Beleidsregels bijzondere bijstand Voorne aan Zee 2023Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee; gelet op de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht; en rekening houdend met: de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om nadere regels op te stellen voor de verlening van bijzondere bijstand aan inwoners en de mogelijkheid voor de inwoners om na te kunnen gaan op grond van welke beleidsregels de gemeente de aanvragen beoordeelt en de instemming van de gezamenlijke gemeenteraden van de voormalige gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne met het geharmoniseerd beleid bijzondere bijstand voor de nieuwe fusiegemeente Voorne aan Zee; besluit vast te stellen deze BELEIDSREGELS BIJZONDERE BIJSTAND VOORNE AAN ZEE 2023 HOOFDSTUK1BEGRIPPEN Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: belanghebbende: iedere alleenstaande of het gezin die voldoet aan de voorwaarden gesteld in deze beleidsregels; bijstandsnorm: bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c, van de Participatiewet; de wet: de Participatiewet; inkomen: het totale netto inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de wet. Voor zelfstandig ondernemers geldt voor het inkomen uit onderneming het inkomen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 inclusief de verlaging van de norm op grond van artikel 27 of 28 van de wet en zonder toepassing van de kostendelersnorm; vermogen: het conform artikel 34 van de wet vastgestelde vermogen zoals dat geldt voor de algemene bijstand; Voormalig inwoner: inwoner die voor 1 januari 2023 woonachtig was in de voormalig gemeente Brielle, Hellevoetsluis of Westvoorne. 2.De begripsbepalingen van de wet en het overige in de wet opgenomen en daaruit voortvloeiende bepalingen zijn van toepassing. Artikel2Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand staat open voor iedere belanghebbende met een laag inkomen van 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 2.De kostendelersnorm wordt niet toegepast. 3.De belanghebbende moet ten tijde van de aanvraag ingeschreven staan in het BRP van de gemeente Voorne aan Zee. 4.Het recht op bijzondere bijstand kan ambtshalve worden vastgesteld als het indienen van een aanvraag niet mogelijk is vanwege individuele omstandigheden. 5.Het college kan een deskundige om advies vragen indien dat voor het vaststellen van het recht en/of de hoogte van bijzondere bijstand noodzakelijk is. De kosten hiervoor kunnen in rekening worden gebracht bij belanghebbende. 6.De Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) vormen een passende en toereikende voorliggende voorziening voor medische kosten, zodat voor medische kosten geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, tenzij deze beleidsregels anders bepalen. HOOFDSTUK2PROCEDURES Artikel3Aanvraag 1.De belanghebbende gebruikt voor de aanvraag een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier is zowel digitaal als in papier vorm beschikbaar. 2.Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen tot uiterlijk zes maanden na het moment waarop de kosten zijn gemaakt, maar nog niet zijn betaald worden ingediend. 3.Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt in beginsel ingediend voordat de kosten zijn gemaakt. 4.Indien door indiening van de aanvraag achteraf, de noodzaak niet meer kan worden vastgesteld, wordt geen bijzondere bijstand toegekend. 5.De belanghebbende levert bij de aanvraag de documenten zoals opgenomen in de “checklist bewijsstukken” aan. 6.Het recht op bijzondere bijstand mag worden heronderzocht, ten onrechte verstrekte bijzondere bijstand wordt teruggevorderd en beëindigd. Artikel4Inlichtingen- en medewerkingsverplichting 1.Belanghebbende doet aan het college uit eigen beweging of op verzoek direct mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een in deze beleidsregels genoemde vergoeding. 2.Belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze beleidsregels. Artikel5Beoordelingskader 1.Kosten die al geheel vanuit een passende en toereikende voorliggende voorziening worden vergoed of kosten die vanuit een voorliggende voorziening al als niet noodzakelijk worden aangemerkt, worden binnen deze beleidsregels als niet noodzakelijk gesteld, tenzij anders wordt vermeld 2.Kosten die al zijn betaald door de belanghebbende voordat de aanvraag is ingediend komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, aangezien de noodzaak tot verstrekking daarmee is komen te vervallen. 3.In het geval van blijkend tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid, verwijtbaar nalatig gedrag, kan de bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand worden verstrekt of volledig geweigerd worden. Artikel6Draagkracht algemeen 1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk hebben de personen, die een inkomen hebben tot 120% van de voor hen van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en die geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens geen draagkracht. 2.Inkomen boven de 120% van de geldende bijstandsnorm wordt gerekend als volledige draagkracht. 3.De kostendelersnorm is niet van toepassing bij de vaststelling van de draagkracht. 4.De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de dag dat het recht ontstaat. Bij elke volgende aanvraag bijzondere bijstand of minimaregeling binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht. De draagkracht kan worden bijgesteld als er zodanige wijzigingen in de financiële situatie zijn dat de eerder vastgestelde draagkracht redelijkerwijs niet gehandhaafd kan blijven. 5.Niet tot het draagkrachtinkomen wordt eveneens gerekend het persoonsgebonden budget vanuit de maatwerkregeling op grond van de beleidsregels Jeugd en Wmo, behalve als de aanvraag betrekking heeft op deze kosten. Artikel7Draagkracht inkomen 1.Het inkomen van de belanghebbende wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 32 en 33 van de wet. 2.Middelen genoemd in artikel 31, lid 2 van de wet worden niet tot het draagkrachtinkomen van de belanghebbende gerekend. 3.Bij de berekening van het inkomen wordt geen rekening gehouden met schulden. Artikel8Draagkracht vermogen 1.Het vermogen wordt vastgesteld overeenkomst artikel 34 van de wet. 2.Vermogen boven de vermogensgrenzen, zoals bedoeld in artikel 34, lid 3, van de wet wordt volledig meegerekend bij de berekening van draagkracht. 3.Een uitvaartverzekering in natura wordt in beginsel vrijgelaten. 4.Het vermogen van de belanghebbende waarop een executoriaal beslag rust, moet buiten beschouwing worden gelaten voor de duur van het beslag. 5.Voor een gepensioneerde belanghebbende is sprake van een extra vermogensvrijlating als er sprake is van een uitvaartreservering op een geblokkeerde spaarrekening, waarvan is vastgesteld dat dit voor de uitvaart bestemd is. Indien de belanghebbende evenwel een uitvaartverzekering (al dan niet in natura) heeft afgesloten, waaruit de kosten van de uitvaart grotendeels of geheel bekostigd kunnen worden, is deze extra vrijlating van vermogen niet van toepassing. 6.De waarde van een eigen auto, boot en motorfiets wordt vrijgelaten tot een bedrag van € 2.269,- per categorie. Artikel9Draagkracht problematische schulden Indien een belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of als een minnelijk schuldhulpverleningstraject loopt wordt de belanghebbende geacht niet over draagkracht te beschikken. Artikel10Drempelbedrag Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd. Artikel11Vormen van bijstand 1.Bij individuele bijzondere bijstand wordt uitgegaan van een uitkering in natura of ‘om niet’. 2.In afwijking van lid 1 wordt op basis van artikel 48 en 51 van de wet bepaald of de bijzondere bijstand als geldlening of borgstelling wordt verstrekt. De aflossingscapaciteit wordt bepaald op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag. De aflossingstermijn van een geldlening is ten hoogte 36 maanden. Na 36 maanden wordt het restant van de lening omgezet in bijstand om niet tenzij de belanghebbende binnen de 36 maanden niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. In afwijking van sub b, wordt de aflossingstermijn op meer dan 36 maanden gesteld, ingeval de duurzame gebruiksgoederen dienen te worden vervangen ten gevolge van moedwillige vernieling of nalatige verwijtbaarheid, onachtzaamheid of verkeerde handelingen waardoor de goederen verloren zijn gegaan. De bepalingen die bij de terugvordering van niet-fraudeschulden in de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal zijn opgenomen zijn hier eveneens van toepassing, tenzij anders wordt vermeld in deze beleidsregels. Als een belanghebbende meerdere bijstandsleningen heeft, dan wordt de bijstandslening die volgt uit het oudste toekenningsbesluit als eerste afgelost. Als een bijstandslening samenloopt met een terugvordering, kan de gemeente nader bepalen op welke schuld het eerste wordt afgelost. Als de belanghebbende op het moment van verstrekking aflost op een eerder verstrekte bijstandslening, wordt de toegekende bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen om niet verstrekt zonder terugbetaal-verplichting. Artikel12Overbruggingsuitkering levensonderhoud 1.In afwijking van artikel 6, lid 1 geldt bij toeslagen levensonderhoud dat inkomen boven de 100% van de geldende bijstandsnorm wordt gerekend als volledige draagkracht. 2.De zelfstandig wonende belanghebbende die over geen of onvoldoende middelen beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien vanaf de aanvang van de bijstandsverlening tot de eerste uitbetaling van het volledige maandbedrag van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, komt in aanmerking voor een overbruggingsuitkering. 3.Een overbruggingsuitkering wordt verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand om niet, tenzij de noodzaak tot het verstrekken van een overbruggingsuitkering het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 4.De kostendelersnorm is van toepassing. 5.De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt maximaal de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm voor één maand, exclusief vakantiegeld. hierop wordt in mindering gebracht: beschikbaar inkomen; vermogen dat meer is dan anderhalf maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm en waarover de belanghebbende redelijkerwijs direct kan beschikken. HOOFDSTUK3WOONKOSTEN Artikel13Woonkostentoeslag bij huurkosten 1.In afwijking van artikel 6, lid 1 geldt bij woonkostentoeslag dat inkomen boven de 100% van de geldende bijstandsnorm wordt gerekend als volledige draagkracht. 2.Huurtoeslag wordt geacht een voorliggende voorziening te zijn die in het algemeen passend en toereikend is als tegemoetkoming in de huurkosten. 3.Indien belanghebbende een huurwoning bewoont en geen aanspraak kan maken op huurtoeslag, dan kan een woonkostentoeslag worden verleend als de woonkosten niet hoger zijn dat het van toepassing zijnde bedrag vermeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. 4.Onder woonkosten van een huurwoning wordt verstaan de huurprijs als bedoeld in de wet op de huurtoeslag. 5.Om aanspraak te maken op woonkostentoeslag, per eerste van de maand, dient belanghebbende op dat moment ingeschreven te staan op het betreffende adres. 6.Woonkostentoeslag voor een huur boven de maximale huurgrens wordt voor maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten. 7.Bij verlening van de woonkostentoeslag langer dan de oorspronkelijke 12 maanden wordt ook bij woonkosten lager dan de maximale huurgrens uit artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, een verhuisverplichting opgelegd. 8.Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd. Artikel14Woonkostentoeslag bij eigen woning 1.Indien belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning en hij deze redelijkerwijs niet kan verkopen of (verder) kan bezwaren met geldleningen, maar het inkomen niet toereikend is om de woonkosten te voldoen, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien. 2.Indien er sprake is van een eigen woning wordt onder woonkosten verstaan de hypotheekrente, eigenaarsdeel onroerendezaakbelasting, waterschapslasten, premie opstalverzekering, erfpachtcanon en een forfaitair bedrag aan onderhoudskosten, onder aftrek van in aanmerking te nemen rijkssubsidies aan de woningeigenaar of Voorlopige Teruggave Hypotheekrenteaftrek. 3.De woonkosten mogen niet hoger zijn dan het van toepassing zijnde bedrag vermeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. 4.Belanghebbende moet adequate maatregelen nemen om de woonkosten zo snel mogelijk te verminderen. 5.Woonkostentoeslag wordt voor maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende reden zich hiertegen verzetten. 6.Bij verlenging van de woonkostentoeslag langer dan de oorspronkelijke 12 maanden kan een verhuisverplichting worden opgenomen. 7.Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd. Artikel15Woonkostentoeslag boven de huurtoeslaggrens 1.Indien de woonkosten boven de maximale huurtoeslaggrens liggen is het mogelijk om woonkostentoeslag toe te kennen om de belanghebbende de mogelijkheid te geven naar een goedkopere huurwoning te verhuizen. 2.Belanghebbende moet de huurwoning of eigen woning bewonen om in aanmerking te komen voor woonkostentoeslag boven de huurtoeslaggrens. 3.Het bedrag aan woonkosten is gelijk aan de huur boven de normhuur. 4.De woonkostentoeslag kan voor maximaal één jaar worden toegekend. 5.De woonkostentoeslag kan zo nodig voor 12 maanden worden verlengd, indien en zolang naar het oordeel van het college de belanghebbende nog voldoet aan het gestelde in artikel 13 lid 1 en de belanghebbende aantoonbaar de nodige inspanning heeft geleverd om naar een goedkopere huurwoning te verhuizen. Artikel16Bijzondere woonkosten 1.Voor de woonkosten die betrekking hebben op het langer zelfstandig laten wonen van ouderen en mensen met een handicap, wordt bijzondere bijstand verleend: voor zover deze kosten voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht, waarbij de noodzaak in ieder geval aanwezig wordt geacht bij personen van 75 jaar en ouder, en; voor zover de totale woonkosten meer dan de minimale huurgrens bedragen waarvoor huurtoeslag mogelijk is. Artikel17Woonkosten bij tijdelijk verblijf elders 1.De betaling van de strikt noodzakelijke kosten voor de hoofdwoning bij belanghebbende als de belanghebbende als enige verantwoordelijk is voor de huurbetaling en: maximaal twaalf maanden in een inrichting verblijft voor behandeling en/of zorg, onder voorwaarde dat het aanhouden van de woning noodzakelijk is. Als blijkt dat de belanghebbende langer dan twaalf maanden in een inrichting verblijft, wordt de doorbetaling stopgezet. In dat geval kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de opslag van de inboedel, gedetineerd is en de detentie maximaal zes maanden duurt, onder voorwaarde dat de belanghebbende bereidt is mee te werken aan een zorgtraject of re-integratietraject. Als het vonnis na voorarrest langer dan zes maanden blijkt te zijn, wordt de doorbetaling per direct stopgezet. Artikel18Zelfstandig wonende jong-meerderjarige 1.Aan de zelfstandig wonende alleenstaande, jonger dan 21 jaar, of aan de zelfstandig wonende alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar met zijn ten laste komende kinderen, of aan het gezin, waarvan beide partners jonger zijn dan 21 jaar of waarvan één van de partners jonger is dan 21 jaar, wordt op grond van artikel 12 van de wet een toeslag verstrekt voor de noodzakelijke extra kosten van het zelfstandig wonen tot het niveau van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een 21-jarige. 2.De noodzaak van het zelfstandig wonen en het niet te gelde maken van het onderhoudsrecht, zoals bedoeld in artikel 12 van de wet, wordt aangenomen indien er sprake is van een ernstig verstoord relatie tussen de belanghebbende en zijn ouders. 3.Uitbetaling vindt periodiek maandelijks plaats als aanvulling op het eventuele inkomen tot de toepasselijke norm voor 21 jarigen. HOOFDSTUK4KOSTEN DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN, VERHUIZING EN WONINGINRICHTING Artikel19Duurzame gebruiksgoederen 1.De belanghebbende wordt voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen altijd eerst verwezen naar tweedehandswinkels of weggeef-initiatieven. Slechts in uitzonderlijke situaties, als de belanghebbende niet zelf de kosten kan betalen en geen beroep kan doen op het eigen netwerk, de sociale omgeving en/of voorliggende voorzieningen, kan bijzondere bijstand worden verleend, met aftrek van de reserveringscapaciteit van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. 2.Als de noodzaak voor verstrekking voor duurzame gebruiksgoederen is aangetoond, kunnen de goederen op de inventarislijst van het NIBUD in aanmerking komen. 3.Voor de volledige inventaris wordt een lager bedrag toegekend dan op de inventarislijst van het NIBUD, namelijk: voor een alleenstaande maximaal 60% van het bedrag; voor een alleenstaande na echtscheiding maximaal 40% van het bedrag, als aangenomen kan worden dat belanghebbende aanspraak kan maken op de helft van de inboedel van de gezamenlijke huishouding; voor een echtpaar maximaal 70% van het bedrag; voor huishoudens met inwonende kinderen wordt per minderjarig kind uitgegaan voor € 500,--. 4.Als het noodzakelijk verstrekken van een volledige inventaris voortvloeit uit een verhuizing naar een eigen kamer waarbij sprake is van kamerbewoning door verschillende personen die geen gezamenlijke huishouding voeren, wordt volstaan met de inrichtingskosten voor de eigen kamer en een evenredig deel van de inrichtingskosten voor de gemeenschappelijke ruimten. 5.Als de noodzaak voor het verstrekken van een volledige inrichting voortvloeit uit een verhuizing vanuit crisisopvang uit de maatschappelijke opvang, kan volstaat worden met een algemene indicatie van de verwachte uitgaven en verantwoording achteraf als dat wenselijk wordt geacht. 6.Bijstandverlening op grond van dit artikel vindt plaats in de vorm van een lening. 7.Als de noodzakelijkheid van duurzame gebruiksgoederen medisch geïndiceerd is, wordt bijzondere bijstand om niet verstrekt. 8.Bij het terugbetalen van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening zoals bedoeld in het zesde lid van dit artikel, wordt ongeacht de hoogte van het termijnbedrag een terugbetalingsperiode van 36 maanden gehanteerd. De aflossingscapaciteit bedraagt 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag 9.Duurzame gebruiksgoederen worden geacht een gebruiksduur te hebben van tenminste 10 jaar voor nieuwe gebruiksgoederen. Binnen deze termijn wordt daarom, behoudens bijzondere individuele omstandigheden niet voor een tweede maal bijstand verleend voor dezelfde kosten. Bij de aanschaf van tweedehands gebruiksgoederen wordt maatwerk toegepast. 10.Voor duurzame gebruiksgoederen die niet op de NIBUD-lijst vermeld staan, kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend, op basis van door de belanghebbende verstrekte pro-forma nota. 11.Als de belanghebbende op het moment van verstrekking aflost op een eerder verstrekte bijstandlening wordt de toegekende bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen om niet verstrekt, zonder terugbetaalverplichting. Artikel20Noodzakelijke verhuis- en inrichtingskosten 1.Kosten in verband met de inrichting van de woning behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Deze kosten dienen uit de norm bekostigd te worden. 2.Bij een voorzienbare verhuizing wordt men geacht 5% van de norm te reserveren, vanaf de startdatum van de algemene bijstand. Het te reserveren bedrag wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. 3.Bij een noodzakelijke verhuizing kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor verhuis- en herinrichtingskosten. 4.Als verhuis- en herinrichtingskosten worden aangemerkt: eerste maand huur, administratiekosten, transportkosten en de herinrichtingskosten. 5.Indien een belanghebbende naar een andere gemeente verhuist, worden alleen transportkosten vergoed bij een noodzakelijke verhuizing. 6.De bijzondere bijstand voor verhuis-en inrichtingskosten wordt in de vorm van leenbijstand versterkt. De leenbijstand wordt in 36 maanden afgelost. 7.Statushouders, die voor het eerst de beschikking krijgen over een woonruimte, worden niet in staat geacht te zijn geweest om te reserveren. Voor inrichtingskosten wordt leenbijstand verstrekt. 8.Het college kan de bijzondere bijstand “om niet” verstrekken als belanghebbende is toegelaten tot het wettelijk schuldhulpverleningstraject. HOOFDSTUK5REISKOSTEN Artikel21Reiskostenvergoeding ter ondersteuning van de re-integratievoorziening 1.Een bijdrage in de reiskosten wordt verstrekt aan personen: als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet, die gebruik maken van een re-integratievoorziening. die een verplicht taaltraject of taalcursus volgen op grond van de Participatiewet, tenzij er een voorliggende voorziening is. die noodzakelijke reiskosten maken om de werkplek of re-integratievoorziening te bereiken. 2.De bijdrage is gelijk aan het aantal kilometers tussen het woonadres en het adres waar gebruik wordt gemaakt van de re-integratievoorziening. Het aantal kilometers wordt verminderd met vijf kilometer, waarna het totaal wordt vermenigvuldigd met de reiskostenvergoeding die de belastingdienst hanteert. 3.Bij de berekening wordt gebruik gemaakt van de kortste route volgens de routeplanner van de ANWB. 4.In afwijking van het derde lid is de bijdrage aan een belanghebbende die om medische redenen gebruik moet maken van vervoer door derden, gelijk aan de werkelijk aantoonbare kosten. Artikel22Reiskosten voor woon- en schoolverkeer 1.De reiskosten voor een minderjarige scholier naar de meest geschikt onderwijslocatie kan voor een vergoeding bijzondere bijstand in aanmerking komen als: de minderjarige scholier geen recht op studiefinanciering heeft, en de enkele reisafstand meer bedraagt dan 15 kilometer gerekend vanaf het postcodegebied van de scholier naar bestemmingsplaats, en er aantoonbaar geen geschikte school dichterbij de woonplaats aanwezig is. 2.Er dient een bewijs te worden overlegd van de te maken kosten, het soort onderwijs dat de minderjarige scholier volgen en waar het onderwijs wordt gevolgd. 3.De vergoeding reiskosten bedraagt maximaal tien OV-maandabonnementen (2e klasse) binnen het betreffende schooljaar, tenzij het OV-jaarabonnement goedkoper is. De kosten van de begeleider kunnen ook worden vergoed. HOOFDSTUK6JURIDISCHE KOSTEN Artikel23kosten eigen bijdrage rechtsbijstand 1.De kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als er een toevoeging is afgegeven door de Raad voor de rechtsbijstand. 2.Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt indien: de Raad voor de rechtsbijstand de procedure niet noodzakelijk acht; geen toevoeging is aangevraagd bij de Raad voor de rechtsbijstand, terwijl de belanghebbende hier wel gebruik van het kunnen maken; het kosten betreffen die betrekking hebben op een procedure ten behoeve van een niet-rechthebbende echtgenoot 3.Het recht op de korting op de eigen bijdrage wanneer gebruik wordt gemaakt van het Juridisch Loket is een voorliggende voorziening. Dit gedeelte van de kosten komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. .Artikel24 kosten beschermingsbewind, mentorschap en curatele 1.Er kan bijzondere bijstand voor beschermingsbewind, mentorschap of curatele worden versterkt. 2.Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten zoals opgenomen de uitspraak/machtiging van de rechtbank. 3.kosten voor bewindvoering, mentorschap of curatorschap kunnen tot maximaal zes weken na de datum van de beschikking van de rechtbank voor bijzondere bijstand worden ingediend. Een verlengingsaanvraag kan met terugwerkende kracht worden toegekend aansluitend op de vorige toekenningsperiode, mits deze binnen zes weken na het aflopen van de vorige toekenningsperiode is ingediend. 4.De kosten van beschermingsbewind, worden geheel vergoed, mits beschermingsbewind in combinatie met een gemeentelijk schuldbemiddelingstraject wordt ingezet. 5.Indien naast het beschermingsbewind geen schuldbemiddelingstraject wordt ingezet, bijvoorbeeld omdat deze is afgerond, is het draagkrachtbeleid als bedoeld in artikel, is van toepassing. Artikel25kosten opstarten schulddienstverlening Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor bijzonder noodzakelijke kosten die noodzakelijk zijn om een schulddienstverleningstraject te starten. HOOFDSTUK7KOSTEN UITVAART Artikel26kosten uitvaart 1.De kosten van een uitvaart worden geacht te worden bekostigd door de erfgenamen. Indien de erfgenamen niet over voldoende middelen van bestaan beschikken om de kosten van de uitvaart te betalen, kan aan hen, ieder voor een evenredig deel bijzondere bijstand worden verstrekt. 2.Voor de totale kosten van een uitvaart wordt maximaal de kosten voor een commerciële budgetuitvaart vergoed ad. € 2.500,- HOOFDSTUK8MEERKOSTEN BOVEN ALGEMEEN GEBRUIK Artikel27Meerkosten voor algemeen gebruik 1.Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de volgende meerkosten: Bewassing, slijtage van kleding. Indien extra kledingslijtage voortkomt uit ziekte of handicap, wordt in de meerkosten van kleding bijzondere bijstand verleend. Een algemeen toegankelijke maaltijdvoorziening voor gepensioneerden. Een eenmalige aanschaf van een kledinggarderobe vanwege een acute noodsituatie, bijvoorbeeld door ziekte, ongeval of een redelijkerwijs niet-verzekerbare calamiteit, wordt bijzondere bijstand verleend. In dit geval wordt slechts kleding verstrekt voor zover het in dat seizoen passend is. eenmalige aanschaf van een passende kledinggarderobe, vanwege flinke schommeling in gewicht van ten minste 2 maten in zeer korte tijd na ziekte, revalidatie of het volgen van een op medisch advies gevolgd dieet. De kosten voor speciale bh’s en/of badkleding, vanwege een mamma- (borst)prothese. Waarbij de vergoeding voor een bh 3 keer per jaar kan worden toegekend en de vergoeding voor badkleding 1 keer per 2 jaar kan worden toegekend. 2.Voor de bepaling van de meerkosten wordt uitgegaan van extra kosten ten opzichte van de normbedragen en normaantallen zoals deze zijn vastgesteld door het NIBUD Artikel28Meerkosten dieet 1.Voor zover belanghebbende of een gezinslid een medisch noodzakelijk dieet moet volgen, worden de meerkosten van dit dieet ten opzichte van reguliere voeding, bijzondere bijstand verleend. 2.De hoogte van de meerkosten van een dieet wordt vastgesteld aan de hand van de dieetkostentabel van het NIBUD. Artikel29Meerkosten verwarming Bijzondere bijstand voor verwarming kan worden versterkt als de verwarming vanwege een chronische medische aandoening, waarbij voor de berekening van het algemeen gebruikelijke deel het gemiddelde gebruik van een vergelijkbaar huishouden in een vergelijkbaar woningtype als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. HOOFDSTUK9KINDEROPVANG, SMI EN PEUTERREGELING Artikel30Kinderopvang Voor de kosten eigen bijdrage kinderopvang, kinderopvang Sociaal Medische Indicatie (SMI) en de peuterregeling in natura wordt verwezen naar de separate beleidsregels kinderopvang Voorne aan Zee
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.