ad of diens plaatsvervanger; fractievoorzitter: het raadslid dat voorzitter is van een fractie; college: college van burgemeester en wethouders; commissie: een commissie als bedoeld in artikel 82, 83 of 84 van de wet; initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of ander voorstel als bedoeld in artikel 147a van de wet; amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een voor de vergadering van de raad geagendeerde ontwerpverordening of ontwerpbeslissing als bedoeld in artikel 147b van de wet; subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement; motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; raadsinformatiesysteem: de vergaderapplicatie waarmee de raad werkt. Openbare informatie in deze vergaderapplicatie wordt automatisch gepubliceerd op de raadsinformatiesite. Hoofdstuk2.De raad Paragraaf2.1Algemeen Artikel2.De voorzitter 1.De voorzitter is belast met: het leiden van de vergadering; het handhaven van de orde; het doen naleven van dit reglement; hetgeen de wet hem verder opdraagt. 2.De voorzitter verleent en ontneemt zo nodig het woord. Artikel3.Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden 1.Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad op voorstel van de raadsvoorzitter een commissie ‘Geloofsbrieven raadsleden’ in bestaande uit drie raadsleden. 2.Deze commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. 3.Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen. 4.Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5.In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. Artikel4.Benoeming wethouders 1.Voor aanvang van iedere ambtstermijn geeft de burgemeester opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester volgt hierbij de door de raad vastgestelde verordening. 2.Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie ‘Geloofsbrieven wethouders’ in bestaande uit drie raadsleden. 3.De commissie onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet; 4.De commissie brengt advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Indien de commissie niet unaniem is in zijn oordeel, wordt hiervan melding gemaakt in het advies. Artikel5.Fracties 1.Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd. 2.Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren. 3.De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden door de fractievoorzitter zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. 4.Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. 5.Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging. Artikel6.De griffier 1.De griffier is aanwezig in de raadsvergaderingen en alle op grond van dit reglement georganiseerde bijeenkomsten. 2.De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan de beraadslagingen deelnemen. 3.De griffier adviseert en ondersteunt de voorzitter en de commissievoorzitters bij de naleving van de wet en dit reglement. Paragraaf2.2Voorbereiding raadsvergaderingen Artikel7.Oproep en agenda 1.De voorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken. De voorzitter stelt de voorlopige agenda op. 2.In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden. 3.De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. Artikel8.Publiceren van stukken 1.De agenda en de daarbij behorende stukken worden gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem en kunnen worden geraadpleegd via een computer in het gemeentehuis. Als na het verzenden van de oproep stukken beschikbaar worden gesteld, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad. 2.Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste lid onder berusting van de griffier. Artikel9.Openbare kennisgeving 1.Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging via het raadsinformatiesysteem en indien mogelijk in de lokale pers. 2.De openbare kennisgeving vermeldt: de datum, aanvangstijdstip en plaats van de vergadering; de wijze waarop eenieder de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien. Paragraaf2.3Ter vergadering Artikel10.Presentielijst 1.De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen. 2.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen de voorzitter, de raadsleden, de collegeleden en de griffier de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld. Artikel11.Hamerstukken 1.Bij de aanvang van de raadsvergadering inventariseert de voorzitter welke geagendeerde voorstellen zonder beraadslaging kunnen worden aangenomen. 2.Voordat de voorzitter concludeert welke voorstellen zonder stemming zijn aangenomen, kunnen aanwezige raadsleden een korte en zakelijke verklaring laten opnemen in het verslag of aangeven zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te onthouden. 3.De voorzitter concludeert welke voorgestelde ontwerpbesluiten als hamerstuk worden aangemerkt en stelt vast dat de voorstellen zonder stemming zijn aangenomen. Artikel12.Aantal spreektermijnen 1.Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2.Voor de eerste termijn geldt een richttijd van vijf minuten per fractie. Het presidium stelt voor de begrotingsvergadering aangepaste spreektijden vast. 3.Raadsleden en collegeleden voeren het woord vanaf het spreekgestoelte, interrupties worden vanaf de vergaderplaats gedaan. 4.Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel. 5.Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 6.Het vierde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend ten aanzien van de beraadslaging daarover. 7.Indien een raadslid naar aanleiding van reacties van andere raadsleden en/of het college aan het einde van de tweede termijn nog een kort verklaring wil meegeven, dan kan daar door de voorzitter in afwijking van het vorige lid nog kort de mogelijkheid toe geboden worden. 8.De voorzitter laat alleen in de tweede termijn interrupties toe. Een interruptie bestaat uit een korte opmerking of vraag zonder inleiding. 9.Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde en de interrupties. Artikel13.Deelname aan de beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. Artikel14.Voorstellen van orde 1.De voorzitter en raadsleden kunnen tijdens de raadsvergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht. 2.Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van die raadsvergadering betreffen. 3.Over een voorstel van orde beslist de raad terstond. Paragraaf2.4Stemmingen Artikel15.Sluiten beraadslaging 1.De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht en besproken, tenzij de raad anders beslist. 2.Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. 3.Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag kort en bondig toelichten. Artikel16.Hoofdelijke stemming 1.De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2.Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden. 3.Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad. 4.Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid en verloopt verder op alfabetische volgorde van de achternamen van de raadsleden. 5.Bij hoofdelijke stemming brengen ter raadsvergadering aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging. 6.Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming. 7.De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit. Artikel17.Volgorde stemming over amendementen en moties 1.Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. 2.Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3.Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. 4.Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken. Artikel18.Stemming over personen 1.De voorzitter kan de raadsleden vragen of zij stemming verlangen. Is dat niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2.Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door de griffier verstrekt stembriefje in te leveren. 3.Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat meerdere stemmingen worden samengevat op één briefje. 4.De voorzitter en de griffier onderzoeken of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn, worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden. 5.Voor het bepalen van de meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de wet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan: een blanco stembriefje; een ondertekend stembriefje; een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft; een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen; een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt; 6.In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van de voorzitter. 7.Onder verantwoordelijkheid van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd. Paragraaf2.5Verslaglegging en ingekomen stukken Artikel19.Besluitenlijst 1.De griffier draagt zorg voor het opstellen van besluitenlijsten van raadsvergaderingen. 2.De besluitenlijst bevat in ieder geval: de namen van de voorzitter, de raadsleden, de griffier en de wethouders allen voor zover aanwezig, alsmede de namen en functies van de overige personen die aan de beraadslaging hebben deelgenomen; een aantekening van welke raadsleden afwezig waren; de zakelijke inhoud van de genomen besluiten; de vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist; de tekst van de ingediende moties, amendementen en subamendementen. 3.De besluitenlijst wordt zo mogelijk in de eerstvolgende en anders in een volgende raadsvergadering aan de raad ter vaststelling aangeboden, gelijktijdig met de overige voorstellen voor die raadsvergadering. 4.Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de voorzitter en griffier. 5.De vastgestelde besluitenlijst en de individuele stemuitslagen worden zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt via het raadsinformatiesysteem. Artikel20.Video- en/of audioverslagen 1.Van de openbare vergadering wordt een video- en/of audioverslag gemaakt. 2.Het video- en/of audioverslag wordt zo spoedig mogelijk, maar binnen vijf werkdagen, gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem. 3.Het video- en/of audioverslag kan tevens worden beluisterd en/of teruggekeken via een computer in het gemeentehuis. 4.Het college draagt er zorg voor dat de video- en/of audioverslagen conform de wettelijke eisen worden bewaard. Artikel21.Ingekomen stukken 1.De aan de raad gerichte stukken worden op een lijst geplaatst: de ‘lijst ingekomen stukken raad’. 2.De lijst ingekomen stukken raad, inclusief de bijbehorende documenten, worden geplaatst op het voor raadsleden en plaatsvervangend commissieleden toegankelijke deel van het raadsinformatiesysteem. De lijst wordt telkens bij binnenkomst van een ingekomen stuk bijgewerkt door de griffie. Raadsleden en plaatsvervangend commissieleden ontvangen hiervan een notificatie. 3.De voorzitter doet een voorstel aan de raad voor de wijze van afdoening van ingekomen stukken. De stukken worden onderverdeeld in de categorieën ‘voor kennisgeving aannemen’, ‘in handen stellen van het college ter afdoening’, ‘ter agendering in de commissie’ en ‘het college bereidt een voorstel voor ter bespreking in de commissie’. 4.De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. 5.Stukken die uiterlijk 48 uur voorafgaand aan een vergadering binnenkomen en betrekking hebben op een in die vergadering aan de orde komend onderwerp, worden niet alleen op de lijst van ingekomen stukken geplaatst maar ook in het raadsinformatiesysteem toegevoegd aan de vergaderstukken. Artikel22.Afdoening moties en toezeggingen 1.Het college zendt de raad bij de aanvang van elk kwartaal een rapportage waarin verantwoording wordt afgelegd over de afdoening van moties en toezeggingen. Het college stelt daarbij voor welke moties of toezeggingen als afgedaan kunnen worden beschouwd. 2.De griffier verwerkt de inhoud van de rapportage in het raadsinformatiesysteem. 3.Raadsleden kunnen binnen twee weken na publicatie eventuele opmerkingen en/of inhoudelijke vragen bij de griffier indienen. Het raadslid vermeldt daarbij het nummer van de motie of toezegging. De griffier deelt deze opmerkingen en/of vragen met het college. Binnen vier weken na publicatie van de rapportage geeft het college een reactie op de ingekomen opmerkingen en inhoudelijke vragen. 4.De griffier verwerkt de ingekomen opmerkingen en inhoudelijke vragen en de daarop ontvangen reactie van het college in het raadsinformatiesysteem en maakt dat bekend middels een notificatie. 5.Raadsleden kunnen naar aanleiding van de reactie van het college gemotiveerd verzoeken de verantwoording bij een specifieke motie en/of toezegging ter vergadering te agenderen. Bij moties plaatst de raadsvoorzitter het onderwerp op de voorlopige agenda van de eerstvolgende raadsvergadering. Bij toezeggingen plaatst de desbetreffende voorzitter het onderwerp op de agenda van het gremium waar de toezegging aanvankelijk is gedaan. 6.De raad of de betreffende commissie beslist dan over de afdoening van die moties en toezeggingen. In die gevallen waarbij het college voorstelt een motie of toezegging als afgedaan te beschouwen maar de vergadering anders beslist, geeft de vergadering aan welke acties nog worden verwacht alvorens de betreffende motie of toezegging als afgedaan kan worden beschouwd. 7.Wanneer twee weken na publicatie van de rapportage over een motie of toezegging geen opmerking bij de griffier is ontvangen dan wel dat er geen verzoek als bedoeld in lid 5 is ingediend, is de rapportage ten aanzien van dat punt, inclusief het voorstel voor afdoening, conform vastgesteld. Paragraaf2.6Besloten raadsvergaderingen Artikel23.Besloten raadsvergaderingen Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Artikel24.Besluitenlijst besloten vergadering 1.Besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden niet verspreid, maar berusten bij de griffier. 2.Deze besluitenlijsten worden in de eerstvolgende besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op de vastgestelde besluitenlijst. 3.De vastgestelde besluitenlijsten worden door de voorzitter en de griffier ondertekend. Artikel25.Opheffing geheimhouding Als de raad op grond van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. Paragraaf2.7Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel26.Raadsvoorstel voorbereid door het college 1.Een raadsvoorstel voorbereid door het college dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad. 2.Als de raad van oordeel is dat het nodig is een raadsvoorstel voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. Artikel27.Initiatiefvoorstel 1.Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en het college. 2.Het college kan binnen 21 dagen nadat het in kennis is gesteld van een initiatiefvoorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen. 3.Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst. 4.In afwijking van het bepaalde in het derde lid, kan de indiener van het voorstel de commissievoorzitter verzoeken het initiatiefvoorstel eerst in een raadscommissie te agenderen. Voor behandeling van het initiatiefvoorstel in de raadscommissie wordt het college uitgenodigd en in de gelegenheid gesteld om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. 5.Een initiatiefvoorstel dient te worden gemotiveerd en voorzien van een ontwerpbesluit. 6.Bij een initiatiefvoorstel dat geen uitvoering door het college vraagt, zoals benoemingen, wordt het college niet om wensen en bedenkingen gevraagd. 7.Indien de raad oordeelt dat een initiatiefvoorstel een spoedeisend karakter heeft of waarvan de actualiteit om spoedige agendering vraagt, dan kan een initiatiefvoorstel nog aan de agenda worden toegevoegd. Het college is tijdens de beraadslagingen in de gelegenheid om wensen of bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Artikel28.Amendementen en subamendementen 1.Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2.Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. 3.Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. Artikel29.Moties 1.Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. 2.De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft. 3.Moties over een niet op de agenda opgenomen onderwerp worden uiterlijk 36 uur voorafgaand aan de raadsvergadering bij de voorzitter ingediend. 4.De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld. 5.Er wordt alleen beraadslaagd over moeties die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. 6.Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond. 7.Indien een motie niet is geadresseerd aan het college vermeldt de indiener van de motie in het dictum aan wie de motie is gericht. Artikel30.Inlichtingen 1.Raadsleden dienen verzoeken om inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de wet schriftelijk in bij de griffier. 2.De griffier brengt de inhoud van het verzoek ter kennis van het college of de burgemeester. 3.De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft door plaatsing in het raadsinformatiesysteem, in ieder geval binnen tien dagen nadat het verzoek is ingediend. 4.Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de vragensteller gemotiveerd hiervan in kennis, waarbij tevens de termijn wordt aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. 5.Ten aanzien van inlichtingen die worden verzocht ten behoeve van een commissie- of raadsvergadering, kan het presidium andere termijnen vaststellen. Artikel31.Vragenhalfuur 1.Voor aanvang van een raadsvergadering is er een vragenhalfuur over politiek actuele onderwerpen, tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. De voorzitter bepaalt, eventueel in overleg met het presidium, of er sprake is van een politiek actueel onderwerp. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt. 2.Raadsleden die tijdens het vragenhalfuur vragen willen stellen, melden dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 36 uur voor aanvang van de raadsvergadering bij de voorzitter. 3.De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld alsmede de spreektijd voor de vragensteller, de overige raadsleden, het college en de burgemeester. 4.Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. Na de beantwoording daarvan krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen. 5.De voorzitter kan aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 6.Tijdens het vragenuur worden geen moties ingediend en geen interrupties toegelaten. Artikel32.Schriftelijke vragen 1.Raadsleden dienen schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 155 van de wet aan het college of de burgemeester in bij het desbetreffend orgaan waaraan de vragen zijn gericht. Schriftelijke vragen op grond van dit artikel worden schriftelijk beantwoord. 2.Het college of de burgemeester brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en het college door plaatsing van de vragen in het raadsinformatiesysteem. 3.Schriftelijke beantwoording gebeurt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen één maand nadat de vragen zijn ingediend. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de raad gemotiveerd hiervan in kennis, waarbij tevens de termijn wordt aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. 4.De beantwoording wordt door het college of de burgemeester openbaar gemaakt door plaatsing in het raadsinformatiesysteem. Artikel33.Interpellatie 1.Raadsleden dienen een verzoek tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval het onderwerp van de interpellatie. 2.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en het college. 3.Over verzoeken die ten minste 36 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of die naar het oordeel van de voorzitter spoedeisend zijn, wordt tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering. 4.De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad anders besluit. Hoofdstuk3.Commissies Paragraaf3.1Presidium Artikel34.Instelling presidium 1.Het presidium is een commissie zoals bedoeld in artikel 84 van de wet en bestaat uit de fractievoorzitters. 2.Bij verhindering kan een fractievoorzitter zich laten vervangen door een ander raadslid uit zijn fractie. 3.Het voorzitterschap is in handen van de burgemeester. Bij verhindering van de burgemeester wordt het voorzitterschap waargenomen door de plaatsvervangend voorzitter van de raad. Artikel35.Taken en bevoegdheden presidium 1.Het presidium heeft tot taak het bespreken en besluiten over: procedure, proces en organisatie gerelateerde zaken met betrekking tot de raad. Deze zaken betreffen niet de politieke inhoud van een onderwerp; de vergaderkalender, de raadsplanner en de voorraadagenda van de raad en de commissies; de taakverdeling tussen de commissies BSM en RED; de jaarlijkse verantwoording en verrekening van de fractiebudgetten; het functioneren van de raad en de commissies; rechtspositionele zaken van raads- en (plaatsvervangend) commissieleden. de toewijzing van zitplaatsen bij raads- en commissievergaderingen. 2.Het presidium kan de raad voorstellen doen. Artikel 27 (Initiatiefvoorstel) van dit regelement is hierbij overeenkomstig van toepassing. 3.De burgemeester overlegt met het presidium over zaken omtrent de openbare orde en veiligheid die naar het oordeel van de voorzitter niet in de openbaarheid besproken kunnen worden. Artikel36.Vergaderingen presidium 1.Voor de aanvang van het kalenderjaar stelt het presidium de vergadermomenten voor zijn overleg vast. Voorts vergadert het presidium indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste drie leden van het presidium schriftelijk, met opgave van reden, daarom verzoeken. Het presidium komt dan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen bijeen. 2.De voorzitter stelt de agenda op en zendt deze met de bijbehorende stukken uiterlijk drie dagen voor het overleg aan de leden toe. 3.De voorzitter kan besluiten derden aan de vergadering te laten deelnemen. 4.Het presidium vergadert in beslotenheid. De voorzitter of het presidium kunnen op grond van de wet geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij het presidium berust. 5.Door de griffier wordt een besluitenlijst opgesteld en er kan een geluids- en/of video-opname worden gemaakt. De besluitenlijst wordt in het eerstvolgende vergadering van het presidium vastgesteld. De vastgestelde besluitenlijst wordt aan alle raadsleden beschikbaar gesteld. 6.De geluids- en/of video-opname kan door de fractievoorzitters en de bij die vergadering aanwezige personen bij griffier worden teruggeluisterd of bekeken. Paragraaf3.2Commissies om de besluitvorming van de raad voor te bereiden Artikel37.Instelling commissies BSM en RED 1.Om de besluitvorming van de raad voor te bereiden en met het college of de burgemeester te overleggen, zijn er de volgende commissies: de commissie Bestuur, Sociaal en Maatschappelijk (commissie BSM); de commissie Ruimte, Economie en Duurzaamheid (commissie RED). 2.Deze commissies BSM en RED bestaan uit 9 raadsleden. 3.De raad bepaalt hoeveel leden van elke fractie zitting hebben in de commissie. De raad houdt daarbij rekening met een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad aanwezige fracties en de verhouding tussen oppositie en coalitie. Indien de samenstelling van de raad of de samenstelling van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen of de verhouding tussen oppositie en coalitie wijzigt, heroverweegt de raad de samenstelling van de commissies. 4.De raad benoemt op voordracht van het presidium de leden van de commissie. 5.De raad benoemt op voordracht van de fractievoorzitter maximaal 1 plaatsvervangend commissielid per raadslid plus 1 plaatsvervangend commissielid per fractie. 6.De artikelen 10 tot en met 15 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangend commissieleden. 7.Plaatsvervangend commissieleden zijn politieke ambtsdragers in de zin van het Rechtspositiebesluit politieke decentrale ambtsdragers en de verordening rechtspositie raads- en commissieleden Gulpen-Wittem. De gedragscode voor raadsleden is voor zover relevant van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangend commissieleden. 8.Plaatsvervangend commissieleden krijgen toegang tot alle beschikbare informatie over geagendeerde onderwerpen in vergaderingen die voor hen toegankelijk zijn. Indien in een commissievergadering geheimhouding wordt opgelegd, geldt de geheimhouding ook voor plaatsvervangend commissieleden. 9.De zittingstermijn van een plaatsvervangend commissielid, eindigt door ontslagname, aan het einde van de raadsperiode of door intrekking van de benoeming door de raad. 10.Een commissielid kan zich laten vervangen door een raadslid of plaatsvervangend commissielid van zijn fractie. Indien een commissielid niet de vergadering bij zal wonen, deelt hij tenminste 24 uur voor de vergadering de commissiegriffier mee wie hem zal vervangen. 11.Indien voor de vergadering van de commissie BSM een stuk uit de planning- en controlcyclus is geagendeerd, kan een commissielid zich in afwijking van lid 10 zich voor dat ene agendapunt door een ander raadslid of een plaatsvervangend commissielid laten vervangen. Artikel38.De commissievoorzitter 1.De raad benoemt of ontslaat de commissievoorzitter en zijn plaatsvervanger. 2.De commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger is een raadslid, plaatsvervangend commissielid of een externe persoon die niet werkzaam is voor de gemeente. 3.De commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger is geen lid van de commissie en heeft geen stemrecht. Artikel39.De commissiegriffier 1.De griffier of een door hem aangewezen medewerker is commissiegriffier. 2.De commissiegriffier is ter ondersteuning en advisering aanwezig in commissievergaderingen. 3.De commissiegriffier kan op uitnodiging van de commissievoorzitter aan beraadslagingen deelnemen. Artikel40.Taken en bevoegdheden commissies BSM en RED 1.De commissies BSM en RED: bereiden de besluitvorming van de raad voor en kunnen de raad inhoudelijk adviseren over de onderwerpen waarop hun werkzaamheden betrekking hebben; adviseren de raadsvoorzitter of een geagendeerd onderwerp rijp is voor behandeling in de raadsvergadering; voeren overleg met het college of de burgemeester over de aan hen verstrekte informatie en voorstellen. kunnen uit hun midden een werkgroep samenstellen die een deel van de werkzaamheden verricht. 2.De commissie formuleert na sluiting van de beraadslaging over raadsvoorstellen, op voorstel van de commissievoorzitter een advies, welke kan inhouden dat zij de raadsvoorzitter adviseert een raadsvoorstel: op de voorlopige agenda van de eerstvolgende raadsvergadering te plaatsen; aan te houden. Indien de commissie van mening is dat een raadsvoorstel moet worden aangehouden, dan geeft zij daarbij aan welke informatie alsnog verstrekt moet worden om tot besluitvorming door de raad over te kunnen gaan. 3.Naast adviezen inzake de agendering, kan de commissie ook een inhoudelijk advies over geagendeerde onderwerpen uitbrengen aan de raad. 4.De commissies zijn niet gerechtigd tot het nemen van bindende extern werkende besluiten. Artikel41.Oproep en agenda commissies BSM en RED 1.De commissievoorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een vergadering de raadsleden en plaatsvervangend commissieleden een oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken. De commissievoorzitter stelt de voorlopige agenda op. 2.In spoedeisende gevallen kan de commissievoorzitter na het verzenden van een oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 48 uur voor de aanvang van de vergadering, zendt de commissievoorzitter de aanvullende agenda met de daarbij behorende stukken aan de raadsleden en plaatsvervangend commissieleden. 3.De agenda wordt bij aanvang van een vergadering door de commissie vastgesteld. 4.Stukken worden gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem en kunnen worden geraadpleegd via een computer in het gemeentehuis. Als na het verzenden van de oproep stukken beschikbaar worden gesteld, wordt hiervan mededeling gedaan aan de raadsleden en plaatsvervangend commissieleden en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 5.Informatie van de commissie of aan de commissie verstrekte informatie waaromtrent op grond van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het vorige lid onder berusting van de griffier. 6.Artikel 8 (publiceren van stukken) en 9 (Openbare kennisgeving) zijn overeenkomstig van toepassing op vergaderingen van de commissies BSM en RED. Artikel42.Agendapunten commissies BSM en RED 1.In de commissies kunnen op verzoek van het college, het presidium, de werkgeverscommissie of een raadslid besluitvormende, sonderende, informerende en overige agendapunten worden geagendeerd. 2.Informerende agendapunten hebben de bedoeling de commissie te informeren. Bij informerende agendapunten vindt er geen discussie en besluitvorming plaats. 3.Diegene die om een sonderend agendapunt heeft verzocht, overlegt een discussienota aan de commissie. Sonderende agendapunten hebben de bedoeling een oriënterende visie van de commissie te vernemen. Discussienota’s worden besproken en bediscussieerd zonder besluitvorming. 4.Diegene die om een besluitvormend agendapunt heeft verzocht, overlegt aan de commissie ten minste een raadsvoorstel, of ingeval het een raadslid betreft een initiatiefvoorstel, met een ontwerp-raadsbesluit. Besluitvormende agendapunten hebben de bedoeling de besluitvorming door de gemeenteraad voor te bereiden. 5.De commissievoorzitter kan besluiten dat de behandeling van een agendapunt vooraf wordt gegaan van een presentatie van hoogstens 15 minuten. Artikel43.Vergaderorde commissies BSM en RED 1.De commissiegriffier draagt zorg voor het bijhouden van de presentielijst van de commissievergadering. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen de voorzitter, de raadsleden of plaatsvervangend commissieleden, de collegeleden en de griffier de presentielijst, die aan het einde van de commissievergadering door de commissievoorzitter en de commissiegriffier door ondertekening wordt vastgesteld. 2.De vergadering van een commissie wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 3.Als op grond van het vorige lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de commissievoorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het verzenden van de oproeping is gelegen. 4.Op een vergadering als bedoeld in het derde lid, is het tweede lid niet van toepassing. De commissie kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het tweede lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, als blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 5.Artikel 12 (Aantal spreektermijnen), met uitzondering van lid 6, artikel 14 (Voorstellen van orde), 23 (Besloten vergadering) en 24 (Besluitenlijst besloten vergadering) zijn overeenkomstig van toepassing op vergaderingen van de commissies BSM en RED. 6.Leden van het college hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen. Zij kunnen zich hierbij laten bijstaan door een ambtenaar of extern deskundige. Leden van het college kunnen door de commissievoorzitter worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. De commissie kan besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. 7.Ten aanzien van stemmingen zijn de artikelen 27 tot en met 32 van de wet van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een commissie. Artikel44.Handhaving orde en schorsing 1.De commissievoorzitter leidt de vergadering, ziet toe op de naleving van dit reglement en draagt zorg voor al hetgeen de wet hem verder opdraagt. Hij verleent en ontneemt zo nodig het woord, formuleert zo nodig het voorstel waarover zal worden gestemd en deelt de uitslag van de stemming mede. 2.De commissievoorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. 3.Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. 4.Hij kan de commissie voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig laat de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. 5.De commissievoorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en, als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering sluiten. 6.Hij roept sprekers tot de orde als deze zich in beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen uitlaten, afwijken van het in behandeling zijnde onderwerp, andere sprekers herhaaldelijk interrumperen, dan wel anderszins de orde verstoren. Sprekers die hieraan geen gevolg geven kunnen door hem het woord ontnomen worden over het aanhangige onderwerp. Artikel45.Inspreekrecht 1.Bij elk raadsvoorstel geeft het college voor verzending van de stukken bij de commissiegriffier aan welke externen direct belanghebbende zijn. 2.De commissiegriffier draagt zorg voor de uitnodiging van direct belanghebbenden bij het agendapunt. Deze direct belanghebbenden worden actief gewezen op de mogelijkheid om in te spreken bij de commissievergadering. 3.Belanghebbenden kunnen in een vergadering het woord voeren alleen over raadsvoorstellen die geagendeerd zijn. 4.Degene die van het inspreekrecht gebruik wil maken, meldt dit binnen 24 uur voor aanvang van de commissievergadering aan de griffie onder vermelding van zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wenst te voeren. 5.De commissievoorzitter geeft bij aanvang van de vergadering het woord op volgorde van aanmelding, tenzij afwijking in het belang is van de orde van de vergadering. 6.De inspreker voert gedurende ten hoogste drie minuten het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. 7.De commissievoorzitter en een lid van de commissie kan aan de commissie een voorstel doen voor de behandeling van de inbreng van de inspreker. Artikel46.Besluitenlijst commissie 1.Van hetgeen in de commissievergadering wordt besloten, wordt door de commissiegriffier een besluitenlijst gemaakt die na afloop van elke commissievergadering door de commissievoorzitter en de commissiegriffier door ondertekening wordt vastgesteld. 2.De besluitenlijst vermeldt: de besproken onderwerpen en hetgeen is besloten; de namen van de commissieleden die voor of tegen stemden bij hoofdelijke stemming, onder aantekening van de namen van de leden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist; minderheidsstandpunten indien daar door een lid expliciet om wordt verzocht. 3.De vastgestelde besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk na de commissievergadering openbaar gemaakt via het raadsinformatiesysteem. 4.De besluitenlijst van besloten vergaderingen wordt niet verspreid, maar ligt uitsluitend voor de bij de betreffende vergadering aanwezige commissieleden, raadsleden en collegeleden ter inzage bij de commissiegriffier. Tijdens de eerstvolgende besloten commissievergadering neemt de commissie een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op de besluitenlijst. 5.Artikel 20 is overeenkomstig van toepassing op vergaderingen van de commissies BSM en RED. Paragraaf3.3De werkgeverscommissie Artikel47.Instellen commissie 1.De werkgeverscommissie is een bestuurscommissie zoals bedoeld in artikel 83 van de wet en bestaat uit de fractievoorzitters. 2.Bij verhindering kan een fractievoorzitter zich niet laten vervangen. 3.Het commissievoorzitterschap is in handen van de plaatsvervangend voorzitter van de raad. Bij verhindering van de commissievoorzitter kiest de vergadering uit zijn midden een vervanger. 4.De voorzitter van de raad kan in voorkomende gevallen worden uitgenodigd om in de vergadering van de werkgeverscommissie aanwezig te zijn en eventueel optreden als informant. Artikel48.Taken en bevoegdheden werkgeverscommissie De werkgeverscommissie is bevoegd: de raad te adviseren inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van de griffier; de raad te adviseren inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van de externe commissievoorzitters van de commissies BSM en RED; het benoemen, schorsen en ontslaan van een plaatsvervangend griffier; het werkgeverschap uit te oefenen ten aanzien van de griffier en de overige op de griffie werkzame ambtenaren. De werkgeverscommissie kan de aan haar opgedragen bevoegdheden ten aanzien van het griffiepersoneel mandateren aan de griffier; het voorbereiden en uitvoeren van de overige tot het werkgeverschap van de raad behorende besluiten en regelingen. Artikel49.Vergaderingen werkgeverscommissie 1.Voor aanvang van het kalenderjaar stelt de werkgeverscommissie de vergadermomenten voor haar overleg vast. Voorts vergadert de werkgeverscommissie indien de commissievoorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste twee leden van de commissie schriftelijk, met opgave van reden, daarom verzoeken. De werkgeverscommissie komt dan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen bijeen. 2.De commissievoorzitter stelt de agenda op en zendt deze met de bijbehorende stukken uiterlijk drie dagen voor het overleg aan de leden toe. 3.De commissievoorzitter draagt voorts zorg voor: het tijdig en ten minste tweemaal per kalenderjaar bijeenroepen van de werkgeverscommissie; het leiden van de vergaderingen; het ondertekenen van de stukken en de besluiten die van deze commissie uitgaan, alsmede het zorgdragen voor de uitvoering van de besluiten van de werkgeverscommissie; het fungeren als schakel tussen de werkgeverscommissie en de griffier als eerstverantwoordelijke voor de personele en organisatorische zaken van de griffie. 4.De werkgeverscommissie vergadert in beslotenheid. De werkgeverscommissie kan op grond van de wet geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij de werkgeverscommissie berust. 5.Door de griffier wordt een besluitenlijst opgesteld die in de eerstvolgende vergadering wordt vastgesteld. De vastgestelde besluitenlijst ligt voor de raadsvoorzitter en de raadsleden ter inzage bij de griffier. Hoofdstuk4.Overige bepalingen Artikel50.Overige bijeenkomsten 1.Raadsleden en het college kunnen bij het presidium een verzoek indienen tot het organiseren van een andere bijeenkomst waar raadsleden en plaatsvervangend commissieleden aanwezig kunnen zijn en waarin dit reglement niet voorziet. Het verzoek voldoet aan de volgende voorwaarden: het bevat een concrete omschrijving van het doel en de opzet van de bijeenkomst; het bevat een voorstel voor dag, tijdstip, verwachte tijdsduur, locatie en (extern) voorzitter; het maakt in voldoende mate aannemelijk dat het onderwerp niet geschikt is om te agenderen in de commissie BSM of RED. 2.Het presidium toetst of aan de voorwaarden, genoemd in het vorige lid, is voldaan en neemt een beslissing over: dag, tijdstip en locatie; de inhoud van het programma en/of de agenda; het uitnodigen van extern deskundigen; wie als voorzitter fungeert. 3.Het presidium kan in bijzondere gevallen bepalen dat de bijeenkomst een besloten karakter kent. Het opleggen van geheimhouding is niet mogelijk. 4.Het presidium kan, als het onderwerp van de bijeenkomst daartoe aanleiding geeft, besluiten dat de bijeenkomst alleen toegankelijk is voor raadsleden. 5.Van de bijeenkomst wordt geen schriftelijk-, audio- of videoverslag gemaakt, tenzij het presidium anders beslist. Artikel51.Uitnodiging bijeenkomst 1.De griffier zendt ten minste 7 dagen voor de bijeenkomst de deelnemers een uitnodiging en eventuele agenda, zulks onder vermelding van dag, tijdstip, verwachte tijdsduur en locatie. 2.Eventuele informatie die betrekking heeft op de bijeenkomst, wordt gepubliceerd via het digitaal raadsinformatiesysteem. 3.De griffier draagt, het presidium gehoord, zorg voor de uitnodiging van eventuele extern deskundigen en andere betrokkenen. 4.Indien het college zich wil laten bijstaan door extern deskundigen of ambtenaren, dan draagt het college zorg voor de uitnodiging van de desbetreffende personen en/of instellingen. Het college stelt de griffier en de voorzitter van de bijeenkomst in kennis van deze uitnodiging(en). Artikel52.Toehoorders en pers 1.Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare vergaderingen of bijeenkomsten uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen. 2.Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden. 3.Degenen die van een openbare vergadering of bijeenkomst geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan vooraf mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de persvrijheid aantasten. Artikel53.Uitleg reglement In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad of de commissie op voorstel van de (commissie)voorzitter. Artikel54.Overgangsbepaling Bij inwerkingtreding van dit reglement worden in alle in functie zijnde burgerfractieleden geacht te zijn benoemd tot plaatsvervangend commissielid als bedoeld in artikel 37 (Instelling commissie BSM en RED), lid 5. De in dat lid genoemde maximum aantallen zijn daarop niet van toepassing. Bij nieuw te benoemen plaatsvervangend commissieleden is artikel 37, lid 5, onverminderd van toepassing. Artikel55.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Het Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2021 wordt met ingang van de inwerkingtreding van dit reglement ingetrokken. 2.Dit reglement treedt in werking op 1 maart 2023 3.Deze verordening wordt aangehaald als: Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2023. Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Gulpen-Wittem in zijn vergadering van 15 februari 2023.de raadsgriffier, mr. R. Reichrath de voorzitter,ing. N.H.C. Ramaekers-RutjensToelichting Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2023 Artikel 1. Begripsbepalingen In artikel 1 worden een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 2. De voorzitter De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 9 van de wet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Artikel 3. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet). Eerste en tweede lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Derde lid Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten. Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Deze circulaire was ook bij de raadsverkiezingen in 2018 en 2022 van toepassing. In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling. Vierde en vijfde lid Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid). Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd. Artikel 4. Benoeming wethouders Artikel 4 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om zich aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. Hiervoor heeft de raad een aparte verordening vastgesteld. Artikel 5. Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid). Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het Presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde: deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam. Artikel 6. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig (eerste lid). In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het tweede lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Het derde lid geeft aan dat de griffier ook de voorzitter van de raad en van de commissies bijstaat. Artikel 7. Oproep en agenda In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester (voorzitter) de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. De voorzitter bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorzitter zeven dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. De oproep vermeldt uiteraard de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid). Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond de wet geheimhouding is opgelegd, blijft deze informatie in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het Presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet. Artikel 8. Publiceren van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem en daarmee gelijkt op de website van de gemeente geplaatst.(eerste lid). Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid. Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Wet open overheid. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de wet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet). Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd. Artikel 9. Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. In dit artikel wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dient er een grondslag in een verordening te zijn. In dit artikel wordt deze grondslag gecreëerd. Artikel 10. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet. De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze (tweede lid). Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 11. Hamerstukken In het vorige reglement was opgenomen dat in de commissievergadering werd besloten welke voorstellen als hamerstuk voor de raadsvergadering werden geagendeerd. In de praktijk bleek dat minder goed te functioneren. Fracties hebben vaak bij de commissievergadering nog geen afgerond oordeel over de voorstellen en raadsleden kunnen bij de vaststelling van de raadsagenda altijd een hamerstuk ter discussie stellen. Daarom voorziet dit reglement er in dat bij aanvang van de raadsvergadering door de voorzitter wordt geïnventariseerd welke geagendeerde voorstellen als hamerstuk kunnen worden afgedaan. Het tweede lid voorziet er in dat raadsleden toch nog een ‘stemverklaring’ kunnen afgegeven dan wel kunnen aangeven dat zij zich van deelneming aan de stemming onthouden. Artikel 12. Aantal spreektermijnen Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid). In het tweede lid is geregeld dat in de eerste termijn er naar moet worden gestreefd niet langer dan vijf minuten per fractie het woord te voeren. Het is aan de voorzitter om fractie hierop zo nodig aan te spreken. Degene die het woord heeft, voert dat vanaf het spreekgestoelte. Interrumperen doet men vanaf de eigen plaats. Hoerdoor is het tijdens het debat steeds duidelijk wie aan het woord is. Het vijfde lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter te honoreren. Het achtste lid bepaalt dat de voorzitter uitsluitend in de tweede termijn interrupties toe zal laten en dus in de eerste termijn geen interrupties toestaat. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de wet). Artikel 13. Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan ook bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.