Leidraad wijzigen omgevingsplan1.Inleiding 1.1Aanleiding Op 1 juli 2023 treedt (naar verwachting) de Omgevingswet in werking. Vanaf dan zijn de bestemmingsplannen en beheersverordeningen automatisch onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan Meppel. De gemeente Meppel heeft nog tot en met 31 december 2029 de tijd om het tijdelijke omgevingsplan aan te passen naar het omgevingsplan Meppel dat volledig voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en de provincie Drenthe en de digitale standaarden. Met dit proces is de gemeente inmiddels gestart, maar dat is nog niet afgerond op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Ondertussen staat de wereld niet stil, ontwikkelingen voor grote en kleine projecten zullen er altijd zijn. Op een ontwikkeling waarvoor geen omgevingsvergunning wordt aangevraagd maar waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is, is de Omgevingswet van toepassing. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de eisen die de wet aan een omgevingsplan stelt, ook al is het maar voor een deelgebied. Voor een ontwikkeling kan nog een bestemmingsplan in procedure worden gebracht als het lukt om het ontwerp ter inzage te leggen voor 1 juli 2023 (of wanneer de invoering van de Omgevingswet later is, dan per die datum). Dan is het oude recht (Wet ruimtelijke ordening) van toepassing en ook het Handboek bestemmingsplannen 2012 van de gemeente Meppel. Vanaf invoering van de Omgevingswet worden voor nieuwe ontwikkelingen geen bestemmingsplannen meer in procedure gebracht. Plannen voor ontwikkelingen die vanaf dat moment worden opgesteld of waarvoor het niet lukt voor die datum een ontwerpplan gereed te hebben, zijn wijzigingen van het omgevingsplan en moeten voldoen aan deze Leidraad. Als een initiatief niet past binnen het omgevingsplan, kan dit ook via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk gemaakt worden. Deze Leidraad is van toepassing op een wijziging van het omgevingsplan Meppel en niet op omgevingsvergunningen. 1.2Doel / Reikwijdte Met deze Leidraad wijzigen omgevingsplan legt de gemeente Meppel vast hoe de omgevingsplansystematiek is opgebouwd voor de wijziging van het omgevingsplan Meppel. Het geeft in hoofdlijnen de inhoud van het omgevingsplan weer. Het doel van deze Leidraad is: het vergroten van de leesbaarheid, raadpleegbaarheid, gebruiksvriendelijkheid en de vergelijkbaarheid van wijzigingen van het omgevingsplan Meppel die ten behoeve van ontwikkelingen in de gemeente worden vastgesteld. Onder de nieuwe wetgeving is het van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen nog steeds mogelijk gemaakt kunnen worden. Ontwikkelingen mogelijk maken kan op twee manieren: de ontwikkeling past binnen het omgevingsplan: dan kan een omgevingsvergunning worden verleend of de ontwikkeling is toegestaan op grond van het plan (vergunningvrij); de ontwikkeling past niet binnen het omgevingsplan, dan zijn er twee mogelijkheden: wijzigen van het omgevingsplan (daar gaat deze Leidraad over); een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verlenen. In overleg met de gemeente wordt bepaald welke procedure toegepast wordt. In deze Leidraad wordt beschreven op welke manier ontwikkelingen onder de Omgevingswet mogelijk gemaakt worden via een wijziging van het omgevingsplan
(2a), wat wordt verwacht van initiatiefnemers en wat zij van de gemeente kunnen verwachten. 1.3Status Het is geen wettelijke verplichting om een Leidraad voor het omgevingsplan te hebben. De meerwaarde van een Leidraad bestaat uit het vastleggen van de eigen (beleids)keuzes en afspraken over de standaardisatie binnen de gemeente. De Leidraad is een aanvulling op de wettelijke verplichtingen uit de Standaard voor Officiële Publicaties (STOP) en de Toepassingsprofielen Omgevingsdocumenten (TPOD). Deze Leidraad heeft de status van beleidsregel en wordt door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Bij de vervaardiging van wijzigingen van het omgevingsplan Meppel geldt de Leidraad als uitgangspunt en als belangrijk hulpmiddel. Indien sprake is van uitbesteding of als de wijziging door de gemeente zelf wordt vervaardigd, moet worden vastgehouden aan de in de Leidraad opgenomen uitgangspunten. De leidraad is een dynamisch document. Het versiebeheer van het document geeft inzicht in wijzigen en de actualiteit ervan. 1.4Leeswijzer In hoofdstuk 2 staat een uitleg over het instrument omgevingsplan en worden de verschillen met betrekking tot het bestemmingsplan benoemd. Hoofdstuk 3 is bedoeld om de keuze voor een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit inzichtelijk te maken. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de onderdelen van het wijzigingsbesluit. In hoofdstuk 5 is een stappenplan opgenomen met daarin de stappen die nodig zijn om te komen tot een wijziging van een omgevingsplan en het goed onderbouwen daarvan. In hoofdstuk 6 staat de procedure voor de wijziging van het omgevingsplan beschreven. Hoofdstuk 7 gaat in op de digitale aspecten van het omgevingsplan en de keuzes die de gemeente Meppel heeft gemaakt. In hoofdstuk 8 is uitgelegd wat toepasbare regels zijn. Hoofdstuk 9 gaat in op het beheer van het omgevingsplan Meppel. 2.Het Omgevingsplan: de Basis 2.1Algemeen Bestemmingsplan versus omgevingsplan Het instrument bestemmingsplan wordt onder de Omgevingswet vervangen door het omgevingsplan. Dit brengt de volgende wijzigingen met zich mee. Eén omgevingsplan per gemeente Het omgevingsplan vervangt het geldende bestemmingsplan en de beheersverordening uit de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Momenteel hebben gemeenten meerdere bestemmingsplannen voor hun grondgebied. Onder de Omgevingswet moet iedere gemeente één omgevingsplan voor haar hele grondgebied vaststellen. Ook maken we nu ontwikkelingen mogelijk door het maken van een zogenaamd postzegelbestemmingsplan. Dit is een opzichzelfstaand plan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is er één omgevingsplan voor de hele gemeente. In eerste instantie is dat het omgevingsplan van rechtswege, het tijdelijke omgevingsplan. Ontwikkelingen kunnen worden mogelijk gemaakt door dit omgevingsplan voor de hele gemeente te wijzigen. Brede reikwijdte Het omgevingsplan heeft een bredere reikwijdte dan het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan beperkt zich tot planologische aspecten en ontwikkelingen worden getoetst aan een goede ruimtelijke ordening. Een omgevingsplan heeft betrekking op de gehele fysieke leefomgeving en er wordt getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo komen bijvoorbeeld het ruimtelijke en het milieuspoor samen in het omgevingsplan, zijn veiligheid en gezondheid (nieuwe) thema's in het omgevingsrecht en is het beter mogelijk om te sturen op een goede omgevingskwaliteit. In artikel 2.1 van de Omgevingswet is gedefinieerd wat wordt verstaan onder 'de fysieke leefomgeving'. Veel gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan In de huidige lokale verordeningen kunnen regels staan die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het is van belang om uit te zoeken welke regels uit lokale verordeningen moeten worden opgenomen, mogen worden opgenomen of niet mogen worden opgenomen in het omgevingsplan. Voor de categorie regels die mogen worden opgenomen in het omgevingsplan, heeft een gemeente drie keuzes in hoe zij deze over wil nemen: de regels worden ongewijzigd overgenomen in het omgevingsplan; de regels worden geschrapt en dus niet overgenomen in het omgevingsplan; of de regels worden gewijzigd overgenomen in het omgevingsplan. Behalve de keuze of en hoe gemeenten de regels over willen nemen, kunnen gemeentes ook kiezen of ze de regels gebiedsgericht of themagericht willen overnemen of een combinatie van beiden. Alleen de gemeentelijke erfgoedverordening, geurverordening en de gemeentelijke verordening afvoer regen en grondwater maken onder het nieuwe recht deel uit van het tijdelijke omgevingsplan (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Alle overige lokale regels maken geen deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, maar blijven afzonderlijk hiervan gelden. Geen rijksregels meer voor een aantal activiteiten De Omgevingswet gaat uit van ‘decentraal, tenzij’. Veel regels kunnen beter op lokaal niveau worden geregeld. Ze zijn dan concreet en toegespitst op de locatie. Onder de Omgevingswet verhuizen veel rijksregels naar de gemeente. Het gaat bijvoorbeeld om regels over horeca, recreatie en detailhandelsactiviteiten. Deze regels zijn opgenomen in de Bruidsschat. Deze regels maken bij inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Als gemeente kunnen we vervolgens afwegen of we de regels van de Bruidsschat overnemen, wijzigen of schrappen in het gebiedsdekkende omgevingsplan. Geen regels over uitvoerbaarheid De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) komt onder de Omgevingswet niet terug. We hoeven dus niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. We geven in het omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie 'kan' komen, het moet niet evident onuitvoerbaar zijn. Nu moeten we als gemeente veel mogelijkheden onderzoeken die feitelijk nooit gerealiseerd zullen worden. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat dit onderzoek gefaseerd plaats kan vinden. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend initiatief aandient, wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Dit heeft als voordeel dat de onderzoekslasten omlaag kunnen. We moeten wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Actualisatieplicht vervalt De plicht om het bestemmingsplan na 10 jaar te actualiseren vervalt onder de Omgevingswet. Wij zullen het omgevingsplan wijzigen wanneer dat van belang is op basis van visie en beleid of voor het mogelijk maken van ontwikkelingen. De komende jaren wordt het nieuwe deel van het omgevingsplan gebiedsgericht gevuld, zie ook paragraaf 2.
- Geen regels over overgangsrecht Bij wijziging van het omgevingsplan vallen bestaande situaties niet standaard onder overgangsrecht. Deze standaardregels over overgangsrecht staan nu nog in het Bro. Legaal bestaand gebruik mocht bijna altijd doorgaan, ook bij een bestemmingswijziging of aanscherping van de regels. In het omgevingsplan kan het overgangsrecht meer worden afgestemd op wat gewenst is. Dat betekent dat overgangsrecht voor een bepaalde periode (niet meer standaard 10 jaar) kan worden opgenomen of helemaal niet. Nieuwe digitale standaard Het omgevingsplan moet voldoen aan de nieuwe inhoudseisen, terminologie en aan de nieuwe digitale standaarden. Dat is nodig om de regels voor burgers en bedrijven makkelijk raadpleegbaar te maken. Schematische weergave van het omgevingsplan In grote lijnen zijn bovengenoemde punten de grootste wijzigingen die voortkomen uit het vervangen van de bestemmingsplannen door één omgevingsplan. In Figuur 2.1 is het omgevingsplan schematisch weergegeven ten opzichte van een traditioneel bestemmingsplan. Figuur 2.1: Schematische weergave omgevingsplan Bij het opstellen van een omgevingsplan worden over meer thema's dan voorheen regels opgenomen. Om goed te kunnen adviseren over de (on)mogelijkheden van het gebruik van de afwegingsruimte, vraagt dit om: kennis van de thema's binnen de fysieke leefomgeving; een integrale benadering van ontwikkelingen; en samenwerking met ketenpartners (o.a. provincie, waterschap, GGD, Veiligheidsregio). 2.2Overgangsperiode/tijdelijk deel omgevingsplan Op het moment van inwerkingtreden van de Omgevingswet heeft elke gemeente van rechtswege het tijdelijke omgevingsplan, bestaande uit de geldende bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings en wijzigingsplannen, exploitatieplannen, inpassingsplannen, bodemkwaliteitskaarten en de Bruidsschat van het Rijk. Voor een drietal gemeentelijke verordeningen geldt dat zij (deels) deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan. Hierbij gaat het om de regels over archeologie uit de Erfgoedverordening, de regels over geurbelasting door veehouderijen op een geurgevoelig object in een gemeentelijke Geurverordening en de regels over afvloeiend hemelwater of grondwater in de riolering die zijn opgenomen in een gemeentelijke verordening afvoer regen en grondwater. Het tijdelijke omgevingsplan voldoet nog niet aan de vereisten die gelden voor het omgevingsplan zoals bedoeld in de Ow. Gemeenten hebben tot en met 31 december 2029 de tijd om het tijdelijke omgevingsplan om te bouwen naar een volwaardig omgevingsplan voor het gehele grondgebied. De onderdelen van het tijdelijke en nieuwe deel zijn weergegeven in figuur 2.
- Figuur 2.2: de overgangsfase bij inwerkingtreding Omgevingswet Bij het maken van een nieuw (deel van het) omgevingsplan moet dit (deel) altijd voldoen aan de regels die de Ow en de Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) stellen. Zo moet altijd voldaan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2 lid 1 Ow, de instructieregels van het Rijk in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de provinciale instructieregels. Deze eisen gelden niet voor het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Tussen de verschillende onderdelen van de regels die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving in de overgangsfase bestaan overeenkomsten en verschillen. Deze zijn weergegeven in tabel 2.
- Tabel 2.1: mogelijkheden bij de overgangsfase Bruidsschat Bestemmingsplannen etc. Gemeentelijke verordeningen Onderdeel van tijdelijk omgevingsplan Ja Ja Nee Inhoud bevroren Nee Ja Nee Wijze van overhevelen Vrij Geheel overhevelen Vrij Fatale termijn? Nee Nee Ja Inhoud bevroren Bestemmingsplannen en beheersverordeningen: de inhoud van de voormalige ruimtelijke regels zoals de regels opgenomen in bestemmingsplannen en beheersverordeningen is bevroren, wat betekent dat deze regels niet meer aangepast kunnen worden. Bij het wijzigen van het omgevingsplan (het tijdelijke deel) kunnen de regels voor een locatie alleen allen tegelijk komen te vervallen. Dat betekent dat de bestemmingsplanregels voor een locatie of een gebied dus in één keer omgezet moeten worden naar omgevingsplanregels. Het is wel mogelijk om met een voorrangsbepaling voor een bepaalde locatie één of meerdere regels toe te voegen die dan gelden in plaats van of in aanvulling op de betreffende regels uit het tijdelijke omgevingsplan. Wijze van vervallen In tegenstelling tot de ruimtelijke regels zijn de regels uit de Bruidsschat en de gemeentelijke verordeningen niet bevroren. Als gemeente hebben we de vrijheid in de keuzes die gemaakt kunnen worden bij het ombouwen van deze regels naar regels voor het nieuwe deel van het omgevingsplan. Bruidsschat Zo kan gekozen worden om de gehele Bruidsschat, vooruitlopend op of in het kader van het eerste wijzigingsbesluit, aan te passen (behouden, schrappen, wijzigen van regels). Dit kan dan voor het gehele gemeentelijke grondgebied of uitsluitend voor de locatie waarop het wijzigingsbesluit betrekking heeft. Een andere optie is om alleen die artikelen uit de Bruidsschat aan te passen die moeten worden aangepast, bijvoorbeeld om te voldoen aan instructieregels uit het Bkl en de provinciale omgevingsverordening. Gemeentelijke verordeningen We hebben tot 2030 de tijd om de gemeentelijke verordeningen op te nemen in het omgevingsplan. Tot die tijd mogen de verordeningen naast het omgevingsplan blijven bestaan. Hoe we omgaan met de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving, is beschreven in paragraaf 5.
- Rekening houdend met het overgangsrecht zoals weergegeven in tabel 2.1, kan het omgevingsplan dus op verschillende manieren worden gewijzigd. Wanneer een ontwikkeling, zoals een woningbouwplan, in strijd is met het omgevingsplan, kan dat plan worden aangepast door middel van een wijzigingsbesluit. Daarmee wordt voor die ontwikkeling op die locatie een nieuw onderdeel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet gemaakt. De wijze waarop dit gebeurt is afhankelijk van de gemaakte keuzes zoals hierboven beschreven. 2.3Aanpak van de gemeente Meppel om te komen tot een volledig Omgevingsplan De komende jaren wordt het nieuwe deel van het omgevingsplan Meppel primair gebiedsgericht gevuld. Per gebied bouwen we alle regels uit de ter plaatse geldende (paraplu)bestemmingsplannen, beheersverordeningen en de Verordening fysieke leefomgeving om naar nieuwe juridische regels. Voor dat gebied wijzigen we het omgevingsplan. De ter plaatse geldende bestemmingsplannen vervallen na het wijzigingsbesluit. Behalve het herformuleren van bestaande regels moeten we ook nieuwe wet en regelgeving op doorwerking naar het omgevingsplan beoordelen (inclusief de omgevingsvisie), locaties digitaal koppelen (werkingsgebieden) en annotaties toevoegen. Al met al een complexe en grote opgave per gebied. Je kunt deze opgave dan ook zien als een actualisering (zoals de actualisatie van alle bestemmingsplannen voor 1 juli 2013) met een grote plus. Het eerste deelgebied is BinnenstadCentrumschil. Dit is ook gelijk het oefengebied waarvoor we de structuur van het omgevingsplan opzetten, de regels invullen en de huidige bestemmingsplannen en het geldende beleid verwerken. Ruimtelijke initiatieven tijdens de overgangsperiode De gemeente zal de komende jaren bezig zijn met een gebiedsgerichte aanpak en komt zo langzamerhand tot één omgevingsplan dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet voor de hele gemeente. Ondertussen staan ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente niet stil. Er zullen initiatieven zijn die niet met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kunnen worden vergund, maar mogelijk moeten worden gemaakt met een wijziging van het omgevingsplan. Tussentijds kunnen we locatiegerichte wijzigingen van het omgevingsplan doorvoeren om nieuwe initiatieven te faciliteren. Dit staat dus los van de “ombouw” waar de gemeente mee bezig is, maar vraagt ondertussen wel om afstemming. Er is immers sprake van één omgevingsplan. Voor initiatieven wordt deze Leidraad gehanteerd. Hiermee zorgen we ervoor dat opbouw en systematiek van deze wijzigingen overeen blijven komen met het omgevingsplan. In de gebiedsgerichte “ombouw” van het tijdelijke omgevingsplan nemen we nieuwe initiatieven niet mee. Bezwaren op deze initiatieven kunnen de totstandkoming van het gemeentelijke omgevingsplan vertragen. Het vraagt wel om afstemming over regelingen in het omgevingsplan wanneer een ontwikkeling plaatsvindt in een gebied dat we op dat moment “ombouwen”, maar ook voor gebieden waar het omgevingsplan nog niet is “omgebouwd” en een initiatief plaatsvindt is afstemming nodig over de regeling, omdat deze nieuw is. Stapsgewijze aanpak: welk gebied eerst? We gaan bij de gebiedsgerichte “ombouw” van het tijdelijke deel van het omgevingsplan opeenvolgende, grote gebieden aanpakken. Elk gebied heeft zoveel mogelijk dezelfde ruimtelijke en fysieke eigenschappen. Op deze manier kunnen we een eenduidige regeling opstellen. Per deelgebied bouwen we alle regels uit de ter plaatse geldende (paraplu)bestemmingsplannen (en eventuele beheersverordeningen) samen met de regels uit de Bruidsschat en de Verordening fysieke leefomgeving om naar een regeling voor het omgevingsplan, rekening houdend met (instructie)regels vanuit het Rijk en de provincie Drenthe. De Verordening fysieke leefomgeving wordt in een aparte thematische wijziging van het omgevingsplan gedaan. We hebben een globale planning gemaakt met een verdeling van de procedures over de verschillende jaren, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Jaar (opstarten) Wijziging omgevingsplan 2021 Binnenstad en Centrumschil 2022 Verordening fysieke leefomgeving 2023 Bedrijventerreinen 2024 Buitengebied 2025 Woonwijken + Nijeveen 2026 Ziekenhuisterrein e.o. De gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een wijziging van het omgevingsplan (inclusief voorbereiding) schatten we in op minimaal 2 jaar. Een complexe wijziging, zoals voor de bedrijventerreinen, zal meer tijd kosten. De laatste procedure zal naar schatting in 2027 worden afgerond, waarna er sprake is van één gemeentedekkend omgevingsplan dat voldoet aan de Omgevingswet. Bovenstaande wijzigingen van het omgevingsplan gaan uit van het vertalen van de bestaande regelingen en mogelijkheden die ze bieden naar een regeling voor het omgevingsplan. Nieuwe (gebieds)ontwikkelingen of het creëren van nieuwe mogelijkheden die een eigen wijziging van het omgevingsplan vragen, zijn hierin niet meegenomen. 3.Welk instrument voor welk initiatief? 3.1Inleiding Net zoals onder het huidige recht zijn er onder de Omgevingswet twee “routes” om met het omgevingsplan strijdige activiteiten mogelijk te maken. Via een wijziging van het omgevingsplan kan een initiatief mogelijk worden gemaakt of er kan worden afgeweken van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning voor één (of meerdere) buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar waarbij het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen; een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. De Omgevingswet treedt als het goed is in werking op 1 juli
- 3.2(On)mogelijkheden Bopa De omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) is voor de meeste initiatieven, waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan Meppel, een prima instrument. In een aantal gevallen is het niet wenselijk of mogelijk een initiatief met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toe te staan. In dat geval moet worden gekozen voor een wijziging van het omgevingsplan. Wel moet de verleende Bopa uiteindelijk in het omgevingsplan worden verwerkt, een wijziging van het omgevingsplan is dus altijd nog nodig. Het gaat hier om initiatieven waarbij: het niet gewenst is dat de daarmee strijdige regels uit het omgevingsplan in stand blijven; behoefte is aan een zekere mate van flexibiliteit; een (beperkt/zeer) kwetsbaar of geluidgevoelig gebouw binnen een aandachtsgebied wordt gerealiseerd; een gevoelig gebouw binnen de gebruiksruimte van een milieubelastende activiteit wordt gerealiseerd. Regels over gebruiksactiviteiten tijdelijk deel moeten komen te vervallen Stel dat met de Bopa het slopen van een aantal stallen voor agrarisch gebruik en de bouw van woningen daarvoor in de plaats wordt aangevraagd (feitelijk ‘rood voor rood’). Door het verlenen van de buitenplanse omgevingsvergunning voor deze activiteit, blijft de agrarische bestemming voor deze gronden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gelden. Dat betekent dat te zijner tijd zou dat interessant voor de initiatiefnemer zijn er weer een stal in plaats van de vergunde woningen zou kunnen worden teruggebouwd. Dit zou in strijd zijn met het ‘roodvoorrood'beleid. Om dit tegen te gaan zou het agrarische gebruik niet meer moeten zijn toegestaan. Dit kan alleen worden bereikt door het wijzigen van het omgevingsplan. In dergelijke gevallen is het dus niet verstandig om het gevraagde gebruik met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. Flexibiliteit voor verdere detaillering van het plan gewenst De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn opgenomen in artikel 7.207b van de Omgevingsregeling. Hierin is bepaald dat op grond van de ingediende gegevens moet kunnen worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de gevolgen van de activiteiten in relatie tot de instructieregels in het Bkl en de omgevingsverordening. Dit betekent dat, als de aangevraagde activiteit geen invloed heeft op de thema's en onderwerpen waarop deze instructieregels zien, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit beschreven in globale kaders kan worden verleend. Voor bijvoorbeeld een thema als bodem staan de instructieregels niet in de weg aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor een globale buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat deze instructieregels kaderstellend zijn. Omdat de indieningsvereisten afdwingen dat bij de aanvraag die gegevens moeten worden aangeleverd die de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt geborgd en de regels uit het tijdelijke deel of het nieuwe deel met dat oogmerk zijn gesteld, moet de informatie in de aanvraag daarop zijn afgestemd. Pas als de instructieregels ertoe nopen dat, om de activiteit mogelijk te maken, verdere detaillering van het plan nodig is of indien moet worden ingegrepen in de regels van het omgevingsplan, kan geen omgevingsvergunning voor het globale plan worden verleend. Hierna wordt dit uitgelegd. Kwetsbare of gevoelige gebouwen in aandachtsgebieden Het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet zoals gezegd voldoen aan de instructieregels zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Bkl (artikel 8.0b, lid 1 onder a Bkl). Dit brengt beperkingen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen met de Bopa met zich mee als deze ontwikkeling binnen een (of meer) zogenoemde aandachtsgebieden is geprojecteerd. Beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen in voorschriftengebieden Op grond van artikel 5.12 van het Bkl geldt een brand en/of explosieaandachtsgebied rond risicobronnen als het vervoersnetwerk voor gevaarlijke stoffen, LPGtankstations voor het wegverkeer en dergelijke. Op grond van artikel 5.14 moet in het omgevingsplan worden overwogen om binnen deze aandachtsgebieden, voorschriftengebieden zoals bedoeld in §4.2.14 Brand en explosievoorschriftengebieden van het Bbl op te nemen. In het aansturingsartikel 4.90 Bbl is aangegeven dat de regels over brandwerendheid (5.91 Bbl), sterkte bij brand (5.95 Bbl) en scherfwerking (5.96 Bbl) voor de nieuwbouw van alle bouwwerken binnen een voorschriftengebied geldt. Als de gemeente deze verplichtingen alleen voor daadwerkelijk beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen wil laten gelden (en niet ook voor nutsgebouwtjes), kan dit voorschriftengebied worden beperkt tot de locaties waar deze beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Consequentie van deze keuze is dat, als het de bedoeling is om met de Bopa buiten deze locaties een nieuw beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar gebouw toe te staan, niet aan de instructieregel (artikel 5.14) van het Bkl kan worden voldaan. Met het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning kan in het omgevingsplan deze locatie niet als voorschriftengebied worden aangewezen. Overigens kunnen de bouwkundige eisen die voor kwetsbare gebouwen binnen een voorschriftengebied gelden, als verplichting met een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning worden opgenomen. Voor (beperkt) kwetsbare gebouwen kan daarmee alsnog aan de instructieregel worden voldaan. Wij kiezen ervoor bij de uitwerking van artikel 5.14 in het omgevingsplan de ligging van de brand en explosievoorschriftengebieden te beperken tot die locaties waar de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen is toegestaan. Dit houdt in dat de realisatie van een nieuw zeer kwetsbaar gebouw niet met een Bopa mogelijk kan worden gemaakt. Geluidgevoelige gebouwen binnen geluidaandachtsgebieden Op grond van §5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden van het Bkl worden eisen gesteld aan het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen binnen geluidaandachtsgebieden. Naast de motivering dat de akoestische kwaliteit ter hoogte van dit nieuwe geluidgevoelige gebouw aanvaardbaar is, moet ook de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van dit nieuwe geluidgevoelige gebouw in het omgevingsplan worden vastgelegd (artikel 5.78ad Bkl). Met het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning kan het omgevingsplan niet worden gewijzigd. Dit gezamenlijke geluid kan daarmee dus niet in het omgevingsplan worden vastgelegd. De wetgever geeft in een toelichting op het hiervoor genoemde artikel 5.78ad hierover het volgende aan: “Het gezamenlijke geluid als bedoeld in art. 5.78ad van het Bkl kan in het besluit tot wijziging van het omgevingsplan worden vastgelegd, maar kan (moet) ook in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden (hierna: Bopa) vastgelegd. Als een geluidgevoelige gebouw wordt toegelaten met een omgevingsvergunning voor een Bopa, gelden voor de aanvraag de beoordelingsregels in paragraaf 8.1.1 van het Bkl. In artikel 8.0b, eerste lid, onder a, is bepaald dat bij het beoordelen van de aanvraag de (instructie)regels van hoofdstuk 5 van het Bkl van overeenkomstige toepassing zijn. Dat geldt ook voor art. 5.78ad van het Bkl. Het gezamenlijk geluid moet in dat geval in de omgevingsvergunning voor de Bopa worden vastgelegd. De verleende omgevingsvergunning zal op grond van art. 4.17 van de Omgevingswet, op enige moment in het omgevingsplan moeten worden verwerkt. Dat het gezamenlijk geluid ook in een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit kan worden vastgelegd, blijkt onder meer ook uit art. 4.103, eerste lid, van Besluit bouwwerken leefomgeving. In dat artikel wordt de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit genoemd als document waarin het gezamenlijke geluid is vastgelegd.” Of de redactie van artikel 5.78ad van het Bkl, gelezen artikel 4.103 van het Bbl zo mag worden uitgelegd dat ‘omgevingsplan’ mag worden gelezen als ‘omgevingsvergunning’, zal de tijd doen laten uitwijzen. Gevoelige gebouwen binnen de gebruiksruimte van een milieubelastende activiteit Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is aangevraagd voor een gevoelige of kwetsbare activiteit, moet worden onderzocht of deze is geprojecteerd in de gebruiksruimte van een milieubelastende activiteit. Als dat het geval is en de omgevingsvergunning zou worden verleend, wordt deze milieubelastende activiteit – in de uitoefening van deze activiteit – beperkt. Het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning is dan in strijd met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De invloed van de milieubelastende activiteit wordt immers begrensd door de regels in het omgevingsplan. Op grond van deze regels mag deze milieubelastende activiteit immers niet meer dan een zekere mate van geluidbelasting veroorzaken ter hoogte van de nieuwe gevoelige activiteit die met de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt is. Deze strijdigheid met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden opgeheven door de betreffende regel voor de milieubelastende activiteit in kwestie aan te passen. Dit kan alleen door het wijzigen van het omgevingsplan; een mogelijkheid die de omgevingsvergunning niet biedt. In dergelijke gevallen kan daarom ook de aangevraagde activiteit in beginsel niet met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk worden gemaakt. Als op de gebruiksruimte van de bedrijfsmatige activiteiten in kwestie de Bruidsschat van toepassing is (gebleven), dan biedt deze de mogelijkheid om de gebruiksruimte met een maatwerkvoorschrift aan te passen. Een dergelijke bevoegdheid kan ook in het omgevingsplan bij de uitwerking van de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl zijn opgenomen. In die gevallen kan het hiervoor beschreven dilemma worden weggenomen, door met het vaststellen van een maatwerkvoorschrift de knellende beperking van de gebruiksruimte weg te nemen. Omdat dit maatwerkvoorschrift niet op het initiatief in kwestie ziet, zal dit met een afzonderlijk besluit moeten worden vastgesteld. Tegen dit afzonderlijke besluit staat ook bezwaar en beroep open. Dit betekent dat dit besluit, als daar weerstand tegen bestaat, zou kunnen worden vernietigd. Gezien de onlosmakelijke verbondenheid van het besluit tot vaststellen van het maatwerkvoorschrift, voor het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor de Bopa, vormt dit een procedureel risico. 3.3Stappenplan Bopa Voor het al dan niet kunnen toepassen van een Bopa is het volgende schema een hulpmiddel. 3.4Wijzigen omgevingsplan TAMIMRO De gemeente Meppel heeft de voorkeur om een wijziging van het Omgevingsplan op het moment van invoering van de Omgevingswet te verwerken op basis van de STOP/TPODstandaard. Het is op dit moment nog onzeker of dit mogelijk is. Enerzijds omdat het DSO nog niet stabiel genoeg is, anderzijds doordat het verwerken van meerdere initiatieven binnen de software nog niet goed ondersteund wordt. Dit zou kunnen betekenen dat voor initiatieven waarvoor de BOPA niet mogelijk is en een project toch urgent gerealiseerd moet worden, gebruik gemaakt moet worden van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAMIMRO) voor het wijzigen van het Omgevingsplan. Wat is TAMIMRO? TAMIMRO is een Tijdelijke Alternatieve Maatregel voor het wijzigen van het Omgevingsplan. Hierbij wordt gebruikgemaakt van dezelfde techniek als onder de Wro: Wrosoftware voor het opstellen, beheren en publiceren van de wijziging van het omgevingsplan; gebruik maken van de ROStandaarden 2012 en dus van het Wro uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening); gebruik maken van de landelijke voorziening van de Wro: besluit publiceren via DROP in het gemeenteblad en inhoud beschikbaar stellen via Ruimtelijkeplannen.nl. Het TAMIMRO omgevingsplan is geen bestemmingsplan: de Wro is op dit plan niet van toepassing. Juridisch/inhoudelijk moet het volledig voldoen aan de Omgevingswet (maar niet aan de STOP/TPOD standaarden). Voor het opzetten van een wijziging van het omgevingsplan met de TAM gelden de landelijke randvoorwaarden en uitgangspunten, aangevuld met de door gemeente Meppel gemaakte keuzes. Technisch wordt gebruikgemaakt van het IMROplantype ‘bestemmingsplan’ Voor ‘motivering’ van het wijzigingsbesluit wordt gebruikgemaakt van het IMROobject ‘toelichting’ De naam van het wijzigingsplan wordt als volgt opgebouwd: ‘TAMomgevingsplan[spatie][plannaam]’ Voor het regelen en verbeelden van ‘functies’ en ‘activiteiten’ wordt gebruikgemaakt van het object ‘enkelbestemming’ Voor het opnemen van ‘beperkingengebieden’ en ‘waarden’ wordt gebruikgemaakt van de IMROobjecten ‘dubbelbestemming’ en ‘gebiedsaanduiding’ Voor het opnemen van ‘omgevingsnormen’ wordt gebruik gemaakt van het IMROobject ‘maatvoering’. De gemeente Meppel kiest bij het opstellen van wijzigingen van het omgevingsplan met de TAM voor de zogenaamde ‘basisvariant’. Bij de basisvariant is het uitgangspunt dat, hoewel het plan inhoudelijk volledig moet voldoen aan de Omgevingswet, de vorm zo dicht mogelijk blijft bij de opzet van het Wrobestemmingsplan. Bij deze variant hanteren we de hoofdstukindeling 1 t/m 4 zoals beschreven in de SVBP2012 en wordt in een preambule beschreven op welke wijze de regels van het TAMomgevingsplan landen in het Omgevingsplan op basis van STOP/TPOD. Meer technische en inhoudelijke informatie en randvoorwaarden voor het gebruik van TAMIMRO is beschikbaar via de website van Geonovum. Op die website vindt u de werkafspraak en de technische handreiking. Voor extra juridische en inhoudelijke informatie ten behoeven van het TAMIMRO plan verwijzen we u naar de ‘bijsluiter TAMIMRO’ van de VNG. Wat betekent dit voor u? Bij aanvang van het initiatief zal in overleg met de gemeente besloten worden wat de te volgen planopzet wordt voor de wijziging van het omgevingsplan (TAM/IMRO of STOP/TPOD). Het opstellen en uitwisselen van een TAMomgevingsplan gebeurd conform de wijze van het Wrobestemmingsplan. Dit betekent dat een externe partij de volledige digitale planset gaat opstellen. De planset op basis van STRI2012 zal samen met het validatieformulier worden aangeleverd aan de gemeente. 4.Het wijzigingsbesluit Voor ontwikkelingen die niet in het tijdelijke omgevingsplan passen moet het omgevingsplan gewijzigd worden. Hiervoor moet een wijzigingsbesluit genomen worden. In dit hoofdstuk wordt behandeld uit welke onderdelen het omgevingsplan bestaat, hoe de inhoud van het omgevingsplan is opgebouwd en hoe de techniek van het wijzigen werkt. De onderdelen Om een omgevingsplan te wijzigen moet een wijzigingsbesluit worden genomen. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit ten minste twee en ten hoogste drie onderdelen, namelijk: Deel 1: vaststellingsdocumenten en motivering (verplicht onderdeel) Deel 2: regels (verplicht onderdeel) Deel 3: artikelsgewijze toelichting met optioneel algemene toelichting (niet verplicht onderdeel) Wat betekent dit voor u? Het wijzigingsbesluit wordt genomen door de gemeenteraad of bij delegatie door het college van B&W. Om tot een wijzigingsbesluit te komen vragen wij initiatiefnemers het volgende aan te leveren: motivering van de wijziging ten behoeve van de ontwikkeling en de onderzoeken (en indien nodig de m.e.r.beoordeling of het MER (deel 1) De volgende onderdelen worden door de gemeente zelf aangeleverd: de wijziging van de regels van het omgevingsplan (deel 2) bij specifieke regels voor de ontwikkeling: een artikelsgewijze toelichting op die regels (deel 3) Deel 1: vaststellingsdocumenten en motivering Deel 1 van het besluit bestaat uit de vaststellingsdocumenten en de motivering van het besluit tot vaststelling c.q. wijziging van het omgevingsplan. Dit deel lijkt op een combinatie van het raadsbesluit, het raadsvoorstel, de zienswijzennota en de toelichting met bijlagen bij het bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Vaststellingsdocumenten De vaststellingsdocumenten bevatten de overwegingen van de gemeenteraad c.q. burgemeester en wethouders die leiden tot het nemen van het besluit. Onderdeel van het besluit is de wijze waarop met de ingekomen zienswijzen is omgegaan en het voorstel tot het nemen van dit besluit (vergelijkbaar met het raadsvoorstel en raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening, inclusief de zienswijzennota). In het besluit wordt expliciet aangegeven welke regels komen te vervallen en welke nieuw zijn. Motivering De motivering bevat de inhoudelijke onderbouwing van het besluit (vergelijkbaar met de toelichting op het bestemmingsplan). De motivering moet bestaan uit: een beschrijving van de ontwikkeling; toetsing aan omgevingsaspecten en onderzoek; aanduiding op welke onderdelen het omgevingsplan wordt aangepast en waarom; verwijzing naar voor die wijzigingen relevant beleid van gemeente, provincie of Rijk; toelichting op welke wijze gevolg is gegeven aan de toepasselijke instructieregels en instructies van de provincie Drenthe en het Rijk; motivering om welke redenen het besluit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens worden toegevoegd. De standaardopzet van de motivering die voor een wijzigingsbesluit moet worden opgesteld is opgenomen in Bijlage
- Milieueffectrapportage De Omgevingswet vervangt alle bestaande regelgeving over de fysieke leefomgeving. De meeste regels over de milieueffectrapportage landen in het Omgevingsbesluit. De Omgevingswet brengt geen wijziging aan in de inhoudelijke eisen van een milieueffectrapport. Planm.e.r. In de Omgevingswet is gekozen voor een algemene omschrijving van plannen en programma’s die planm.e.r.plichtig zijn. Een omgevingsplan is aangewezen als een plan en programma en kan planm.e.r.plichtig zijn. Een planm.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming. Op de planm.e.r.plicht geldt straks een uitzondering voor plannen over kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Daarvoor is een planm.e.r.beoordeling nodig. Als uit de beoordeling blijkt dat het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben, is een planm.e.r. vereist. Projectm.e.r. De projectm.e.r.plichtige projecten en besluiten worden opgesomd in het Omgevingsbesluit. Deel 2: regels Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. De regels bestaan in ieder geval uit: de regeltekst en de daarbij behorende werkingsgebieden; aanduiding welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Ook hier kunnen bijlagen worden gevoegd (vergelijkbaar met de bijlagen bij de regels van het bestemmingsplan). Dit tweede deel van het vaststellings of wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van een wet of een verordening. Deel 3: artikelsgewijze toelichting met optioneel algemene toelichting Artikelsgewijze toelichting De artikelsgewijze toelichting heeft betrekking op de regels van het gehele omgevingsplan of op dat deel dat gewijzigd wordt. Bij elke wijziging vindt dus een actualisatie plaats (als daarvoor is gekozen) van de artikelsgewijze toelichting. In een artikelsgewijze toelichting kan aangegeven worden waarom bepaalde regels zijn gesteld. De gemeente zal ervoor zorgen dat de artikelsgewijze toelichting wordt aangeleverd door het bureau dat de wijziging van het omgevingsplan verzorgd. Algemene toelichting Aan het omgevingsplan kan ook een algemene toelichting worden toegevoegd met bijvoorbeeld gegevens over de gemeente en een beschouwing over de visie van de gemeente op het omgevingsplan (globaal, gedetailleerd, wijze waarop invulling is gegeven aan de gemeentelijke beleidsvrijheid etc.). Wanneer dat nodig is kan bij een wijziging van de regels van het omgevingsplan ook deze algemene toelichting worden geactualiseerd. Als dat gewenst is kunnen ook aan deel 3 bijlagen worden toegevoegd. De gemeente draagt zorg voor de algemene toelichting. 5.Het omgevingsplan: inhoudelijke keuzes/beleid 5.1Algemeen Door het stappenplan in dit hoofdstuk te doorlopen weet u welke regels worden opgenomen in het wijzigingsbesluit en welke aspecten worden behandeld in de motivering. In het omgevingsplan moeten op grond van de artikelen 4.1 en 4.2 regels in het omgevingsplan worden opgenomen voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen is neergelegd bij de gemeenteraad. Het merendeel van de regels die de evenwichtige toedeling van functies aan locaties borgen, zullen uit het omgevingsplan stammen. Deze regels zullen wel moeten passen binnen de kaders van het hiervoor beschreven regellandschap. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom een zogenoemde ‘regelanalyse’ worden doorlopen, waarmee de opgave voor het omgevingsplan helder wordt. Een deel van de regels die van invloed zijn op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt buiten het omgevingsplan, in bijvoorbeeld de rijksregels (het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving), de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Het stappenplan in een notendop In stap 1 wordt de inventarisatie beschreven. Daarin zijn de handelingen benoemd die nodig zijn om het wijzigen van het omgevingsplan goed voor te bereiden. Hierdoor wordt zichtbaar of het initiatief past binnen de gestelde doelen en ambities die in het gebied gelden en welke activiteiten geregeld moeten worden om de ontwikkeling mogelijk te maken. In stap 2 tot en met 4 wordt gekeken welke regels vanuit het Rijk en de provincie Drenthe van toepassing zijn en welke eisen die aan de wijziging van het omgevingsplan stellen. In stap 5 wordt gekeken naar de regels die relevant zijn voor het initiatief op gemeentelijk niveau. Stap 6 helpt om de regels voor het initiatief concreet te maken, zodat deze passen binnen de door de gemeente gewenste structuur van regelen en gekoppeld zijn aan een locatie. Bij elke stap wordt aangegeven welke uitgangspunt de gemeente Meppel hanteert voor het wijzigen van het omgevingsplan voor ontwikkelingen in de overgangsfase (de periode totdat er een gebiedsdekkend omgevingsplan is). 5.2Stap 1: Inventarisatie Het initiatief dat gerealiseerd wordt moet passen binnen het geldende beleid en voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze stap is onderdeel van de motivering van het initiatief (deel 1). Om inzicht te krijgen in wat er voor uw initiatief geregeld moet worden, is het van belang om het geldende beleid en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving ter plaatse te analyseren. Daarvoor stellen we twee vragen. 1.Welk beleid geldt er binnen het gebied waarop het initiatief betrekking heeft? De doelen, thema's en ambities van overheidsinstanties voor gebieden zijn vastgelegd in beleidsdocumenten. In deze stap is het belangrijk om in kaart te brengen welke beleidsdocumenten betrekking hebben op het initiatief en het gebied waarbinnen het initiatief gelegen is. Het initiatief moet passen binnen het thema en de gestelde doelen en ambities die opgenomen zijn in het geldende beleid. Als dit niet het geval is, kunnen wij in principe geen medewerking verlenen aan het initiatief. Gemeentelijk beleid Een overzicht van het gemeentelijk beleid is hieronder opgenomen. In de motivering van de wijziging van het omgevingsplan wordt alleen ingegaan op het voor die wijziging relevante beleid. De Omgevingsvisie is in ontwikkeling. Wanneer deze onherroepelijk is, dan zal een deel van onderstaande beleidsdocumenten onderdeel zijn van die Omgevingsvisie en/of komen te vervallen. Vastgesteld: Gebiedsvisie stationsgebied 2021 Uitwerking Noord III en IV Oevers S Vertrekpunten Transformatiegebied Noordpoort 2017 Voorkeursvariant gebiedsvisie Stationsgebied 2020 Zwikkerlocatie 2020 Binnenstadsplan 2017 Stedenbouwkundige en landschappelijke verkenning Bleekerseiland 2019 Stedenbouwkundige en landschappelijke verkenning Bleekerseilanden 2017 Vaststelling infrastructuur rond N375 2020 RES Drenthe 1.0 2021 Lokale adaptatiestrategie 2022 Erfgoedbeleid 2021 Kwaliteitsmanifest Meppel 2021 Beleidsregel kleine windmolens 2021 Nota parkeernormen 2021 Visie op de laadinfrastructuur Drenthe 2021 Structuurvisie Meppel 2030 Duurzaam verbinden Programmaplan Duurzaamheid 2020 Kadernotitie Zo doen we groen! 2017 Speelruimteplan 2011 Detailhandelsbeleid Meppel 2016 Beleids en actieplan Gezondheid, bewegen en sport 20202023
(2019)TROP Toeristisch recreatief ontwikkelplan 20132018 Gemeentelijk verkeer en vervoersplan 2017 Beleidsplan parkeren herijking 2017 Woonvisie 20162020 Cultuurnota Panta Rhei 2016 Beleidsvisie externe veiligheid 2014 Stadsgezicht Meppel deel 1 en 2 (hoogbouwvisie) 2004 Archeologische beleidskaart gemeente Meppel
(2010)Beleid sociaal domein Programma’s: Programmaplan Duurzaamheid Omgevingsprogramma Noord III/IV Programmaplan Duurzaamheid 2020 In ontwikkeling: Ontwerpbestemmingsplan vrijkomend ziekenhuisterrein Watertakenplan/Gemeentelijke Rioleringsplan 20222025 Regionale adaptatiestrategie (RAS) Warmtetransitievisie 2021 Wijkuitvoeringsplan duurzaamheid Berggierslanden Omgevingsvisie In de omgevingsvisie staat straks het toekomstbeeld van de leefomgeving voor de gemeente Meppel. De visie gaat naast bouwen ook in op onderwerpen als duurzaamheid, milieu, veiligheid en gezondheid. Nota van uitgangspunten Omgevingsvisie 2021 In haar nota van mei 2021 concretiseert de gemeente Meppel de basis voor de Omgevingsvisie. Daarbij neemt zij als eerste uitgangspunt dat de Omgevingsvisie in elk geval moet ingaan op de onderstaande aspecten in de fysieke leefomgeving. Daarbij legt de gemeente in de Omgevingsvisie verbinding met het sociaal domein: Wonen Bereikbaarheid Water Recreatie en toerisme Binnenstad/centrumgebied Biodiversiteit en natuurkwaliteit Openbare ruimte Energie en warmtegebruik Klimaatadaptie Circulariteit Bedrijvigheid Veilige leefomgeving Landbouw en voedsel Welvaart en welbevinden Gezonde leefomgeving Bodem en ondergrond Milieu: geluid, geur, luchtkwaliteit Omgevingskwaliteit Erfgoed en cultuur In overleg met inwoners, ondernemers en professionals is een bepaald beeld voor de toekomst geschetst met betrekking tot de volgende thema’s: Verstedelijking Verduurzaming Toekomstbestendig buitengebied Bedrijvigheid Gezonde leefomgeving 2.Welke activiteiten moeten er geregeld worden voor het initiatief? In het omgevingsplan worden op basis van de doelen van de Omgevingswet regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang voor de ontwikkeling te bepalen welke activiteiten in het gebied geregeld moeten worden. Daarbij moet gedacht worden aan gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, sloopactiviteiten of milieubelastende activiteiten. Met het overzicht van activiteiten wordt in de volgende stappen bepaald wat moet, mag of geregeld kan worden voor die activiteiten. 5.3Stap 2: analyseren van Bbl, Bal en Bruidsschat Het Bbl en het Bal zijn algemene maatregelen van bestuur. Regels die opgenomen zijn in een AMvB zijn uitputtend geregeld door het Rijk. Als onderwerpen niet in de Rijksregels geregeld zijn, is het mogelijk dat gemeenten zelf regels hebben gesteld over dat onderwerp. Om een wijziging van het omgevingsplan op te kunnen stellen, is het van belang te weten wat er wel en niet geregeld moet en mag worden. In deze stap worden de AMvB’s achtereenvolgens behandeld. Aan het einde van deze stap is onderzocht welke regels op Rijksniveau gesteld worden die relevant zijn voor uw initiatief. Aan de hand van deze informatie kan een overzicht gemaakt worden van de regels die toegevoegd moeten worden aan het omgevingsplan, gewijzigd moeten worden in het omgevingsplan en die eventueel geschrapt moeten worden in het omgevingsplan van onze gemeente. Besluit bouwwerken leefomgeving In het Bbl stelt het Rijk regels over de technische aspecten van een bouwwerk. Een groot deel van het Bbl werd voorheen geregeld in het Bouwbesluit. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt in het omgevingsplan geregeld. Welke regels uit het Bbl zijn van toepassing op de activiteiten? Indien uw initiatief betrekking heeft op bouwactiviteiten, is het aannemelijk dat er regels uit het Bbl relevant zijn voor uw initiatief. Via de link in de voetnoot vindt u altijd de laatste geconsolideerde versie van het Bbl 1 https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/besluitbouwwerkenleefomgeving/.. In dit document kunt u zien met welke regels u rekening moet houden bij het realiseren van uw initiatief. Over een aantal onderwerpen kunnen gemeenten maatwerkregels stellen. Met de Omgevingswet wordt de omgevingsvergunning voor bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dit is de zogenoemde knip. Dat maakt dat de activiteit bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. De technische bouwactiviteit Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl. Denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan. De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het o.a. om regels over de beperking van de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl, maar staan ook in de Bruidsschat. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt. Zie ook verderop in deze paragraaf de tekst over de Bruidsschat. Vergunningvrij bouwen Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk, heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen. Binnen de gemeente Meppel wordt het huidige stelsel van vergunningvrij bouwen voortgezet. De regels uit de Bruidsschat die hierop zien, zijn dus van toepassing. In wijzigingen van het omgevingsplan worden de regels voor vergunningvrij bouwen geïntegreerd met de regels voor bijbehorende bouwwerken uit de bestemmingsplannen. Hiermee ontstaat een nieuwe set regels die beide systemen bij elkaar brengt en die voldoet aan de instructieregels van het Bkl, zie ook paragraaf 4.4. De betreffende regels uit de Bruidsschat komen daarmee te vervallen per deelgebied dat wordt gewijzigd en waarin deze regels zijn opgenomen. Wat betekent dit voor u? Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot maatwerk uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De regels voor vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat zijn van toepassing, maar dienen wel in overeenstemming te worden gebracht met de instructieregels voor bodem. Voor het deelgebied BinnenstadCentrumschil is dit uitgewerkt in het omgevingsplan. Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal) herkennen we grotendeels als het Activiteitenbesluit milieubeheer onder het oude recht (naast onder meer het Besluit algemene regels milieu mijnbouw, het Besluit emissiearme huisvesting, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Wet natuurbescherming en andere). Wat opvalt is dat het Activiteitenbesluit op de meeste inrichtingen van toepassing is en zo’n beetje alle relevante milieuthema’s regelt. Het Bal zal daarentegen slechts van toepassing zijn op een beperkt aantal invloedrijke, milieubelastende activiteiten en regelt bovendien een beperkt aantal thema’s. Als de activiteiten die onder het Bal vallen ook van invloed zijn op andere thema’s, moeten daarvoor in het omgevingsplan regels worden opgenomen. Schematisch ziet de verhouding tussen de regels over de fysieke leefomgeving in het bestemmingsplan ten opzichte van het aandeel regels over de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan er als volgt uit: Figuur 5.1: Het regellandschap fysieke leefomgeving oude en nieuwe recht Om de opgave voor het maken van de milieuregels in het omgevingsplan scherp op het netvlies te krijgen, is het verstandig om na te gaan wat er nog wél is geregeld door het Rijk. In de voorgaande stappen is aangegeven dat de eerste analyse die we maken bij het opstellen van een omgevingsplan bestaat uit het in kaart brengen van welke activiteiten we mogelijk willen maken. Daarmee ontstaat inzicht in de milieubelastende activiteiten die al binnen het plangebied aanwezig zijn en die we met het omgevingsplan mogelijk willen blijven maken. Daarnaast wordt met het formuleren van de ambitie die we met het omgevingsplan voor ogen hebben duidelijk welke milieubelastende activiteiten we op welke locatie mogelijk willen maken (of juist niet meer toestaan). Op die manier ontstaat een gebiedsgerichte inventarisatie van milieubelastende activiteiten, die we met de hoofdstukken 3 en 4 van het Bal kunnen vergelijken. In hoofdstuk 3 worden de milieubelastende activiteiten waarop het Bal ziet benoemd, daarvoor zijn de procedureregels opgenomen en bevoegde gezagen aangewezen. In hoofdstuk 4 zijn de gedragsregels opgenomen die voor deze activiteiten gelden. Welke regels uit het Bal zijn van toepassing op het initiatief? In Bijlage 2 is een lijst gevoegd waarin alle activiteiten te zien zijn waarover het Bal regels stelt2 Meer informatie over het Bal: https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/besluitactiviteitenleefomgeving/.. Als het initiatief waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is één of meer van deze activiteiten betreft, kan het nodig zijn om hiervoor gedragsregels in het omgevingsplan op te nemen. Dit komt omdat, zoals in het voorgaande is aangegeven, het Bal niet op alle thema’s van de fysieke leefomgeving ziet waarop het initiatief van invloed kan zijn. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat deze analyseert voor welke thema’s dat geldt en welke invloed het initiatief op deze thema’s heeft. In de volgende figuur en daar bijbehorende tekst wordt uitgelegd hoe deze analyse kan worden uitgevoerd. Figuur 5.2: Voorbeeldanalyse van regels uit het Bal De analyse van regels uit het Bal werkt als volgt: stel we staan binnen een deel van het plangebied als nieuwe activiteit de bouw en vestiging van een betonmortelfabriek toe. Het terrein waar deze nieuwe activiteit mogelijk gemaakt moet worden, moet bouwrijp worden gemaakt. Dit terrein wordt geschikt gemaakt voor het lossen en opslaan van grote hoeveelheden zand, steen en cement. Deze grondstoffen worden over het water aangevoerd en met een kraan uit het laadruim op het terrein gestort. Vanuit de opslag wordt de eveneens op het terrein van de betoncentrale gerealiseerde mengmolen met het gewenste mengsel beladen, gemengd en gestort in voor transport gereedstaande mixerwagens. Op het terrein wordt ook een afleverzuil voor dieselolie met bijbehorende dieseltank opgesteld. De hoofdactiviteit uit het hiervoor beschreven voorbeeld is het maken van betonmortel zoals bedoeld in artikel 3.111 van het Bal. Naast deze hoofdactiviteit vinden op de beoogde locatie een aantal nevengeschikte en ondergeschikte activiteiten plaats, namelijk: toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 3.48o van het Bal kleinschalig tanken van motorbrandstoffen het opslaan van diesel in een ondergrondse opslagtank eventueel het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater Op de hiervoor genoemde activiteiten zijn de rijksregels uit paragraaf 4.8 (betoncentrale), paragraaf 4.39 (tanken van motorbrandstoffen), paragraaf 4.94 (opslaan van diesel) en paragraaf 4.124 (toepassen van grond en/of baggerspecie) van het Bal van toepassing. Deze regels zien op de thema’s waterkwaliteit, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, veiligheid en gezondheid. Voor zover de hiervoor beschreven activiteiten die met het omgevingsplan zullen worden toegestaan van invloed zijn op andere thema’s van de fysieke leefomgeving, zullen regels moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. In het navolgende wordt over milieubelastende activiteiten ingegaan op de wijze waarop deze aan het omgevingsplan moeten worden verbonden. Andere activiteiten in het Bal Het Bal bevat niet alleen regels voor milieubelastende activiteiten (mba’
- s)en lozingsactiviteiten. Het Bal bevat ook regels voor onder andere activiteiten: rond luchthavens; ten behoeve van natuur; ten behoeve van cultureel erfgoed of werelderfgoed; en overige (o.a. landinrichting, ontgronding, lozing van schepen). De lozingsactiviteiten vallen niet onder de definitie van een milieubelastende activiteit en gelden als afzonderlijke activiteit. Deze moeten dus apart worden geïnventariseerd. Het Bal biedt de mogelijkheid om voor activiteiten of activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoederen betreffen, maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Op deze manier kunnen specifieke zorgplichten in het omgevingsplan een belangrijke rol spelen. Door een maatwerkregel als hier bedoeld wordt de specifieke zorgplicht toegesneden op de activiteiten die lokaal worden geregeld en ingepast in de structuur van de lokale regels. Daarnaast kunnen er in het omgevingsplan regels opgenomen worden over nietbedrijfsmatige milieubelastende activiteiten, bijvoorbeeld activiteiten die voor een korte periode in de openbare ruimte plaatsvinden, of regels voor burgers, zoals over houtstook in woningen. Regelen wat nog niet (voldoende) geregeld is Door het in kaart brengen van de regels uit het Bal die van toepassing zijn op de activiteiten die we toelaten, weten we: welke procedureregels er op grond van het Bal gelden; welke thema’s waar door het Bal zijn gereguleerd; en welk beschermingsniveau deze bieden. De thema’s die niet door het Bal worden gereguleerd, zullen dus met het omgevingsplan – als de activiteit de leefomgeving nadelig kan beïnvloeden moeten worden gereguleerd. Daarnaast kan het zijn dat een gebiedsambitie om een hoger beschermingsniveau vraagt dan het Bal biedt. Als het Bal daarvoor de ruimte biedt kan in het omgevingsplan een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden opgenomen. Wat betekent dit voor u? Analyseer welke activiteiten van uw ontwikkeling onder de reikwijdte van het Bal vallen. Ga na welke aspecten niet in het Bal worden geregeld en alsnog in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Hierbij zijn de instructieregels uit het Bkl (zie stap 3) relevant en de aspecten die al door de Bruidsschat worden gereguleerd. Bruidsschat Het inwerkingtreden van de Omgevingswet heeft tot gevolg dat onder meer het Activiteitenbesluit milieubeheer komt te vervallen. In het Activiteitenbesluit is voor inrichtingen bepaald of deze vergunningplichtig, meldingplichtig of vergunnings en meldingsvrij zijn. Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit voor alle milieuthema’s gedragsregels opgenomen waar de drijver van de inrichting zich aan moet houden. Het is de bedoeling van de wetgever dat de gemeente voor het merendeel van deze voormalige inrichtingen (met uitzondering van de inrichtingen en thema’s waarvoor in het Bal regels zijn opgenomen) regels in haar omgevingsplan opneemt. Met de inwerkingtreding van de Ow vervalt het Activiteitenbesluit. De dreigende ‘regelleemte’ is door de wetgever ingevuld door de Bruidsschat. De bedoeling is dat de regels uit de Bruidsschat na verloop van tijd een plek krijgen in het nieuwe omgevingsplan en uiteindelijk komen te vervallen. Veel gemeenten kiezen ervoor om in eerste instantie de Bruidsschat zo veel als mogelijk in stand te laten. Immers, de regels uit de Bruidsschat (nu: het Activiteitenbesluit) zijn al twintig jaar op het merendeel van de inrichtingen van toepassing zijn en de nadelige gevolgen van deze inrichtingen voor het milieu worden op uitstekende wijze beperkt of voorkomen. Het is dan ook niet nodig om deze goed werkende regels te vervangen om zo te voldoen aan de wettelijke vereisten die aan een omgevingsplan worden gesteld (het stellen van regels aan activiteiten ten einde de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen). Hier moet wel een belangrijke kanttekening worden gemaakt. De Bruidsschat biedt in de volgende situaties niet altijd passende regels: Het Bkl kent een bredere reikwijdte wat betreft het begrip ‘milieubelastende activiteiten (MBA’s)’ dan de Bruidsschat. Dit betekent concreet dat de Bruidsschat geen regels bevat voor bepaalde MBA’s. Voor deze MBA’s dienen regels in het omgevingsplan te worden opgenomen; Er zit licht tussen de Bruidsschat en de instructieregels van het Bkl. Dit omvat twee aspecten. In de eerste plaats kent het Bkl instructieregels die niet in de Bruidsschat zijn uitgewerkt. Een voorbeeld hiervan is de instructieregel om brandaandachtsgebieden aan te wijzen (artikel 5.14 Bkl). Een dergelijke regel vind je niet terug in de Bruidsschat. In de tweede plaats is het met de regels uit de Bruidsschat niet altijd mogelijk om volledig te voldoen aan de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: in artikel 5.89l Bkl is bepaald dat in het omgevingsplan een regel moet worden opgenomen dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit te melden. Deze meldplicht (die er overigens niet is als de bouwactiviteit vergunningplichtig
- is)zul je niet terugvinden in de Bruidsschat. Om aan de instructieregels te voldoen, zullen bovenop de regels uit de Bruidsschat aanvullende planregels moeten worden gesteld bij het opstellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; In bestaande situaties, die enerzijds door de regels uit het bestemmingsplan en anderzijds door de regels uit het Activiteitenbesluit worden gereguleerd, kan sprake zijn van een knelpunt. Het volgende voorbeeld probeert dit te schetsen In het centrum van een stad is een woonbestemming vastgesteld naast een centrumbestemming. In deze centrumbestemming is een parkeergarage toegestaan. Deze parkeergarage grenst aan de woonbestemming. Op grond van de VNGbrochure Bedrijven en milieuzonering geldt een minimale afstand van 30 meter. In de toelichting van het plan is hierover aangegeven dat met een geluidscherm alsnog aan de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau zal kunnen worden voldaan. Omdat de richtafstanden van de VNGbrochure bij deze motivering als uitgangspunt hebben gediend, heeft men in de toelichting geen rekening gehouden met het maximale geluidniveau dat bijvoorbeeld optreedt bij het dichtslaan van de portieren. De parkeergarage heeft een onoverdekt parkeerdek en de onderste etages hebben deels open gevels. Daardoor zal de maximale geluidbelasting ter hoogte van de woonbestemming hoger zijn dan de grenswaarde van 60 dB(A) die hierop op grond van artikel 22.63 van de Bruidsschat van toepassing zal zijn. Door de ontkoppeling van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer is bij het opstellen van de bestemmingsplannen nooit getoetst of bij het invullen van de bestemmingen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Deze beoordeling heeft zich beperkt tot een toets aan de richtwaarden uit de hiervoor genoemde VNGbrochure Bedrijven en milieuzonering. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zullen daarom meer situaties als hiervoor beschreven verborgen zitten, die tot op heden nooit aan het licht zijn gekomen. Omdat met het omgevingsplan zowel deze activiteiten worden toegestaan en bovendien de gedragsregels uit bijvoorbeeld artikel 22.63 van de Bruidsschat van toepassing worden verklaard, treedt daarmee strijdigheid op met artikel 4.2, lid 1 van de Omgevingswet. Bij het wijzigen van een omgevingsplan zal met bovengenoemde situaties rekening gehouden moeten worden. Er zijn 5 scenario’s denkbaar die hierna worden uitgewerkt. Uitgangspunt is dat al is geïnventariseerd welke activiteiten je mogelijk wilt maken en een analyse heeft plaatsgevonden welke effecten deze activiteiten (mogelijk) hebben op de omgeving, maar ook welke effecten de omgeving (mogelijk) heeft op de activiteiten en in hoeverre de activiteiten al worden gereguleerd door het Bal. Dit bepaalt immers wat je moet regelen in het omgevingsplan in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Situatie 1: activiteit in Bruidsschat; geen strijdigheid met Bkl In het geval de activiteit is geregeld in de Bruidsschat en de regels van de Bruidsschat niet botsen met het Bkl, kan probleemloos worden aangesloten bij de regels uit de Bruidsschat (dat wil zeggen dat deze regels onveranderd kunnen worden overgeheveld naar het nieuwe deel van het omgevingsplan of dat deze regels onverkort van toepassing worden verklaard). Er is geen aanleiding om aanvullende regels op te nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Situatie 2: activiteit in Bruidsschat; wel strijdigheid met Bkl In het geval de activiteit is geregeld in de Bruidsschat maar de regels van de Bruidsschat botsen met de instructieregels uit het Bkl, dienen aanvullende regels te worden opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan en/of dienen de regels uit de Bruidsschat te worden aangepast. Zie bijlage 3 waarin een overzicht is opgenomen van situaties (per thema) waarin de regels van de Bruidsschat botsen met de instructieregels van het Bkl. Situatie 3: activiteit niet in Bruidsschat; Bkl wel van toepassing Artikel 22.41 van de Bruidsschat houdt milieubelastende activiteiten buiten het toepassingsbereik van de Bruidsschat die wel vallen binnen het toepassingsbereik van de instructieregels van het Bkl. Het algemene toepassingsbereik van afdeling 22.3 van de Bruidsschat beoogt het begrip Wet milieubeheer–inrichting te vervangen. De instructieregels van het Bkl voor geluid, trillingen en geur, zijn (kort gezegd) van toepassing op het toelaten van activiteiten, anders dan het wonen en doorgaand verkeer, die geluid, trillingen of geur veroorzaken. Het toepassingsbereik van de instructieregels in de paragrafen m.b.t. geluid, trillingen en geur van het Bkl is daarmee ruimer dan het begrip inrichting. Dit betekent overigens niet dat er voor deze activiteiten niets is geregeld. Voor de activiteiten die geen Wet milieubeheer–inrichtingen waren, blijven gedurende de transitieperiode de regels voor hinder uit de APV en Afdeling 2.2 'Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen' van de Bruidsschat gelden. In Bijlage 4 is een overzicht opgenomen van de milieubelastende activiteiten die buiten de Bruidsschat vallen. Tevens zijn hierin aandachtspunten aangegeven waarmee rekening gehouden zal moeten worden bij wijziging van het omgevingsplan. Situatie 4: knelpunt bestaande situaties vanwege botsen regels bestemmingsplan en het Activiteitenbesluit Zoals hiervoor beschreven kunnen bestaande situaties een knelpunt vormen vanwege het botsen van regels uit het bestemmingsplan en het Activiteitenbesluit. Is dit het geval, zijn op grond van artikel 22.1 van de Bruidsschat de afdelingen 22.2 en 22.3 van de Bruidsschat niet van toepassing en kan het nodig zijn om in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvullende regels te stellen. Situatie 5: instructieregels die nieuw zijn ten opzichte van de Bruidsschat De Omgevingswet kent op een aantal thema’s nieuwigheden die we onder de huidige wet en regelgeving niet kennen en die dus ook niet in de regels van de Bruidsschat zijn te vinden. Dat wil zeggen dat de instructieregels van het Bkl bepaalde verplichtingen opleggen die niet uit de Bruidsschatregels volgen. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het wijzigen van het omgevingsplan. Per thema zijn dit de volgende aspecten: Externe veiligheid Voor locaties waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten, moet de gemeente het brand of explosieaandachtsgebied aanwijzen in het omgevingsplan als voorschriftengebied. Dan gelden daar extra bouwkundige eisen uit het Bbl. Voor andere (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties maakt de gemeente een afweging of (delen van) de aandachtsgebieden in het omgevingsplan komen als voorschriftengebieden (5.14, tweede lid, Bkl). Tevens dient de geometrische begrenzing van deze voorschriftengebieden in het omgevingsplan te worden vastgelegd (5.14, vierde lid, Bkl). Geluid Vastleggen gezamenlijk geluid bij overschrijding standaardwaarden Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden en voor zover standaardwaarden worden overschreden, dient het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen te worden bepaald en in het omgevingsplan vastgelegd (5.78ad Bkl). Industrieterreinen met geluidproductieplafonds Bij omgevingsplan worden in ieder geval als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen waar bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten kunnen worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken (2.11a Ow). De begrenzing van een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, wordt vastgelegd in het omgevingsplan (5.78e Bkl). Een omgevingsplan bevat regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een industrieterrein (5.78f Bkl). Trillingen Het omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare herhaald voorkomende trillingen (5.87a Bkl). Geur Indien bij het wijzigen van een omgevingsplan regels worden opgenomen m.b.t. geur door het exploiteren van zuivering technische werken, geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf of geur door andere agrarische activiteiten, worden één of meer bebouwingscontouren geur aangewezen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan wordt tevens de geometrische begrenzing van een bebouwingscontour geur vastgelegd (5.97 Bkl). Wat betekent dit voor u? Ga na welk scenario van toepassing is op uw ontwikkeling. Al naar gelang de uitkomst zijn de regels van de bruidsschat (Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) van toepassing of moeten nieuwe regels in het omgevingsplan worden opgenomen om te kunnen voldoen aan de instructieregels. De regels voor vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat zijn van toepassing, maar dienen wel in overeenstemming te worden gebracht met de instructieregels voor bodem (artikel 5.89ka en 5.89l Bkl) 5.4Stap 3: Besluit kwaliteit leefomgeving en instructieregels In hoofdstuk 2 van het Bkl zijn rijksomgevingswaarden opgenomen voor de luchtkwaliteit en de kwaliteit van (zwem)water. Hiervoor worden in de hoofdstukken 4 en 5 van het Bkl en de hoofdstukken 6, 7, 15, 16, 17 van het Bal regels gesteld. In het hieropvolgende wordt ingegaan op de uitwerking van deze omgevingswaarden in het omgevingsplan. In hoofdstuk 3 van het Bkl zijn onder meer regels opgenomen over het voorzien in vuilwaterriolen, het beheersen van de geluidbelasting door onder meer gemeentewegen en industrieterreinen en het beschermen van natuurwaarden. In deze paragraaf wordt eveneens op de uitwerking van deze onderwerpen in het omgevingsplan ingegaan. In hoofdstuk 4 van het Bkl zijn verplichtingen opgenomen voor het opstellen van programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterkwaliteit, de geluidbelasting en natuurwaarden. Het opstellen van een geluidprogramma is verplicht voor gemeente die daarvoor zijn aangewezen. De gemeente Meppel is geen aangewezen agglomeratie. Op grond van hoofdstuk 4 van het Bkl kán de gemeente een programmatische aanpak stikstof vaststellen. Dit programma kan regels bevatten over de beslissing op aanvragen voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000activiteiten. Daarbij kan het doel van dit programma zijn de ruimte voor stikstofdepositie binnen een gemeente evenwichtig te verdelen. De gemeente Meppel heeft geen programma vastgesteld. De stikstofdepositie die met een initiatief samenhangt, zal dus ad hoc moeten worden gecompenseerd. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels te vinden voor omgevingsplannen. In onderstaande tabel is de inhoudsopgave van hoofdstuk 5 globaal weergegeven zodat gericht gezocht kan worden naar welke paragraaf relevant is voor uw initiatief. Tabel 5.1: Instructieregels in hoofdstuk 5 Bkl Paragraafnr. Inhoud Onderwerp §5.1.1 Algemene bepalingen Dienstenrichtlijn §5.1.2 Waarborgen van de veiligheid (Externe) veiligheid §5.1.3 Beschermen van de waterbelangen Waterkwaliteit en veiligheid §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu Lucht, geluid, trillingen, windturbines, bodem, geur §5.1.5 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Ladder duurzame verstedelijking, Cultureel erfgoed, werelderfgoed §5.1.6 Behoud van ruimte voor toekomstige functies Autowegen, buisleidingen §5.1.7 Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Landsverdediging en nationale veiligheid, radar, vliegroutes, elektriciteit, vaarwegen, woningbouwcategorieën §5.1.8 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Voor personen met een functiebeperking §5.2 De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorwegen en rijkswegen Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool onder voorwaarden (voldoen aan gestelde eisen) Bebouwingscontour jacht, bebouwingscontour houtkap §5.3 Ontheffingsmogelijkheden van instructieregels omgevingsplan Dienstenrichtlijn Wat betekent dit voor u? De Dienstenrichtlijn is van toepassing als met de wijziging van het omgevingsplan diensten mogelijk worden gemaakt. Wordt daarbij gedacht aan beperkende maatregelen? In de motivering moet dan worden onderbouwd dat de ontwikkeling voldoet aan de Dienstenrichtlijn. Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is hiervoor een instructieregel opgenomen, artikel 5.1a. Het begrip ‘dienst’ moet breed worden geïnterpreteerd. Ook detailhandel is een dienst. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5 van de Dienstenrichtlijn. Hierin staat dat de vestiging van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mag zijn van economische criteria. Vestigingseisen voor diensten mogen bijvoorbeeld niet gebaseerd zijn op argumenten van concurrentiebeperking. Ieder(
- e)verplichting, verbod, voorwaarde of beperking die aan toegang en uitoefening van dienstenactiviteiten wordt gesteld, valt onder de Dienstenrichtlijn. De beperkingen aan het vrij verkeer, zoals het stellen van bepaalde eisen of het instellen van een vergunningsstelsel, is alleen gerechtvaardigd als die voldoen aan: het verbod van discriminatie. De eisen mogen geen direct of indirect onderscheid maken in nationaliteit of statutaire vestigingsplaats; de voorwaarde van noodzakelijkheid. De eisen moeten gerechtvaardigd zijn vanwege dwingende redenen van algemeen belang; de voorwaarde van evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, ze mogen niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel kan niet met minder vergaande beperkingen bereikt worden. De instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt de lijn van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het omgevingsplan staan regels over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan heeft een bredere reikwijdte dan het bestemmingsplan. Bij de regels in het omgevingsplan spelen meer motieven dan alleen ruimtelijke. Zo kunnen ook bij de beoordeling of een brancheringsregeling voldoet aan de vereisten uit de Dienstenrichtlijn meer motieven een rol spelen. Afgezien van deze verbrede reikwijdte vormt artikel 5.1a Bkl dus een voortzetting van artikel 1.1.2 Bro. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel en horeca. Voor een nadere uitleg over de werking van de Dienstenrichtlijn wordt verwezen naar de Handreiking Dienstenrichtlijn en ruimtelijke ordening, opgesteld voor de Retailagenda3 https://retailland.nl/app/uploads/2019/10/Handreiking_DienstenrichtlijnenRuimtelijkeordening_oktober2019.pdf.. Veiligheid Wat betekent dit voor u? Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. Binnen het plangebied van de gemeente Meppel, liggen verschillende hoge druk aardgasleidingen, vindt over de snelweg A32 vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en zijn zeven LPGtankstations voor het wegverkeer gevestigd. Op grond van het Bkl mogen binnen het gebied waarbinnen het plaatsgebonden risico hoger dan of gelijk aan 106 is, geen (beperkt, zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden geprojecteerd. Rond deze risicobronnen liggen op grond van het Bkl bovendien zowel brand als explosieaandachtsgebieden. Bij het wijzigen van het omgevingsplan voor delen van het plangebied die binnen deze aandachtsgebieden liggen, neemt de gemeente deze aandachtsgebieden over in haar omgevingsplan. Dit om gebruikers van het plan, die zich oriënteren op mogelijkheden op die locatie, op de hoogte te stellen van het feit dat op die locatie een aandachtsgebied ligt. Daarnaast moeten er in het omgevingsplan aanvullende regels worden opgenomen ter bescherming van de personen die gebruik maken van de beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties. Hiervoor wordt de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan uitgewerkt. Te betrekken ketenpartners: RUD en Veiligheidsregio In de instructieregel is voor zover de branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 106 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebied bluswater Voor hulpdiensten is het belangrijk om zo snel mogelijk ter plaatse te kunnen zijn om hulp te kunnen bieden bij incidenten, rampen en crises. Adequate bluswatervoorziening en goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorziening als de incidentlocatie zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer. De landelijke Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, opgesteld door Brandweer Nederland, biedt een richtinggevend raamwerk. Regionale verschillen maken regionale uitwerking gewenst; binnen het gebied van een Veiligheidsregio kunnen gemeenten binnen de landelijke Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid verschillende keuzes maken. In de planregels van de gemeente Meppel wordt de beschikbaarheid en bereikbaarheid van bluswater in geval van een ongewenste gebeurtenis geborgd. Aandachtsgebieden externe veiligheid Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het ‘aandachtsgebied’ is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico’s en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. De aandachtsgebieden zijn onder te verdelen in: Brandaandachtsgebieden (BAG) Het BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een kokende vloeistofgasexpansieexplosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Gifwolkaandachtsgebied (GAG) In een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant. Voorschriftengebieden Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wilt toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Om te beginnen moet in de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan worden betoogd waarom het beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouw of de beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie binnen het aandachtsgebied moet worden geprojecteerd. Het projecteren van kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen binnen het gebied waar het plaatsgebonden risico groter is dan 106 per jaar is niet toegestaan. Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente. Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de Veiligheidsregio’s zijn hiervoor de volgende thema’s aangewezen: bluswater en bereikbaarheid natuurbranden windturbines overstroming en klimaatadaptatie evenementen het gebruik van gebouwen en rookoverlast Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Bij het gebruik van gebouwen is de gebruiksmelding aangepast naar uitsluitend de zeer kwetsbare gebouwen binnen brand of explosieaandachtsgebieden. Luchtkwaliteit Wat betekent dit voor u? In het omgevingsplan worden vooralsnog geen regels opgenomen om de invloed van het wegverkeer of majeure milieubelastende activiteiten op de luchtkwaliteit te reguleren. Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de aangewezen agglomeraties, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Meppel is niet aangewezen als een agglomeratie zoals bedoeld in het Bkl. Daarnaast is het niet waarschijnlijk dat de gemeente een besluit zal nemen tot het wijzigen van het omgevingsplan om de aanleg van een tunnelbuis mogelijk te maken. Geluid Wat betekent dit voor u? Als met het wijzigen van het omgevingsplan het bouwen en gebruiken van geluidgevoelige gebouwen mogelijk wordt gemaakt, dan moet worden nagegaan of deze binnen een aandachtsgebied komen te liggen. Als dat het geval is, dan dient nagegaan te worden of de standaardwaarde en de grenswaarde worden overschreden. Dit moet in de toelichting op het wijzigingsbesluit worden gemotiveerd. Daarnaast moet het gezamenlijke geluid als omgevingswaarde worden vastgesteld in het omgevingsplan. Tot slot moet worden nagegaan of er milieubelastende activiteiten in de omgeving van het geluidgevoelige gebouw aanwezig zijn en of dan aan de daarop van toepassing zijnde planregels kan worden voldaan. Dit geldt vice versa voor het mogelijk maken van nieuwe milieubelastende activiteiten. Te betrekken ketenpartner: RUD Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving moet met het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele milieubelastende activiteiten, milieubelastende activiteiten op een industrieterrein, de geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Onder Met de eerder genoemde individuele activiteiten worden gewaarborgd dat de geluidbelasting door milieubelastende activiteiten geen aanleiding tot geluidhinder geven. In het navolgende wordt ingegaan op de wijze waarop in dit omgevingsplan, voor verschillende soorten van activiteiten die daarmee worden toegelaten, waarborgen tegen geluidhinder wordt geboden. Wegverkeerslawaai Als met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, dan moet bij de voorbereiding daarvan het geluidaandachtsgebied rond omliggende wegen inzichtelijk worden gemaakt. Deze geluidaandachtsgebieden zijn opgenomen in het geluidregister dat door het Rijk wordt beheerd. In de periode na het in werking treden van de Omgevingswet, zal de gemeente nog niet in de gelegenheid zijn geweest voor de gemeentewegen en waterschapswegen in haar grondgebied dit geluidaandachtsgebied in het geluidregister te hebben verwerkt. Bij het voorbereiden van de wijziging van het omgevingsplan zal dan dit geluidaandachtsgebied uit eigen onderzoek inzichtelijk moeten worden gemaakt. De gemeente zal hiervoor voor het gemeentelijke wegennetwerk de intensiteiten op alle relevante wegen met een intensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal aan de initiatiefnemer moeten aanleveren. Deze zal dan volgens de in de omgevingsregeling beschreven methode het aandachtgebied moeten vaststellen. Als de nieuwe geluidgevoelige gebouwen inderdaad binnen dit aandachtsgebied liggen, dan moet voor deze geluidgevoelige gebouwen worden beargumenteerd of aan de standaardwaarde en/of aan de grenswaarde op grond van artikel 5.78t en 5.78u van het Bkl kan worden voldaan. Als de standaardwaarde wordt overschreden, wordt in de motivering van het besluit beargumenteerd dat er geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn, de overschrijding zo veel mogelijk wordt beperkt en dat wordt geborgd dat de grenswaarde niet wordt overschreden. In afdeling 2.1 of 3.1 van het omgevingsplan wordt dan de waarde van het gezamenlijke geluid als omgevingswaarde vastgesteld. Industrielawaai Binnen de gemeente Meppel bevinden zich vier industrieterreinen in de zin van het Bkl: industrieterreinen Oevers (inclusief Steenwijkerstraatweg/Oude Vaart), Scheepswerf Wout Liezen, Spijkerserve en Noord I. Op grond van hoofdstuk 3 van het Bkl wordt het geluidaandachtsgebied rond deze industrieterreinen gebaseerd op de geluidbelasting door deze industrieterreinen uitgedrukt in de dosismaat Lden. In de periode na het in werking treden van de Omgevingswet, zal de gemeente nog niet klaar zijn met het omzetten van de oude dosismaat Letmaal naar deze nieuwe dosismaat. Vooralsnog maakt de gemeente daarom gebruik van het overgangsrecht, op grond waarvan het aandachtsgebied samenvalt met de zone zoals deze was vastgesteld op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder. Als binnen dit aandachtsgebied nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden geprojecteerd, dan moet voor deze geluidgevoelige gebouwen worden beargumenteerd of aan de standaardwaarde en/of aan de grenswaarde op grond van artikel 5.78t en 5.78u van het Bkl kan worden voldaan. Als de standaardwaarde wordt overschreden, wordt in de motivering van het besluit beargumenteerd dat er geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn, de overschrijding zo veel mogelijk wordt beperkt en dat wordt geborgd dat de grenswaarde niet wordt overschreden. In afdeling 2.1 of 3.1 van het omgevingsplan wordt dan de waarde van het gezamenlijke geluid als omgevingswaarde vastgesteld. Spoorweglawaai Als met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, dan moet bij de voorbereiding daarvan ook het geluidaandachtsgebied rond de spoorbaan inzichtelijk worden gemaakt. Dit geluidaandachtsgebied is opgenomen in het geluidregister dat door het Rijk wordt beheerd. Als de nieuwe geluidgevoelige gebouwen inderdaad binnen dit aandachtsgebied liggen, dan moet voor deze geluidgevoelige gebouwen worden beargumenteerd of aan de standaardwaarde en/of aan de grenswaarde op grond van artikel 5.78t en 5.78u van het Bkl kan worden voldaan. Als de standaardwaarde wordt overschreden, wordt in de motivering van het besluit beargumenteerd dat er geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn, de overschrijding zo veel mogelijk wordt beperkt en dat wordt geborgd dat de grenswaarde niet wordt overschreden. In afdeling 2.1 of 3.1 van het omgevingsplan wordt dan de waarde van het gezamenlijke geluid als omgevingswaarde vastgesteld. Overige milieubelastende activiteiten Op grond van artikel 5.59 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de aanvaardbaarheid van het geluid door activiteiten dat ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen op zal treden. In de instructieregel van het Bkl is aangegeven dat hiertoe regels aan het omgevingsplan moeten worden verbonden. Deze regels zijn in de basis in de vorm van de Bruidsschatregels uit paragraaf 22.3.4 aan het omgevingsplan verbonden. De gemeente Meppel laat deze regels in stand, met uitzondering van gevallen: waarbij dit in conflict is met de op locaties toegelaten gebruiksactiviteiten; bedrijventerreinen die volgens de staalkaart Bedrijven en milieuzonering nieuwe stijl zijn gereguleerd; gezoneerde industrieterreinen. In de hiervoor genoemde gevallen worden de locatie waarop de artikelen 22.62 tot en met 22.68 van toepassing zijn aangepast en worden er in het omgevingsplan voor deze locatie aangepaste regels aan het omgevingsplan verbonden. De regels uit paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan zijn van toepassing op wat voor het in werking treden van de Omgevingswet onder het begrip ‘inrichting’ op grond van de Wet milieubeheer werd verstaan. De instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl schrijven voor dat de regels uit het omgevingsplan de gevolgen, die optreden door het uitoefenen van milieubelastende activiteiten, (indien nodig) moeten reguleren. Dit toepassingsbereik is groter dan het toepassingsbereik van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. De gemeente Meppel heeft daarom in de titels 2.3 en 3.3 van het omgevingsplan bepaald dat deze regels ook van toepassing zijn op overige milieubelastende activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan. Trillingen Wat betekent dit voor u? De regels uit de hoofdstuk 22 zijn van toepassing als de ontwikkeling ziet op trillinggevoelige gebouwen of van invloed is op dergelijke gebouwen in de omgeving. Er moet bekeken worden of deze regels voldoen of dat andere regels nodig zijn. Te betrekken ketenpartner: RUD Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de aanvaardbaarheid van het trillingen door activiteiten die binnen trillinggevoelige gebouwen zal treden. In de instructieregel van het Bkl is aangegeven dat hiertoe regels aan het omgevingsplan moeten worden verbonden. Deze regels zijn in de basis in de vorm van de Bruidsschatregels uit paragraaf 22.3.5 aan het omgevingsplan verbonden. De gemeente Meppel laat deze regels in stand, met uitzondering van gevallen waarbij dit in conflict is met de op locaties toegelaten gebruiksactiviteiten. Zoals gezegd is het toepassingsbereik van de instructieregel groter dan het toepassingsbereik van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. De gemeente Meppel heeft ook hiervoor in de titels 2.3 en 3.3 van het omgevingsplan bepaald dat deze regels ook van toepassing zijn op overige milieubelastende activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan. Slagschaduw door windturbines Wat betekent dit voor u? Wordt met de wijziging van het omgevingsplan een windturbine toegestaan, dan moet de regeling die artikel 5.89f Bkl voorschrijft in het omgevingsplan worden opgenomen voor deze locatie. Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.98f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalf maal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden. Bodemkwaliteit Wat betekent dit voor u? Als met het wijzigen van het omgevingsplan de bouw en het gebruik van een bodemgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt, dan moet worden onderzocht of de bodem ter plaatse voldoet aan de grenswaarden die daaraan op grond van het omgevingsplan worden gesteld. Als dat niet het geval is, moet worden onderzocht welke sanerings of beschermende maatregelen moeten worden getroffen. Te betrekken ketenpartner: RUD Op grond van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op grond van het omgevingsplan van de gemeente Meppel (kiezen: omgevingsvergunningplicht óf meldingplicht). In het omgevingsplan zijn tevens regels opgenomen dat als dit bodemgevoelige gebouw wordt gebouwd op een bodemgevoelige locatie waar de aan het omgevingsplan verbonden grenswaarden worden overschreden, eerst sanerende of beschermende maatregelen moeten worden getroffen. Daarvan moet bij de melding of aanvraag een beschrijving worden gegeven. In het omgevingsplan zijn hiervoor de indieningsvereisten (en (in geval van vergunningplicht) beoordelingsregels) opgenomen. Tevens zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het beheer en in stand houden van de hiervoor genoemde sanerende of beschermende maatregelen. Voor het op of in de bodem brengen van grond en baggerspecie, is in het omgevingsplan het gemeentelijke grondgebied ingedeeld in bodemfunctieklassen. Daarbij is de bodemfunctieklassenkaart van het voormalige gemeentelijke beleid op gebied van bodembeheer overgenomen. Bij het op of in de bodem brengen van grond en baggerspecie, zijn vervolgens de regels uit het Bal van toepassing, waarmee met het omgevingsplan voldoende waarborgen voor de kwaliteit van de bodem wordt geboden. Geur Wat betekent dit voor u? Als met het wijzigen van het omgevingsplan de bouw en het gebruik van een geurgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt, moet worden onderzocht of in de omgeving geurbelastende activiteiten worden uitgeoefend en of de geurbelasting binnen de daar op grond van het omgevingsplan aan gestelde regels past. Wordt met het omgevingsplan een nieuwe geurbelastende activiteit mogelijk gemaakt, moet worden onderzocht of de daarmee samenhangende geurlast binnen deze in het omgevingsplan opgenomen geurregels past. Te betrekken ketenpartner: RUD Op grond van artikel 5.92 van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de aanvaardbaarheid van de geurbelasting die optreedt door milieubelastende activiteiten ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen het plangebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de geurbelasting door zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en overige geurbelastende activiteiten. In hoofdstuk 22 van het omgevingsplan zijn regels opgenomen die de geurbelasting door deze geurbelastende activiteiten tot een aanvaardbaar niveau moeten terugbrengen. Deze regels bieden naar de mening van de gemeente Meppel het beschermingsniveau dat artikel 5.92 van het Bkl afdwingt. In de titels 2.3 en 3.3 van het omgevingsplan is, teneinde aan de instructieregels te voldoen, een regel opgenomen die stelt dat het begrip ‘bebouwde kom’ uit de artikelen 22.98, 22.100, 22.101, 22.103, 22.108, 22.110, 22.112, 22.114, 22.115, 22.118, 22.119 en 22.122 gelijkgesteld is aan de locatie ‘bebouwingscontour geur’. Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betekent dit voor u? Kan de ontwikkeling worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling? Dan moet in de motivering worden onderbouwd of deze voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Indien bij de wijziging van het omgevingsplan sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is de instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl van toepassing. Uit dit artikel blijkt dat rekening moet worden gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien. Net als onder de Wro moet de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen goed worden onderbouwd in de motivering. De lijn vanuit de Wro en de jurisprudentie wordt onder de Omgevingswet voortgezet. Cultureel erfgoed Wat betekent dit voor u? Inventariseer welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het plangebied. De basis hiervoor is het document Cultuurhistorische Inventarisatie & Waardenstelling. Gebruik voor een goede voorbeeldregeling voor cultureel erfgoed de Handreiking voorbeeldregels van de RCE en het bestemmingsplan of de beheersverordening dat onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan. Nieuw is de omgeving van het monument (inclusief karakteristieke en beeldbepalende panden) waarbij ter bescherming van dat monument beperkingen voor de ontwikkelingen in die omgeving kunnen gelden. De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; het voorkomen van aantasting van: de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed heeft een Handreiking opgesteld met voorbeeldregels voor het omgevingsplan voor een aantal aspecten van cultureel erfgoed. Bij deze regels kan worden aangesloten, waarbij de regels moeten passen in het casco omgevingsplan Meppel. Het gaat om voorbeeldregels voor gemeentelijke monumenten, beeldbepalende of karakteristieke gebouwen, archeologische (gemeentelijke) monumenten, stads en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. In Meppel is veel cultureel erfgoed aanwezig. Het gaat om: provinciale monumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden; de omgeving van de monumenten onder a. en rijksmonumenten; het beschermde stadsgezicht Meppel; archeologische monumenten (gemeentelijke archeologische monumenten en de archeologische verwachtingswaarden). In 2013 is een onderzoek naar het cultureel erfgoed in de gemeente Meppel uitgevoerd: de Cultuurhistorische Inventarisatie & Waardenstelling (CHIW). De CHIW bestaat uit twee delen: Binnenstad & Centrumschil Meppel en Uitbreidingswijken en Buitengebied Meppel. De geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen bevatten doorgaans al regelingen voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze zijn een goede basis voor het omgevingsplan. Verschillende bestemmingsplannen in Meppel zijn vastgesteld voordat de CHIW is vastgesteld, een check van de in de CHIW opgenomen cultuurhistorische waarden is altijd nodig als een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid. Dat geldt ook voor de Erfgoednota uit 2021. Archeologie In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden en gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2. In afwijking hiervan kan in een omgevingsplan (al dan niet voor bepaalde locaties) een andere oppervlakte worden vastgesteld. In Meppel wordt aangesloten op de verwachtingswaarden die nu zijn opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan (de regels uit de dubbelbestemmingen die zijn opgenomen in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen) en die aansluiten bij de archeologische verwachtingskaart van de gemeente. De oppervlaktes die daarin zijn opgenomen zijn 50, 500 en 1.000 m2. Behoeden staat en werking infrastructuur en voorziening Wat betekent dit voor u? Inventariseer welke onderdelen van paragraaf 5.1.7 relevant zijn voor de ontwikkeling. Is daarvan sprake dan moet dit worden gemotiveerd en indien dit uit de instructieregels blijkt moeten regels in het omgevingsplan worden opgenomen. In paragraaf 5.1.7 van het Bkl zijn diverse onderwerpen benoemd waarvoor de staat en werking moet worden behoed. Het gaat hierom onderwerpen die zien op landsverdediging en nationale veiligheid, de elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen, apparatuur voor de burgerluchtvaart en landelijke fiets en wandelroutes. Ook kunnen woningbouwcategorieën worden aangewezen, dit is mogelijk indien de wijziging van het omgevingsplan bouwactiviteiten toelaat die kostenverhaalplichtig zijn (zie ook paragraaf 5.8 van dit Handboek, hier wordt ingegaan op het onderdeel kostenverhaal in het omgevingsplan). Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Wat betekent dit voor u? Is er sprake van nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte dan moet gemotiveerd worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de toegankelijkheid. Uit artikel 6.162 Bkl blijkt dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, dan wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Instructieregels omgevingsverordening verordening Provincie Drenthe Wat betekent dit voor u? Op basis van de geïnventariseerde activiteiten (stap 1) wordt bekeken welke regels uit de Omgevingsverordening Drenthe relevant zijn voor het initiatief en wat daarvoor geregeld moet worden in het omgevingsplan. In deel 1 van het wijzigingsbesluit kunt u aantonen dat u voldoet aan de instructieregels uit de omgevingsverordening Drenthe (motivering). Indien noodzakelijk worden door de gemeente regels in de wijziging van het omgevingsplan opgenomen om te voldoen aan de instructieregels uit de omgevingsverordening. Te betrekken ketenpartner: provincie Drenthe Net als de instructieregels uit het Bkl gaan de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening over de inhoud, toelichting of motivering van het omgevingsplan. Met de Omgevingswet wordt een aantal bestaande provinciale verordeningen (o.a. milieuverordening, landschapsverordening) vervangen door één omgevingsverordening met de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Naast het samengaan van deze verschillende bestaande verordeningen, stuurt de Omgevingswet ook aan op decentralisatie van de bevoegdheden. Op grond van artikel 2.3 van de Omgevingswet is in beginsel de gemeente aan zet, tenzij deze de provinciale belangen onvoldoende kan behartigen of de provincie op grond van internationale verplichtingen taken en bevoegdheden heeft. De provincie gaat dus, als het goed is, terughoudend te werk bij het opnemen van regels in haar omgevingsverordening die nodig zijn om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te borgen. Elke provincie moet een Omgevingsverordening vaststellen waarin zij instructieregels kan opnemen voor andere bestuursorganen. In hoofdstuk 7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de onderwerpen beschreven die ten minste in de provinciale omgevingsverordening moeten worden opgenomen. Deze onderwerpen kan de provincie in haar verordening uitwerken naar direct werkende regels. De provincie kan er ook voor kiezen om de uitwerking van haar beleid met een instructieregel aan de gemeente door te leggen naar regels in het omgevingsplan. Instructieregels kunnen ingezet worden om de omgevingswaarden uit de provinciale verordening of andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Welke instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening zijn van toepassing op de activiteiten in het gebied en hoe worden deze verwerkt? De Provincie Drenthe heeft in haar Omgevingsverordening 20224 Zie www.ruimtelijkeplannen.nl; NL.IMRO.9922.OVD2022ON01. in totaal 152 instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op het omgevingsplan van de gemeente Meppel. In Bijlage 5 is een overzicht opgenomen van deze op Meppel van toepassing zijnde instructieregel. Deze instructieregels verschillen wat betreft aard van ‘in het omgevingsplan moet rekening gehouden worden met …’ tot ‘een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van nieuwe landgoederen met een huis van allure, voldoet aan de volgende voorwaarden: …’ Afhankelijk van de aard van de instructieregel zal de uitwerking daarvan dus ofwel in de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan, ofwel in concrete planregels plaatsvinden. Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta Wat betekent dit voor u? Als er voor de ontwikkelingen waterbelangen spelen geldt de waterschapsverordening. Bepaalde onderwerpen, zoals lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering, zijn geregeld in de bruidsschat, Hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Meppel. Uitgangspunt is dat de regels uit de bruidsschat ook gelden voor nieuwe ontwikkelingen, is aanpassing hiervan noodzakelijk dan is hiervoor toestemming van de gemeente noodzakelijk. Te betrekken ketenpartner: Waterschap Drents Overijsselse Delta De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater). De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur). In de waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. Uitgangspunt is dat voor activiteiten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is, geen regels ter bescherming van de waterbelangen hoeven (of zelfs mogen) worden opgenomen als dit al in de waterschapsverordening is geregeld. Voor bepaalde aspecten zijn wel regels nodig in het omgevingsplan. Uiteraard is een goede afstemming met het waterschap wel noodzakelijk. 5.5Stap 4: Gemeentelijke verordeningen Wat betekent dit voor de wijziging van het omgevingsplan? De Verordening fysieke leefomgeving blijft eerst naast het omgevingsplan bestaan. De regels die hierin zijn opgenomen zijn ook van toepassing op de ontwikkeling. Op het moment dat de regels al onderdeel zijn van het omgevingsplan Meppel zijn de betreffende regels ook van toepassing op de ontwikkeling. Alleen indien dat nodig is voor de ontwikkeling kunnen de regels worden aangepast, maar alleen na overleg met en akkoord van de gemeente. De noodzaak tot aanpassing moet door de initiatiefnemer worden aangetoond. Voor de regels uit de overige gemeentelijke verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving, geldt dat gemeenten tot en met 31 december 2029 de tijd hebben om deze over te brengen naar het omgevingsplan. Maar hoe bepalen we welke regels een plek moeten krijgen in het omgevingsplan5 De VNG heeft hiervoor de handreiking ‘Verordeningen en het omgevingsplan’ opgesteld. In deze handreiking is een stroomschema opgenomen aan de hand waarvan de gemeentelijke verordeningen beoordeeld kunnen worden. https://vng.nl/sites/default/files/202012/verordeningenenhetomgevingsplan_20201217.pdf. ? De regels uit de gemeentelijke verordeningen kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën. Mag nietcategorie Regels die vallen in deze categorie mogen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in drie categorieën: Regels die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen De reikwijdte van de Omgevingswet is geregeld in artikel 1.2 en 1.3 Ow. Regels met een ander onderwerp of motief dan de fysieke leefomgeving of regels die niet gaan over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving mogen niet in het omgevingsplan worden opgenomen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een verordening die is vastgesteld op grond van artikel 8 van de Participatiewet. Regels op grond van bijzondere wetten Artikel 1.4 Ow bepaalt dat de Omgevingswet niet van toepassing is op onderwerpen die wel zien op de fysieke leefomgeving maar die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld. Deze regels mogen dus niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Dit gaat bijvoorbeeld over de verordening op basis van de Telecommunicatiewet. Regels genoemd in artikel 2.1 lid 2 Omgevingsbesluit In dit artikel is een aantal regels expliciet genoemd die niet mogen worden meegenomen naar het omgevingsplan. Hierbij gaat het ten eerste om regels die (deels) wel betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, maar die hoofzakelijk worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Ten tweede gaat deze bepaling over regels met strafbaarstellingen en over financiële regels. Moetcategorie Regels die in deze categorie vallen moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Hiervoor zijn verschillende grondslagen te vinden in de Omgevingswet: Afdeling 2.5 Omgevingswet: wanneer regels over verplicht op te nemen onderwerpen zijn opgenomen in een gemeentelijke verordening moeten deze regels verplaatst worden naar het omgevingsplan. Hierbij gaat het om instructieregels van het Rijk en de provincie Drenthe. Artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet: op grond van dit artikel moeten regels uit de lokale verordeningen worden opgenomen in het omgevingsplan indien het gaat om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan regels over geur, geluid en parkeren. Artikel 2.7 Omgevingswet jo. artikel 2.1 lid 1 Omgevingsbesluit: regels die de fysieke leefomgeving wijzigen moeten eveneens worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarvan is sprake als het gaat om een directe fysieke ingreep door de mens in de tastbare leefomgeving zowel boven als ondergronds. Magcategorie Tot slot zijn er nog artikelen uit de lokale verordeningen die vallen in de ‘mag’categorie. Hierbij gaat het over gevolgen voor de fysieke leefomgeving die voortvloeien uit het gebruik van onderdelen van de fysieke leefomgeving, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt en het nalaten van activiteiten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om regels die gesteld zijn op grond van artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo. Bij deze categorie moeten we een keuze maken waar de desbetreffende regel wordt opgenomen. Willen we deze regels opnemen in het omgevingsplan of blijven deze regels in de verordening staan? Verordening fysieke leefomgeving Meppel In Meppel is door de raad een Verordening fysieke leefomgeving (VFL) vastgesteld voor de onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen die moeten en mogen worden opgenomen in het omgevingsplan. De VFL blijft eerst naast het tijdelijke omgevingsplan bestaan. De regels uit de VFL worden in 2023 als wijziging van het omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied opgenomen in het omgevingsplan Meppel. Voor ontwikkelingen betekent dit dat de regels of nog zijn opgenomen in de VFL of al in het omgevingsplan. Alleen indien het voor een ontwikkeling nodig is om de verordeningsregels aan te passen wordt dit meegenomen bij de betreffende wijziging van het omgevingsplan. In dat geval is er sprake van maatwerk, uitgangspunt is dat de verordeningsregels in beginsel van toepassing zijn op de ontwikkeling. 5.6Stap 5: Wat en hoe regelen? In stap 5 wordt antwoord gegeven op de vraag 'Hoe regelt u wat u moet en wilt regelen in het omgevingsplan?' De structuur van het omgevingsplan is bepaald in de vorm van een casco. Dit casco is te vinden in Bijlage 6. Bij wijzigingen van het omgevingsplan voor nieuwe initiatieven moeten regels worden gemaakt binnen deze structuur. Op basis van de informatie die is opgedaan in voorgaande stappen dienen de volgende vragen beantwoord te worden. Welke regels zijn nodig om het initiatief mogelijk te maken? Welke regeltypen passen bij de activiteiten die nodig zijn voor het initiatief? Hoe worden regels voor activiteiten die nodig zijn voor het initiatief vormgegeven binnen het casco van het omgevi