangepast vervoermiddel moet de verkeersveiligheid beoordeeld worden. Dat wil zeggen: De inwoner moet in staat zijn om het vervoermiddel waar hij eventueel voor in aanmerking komt, veilig te besturen en in staat zijn om zich veilig in het verkeer te begeven. Als het niet duidelijk is of inwoner verkeersveilig is, dan kan de gemeente een aantal observatielessen laten plaatsvinden. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan, afhankelijk van de vervoersbehoefte, worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer. Er wordt rekening gehouden met: hand en armfunctie; vermogen tot lopen; de specifieke verplaatsingsbehoefte in de nabije omgeving (zoals boodschappen doen). Om een scootmobiel goed te kunnen gebruiken, kan het zijn dat er accessoires of een training voor het gebruik nodig zijn. De volgende mogelijkheden worden daarbij eventueel aangeboden: Scootmobieltraining Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de scootmobiel is het van belang dat de gebruiker goed met de scootmobiel overweg kan en zonder schade toe te brengen aan stoepen e.d. Het goed overweg kunnen met de scootmobiel vergroot niet alleen de zelfstandigheid, veiligheid en de mogelijkheden van de gebruiker; zorgvuldig omgaan met de scootmobiel bevordert tevens de levensduur van de scootmobiel en voorkomt schade en extra onderhoud. Indien er bij de indicatie wordt aangegeven dat een scootmobieltraining noodzakelijk is dan wordt deze op grond van de Wmo vergoed. De training wordt in beginsel gegeven door de leverancier. Scootmobielaccessoires De kosten van medisch noodzakelijke accessoires worden vergoed op grond van de Wmo. De indicatie is leidend. Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid is, beschut tegen wind en regen, voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking. Rolstoel Voor rolstoelen wordt uitgegaan van de volgende soorten rolstoelen en het programma van eisen op basis van het onderzoek is daarbij leidend: Handbewogen rolstoelen of duwwandelwagen Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria: de inwoner is niet in staat een half uur achtereen te lopen voor het winkelen, boodschappen doen, e.d. in de nabije omgeving; er is sprake van een normale hand- en armfunctie. Dit criterium geldt niet voor de duwwandelwagen; afhankelijk van de intensiteit van het gebruik moet de woning meer of minder rolstoelgeschikt zijn. Elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria: de inwoner kan zich minder dan 100 meter verplaatsen met een handrolstoel, bij voorbeeld vanwege energetische problemen (hart, longen e.d.) en beperkte arm- of handfunctie en/of zitbalans; de inwoner is niet in staat gebruik te maken van een scootmobiel of handbewogen rolstoel vanwege sterk beperkte arm- of handfunctie of te weinig zitbalans. Er wordt een integraal advies opgevraagd waarbij ook aandacht wordt besteed aan de rolstoel-geschiktheid van de woning. Fietsvervoer Er kan een driewielfiets worden verstrekt voor degenen die voor fietsvervoer daarop zijn aangewezen. Leeftijd hoeft daarbij niet van belang te zijn, hoewel er voor de verstrek¬king aan kinderen wel sprake moet zijn van behoefte aan verplaatsing. Een normale (kinder)driewieler kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en komt niet voor verstrekking in aanmerking. Alle driewielfietsen in bijzondere uitvoering voor kinderen komen in principe wel voor verstrekking in aanmerking. Van belang voor het verstrekken van een driewielfiets is of de betrokkene een evenwichtsprobleem heeft, wel of niet in staat is een normale fiets te gebruiken en of er stallingruimte aanwezig is of gecreëerd kan worden. Autoaanpassingen Bij het verstrekken van autoaanpassingen, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een maatwerk-voorziening. Het verstrekken van een pgb voor een autoaanpassing is alleen mogelijk indien de inwoner gezien de aard van de beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, geen gebruik kan maken van het aanvullend collectief vraagafhankelijk vervoer en geen gebruik kan maken van een taxi en de inwoner wel in staat is zich met een eigen auto te verplaatsen en bovenstaande wordt ondersteund door een indicatie. Er wordt een pgb voor een autoaanpassing verstrekt voor een auto indien deze niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing. Is de auto ouder dan 36 maanden, dan onderzoekt het college of de auto nog een levensduur heeft van minimaal 7 jaar en de aanpassingen de investering nog waard is. Deze vergoeding wordt slechts 1 maal per 7 jaar verstrekt. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke auto-aanpassingen (dus geen stuur-bekrachtiging of cruise controle). In de oude Wmo werd uitgegaan van een levensduur van minimaal 7 jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn gebleken waarop opnieuw aanpassingen kunnen worden verstrekt (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Bij verstrekking van aanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan). Sportvoorziening Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulp-middel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening en dat hij lid is van een sportvereniging. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwachten dat hij een deel van de kosten draagt. Niet anti revaliderend Er wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als het gebruik daarvan in strijd met een behandelplan van de aanvrager en nadelig is voor de revalidatie. 4.6.5Eigen bijdrage Het collectief vraagafhankelijk vervoer valt buiten het abonnementstarief Wmo. Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer betaalt u wel een eigen ritbijdrage. 4.7Rolstoelen Indien blijkt dat een rolstoel noodzakelijk is om de mobiliteitsbeperking van betrokkene te verminderen, is de selectie van de rolstoel aan de orde. Het selecteren van een rolstoel is maatwerk; de gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruik-baar zijn in de omgeving waar de gebruiker woont en voor de activiteiten die de gebruiker wil ondernemen. 4.8Wijze van verstrekken 4.8.1Pgb voor voorzieningen Pgb’s voor voorzieningen, zoals trapliften, scootmobielen en sanering van de woning, worden aan de rechthebbende inwoners beschikbaar gesteld. Controle op deze pgb’s zal plaatsvinden aan de hand van door de inwoner of de aanbieder ingediende facturen. Voor deze voorzieningen hoeft geen pgb plan ingevuld te worden. Dit pgb kan in één keer worden uitgekeerd rechtstreeks aan de inwoner en of aanbieder. 4.8.2Pgb voor een hulpmiddel Wanneer een inwoner kiest voor een pgb krijgt hij na indicatie bij de beschikking een Programma van Eisen (PvE) waar de voorziening aan moet voldoen. De inwoner kan op basis van dit PvE zelf de voorziening aanschaffen. Het pgb wordt aan de rechthebbende inwoner beschikbaar gesteld. Er hoeft geen pgb plan ingevuld te worden. Dit pgb kan in één keer worden uitgekeerd. Als de inwoner een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de inwoner aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren als in het programma van eisen wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen. 4.8.3Duur van de toekenning Het hulpmiddel in de vorm van pgb wordt toegekend voor een periode van 7 jaar (tenzij anders beschreven in de beschikking). Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van veranderde omstandigheden, kan geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening. De situatie van de inwoner kan verslechteren. Als wordt verwacht dat de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Indien nodig dient de inwoner mee te werken aan een medisch onderzoek of een passing. 4.8.4Omzetting pgb in voorziening in natura Een omzetting van het pgb in een voorziening in natura is niet meer mogelijk nadat het pgb reeds is besteed aan een voorziening. De inwoner moet dan ten minste 7 jaar wachten met het doen van een nieuwe aanvraag, tenzij in de beschikking anders is bepaald. Een voorziening of een pgb voor een voorziening wordt immers in beginsel voor 7 jaar verstrekt. 4.8.5Controle en terugvordering pgb Het college streeft er naar om terugvordering achteraf te voorkomen. De gemeente zal daarom alle zorgovereenkomsten die budgethouders sluiten, voordat betaling aan deze hulpverlener plaatsvindt toetsen. De gemeente zal daarom vooraf om informatie vragen. Daarnaast worden er in de regel geen langlopende indicaties afgeven. Hiermee wordt periodiek bezien of de indicatie die iemand heeft -en daarmee zijn pgb- nog past bij zijn individuele situatie. Eventuele ondersteuning wordt door het pgb servicecentrum van het SVB voor inwoner gratis geboden; dus hier zijn geen kosten voor opgenomen in het pgb. Daarnaast worden op basis van risicoanalyses en bestandsanalyses heronderzoeken bij budgethouders ingepland en uitgevoerd. 4.8.6 Besteding pgb uitsluitend aan voorziening [vervallen] 5Jeugdhulp 5.1Begripsbepaling Voor de definities van de begrippen in de beleidsregels met betrekking tot Jeugd in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de begripsbepalingen in de Verordening Sociaal Domein. 5.2Individuele voorzieningen 5.2.1Aanbod [Vervallen] 5.2.2[Vervallen] [vervallen] 5.2.3Respijtzorg Een voorziening voor respijtzorg zijnde kortdurend verblijf of logeeropvang kan enkel worden getroffen ten aanzien van de jeugdige die (artikel 2.3 lid 3 Jeugdwet): die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; aangewezen is op permanent toezicht, en begeleiding of persoonlijke verzorging ontvangt, of verpleging ontvangt. Er moet dus sprake zijn van een behoefte aan permanent toezicht én jeugdhulp in de vorm van begeleiding en verzorging of verpleging. Aan het indiceren van respijtzorg gaat het beoordelen van de overbelasting van ouders vooraf als bedoeld in artikel 5.3.7a en 5.3.7b van de Verordening Sociaal Domein als bedoeld in artikel 5.3.7a en 5.3.7b van de Verordening Sociaal Domein Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Naast de aard en de ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke verzorger zelf aan de hand is en/of dat deze het gevolg is van ernst van de problemen bij de jeugdige. Door de weging van de verhouding tussen draagkracht en draaglast kan de eventuele overbelasting worden vastgesteld. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand biedt aan de jeugdige. Bij overbelasting door bijvoorbeeld een dienstverband van te veel uren, als gevolg van spanningen op het werk of relatieproblemen, zal de oplossing door ouders gezocht moeten worden in het wegnemen van deze spanningsfactoren. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de mate waarin permanent toezicht gewenst is, zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke verzorger/mantelzorger. Met andere woorden, het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf besproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken, waarbij continu aanwezigheid van gebruikelijke verzorger/mantelzorger noodzakelijk is. Informele zorg kan ook ingezet worden als respijtzorg. 5.3Aanvraag individuele voorziening; familiegroepsplan en het ondersteuningsplan Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt de gemeente dat als eerste bij de aanvraag. Wanneer het de jeugdige of zijn ouders niet lukt om dit plan op te stellen, zal de gemeente hierbij ondersteunen dan wel een professional in het lokale veld vragen dit met de jeugdige of zijn ouders te doen. Het ondersteuningsplan: Betrekt, waar dit relevant is, de situatie van alle betrokkenen. Is gericht op bevordering van, behoud van of ondersteunen bij de zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige of zijn ouders. Behandelt in ieder geval de leefgebieden: inkomen/financiën, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties/ huiselijke relaties, persoonlijke verzorging, lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, justitie, ouderschap en veiligheid. Is de samenvatting van het onderzoek (wat is er aan de hand, welke zorgen zijn er), beschrijft doelen en de gewenste resultaten. Wordt ondertekend door de jeugdige of zijn ouders. De jeugdige in de leeftijd van 12 tot 16 jaar mag het plan ondertekenen. Vanaf 16 jaar moet de jeugdige het plan ondertekenen. De professional ondertekent het plan ook. Het plan geeft richting aan de ondersteuning in de praktijk (professionele sturing) en is richtinggevend voor ondersteunende en uitvoerende werkers en bindend voor alle betrokkenen. Is het resultaat van de dialoog tussen de jeugdige en/of zijn ouders, bloedverwanten of aanverwanten, zijn sociaal netwerk, de casushouder en eventueel andere betrokken professionals via een vorm van een netwerkberaad. Ondersteunt dat de jeugdige of zijn ouders zoveel mogelijk regie hebben. Benoemt de casushouder die overzicht over alle afspraken heeft, deze coördineert en bewaakt, zorg draagt voor evaluatie van het plan, eventuele bijstelling en afronding. Voorziet in afspraken over en afwegingen voor de inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening (indien van toepassing). Laat een actueel beeld zien van de veiligheidssituatie in het gezin, hierbij wordt gebruik gemaakt van een risicotaxatie instrument (indien van toepassing). 5.4Criteria voor het toekennen van een individuele voorziening 5.4.1Geen individuele voorziening als een algemene voorziening volstaat Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of te voorzien in een behoefte aan opvang. Algemene of vrij toegankelijke voorzieningen zijn toegankelijk zonder beschikking. Een algemene voorziening kan zijn het ontvangen van informatie, advies en training, jeugdgezondheidszorg, opvoedondersteuning of ambulante jeugd- en opvoedhulp van bijvoorbeeld een jeugdcoach op school of praktijkondersteuner bij de huisarts. 5.4.2Geen individuele voorziening als er een voorliggende voorziening is op grond van andere wet- of regelgeving Voorliggend op de Jeugdwet zijn voorzieningen op grond van een andere wettelijke regeling zoals Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet, Wet Passend Onderwijs en Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. 5.4.3Gebruikelijke hulp en vrijetijdsbesteding Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de gebruikelijke zorg aan hun kinderen. De gemeente verstrekt geen jeugdhulp voor het bieden van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke zorg is de dagelijkse zorg die ouders aan kinderen geacht worden te bieden, ook als het kind een beperking heeft of de ouder de gebruikelijke zorg vanwege eigen aandoening, beperking, stoornis of handicap niet kan bieden. De hulp die wordt aangevraagd moet het probleemoplossend vermogen van de ouders/verzorgers overschrijden. Gebruikelijke zorg omvat: De dagelijkse zorg en ondersteuning die ouders en verzorgers geacht worden te bieden aan hun kinderen. Gebruikelijke hulp is de normale zorg en ondersteuning die verwacht wordt van ouders, verzorgers en directe omgeving van een jeugdige. Het gaat om ondersteunen bij dagelijkse handelingen zoals eten, drinken, aankleden, persoonlijke hygiëne, en het naar school gaan. Het is ook de begeleiding naar volwassenheid. Zoals het bevorderen van zelfredzaamheid en zelfstandigheid van de jeugdige en het bieden van emotionele ondersteuning. Ook wordt van ouders verwacht dat zij hun kinderen fysiek en sociaal veilig laten opgroeien. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook zorg zijn die niet standaard bij alle kinderen voorkomt. Het gaat dan om zorg die gebruikelijke zorg vervangt. Bijvoorbeeld sondevoeding in plaats van eten. Het kan ook gaan om zorg die de ouder samen met reguliere zorg kan bieden. Bijvoorbeeld het geven van medicijnen. Het gaat ook om gebruikelijke zorgtaken die langer dan gemiddeld nodig zijn omdat de jeugdige langer dan gemiddeld nodig heeft om de taak zelf uit te voeren. 24 uur per dag zorg in de nabijheid is ook gebruikelijke zorg. Hiermee wordt bedoeld dat zorg en toezicht gedurende het gehele dag (etmaal) in de nabijheid nodig is zonder dat daarbij permanente actieve observatie nodig is. Het betekent dat de ouder toezicht houdt en beschikbaar is om zorg te bieden als dat nodig is. De zorg is nodig op zowel geplande als ongeplande momenten, en degene die de zorg biedt, is voortdurend dichtbij of in de directe omgeving. Dit is gebruikelijke zorg omdat ook een kind met een normaal ontwikkelingsprofiel tot een bepaalde leeftijd: niet zelf kan inschatten welke zorg het kind zelf nodig heeft, en niet zelf de goede hulp kan inschakelen op het moment dat hulp nodig is om ernstig nadeel te voorkomen, en ook vaak op ongeplande momenten zorg zoals begeleiding of overname van zelfzorg nodig heeft. Gebruikelijke zorg omvat niet: Permanent toezicht in de zin van onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende de gehele dag (etmaal), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van het kind vroegtijdig te signaleren. Door het toezicht kan altijd op tijd worden ingegrepen. Zo worden onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor het kind voorkomen. Bij kinderen die een behoefte hebben aan permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan. Gebruikelijke hulp eindigt waar professionele hulp noodzakelijk wordt, bijvoorbeeld bij ernstige gedragsproblemen, psychische stoornissen, of complexe medische zorg. Richtlijn gebruikelijke zorg In bijlage 4 staat een richtlijn voor gebruikelijke hulp bij de verschillende leeftijdsfasen van een jeugdige. Deze richtlijn wordt door de jeugdconsulent gebruikt om in het kader van het onderzoek het professionele oordeel te vormen over de hulpvraag en de noodzakelijke hulp. De richtlijn wordt toegepast met in achtneming van de volgende afwegingen: Leeftijd Jonge kinderen hebben meer zorg nodig van hun ouders dan oudere kinderen. Aard van de zorghandeling Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Frequentie Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer per dag eten, worden als gebruikelijke zorg aangemerkt. Samenhangende beoordeling De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind worden beoordeeld. Bij de afweging of een individuele voorziening jeugdhulp noodzakelijk is, worden alle aspecten uit het ondersteuningsplan meegewogen. Kortdurende situaties zijn gebruikelijke zorg In kortdurende situaties (maximaal drie maanden per jaar) wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven. Bij langdurige situaties valt de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding nog steeds onder gebruikelijke zorg. De zorg voor kinderen met een beperking kan de eigen kracht (zie ook 5.4.5) te boven gaan en dan kan een individuele voorziening aan de orde zijn. Onderzoek In het onderzoek bespreekt de consulent met de inwoner (en zijn mantelzorgers) die jeugdhulp aanvraagt: wat ouders en het netwerk om de jeugdige zelf kunnen doen om de zorg te leveren (eigen kracht) ook als die zorg buiten het gemiddelde ontwikkelingspatroon van een jeugdige valt; of er tot dan toe al sprake is geweest van (onbetaalde) jeugdhulp; wat maakt dat de zorgverlener uit het sociale netwerk er eventueel mee stopt; wat maakt dat een eventuele nieuwe mantelzorger de zorg niet kosteloos wil verlenen. Daarnaast doet de jeugdconsulent een gedegen onderzoek naar de noodzaak, kennis en ontwikkel-mogelijkheden van het kind. Hierbij raadpleegt de consulent tenminste één andere bron, zoals school, behandelaar, begeleider etc. Wanneer de consulent dit nodig acht kan er een nog niet betrokken professional geraadpleegd worden voor advies. De consulent heeft in de aanvraag zicht op het gehele systeem en de veerkracht van dit systeem. In het ondersteuningsplan kunnen jeugdhulpdoelen staan die te maken hebben met de vrijetijdsbesteding van het kind. Activiteiten die overeenkomen met vormen van vrije tijdsbesteding (zoals paardrijden, scouting, zwemles e.d.) kunnen ook jeugdhulpdoelen dienen, zoals het reguleren van emoties, het vergroten van zelfvertrouwen en het doorbreken van isolement. Dat het bijdraagt aan de doelen, betekent niet dat het jeugdhulp is. Zo hebben we in artikel 5.3.7a van de Verordening Sociaal Domein bepaald wat onder gebruikelijke hulp moet worden verstaan. Het laten deelnemen van een jeugdige aan vrijetijdsactiviteiten valt daar in beginsel ook onder. Jeugdhulp voor zorg in vrije tijd of vakantie kan alleen dan onderdeel zijn van jeugdhulp indien het noodzakelijk is voor het behalen van de afgesproken jeugdhulpdoelen. In het ondersteuningsplan kunnen jeugdhulpdoelen staan die te maken hebben met de vrijetijdsbesteding van het kind. Activiteiten die overeenkomen met vormen van vrije tijdsbesteding (zoals paardrijden, scouting, zwemles e.d.) kunnen ook jeugdhulpdoelen dienen zoals het reguleren van emoties, het vergroten van zelfvertrouwen en het doorbreken van isolement. Dat het bijdraagt aan de doelen, betekent niet dat het jeugdhulp is. Het laten deelnemen van een jeugdige aan vrijetijdsactiviteiten is gebruikelijke zorg. De contributie (kosten van lidmaatschap) of activiteitkosten zijn niet uit jeugdhulpmiddelen te bekostigen. 5.4.4Geen individuele voorziening als de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van jeugdige, ouder(
  5. s)en/of het sociaal netwerk toereikend zijn om het probleem op te lossen [vervallen] 5.5Afbakening Wet Passend Onderwijs [vervallen] 5.5.1Afstemming bij treffen jeugdhulpvoorziening [vervallen] 5.5.2Ondersteuning primair gericht op leerproces [vervallen] 5.5.3Remedial teaching [vervallen] 5.5.4Motorische remedial teaching (MRT) [vervallen] 5.5.5Begeleiding op school [vervallen] 5.5.6Intelligentieonderzoek [vervallen] 5.5.7Diagnostisch proces jeugdhulp [vervallen] 5.5.8Dyscalculie [vervallen] 5.5.9Dyslexie [vervallen] 5.6Vervoer 5.6.1Jeugdhulpvervoer [vervallen] 5.6.2Vormen jeugdhulpvervoer [vervallen] 5.6.3Redenen voor vervoersvoorziening [vervallen] 5.6.4Afwegingskader [vervallen] 5.6.5Vergoeding voor eigen vervoer van een vrijwilliger en openbaar vervoer [vervallen] 5.7Wijze van verstrekken In Lansingerland wordt op basis van iemand zijn individuele situatie beoordeeld of- en waarvoor hij onder-steuning nodig heeft en op welke wijze hij deze invulling kan krijgen. Uitgangspunt bij het bieden van ondersteuning is en blijft individueel maatwerk. Dit geldt ook voor de vorm waarin een cliënt de onder-steuning wil ontvangen: via Zorg in natura of deze zelf inkopen en organiseren via een pgb. Het pgb bestaat uit een geldbedrag waarmee mensen die in aanmerking komen voor zorg of ondersteuning, zelf en onder voorwaarden de benodigde hulp kunnen inkopen. Het is bedoeld als alternatief voor een individuele (maatwerk) voorziening in natura. Een voorziening in natura is ondersteuning die rechtstreeks door een zorginstelling wordt geleverd waarmee de gemeente een contract heeft, ook wel ZIN genoemd. 5.8Regels voor een pgb bij een individuele voorziening Een pgb kan een geschikte verstrekkingsvorm zijn voor de jeugdige of zijn ouders. De gemeente vindt het van belang dat mensen de regie over hun eigen leven kunnen voeren. De gemeente vormt zich een oordeel of de jeugdige of zijn ouders voldoen aan de wettelijke voorwaarden (artikel 8.1.1. Jeugdwet) om in aanmerking te komen voor een pgb. 5.8.1Voorlichting Zoals uit de Jeugdwet is af te leiden, is het belangrijk dat de jeugdige of zijn ouders vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Tijdens het eerste gesprek, maar ook later tijdens de aanvraagprocedure, zullen de jeugdige of zijn ouders door de jeugdconsulent worden geïnformeerd en getoetst op hun bekwaamheid zoals beschreven in art. 5.4.3. van de verordening. Daarnaast verzorgt het servicecentrum pgb van de Sociale verzekeringsbank (SVB) voorlichting voor en ondersteuning van budgethouders. 5.8.2Hoogte pgb De gemeenteraad heeft in de Verordening Sociaal Domein de maximumtarieven voor een pgb vastgesteld. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek. Er wordt een onderscheid gemaakt in een formeel pgb en informeel pgb. Formeel pgb Met een formeel pgb neemt men de voorziening af van een professional. Een professional is een bij de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven organisatie, een zelfstandige zonder personeel of freelancer die zich blijkens de bedrijfsomschrijving zoals vermeld in het handelsregister van de KvK, primair richt op de benodigde ondersteuning zoals vastgesteld in het ondersteuningsplan. De professional heeft een specialisti-sche vakopleiding afgerond. De jeugdprofessional staat geregistreerd bij het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) als (kinder & jeugd) psycholoog bij het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), als orthopedagoog (generalist) bij de Nederlandse Vereniging voor Orthopedagogen (NVO), of als zorgprofessional in het BIG register. De kwaliteitseisen die in artikel 5.9 zijn omschreven, zijn ook van toepassing op de professionals die middels een formeel pgb gefinancierd zijn. De zorgvrager vraagt een offerte op. Een jeugdige of zijn ouders die een duurdere voorziening wensen dan de voorziening die het goedkoopst adequaat is, betaalt de meerkosten zelf. Informeel pgb Bij een informeel pgb neemt men de voorziening af van een niet-professional. Onder een niet-professionele hulpverleners vallen onder andere inwoners die niet beroepsmatig hulp-verlenen (mensen uit het sociaal netwerk), werkstudenten en ZZP’ers zonder specialistische relevante opleiding. 5.8.3Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders dit vragen aan de hand van een opgesteld pgb plan dat voldoet aan de eisen uit de verordening (art. 5.4.2). 2.De offerte voor een pgb moet toereikend zijn om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen. De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en indien noodzakelijk verzekeringen. 3.[vervallen] 4.In het plan van de jeugdige of zijn ouders kunnen zij de wens uitspreken om het sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. De jeugdige of zijn/haar ouders moeten dan aantoonbaar maken dat aan alle eisen zoals onder artikel 5.4.2 van de verordening en artikel 5.8.4. van de beleidsregels voldaan wordt. 5.In het ondersteuningsplan bij een aanvraag voor het informele pgb worden doelen opgenomen die zich richten op het vergroten van de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige. Er kan na afloop van de indicatie een herziening plaatsvinden. Er vindt dan opnieuw onderzoek plaats waarbij gekeken wordt naar de noodzaak, kennis en ontwikke-lingsmogelijkheden van de aanvrager. Tijdens het onderzoek/evaluatie worden zowel de jeugdige als de informele zorgverleners gesproken en samen met hen worden de doelen opgesteld. Het onderzoek in combinatie met een evaluatie vindt in ieder geval plaats wanneer de indicatie afloopt. Wanneer de doelen niet behaald zijn moet de reden daarvan onderzocht worden. Hierbij speelt ook de afweging of professionele hulp wenselijk is een rol. Wanneer er ook professionele hulp wordt ingezet, heeft deze zorg-professional de taak om gezamenlijk met ouders de doelen op te stellen en te evalueren op (voortgang) van de zelfredzaamheid van de jeugdige. De formele hulpverlener legt dit vast in een evaluatieverslag. In dit verslag staan de doelen waar zijn aan gewerkt en de voortgang van deze doelen en wordt een analyse gemaakt van de actuele mate van zelfredzaamheid van de jeugdige en de doelmatigheid van huidige inzet van informele en formele hulp. 6.[vervallen] 5.8.4Criteria toekennen informeel pgb 1.De jeugdige en/of ouders aan wie een pgb wordt toegekend, kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren, als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar passender dan andere vormen van ondersteuning; Dit wordt bepaald aan de hand van de volgende afwegingscriteria: Het type hulp dat wordt geleverd. De frequentie van de hulp. Of er sprake is van een tijdelijke hulpvraag of van hulp over een lange periode. De mate van verplichting: kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk? Dit laatste aspect wordt gezien als zwaarwegend punt. de geboden jeugdhulp is doelmatig, adequaat en veilig; de personen uit het sociaal netwerk die de hulp gaan verlenen, hebben zich voldoende op de hoogte gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn. De jeugdige en/of ouders aan wie een pgb wordt toegekend kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren voor begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf. Dagactiviteiten kunnen niet geleverd worden door het sociaal netwerk; er is bij de personen uit het sociaal netwerk die de hulp gaan verlenen sprake van voldoende opvoedvaardigheden en/of voldoende draagkracht. 2.In aanvulling op het eerste lid onder a, kan inzet van het sociaal netwerk met een pgb aantoonbaar beter worden geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: de hulp is vooraf niet goed in te plannen; de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden; de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd; de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn; de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie hij vertrouwd is en goed contact heeft. 5.9Kwaliteitseisen In de Jeugdwet (hoofdstuk 4) en de verordening (paragraaf 5.2) zijn kwaliteitseisen voor jeugdhulp-aanbieders opgenomen zoals in het bezit zijn van een verklaring omtrent gedrag en de registratie in een beroepsregister. De aanbieder en haar medewerkers dienen zich aan deze eisen te houden. De controle op de wettelijke kwaliteitsaspecten voor jeugdhulpaanbieders is een taak van de inspectie. Concrete kwaliteitsafspraken liggen vast in inkoopcontracten. Algemene uitgangspunten De hier geformuleerde algemene uitgangspunten zijn te beschouwen als richtlijnen voor goede onder-steuning van professionals voor de jeugdige of zijn ouders. Dit geldt zowel voor een verstrekking in de vorm van een pgb als in een verstrekking van Zorg in Natura. De gemeente verstrekt alleen zorg als aan de levering van zorg aan onderstaande kwaliteitseisen is voldaan. De richtlijnen worden gebruikt om te toetsen of een individuele voorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de gemeente. De jeugdige of zijn ouders hebben de regie Het professioneel handelen van de gemeente en leverancier van de voorziening is gericht op het behoud, het herstel en versterken van de eigen regie van de jeugdige of zijn ouders en het versterken van het sociale netwerk en de veerkracht. Als het handelen van de jeugdige een ernstig gevaar oplevert voor hem en/of zijn omgeving dan moet de professional actie ondernemen. Ondersteuning sluit redelijkerwijs aan bij de leefwereld van de jeugdige of zijn ouders, in taalgebruik, denkniveau, cultuur en tempo en houdt rekening met de levensfase en de eigen kracht. Welke ondersteuning nodig is, wordt in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd. De ondersteuning is veilig De relatie tussen jeugdige of zijn ouders en professional is voor de jeugdige of zijn ouders voldoende vertrouwd en stabiel. Wijzigingen in gemaakte afspraken tussen jeugdige of zijn ouders en professional worden tijdig en op een bij de inwoner passende manier gemeld. De professional is in staat ervoor te zorgen dat de relatie voor beide partijen veilig is, zowel lichamelijk als mentaal. Er is overeenstemming met de jeugdige of zijn ouders over welke informatie gedeeld wordt en met wie, met in achtneming van de privacywetgeving en op basis van de Visie Gegevensdeling domein Samenleving. De professional onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid in de leefsituatie en het sociale netwerk van de jeugdige, conform de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. De ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten De professional heeft de kennis, houding en vaardigheden voor de betreffende hulpvraag en onderhoudt deze. De professional heeft krijgt de ruimte om hierin zelf keuzes te maken. De ondersteuning van de professional in relatie met de jeugdige of zijn ouders is aantoonbaar gericht op het behalen van de afgesproken resultaten en dit wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. De professional is op de hoogte van de andere hulpverleners die bij een jeugdige of zijn ouders betrokken zijn. Hij consulteert andere hulpverleners bij vragen en werkt samen waar dat zinvol is voor de te behalen doelstellingen van het ondersteuningsplan. Als een organisatie de individuele voorziening verstrekt heeft deze een toegankelijke klachten-procedure die onafhankelijke afhandeling van klachten garandeert en waarvan de jeugdige of zijn ouders op de hoogte zijn gesteld. 6Werk en re-integratie 6.1Algemene bepalingen Artikel6.1.1Begrippen 1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Het college bepaalt de reikwijdte van algemeen geaccepteerde arbeid. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met de integriteit van de belanghebbende, de situatie op de arbeidsmarkt en bijkomende omstandigheden. Naarmate meer risico bestaat op langdurige werkloosheid, worden er minder eisen gesteld aan de te accepteren arbeid; inburgeringsplicht: de plicht zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet inburgering; kandidaten: belanghebbenden die een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente Lansingerland; niet-uitkeringsgerechtigden (nug-gers): mensen die geen algemene bijstandsuitkering ontvangen en: Mensen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw); Schoolverlaters met een parttime bijbaan en die geen recht op een uitkering hebben; Herintreders met of zonder verdienende partner of vermogen (zoals beschreven in de Participatiewet, afhankelijk van de gezinssituatie); WW-gerechtigden die de maximale uitkeringsduur hebben bereikt en geen recht hebben op een Participatiewetuitkering vanwege een verdienende partner of een vermogen; referentieniveau: het fundamentele niveau taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid (F-niveau); maatschappelijke participatie: activiteiten gericht op het zelfstandig kunnen (gaan) deelnemen aan de samenleving; taalmeter: de online toets zoals beschikbaar gesteld door de Stichting Lezen en Schrijven en die een indicatie geeft van het taalniveau. 2.Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland. Artikel6.1.2Opdracht college 1.Het college voert een actief re-integratiebeleid ten aanzien van kandidaten. 2.Het college voert, bij het zelfstandig melden door niet uitkeringsgerechtigden bij de gemeente, een actief re-integratiebeleid voor niet uitkeringsgerechtigden. Artikel6.1.3Subsidie- en budgetplafond Het college heeft geen subsidie- of budgetplafond vastgesteld. 6.2Aanspraak op ondersteuning Artikel6.2.1Aanspraak op ondersteuning door kandidaten 1.Kandidaten die al eerder een voorziening aangeboden hebben gekregen welke niet heeft geleid tot het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, kunnen aanspraak maken op een nieuwe voorziening in het kader van re-integratie. 2.Het dossier van een kandidaat zoals bedoeld in het eerste lid bevat een rapportage met de redenen van niet-slagen van eerder aangeboden voorzieningen en aandachtspunten voor een nieuw te starten voorziening. Artikel6.2.2Aanspraak op ondersteuning door alleenstaande ouders 1.Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek om vrijstelling zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de Participatiewet een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend. 2.Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het toepasselijke plan van aanpak opgenomen voorziening. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het toepasselijke plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen. 3.Indien het heronderzoek daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op. 4.Het college vult de voorziening voor de alleenstaande ouder aan wie ontheffing is verleend en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat. 5.Op verzoek van de alleenstaande ouder aan wie ontheffing is verleend en die beschikt over een startkwalificatie vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat. Artikel6.2.3Aanspraak op ondersteuning door niet-uitkeringsgerechtigden 1.Het college kan aan een niet-uitkeringsgerechtigde op diens verzoek ondersteuning bij zijn re-integratie bieden wanneer deze: zoekt naar de kortste weg naar werk; en/of geen werkervaring heeft in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek; en/of geen inkomsten uit arbeid heeft gehad in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek;en/of geen relevante scholing heeft afgerond in het jaar voorafgaand aan het verzoek; en/of niet is ondersteund bij re-integratie in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek; en/of gemotiveerd is en zich breed opstelt bij bemiddeling naar algemeen geaccepteerde arbeid. 2.Een niet uitkeringsgerechtigde heeft geen recht op ondersteuning wanneer: hij een traject verwijtbaar niet goed doorloopt of tussentijds afbreekt; of blijkt dat er sprake is van een dusdanig grote toestroom aan niet-uitkeringsgerechtigde, dat er een wachtlijst moet worden gehanteerd. 3.De ondersteuning heeft een maximale trajectduur van een jaar en bedraagt maximaal € 3.500 per ondersteuningsaanvraag. 4.Indien het college op grond van dit artikel een niet-uitkeringsgerechtigde ondersteuning biedt, dan kan deze ondersteuning bestaan uit de voorzieningen zoals genoemd in de artikelen 6.3.3 en 6.3.4. 5.De trajectkosten worden voor alle niet-uitkeringsgerechtigde in eerste instantie in de vorm van een lening verstrekt. 6.Afhankelijk van de inzet en de financiële situatie van belanghebbende kan de financiering achteraf (gedeeltelijk) worden omgezet in een gift. 7.De hoogte van de aflossingen wordt vastgesteld op grond van hetgeen bepaald is in onderdeel 7.8 van deze beleidsregels. 8.Bij verwijtbaar gedrag dat leidt tot het niet succesvol afronden van een traject kunnen de gemaakte kosten, ongeacht de draagkracht van belanghebbende, volledig worden teruggevorderd. 6.3Voorzieningen Artikel6.3.1Nadere bepalingen over voorzieningen Onder voorzieningen op het gebied van re-integratie als bedoeld in onderdeel 6.2 van de Verordening Sociaal Domein wordt verstaan: instrumenten gericht op uitstroom naar regulier werk. Deze voorzieningen zijn gericht op directe reguliere arbeidsinschakeling en geven kandidaten de mogelijkheid om al opgedane werkervaring te behouden of werkervaring op te doen. instrumenten gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt. Voor kandidaten die een langer voortraject nodig hebben voordat ze daadwerkelijk kunnen uitstromen, kunnen instrumenten worden ingezet die de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Met de inzet van scholing, arbeids-trainingen en werkgewenningsperioden kan met moeilijker te plaatsen kandidaten gewerkt worden aan de terugkeer op de reguliere arbeidsmarkt. instrumenten gericht op maatschappelijke participatie. Deze instrumenten zijn gericht op maatschappelijke participatie en gaat om werkplekken bij een bedrijf, instelling of vereniging waar kandidaten met behoud van uitkering vrijwilligerswerk kunnen doen. Het doel hiervan is dat mensen actief en maatschappelijk nuttig bezig zijn. Zowel het college als de kandidaat kunnen hier het initiatief voor nemen. instrumenten gericht op nazorg. Die worden ingezet indien een kandidaat regulier werk heeft aanvaard. Doel is duurzame uitstroom te realiseren en mogelijke problemen op de werkvloer zo snel mogelijk op te lossen. Artikel6.3.2Verplichtingen van de gebruikers van een instrument Aan alle kandidaten en niet-kandidaten die gebruik maken van een re-integratie instrument worden de inspanningsverplichting, de medewerkingsverplichting en de inlichtingenverplichting opgelegd. Artikel6.3.3Werkstage 1.Een werkstage wordt ingezet voor de duur van zes maanden en kan eenmalig met zes maanden worden verlengd. 2.Steeds na drie maanden wordt de voortgang van belanghebbende beoordeeld. 3.De kans op regulier werk dient door inzet van de werkstage groter te worden. 4.Begeleiding kan door de werkgever worden aangeboden of extern in worden gekocht door het college. Artikel6.3.4Proefplaatsing Het college kan aan een persoon uit de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een proefplaatsing aanbieden. De voorwaarden hiervoor zijn: de proefplaatsing wordt alleen ingezet als het echt nodig is en duurt zo kort mogelijk; de proefplaatsing is niet toegestaan na afloop van een leerwerkplek/arrangement dan wel stage bij dezelfde werkgever; het is niet toegestaan dat na de proefplaatsing een proeftijd wordt opgenomen in het contract; de te verrichten werkzaamheden zijn niet loonvormend en de persoon ontvangt geen vergoeding of een beloning voor de te verrichten werkzaamheden; en het college kan twee maanden proefplaatsing inzetten als de werkgever de intentie heeft om de kandidaat daarna een contract aan te bieden van minimaal 6 maanden. Artikel6.3.5Werkgeverscheque 1.De vergoeding van de werkgeverscheque bedraagt ten hoogste € 2.250,- bij een dienstverband van zes maanden en ten hoogste € 4.500,- bij een dienstverband van twaalf maanden. Indien de arbeids-overeenkomst voortijdig wordt ontbonden, dan wordt de vergoeding evenredig verlaagd. 2. De arbeidsovereenkomst dient minimaal 32 uur per week te bedragen en dient een vast aantal uren te bedragen. Dit mag ook een gemiddelde zijn van minimaal 12 uur per week en minimaal 52 uur per maand. Indien de arbeidsovereenkomst minder uur bedraagt, dan wordt de vergoeding evenredig verlaagd. 3. Aan de arbeidsovereenkomst zijn verder de volgende voorwaarden verbonden: er mag geen sprake zijn van een uitzendbeding; er mag geen clausule zijn opgenomen dat er bij geen werk geen loondoorbetalingsverplichting geldt; er mag geen sprake zijn van een nul-urencontract. 4. De vergoeding kan op maandbasis nooit meer bedragen dan het bedrag dat de kandidaat aan bijstand ontving in de maand voorafgaand aan het aanvaarden van werk. 5. De werkgeverscheque is niet stapelbaar met een loonkostensubsidie (LKS) en/of plaatsings fee. Artikel6.3.6Maatschappelijke participatie Maatschappelijke participatie wordt ingezet onder de volgende voorwaarden: er is geen mogelijkheid voor de kandidaat om binnen afzienbare tijd algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. de kandidaat kan met behoud van uitkering activiteiten verrichten; elk jaar wordt opnieuw beoordeeld of regulier werk wel haalbaar is geworden voor de kandidaat. Artikel6.3.7Scholing 1.Scholing kan rechtstreeks ingekocht worden door de gemeente maar kan ook via een re-integratie-bureau worden ingekocht. 2.Scholing wordt ingezet onder de volgende voorwaarden: scholing moet de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen; de scholing moet passen binnen re-integratie doelstellingen; de kosten en baten van de scholing moeten in verhouding tot elkaar staan. Artikel6.3.8Vergoeding van reis- en overige kosten of inburgering 1.Het college kan een kandidaat die een re-integratietraject of een inburgeringsmodule volgt een vergoeding verstrekken voor reiskosten en overige kosten die de kandidaat maakt in het kader van het re-integratietraject. 2.Een vergoeding voor reiskosten wordt verstrekt onder de volgende voorwaarden: de kandidaat moet in het kader van het re-integratietraject of inburgeringstraject frequent (minimaal één keer per week gedurende minimaal een maand) een opleidingsinstituut, re-integratiebedrijf, werklocatie of sollicitatiegesprek bezoeken; en de reisafstand van de kandidaat naar de locatie per fiets is meer dan zeven kilometer. 3.De hoogte van de vergoeding voor reiskosten bedraagt: indien de kandidaat met het openbaar vervoer reist: de kosten van het openbaar vervoer 2e klasse, of indien de kandidaat per auto reist: € 0,23 per kilometer, of in de vorm van een WIJ-mobielkaart (ov-chipkaart), of in de vorm van een ov-chipkaart, of. 4.De kilometers per auto, als bedoeld in het derde lid onder b, worden berekend volgens de kortste route van de ANWB-routeplanner. 5.De reiskostenvergoeding wordt verstrekt voor de duur van het gehele traject/opleiding en per maand uitbetaald. 6.Het college kan een kandidaat ook een vergoeding geven voor overige kosten bij een re-integratietraject, zoals werkschoenen of een fiets. 7.Het college kan ook een vergoeding geven aan kandidaten die op basis van een parttime contract werken, voor zover zij bij hun eigen werkgever geen aanspraak maken op een vergoeding voor reis- en overige kosten. 8.Het college kan in individuele gevallen besluiten om van dit artikel af te wijken, indien bijzondere omstandigheden, hiertoe aanleiding geven. 9.Het college kent de vergoeding niet toe als hierover afspraken zijn gemaakt met het re-integratiebureau waar het re-integratietraject is ingekocht. Artikel6.3.9Vrijlaten inkomsten en vergoedingen Het college past op grond van artikel 31, tweede lid, sub n en r van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid IOAW en artikel 8, derde lid IOAW inkomstenvrijlating toe. Artikel6.3.10Uitstroompremie 1.Het college kan op grond van artikel 31, tweede lid, sub j van de Participatiewet een uitstroompremie toekennen aan langdurig werkloze kandidaten die gedurende minimaal zes maanden uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor geen recht meer hebben op een bijstandsuitkering. 2.Een langdurig werkloze in de zin van het vorige lid is een kandidaat die voorafgaand aan de werkaanvaarding gedurende minimaal twaalf aaneengesloten maanden bijstand ontving. 3.De premie bedraagt € 500,-. 4.De kandidaat kan de uitstroompremie aanvragen na afloop van de zesde maand van het dienstverband, maar uiterlijk voor de tiende maand. 5.Het college kan aan alleenstaande ouders met kinderen onder de basisschoolleeftijd ambtshalve de uitstroompremie toekennen ten behoeve van kinderopvang. 6.De uitstroompremie kan slechts eenmaal per kalenderjaar worden aangevraagd. Artikel6.3.11Vergoeding kosten kinderopvang Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten van de eigen bijdrage voor kinderopvang en/of vroeg- en voorschoolse educatie, indien een kandidaat deze kosten moet maken in het kader van het volgen van een re-integratietraject, participatie, volwasseneducatie of een inburgeringscursus onder de Wet Inburgering 2021 en deze kandidaat kan aantonen dat diens sociaal netwerk (partner, familie, vrienden, kennissen, buren) geen opvang kan bieden. Artikel6.3.12Participatievoorziening beschut werk 1.Wanneer tijdens een kalenderjaar het aantal beschikbare plekken voor beschut werk conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling vervuld is, dan komen inwoners met een indicatie beschut werk op een wachtlijst tot een volgend jaar waarin er weer nieuwe beschutte werkplekken beschikbaar zijn. Op deze wachtlijst wordt de volgorde aangehouden van de datum van de indicaties. 2.Voor inwoners waarvan het vermoeden bestaat dat deze in aanmerking komen voor de voorziening beschut werk, kan het college eerst een voortraject aanbieden om vanuit daar door te stromen naar een passende werkplek. Het voortraject is gericht op het verkrijgen van inzicht in de arbeidsmogelijkheden van de inwoner en op het stimuleren van zijn ontwikkeling, met het oog op doorstroom naar een passende werkplek. Indien uit het voortraject naar voren komt dat de inwoner uitsluitend kan functioneren in een beschutte werkomgeving onder aangepaste omstandigheden, vraagt het college advies aan bij het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV). Dit advies dient ter onderbouwing van de beoordeling of de inwoner uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 3.Voor inwoners waarvan het vermoeden bestaat dat deze in aanmerking komen voor de voorziening beschut werk, kan het college eerst een voortraject aanbieden om vanuit daar door te stromen naar een passende werkplek. Wanneer op basis van de ervaringen opgedaan op de voortraject verwacht wordt dat iemand alleen aan de slag kan op een beschutte werkplek, dan kan het college een advies inwinnen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Dit advies wint het college in voor de beoordeling of de inwoner uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 4.Voor inwoners met een advies indicatie beschut werk van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen die dit advies zelf hebben aangevraagd, biedt het college eerst een werkstage aan om vanuit daar door te stromen naar een passende beschutte werkplek. 5.Het college kan beschut werk aanbieden bij een werkgever met voldoende ondersteuning en aanpassingen in de aard van het werk en de werkplek. Artikel6.3.13Werkfit traject 1.Kandidaten kunnen met behoud van uitkering via een Werkfit traject werkervaring opdoen, waarmee beoogd wordt om de kandidaat de benodigde werknemersvaardigheden en werkritme op te laten doen. 2.Een Werkfit traject betreft het zodanig versterken van een kandidaat dat deze na het beëindigen van het traject in staat is om te werken. Artikel6.3.14Plaatsings fee 1.Het college kan een werkgever een plaatsingsfee van € 500 uitkeren wanneer hij een kandidaat een baan heeft aangeboden, mits er sprake is van een arbeidscontract van minimaal 6 maanden. 2.De werkgever kan de plaatsings fee slechts eenmalig aanvragen voor dezelfde kandidaat. 3.De betaling vindt na de eventuele proeftijd plaats. 6.4Overige bepalingen over werk en re-integratie Artikel6.4.1Nazorg 1.Personen die algemeen geaccepteerde arbeid hebben aanvaard, kunnen aanspraak maken op nazorg vanuit de gemeente dan wel vanuit een door de gemeente ingehuurde externe partij. 2.Doel van de inzet van deze nazorg is het realiseren van duurzame uitstroom en het voorkomen van terugval in de bijstand. 3.Nazorg wordt gedurende maximaal zes maanden ingezet. Artikel6.4.2Arbeidsverplichting naar vermogen 1.Het college kan een kandidaat tijdelijk om dringende redenen ontheffing verlenen van de verplichting tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Participatiewet. Deze ontheffing ziet op niet in de persoon van belanghebbende gelegen omstandigheden die zo dringend zijn dat ze op geen andere wijze kunnen worden opgelost. Deze ontheffing is tijdelijk voor de duur dat de dringende redenen zich voordoen. 2.Indien een belanghebbende tijdelijk, als gevolg van medische omstandigheden, niet of gedeeltelijk in staat is te werken wordt verwacht dat belanghebbende zich inspant om zo snel mogelijk weer zo volledig mogelijk beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Van een ontheffing kan geen sprake zijn. De medische omstandigheden kunnen altijd worden aangetoond door belanghebbende en geven mogelijk aanleiding om op grond van artikel 55 van de participatiewet nadere verplichtingen voor onderzoek en behandeling van de medische klachten aan te gaan. 3.De duur van de ontheffing is minimaal twee en maximaal 24 maanden. Artikel6.4.3Inburgering 1.Het college kan de kosten van een medische keuring ten behoeve van een ontheffing voor de inburgeringsplicht vergoeden, indien DUO de aanvraag heeft afgewezen en de persoon de kosten niet gecompenseerd krijgt van DUO. 2. Het college vergoedt de kosten als bedoeld in het eerste lid slechts als het tijdens de brede intake of een voortgangsgesprek de inschatting maakt dat een leerroute niet haalbaar is. 6.5Tegenprestatie Artikel6.5.1Doel Het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden is bedoeld als wederdienst in ruil voor een uitkering in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud. Artikel6.5.2Voorwaarden werkzaamheden In aanvulling op de voorwaarden zoals die genoemd zijn in paragraaf 6.3 (Tegenprestatie) van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende voorwaarden voor de werkzaamheden: het college verstrekt geen vergoeding voor de werkzaamheden. De organisatie waarvoor belang-hebbende werkt mag de uitkeringsgerechtigde wel een vergoeding geven; de werkzaamheden vormen geen belemmering voor het accepteren van regulier werk of voor de re-integratie of sollicitatie-activiteiten van belanghebbende. Artikel6.5.3Werkzaamheden zoeken 1.De belanghebbende aan wie het college een tegenprestatieplicht op wil gaan leggen, overlegt met zijn consulent over de mogelijke werkzaamheden die hij kan verrichten. De consulent stimuleert de belang-hebbende om zo veel mogelijk te kiezen voor activiteiten die hij interessant vindt en om zo nodig zelf op zoek te gaan naar onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden die hij kan gaan verrichten. 2.Het college verstrekt hiertoe voldoende voorlichtingsmateriaal, waaronder een lijst van de activiteiten van organisaties in de gemeente waar onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht. 3.De termijn waarbinnen kan worden gezocht is een maand. De termijn kan op verzoek van belang-hebbende eenmalig met een maand worden verlengd. In bijzondere omstandigheden kan de consulent een langere termijn vastleggen in het dossier van de uitkeringsgerechtigde. Bijvoorbeeld wanneer dit nodig is om voldoende kinderopvang te regelen of wanneer dit nodig is om een nieuwe activiteit te starten, die goed aansluit bij de behoeften van de uitkeringsgerechtigde. 4.De belanghebbende stelt samen met de organisatie waarvoor hij werkzaamheden gaat verrichten een overeenkomst op, die ter beoordeling wordt voorgelegd aan de consulent. Hierin wordt in ieder geval vastgelegd waaruit de werkzaamheden bestaan en voor hoeveel uren per week de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het college kan hiertoe een voorbeeldovereenkomst verstrekken. Artikel6.5.4Opleggen tegenprestatie 1.Het college beoordeelt of de overeengekomen werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.5.3, vierde lid voldoen aan de voorwaarden als genoemd in de artikelen 6.5.1 en 6.5.2 en legt vervolgens bij beschik-king de plicht tot tegenprestatie op. In de beschikking worden de betreffende organisatie, de aard van de werkzaamheden en het aantal uur per week vastgelegd. 2.Indien de belanghebbende niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 6.5.3, derde lid onbeloonde werkzaamheden heeft gevonden die voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 6.5.1 en 6.5.2, dan bepaalt het college waar de werkzaamheden worden verricht, waaruit de werkzaamheden bestaan en voor hoeveel uren per week. Artikel6.5.5Tegenprestatie naar vermogen Indien een belanghebbende tijdelijk, als gevolg van medische omstandigheden, niet of gedeeltelijk in staat is tot het verrichten van een tegenprestatie wordt verwacht dat belanghebbende zich inspant om zo snel mogelijk weer zo volledig mogelijk beschikbaar te zijn om alsnog de tegenprestatie te leveren. Van een ontheffing kan geen sprake zijn. De medische omstandigheden kunnen altijd worden aangetoond door belanghebbende. Daar waar dit raakt aan de arbeidsinzetbaarheid kan belanghebbende ook worden verplicht zich te laten behandelen voor de medische en of psychische klachten op grond van artikel 55 van de Participatiewet. Artikel6.5.6Niet nakomen van de verplichting Bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot tegenprestatie kan de uitkering van belang-hebbende worden verlaagd op grond van onderdeel 7.3 (Afstemming) van de Verordening Sociaal Domein. 6.6Wet taaleis Artikel6.6.1Aantonen kennis van de Nederlandse taal 1.De bewijslast om aan te tonen dat belanghebbende op het vereiste niveau vaardig is in de Nederlandse taal ligt bij belanghebbende. 2.Een diploma inburgering of gelijkwaardig document geldt als bewijs dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst. 3.De beoordeling van de consulent vastgelegd in een rapportage dat belanghebbende voldoet aan de beheersing van de Nederlandse taal op 1F niveau is bewijslast in het kader van artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet. 4.Het met succes afleggen van de taalmeter op niveau 2F is bewijslast in het kader van artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet. Artikel6.6.2Geen taaltoets Het college neemt geen taaltoets af indien vastgesteld kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid om aan de taaleis, als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet, te voldoen ontbreekt. Er is sprake van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid als: belanghebbende ontheven is van de inburgeringsplicht; belanghebbende ontheven is van de arbeidsplicht of een algemene ontheffing heeft op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek. tijdens een eerdere uitkeringsperiode is vastgesteld dat iemand de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden. naar het oordeel van de consulent er geen sprake is van enige verwijtbaarheid blijkens uit de rapportage. Artikel6.6.3Verwerving vereist taalniveau 1.Als de uitslag van de toets is dat belanghebbende niet voldoet aan de taaleis, dan wordt belanghebben-de uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dit gesprek wordt de uitslag van de taaltoets besproken en wordt in overleg met belanghebbende bepaald hoe deze naar het gewenste taalniveau gaat toewerken. 2.In het gesprek na de taaltoets is besproken wat het startniveau van belanghebbende is en wat belang-hebbende gaat doen om de taalvaardigheden op referentieniveau 1F te verwerven. Het college monitort of belanghebbende de gemaakte afspraken nakomt. Als dit niet het geval is dan wordt belanghebbende door het college uitgenodigd voor een gesprek. 3.Als belanghebbende is begonnen met een leerroute in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals in artikel 18b, van de Participatiewet. 4.Als belanghebbende vóór 1 januari 2016 is begonnen met een taaltraject in het kader van de Wet educatie, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 18b, van de Participatiewet. 7Inkomen 7.1Algemene bepalingen Artikel7.1.1Begrippen In dit hoofdstuk worden, tenzij anders vermeld, dezelfde begripsbepalingen gebruikt als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 7 van de Verordening Sociaal Domein. Artikel7.1.2Rechthebbenden Er bestaat slechts recht op verstrekkingen of vergoedingen op grond van dit hoofdstuk indien de aanvrager of, indien van toepassing, het gezin: woonplaats heeft in de gemeente Lansingerland als bedoeld in de artikelen 1:10, eerste lid en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek; en Nederlander is, of daaraan wordt gelijkgesteld doordat hij/zij een hier te lande verblijvende vreemdeling is, zoals bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid van de Participatiewet. 7.2Vormen van bijzondere bijstand Artikel7.2.1Bijzondere bijstand om niet Tenzij in de Participatiewet of in dit hoofdstuk anders wordt bepaald, wordt bijzondere bijstand om niet verstrekt. Artikel7.2.2Bijzondere bijstand als lening voor duurzame gebruiksgoederen 1.De kosten voor aanschaf, reparatie en vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten die uit de algemene bijstandsnorm of uit een vergelijkbaar inkomen moeten worden gefinancierd. 2.Voor de aanschaf, reparatie en vervanging van duurzame gebruiksgoederen moet men reserveren. 3.De reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen is het verschil tussen het netto inkomen en 95% procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De periode van reservering is minimaal 12 maanden. 4.De aanvraag wordt afgewezen als er voldoende reserveringscapaciteit is. 5.Indien er geen of onvoldoende reserveringscapaciteit is, wordt de bijzondere bijstand verleend: ‘om niet’ voor niet-verhuisbare duurzame gebruiksgoederen; in de vorm van een geldlening voor verhuisbare duurzame gebruiksgoederen. 6.Bij het bepalen van de hoogte van te verstrekken bijzondere bijstand voor verhuisbare duurzame gebruiksgoederen wordt bij de aanschaf uitgegaan van de Nibud-norm. 7.[vervallen] Artikel7.2.3Bijzondere bijstand voor volledige woninginventaris 1.In afwijking van artikel 7.2.2, zesde lid, kan bijzondere bijstand voor een volledige woninginventaris in natura worden verstrekt op aanvraag van de inwoner of bij gegronde redenen (zoals bedoeld in artikel 57 Participatiewet) om aan te nemen dat de inwoner zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand. 2. [vervallen] 3. Het college kan vergoeden: Stoffering (om niet) overeenkomstig 100% van de Nibud-norm, tenzij dit al door 3B Wonen is verstrekt. Duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een lening, overeenkomstig 50% van de Nibud-norm. Een aanvullende vergoeding voor een bed en matras vanaf het 5e kind. Wandbekleding overeenkomstig 100% van de Nibud-norm. 4. Een woning die door 3B Wonen wordt toegewezen aan een (asiel)statushouder die zich in Lansingerland gaat vestigen of aan een gezin waarin sprake is van gezinshereniging na een toegekende asielaanvraag, wordt gestoffeerd opgeleverd door 3B Wonen. 5. Statushouders die onder de taakstelling van de gemeente vallen en worden gehuisvest, hebben recht op een vergoeding van de woninginventaris, ongeacht of zij een betaalde baan hebben. Voor deze doelgroep vindt geen draagkrachtberekening op inkomen en vermogen plaats. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een lening. Statushouders lossen de lening af door maandelijks het aflosbedrag aan het college over te maken dan wel wordt het aflos-bedrag maandelijks door het college ingehouden op de algemene bijstandsuitkering. De aflossing is rentevrij en start in de maand nadat de lening is toegekend. Artikel7.2.4Bijzondere bijstand voor schulden 1.Voor schulden wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt. 2.In afwijking van het vorige lid wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een: gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht; of financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank, dan wel daarmee geen relatie onderhoudt. 3.In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een lening voor de aflossing van een huurschuld indien: de huurschuld heeft geleid tot een dreigende uithuiszetting; en verlening van bijzondere bijstand redelijkerwijs de enige manier is waarop deze uithuiszetting kan worden voorkomen. 4.Het college kan van het derde lid afwijken indien naar zijn oordeel sprake is van opzettelijk dan wel frauduleus handelen van de belanghebbende dat geleid heeft tot de huurschuld. 5.Aan bijstand die in de vorm van borgtocht of een lening wordt verstrekt ter aflossing van schulden, wordt de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende meewerkt aan de totstandkoming van een minnelijke regeling zoals een schuldhulpverleningstraject door de gemeente of een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). 6.Bijstand in de vorm van een lening voor aflossing van een huurschuld wordt conform de termijn die gehanteerd wordt bij schuldsanering slechts eenmaal in de vijftien jaar toegekend. 7.3Draagkracht en drempelbedrag Artikel7.3.1Draagkracht inkomen en middelen 1.Voor het bepalen van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid van de Participatiewet, worden inkomsten boven 115% van de voor belanghebbende geldende netto bijstandsnorm, volledig in aanmerking genomen als draagkracht. 2.Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de Participatiewet. 3.De individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet wordt niet als middel aangemerkt. 4.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld. 5.Indien een inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) of is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wnsp), wordt geen draagkracht uit inkomen aangenomen, aangezien het inkomen boven het vrij te laten bedrag (Vtlb) niet vrij beschikbaar is. 6.Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan slechts gewijzigd worden, indien een structurele wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft. 7.Bij elke volgende aanvraag om bijzondere bijstand in de draagkrachtperiode wordt rekening gehouden met het beslag dat reeds op de draagkracht is gelegd door eerdere afwijzingen of gedeeltelijke toewijzingen van bijzondere bijstand. 8.[vervallen] Artikel7.3.2Draagkrachtvermogen 1.Het vermogen wordt op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand en er wordt aangesloten bij de vermogensgrens als genoemd in artikel 34, derde lid, van de wet. Het vermogen boven die grens wordt volledig tot de draagkracht gerekend. 2.De waarde van één auto of motorfiets tot een bedrag van € 2.500,- wordt, voor de berekening van de draagkracht in de bijzondere bijstand, niet in aanmerking genomen als vermogen. 3.[vervallen] 4.Bij het vaststellen van het draagkrachtvermogen worden ontvangen vergoedingen die verstrekt zijn in verband met de kinderopvangtoeslagaffaire niet meegerekend. 5. Indien een inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) of is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wnsp), wordt geen draagkracht uit inkomen aangenomen, aangezien het inkomen boven het vrij te laten bedrag (Vtlb) niet vrij beschikbaar is. Artikel7.3.3Drempelbedrag Een drempelbedrag, zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Participatiewet, wordt niet gehanteerd. 7.4Vergoedingen Artikel7.4.1Bijzondere bijstand in de alg

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.