StookontheffingenbeleidHoofdstuk1:Verbranden in de open lucht van afvalstoffen Inleiding In het verleden zijn diverse pogingen ondernomen om te komen tot uniformering van de stookbepalingen (in een door de gemeenteraad vastgestelde verordening, zoals de Algemene Plaatselijke Verordening). Deze bepalingen verschillen vooral ten aanzien van het verbranden van agrarische reststoffen buiten inrichtingen, maar ook ten aanzien van de meldingsprocedure, de aard van de melding en de handhaving van de betreffende stookbepalingen voert iedere gemeente een eigen beleid. Om voornoemde redenen heeft het Provinciaal MilieuOverleg Zeeland-noord (kortweg PMO) in 1999 ingestemd met het uitvoeren van het project “verbranden in de open lucht van snoei- en resthout”. Doelstelling van dit project was een eensluidende stookregeling te ontwikkelen die in de verordeningen van alle gemeenten zou worden opgenomen. Al enige tijd was echter sprake van de voorbereiding voor een landelijke regeling houdende een algeheel verbod op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Omdat deze ontwikkelingen dusdanig waren, is het project in 2001 door het PMO in zijn huidige vorm (tijdelijk) stilgelegd. Afhankelijk van de ontwikkelingen en wensen van het PMO zou een eventuele doorstart van het project kunnen plaatsvinden. In het meerjarenprogramma 2003- 2005 heeft het PMO ingestemd met het voorstel het project opnieuw op te pakken. Doelstelling In het Provinciaal Milieu Overleg-Noord van 11 september 2002 is verzocht in 2003 een voorstel voor een regionale beleidslijn te ontwerpen met betrekking tot ontheffingsmogelijkheden van het stookverbod in de APV. Aanleiding voor dit verzoek was de politieke wens om een uniform beleid te hanteren en een einde te maken aan willekeur. Aan de werkgroep de taak om hiervoor een (juridisch) verantwoorde regeling te ontwerpen, die voor alle gemeenten en handhavingsinstanties aanvaardbaar kan zijn. Afgesproken werd dat in 2003 een eensluidende stookregeling zou worden opgesteld voor alle bij de samenwerking betrokken partners. Door de gewijzigde artikelen 10.2 en 10.63 van de Wet milieubeheer is met name de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen door het college van B&W (indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet) onderzocht en onder welke voorwaarden. In dit beleidsstuk wordt daarom uitgegaan eenduidige ontheffingsregeling van het stookverbod op basis van de Wet milieubeheer van afvalstoffen buiten inrichtingen voor de gemeente Goes. Wijziging van het beleid Voortschrijdend inzicht heeft er toe geleid dat het beleid wat is vastgesteld op 18 februari 2005, in dit beleidsstuk is gewijzigd. Deze wijziging is overeenkomstig de inhoudelijke besluitvorming hierover in het PMO van 27 juni
(1996)niet meer toegestaan en dus ook geen alternatief. Hergebruik in de vorm van het ter plekke verspreiden, versnipperen of composteren heeft dus de voorkeur boven verbranden of storten. Als mogelijk alternatief kan dus gedacht worden aan klein maken en ter plaatse verspreiden, ter plaatse versnipperen en afvoeren naar bijv. een composteringsinrichting of afvoeren naar verbrandingsoven. ALARA Eén van de uitgangspunten in het milieubeleid is het Alara-principe (as low as reasonably achievable), d.w.z. dat gestreefd moet worden naar een zo gering mogelijke belasting van het milieu, met toepassing van de best beschikbare technieken, tenzij deze redelijkerwijs niet kunnen worden gevergd. In deze afweging kunnen technische, bedrijfseconomische en maatschappelijke belangen worden betrokken. Zwaarwegende praktische en/of financiële omstandigheden kunnen aanleiding zijn om in een individueel geval hiervan af te wijken. Voor het overige hebben boomkwekerijen en fruitteeltbedrijven net als andere bedrijven en instellingen de verantwoordelijkheid om - ook in financiële zin - bij te dragen aan de beperking van de milieubelasting. Conclusie Gelet op de algemene uitgangspunten van het milieubeleid (LAP, Ladder van Lansink, Alara) dient met het verbod op het verbranden van afvalstoffen naar een hogere trede in de Ladder van Lansink te worden gezocht voor de verwerking van afvalstoffen. Op dit moment liggen de mogelijke alternatieven voor het verwerken van de afvalstoffen vooral uit het oogpunt van de te maken kosten erg lastig. Voorgesteld wordt daarom om een weliswaar terughoudend, maar vooral handhaafbare regeling te hanteren. Als de mogelijkheden voor de verwerking van alternatieven verderop in de tijd nader worden uitgewerkt zal de huidige regeling opnieuw onder de loep worden genomen (herijkt). Hoofdstuk6:Ontheffingscriteria Het blijkt dat voor het wel of niet verlenen van een ontheffing het noodzakelijk is heldere criteria te formuleren. Voorafgaand aan de formulering van de criteria c.q. regeling is nagegaan voor welke situaties de ontheffingsmogelijkheid in principe is bedoeld. Reikwijdte wet en de ontheffingsmogelijkheid Uit de kamerbehandeling van het wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet milieubeheer blijkt dat de ontheffing in ieder geval kan worden verleend voor: vreugdevuren, zoals evenementen- en oudejaarsvuren instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein landschapsbeheer De minister gaf tegenover de Kamer verder aan dat fruitsnoeihout en aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak daarnaast over enkele gevallen, zoals de bestrijding van bepaalde ziektes, waarin het noodzakelijk is op korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de zieke bomen, te nemen. De uitgebreide procedure van ontheffingverlening duurt in deze gevallen te lang om een ontheffing te verlenen. Daarom zou voor deze gevallen een ontheffing verleend kunnen worden, waarbij in de ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Om de objectiviteit te bewerkstelligen kan een verklaring van de Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen worden geëist. Als voorschrift kan worden opgenomen dat in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk moet worden gescheiden. Als alternatieve mogelijkheid voor het advies van de Plantenziektekundige Dienst is het mogelijk de beleidsmedewerker groen van de gemeente, mits deze voldoende hiervoor is opgeleid, een schriftelijk advies te laten geven. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie. Op grond van artikel 10.63, tweede lid, is het in ieder geval verboden ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder is het mee verbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie) absoluut verboden. Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. Ook dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond van artikel 10.21 Wet milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen inzameldienst. Benadrukt dient te worden dat het in principe aan het bevoegd gezag is om zelf invulling te geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt ook voor een absoluut verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wet milieubeheer de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wet milieubeheer - een absoluut stookverbod blijven hanteren. Door te kiezen voor een regionaal eenduidige stookregeling stemmen alle betrokken gemeenten in met de toepassing van de voorgelegde stookregeling. Milieuhygiënische randvoorwaarden bij verbranden Besloten kan worden geen gebruik te maken van de ontheffingsmogelijkheid en alleen de genoemde alternatieven toe te staan. Gezien de huidige praktijk in de gemeente Goes is het verstandig om toch in beperkte mate ontheffingen te verlenen. Belangrijk is dat er alleen ontheffingen worden verleend voor niet van derden afkomstig snoei- en restafval. De volgende criteria zijn ontwikkeld om een duidelijk afwegingskader te creëren: Er mag alleen schoon hout worden verbrand. Dus geen wortels en boomstammen; Binnen de bebouwde kom mag hout niet worden gestookt. Ook mag er geen hout dat is ontstaan binnen de bebouwde kom naar het buitengebied worden overgebracht om daar te verbranden De totale hoeveelheid te verbranden afvalstoffen per brandstapel mag niet boven de 50 m³ uitkomen. Dit in verband met de beheersbaarheid van de brandstapel. Voor een evenementenvuur (kampvuur e.d.) geldt een dezelfde hoeveelheid De hoogte van de brandstapel in m¹ vermenigvuldigd met de factor 6 is de minimale afstand in meters. Binnen deze afstand van het vuur mogen zich geen opstallen, openbare weg, bossages, hoogspanningskabels, bomen, houtwallen of andere houtopstanden en dergelijke bevinden. De minimale afstand is 30 meter Indien aan deze criteria is voldaan, kan een ontheffing worden verleend met de daarbij behorende voorschriften. Overigens zijn de criteria vertaald in de ontheffingsvoorschriften. Beschikbaarheid van alternatieve verwerkingsmogelijkheden Voor een aantal categorieën te verbranden afvalstoffen geldt dat er goede alternatieve verwerkingsmogelijkheden bestaan. Zo zijn particulieren veelal in staat om deze grove huishoudelijke afvalstoffen (snoei- en resthout) achter te laten bij de gemeentelijke milieustraat. Daarnaast kan stamhout, dat vrijkomt bij het rooien van houtopstanden, als haardhout verkocht worden. Ook kan snoeihout worden versnipperd waarna vervolgens een nuttige toepassing kan worden gezocht. Er is daarom geen noodzaak om dit product ter plaatse te verbranden. Toegestane categorieën te verbranden afvalstoffen In tabel 1 zijn verschillende categorieën van te verbranden afvalstoffen benoemd. Achter de vastgestelde categorieën is bepaald of deze wel of niet voor ontheffing in aanmerking komen. Het verlenen van een ontheffing is niet toegestaan voor die categorieën waarvoor nu reeds goede alternatieve verwerkingsmogelijkheden beschikbaar zijn. Indien goede en voldoende alternatieve verwerkingsmogelijkheden op korte termijn beschikbaar kunnen komen, kunnen de ontheffingsmogelijkheden worden aangepast bij de evaluatie van de voorliggende regeling. De onderstaande regeling geldt dan ook als een limitatieve opsomming van die categorieën die in aanmerking komen voor het verlenen van een ontheffing. De tabel 1 te verbranden afvalstoffen in de openlucht: Categorie Ontheffingverlening mogelijk? Kampvuren t.b.v.bijzondere evenementen, scoutingactiviteiten daaronder begrepen1 Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of er sprake is van een bijzonder evenement. Ja Vreugdevuren in het kadervan feestelijkheden met een algemeen karakter2 Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of er sprake is van een feestelijkheid met een algemeen karakter. Ja Zieke planten- en houtopstanden3 Een ontheffing voor het verbranden van ziek hout kan alleen worden verleend indien er ook een verklaring van de Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen wordt ingediend bij de aanvraag voor een ontheffing. Ja (buiten bebouwde kom) Vlasresten en bloemzadenteelten bij misoogst4 Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of er sprake is van een misoogst Ja (buitenbebouwde kom) Snoeihout en takkenhout Ja (buitenbebouwde kom) Stamhout en boomstronken Nee Wegbermen en akkers Nee Slootmaaisel Ja (buiten bebouwde kom) Overige afvalstoffen Nee Voor alle andere in de tabel opgesomde categorieën waar "nee" in de kolom ontheffingverlening is opgenomen, zijn alternatieve verwerkingsmethoden beschikbaar. Voor die categorieën wordt door het bevoegd gezag geen ontheffing verleend. tabel 2 toelichting op de te verbranden afvalstoffen in de buitenlucht Het houden van kamp- en vreugdevuren ten behoeve van bijzondere evenementen, feestelijkheden met een algemeen karakter en op locaties waar scoutingactiviteiten plaatsvinden. Aangezien hierbij veelal sprake is van een relatie met Algemene Plaatselijke Verordening is een gecombineerde APV-/Wet milieubeheer-ontheffing nodig. Praktische uitvoering. Voorzienbaar dus tijdig vooraf ontheffing- aanvraag indienen. Het verbranden van takken- en snoeihout (geen stamhout zijnde) buiten bebouwde kommen als bedoeld in de Wegenverkeerswet, met een beperking van de stookperiode van 1 januaritot 1 mei. Vanwege de afhankelijkheid van de weersomstandigheden wordt in deze gevallen voorgesteld geen verdere beperking in de vorm van een periode op te nemen. Dit wordt voor de handhaving niet bezwaarlijk geacht omdat de hoeveelheid en de stooklocatie in de ontheffing worden vermeld. Praktische uitvoering. Voorzienbaar dus tijdig vooraf ontheffing- aanvraag indienen [4 weken] Het verbranden van slootmaaisel buiten bebouwde kommen als bedoeld in de Wegenverkeerswet met een beperking van de stookperiode van 1 september tot 1 maart. Deze periode sluit aan op het maaiseizoen (eindaugustus tot en met december). Vanwege de afhankelijkheid van de weersomstandigheden wordt in deze gevallen voorgesteld geen verdere beperking in de vorm van een periode op te nemen. Dit wordt voor de handhaving niet bezwaarlijk geacht omdat de hoeveelheid (zo mogelijk) en de stooklocatie in de ontheffing worden vermeld. Het afbranden van slootkanten valt hier nadrukkelijk niet onder en wordt derhalve niet toegelaten. Praktische uitvoering. Voorzienbaar dus tijdig vooraf ontheffing- aanvraag indienen [4 weken] In bijzondere omstandigheden (bijv. calamiteiten) kan het noodzakelijk zijn om te verbranden. Dit is specifiek aan de orde bij constatering van besmettelijke ziektes in (vrucht)bomen, waarbij de besmetting alleen door verbranding kan worden voorkomen. Hiertoe dient een deskundigenrapport te worden overgelegd. Een andere vorm van een calamiteit is een misoogst, waarbij het anderszins verwerken geen oplossing biedt. Het betreft in dit kader de teelt van vlas (en nog naderte benoemen bloemzaden) Onder bijzondere omstandigheden worden in elk geval niet verstaan het afbranden van stoppelvelden en het verbranden van achtergebleven stroo- en hooiresten, indien onderwerken of vercomposteren ter plaatse mogelijk is. Praktische uitvoering. Als regel niet voorzienbaar. Telefonisch of aan de balie melden met overlegging bewijsmiddel [enkel bij besmettelijke (vrucht)boomziektes]. Het achteraf overleggen van een bewijsmiddel is acceptabel indien dit door omstandigheden niet anders kan (de Plantenziektekundige Dienst bijvoorbeeld is niet onmiddellijk voor onderzoek ter plaatse beschikbaar) Mondelinge ontheffing. Gemeente meldt onmiddellijk door aan politie en bevestigt ontvangst meldingper omgaande schriftelijk aan de melder. Permanente en/of individuele ontheffing Bij het verlenen van ontheffingen is het uitsluitend mogelijk individuele ontheffingen te verlenen. Zo is het niet mogelijk voor meerdere agrariërs één ontheffing te verlenen of een brancheorganisatie een ontheffing voor alle belanghebbenden te verlenen. Een ontheffing is namelijk een uitzondering op een verbod (in dit geval het verbrandingsverbod) in individuele situaties. Het verlenen van een ontheffing voor een grote groep van agrariërs zou feitelijk neerkomen op een vrijstelling. Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer biedt voor een vrijstelling of het verlenen van één algemene ontheffing voor een groep van mensen geen ruimte. Criteria ontheffing Daarnaast is door slechts ontheffingen te verlenen voor eenmalige verbrandingen er een drempel ingebouwd, waardoor men eerder zal gaan zoeken naar alternatieve verwerkingsmogelijkheden. Daarnaast is bij individuele ontheffingen een betere efficiëntere handhaving mogelijk en kunnen verbrandingen beter worden gereguleerd (bijv. geen verbrandingen toestaan in een langdurige droge periode). Conclusie De ontheffingsregeling heeft een strikt kader, waarbij uitsluitend ontheffingen worden verleend voor die gevallen waarvoor in tabel 1 een ontheffingverlening wordt toegestaan én die aan de eerder genoemde criteria voldoen. Daarnaast worden ontheffingen alleen voor éénmalige verbrandingen worden verleend. Hoofdstuk7:Ontheffingsprocedure Gemeentebesturen zijn bevoegd conform artikel 10.63 Wet milieubeheer om ontheffing te verlenen voor het verstoken van afval buiten inrichtingen. Niet aangegeven wordt onder welke voorwaarden die ontheffingen verleend kunnen worden. Door het verlenen van een ontheffing voor het stoken van afvalstoffen krijgt het stoken van vuur een officiëlere status en is de handhaving beter te regelen. Wijzigingen in de juridische procedure Bij de ontheffingverlening op grond van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer diende voor 1 juli 2005 de volgende procedure gevolgd te worden: op grond van artikel 10.64 Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5 - 8.25 Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing op een ontheffing van het verbrandingsverbod. In artikel 8.6 Wet milieubeheer worden de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing verklaard, dat wil zeggen de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Dit houdt in grote lijnen het volgende in: het sturen van een ontvangstbevestiging, het opstellen van een ontwerpbesluit, het gedurende vier weken ter inzage leggen van het verzoek en het ontwerpbesluit, het kennis geven daarvan, het eventueel organiseren van een gedachtewisseling en het reageren op eventuele bedenkingen en het nemen van het besluit. Deze behoorlijk omslachtige procedure is het gevolg van een hiaat in de wetgeving. In de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is artikel 10.64 Wet milieubeheer uitgebreid met een derde lid: ‘In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.
- van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid.’ De inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is 1 juli
- Concreet betekent de nieuwe procedure dat bij het verlenen van deze ontheffing de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.
- niet meer hoeft te worden gevolgd aangezien deze is komen te vervallen. Er moet nu gebruikt gemaakt van de nieuwe wetgeving. Werkwijze De onderstaande procedure dient voor het verlenen van een ontheffing te worden toegepast. Aanvragen De aanvraag dient middels het aanvraagformulier ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes. De aanvraag voor een verbranding kan alleen schriftelijk via een vastgesteld formulier (zie bijlage) worden ingediend. Aanvragen voor een ontheffing om afvalstoffen te verbranden (waaronder ook kampvuren, vreugdevuren en kerstboomverbrandingen) moeten via het vastgestelde aanvraagformulier worden ingediend. Indien dit niet het geval is, wordt een dergelijke aanvraag niet in behandeling genomen. In de aanvraag om ontheffing dient de aard en hoeveelheid te verbranden afvalstoffen, de verbrandingsperiode en de locatie waar het vuur zal worden gestookt te worden aangegeven. Bovendien dient naam, adres, postcode en woonplaats van de aanvrager te worden gemeld en dient de aanvrager aan te geven waarom deze verbranding noodzakelijk is; Behandelen aanvraag Nadat de aanvraag is ingediend, controleert de gemeente of de aanvraag compleet en correct is. Is de aanvraag niet compleet of niet correct, dan wordt de aanvrager verzocht binnen een door de gemeente gestelde termijn de aanvraag aan te vullen of te verbeteren. Voldoet de aanvrager niet aan dit verzoek, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. De gemeente toetst of andere verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken. De gemeente toetst op brandgevaar, overlast voor de omgeving gegeven de gekozen locatie en de vraag of er voor de te verstoken afvalstoffen redelijkerwijs een andere verwerkingswijze beschikbaar is. Deze toetsing kan leiden tot het opnemen van beperkingen en voorschriften in de vergunning voor het stoken van het vuur. Opstellen ontheffing Vervolgens wordt een schriftelijke ontheffing opgesteld. Hieraan worden specifieke voorschriften verbonden om de bescherming van milieubelangen te waarborgen. Dit wordt in het volgende hoofdstuk van dit beleidsstuk behandeld. Wel dient bij elke aanvraag gekeken te worden naar de situatie en een eventueel aangepast voorschriftenpakket. Vervolgens wordt de aanvrager van de ontheffing schriftelijk op de hoogte gebracht van het besluit en de daarbij behorende voorwaarden. Deze schriftelijke ontheffing wordt door de afdeling Milieu verzonden naar de brandweer en de politie. De ontheffing voor het ontsteken van een evenementenvuur wordt altijd verzonden naar de brandweer, de politie. Doorlooptijd De gemeente dient binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag te beslissen op de aanvraag. Resultaat Er zijn drie mogelijke resultaten: De ontheffing wordt verleend: de ontheffing wordt binnen 1 maand na ontvangst van de aanvraag verleend. De ontheffing wordt niet verleend. De aanvrager ontvangt een brief met het voornemen tot afwijzing en vervolgens de definitieve afwijzing waarin de afwijzing wordt gemotiveerd. Doorlooptijd tot het einde van de bezwaartermijn is 12 weken. De aanvraag wordt niet in behandeling genomen. Bezwaar en beroep Wanneer de gemeente niet tijdig beslist en verzuimt voor het einde van de termijn de aanvrager daarvan op de hoogte te stellen, kan de aanvrager bezwaar indienen bij het college van burgemeester en wethouders. Tegen de afwijzing van een aanvraag kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht ook bezwaar worden aangetekend, gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes binnen 6 weken na verzending van de beschikking. Indien het college van burgemeester en wethouders het bezwaar afwijst, kan de aanvrager beroep aantekenen bij de Raad van State. Hoofdstuk8:Ontheffingsvoorschriften Aan een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer kunnen voorschriften worden verbonden die er toe leiden dat de nadelige milieuhygiënische effecten worden beperkt. Per situatie kunnen aanvullingen op de basis ontheffingsvoorschriften worden opgenomen. Basispakket ontheffingsvoorschriften De volgende set van basisvoorschriften worden gesteld: Voor ontheffing komen alleen de afvalstoffen in aanmerking : Categorie Ontheffingverlening mogelijk? Kampvuren t.b.v. bijzondere evenementen, scoutingactiviteiten daaronder begrepen1 Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of er sprake is van een bijzonder evenement. Ja Vreugdevuren in het kadervan feestelijkheden met een algemeen karakter2 Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of er sprake is van een feestelijkheid met een algemeen karakter. Ja Zieke planten- en houtopstanden3 Een ontheffing voor het verbranden van ziek hout kan alleen worden verleend indien er ook een verklaring van de Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen wordt ingediend bij de aanvraag voor een ontheffing. Ja (buiten bebouwde kom) Vlasresten en bloemzadenteelten bij misoogst4 Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of er sprake is van een misoogst Ja (buiten bebouwde kom) Snoeihout en takkenhout Ja (buiten bebouwde kom) Stamhout en boomstronken Nee Wegbermen en akkers Nee Slootmaaisel Ja (buiten bebouwde kom) Overige afvalstoffen Nee De te verbranden afvalstoffen dienen uitwendig droog te zijn. Het verbranden van afvalstoffen dient plaats te vinden op een onbrandbare ondergrond. De omvang van de brandstapel mag niet groter zijn dan 50 m³. De aanvrager draagt er zorg voor dat er geen bodemverontreiniging optreedt en daarmee artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) niet wordt overtreden. Voor het aanmaken van het vuur mag derhalve geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen. De verbrandingsresten worden binnen 7 dagen na de verbranding verwijderd en afgevoerd op een verantwoorde wijze. De weersomstandigheden moeten voldoen aan de volgende twee eisen: Het moet droog weer zijn, dus bij regen of mist mag er geen verbranding plaatsvinden. De windkracht mag maximaal 5 Beaufort zijn (max. 40 km/h); Er mag geen gevaar, schade, hinder of anderszins overlast voor de omgeving optreden. De houder van de ontheffing dient tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig te zijn en dient zorg te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt. Er moet continue toezicht van een volwassene zijn op het vuur om het overslaan van vuur en ongelukken te voorkomen. De hoogte van de brandstapel in m¹ vermenigvuldigd met de factor 6 is de minimale afstand in meters. Binnen deze afstand van het vuur mogen zich geen opstallen, openbare weg, bossages, hoogspanningskabels, bomen, houtwallen of andere houtopstanden en dergelijke bevinden. De minimale afstand is 15 meter (N.B: bij een brandstapel van 5 meter hoogte is de minimale afstand 30 meter, bij een brandstapel van 1 meter hoogte is de afstand minimaal 15 meter). Verbranding mag slechts plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang; Er mag geen verbranding plaatsvinden op zon- en feestdagen. De geldigheidsduur van de ontheffing heeft alleen betrekking op de genoemde periode waarvoor ontheffing is verleend. Op verzoek van een toezichthoudende ambtenaar (gemeente, politie of brandweer) dient de aanvrager de gemeentelijke ontheffing voor het ontsteken van vuur te tonen; Ten minste één uur voor de verbranding dient de alarmcentrale van de regionale brandweer in Middelburg in kennis gesteld te worden van het begintijdstip van het stoken (0118 41 4444). Tevens dient vooraf de gemeente Goes in kennis gesteld te worden van het begintijdstip van het stoken (0113-249718 t.a.v. afd. Milieu). In basisvoorschrift 5 wordt verwezen naar artikel 13 Wet bodembescherming. Hierin is de algemene zorgplicht opgenomen die voor een ieder geldt. Dit houdt in dat de verbranding geen bodemverontreiniging mag veroorzaken. Het is mogelijk – onder verwijzing naar artikel 13 Wet bodembescherming – een bodembeschermende voorziening zoals een betonplaat of zandbed te eisen. Let in dat geval goed op een eventueel conflict met basisvoorschrift
- Conclusie Als het bevoegd gezag van mening is dat een ontheffing voor het specifieke geval dient te worden verleend, dienen het bovengenoemde pakket basisvoorschriften in de ontheffing zelf te worden opgenomen. Zonder bekendmaking van deze voorschriften aan de vergunninghouder is handhaving immers niet mogelijk. Indien vanuit openbare orde en veiligheid nog nadere voorschriften aan de ontheffing dienen te worden verbonden, kunnen deze volledigheidshalve in dezelfde ontheffing worden opgenomen. Evenementenvuren In vrijwel alle gemeenten vinden enkele keren per jaar evenementenvuren, zoals een kampvuur, plaats. Indien een ontheffing wordt verleend, kunnen de onderstaande voorschriften in de ontheffing worden opgenomen. Dit ligt in de lijn van de beleidsvrijheid die elke gemeente afzonderlijk heeft. De brandstapel dient opgericht te worden op een onbrandbare ondergrond (bijvoorbeeld zand, bestrating e.d.); Er mag alleen schoon (dus ongelakt) hout verbrand worden; Het te verbranden hout dient uitwendig droog te zijn; Er mag niet binnen de bebouwde kom worden verstookt; De totale hoeveelheid te verbranden hout mag niet boven de 50 m3 uitkomen; De hoogte van de brandstapel in meters, vermenigvuldigd met de factor 6, is de minimale afstand in meters. Binnen deze afstand van het vuur mogen zich geen opstallen, openbare weg, bossages, hoogspanningskabels, bomen, houtwallen of andere houtopstanden en dergelijke bevinden. De minimale afstand is 30 meter (bijv. bij een brandstapel van 6 meter hoogte is de minimale afstand 36 meter, bij een brandstapel van 1 meter hoogte is de afstand minimaal 30 meter); Het vuur mag niet eerder dan 10 dagen voor het verstoken worden opgebouwd; Er mogen geen huishoudelijke afvalstoffen, brandbare vloeistoffen en rookverwekkende stoffen worden gebruikt; Het publiek dient op veilige afstand (ten minste 30 meter) te worden gehouden; De aanvrager draagt er zorg voor dat er geen bodemverontreiniging optreedt en daarmee artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) niet wordt overtreden. Voor het aanmaken van het vuur mag derhalve geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen; Het vuur moet na afloop volledig zijn gedoofd; De verbrandingsresten worden binnen 7 dagen na de verbranding verwijderd en afgevoerd op een verantwoorde wijze; De weersomstandigheden moeten voldoen aan de volgende eisen: het moet droog weer zijn, dus bij regen of mist mag er geen verbranding plaatsvinden; de windkracht mag maximaal 5 Beaufort zijn (max. 40 km/h); Het stoken mag geen gevaar, schade, hinder of overlast voor de omgeving veroorzaken; Het stoken mag niet plaatsvinden tussen zonsondergang en zes uur ’s morgens; Het stoken mag niet plaatsvinden tijdens ernstige of zeer ernstige smog; Er dient voortdurend toezicht te zijn van een meerderjarig persoon; In de nabijheid van het evenementenvuur dient een brandblusmiddel voor onmiddellijk gebruik bereikbaar of beschikbaar te zijn. Gebruik kan worden gemaakt van een brandblusapparaat, emmer(s) water of emmer(s) zand; De alarmcentrale van de Regionale Brandweer in Middelburg moet circa 1 uur voor aanvang worden geïnformeerd over het al dan niet doorgaan van het evenementenvuur (0118 41 4444). Bij het informeren van de alarmcentrale moet worden doorgegeven de plaats van de verbranding, het tijdstip van aansteken en het vermoedelijke tijdstip van het doven van het vuur. Tevens dient vooraf de gemeente Goes in kennis gesteld te worden van het begintijdstip van het stoken (0113-249718 t.a.v. afd. Milieu). Conclusie Door in de ontheffing bovengenoemde voorschriften op te nemen wordt eenduidigheid bevorderd. Hoofdstuk9:Handhaving Door in de regio een éénduidige regeling in te voeren met betrekking tot het verbranden van afvalstoffen in de open lucht wordt ook de handhaving vereenvoudig. Naast het overtreden van de Wet milieubeheer is het mogelijk dat de gemeentelijke APV of andere wetten en regels worden overtreden. Strafrechtelijk optreden Overtredingen van hogere wetgeving en / of APV bij het verbranden van afvalstoffen vinden over het algemeen niet binnen een inrichting plaats. Het gaat dan om vrije velddelicten. Het gaat bovendien om overtredingen van beperkte duur waarvan de gevolgen veelal onomkeerbaar zijn. Hierbij speelt – naast een onvoldoende normbesef een gebrek aan milieuverantwoordelijkheid – het streven naar besparing van bedrijfskosten vaak een overheersende rol. Bestuursrechtelijk optreden Bestuurlijke handhavingmiddelen zijn over het algemeen niet effectief om dit soort overtredingen te beëindigen en worden over het algemeen dan ook nauwelijks ingezet. De aard van dit type overtredingen brengt mee dat degene die een overtreding constateert, in de regel ook degene is die hiertegen – veelal onmiddellijk – strafrechtelijk optreedt. Stappenplan handhaving Bij de handhaving met betrekking tot het verbranden van afvalstoffen, zoals snoei- en resthout, in de open lucht, is het van belang om eerst goed na te gaan welke wetgeving wordt overtreden. Ook is het van belang te beoordelen of sprake is van een inrichting en welk soort afval wordt verbrand (huishoudelijk afval, bedrijfsafval, gevaarlijk afval). Bij de handhaving zijn de volgende stappen van belang: Heeft de gecontroleerde een schriftelijke ontheffing van de gemeente? (Zo ja, akkoord. Zo nee, zie vraag 2) Is er sprake van een inrichting (vergunning of AMvB)? (Zo ja, zie vraag
- Zo nee, dan is een ontheffing voor stoken benodigd) Komen er afvalstoffen vrij bij uitoefening van bedrijf? Wordt ‘hogere’ wet- en regelgeving overtreden (bijvoorbeeld het achterlaten van asresten, verbranden van gevaarlijk afval, hinderen van verkeer, et cetera)? Is er een ontheffing verleend? Indien geen ontheffing is verleend, dan is dit in strijd met artikel 10.2, eerste lid Wet milieubeheer en de Algemene Plaatselijke Verordening. Wordt er voldaan aan de ontheffingsvoorschriften? 22 maart 2006Burgemeester en wethouders van Goes,Secretaris,drs. C.G.M. MaasBurgemeester,drs. D.J. van der Zaag