wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 van de gemeente Ooststellingwerf; b e s l u i t e n : vast te stellen de volgende; B
Artikel 2
.3.5 lid 5 Wmo 2015 De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op: de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt, zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen, onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen, betaalde werkzaamheden, scholing die de cliënt volgt of kan volgen, ondersteuning ingevolge de Participatiewet, de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. ‘Afstemmen’ – definitie en uitleg ''Indien de aanvrager in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dient het college de maatwerkvoorziening conform dit vijfde lid, waar dat aan de orde is, af te stemmen op een aantal zaken.’’ (MvTp.124) Met afstemming wordt bedoeld dat het gehele aanbod aan voorzieningen: het aanbod aan (medische) zorg, maatschappelijke ondersteuning of andere vormen van hulp (op grond van verschillende wetten of (sociale) afspraken), doelmatig wordt ingezet. ‘’ Voor zorgverzekeraars en gemeenten is van belang dat door afstemming meer doelmatige uitvoering, waaronder beperking van de administratieve lasten en uitvoeringskosten kan worden gerealiseerd. Verzekeraars en gemeenten zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheden op dit punt. ‘’ (Mvt p.19). ‘’ De afstemming kan ook inhouden dat het college de aanvrager indien nodig verwijst naar de Zvw, Wet op de jeugdzorg/Jeugdwet, Participatiewet. ‘’ (MvTp.124) Deze afstemming vindt plaats tijdens het onderzoek naar het recht op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Hieronder wordt ingegaan op afstemming en de eigen mogelijkheden, zorgverzekeringswet en Jeugdwet. Een aanvraag voor een Wmo-voorziening afstemmen op reeds verstrekte Wmo-voorzieningen behoort ook tot de mogelijkheden. Afstemmen op de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt (
- a)Hiermee wordt bedoeld: welke mogelijkheden zijn er op grond van eigen kracht, gebruikelijke hulp, een algemeen gebruikelijke voorziening, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk of middels een algemene voorziening, om de hulpvraag (deels) op te lossen. Pas als alle bovenstaande mogelijkheden ontoereikend zijn, kan er recht bestaan op een maatwerkvoorziening (moet het college een voorziening treffen om de beperkingen te compenseren). Bij de totstandkoming van de Wmo is het volgende beschreven over ‘Eigen kracht’ en daarmee samenhangend de rol van het sociale netwerk: ‘’Tot die eigen verantwoordelijkheid van de ingezetene behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving.'.. '. Uitgangspunt is dat iedere ingezetene eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen.’’ (Mvt p.25). Op de kennisbank van Schulinck wordt het volgende geschreven over de rol van de inwoner zelf: ‘ De cliënt moet zich in hoge mate inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Een beroep doen op andere regelgeving valt hier ook onder.’ (Wmo (schulinck.nl)) Afstemmen op de aanwezige mogelijkheden van de inwoner houdt ook in dat de aanwezigheid van andere (wmo) voorzieningen moet worden meegewogen, voor zoverre die voorzieningen een passende bijdrage kunnen leveren. Afstemming met de Zorgverzekeringswet (
- b)Als er recht bestaat op ondersteuning/zorg op grond van de zorgverzekeringswet, dan mag het college de inwoner wijzen op die mogelijkheden. Als aanspraak bestaat op, of reeds sprake is van zorg of behandeling en dit een passende oplossing kan zijn voor de hulpvraag, dan moet deze informatie bij het besluit tot wel of geen recht op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo, worden meegewogen. Afstemming met de Jeugdwet (
- c)Als er recht bestaat op ondersteuning/zorg op grond van de Jeugdwet, of als de inwoner al ondersteuning op grond van de Jeugdwet ontvangt, dan mag het college de inwoner wijzen op die mogelijkheden en/of beoordelen of de voorziening op grond van de jeugdwet (
- al)voldoende passend is. Als aanspraak bestaat op, of reeds sprake is van zorg of behandeling en dit een passende oplossing kan zijn voor de hulpvraag, dan moet deze informatie bij het besluit tot wel of geen recht op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo, worden meegewogen. ‘Compenseren’ –
Artikel 2
.3.5 lid 3 Wmo 2015: Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. ‘Compenseren’ – definitie en uitleg De compensatieplicht van het college zoals bedoeld in de Wmo, is een specifieke uitwerking van de verantwoordelijkheid van het college en heeft een andere (beperktere) strekking dan de algemene zorgplicht bedoeld in artikel 170 van de Gemeentewet. Compenseren betekent: herstellen, in balans brengen. In het kader van de Wmo betekent het dat het college een inwoner een maatwerkvoorziening verstrekt, als de inwoner beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie, én er geen andere mogelijkheden zijn om het probleem (deels) mee op te lossen, of deze niet toereikend zijn. Toereikend wil zeggen: de andere oplossingen zijn niet voldoende om de beperkingen te verminderen of op te heffen. De verplichting voor het college om een inwoner te compenseren middels een maatwerkvoorziening, bestaat dus alleen als de inwoner niet via eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen, zijn hulpvraag niet (voldoende) kan oplossen, en daardoor beperkingen ervaart in zijn participatie en/of zelfredzaamheid (resultaat binnen de Wmo is het wegnemen van beperkingen in de participatie en/of zelfredzaamheid). De verplichting voor het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, wordt ingeperkt door de mate waarin een inwoner al op aanvaardbare wijze kan deelnemen aan de maatschappij. Met andere woorden: in hoeverre is het huidige niveau van participeren (zonder maatwerkvoorziening) voldoende om te concluderen dat, ondanks aanwezige beperkingen, de inwoner voldoende participeert (op aanvaardbare wijze kan deelnemen aan de maatschappij). Wanneer sprake is van een aanvaardbare mate van participatie, blijft maatwerk. Echter is het college niet gehouden om een inwoner middels een maatwerkvoorziening in staat te stellen om op hetzelfde of ‘hoger niveau’ te kunnen participeren, ten opzichte van de situatie van de inwoner voordat hij ondersteuning nodig had. Een maatwerkvoorziening hoeft niet alle beperkingen weg te nemen, maar moet een passende bijdrage leveren aan het verminderen van die beperkingen, om zodoende (weer) te kunnen participeren. Als er recht bestaat op een maatwerkvoorziening, moet duidelijk zijn wat de precieze aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte is, zodat het soort/type maatwerkvoorziening daarop kan worden afgestemd. Het onderzoek naar de aard en omvang van de behoefte aan ondersteuning wordt gedaan in samenspraak met de inwoner (aanvrager), zijn/haar huisgenoten, personen uit het sociaal netwerk waar de inwoner een beroep op doet of kan doen en eventuele mantelzorger(s). Door gebruik te kunnen maken van een maatwerkvoorziening, worden de (ervaren) beperkingen gecompenseerd, waardoor de zelfredzaamheid van de inwoner wordt vergroot (resultaat). In beginsel gaat het primair om het compenseren van de aanvrager. De voorziening moet echter wel passend zijn. Dit kan inhouden dat bij het beoordelen voor welke specifieke voorziening de inwoner in aanmerking komt, (deels) rekening wordt gehouden met mogelijkheden van de personen uit het sociale netwerk. Voorbeeld: Casus: Een inwoner komt in aanmerking voor een hulpmiddel voor het compenseren van een mobiliteitsbeperking. Het lopen van (middel)lange afstanden is niet meer mogelijk zonder hulpmiddel. Voorheen liep of fietste de inwoner vaak met zijn partner. Vooral samen naar het dorp 5 kilometer verderop gaan, wordt erg gemist. Dit is niet meer mogelijk. De inwoner is wel in staat om korte afstanden in en om het huis af te leggen met behulp van een wandelstok. De inwoner is in staat om zelfstandig een afstand van 2 kilometer af te leggen met een rolstoel zonder duwondersteuning. De inwoner komt in aanmerking voor een rolstoel. Situatie 1: Inwoner heeft een partner. Deze partner is fysiek gezond. De partner is in staat om een rolstoel zonder duwondersteuning te duwen voor de (middel)lange afstanden (in ieder geval 5 kilometer). Situatie 2: Inwoner heeft een partner. Echter is deze partner op leeftijd en heeft zelf (objectiveerbare) beperkingen waardoor het duwen van een rolstoel zonder duwondersteuning, niet mogelijk is voor de (middel)lange afstanden. Analyse: Het resultaat wat beoogd wordt met het verstrekken van een rolstoel, is dat de inwoner zich zelfstandig kan verplaatsen (zelfredzaamheid), maar óók dat hij weer met zijn partner naar het dorp kan gaan, waar zij vaak dorpsgenoten ontmoeten (participeren). Bij het indiceren van een maatwerkvoorziening moet rekening worden gehouden met de eigen kracht en eventuele aanwezige voorzieningen (afstemmen).In het bovenstaande voorbeeld heeft de inwoner zelf een wandelstok aangeschaft. Dit is een algemeen gebruikelijke voorziening en compenseert deels de loopbeperking omdat de inwoner zich in en om de woning kan verplaatsen. Echter is de inwoner niet in staat om zelfstandig langere afstanden af te leggen met een rolstoel. In situatie 1 kan worden volstaan met het verstrekken van een rolstoel zonder duwondersteuning. De inwoner is namelijk in staat zich in en om de woning te verplaatsen, kan met een rolstoel zelfstandig korte afstanden afleggen en kan met (duw)ondersteuning van zijn partner samen het dorp bereiken om dorpsgenoten te ontmoeten. De keuze voor het soort rolstoel, één zonder ondersteuning, is afgestemd op de eigen kracht (wat kan inwoner zelf) met hulp van voorzieningen en/of netwerk. In situatie 2 kan niet worden volstaan met het verstrekken van een rolstoel zonder duwondersteuning. De inwoner is immers aangewezen op zijn partner (of eventueel andere personen) als hij de afstand tot het dorp wil afleggen, wat voor de inwoner een belangrijk aspect is voor het participeren in de maatschappij. Het verstrekken van een rolstoel met duwondersteuning stelt de inwoner (ook) in staat om samen met zijn partner te kunnen participeren. In het onderzoek moet dus ook rekening worden gehouden met wat er verwacht kan en mag worden van het netwerk rondom de aanvrager. Het verstrekken van een rolstoel zonder duwondersteuning zou in dit voorbeeld niet passend zijn, omdat de rolstoel niet kan worden gebruikt om het resultaat (zelfredzaamheid bevorderen en (weer) participeren) te kunnen bereiken. Persoonskenmerken –
Artikel 2.3.2 lid 4 onder a Wmo 2015: Het college onderzoekt: a.
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; Artikel 2:3.5 lid 5 onder h Wmo 2015: De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op: h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. ‘Persoonskenmerken’ – definitie en uitleg Uit het voorgaande valt te herleiden dat het college een verantwoordelijkheid heeft om de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren in het onderzoek te betrekken. Daarnaast heeft het college een verplichting om de maatwerkvoorziening af te stemmen op de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner moeten bij het onderzoek worden betrokken en het college beoordeeld vervolgens in hoeverre binnen de grenzen van de Wmo, aan deze wensen tegemoet kan worden gekomen. Persoonskenmerken zijn objectiveerbaar (meetbaar/aantoonbaar) maar ook veranderbaar. Voorbeelden van persoonskenmerken zijn; leeftijd, leefvorm, gezinssamenstelling (hebben van (minderjarige) kinderen), woningtype (huur of koop) en ligging (vrijstaand/gelijkvloers), gezondheidssituatie, ondersteuning of zorg op grond van andere wetgeving, hebben van een rijbewijs en eigen auto, het hebben van huisdieren en het beoefenen van sport. Naast ‘persoonskenmerken’ dient het college ook de ‘voorkeuren’ van de inwoner te betrekken in het onderzoek. Gedurende/na het onderzoek wordt duidelijk welke ondersteuning (specifieke voorzieningen) een passende bijdrage kunnen leveren. Als er meerdere voorzieningen een passende bijdrage kunnen leveren, dan komt de inwoner in aanmerking voor de goedkoopst adequate voorziening. Mantelzorg Als de inwoner voldoende wordt gecompenseerd met hulp van een mantelzorger, dan bestaat er geen recht op een maatwerkvoorziening. Mantelzorg is vrijwillige onbetaalde zorg en kan niet worden verplicht; de hulpverlening is gebaseerd op de sociale relatie tussen de inwoner en de mantelzorger. Mantelzorg overschrijdt de omvang van gebruikelijke hulp. Een huisgenoot kan gebruikelijke hulp bieden en boven-gebruikelijke hulp: Mantelzorg. Ook andere personen (sociale netwerk) kunnen mantelzorg verlenen. Het college moet de mogelijkheden van ondersteuning door of middels mantelzorg onderzoeken. Is er geen mantelzorger beschikbaar en is ondersteuning nodig, dan kan er recht bestaan op een maatwerkvoorziening. Als de inwoner zich tot het college wendt met een hulpvraag en er is sprake van een mantelzorger, dan moet het college moet ook de belastbaarheid van de mantelzorger betrekken in het wmo-onderzoek. Voorbeeld: Mantelzorg, huishoudelijke ondersteuning en persoonskenmerken Bij een hulpvraag over huishoudelijke ondersteuning, moet onderzocht worden wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner zijn (artikel 2.3.2 lid 4 onder a Wmo). Persoonskenmerken kunnen bijvoorbeeld zijn: Inwoner en diens partner wonen in een ruime woning met een aangebouwde serre. Inwoner brengt veel tijd door in de serre, waar ook zijn papegaai verblijft. Daarnaast wordt een deel van de bovenverdieping niet gebruikt en zodoende ook niet wekelijks schoongemaakt. Daarna onderzoekt het college de mogelijkheden van eigen kracht en gebruikelijke hulp (artikel 2.3.2 lid 4 onder b Wmo). De inwoner heeft een inwonende partner, deze partner voerde tot op heden de huishoudelijke taken uit omdat de inwoner wegens objectiveerbare beperkingen daartoe niet in staat is. Deze partner verleent daarnaast (mantel)zorg aan de inwoner, bijvoorbeeld helpen met wassen en bereiden van maaltijden. Partner is echter naar aanleiding van een operatie tijdelijk (+/- 3 maanden) niet in staat om de zware huishoudelijke taken uit te voeren. Partner is nog wel in staat om de inwoner te ondersteunen. De inwoner heeft geen sociaal netwerk waarop een beroep kan worden gedaan. Het college moet onderzoeken of ondersteuning aan de inwoner, en diens mantelzorger nodig is. In dit voorbeeld zou ondersteuning noodzakelijk kunnen zijn; de mantelzorger kan tijdelijk worden ontlast in het doen van de zware huishoudelijke taken. (artikel 2.3.2 lid 4 onder c/d Wmo). Bij het indiceren van de omvang (in uren/minuten) moet onder andere rekening worden gehouden met de oppervlakte van de woning. Het college mag rekening houden met het feit dat de bovenverdieping niet meegenomen hoeft te worden. Daarnaast zal, in samenspraak met de inwoner moeten worden afgestemd wat er verwacht mag worden ten aanzien van het schoonhouden van de serre, bijvoorbeeld omdat vanwege de papegaai de serre sneller vuil wordt. De inwoner kan de voorkeur hebben om huishoudelijke ondersteuning in te kopen bij aanbieder x. Hiermee kan het college rekening houden bij het verstrekken van een indicatie. Hoofdstuk2– Persoonsgebonden budget Binnen de gemeente Ooststellingwerf is het gebiedsteam verantwoordelijk voor de uitvoering van onder andere de Wmo, de Jeugdwet en budgetadvies. De inwoners van de gemeente Ooststellingwerf kunnen met hulpvragen terecht bij het gebiedsteam. In de uitvoeringspraktijk blijkt vraag te zijn naar meer duidelijkheid over hoe men met bepaalde onderwerpen om moet gaan. Één van deze onderwerpen betreft de beoordeling van een verzoek van een inwoner om een persoonsgebonden budget (hierna pgb). Op grond van de Wet, is het college (voor de gemeente Ooststellingwerf is dat het gebiedsteam) verantwoordelijk voor de beoordeling of een inwoner in aanmerking kan komen voor een pgb. Onderstaande regels zijn een voor inwoners en de uitvoering werkbaar afwegingskader dat voldoet aan de wettelijke vereisten bij hulpvragen op grond van de Wmo. Binnen de Jeugdwet kent men ook het pgb. Omdat deze wetten op het onderdeel ‘pgb’ en de verantwoordelijkheid daarin voor het gebiedsteam wezenlijk van elkaar verschillen, is deze werkinstructie gericht op aanvragen pgb op grond van de Wmo. Om in aanmerking te komen voor een pgb, moet de inwoner voldoen aan drie wettelijke voorwaarden. Voldoet de inwoner niet aan één of meerdere van die voorwaarden, dan wordt een pgb afgewezen en kan er, indien nodig, een ZIN-voorziening worden toegekend. De drie wettelijke voorwaarden worden hieronder toegelicht. 1.De inwoner wil een pgb In de praktijk blijkt dat inwoners vaak al weten dat ze een pgb willen. De inwoner wil een bepaald product of dienst inkopen bij een niet-gecontracteerde aanbieder en kan dus geen gebruik maken van een voorziening in natura omdat die aanbieder geen contract heeft met de gemeente. Soms is niet altijd duidelijk voor de inwoner wat de keuze voor een pgb precies inhoud en wat erbij komt kijken. De rol van de gebiedsteammedewerker is, op dit onderdeel, die van adviseur. Licht de inwoner goed voor over de verantwoordelijkheid van de inwoner zelf bij de keuze voor een pgb. Is de inwoner goed op de hoogte van de administratie die erbij komt kijken? Weet de inwoner van de mogelijkheid (en voordelen van) ZIN? Als de inwoner goed geïnformeerd is en kiest voor een pgb, dan kun je verder met de beoordeling van de overige twee voorwaarden. Aan voorwaarde 1 zal worden voldaan als de inwoner voldoende kennis heeft van wat er van hem wordt verwacht, en bewust kiest voor een pgb. 2.De inwoner kan omgaan met een pgb De Rijksoverheid heeft ‘10 punten pgb-vaardigheid’ opgesteld. Deze zijn hieronder weergegeven. Iemand die een pgb beheert, moet over deze vaardigheden beschikken. De persoon die het pgb beheert hoeft niet per se dezelfde persoon te zijn als degene die de ondersteuning zal gaan ontvangen. Hierover later meer. In de onderstaande opsomming is gemakshalve ‘de inwoner’ gehanteerd als term. De inwoner moet zijn eigen situatie kunnen overzien en inschatten welke zorg hij nodig heeft. De inwoner moet de regels over een pgb kennen of kunnen vinden (bijvoorbeeld op internet). De inwoner kan een administratie bijhouden zodat bijgehouden wordt hoeveel budget is uitgegeven. De gemeente kan om een administratie vragen. De inwoner moet ‘goed’ kunnen communiceren met instanties, bijvoorbeeld de gemeente, de SVB en de aanbieder van zorg. De inwoner moet zelf een aanbieder voor de gevraagde hulp of zorg kunnen vinden en afspraken maken over het uurtarief, wat voor zorg er wordt geboden en wanneer etc. De inwoner moet afspraken kunnen maken en zich daar aan houden. De inwoner mag het pgb bijvoorbeeld alleen besteden aan zorg. Ook moet de inwoner de aanbieder erop aan kunnen spreken als er iets niet conform afspraak verloopt. De inwoner moet kunnen beoordelen of de zorg bij hem past. Dit betekent dat de inwoner objectief moet kunnen beoordelen of hij echt geholpen wordt door de zorg die hij wil inkopen. De inwoner moet zelf voor vervanging zorgen bij verlof of ziekte van hulpverlener. De inwoner moet degene die de hulp of zorg gaat bieden, aan kunnen sturen. De inwoner vervult bij een pgb in principe de rol van opdrachtgever of werkgever en moet daarom op de hoogte zijn van de regels die daarbij horen of in ieder geval kunnen vinden (bijvoorbeeld op internet). 3. De ondersteuning die wordt ingekocht is van voldoende kwaliteit In de wet staat dat de in te kopen hulp/zorg/hulpmiddel/dienst veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. De begrippen veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn containerbegrippen en moeten worden geconcretiseerd omdat het voldoen aan voorwaarde 3 anders niet vooraf controleerbaar is. De drie voornoemde containerbegrippen kunnen gezamenlijk worden beschouwd als een kwaliteitsvoorwaarde waarop moet worden gecontroleerd. Verantwoordelijkheid van de gemeente bij pgb’s Het gebiedsteam is verantwoordelijk voor het vóóraf toetsen of aan de drie wettelijke voorwaarden is voldaan. Voeren we geen controle uit op die drie voorwaarden en kennen we wel een pgb toe? Dan is dat besluit tot toekenning pgb in strijd met de wet. Als wij tot de conclusie komen dat aan één of meer van de voorwaarden niet wordt voldaan, dan mogen we geen pgb te verstrekken. Je kan dan een voorziening in natura verstrekken. Als uitgangspunt geldt dat voor de kwaliteit van hulpmiddelen aangeschaft met pgb, wordt aangesloten bij de kwaliteit zoals vastgelegd in het kernassortiment van de aanbieder van hulpmiddelen. Risico’s Als er niet goed wordt omgegaan met een pgb Het gebiedsteam wil de inwoner zo goed mogelijk helpen. Als er gekozen wordt voor een pgb, is het niet de bedoeling dat de inwoner in een later stadium in de problemen komt omdat hij bijvoorbeeld onvoldoende in staat blijkt om een goede administratie bij te houden. Gevolg kan dan zijn dat het pgb niet juist is besteed of er teveel is uitgegeven en het budget voortijdig ‘op’ is. Het is niet de bedoeling dat de inwoner met een dergelijk probleem geen zorg meer kan ontvangen omdat het budget op is, maar het is óók niet de bedoeling dat het gebiedsteam dit probleem moet oplossen door een aanvullend pgb te verstrekken. Het gebiedsteam (de gebiedsteammedewerker) moet een inschatting maken of de inwoner de verantwoordelijkheid kan dragen om de taken uit te voeren. De inwoner moet ook aangesproken kunnen worden op zijn verantwoordelijkheden. Als de kwaliteit onvoldoende is gewaarborgd Het gebiedsteam is dus verantwoordelijk voor het vóóraf toetsen of de kwaliteit voldoende is gegarandeerd. Het gaat dus niet zozeer om de kwaliteit van de geleverde zorg in de praktijk. Daarvoor is de beheerder van het pgb zelf verantwoordelijk en die verantwoordelijkheid ziet op de situatie dat er al een pgb is toegekend. Waar de verantwoordelijkheid voor het gebiedsteam in zit, is, simpel gezegd, een antwoord op de vraag: ‘Als ik aan deze inwoner een pgb toeken, kan ik dan met voldoende zekerheid zeggen dat de hulp/ondersteuning/product waaraan het pgb wordt besteed, ook past bij de hulpvraag en er dus aan bijdraagt dat de inwoner er ook echt mee geholpen wordt?’ Risico op ongewenste belangenverstrengeling of financieel gewin In 2019 heeft de Centrale Raad een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat je een pgb mag afwijzen als degene die het pgb beheert, dezelfde persoon is als degene die met het pgb wordt ingekocht om ondersteuning te bieden. Het ging hier om een inkoop van professionele (formele) ondersteuning: ‘De CRvB laat zich voor het eerst uit over de situatie dat het pgb-beheer wordt uitgevoerd door de aanbieder die tevens de middels dat pgb ingekochte ondersteuning levert aan de cliënt. Een dergelijke ‘dubbelrol’ kan niet, zo oordeelt de CRvB. Als zorgaanbieder ben je niet in staat de aan een pgb verbonden beheerstaken ‘met voldoende afstand en kritisch’ te vervullen. ’ Als gaat om iemand uit het sociaal netwerk die een dubbelrol heeft, (dus bieden van ondersteuning en beheer van het pgb), dan heeft het de voorkeur om (mits goed onderbouwd) een pgb af te wijzen omdat één en dezelfde persoon dan ‘zichzelf’ moet beoordelen en zichzelf uitbetaald. Ook in die situatie is er een aannemelijk risico op ongewenste belangenverstrengeling. Er zijn verschillende gerechtelijke uitspraken geweest waaruit heel duidelijk naar voren komt dat een pgb niet als inkomensvoorziening mag worden gebruikt. De situatie wordt hieronder toegelicht: ‘Iemand had een pgb en dat werd stop gezet. De betrokkene stelde afhankelijk te zijn van het pgb als inkomen. Ook al zou dat in de praktijk zo zijn, dat is niet waar het pgb voor is bedoeld. Iedereen in Nederland heeft als plicht voor zijn eigen inkomen te zorgen. Dat inkomen zal met een reguliere baan verworven moeten worden. Een pgb is geen reguliere baan: als degene wiens pgb men uitvoert overlijdt, heeft men helemaal niets meer: niet meer de huisgenoot waarvoor men het pgb uitvoerde, geen inkomen meer, maar ook geen uitkering: met een pgb is men niet verzekerd voor werkeloosheid. Eigenlijk zou je daarom kunnen stellen dat een pgb nooit een reguliere baan mag vervangen. Je baan opgeven omdat je met een pgb meer inkomen hebt lijkt aantrekkelijk maar is niet zo handig. Het zal niet de eerste keer zijn dat een pgb-houder overlijdt en dat zijn of haar partner daarna een beroep moet doen op de Participatiewet, met een overgang van een fors pgb naar het bestaansminimum. De voorzieningenrechter: een pgb is niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar is slechts bedoeld om daarmee de noodzakelijke en geïndiceerde ondersteuning in te kopen’. Hoe wordt dit getoetst in de praktijk?! Wil een inwoner een pgb, dan moet de inwoner een pgb-plan aanleveren. Levert de inwoner geen pgb plan aan, dan wordt het pgb geweigerd en eventueel een voorziening in natura verstrekt. Levert de inwoner een pgb-plan aan, dan wordt de inhoud van het pgb-plan getoetst aan de wettelijke voorwaarden. Zoals eerder benoemd, zal aan de voorwaarde dat de inwoner een pgb wil, snel worden voldaan. Om die reden wordt er daarom niet nader ingegaan op dit onderdeel. Het (format) pgb-plan De inhoud van het pgb-plan wordt getoetst. De gemeente kan een format pgb-plan opstellen en aan de inwoner verstrekken bij een verzoek om pgb. Het pgb-plan is in principe vormvrij. Dat houdt in dat de inwoner ook een eigen plan mag indienen. Wel is het zo dat elk pgb-plan bepaalde informatie moet bevatten. De informatie moet toetsbaar zijn. Dat wil zeggen dat op basis van (de inhoud van) het pgb-plan, een oordeel moet kunnen worden gegeven over of er voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden. Er is een nieuw (format) pgb-plan ontwikkeld. Deze is bijgevoegd als bijlage bij deze beleidregels. Het hanteren van een door de gemeente opgesteld format, heeft meerdere voordelen. Enerzijds voordelen voor de gemeente, anderzijds voor de inwoner. De voordelen voor de gemeente is dat de in het format gehanteerde vraagstelling, zo is ingericht, dat de antwoorden op de vragen de informatie zal opleveren die nodig is om de wettelijke voorwaarden te kunnen toetsen. Bij het gebruiken van het format wordt er tevens uniformiteit gecreëerd. Het voordeel voor de inwoner is dat hij niet zelf hoeft te bedenken welke informatie wij nodig hebben. Bij het verstrekken van een format, faciliteren we de inwoner als het ware. De inwoner weet direct welke informatie wij nodig hebben om te beoordelen of hij in aanmerking komt voor een pgb. Het is het wenselijk om dit format te gebruiken. Het is, zoals net benoemd, ook mogelijk dat de inwoner zelf een eigen plan indient. Dit kan juridisch gezien niet worden geweigerd. Wel moet de inhoud van dat eigen plan natuurlijk kunnen worden getoetst. Hieronder volgt een toelichting op de vragen zoals in het format pgb-plan zijn verwerkt. De onderstaande vragen zijn tevens te gebruiken als ‘checklist’ bij situaties waarin de inwoner zelf een pgb-plan heeft opgesteld. Vragen om de pgb-vaardigheid in te schatten Hieronder wordt een overzicht gegeven van hoe de inhoudelijke toetsing eruit kan zien. De volgende vragen kunnen worden gesteld, afhankelijk van de antwoorden op die vragen, volgt een inschatting over de pgb-vaardigheid. 1. Wie gaat het pgb beheren? Hoofdregel: de inwoner is vaak zelf de aanvrager van het pgb en zal ook vaak zelf degene zijn die het pgb beheert. Uitzondering: Als er sprake is van een van de situaties als hieronder (vraag 2), zal er sprake moeten zijn van een derde die het pgb beheert. Let op: de persoon de het pgb gaat beheren, moet pgb-vaardig zijn. Als de inwoner het pgb niet zelf beheert maar iemand anders, dan moet je toetsen of die derde persoon pgb-vaardig is. 2. Is er sprake van een van de volgende situaties of een combinatie daarvan: de inwoner heeft een geestelijke/psychische beperking of aandoening die van invloed is op de cognitie van de inwoner? de inwoner is ongeletterdheid of laaggeletterdheid? de inwoner heeft (problematische) schulden? Hoofdregel: Als er sprake is van een voornoemde situaties, en is er niemand die de beheerstaken behorend bij een pgb namens of samen met de inwoner kan uitvoeren? Dan moet je een pgb afwijzen omdat er een groot risico bestaat dat de beheerstaken niet verantwoord kunnen worden uitgevoerd. Uitzondering: Is er sprake van schuldenproblematiek maar staat de inwoner onder bewind, of een andere vorm van professionele schuldhulp? Dan is er een mogelijkheid voor een pgb. Voorwaarde is dan dat iemand anders dan de inwoner het beheer van de taken uitvoert. Dat kán de bewindvoerder of een ander persoon zijn (een andere professional of iemand uit het sociaal netwerk, zie vraag 3). 3. Als iemand anders de beheerstaken uit gaat voeren, is dit een professional of iemand uit het sociaal netwerk? a. Is het een professional? dan moet je het volgende weten: Welke functie heeft de professional? Heeft deze persoon in zijn rol als professional de tijd om de beheerstaken uit te voeren? Zo ja, moet de inwoner daarvoor betalen? Is de professional capabel om de beheerstaken uit te voeren (de 10 punten pgb-vaardigheid)? Is de professional verbonden of geallieerd aan de aanbieder waar de inwoner de ondersteuning met het pgb wil inkopen? Verhoudt de rol als professional zich met de uitvoering van de beheerstaken? Hoofdregel: Degene die het pgb gaat beheren mag geen dubbelrol hebben in die zin dat het beheer van het pgb en de ondersteuning die daarmee wordt ingekocht, door dezelfde persoon wordt uitgevoerd. Uitzondering: Is de professional die het pgb gaat beheren tevens bewindvoerder van de inwoner, dan houdt dat dus in dat de bewindvoerder extra taken erbij krijgt op het moment dat de bewindvoerder het pgb gaat beheren. De dubbelrol van beheerder en bewindvoerder is in principe aanvaardbaar tenzij: Het kan voorkomen dat de bewindvoerder voor de pgbbeheerstaken extra uren en daarmee kosten in rekening brengt bij de inwoner. Die informatie moet je meenemen in je beoordeling. Het moet niet zo zijn dat die extra kosten via bijzondere bijstand alsnog door de gemeente bekostigd moeten worden. Het pgb zou dan wellicht niet voldoen aan de eis: goedkoopst adequate oplossing. Daarnaast kan men pas in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als de gemaakte kosten noodzakelijk zijn. In een soortgelijke situatie heeft de Centrale Raad beoordeeld dat die kosten niet noodzakelijk zijn. Er kan namelijk gekozen worden voor een voorziening in natura, waardoor die kosten niet gemaakt hoeven te worden b. Is het iemand uit het sociaal netwerk dan moet je het volgende weten: Wat is de onderlinge relatie met de inwoner? Heeft deze persoon tijd en ruimte om de beheerstaken uit te voeren? Is deze persoon capabel om de beheerstaken uit te voeren (de 10 punten pgb-vaardigheid)? Voert deze persoon de beheerstaken vrijwillig uit of moet de inwoner ervoor betalen? Is deze persoon niet dezelfde persoon als die de ondersteuning gaat bieden? Hoofdregel: Degene die het pgb gaat beheren mag niet dezelfde persoon zijn als degene die de ondersteuning gaat uitvoeren. Daarnaast zal over het algemeen de persoon uit het sociaal netwerk, de beheerstaken kosteloos uitvoeren. Het pgb-budget mag (bijvoorbeeld) niet worden aangewend om iemand uit het sociaal netwerk een vergoeding te verstrekken voor het beheren van het pgb. Wil de inwoner de persoon uit het sociaal netwerk uitbetalen voor het uitvoeren van de beheerstaken, dan is dat een afspraak tussen de inwoner en beheerder van het pgb en is de gemeente niet verantwoordelijk voor dergelijke kosten. Het is ook niet de bedoeling dat iemand bijvoorbeeld minder gaat werken om zo de beheerstaken uit te kunnen voeren. Dit mag natuurlijk wel, maar een derving van inkomsten kan niet wordt gecompenseerd vanuit het pgb en de verantwoordelijkheid/afspraken daarover ligt bij de inwoner en de pgb-beheerder zelf. De bovengenoemde vragen zijn in uitgewerkt in een (stroom) schema, bijgevoegd bij deze beleidsregels. Dat stroomschema kan als ‘Checklist’ dienen bij een door de inwoner zelf opgesteld pgb plan. De bovenstaande vragen zijn tevens verwerkt in het Format Pgb-plan, bijgevoegd in bijlage Vragen om de kwaliteit te waarborgen Hieronder wordt een overzicht gegeven van hoe de inhoudelijke controle op de kwaliteit eruit kan zien. De volgende vragen kunnen worden gesteld, afhankelijk van de antwoorden op die vragen, kun een inschatting worden gemaakt over in hoeverre de kwaliteit van de ondersteuning voldoende is gewaarborgd. Het is onmogelijk op detailniveau vooraf iets te zeggen over de kwaliteit. Dat is ook niet de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Als het ware moet er een soort ‘preventieve’ controle plaatsvinden op de omstandigheden. Met andere woorden: er moet na de beantwoording van de onderstaande vragen een oordeel zijn dat de kwaliteit in ieder geval aan een bepaalde standaard voldoet die past bij het soort ondersteuning waar het in dat geval om gaat. 1. Wat wordt er ingekocht? Is het een dienst? (bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke hulp) Of een product, (een tastbare roerende of onroerende zaak, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing) 2. Welk doel of welke doelen worden beoogd te realiseren? Draagt de in te kopen dienst of product bij aan de te bereiken doelen (en zo ja, hoe)? Voorbeeld: huishoudelijke hulp is een dienst die wordt ingekocht om het volgende doel te bereiken: het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. Voor begeleiding is de beantwoording van deze vraag lastiger: Welke soort of vorm begeleiding is het meest geschikt om (bijvoorbeeld) het doel: ‘Vergroten van de zelfredzaamheid’ te bereiken? 3. Betreft het een pgb voor een dienst, wie gaat die dienst leveren? Betreft het een dienst geleverd door een professional (een formele aanbieder), door iemand uit het sociaal netwerk of iemand (al dan niet in dienst bij een instelling) die niet de juiste diploma’s heeft of waarvan de instelling geen keurmerk of registratie heeft, (een informele aanbieder)? Wie ondersteuning kan bieden worden ingedeeld in drie categorieën: 1. Formele ondersteuning Wordt geboden door (een persoon of personen) die in dienst zijn van een instelling of als zelfstandige staan ingeschreven en beschikt over: Een Kamer van Koophandel inschrijving; Een erkende registratie, kwalificatie en/of relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende ondersteuning. 2. Informele ondersteuning door sociaal netwerk (zie vraag 4) 3. Informele ondersteuning door iemand die niet behoord tot het sociaal netwerk Wordt geboden door iemand die of in dienst is van een instelling en die instelling niet over een erkende registratie, kwalificatie en/of relevante diploma’s beschikt die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende ondersteuning of een individueel persoon die niet in dienst is bij een instelling en niet is inschreven als zelfstandige bij de Kamer van Koophandel en ook niet over een erkende registratie, kwalificatie en/of relevante diploma’s beschikt die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende ondersteuning. Dit onderscheid is belangrijk omdat je aan formele ondersteuning andere kwaliteitseisen mag stellen dan aan informele ondersteuning. Ook de tarieven voor het pgb verschillen hierin. 12 Let op: Wordt de ondersteuning uitgevoerd door een professional dus formele ondersteuning, dan gelden er andere (strengere) eisen aan de persoon of de instelling die de ondersteuning biedt. Dit onderwerp wordt nader besproken in hoofdstuk 4 (vragen 3 en 4). 4. Wordt de dienst (bijvoorbeeld huishoudelijke hulp of begeleiding) uitgevoerd door iemand uit het sociaal netwerk, wat is dan de onderlinge relatie tussen de aanvrager/inwoner en de uitvoerder van de dienst? Soms is het niet wenselijk dat een bepaalde dienst, bijvoorbeeld begeleiding, wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk. Of het wel/niet wenselijk is hangt af van een aantal factoren. Aan de hand van een voorbeeld hieronder wordt dit uitgelegd. Voorbeeld: Stel je voor dat een vrouw haar man wil begeleiden om structuur aan brengen in zijn dagelijks leven. De man heeft een zeer ernstige gedragsstoornis waardoor hij zijn agressie niet goed onder controle heeft. De vrouw heeft geen opleiding en/of (vak)kennis waaruit blijkt dat zij haar partner ‘de baas’ is, ofwel zij weet hoe zij haar man moet toespreken of bepaalde gesprektechnieken kan toepassen om haar man te helpen de structuur in zijn leven aan te brengen en vast te houden. Het kan zijn dat de gedragsstoornis zo ernstig is dat er een professional moet worden ingezet (kwaliteitseis).. Het risico op het toekennen van een pgb uitgevoerd door de vrouw, zou kunnen zijn dat de vrouw dreigt overbelast te geraken omdat zij niet over de capaciteiten beschikt de ondersteuning goed te kunnen bieden. De man is daarmee dus ook niet geholpen omdat het doel: structuur aanbrengen in het dagelijks leven niet wordt bereikt. De problematiek zou zelfs erger kunnen worden. Daarnaast kun je je in een dergelijke situatie ook nog afvragen wie dan het pgb beheert aangezien de man (voor het gemak) niet in staat is om het pgb de beheren en de vrouw tevens de ondersteuning zou bieden, de vrouw zou dan niet het pgb mogen beheren. Immers zou zij dan haar eigen inzet moeten toetsen en ‘zichzelf uit moeten betalen’. Een dergelijke situatie roept daarnaast vragen op omdat je mag veronderstellen dat de vrouw niet voldoende objectief naar de situatie kan kijken omdat het haar eigen partner betreft. 5. Wordt de dienst uitgevoerd door iemand die niet tot het sociale netwerk van de inwoner behoord? Is het antwoord ‘ja’? Dan is als het goed is bij de beantwoording van vraag 3, al onderzocht dat deze instelling niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor formele ondersteuning en zal het lage pgb tarief van toepassing zijn. Is het antwoord ‘nee’? Dan is als het goed is bij de beantwoording van vraag 3 al onderzocht dat deze persoon niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor formele ondersteuning en zal het lage pgb tarief van toepassing zijn. De bovenstaande vragen zijn tevens verwerkt in het Format Pgb-plan, bijgevoegd als bijlage bij deze beleidsregels. 4. In dit hoofdstuk zullen diverse onderwerpen worden besproken die mogelijk vragen kunnen oproepen. De informatie wordt in de vorm van ‘Vraag & Antwoord’ weergegeven. Vraag 1: Wanneer wordt iemand in staat geacht om het pgb te beheren (en dus over de 10 vaardigheden te beschikken?) De inwoner (of derde) moet in staat zijn om de taken, zoals onder andere het voeren van een administratie en het vervullen van de rol van opdrachtgever, uit te kunnen voeren. Er zijn voorbeelden denkbaar waarin je kunt concluderen dat de inwoner niet in staat is om die taken uit te kunnen voeren. Iemand met een licht verstandelijke beperking (LVB), heeft doorgaans moeite met sociale en/of praktische vaardigheden. Het is dan denkbaar dat een iemand met een LVB niet voldoende in staat is om de zorgverlener aan te sturen of een administratie kan bijhouden. Heeft iemand een stoornis, dan moet je uitzoeken of die stoornis van invloed is op de cognitie van de inwoner. Iemand met een lichamelijke beperking kan bijvoorbeeld wel prima in staat zijn om een pgb te beheren. Wanneer een inwoner onder bewind staat of in een schuldsaneringsregeling zit, kan dit bijvoorbeeld ook een reden zijn om te concluderen dat die inwoner niet voldoende in staat is om zijn eigen situatie de overzien en/of een administratie kan voeren. Het gegeven dat iemand een stoornis heeft, betekent niet per definitie dat je een pgb moet afwijzen. De inwoner kan namelijk ook met hulp van iemand alsnog voldoende in staat zijn om de taken uit te voeren. Wel moet je controleren of er sprake is van een stoornis, en of die stoornis invloed heeft op de vaardigheden die iemand moet bezitten om een pgb te kunnen beheren. Vraag 2: Wie kan hulp bieden bij het beheren van het pgb? Heeft de inwoner, met bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking, bijvoorbeeld een mentor of curator ( = wettelijke vertegenwoordiger) die bereid is om de taken voor of samen met de inwoner uit te voeren, dan kan er een pgb verstrekt worden als beoordeeld is dat die vertegenwoordiger de taken verantwoord kan uitvoeren. Een vertegenwoordiger kan ook iemand zijn uit het sociale netwerk, bijvoorbeeld een ouder, neef, vriend. Een vertegenwoordiger mag niet de zorgaanbieder zijn of in dienst zijn van de zorgaanbieder. Dit is om eventuele belangenverstrengeling te voorkomen. Het is wenselijk om te achterhalen, als het gaat om een professional, wat zijn professionele rol is. Voorbeeld: een WSNP-bewindvoerder (is wettelijks schuldsanering), heeft een andere professionele rol dan een (beschermings)bewindvoerder. Vraag 3: Pgb te besteden aan formele aanbieder; hoe toets je de kwaliteit? Is het de bedoeling dat er formele ondersteuning wordt ingekocht met een pgb, dus een beroepskracht, dan betekent dat niet dat de formele aanbieder aan dezelfde kwaliteitseisen moet voldoen als de aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn (de ZIN-aanbieders). In de praktijk betekent dit dat als je een aanvraag voor een pgb voor de inzet van formele ondersteuning moet beoordelen, je per geval moet bepalen wat er nodig is om de kwaliteit de waarborgen. Wat in ieder geval bekend moet zijn is het volgende: Waar wordt de ondersteuning ingekocht (dus bij welke organisatie of gaat het om een zzp’er?) Aan welke doelen wordt gewerkt? Hoe dragen die doelen bij aan het vergroten van de participatie en/of zelfredzaamheid; Hoe is de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd? (Dit moet de professional kunnen uitleggen) Bij de beantwoording van de laatste vraag betreft het echt maatwerk. Per ondersteuningsvraag moet je beoordelen aan welke opleidingseisen/keurmerken/kwaliteitsregisters etc. de desbetreffende zorgaanbieder moet voldoen. De individuele professional of de instelling waarvoor de persoon werkzaam is moet bijvoorbeeld kunnen aantonen of hij is ingeschreven bij een bepaald register voor die beroepsgroep. Vraag 4: Pgb te besteden aan informele aanbieder (dus iemand uit het sociaal netwerk of door een instelling of persoon die niet beschikt over de kwaliteitseisen voor formele ondersteuning); hoe toetsen we de kwaliteit? Uit het door de inwoner ingediende pgb-plan zou moeten blijken welke hulp er wordt ingekocht. Het gebiedsteam ofwel de gebiedsteammedewerker, moet vervolgens beoordelen of die hulp wel adequaat kan worden geboden door deze informele aanbieder. Is er sprake van ernstige problematiek, bijvoorbeeld een bepaalde (gedrags)stoornis en is er een specialistische vorm van ondersteuning of gediplomeerde professional nodig die de hulp moet bieden omdat de hulp te complex is voor iemand zonder benodigde voorkennis, dan mag je een (kwaliteits)eis stellen aan de persoon uit het sociaal netwerk. Als de persoon niet aan die eis(
- en)voldoet, dan kun je motiveren dat de kwaliteit van de geleverde hulp niet voldoende is gegarandeerd en moet je het pgb voor informele ondersteuning afwijzen. Hoofdstuk3– Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden Overname van de huishoudelijke taken en organisatie Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief de berging, schoon te houden. Naast het algemene afwegingskader kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen ondersteuning nodig is, omdat het probleem al opgelost is. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. Het doen van de boodschappen Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding van maaltijden. Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden en/of kinderen gewend of bereid zijn deze boodschappen te doen, of dat inwoners gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen zoals boodschappen bezorgservice of maaltijdenservice. Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. De was verzorging De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop. Wat betreft het strijken van kleding worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Hoofdstuk4– Het zich kunnen verplaatsen in en om de woning Bij het zich verplaatsen in en om de woning gaat het om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel of gebruik moeten maken van een ander boven gebruikelijk hulpmiddel zoals een doucherolstoel of tillift. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat, maar onder hoofdstuk 6. Deze rolstoelen vallen in de regel niet onder de Wmo maar onder een voorliggende voorziening in de vorm van een leenrolstoel via de Zorgverzekeringswet. Als de individuele situatie van een inwoner daar aanleiding toe geeft, bijvoorbeeld een wisselend ziektebeeld waardoor die inwoner structureel gebruik moet maken van een voorziening, dan zou de rolstoel alsnog onder de Wmo kunnen vallen. Via deze pagina kan worden nagegaan of een hulpmiddel onder de Wmo of onder de Zvw valt. Wmo (schulinck.
- nl)Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, kan via een medisch en/of ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Steeds vaker komen meldingen binnen over complexere hulpmiddelen zoals een duwondersteuning of in hoogte verstelbare douchestoelen. Uitgangspunt is en blijft dat er een goede onderbouwing moet zijn over een medische noodzaak voor de inwoner zelf of de verzorger om deze voorzieningen in te zetten. In geval van twijfel vragen we een advies aan. Als uitgangspunt geldt dat voor de kwaliteit van hulpmiddelen aangeschaft met pgb, wordt aangesloten bij de kwaliteit zoals vastgelegd in het kernassortiment van de aanbieder van hulpmiddelen. Hulpmiddelen tot € 500 die via de hulpmiddelenleverancier worden verstrekt, worden in eigendom verstrekt. Boven dat bedrag worden hulpmiddelen in bruikleen verstrekt. Bij bruikleen is de eigen bijdrage verschuldigd zolang gebruik wordt gemaakt van het hulpmiddel, tot maximaal de hoogte van de kosten van het hulpmiddel. Bij eigendom wordt de eigen bijdrage betaald totdat de kostprijs van het hulpmiddel is bereikt. Hoofdstuk5– Het kunnen wonen in een geschikt huis Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de voorzienbare ontwikkeling van die beperkingen. Het college beoordeelt of het resultaat ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Indien verhuizen niet kan leiden tot het te bereiken resultaat dan wordt bekeken of het plaatsen van een losse woonunit de goedkoopst adequate oplossing is. Het plaatsen van een woonunit heeft de voorkeur boven het aanpassen van een woning of het realiseren van een aanbouw, als deze voorziening sneller te realiseren is als een aanpassing of een aanbouw of als de losse woonunit herverstrekbaar is. De kosten van het verwijderen van een unit worden bij de vergelijking meegerekend. Voor het primaat op verhuizen en belangenafweging zie ook de volgende link Wmo(schulinck.nl). Daarin worden de volgende onderwerpen uitgewerkt: Factoren die een rol spelen bij de belangenafweging De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn Sociale omstandigheden Afstemming met andere voorzieningen Werksituatie Verandering in woonlasten Wooncomfort Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? De wil van de cliënt om te verhuizen Bij de woningsanering gaat het om het ondersteunen ten aanzien van beperkingen als gevolg van allergene factoren die hun oorzaak vinden in de aard van de in of aan de woonruimte gebruikte materialen. Bij de vraag voor een woningsanering zal er eerst beoordeeld moeten worden of het voor de aanvrager mogelijk is om zelf de woning te saneren uit eigen middelen. Er wordt geen voorziening toegekend voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de toepassing van asbest en spaanplaat of het voorkomen van vocht en tocht in de woning. Een woonvoorziening wordt niet verstrekt aan de volgende woonruimten: hotels/pensions, trekkerswoonwagens, toer- en stacaravans, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, gehuurde kamers, specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden en mantelzorgwoningen. Voor mantelzorgwoning(
- en)geldt ook dat uitgegaan wordt van de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het kunnen beschikken over een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Uitgangspunt is dat de uitgaven die de verzorgde(
- n)had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Denk aan huur, kosten nuts, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. Het college kan adviseren en ondersteunen als het gaat om vergunningen op het gebied van ruimtelijke ordening. Neem in gesprekken met inwoners ook de mogelijkheden van de Blijvers- en Verzilverlening mee. Deze leningen zijn niet voorliggend op de Wmo maar zijn wel voorbeelden van eigen kracht. Hoofdstuk6– Het zich lokaal kunnen verplaatsen Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient volgens jurisprudentie een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het college dit aantal ophogen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere (verstrekte) voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers. Bij het toekennen van collectief vervoer wordt tevens rekening gehouden met de aanwezigheid van algemeen gebruikelijke voorzieningen (bijv. als naar de supermarkt gaan de enige vervoersbehoefte is, dan geen taxipas, of als er al een taxipas aanwezig is, deze mee laten wegen bij beoordeling toekenning scootmobiel, etc.). Een taxipas is voorliggend op een scootmobiel. Indien collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura, een financiële vergoeding of een pgb verstrekken. Indien een belanghebbende aangeeft niet met de taxi te kunnen, dan volgt een medisch onderzoek. Pas wanneer daaruit blijkt dat iemand niet in staat is om met de taxi te gaan kan er een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Voor de vergoeding wordt aangesloten bij het Valys tarief: 0,20 cent. De berekening is als volgt: 1500 km (tenzij er gemotiveerd kan worden aangegeven dat dit niet afdoende is, dan kan dit worden verhoogd naar 2000
- km)* 0,20 cent. Dat betekent een jaarvergoeding van € 300,-. Bij een echtpaar kan dit *1,5 worden gedaan (€ 450,- per jaar). Wanneer er sprake is van een andere manier van verplaatsen (bijvoorbeeld de aanwezigheid een vervoermiddel als een scootmobiel, rolstoel, gehandicaptenparkeerkaart) of er sprake is van intramurale setting (De Herbergier, Stellinghaven), dan geldt het uitgangspunt dat het aantal toe te kennen kilometers wordt gehalveerd van 1.500 naar 750. Als de noodzaak tot collectief vervoer vaststaat dan bestaat de mogelijkheid om ineens 1.500 (of 750) kilometer toe te kennen zonder uitputtend onderzoek of er bijvoorbeeld 500, 800, 1.200 etc. kilometer nodig is. Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Alleen wanneer de belanghebbende vanuit medische overwegingen niet in staat is om zonder begeleiding gebruik te maken van het collectief vervoer kan een indicatie voor (kosteloze) begeleiding worden afgegeven. Het college beoordeelt of er tijdens de rit daadwerkelijk sprake kan zijn van uit te voeren medische handelingen. Alleen op deze grond kan een indicatie voor medische begeleiding tijdens het collectief vervoer verstrekt worden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een ondersteuningsbehoefte tijdens het vervoer zelf en niet op de plaats van bestemming. Wanneer betrokkene een indicatie voor begeleiding heeft dient er ook altijd een begeleider mee te reizen. Om het resultaat te bereiken kan een persoon met beperkingen voor een aanpassing van een auto in aanmerking komen indien deze persoon aantoonbare beperkingen heeft met het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer, het gebruik van een algemene of individuele vervoersvoorziening geen adequate oplossing biedt of niet beschikbaar is en het gebruik van een collectieve vervoersvoorziening niet mogelijk is. Voor bijzondere fietsen zoals e-steps etc. en het al dan niet toekennen van driewielfietsen geldt de rode draad volgens toepassen van het algemene afwegingskader Wmo (schulinck.nl), deze staan ook in hoofdstuk 2 onder ‘onderzoek’. Als uitgangspunt geldt dat voor de kwaliteit van hulpmiddelen aangeschaft met pgb, wordt aangesloten bij de kwaliteit zoals vastgelegd in het kernassortiment van de aanbieder van hulpmiddelen. Als er een stalling, voor bijvoorbeeld een scootmobiel, geplaatst moet worden dan zijn de standaard eisen vanuit Medipoint het volgende: Wind- en waterdicht en afsluitbaar. Voorzien van een stroompunt voor het opladen van de voorziening. Door aan deze vier eisen te voldoen is een kleine berging of een blokhut(
- je)noodzakelijk en kan een losse overkapping aan bijvoorbeeld een woning meestal niet volstaan als stalling. Als inkopende gemeente kunnen we hier van afwijken; voor de levensduur en kwaliteit van de voorziening zijn deze eisen wel aan te bevelen. Hoofdstuk7- Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Het college beoordeelt de mogelijkheden van ouderschapsverlof en/of zorgverlof en kinderopvang. En de vraag of er een huisgenoot is die verondersteld kan worden zorg voor kinderen over te nemen. Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Hoofdstuk8– Het hebben van contacten met medemensen en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten Om bovenstaand resultaat te kunnen bereiken kunnen ondersteuningsvormen als bijvoorbeeld begeleiding en vervoer worden ingezet. Rolstoelen en andere hulpmiddelen die slechts voor incidenteel worden gebruikt, voor uitstapjes bijvoorbeeld, vallen niet onder de Wmo. Dit rolstoelgebruik wordt hier vermeld, omdat de rolstoel het mede mogelijk maakt om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Deze rolstoel kan als algemene voorziening verstrekt, in de vorm van een rolstoelpool. Met andere woorden: indien iemand zich buiten de woning niet kan verplaatsen zonder rolstoel dan valt diegene onder dit resultaat. Daarnaast is de huurrolstoel via het uitleenpunt van hulpmiddelen een voorliggende voorziening. Bij een aanvraag voor een sportvoorziening in het kader van de Wmo moet er sprake zijn van een voorziening voor deelname aan sportieve activiteiten in het maatschappelijk leven. De sportvoorziening moet gezien worden als een manier om de deelname aan het maatschappelijk verkeer van personen met beperkingen te bevorderen. Voor deze voorziening is een eigen bijdrage van toepassing. Het college zal zich bij elke vraag voor een sportvoorziening een oordeel moeten vormen of de gevraagde sportvoorziening hieraan daadwerkelijk een bijdrage kan leveren. Het college heeft geen resultaatsplicht voor topsportvoorzieningen. Belanghebbenden die speciale sportvoorzieningen nodig hebben om sport op topniveau te bedrijven, dienen uit eigen middelen, fondsenwerving of door middel van sponsoring de financiën bijeen te brengen. Dit laat onverlet dat een topsporter eventueel wel in aanmerking kan komen voor een "normale" sportvoorziening, die voldoende geschikt is om sport te kunnen beoefenen op een lager niveau. Hoofdstuk9- Mantelzorg Bij het beoordelen of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter ontlasting van de mantelzorger (respijtvoorziening), zal, tijdens het gesprek, het gehele cliëntsysteem (inclusief dat van de mantelzorger) bekeken moeten worden. Er zal daarbij aandacht zijn voor de belasting en belastbaarheid van de mantelzorger. Uitgangpunt is dat de beperkingen van de belanghebbende (en dus niet de mantelzorger) zo adequaat mogelijk gecompenseerd worden (al dan niet door een voorziening vanuit de Wmo). Hierbij zal worden gekeken naar oplossingen voor de korte en langere termijn. Ook de mogelijkheden van gebruikelijke hulp etc. wordt bekeken. Zie hiervoor ook de inleiding op deze beleidsregels. Om eventuele overbelasting vast te kunnen stellen wordt de belasting en belastbaarheid van beoordeeld. In het onderzoek wordt in ieder geval ‘het hele systeem’ van de inwoner met een beperking plus de mantelzorger(
- s)meegenomen. Bijvoorbeeld door te vragen naar gegevens waaruit blijkt dat er overbelasting is (acties mantelzorger richting werkgever, huisarts, etc.). Bij twijfel of onzekerheid of verschil van mening kan er een onafhankelijk medisch onderzoek worden ingezet zodat een arts de mate van overbelasting vast kan stellen, de termijn kan bepalen waarin de mantelzorger zou moeten worden ontheven van gebruikelijke hulp en wat de overbelaste mantelzorger kan doen om te zorgen voor herstel. Een Wmo indicatie om een overbelaste mantelzorger te compenseren, is in principe kortdurend. Is er een langdurende behoefte dan is er waarschijnlijk sprake van zorg in plaats van hulp en dan komt de Wlz in beeld. De inzet van bijvoorbeeld hulp in het huishouden mag geen lapmiddel worden. Mensen zullen soms fundamenteel andere keuzes moeten maken om met hun veranderende situatie om te kunnen gaan. Ingeval van kortdurend verblijf gelden ook de richtlijnen uit bijlage 2 ‘lijst percelen/ondersteuningsvormen’. Bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Er kan hulp bij het huishouden worden ingezet in het huis van de mantelzorger. Deze maatwerkvoorziening kan worden toegekend indien de mantelzorger vanwege het verstrekken van de mantelzorg niet toe komt aan het schoonmaken van zijn eigen huis en hierdoor overbelast raakt. Eerst wordt overwogen of de beperkingen van de belanghebbende (en dus niet de mantelzorger) op een andere wijze opgeheven kunnen worden. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Mantelzorg speelt hierin vaak een centrale rol. Door het wegvallen van de mantelzorg kan een gezinssysteem uit elkaar vallen. Een goede afweging en maatwerk zijn in deze gezinssituaties noodzakelijk om tot het arrangement te komen dat leidt tot een adequate ondersteuning van de gezinssituatie. Bij een aanvraag voor een mantelzorgwoning gaat het college uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst, of het zodanig aanpassen van een deel van de bestaande woning dat deze deels door de zorgbehoevende kan worden bewoond, bijvoorbeeld de verbouwing van een inpandige garage. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. In geval van dreigende overbelasting kan een maatwerkvoorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet, als het een Pgb betreft, door de mantelzorger worden ingevuld. Het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het college kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins. Met de positie van mantelzorgers kan voorts rekening worden gehouden bij het bepalen van de voorziening die noodzakelijk is om de belanghebbende lokaal te verplaatsen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden. Ook kan het noodzakelijk zijn dat de mantelzorger mee wordt vervoerd (vanwege de noodzaak tijdens het vervoer in te moeten grijpen) zodat het vervoer van de mantelzorger als noodzakelijke begeleider gratis plaats vindt. Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op 1 april 2023. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2023’ Aldus vastgesteld in de vergadering op 7 maart 2023.Het college van burgemeester en wethoudersDrs. W. MuttersecretarisMr. S.E. KorthuisburgemeesterBijlage1Pgb-plan Wat houdt een pgb in? U wilt zelf ondersteuning inkopen op grond van de Wmo. Dit kan met een Persoonsgebonden Budget (pgb). U kunt een pgb krijgen als u aan de voorwaarden voldoet. Als u kiest voor een pgb, bent u zelf verantwoordelijk voor de regelzaken die daarbij horen. Denk bijvoorbeeld aan het bijhouden van een administratie rondom het pgb, het afsluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders, contacten onderhouden met instanties en erop toezien dat de ondersteuning (nog steeds) past bij wat u nodig heeft. Kiest u voor ondersteuning door een aanbieder waar de gemeente afspraken mee heeft? Dan doet de gemeente die regelzaken voor u. BIJLAGE2Lijst percelen/ ondersteuningsvormen 1. Ondersteuningsvormen (percelen) De ondersteuning zoals bedoeld in deze overeenkomst zijn maatwerkvoorzieningen. De maatwerkvoorzieningen richten zich op het bieden van ondersteuningsactiviteiten in de (thuis)omgeving van de cliënt gericht op het bevorderen en stabiliseren van de zelfredzaamheid en participatie. Dit heeft als doel dat de cliënt zo lang mogelijk thuis kan blijven wonen en kan deelnemen aan het dagelijks leven. De client kan deze ondersteuning niet in een andere vorm–anders dan een maatwerkvoorziening– worden geboden. De keuze voor de cliënt specifieke ondersteuning komt voort uit de analyse van het onderzoek van de gebiedsteammedewerker. Het onderzoek is gericht op de hulpvraag van de inwoner met zijn persoonskenmerken. De maatwerkvoorziening is afgestemd op de situatie van de cliënt. Voor de aanbesteding van 2020 worden de volgende maatwerkvoorzieningen ingericht: Ondersteuning bij het voeren van een huishouden Individuele begeleiding Individuele begeleiding plus Dagbesteding Dagbesteding plus Arbeidsmatige groepsbegeleiding Activerende groepsbegeleiding Kortdurend verblijf Opleidingsniveau MAATWERKVOORZIENING Opleidingsniveau Ondersteuning bij het voeren van een huishouden Minimaal MBO 2 of minimaal 2 jaar relevante werkervaring Individuele begeleiding Minimaal MBO 4 denk- en werkniveau; zorg gerelateerde opleiding, aantoonbaar op basis van diploma’s en/of cursussen Individuele begeleiding plus HBO zorg gerelateerde afgeronde opleiding met minimaal 1 jaar werkervaring (exclusief stages) of HBO denk- en werkniveau aantoonbaar op basis van diploma’s en/of cursussen en minimaal 7 jaar relevante werkervaring Dagbesteding Minimaal MBO 3 denk- en werkniveau; zorg gerelateerde opleiding, aantoonbaar op basis van diploma’s en/of cursussen Dagbesteding plus Minimaal MBO 3 denk- en werkniveau; zorg gerelateerde opleiding, aantoonbaar op basis van diploma’s en/of cursussen Arbeidsmatige groepsbegeleiding Minimaal MBO 3 denk- en werkniveau, zorg gerelateerde cursussen Activerende groepsbegeleiding Minimaal MBO 4 denk- en werkniveau; zorg gerelateerde opleiding aantoonbaar op basis van diploma’s en/of cursussen Kortdurend verblijf Minimaal MBO 3 denk- en werkniveau, zorg gerelateerde cursussen Ondersteuning bij het voeren van een huishouden Ondersteuning bij het voeren van een huishouden is bedoeld voor: de cliënt met enkel een langdurige fysieke beperking waardoor werkzaamheden (deels) moeten worden overgenomen de cliënt die (deels) zelf kan aangeven/organiseren wat er in het huishouden gedaan moet worden, maar die ondersteuning nodig heeft bij en/of het aanleren van vaardigheden voor het voeren van een huishouden de cliënt die niet zelf kan aangeven/organiseren wat er in het huishouden gedaan moet worden en hierbij ondersteuning nodig heeft. De organisatie kan worden overgenomen De ondersteuning heeft betrekking op alle voorkomende werkzaamheden bij het voeren van een huishouden, waaronder: schoonmaken, wasverzorging, boodschappen voor dagelijks leven (voor zover cliënt deze niet kan bestellen bij de supermarkt of op een andere wijze deze boodschappen kan ontvangen), maaltijden, organisatie, vragen over de post, e-mail, telefoon en gebruikelijke ondersteuning voor inwonende kinderen. Er wordt actief meegedacht met de cliënt en de cliënt wordt geactiveerd zodat de cliënt zo zelfredzaam mogelijk blijft en/of wordt. Er wordt bij de ondersteuning bij het voeren van een huishouden te allen tijde aangesloten bij de vaardigheden van de cliënt. Dus: aanleren (alternatieven) waar mogelijk samen op werken als het kan fysieke overname waar noodzakelijk Er is altijd een signaalfunctie. Bij bijzonderheden en veranderingen in de gezondheids- en sociale situatie wordt actief gehandeld. Er wordt geactiveerd en indien nodig contact gezocht met de contactpersoon binnen de eigen organisatie van de aanbieder. Indien nodig, neemt deze contactpersoon contact op met de gemeente. Individuele begeleiding Individuele begeleiding is bedoeld voor de cliënt met langdurige beperkingen op het terrein van (en/of): sociale redzaamheid het bewegen en verplaatsen het psychisch functioneren het geheugen en de oriëntatie het vertonen van matig of zwaar probleemgedrag ontwikkeling Individuele begeleiding bestaat uit: activiteiten gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en participatie het ondersteunen bij of het oefenen met en aanleren van vaardigheden of handelingen het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie waaronder vaardigheden in zelfregelend vermogen het aansturen van gedrag (waarbij behandeling niet meer aan de orde
- is)Specifiek gaat het om: begeleiden in verband met tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties) begeleiden bij sociaal-emotionele/psychische problematiek die samenhangt met de problematiek die de zelfredzaamheid en participatie beperkt begeleiden bij de opbouw en onderhoud van een sociaal netwerk en contacten met als doel zelfredzaamheid begeleiden bij het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie Individuele begeleiding heeft altijd een doel. De individuele begeleiding vindt plaats tijdens werkdagen op geplande momenten én op ongeplande momenten. De begeleiding kan ondersteund worden door gebruik van WhatsApp of Facetime. Het uitgangspunt is individuele begeleiding, tenzij de cliënt voldoet aan de criteria voor individuele begeleiding plus. Individuele begeleiding heeft altijd het doel om zelfredzaamheid en/of participatie te vergroten. Individuele begeleiding plus De doelstellingen van individuele begeleiding plus zijn identiek aan de doelstellingen van individuele begeleiding. Onderstaande cliëntkenmerken maken dat een cliënt in aanmerking kan komen voor individuele begeleiding plus. Dit is aan de orde als in ieder geval onderstaande punt 1 of punt 2 van toepassing is. Zwaar probleemgedrag (gebrek aan ‘normaal geaccepteerd gedrag’) de problemen hebben continu invloed op het dagelijks functioneren van de cliënt, en; er is sprake van risico voor veiligheid van cliënt en/of omgeving. Ernstige problemen op het gebied van denken en waarneming: weinig regie/grip op het leven, en; weinig kennis en inzicht in wat hij/zij nodig heeft, en; weinig remmingen op gedrag en/of onvoorspelbaarheid en/of grilligheid (geen standaardprotocol van handelen mogelijk). Een combinatie van problematiek zonder dat punt 1 of 2 van toepassing is, is geen reden voor begeleiding plus. Voorwaarde voor begeleiding plus is tevens dat de cliënt mogelijkheden heeft om te veranderen op de onder 1 en 2 genoemde gebieden en dat de begeleiding bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie. Daarnaast dient een goede afweging gemaakt te worden of behandeling nog een mogelijkheid is. Dagbesteding Dagbesteding is bedoeld voor de doelgroep die beperkt is om een besteding van de dag zelfstandig in te vullen. Hierbij is een duidelijke verzorgingsbehoefte en/of een begeleidingsbehoefte aan de orde. Dagbesteding bestaat uit in groepsverband laagdrempelige activiteiten doen, die niet algemeen beschikbaar zijn, die aansluiten bij de belevingswereld van de cliënt. Hiermee wordt: dagritme geboden de situatie zoveel mogelijk gestabiliseerd de mantelzorger ontlast een periode tot opname in een instelling (Wlz) overbrugd sturing geboden op het gebied van de emotieregulatie De richtlijn voor de groepsgrootte is 8 personen per begeleider. Dagbesteding plus De doelstellingen van dagbesteding plus zijn identiek aan de doelstellingen van dagbesteding. De persoonskenmerken maken dat extra ondersteuning of ondersteuning in een kleinere groep nodig is. Een cliënt komt in aanmerking indien in ieder geval onderstaande punt 1 of punt 2 van toepassing is. Vaak in combinatie met meerdere van de onderstaande situaties. Zwaar probleemgedrag (gebrek aan ‘normaal geaccepteerd gedrag’) de problemen hebben continu invloed op het dagelijks functioneren van de cliënt, en; er is sprake van risico voor veiligheid van cliënt en/of omgeving. Ernstige problemen op het gebied van denken en waarneming weinig regie/grip op het leven, en; weinig kennis en inzicht in wat hij/zij nodig heeft, en; weinig remmingen op gedrag en/of onvoorspelbaarheid en/of grilligheid (geen standaardprotocol van handelen mogelijk). Een combinatie van problematiek zonder dat punt 1 of 2 van toepassing is, is geen reden om dagbesteding plus in te zetten. De groepsgrootte is maximaal 5 personen per begeleider. Arbeidsmatige groepsbegeleiding Arbeidsmatige groepsbegeleiding is bedoeld voor die doelgroep die beperkt in staat is om zelfstandig een besteding van de dag in te vullen. Deze doelgroep kan met aansturing nuttige werkzaamheden voor de maatschappij verrichten in een veilige omgeving. Met arbeidsmatige groepsbegeleiding wordt de cliënt in de groep (sociaal) geprikkeld en tijdens de werkzaamheden uitgedaagd in de eigen mogelijkheden. Hiermee wordt (sociale) achteruitgang en eenzaamheid voorkomen. De cliënt ontleent eigenwaarde aan de geleverde arbeid. Deelnemen aan arbeidsmatige groepsbegeleiding biedt structuur in de dag en week. Arbeidsvaardigheden, basisvaardig¬heden en sociale vaardigheden worden onderhouden. Deze doelgroep heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze doelgroep is leerbaar, echter de stapjes zijn op dit moment niet zo groot dat doorgroei naar (entree)opleiding, beschut werk, vrijwilligerswerk of werk met BAB-indicatie te verwachten is. De cliënt verricht activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de cliënt. De richtlijn voor de groepsgrootte is 8 personen per begeleider. Activerende groepsbegeleiding De activerende groepsbegeleiding richt zich op het overdragen of aanleren van kennis en/of vaardigheden gericht op zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt. De volgende vaardigheden worden ontwikkeld, versterkt en uitgebouwd: Basisvaardigheden: o.a. lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden, spreken Arbeidsvaardigheden: o.a. op tijd komen, opdrachten (deels) zelfstandig uitvoeren, openstaan voor veranderingen Sociale vaardigheden: o.a. gezonde voeding, er verzorgd uitzien, sociale omgangsnormen, acceptatie van anderen met hun tekortkomingen, emotie-regulatie Het omgaan met eigen beperking en acceptatie is hierbij belangrijk. De vaardigheden worden ontwikkeld in een veilige omgeving. Er is veel herhaling nodig om de vaardigheden in te slijpen. Om door te groeien en te ontwikkelen is het belangrijk dat de vaardigheden buiten deze veilige omgeving toegepast kunnen worden, dit kan alleen als de geleerde vaardigheden ingeslepen zijn. Binnen de activerende groepsbegeleiding kan er sprake zijn van activiteiten in groepsverband en één op één contact met de cliënt. Dit alles met het doel om de cliënt een stapje te laten maken. Tijdens de groepsbegeleiding wordt met en van elkaar geleerd. De één op één contacten richten zich op wat een cliënt persoonlijk nodig heeft. Dit wordt tijdens de groepsbegeleiding afwisselend van elkaar geboden. Er wordt gewerkt aan doorgroei naar een opleiding, vrijwilligerswerk, beschut werk of werk (eventueel met een BAB-indicatie). Er vindt samenwerking plaats met andere (toekomstige) betrokkenen zoals (gebiedsteam)medewerkers Wmo en participatie, onderwijsinstellingen, bedrijven, welzijnsorganisatie en andere partijen om door/uit te stromen. De talenten worden benut ten behoeve van de maatschappij. De cliënt is intrinsiek gemotiveerd om te leren en (door) te ontwikkelen. Methodisch handelen is een voorwaarde. Deze ondersteuningsvorm kan voor maximaal twee
(2)jaar worden ingezet. De richtlijn voor de groepsgrootte is 6 personen per begeleider. Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf is bedoeld voor de cliënten met gedragsproblemen waarvoor regelmatig aansturing en kortstondig toezicht op (on)planbare momenten nodig is. Deze cliënt heeft vaak een mantelzorger in de thuissituatie. Kortdurend verblijf wordt vaak ingezet ter ontlasting van mantelzorgers of ter preventie van (permanente of verdere) terugval of verslechtering of juist om een situatie te stabiliseren. Los van het preventieve karakter of de stabilisering van de cliënt, is het de bedoeling dat de mantelzorger even rust en vrij kan nemen om overbelasting te voorkomen. Kortdurend verblijf kan ook ingezet worden als tijdelijke (ziekenhuis)opname van de mantelzorger zelf nodig is of de mantelzorger tijdelijk niet de mantelzorg voor de cliënt kan bieden. Kortdurend verblijf wordt als volgt ingezet: De cliënt met zijn beperkingen gaat naar een verzorgde kamer met douche/toilet en maaltijdverzorging. De cliënt krijgt lichte begeleiding van een vrijwilliger en/of professional. Er is geen geneeskundige zorg nodig. Dit noemen we “kortdurend verblijf”. Noot: Het kan zijn dat de inwoner met zijn beperkingen thuis ondersteuning krijgt van een vrijwilliger en/of professional. Dit is wel onderdeel van de respijtzorg, maar is niet het kortdurend verblijf dat wordt ingekocht in deze procedure. Indien een cliënt permanent toezicht en/of ondersteuning in de nabijheid nodig heeft, zal onderzoek nodig zijn om te beoordelen of Wlz of Beschermd Wonen aan de orde is. Als er behoefte is aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, dan valt dit onder de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). Mantelzorgondersteuning is een speerpunt van de gemeente. Om de mantelzorger te ondersteunen zijn verschillende mogelijkheden. Zie hiervoor het mantelzorgbeleid van de gemeente. Bij alle ondersteuningsvormen met uitzondering van ‘ondersteuning bij het voeren van een huishouden’ wordt van de medewerkers verwacht dat, indien nodig, lichte ondersteuning wordt gegeven bij het laten uitvoeren van de ADL-verrichtingen. Ondersteunen bij het aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen verstrekken, ontspanning, sociaal contact en aansporing om onder de douche te gaan (lichamelijke hygiëne). In de praktijk zal dit vooral bij dagbesteding/ groepsbegeleiding voorkomen. Deze lichte ondersteuning is aan de orde als er geen behoefte is aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Indien dit wel zo is dan valt dit onder de Zvw of Wlz. Medicatie mag alleen verstrekt worden door een medewerker die hiertoe bekwaam en bevoegd is. 2. Basiseisen kwaliteit aanbieder Om goed uitvoering te kunnen geven aan de overeenkomst wordt van aanbieder vereist dat deze (naast hetgeen reeds is aangegeven in toelatingsformulier) gedurende de looptijd van de overeenkomst aan onderstaande basiseisen kwaliteit voldoet. Ter bewijs kan de gemeente de aanbieder te allen tijde verzoeken haar bewijsmiddelen te doen toekomen, waaruit opgemaakt kan worden dat zij hier inderdaad aan voldoet. Aanbieder is volledig verantwoordelijk en aansprakelijk en neemt te allen tijde de volledige verantwoordelijk en aansprakelijkheid op zich voor een optimale uitvoering van de ondersteuning en dienstverlening aan cliënten inclusief alle daarmee samenhangende processen, te leveren prestaties en het resultaat van hetgeen met hem is overeengekomen. Aanbieder doet dat op professionele wijze met inzet van voldoende ter zake deskundige en gekwalificeerde medewerkers/zorgverleners om de ondersteuning te bieden die de cliënt nodig heeft. Aanbieder komt gemaakte afspraken met cliënt en de gemeente na en communiceert hier actief over met cliënt en de gemeente. Aanbieder geeft voorrang aan de belangen van cliënt en de gemeente en bejegent deze respectvol. Cliënt staat centraal maar gemeente is expliciet opdrachtgever en bij gemeente moet verantwoording worden afgelegd. Aanbieder voldoet, werkt conform en houdt zich gedurende de looptijd van de overeenkomst te allen tijde aan de verplichtingen voortvloeiende uit de voor haar geldende en op het moment van toepassing zijnde vigerende wet- en regelgeving en de vigerende landelijke kwaliteitseisen/kwaliteitsstandaarden waaronder niet limitatief de Wmo 2015 en de daaruit voortvloeiende beleidsregels, de AVG, de Wet Arbeidsomstandigheden, de Mededingingswet, de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sectoren (WNT), het Burgerlijk Wetboek en Mededingingswet, Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de daarin benoemde en van toepassing zijnde veldnormen. Aanbieder werkt systematisch aan het verbeteren van kwaliteit op basis van één van de in het toelatingsformulier aangegeven kwaliteitssystemen of een door de gemeente toegestaan vergelijkbaar eigen kwaliteitssysteem. Het kwaliteitssysteem van aanbieder moet na ingangsdatum van de overeenkomst minimaal één keer in de drie
(3)kalenderjaren getoetst worden door middel van een externe audit door een onafhankelijke organisatie die gespecialiseerd is in het toetsen van kwaliteitssystemen in de zorg en hiervoor bevoegd of indien van toepassing (RVA) geaccrediteerd is. De in te zetten externe auditor heeft, indien niet RVA geaccrediteerd, hiertoe minimaal de opleiding tot lead auditor afgerond en heeft hiervoor een certificaat of diploma ontvangen. Onder onafhankelijk verstaan wij in dit verband een organisatie die niet betrokken is (geweest) bij het opzetten van het kwaliteitssysteem en/of bij werkzaamheden die onderdeel zijn van het kwaliteitssysteem. Aanbieder voert zijn werkzaamheden uit op basis van de dienstverleningsopdracht als verstrekt door de het gebiedsteam. Aanbieder is toegerust voor het continu en kwalitatief leveren van de vereiste verantwoorde dienstverlening. Aanbieder communiceert actief met de gemeente (waaronder het gemeentelijke gebiedsteam), heeft voldoende kennis van de Sociale Kaart, is continue op de hoogte van de beschikbare informele zorg en algemene voorzieningen en informeert de gemeente hierover ten aanzien van mutaties. Aanbieder is er verantwoordelijk voor dat de door haar te verstrekken maatwerkvoorziening van goede kwaliteit is. Dat betekent dat deze: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd en in de zin van een optimale inzet van mensen en middelen wordt verleend; beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover noodzakelijk/gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiende uit de professionele standaard(en); is afgestemd op de reële behoefte en welbevinden van cliënt en op andere vormen van zorg, ondersteuning of begeleiding die de cliënt of diens gezin ontvangt; is verstrekt in overeenstemming met de op aanbieder rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; is verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. De ondersteuning is bovendien proportioneel zodat onder- en overgebruik van zorg wordt vermeden. Aanbieder verplicht zich tot het meedenken over innovaties en optimalisaties. Aanbieder beschikt naast hetgeen reeds is bepaald in deze overeenkomst over een vastgelegd privacy beleid en houdt zich in deze bij de uitvoering van deze overeenkomst aan al hetgeen is opgenomen in de AVG. Aanbieder heeft een effectieve en laagdrempelige regeling vastgelegd voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder of haar medewerkers jegens een cliënt. Aanbieder bewaakt resultaten aan de hand van de in het zorgplan/ondersteuningsplan met cliënt geformuleerde doelen en gewenste resultaten. Het is aanbieder niet toegestaan om de door gemeente betaalde all-in tarieven zoals aangegeven in de dienstverleningsopdracht in te zetten voor financiering van andere zaken dan staan omschreven in de dienstverleningsopdracht. Hieronder vallen, niet limitatief, ook algemene dag ondersteuning, algemene voorzieningen en collectieve voorzieningen. Wel is het aanbieder toegestaan eventuele winst of marge te investeren in innovaties of algemene voorzieningen. 3. Basiseisen te stellen aan aanbieder ten aanzien van inzet en arbeidsomstandigheden Aanbieder is verantwoordelijk en aansprakelijk voor de in te zetten medewerkers. Indien en voor zover er schade ontstaat dan wel sprake is van gebrekkige dienstverlening wegens minder bekwame medewerkers is aanbieder hier direct en rechtstreeks voor aansprakelijk. Alle kosten voor herstel en (gevolg)schade zijn voor rekening van aanbieder. Aanbieder draagt zorg voor een adequaat toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden welke onder zijn verantwoordelijkheid worden uitgevoerd. Aanbieder is ervoor verantwoordelijk dat de arbeidsomstandigheden waar zij invloed op heeft en kan hebben een veilige uitvoering van de werkzaamheden voor medewerkers en cliënten garanderen. Gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst garandeert aanbieder bij vervanging c.q. uitbreiding van personeel minimaal een gelijk deskundigheidsniveau. Aanbieder zorgt voor de benodigde scholing, trainingen, cursussen en deskundigheidsbevordering voor de door haar in te zetten medewerkers en vrijwilligers (zelfstandig opererende zorgverleners dragen zelf verantwoordelijkheid voor hun deskundigheidsbevordering). Aanbieder draagt zorg dat zijn medewerkers en vrijwilligers, die beroepsmatig direct met cliënt in contact kunnen komen in het kader van onderhavige opdracht, door hem gescreend zijn op goed gedrag en dat zij geen strafbare feiten gepleegd hebben of hiertoe een poging hebben gedaan. Aanbieder dient hiertoe voor deze medewerkers een VOG te kunnen overleggen welke op moment van indiensttreding van de medewerker niet ouder is dan drie
(3)maanden. Aanbieder staat hiervoor garant. Aanbieder overlegt op eerste verzoek van gemeente eventuele VOG-verklaringen. Alle medewerkers die bij de cliënt thuiskomen legitimeren zich (legitimering met een werknemerspas van aanbieder is toegestaan) en tonen aan dat ze voor aanbieder werken. Aanbieder signaleert en handelt bij vermoedens van mishandeling zoals is vastgelegd in de van toepassing zijnde Wet Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling als vertaald in de (Friese) Meldcode en heeft hiervoor de medewerkers geschoold. Aanbieder signaleert eventuele overbelasting van aanwezige mantelzorgers/vrijwilligers en/of sociaal netwerk en rapporteert dit aan gemeente. Aanbieder zorgt ervoor dat haar medewerkers adequaat handelen in geval van signalen die wijzen op bedreiging van de veiligheid van cliënt en deze signalen onverwijld doorgeleiden naar de gemeente of door de gemeente aan te wijzen derde(n) en in overleg met de gemeente worden omgezet in concrete acties door aanbieder dan wel door inschakeling van andere bij cliënt betrokken dienstverlenende instanties en professionals op het gebied van wonen, welzijn, participatie, hulp en zorg. Aanbieder draagt er zorg voor dat de aangeboden ondersteuning en dienstverlening die wordt aangeboden (door medewerker en in te schakelen derden) voldoet aan wettelijke vereisten, beroepscodes, landelijke door beroepsgroepen geautoriseerde richtlijnen, professionele standaarden en handreikingen en de eisen en voorwaarden als benoemd in deze overeenkomst inclusief annexen. Aanbieder draagt er zorg voor dat in het geval van vervoer van cliënten er een ongevallen- en inzittendenverzekering is afgesloten. 4.Basiseisen te stellen aan medewerkers van aanbieder Medewerkers als zorgverlener in te zetten bij de cliënt zijn ter zake deskundige, vakbekwame cliëntgerichte professionals. Dat wil zeggen dat deze medewerkers: werken vanuit een gevoel en interesse voor het wel en wee van de cliënt; adequaat kunnen omgaan met de gezondheidsrisico’s van cliënt, op een manier die recht doet aan het eigen leven van de cliënt, de algemene dagelijkse levensbehoeften van de cliënt en de mogelijkheden die cliënt heeft binnen zijn/haar eigen regie; vraaggericht werken, maar ook proactief acteren bij minder mondige cliënten of bij cliënten die hun eigen situatie slecht overzien; beschikken over een functiegerichte opleiding of over aantoonbare benodigde competenties van het niveau dat behoort bij de betreffende ondersteuningsvorm; waar nodig (aanvullend) worden opgeleid en bijgeschoold op basis van relevante ontwikkelingen met betrekking tot de uit te voeren werkzaamheden; geïnstrueerd en getraind zijn in het signaleren van onveilige situaties en knelpunten; sociaal vaardig zijn; respect hebben voor iemands geloofsovertuiging en/of leefwijze; de Nederlandse taal actief en passief beheersen; weten waar hun bevoegdheid ligt en zich hier aan houden; bekend zijn met de verschillende doelgroepen binnen de Wmo. Medewerkers voeren de ondersteuning uit naar beste weten en geven daarbij met inachtname van de dienstverleningsopdracht van gemeente voorrang aan de belangen van de cliënt. Medewerkers komen gemaakte afspraken met de cliënt na en communiceren hier actief met de cliënt over. Medewerkers werken vakkundig, zelfstandig, methodisch en resultaatgericht volgens het zorgplan/ondersteuningsplan. Hieronder wordt verstaan dat ze; richtlijnen/protocollen toepassen, die gebaseerd zijn op actuele kennis volgens professionele, geautoriseerde, algemeen aanvaarde standaarden; binnen de grenzen van hun bekwaamheid en bevoegdheid blijven en verwijzen zo nodig door naar andere disciplines; adequaat samen werken met collega's, andere disciplines, mantelzorgers en vrijwilligers, zodat de continuïteit in ondersteuning gewaarborgd is; met familie/verwanten overleggen als de cliënt dat wil of als de cliënt minder goed in staat is de eigen situatie te overzien. Medewerkers zijn betrouwbaar in hun vakgebied. Hieronder wordt verstaan dat ze: in staat zijn een vertrouwensrelatie met de cliënt op te bouwen; zich aan afgesproken werkzaamheden en afgesproken tijden houden; vertrouwelijk omgaan met privégegevens van de cliënt; zorgvuldig omgaan met eigendommen van de cliënt. Medewerkers signaleren tekorten of niet passende ondersteuning. Hieronder wordt verstaan dat ze: signaleren als de ondersteuning niet meer passend is; overleg voeren over niet passende zorg met bij de cliënt betrokken zorgverleners, het gebiedsteam en de eigen leidinggevende; als het nodig of wenselijk is, afspraken maken met de cliënt (of diens vertegenwoordiger) over aanpassingen en verbeteringen die passen binnen het zorgplan/ondersteuningsplan; als het nodig is, de cliënt helpen bij het aanvragen van een herindicatie; signalen en eventuele afspraken over aanpassingen en verbeteringen vastleggen in het zorgplan/ondersteuningsplan. Medewerkers dragen zorg voor een verantwoorde ondersteuning. Hieronder wordt o.a. verstaan dat ze: ondersteuning bieden die in ieder geval doeltreffend, doelmatig, veilig en cliëntgericht is; de ondersteuning afstemmen op de door de gemeente verstrekte dienstverleningsopdracht en de reële behoefte van de cliënt. Medewerkers/vrijwilligers of door aanbieder in te zetten derden die het vervoer voor cliënten uitvoeren: zijn in het bezit van een geldig rijbewijs voor het betreffende voertuig; hebben affiniteit met de doelgroep en kennis hoe om te gaan met deze doelgroep; hebben (indien noodzakelijk) kennis en ervaring met het vastzetten van rolstoelen en zorgen er voor dat deze veilig worden vastgezet in een voertuig speciaal bestemd voor rolstoelvervoer; zorgen ervoor dat de inwoner veilig en comfortabel vervoerd wordt, waaronder toezicht op het gebruik van de autogordel; zijn bekend met het omgaan met hulpmiddelen zoals het vastzetten van een rolstoel. 5.Basiseisen vrijwilligers Vrijwilligers worden door aanbieder ingezet voor aanvullende taken. Vrijwilliger mag incidenteel ingezet worden bij lichte vormen van ondersteuning, onder supervisie van de reguliere begeleider. Vrijwilligers werkzaam bij aanbieder dragen nooit eindverantwoordelijkheid bij een opdracht. Van aanbieder wordt verwacht dat zij hun vrijwilligers begeleiden (ten minste eens per jaar een evaluatiegesprek). 6.Wijze verstrekken van dienstverleningsopdrachten Voordat er sprake is van een feitelijke uitvoering van de voorziening op basis van een acceptatieplicht bestaat de mogelijkheid om kennis te maken met de inwoner, gemeente en aanbieder. Daarna kan zowel inwoner als aanbieder besluiten wel of niet over te gaan tot de feitelijke uitvoering van de voorziening. Als inwoner besluit geen zorg te willen ontvangen van deze aanbieder, dan coördineert gemeente de keuze voor een andere aanbieder. Als aanbieder besluit dat niet moet worden overgegaan tot feitelijke dienstverlening, meldt deze dat gemotiveerd bij gemeente. Gemeente besluit of aanbieder op basis van deze motivatie kan afzien van het leveren van de voorziening. Besluit zij dat dit zo is, dan, afhankelijk van de motivatie van aanbieder, coördineert gemeente de keuze van inwoner voor een andere aanbieder of neemt zij een aangepast besluit op basis van een aangepast Maatwerkplan. Besluit gemeente dat aanbieder op basis van de motivatie niet kan afzien van het leveren van de voorziening dan geldt dat aanbieder de dienstverleningsopdracht moet accepteren. De aanbieder maakt binnen zes
(6)weken na ontvangst van de dienstverleningsopdracht een zorgplan/ondersteuningsplan dat voor gemeente beschikbaar is op het moment dat er een evaluatie plaatsvindt. Aanbieder meldt binnen vijf
(5)werkdagen na plaatsvinden/constateren bijzonderheden die van invloed zijn op de zorglevering aan gemeente. Zoals het weigeren van zorg, opname in het ziekenhuis of GGZ-instelling of langdurig verblijf in het buitenland. Aanbieder heeft leveringsplicht. Tijdens vakanties en ziekte van medewerkers wordt uiterlijk vanaf de zesde dag een vervanger ingezet. Tenzij er in overeenstemming met cliënt en/of gemeente een andere oplossing wordt gevonden. In het geval van no show kan aanbieder maximaal 1x per periode één tijdseenheid per cliënt declareren bij de gemeente. De daaropvolgende no shows binnen dezelfde zorgperiode kunnen niet worden gedeclareerd tenzij het gebiedsteam hiervoor per e-mail expliciet toestemming heeft gegeven. Aanbieder meldt het bij het gebiedsteam indien 3x of meer dan 3x no show heeft plaatsgevonden bij de betreffende client in één
(1)periode. De opdrachtverstrekking aan aanbieder bevat tenminste de volgende gegevens: BSN van inwoner; NAW-gegevens inclusief telefoonnummer en e-mailadres; doel(
- en)van de opdracht; begin- en einddatum van de opdracht; omvang van de opdracht productcode Indien dit naar oordeel van gemeente noodzakelijk is, kan aanbieder de verplichting worden opgelegd periodiek tussentijds een voortgangsrapportage te verstrekken. Bij het einde van de dienstverleningsopdracht wordt een eindrapportage opgesteld. De aanbieder is gehouden aan bepalingen die direct voortkomen uit de overeenkomst die mogelijkerwijs niet expliciet worden omschreven in de dienstverleningsopdracht. Indien aanbieder meent dat (na afgifte dan wel gedurende de loop van de opdracht) de dienstverleningsopdracht (qua benoemd resultaat) aanpassing behoeft, treedt aanbieder daarover in overleg met gemeente. Gemeente beoordeelt vervolgens het verzoek van aanbieder en past – indien gemeente dat nodig acht – de dienstverleningsopdracht aan. Monitoring van opdracht door gemeente vindt plaats conform hetgeen is afgesproken in de dienstverleningsopdracht en hetgeen is bepaald in de overeenkomst (waaronder verlenen van medewerking aan cliëntervaringsonderzoeken, et cetera). 7.Bijzonderheden bij het uitvoeren van dienstverleningsopdrachten Het betrekken van vrijwilligers bij de uitvoering van de opdracht moet bijdragen aan de doelen, zoals beschreven in de uitgangspuntennotitie van de OWO-gemeenten (versterking van het sociaal netwerk en optimalisering en facilitering van de inzet van vrijwilligers en/of mantelzorgers, ondersteuning dichtbij en met lokale aanbieders en de inwoners organiseren, beweging naar lichtere vormen van ondersteuning, efficiënte en effectieve samenwerking, minder administratie en minder bureaucratie, inzet van technologie en domotica en optimaal resultaat met de beschikbare middelen). Aanbieders melden incident of geweld bij het uitvoeren van de voorziening, waarbij de (psychische) veiligheid van de cliënt en/of de professional in het geding is, bij de gemeente. Zij doen dit door binnen 48 uur na ontvangst signaal een e-mail te sturen naar gemeente met daarbij een beschrijving van het incident of het geweld. Bij een calamiteit wordt de gemeente vanwaar de cliënt afkomstig is direct geïnformeerd. Cliënt kan van aanbieder of combinatie van aanbieders wisselen. Aanbieder heeft de mogelijkheid dienstverlening aan cliënt te stoppen, mits dit wordt geaccordeerd door de gemeente. Als cliënt of aanbieder niet akkoord is met opzegging geeft gemeente een voor alle partijen bindend advies. In beide gevallen geldt dat cliënt of aanbieder een opzegtermijn van een kalendermaand in acht moet nemen. Deze opzegtermijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de opzegging is gedaan. Gemeente kan besluiten, op verzoek van cliënt of aanbieder, de genoemde opzegtermijn te verkorten. Indien aanbieder de dienstverlening aan cliënt stopt dan is aanbieder verantwoordelijk voor een zorgvuldige overdracht aan de nieuwe (vervangende) aanbieder en het doorgeven hiervan aan de gemeente. De coördinatie bij opzegging en wisselen van aanbieder op initiatief van de cliënt ligt bij gemeente. In crisissituaties waarin onmiddellijk ondersteuning noodzakelijk is, wordt binnen 24 uur gestart met de uitvoering. Deze ondersteuning kan worden ingezet: op verzoek van de gemeente, conform de afgegeven opdrachtverstrekking; zonder opdrachtverstrekking omdat het wordt ingezet op niet-werkdagen of vrije dagen; de aanbieder is verplicht om binnen 24 uur (op de eerstvolgende werkdag) hiervan melding te doen bij de gemeente. 8.Monitoring en doelrealisatie Aanbieders en gebiedsteam meten bij de evaluatie, mede aan de hand van het maatwerkplan en zorgplan/ondersteuningsplan, de doelrealisatie en de ervaring van cliënten die een voorziening ontvangen. Als de uitkomst(
- en)van de evaluatie(
- s)daar aanleiding toe geeft dan stelt de aanbieder op verzoek van gemeente een verbeterplan op en informeert de gemeente hierover. Aanbieders leveren eenmaal per jaar in januari over het voorgaande jaar een totaalrapportage van ontvangen klachten over geboden voorziening naar aard en oorzaak aan, voor het eerst in januari 2021. 9.Social Return in Friesland In Friesland is sinds medio 2016 de Friese eis voor Social Return van kracht. Voor deze opdracht geldt dat in ieder geval boven een opdrachtwaarde van 100.000 euro een SROI verplichting geldt van 2% van de opdrachtwaarde. Meer informatie over social return in Friesland is te vinden op: https://socialreturninderegio.nl/social-return/wat-we-doen/coordinatiepunt-social-return-fryslan/uniforme-eis-social-return-friese-eis. Bijlage3Financiële tegemoetkoming Beleidsregels Financiële tegemoetkoming | Gemeente Ooststellingwerf | | Wet Maatschappelijke Ondersteuning | 2022 | |Opsteller: mr. A.G. Ritsma| 13 juni 2022 | | Inleiding | Wat Deze beleidsregels geven invulling aan van de artikelen 33 t/m 35, en artikel 36 lid 1,4 en 7 van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2022. Waarom Sinds 1 januari 2022 zijn de bovengenoemde artikelen toegevoegd aan de Verordening. Hierdoor is een juridische grondslag ontstaan voor het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen op grond van de Wmo. Voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen kan vanaf 1 januari 2022 een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening worden verstrekt. Deze beleidsregels geven richting aan de uitvoering van financiële tegemoetkomingen in de praktijk. Toepassingsbereik Deze beleidsregels geven uitleg over het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor noodzakelijke kosten van onderhoud en reparatie van een voorziening. De regels voor de financiële tegemoetkoming voor collectief vervoer en de verhuiskosten vergoeding (primaat van verhuizen) stonden al in de Verordening (artikel 18 c.q. 20). Deze beleidsregels zijn niet van toepassing voor de deze twee vormen van financiële tegemoetkomingen. 1. Wat is een financiële tegemoetkoming? Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag die de gemeente ter beschikking stelt aan een inwoner. De inwoner gebruikt dit geldbedrag om zelf een (Wmo)-voorziening mee in te kopen. Een financiële tegemoetkoming is niet volledig kostendekkend. Dit betekent dat het verstrekte geldbedrag lager is dan de (goedkoopste) kostprijs van een voorziening. De financiële tegemoetkoming is, het woord zegt het al, een tegemoetkoming in de kosten. Dit houdt dus ook in de dat inwoner een deel van de voorziening zelf financiert. Een financiële tegemoetkoming moet ‘een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager’. Met andere woorden, het bedrag moet hoog genoeg zijn om (een passende) voorziening mee aan te kunnen schaffen. Inwoners betalen bij een financiële tegemoetkoming een deel van de aanschafprijs van de voorziening zelf. De inwoner moet dit eigen aandeel wel financieel kunnen en willen dragen. Na realisering/verstrekking van de voorziening waarvoor een financiële tegemoetkoming is verstrekt, wordt de inwoner eigenaar van de voorziening. Een woningaanpassing (aanbouw) maakt bijvoorbeeld onderdeel uit van de woning van de inwoner.1Bij een onroerende woningaanpassing in/aan een huurwoning, wordt de aanvrager geen eigenaar, maar heeft wel het vruchtgebruik van de woning. Een financiële tegemoetkoming kan, net als een voorziening in natura (ZIN) of een pgb, worden aangemerkt als maatwerkvoorziening. Hieronder de drie verschillende verstrekkingsvormen: Verstrekking in Natura: Gemeente ➔ gecontracteerde partij ➔ inwoner Een maatwerkvoorziening kan verstrekt worden in natura (ZIN), via het gecontracteerde aanbod. De gemeente geeft dan opdracht aan een aanbieder of leverancier, om een dienst of product te leveren aan de inwoner. Verstrekking als persoonsgebonden budget (pgb): Gemeente ➔ inwoner ➔ niet gecontracteerde zorgaanbieder of leverancier De gemeente stelt aan de inwoner een geldbedrag ter beschikking. De inwoner koopt daarmee zelf een dienst of product in bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder- of leverancier. Verstrekking als financiële tegemoetkoming Gemeente ➔ inwoner ➔ niet gecontracteerde leverancier of derde partij De inwoner krijgt een geldbedrag ter beschikking (financiële tegemoetkoming) waarmee hij zelf een voorziening aanschaft. De inwoner kan de financiële tegemoetkoming gebruiken om een voorziening in te kopen bij een derde partij, niet zijnde een zorgaanbieder. Bijvoorbeeld bij een aannemer t.b.v. een woningaanpassing. Een financiële tegemoetkoming is passend in de volgende situaties: Als het gaat om een voorziening die niet binnen het gecontracteerde aanbod valt of waarbij geen vergelijkbaar ZIN-alternatief kan worden geboden (niet beschikbaar is); Als het gaat om een voorziening waarbij geen sprake is van een zorgovereenkomst tussen inwoner en een zorgaanbieder; Als het gaat om een voorziening die bestaat uit een combinatie van het leveren van producten en diensten; Uitgangspunt van de Wmo is dat een inwoner een voorziening in natura geleverd krijgt. Levering in natura betekent dat de gemeente de voorziening rechtstreeks aan de inwoner levert, meestal via het gecontracteerde aanbod. Soms is het niet goed mogelijk om een voorziening in natura te verstrekken. Voor die situaties kan een pgb een alternatieve verstrekkingsvorm zijn. Voor een aantal voorzieningssoorten is het tevens lastig om aan de administratieve of juridische voorwaarden voor een pgb te voldoen. Hiermee wordt bedoeld: De pgb-voorwaarden zoals bedoeld in de wet2Artikel 2.3.6 (lid 2) Wmo 2015 en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan als de SVB het pgb-beheer namens de gemeente uitvoert. Voor situaties waarin verstrekking in natura eigenlijk niet goed mogelijk is, en een pgb ook niet passend is, heeft een financiële tegemoetkoming als maatwerkoplossing/voorziening voorkeur boven verstrekking in ZIN of PGB. Hier