Verordening Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Winkelcentrum Malden 2023-2025HoofdstukI Algemene bepalingen Artikel1Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: BIZ: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven, aangegeven op de bijbehorende kaart. BIZ-bijdrage: hetgeen daaronder in de wet wordt verstaan wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen; uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente Heumen en Stichting Eigenaren BIZ Winkelcentrum Malden als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet; belastingobject: de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, voor zover die op grond van artikel 220a van de Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dient en voor zover die op grond van artikel 6 van deze verordening niet uitdrukkelijk is uitgezonderd. Artikel2Gebiedsomschrijving De verordening is van toepassing op de belastingobjecten in het gebied waarvan de begrenzing met gele markering is aangegeven op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart. HoofdstukIIBelastingbepalingen Artikel3Aard van de belasting Onder de naam BIZ-bijdrage wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel4Belastbaar feit en belastingplicht De BIZ-bijdrage wordt - gedurende de periode van 2023 tot en met 2025 - jaarlijks bij wege van aanslag geheven ter zake van binnen de BI-zone als bedoeld in artikel 2 gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a van de Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de vastgoedeigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de BI-zone gelegen belastingobject, dat op grond van artikel 220 Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dient. Voor de toepassing van het tweede lid wordt als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht had. Artikel5Tarief BIZ-bijdrage De BIZ-bijdrage wordt, gedurende de periode 2023 tot en met 2025, geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het betreffende kalenderjaar. De BIZ-bijdrage bedraagt 0,15% van de waarde als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat per belastingobject een bedrag zal worden geheven van ten minste € 150,- en ten hoogste € 750,-. Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel6Vrijstellingen In afwijking van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 , met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid; o. belastingobjecten die worden beheerd door de gemeente, een vereniging of stichting zonder winstoogmerk, die geen onderneming drijft, voor zover die objecten bestemd en uitsluitend in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport, kunst of cultuur, stalling van fietsen en andere activiteiten van sociale of culturele aard zonder winstoogmerk; p. belastingobjecten die naar hun aard niet toegankelijk zijn voor publiek zoals transformatorhuisjes en reclamezuilen. q. In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ- bijdrage van de eigenaar buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van het belastingobject die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel7Termijnen van betaling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.