Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2023Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan; Overwegende dat het gewenst is dat de gemeente beleidsregels vaststelt ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 (hierna genoemd als de Verordening) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2022 (hierna genoemd het Besluit). In deze beleidsregels wordt aangegeven hoe een afweging wordt gemaakt om tot een beslissing op een aanvraag te komen en welke zaken daarin een rol moeten spelen. Daarbij is veel aandacht voor het individu en bestaat de mogelijkheid om maatwerk te leveren. Gelet op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Oostzaan 2020 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning Oostzaan 2022; B E S L U I T: vast te stellen de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oostzaan 2023 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijving 1. ADL: Algemeen dagelijkse levensverrichtingen zijn alle dagelijkse handelingen die te maken hebben met de zelfverzorgingsactiviteiten (zoals het zich wassen en aankleden, de toiletgang), eten (koken, boodschappen doen) en slapen. Het merendeel van de algemene dagelijkse levensverrichtingen valt niet onder de Wmo maar onder de Zorgverzekeringswet. 2. Algemeen gebruikelijke voorziening: product, dienst of activiteit die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking. Het is in de reguliere handel verkrijgbaar, in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten en betaalbaar voor mensen met een minimuminkomen. Dit is geen Wmo maatwerkvoorziening. 3. Algemene voorziening: Het is een dienst of activiteit die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en die gericht is op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. Een algemene voorziening is dus per definitie geen Wmo maatwerkvoorziening. 4. Arrangement: het pakket aan oplossingen dat de inwoner heeft voor de ondersteuningsbehoefte. Een arrangement bestaat meestal uit één of meerdere typen van oplossingen die de inwoner samen passende ondersteuning bieden voor de beperkingen die hij ervaart in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. 5. Besluit: Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2020, verder te noemen: het Besluit. 6. Centraal Administratie Kantoor (CAK): Het CAK berekent en incasseert de eigen bijdragen voor de Wmo 2015. 7. CIZ: Centrum indicatiestelling Zorg. Het CIZ indiceert voor de Wlz. 8. Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. 9. Collectieve voorziening: Dit is een Wmo-voorziening die individueel wordt verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het aanvullend openbaar vervoer (AOV) het meest duidelijke voorbeeld. 10. Eigen verantwoordelijkheid: De inspanning die in redelijkheid van de aanvrager of zijn directe omgeving kan worden verlangd om zelf een oplossing te vinden voor (kosten van) het opheffen of verminderen van zijn beperkingen; 11. Gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. 12. Gesprek/Keukentafelgesprek: Het gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Met dit (keukentafel)gesprek wordt het persoonlijke gesprek bedoeld dat plaats dient te vinden na de melding door de cliënt en dient als basis van het onderzoek. De beperkingen, problemen en de hulpvraag worden in beeld gebracht. Vervolgens wordt besproken wat de cliënt met inzet van alle mogelijkheden waaronder een algemene voorziening zelf kan en waarvoor, als het probleem door de cliënt zelf niet (voldoende) opgelost kan worden, een maatwerkvoorziening (Zorg in Natura of persoonsgebonden budget) verstrekt moet worden. 13. Hulpvraag: De behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wet. De hulpvraag wordt tijdens het onderzoek verduidelijkt. 14. Ingezetene: De cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Oostzaan. 15. Maatschappelijke ondersteuning: het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking en/ of met chronische psychische en/ of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; het bieden van beschermd wonen en opvang. De maatschappelijke ondersteuning richt zich op de volgende soorten voorzieningen: de algemene voorzieningen ten behoeve van alle inwoners van de gemeente en dan toegespitst op de personen met een beperking; de maatwerkvoorzieningen (zin en pgb) voor het bevorderen van participatie en zelfredzaamheid. een beschermde woonsituatie en zo nodig opvang. De eerste groep voorzieningen is voor iedereen vrij toegankelijk, de tweede en de derde groep zijn beschikbaar na een melding en het daaropvolgende traject. 16. Maatwerkvoorziening: Een individuele voorziening afgestemd op de behoeften en omstandigheden van een specifiek persoon of huishouden. Een maatwerkvoorziening kan op zichzelf in de behoefte van een specifiek persoon of huishouden voldoen, of onderdeel uitmaken van het ondersteuningsaanbod, in combinatie met de inzet van eigen kracht, algemene voorzieningen en/of mantelzorg. 17. Mantelzorg: Mantelzorg is zorg, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorg/hulpverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Niet alle zorg, die mensen aan hun naaste bieden, is mantelzorg. Mantelzorg is alleen die zorg of hulp die de gebruikelijke zorg/hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overstijgt. Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. 18. Mantelzorger: Een persoon die mantelzorg verleent, zoals benoemd in 17. 19. Melding: Het kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. De melding is het startpunt van de reeks: onderzoek (gesprek), opstellen gespreksverslag, met eventueel als gevolg een aanvraag voor een maatwerkvoorziening en een beschikking. Voor deze hele procedure is in totaal een termijn van zes + twee = acht weken beschikbaar. 20. Onderzoek: Als bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college uiterlijk binnen zes weken een onderzoek uit. In de wet is vastgesteld waarnaar het college onderzoek doet (Wmo art.2.3.2). 21. Persoonlijk plan: Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 22. Persoonsgebonden budget: (pgb) Een bedrag namens het college waarmee cliënt zelf in staat wordt gesteld zijn ondersteuning in te kopen. Het persoonsgebonden budget is een van de mogelijkheden tot verstrekking, naast de voorziening in natura. Het persoonsgebonden budget voor diensten is een trekkingsrecht; de uitbetaling aan zorgverleners verloopt via de Sociale Verzekeringsbank. 23. Profiel: Een profiel is de zwaarte van de ondersteuning die de cliënt binnen een resultaatgebied kan krijgen. 24. Resultaatgebieden: Een arrangement kan bestaan uit meerdere onderdelen (resultaatgebieden). Bij elke cliënt wordt een traject samengesteld uit een ondersteuningsbehoefte op één of meerdere van in totaal acht resultaatgebieden. Elk resultaatgebied kent meerdere intensiteiten van ondersteuning en kan hiermee op maat worden ingezet bij een cliënt. 25. Sociaal netwerk: De personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. 26. Verordening: De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2020, verder te noemen: de Verordening. 27. Voorliggende voorziening: Hieronder vallen algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen. Deze voorzieningen gaan voor op maatwerkvoorzieningen. 28. Vrijwilliger: Een persoon die onverplicht en onbetaald werkzaamheden verricht ten behoeve van andere mensen of de samenleving. 29. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 / Wmo 2015. 30. Wettelijk voorliggende voorziening: De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en in regelgeving vastgelegd, die voorgaan op de Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg. Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo. 31. Wlz: Wet langdurige zorg. 32. Zelfredzaamheid: Het vermogen tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden, het vermogen om sociaal te kunnen functioneren en participeren en het kunnen oplossen van de eigen problemen. 33. Zelfredzaamheidmatrix: De Zelfredzaamheidmatrix brengt de vraag en de mate van zelfredzaamheid van de cliënt in kaart op alle leefgebieden. 34. Zorg in Natura (ZIN): Bij zorg in natura contracteert de gemeente, het zorgkantoor of de zorgverzekeraar de zorgaanbieders en ondersteuning. Ook regelt de gemeente of het zorgkantoor de administratie daaromheen. De cliënt kan met de zorgaanbieder afspraken maken over de manier waarop hij zorg en ondersteuning krijgt. 35. Zvw: Zorgverzekeringswet Hoofdstuk2Toegangsproces voorzieningen Paragraaf2.1De melding Artikel2.1.1Melding hulpvraag Een inwoner kan een melding schriftelijk, mondeling of telefonisch bij de gemeente indienen. Er kan ook een melding via een meldingsformulier op de website van de gemeente worden ingediend. Het sociaal team Oostzaan verstrekt informatie en advies en kan helpen bij het indienen van een melding. Als bij het college een melding is gedaan van een behoefte met een hulpvraag, bevestigt het college de melding schriftelijk en voert het binnen zes weken een onderzoek uit. Bij het onderzoek kunnen ook mantelzorgers, een cliëntondersteuner of andere personen worden betrokken. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor cliënt om het ondervonden probleem op te lossen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet of voorliggende voorziening voldoende geholpen kan worden, kan direct en gericht worden doorverwezen, bij voorkeur middels een warme overdracht. Wanneer verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt dan wordt een keukentafelgesprek ingepland. Artikel2.1.2Cliëntondersteuning Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De onafhankelijke ondersteuning is gericht op informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het gaat om het ondersteunen van de cliënt bij het regelen of verkrijgen van passende zorg en kortdurende ondersteuning. Het kortdurend ondersteunen van mensen die verminderd zelfredzaam zijn, bijvoorbeeld bij het oplossen van een vraag of situatie die zo complex is dat zij het niet zelf - of met hulp van hun omgeving - kunnen oplossen. Kortdurende cliëntondersteuning kan ertoe leiden dat ondersteuning/zorg niet meer nodig is. Paragraaf2.2Het onderzoek Artikel2.2.1Persoonlijk plan De cliënt kan, voordat het onderzoek van start gaat met een persoonlijk plan komen. Dit persoonlijk plan heeft betrekking op de hulpvraag en geeft de visie van de cliënt op die hulpvraag. De cliënt krijgt maximaal zeven dagen na de melding de gelegenheid om dit plan in te dienen. Deze zeven dagen gaan van de wettelijke termijn van zes weken af die staan voor het onderzoek, zodat die nog slechts vijf weken telt. Artikel2.2.2Het onderzoek Het college voert het onderzoek uit in overeenstemming met de wet en volgens artikel 4, 5 en 6 van de Verordening. De formulering van het doel en resultaat, het bijbehorende arrangement, de duur en eventuele andere specificaties van een maatwerkvoorziening worden daar waar nodig vastgesteld in overleg met aanbieders van aanvullende zorg. De Wmo-consulenten kunnen in overeenstemming met de Verordening extern advies inwinnen van professionals als dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Denk hierbij aan professionals met expertise op het gebied van beperkingen en ziektebeelden van de klantgroep zoals een onafhankelijke medisch adviseur of een psycholoog. De Wmo-consulenten bespreken in één of meerdere gesprekken met de cliënt de hulpvraag van de cliënt en mogelijke oplossingen. Hierbij hanteert de Wmo-consulent een brede blik, zoals bijvoorbeeld bij de zelfredzaamheidsmatrix. Hierbij wordt maximaal gebruik van de 'eigen kracht' van de cliënt en diens sociale netwerk. Als het eigen netwerk te weinig mogelijkheden biedt, wordt er gezocht naar mogelijkheden in het georganiseerde informele netwerk en indien nodig aangevuld met professionele vormen van ondersteuning. De Wmo-consulent maakt een verslag van het gesprek. Cliënt heeft de mogelijkheid om correcties en aanvullingen aan het verslag toe te voegen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd. Paragraaf2.3De eerste afweging Artikel2.3.1Algemene afwegingskader Vastgesteld moet worden of er sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie en dat belanghebbende zelf, al dan niet met behulp van zijn netwerk, onvoldoende resultaat kan behalen en of er een noodzaak is voor ondersteuning via de Wmo. Allereerst dient onderzocht te worden of met de ondersteuning via de algemene voorziening voldoende resultaat behaald kan worden. Is dat niet het geval dan kan er een noodzaak zijn voor het bieden van een maatwerkvoorziening. Maatwerkvoorzieningen kennen verschillende verschijningsvormen, passend bij het resultaat dat behaald moet worden. Naast het algemene afwegingskader uit deze paragraaf, wordt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening het specifiek afwegingskader (Hoofdstuk 3 en 4) van de betreffende maatwerkvoorziening betrokken. Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening gaat het altijd om een individuele weging. De uitkomst kan per persoon verschillen. Het streven is om de persoon op een niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij wordt gekeken naar de situatie van betrokkene voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen, alsmede naar de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Aanvaardbaar wil aan de andere kant zeggen, dat de persoon zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij blijvend met enige beperkingen zal moeten leren omgaan. De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie, en breidt zich niet uit tot wat de persoon noodzakelijk vindt in het kader van smaak. Dit betekent ook dat hij niet per definitie alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende. In de volgende artikelen worden de volgende elementen toegelicht: eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen. Het element goedkoopst adequate voorziening (artikel 8 lid 5 van de Verordening) wordt in artikel 2.3.1.7 van deze Beleidsregels ook toegelicht. Artikel2.3.1.1.Eigen kracht Centraal staat de zelfredzaamheid en het organisatorisch vermogen van personen met beperkingen. Vanuit eigen kracht en verantwoordelijkheid wil de gemeente de zelfredzaamheid versterken. Dit betekent dat de Wmo-consulenten een afweging maken bij een hulpvraag en de eigen mogelijkheden van de cliënt betrekken of diens omgeving alvorens ondersteuning te bieden. Een beperking hoeft per definitie niet te leiden tot verminderde zelfredzaamheid of een participatieprobleem zoals bedoeld in de Wmo. En niet elke beperking van de zelfredzaamheid of participatie vraagt om ondersteuning van de gemeente. Door eigen oplossingen in te zetten kan in veel gevallen een levenspatroon voortgezet worden dat als aanvaardbaar gezien kan worden. Dit is anders wanneer de beperkingen leiden tot een probleem in de zelfredzaamheid dat niet met eigen oplossingen of hulp van anderen kan worden opgelost. Om te kunnen bepalen of en welke ondersteuning nodig is, is zorgvuldig onderzoek noodzakelijk. Dat onderzoek richt zich op het geobjectiveerd vaststellen van beperkingen en het verlies van zelfredzaamheid en participatie dat hieruit voortkomt. Soms kan een inwoner zijn beperking zelf oplossen door aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een beroep op de ondersteuning bij de gemeente is dan niet noodzakelijk. De cliënt heeft dan zelf de mogelijkheid om ook deze kosten te dragen. Bij het doen van een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner kijken we altijd naar de individuele situatie. Van de inwoner vragen we dat hij bij keuzes die hij maakt, rekening houdt met zijn levensfase en de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden. Een inwoner moet naar levensfase anticiperen op zijn eigen participatiebehoeften. Er kunnen altijd individuele omstandigheden zijn, waardoor dit geen reële vraag blijkt en een beroep op ondersteuning van de gemeente noodzakelijk is. Van een inwoner wordt verwacht dat hij op adequate wijze anticipeert op (komende) veranderingen in diens leefsituatie, waarbij de inwoner: eerst naar de eigen mogelijkheden kijkt; een beroep doet op het eigen netwerk; eigen financiële middelen inzet. Indien een inwoner komt met een hulpvraag, doorloopt de Wmo-consulent samen met de deze inwoner de volgende stappen: Vraagverheldering en vraaganalyse Niet de gevraagde voorziening staat centraal, maar eerst wordt samen helder omschreven wat de vraag van de cliënt is en wat het probleem is in de vermindering van de zelfredzaamheid van de cliënt. Begeleiden en sturen eigen verantwoordelijkheid Als de vraag en het doel in beeld is, wordt samen met de cliënt de mogelijkheden bekeken om dit te bereiken. Kan de cliënt zelf (deels) bijdragen aan het oplossen van het probleem? Kan de omgeving, de buurt ondersteuning bieden? De wet staat niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid in eigen oplossingen te voorzien. Het college mag hierop een beroep doen in het gesprek met de cliënt maar het inkomen mag geen reden voor weigeren van een voorziening zijn. Ondersteuning door de gemeente Als de cliënt zijn hulpvraag niet op eigen kracht kan oplossen en zijn doel kan bereiken is dat voor de gemeente aanleiding de noodzakelijke en passende ondersteuning te bieden. Artikel2.3.1.2.Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Ondersteuning door partner, ouder, volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt als gebruikelijke hulp beschouwd. Het is een uitgangspunt op grond waarvan er in eerste instantie wordt bekeken of de (extra) werkzaamheden binnen het gezamenlijke huishouden zelf zijn te organiseren. Als een van de gezinsleden uitvalt, is het immers heel gewoon dat de andere gezinsleden diens taken overnemen. In kortdurende situaties (maximaal drie maanden) kan dit aan de orde zijn als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat ondersteuning daarna niet meer nodig zal zijn. Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem als herstel na een operatie, griep, gekneusde ledematen e.d. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de aard, omvang en duur) gebruikelijk. In hoofdstuk 4 worden bij de maatwerkvoorzieningen voorbeelden genoemd van gebruikelijke hulp. Artikel2.3.1.3.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Eenduidig zijn de criteria niet. Het kan zijn dat voor de ene persoon de voorziening wel algemeen gebruikelijk kan zijn en voor de ander niet. Uitgangspunt is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet als maatvoorziening verstrekt worden. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden in het gesprek rond de keukentafel besproken als voorliggend op maatwerkvoorzieningen. Uitzonderingen op de criteria voor algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen situaties zijn waarin: de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal vervangen moeten worden; de voorziening nog lang niet is afgeschreven. Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Voorbeelden kunnen zijn: rollator; tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem) met en zonder hulpmotor; fiets met lage instap, ligfiets; elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; stalling (driewiel)fiets; bakfiets, fietskar, aanhangfiets; snorfiets, bromfiets, Spartamet/fiets met hulpmotor; standaard buggy tot 4 jaar; personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; auto-accessoires: airconditioning, stuur/rembekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; éénhendelmengkranen en thermostatische kranen; keramische of inductiekookplaat en ander keukenapparatuur; verhoogd toilet; tweede toilet/sanibroyeur; douchekop en glijstang; douchecabine; renovatie van badkamer en keuken; antislipvloer/coating; wandbeugels; zonwering (inclusief elektrische bediening); (losse) airco units; luchtbevochtigers/ontvochtigers; ophogen tuin/bestrating bij verzakking wanneer er sprake is van regulier onderhoud; glazenwasser; boodschappenbezorgdienst; regen/thermokleding/schootkleed. Artikel2.3.1.4.Algemene voorzieningen Onder algemene voorzieningen wordt verstaan: Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. De zin ”zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk” moet wel in de context worden bekeken. Het betekent in dit verband dat de gemeente voor deze voorziening geen beschikking afgeeft. De voorziening in kwestie zal wel een toegangstoets doen of iemand tot de doelgroep van de voorziening behoort. Bijvoorbeeld: om gebruik te maken van een passantenverblijf zal de cliënt moeten aantonen dat hij dakloos is. Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig toegankelijk. Met de activiteiten of ondersteuning die via deze algemene voorzieningen wordt geboden kan een individuele cliënt (een deel van) zijn participatieproblemen verminderen of zijn zelfredzaamheid verhogen. In deze gevallen is het niet noodzakelijk een maatwerkvoorziening in te zetten of kan volstaan worden met een maatwerkvoorziening als aanvulling op de algemene voorziening. Er zal altijd op individueel niveau onderzocht worden of belanghebbende met de algemene voorziening voldoende resultaat kan behalen. Voorbeelden zijn: persoonsalarmering; boodschappenservice; maaltijdservice; klussendiensten; rolstoelpools voor incidentele situaties; tuinonderhoud; algemeen maatschappelijk werk; schuldhulpverlening en budgettering; welzijnswerk (voor ouderen); jongerenwerk; informatie en advieswerk; formulierenbrigade; was- en strijkservices; sportvoorzieningen; passantenverblijf voor dak- en thuislozen; cliëntondersteuning (kosteloos); budgetcursussen; informele buurtzorg; vervoer door vrijwilligers; sociaal-culturele voorzieningen. Artikel2.3.1.5.Maatschappelijk nuttige activiteiten Dit onderdeel wordt in het onderzoek meegenomen vanuit de gedachte dat de cliënt die maatschappelijke ondersteuning ontvangt zichzelf kan helpen door het verrichten van die activiteiten. De inzet van cliënten in maatschappelijk nuttige activiteiten heeft in het kader van de Wmo2015 geen dwingend karakter. De cliënt kan niet gedwongen worden om “in ruil voor” de ondersteuning zulke activiteiten te verrichten. Artikel2.3.1.6.Voorliggende voorzieningen Bij elke aanvraag voor een individuele Wmo-voorziening wordt door Wmo-consultenten eerst gekeken of er voor de gevraagde voorziening een andere wettelijke voorliggende voorziening is. Voorliggend op de Wmo is een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw) of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Als dit het geval is, wordt er op grond van de Wmo geen voorziening verstrekt. In hoofdstuk 4 worden enkele voorbeelden gegeven van voorliggende voorzieningen. Voorbeelden hiervan zijn: Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Kinderopvang: Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend; het leren omgaan van leidsters met een kind met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Arbeidsvoorzieningen: op grond van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong en Participatiewet zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Alhoewel de Wet langdurige zorg (Wlz) formeel niet als een voorliggende voorziening kan worden beschouwd kan ondersteuning via de Wmo geweigerd worden als een persoon aanspraak heeft op ondersteuning op grond van de Wlz of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene hierop aanspraak kan maken en dit weigert te onderzoeken. Voorzieningen voor werk en onderwijs: Vanuit het UWV kunnen voorzieningen voor werk en onderwijs worden verstrekt zoals een gebarentolk, een reiskostenvergoeding of een aangepaste auto. Ligt de hulpvraag op het gebied van onderwijs of werk, dan zal eerst onderzocht moeten worden of een voorziening vanuit het UWV het probleem oplost. Los van wettelijke voorzieningen zijn er ook particuliere fondsen, waaruit voorzieningen worden betaald. Bijvoorbeeld voor cliënten met een reumatische aandoening kan het mogelijk zijn om aanspraak te maken op het Reumafonds. Particuliere fondsen zijn niet voorliggend. Wel kan het college op deze mogelijkheden wijzen. Artikel2.3.1.7.Goedkoopst adequate voorziening Bij een maatwerkvoorziening wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere adequate oplossingen die het probleem compenseren. We kiezen voor de oplossing die compenseert en naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Indien cliënt een duurdere compenserende voorziening wil, komen de meerkosten voor rekening van cliënt. In de afweging of een maatwerkvoorziening ‘goedkoopst’ is, wordt het gebruik voor langere termijn meegenomen. Zo kan een in aanschaf duurdere voorziening bijvoorbeeld langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. Paragraaf2.4Het verslag Artikel2.4.1Verslag In overstemming met de wet en artikel 6 van de Verordening geeft het college een verslag van het gesprek aan de cliënt. Een goede weergave van het verslag is voor de Wmo-consulenten belangrijk om een juiste beslissing te nemen op de aanvraag. Het verslag draagt bij aan inzichtelijke communicatie met de cliënt. De lengte en inhoud van het verslag is afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek. De weergave van het onderzoek kan bijvoorbeeld beperkt zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken is een uitgebreidere weergave noodzakelijk. Soms kan een verslag al direct worden meegegeven. In de meeste gevallen zal het verslag moeten worden uitgewerkt. In dat geval kan de verstrekking een aantal werkdagen duren. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is. Bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek nuttig. Als de cliënt niet binnen vijf werkdagen reageert kan de gemeente de termijn opschorten, zodat de afhandelingsduur niet wordt overschreden. Paragraaf2.5De aanvraag Artikel2.5.1De aanvraag De aanvraag wordt ingediend volgens artikel 7 van de Verordening. Een cliënt kan niet zelf een aanvraag indienen zonder melding en/of onderzoek. In afwijking hiervan kan de cliënt een aanvraag indienen als het college niet binnen de termijn van zes weken het onderzoek heeft uitgevoerd. Op een aanvraag beslist het college binnen twee weken. Mocht deze termijn voor het nemen van een beschikking niet worden gehaald, dan kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht een bericht verstuurd worden van de vertraging. Hierbij wordt aangegeven wanneer verwacht wordt te beschikken. ls de inwoner en zijn hulpvraag bekend bij de gemeente, dan kan het college, onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overeenstemming met de inwoner afzien van een onderzoek en ontvangt de inwoner direct een aanvraagformulier. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. Artikel2.5.2Aanvullende algemene criteria voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening De aanvrager moet voldoen aan de wettelijke criteria en aan de criteria gesteld in artikel 8 van de Verordening. Een maatwerkvoorziening wordt geboden in aanvulling op eigen kracht, de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers en de inzet van algemene voorzieningen. Bij de afweging wordt gebruik gemaakt van de zelfredzaamheidsmatrix. Dit kan in de toekomst ook een andere, voor het onderzoek relevante, formeel erkende methodiek zijn. De Wmo-consulenten wegen allereerst op basis van de algemene criteria (zie paragraaf 2.3) af of een ondersteuning via een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Om tot de juiste beoordeling te komen, kunnen zij daarnaast in de afwegingen voor specifieke ondersteuningsvormen aanvullende criteria hanteren (zie hoofdstuk 3 en 4). Daarnaast maken medewerkers gebruik van expertise van professionals en winnen ze indien noodzakelijk (medisch) advies in voor de beoordeling van de maatwerking voorziening. Er wordt géén maatwerkvoorziening toegekend als: de ondersteuning onder de elementen in artikelen Paragraaf 2.3 (De eerste afweging) valt; de ondersteuning buiten het element 2.3.1.7. (Goedkoopst adequate voorziening) valt; de aanvrager geen ingezetene is in de gemeente Oostzaan; de aanvrager de noodzakelijke gegevens niet verstrekt; de aanvrager zich niet legitimeert. Sub a en b worden nader toegelicht in paragraaf 2.3 van deze Beleidsregels. c. Ingezetenen De Wmo 2015 spreekt over ingezetene (zonder begripsbepaling). Dat is breder dan hoofdverblijf. Dat kan ook iemand zijn die alleen ingeschreven is zonder zijn hoofdverblijf in die gemeente te hebben. Een ingezetene is iemand die in de basisregistratie personen (BRP, voorheen: GBA) is ingeschreven. Als er twijfel bestaat over de vraag of iemand wel het hele jaar woont op een bepaald adres, dan kan het feitelijk woonadres elders zijn, in een andere gemeente. Als iemand dan een beroep doet op de gemeente waar hij is ingeschreven, kan die gemeente stellen dat het hoofdverblijf elders is en dat de cliënt zich dan daar zou moeten inschrijven. Een persoon kan maar op één adres ingeschreven staan (artikel 2.66, tweede lid, Wet BRP). In het Burgerlijk Wetboek is in de artikelen 1:10, 1:11 en 1:12 het een en ander geregeld rond de woonplaats. Uitgangspunt is iemands 'woonstede', dus de vaste plek waar iemand woont. Als iemand niet op een vaste plek, zijn hoofdverblijf, woont, is het feitelijk verblijf bepalend. In principe moeten mensen zich in de BRP op het adres waar ze hun woonstede annex hoofdverblijf hebben inschrijven. Los van de vraag waar iemand zijn of haar hoofdverblijf heeft, zijn er steeds meer mensen die eigenlijk twee feitelijke hoofdverblijven hebben, bijvoorbeeld oudere mensen die ergens in de Randstad een appartement hebben, waar ze in het winterhalfjaar verblijven, en elders in Nederland (of daarbuiten) een huis hebben waar ze de rest van de tijd verblijven. In het kader van de uitvoering van de Wmo kan er in juridische zin slechts rekening gehouden worden met één hoofdverblijf. Een algemene of maatwerkvoorziening wordt verstrekt door de gemeente waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Behalve de woning van belanghebbende komen in principe geen andere panden in aanmerking voor aanpassingen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien dit voor een passende bijdrage aan zelfredzaamheid en participatie noodzakelijk is in een individuele situatie. In dat geval wordt een bezoekbaar niveau als voldoende beoordeeld. Daarmee wordt bedoeld, het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer en het toilet. d. Noodzakelijke gegevens De aanvrager verstrekt die gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en laat zich (als hierom gevraagd wordt) bevragen en/of onderzoeken. Indien de noodzakelijke gegevens niet worden verstrekt of de aanvrager niet meewerkt aan een onderzoek wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld c.q. afgewezen, omdat het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld. e. Legitimatie Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan de gemeente verzoeken dat personen die een aanvraag indienen voor voorzieningen zich legitimeren. Dit is opgenomen in de Wmo 2015. Dat kan door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag indienen is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechterlijke status. De volgende documenten worden door de gemeente in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aangemerkt: Belanghebbenden met de Nederlandse nationaliteit: paspoort; Europese identiteitskaart. Belanghebbenden zonder de Nederlandse nationaliteit: vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER. Dit zijn de (nieuwe) documenten die zijn uitgegeven op grond van de Vreemdelingenwet 2000, welke op 01 april 2001 in werking is getreden; verblijfskaart ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Een rijbewijs wordt niet als een geldig legitimatiebewijs aangemerkt, omdat het rijbewijs geen nationaliteit vermeldt. Indien geen geldig legitimatiebewijs wordt overlegd kan het recht op een voorziening niet worden vastgesteld en wordt een aanvraag afgewezen. Een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 onder a t/m e van de Vreemdelingenwet 2000, kan in aanmerking komen voor het verlenen van een maatwerkvoorziening. Daarbij gaat het om de volgende vreemdelingen: vreemdelingen met een regulier verblijfsvergunning (I1.2.3.2) vreemdelingen met een verblijfsvergunning op asielgronden; gemeenschapsonderdanen; vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Vreemdelingen die zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijven kunnen in beginsel geen aanspraak maken op maatwerkvoorzieningen. In een aantal situaties zal het college een Wmo-aanvraag van een vreemdeling moeten melden bij de IND. 2.5.3Advisering Het college kan advies vragen aan een andere instantie als het van belang is voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Via medisch advies kan worden beoordeeld of de cliënt een beperking heeft in de zelfredzaamheid of participatie. Het hebben van een beperking is de eis voor toegang tot de Wmo. Met medisch advies kan ook beoordeeld worden of er misschien nog (para)medische behandeling mogelijk is. Grens daarbij is dat de behandeling lichamelijk niet ingrijpend is, zoals het geval is bij psychotherapie, fysiotherapie en cognitieve gedragstherapie. Onder de Wmo, waar het ook kan gaan om psychische of psychosociale problemen, kan een advies van een andere deskundige dan een medicus noodzakelijk zijn. Dit gold onder de Wet Voorzieningen Gehandicapten (Wvg) al bij de “uitraasruimte” waar soms het advies van een psycholoog of (ortho)pedagoog werd gevraagd. Onder de Wmo zal dit vaker nodig kunnen zijn. Maar of het nu een medicus of een andere deskundige is, het deskundigenadvies is in bepaalde situaties van groot belang. Daarom is hierover een apart onderdeel opgenomen. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden. De gemeente vraagt medisch advies in de volgende situaties: Als de aanvraag om medische redenen wordt afgewezen wordt altijd de medisch adviseur om advies gevraagd. Het belang van deze regel is dat er voor het college een uitgangssituatie geschapen wordt, waarin medisch geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de aanvrager (medisch) aan de hand is, welke problemen ervaren worden en wat de prognose is. Met deze vaststelling is een kader geschapen van waaruit een verantwoorde compensatie van beperkingen plaats kan vinden. Zonder een medisch advies zou in deze situatie het besluit onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechter zou een dergelijk besluit vernietigen als zijnde onvoldoende gemotiveerd. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd. Dat kan bijvoorbeeld plaatsvinden bij een progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Daarbij dient in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel. De gegevens, verkregen uit medisch advies of van een behandelaar, die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag worden verstrekt aan het college. Dit kan, zeker als dit schriftelijk moet, geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan, met inschakeling van de aanvrager, vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, vooral indien de aanvrager aangeeft welk (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur. Paragraaf2.6De beschikking Artikel2.6.1Beschikking De beschikking wordt opgesteld volgens artikel 10 van de Verordening. De beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering en het verslag van het gesprek. Indien het besluit afwijkt van het verslag van het gesprek dan wel een uitgebracht advies van een derde wordt de reden van de afwijking vermeld. Hoofdstuk3Maatwerkvoorzieningen in Pgb Artikel3.1Beoordeling van een aanvraag van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb Een pgb draagt bij aan de mogelijkheden van de cliënt om regie te voeren over het eigen leven en kan een oplossing zijn bij ondersteuningsvormen die niet of onvoldoende geleverd worden door zorgaanbieders. Als uit het onderzoek blijkt dat de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening dan kan de cliënt ervoor kiezen om deze zelf in te kopen met een pgb. Tijdens het onderzoek wordt de cliënt hierover door de Wmo-consulent geïnformeerd. In het kader van volledigheid staan de regels voor persoonsgebonden budget in: artikel 2.3.6 Wmo 2015, artikel 11 van de Verordening en in artikel 2 van het Besluit. Artikel3.2Voorwaarden om in aanmerking komen voor een pgb Om in aanmerking te komen voor een pgb stelt de Wmo 2015 drie voorwaarden. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, als: Redelijke waardering van belangen: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten, tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger in staat is te achten, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; Gemotiveerd standpunt: de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; Kwaliteit waarborg: naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Wanneer diensten in de vorm van een pgb worden aangevraagd, dient de cliënt een persoonlijk budgetplan in. In het persoonlijk budgetplan verstrekt de cliënt de informatie die voor de Wmo-consulenten nodig is om de (wettelijke en lokale) voorwaarden te beoordelen. Leidend bij de beoordeling is de aard en omvang van de ondersteuning en de te behalen resultaten. De resultaten worden meegenomen zoals deze noodzakelijk worden geacht op het moment dat duidelijk is dat de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De uitkomst van de beoordeling van een aanvraag kan van persoon tot persoon verschillen. In geval van maatwerk is het altijd een individuele weging. 1. Redelijke waardering van belangen Regie kunnen voeren is een belangrijke voorwaarde voor het succesvol inzetten van een pgb. In die gevallen waar de cliënt dit niet zelf kan, heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat de cliënt een beheerder of vertegenwoordiger aanwijst. Omdat een dergelijke vertegenwoordiger alle verantwoordelijkheden overneemt die verbonden zijn aan een pgb, is opgenomen dat bemiddelingsbureaus het mede door Per Saldo opgestelde keurmerk moeten dragen. Dit keurmerk wordt beheerd door het Keurmerkinstituut. Indien iemand uit het netwerk van de cliënt het budget beheert, zal de budgethouder moeten aantonen dat hij/zij hiervoor bekwaam is. De beheerder van het budget kan niet de zorgverlener zijn omdat de beheerder ook verantwoordelijk is voor het borgen van de kwaliteit van de zorg, en dus een onafhankelijke positie moet kunnen innemen ten opzichte van de zorgverlener. Zie hiervoor ook de weigeringsgronden. 2. Gemotiveerd standpunt De tweede voorwaarde gaat over het motiveren van de cliënt waarom hij of zij de maatwerkvoorziening in pgb wenst te ontvangen. De motivering kan bijvoorbeeld gaan om de aard van de hulpvraag, waarbij godsdienstige, levensbeschouwelijke of culturele overwegingen ook een rol kunnen spelen. Als de aanvrager zijn keuze heeft beargumenteerd, is deze voorwaarde geen grond voor de Gemeente om een pgb te weigeren. 3. Kwaliteit waarborg Bij het beoordelen van de derde voorwaarde draait het in essentie om de vraag of geborgd is dat het budget ten goede komt aan de gewenste ondersteuning en aan de kwetsbare persoon die ondersteuning nodig heeft. In het geval van de Wmo heeft de budgethouder zelf de regie over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert. Daarmee krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen. Het college kan op basis van deze bepaling vooraf toetsen of de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid voldoende is gegarandeerd. De kwaliteitseisen die gelden voor de ingekochte ondersteuning in natura kunnen niet één op één worden toegepast op het pgb. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere voorzieningen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Dit toont de budgethouder aan in het persoonlijk budgetplan door aan te geven waar hij zijn ondersteuning zal inkopen, op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid en hoe de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid van de ondersteuning is gewaarborgd. Om de kwaliteit te waarborgen kan de gemeente periodiek in gesprek gaan met de budgethouder en/of begeleider over de behaalde resultaten met het persoonsgebonden budget of (steekproefsgewijs) toezicht houden op de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. Ook gedurende en na de beschikkingsperiode kan het college de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning beoordelen. In hoeverre de ondersteuning tot het gewenste resultaat heeft geleid is hierbij leidend. In praktijk kan het zo zijn dat er minder of meer resultaten behaald zijn dan vooraf afgesproken. Van belang hierbij is dat de cliënt, eventueel de zorgaanbieder en de Wmo-consulenten hierover met elkaar in gesprek gaan om de redenen van deze afwijkingen te bespreken. Dit kan ertoe leiden dat, indien noodzakelijk, de beoogde resultaten worden bijgesteld. Artikel3.3Termijn pgb Als voor de eerste keer een pgb wordt aangevraagd voor een maatwerkvoorziening dan wordt deze maximaal voor één jaar toegekend. Bij een verlenging of een aanvullende pgb-beschikking, kan door het college het pgb voor maximaal vijf jaar worden toegekend. Daarna vindt opnieuw een beoordeling plaats. De tarieven worden jaarlijks vastgesteld. Deze bevoegdheid is gecreëerd om onnodige bureaucratische processen te vermijden bij stabiele situaties van cliënten, waarbij de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd is en het niet afgeven van een dergelijke beschikking tot onnodig bureaucratische processen leidt. Artikel3.4Aanvraag pgb voor inzet van persoon via sociaal netwerk Wanneer een cliënt vanuit het pgb diensten wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, moet in het budgetplan gemotiveerd worden waarom inzet vanuit het sociaal netwerk een meerwaarde heeft. Om de kwaliteit te kunnen wegen bij de inzet van het pgb via een persoon uit het sociaal netwerk, weegt het college of dit tot gelijkwaardig of beter resultaat leidt in vergelijking met de inzet van een professional. Gelet op de definitie dat onder het sociaal netwerk naast personen uit de huiselijke kring ook personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt wordt verstaan heeft de regering aangegeven dat mantelzorgers onder het sociale netwerk kunnen vallen. Om te voorkomen dat het verstrekken van pgb aan het sociaal netwerk een aanzuigende werking veroorzaakt is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp (zie toelichting op artikel 5, lid 1 onder c van de Verordening) overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de cliënt maken we gebruik van de bepalingen rond gebruikelijke hulp die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ. Hieruit vloeit voort dat familieleden in de eerste en tweede graad voor minimaal de eerste acht uren per week geen betaling uit het pgb ontvangen. Eerstegraads en tweedegraads familieleden zijn: ouders, zussen, broers, opa’s en oma’s en diens samenwonende of aangetrouwde partners. Er wordt gekeken of de ondersteuning vanuit het sociale netwerk buiten datgene valt dat redelijkerwijs van dit netwerk verwacht mag worden. De ondersteuning mag niet te kwalificeren zijn als professioneel. Daarnaast is de beoordeling van de motivering van de cliënt dat de inzet van het sociaal netwerk tot een gelijkwaardig of beter resultaat leidt dan de inzet van een professional van cruciaal belang bij het toekennen van een pgb voor de inzet van een persoon uit het sociaal netwerk. Als ondersteuning wordt geleverd door een familielid in de eerste graad, dan wordt het tarief voor personen uit het sociaal netwerk gehanteerd. In artikel 2.3, lid 2 van het Besluit is opgenomen wanneer een persoon uit het sociaal netwerk in aanmerking komt voor het instellingstarief. Artikel3.5Weigeringsgronden pgb In artikel 2.4 van het Besluit zijn weigeringsgronden van aanvraag voor pgb opgenomen. Enkele bepalingen zijn hieronder nader toegelicht: Lid 2 sub c onder iii. geeft aan dat een pgb geweigerd wordt als een cliënt redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het pgb te beheren en diens vertegenwoordiger eveneens niet pgb vaardig is. In het geval dat cliënt niet in staat is zijn pgb te beheren heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat de cliënt een beheerder of vertegenwoordiger aanwijst. De beheerder van het budget kan niet de zorgverlener zijn omdat de beheerder ook verantwoordelijk is voor het borgen van de kwaliteit van de zorg. Om deze reden is het van belang dat de beheerder een onafhankelijke positie inneemt ten opzichte van de zorgverlener. In geval van twijfel over de pgb vaardigheid van de vertegenwoordiger krijgt de vertegenwoordiger de mogelijkheid trainingen te volgen en zo de vaardigheden te verwerven. Pas dan kan worden vastgesteld of hij pgb vaardig is. Lid 2 sub d: Indien er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet is een pgb niet denkbaar gezien de noodzakelijke tijd om de aanvraagprocedure zorgvuldig te doorlopen. In lid 2 sub e is opgenomen dat een pgb kan worden geweigerd indien het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland. Dit is om oneigenlijk gebruik van het pgb te voorkomen. Omdat in uitzonderlijke gevallen het noodzakelijk kan zijn de toegekende ondersteuning individuele begeleiding, die met het pgb wordt ingekocht, in te zetten tijdens een vakantie kan het college hier expliciet toestemming voor geven. Dit vergt maatwerk en wordt per individueel geval beoordeeld. Voorwaarde is dat de geïndiceerde ondersteuning nodig heeft om tijdens de vakantie te kunnen functioneren. Het pgb mag niet worden ingezet voor het (deels) financieren van de vakantie. Een pgb dat bedoeld is om in te zetten in en rond de woning van betrokkene kan niet tijdens een vakantie worden ingezet. Bijvoorbeeld het pgb voor ondersteuning in het huishouden richt zich specifiek op het voeren van een huishouden in het hoofdverblijf in de gemeente. Tot slot is in lid 2 sub g en in artikel 2.5 opgenomen om het pgb gebruik voor andere kosten dan het leveren van de ondersteuning niet mogelijk te maken. Onder andere kosten wordt ook verstaan reiskosten of begeleidings- of administratiekosten in verband met het beheren van een pgb. Het pgb-budget moet volledig ten goede komen aan de ondersteuning zelf en mag niet wegvloeien naar bemiddelingskosten en administratiekosten. Dit beperkt de mogelijkheid om via de kwetsbare pgb-houder een deel van het budget weg te sluizen. Artikel3.6De hoogte van een pgb In artikel 11b van de Verordening wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. De tarieven kunnen jaarlijks worden bijgesteld. Voor het vaststellen van de hoogte van een pgb wordt onderscheid gemaakt tussen materiële verstrekkingen en diensten. Onder materiële verstrekkingen vallen woon- en vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen. De hoogte van dit pgb wordt gebaseerd op een door het college geaccepteerde offerte. De tarieven van een pgb voor diensten zijn gebaseerd op een percentage van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura. De Gemeente heeft de Wmo-dienstverlening ingekocht via resultaatsarrangementen. Dit betekent dat binnen het arrangementstarief alle kosten zijn meegenomen om tot het afgesproken resultaat te komen. Hoofdstuk4Maatwerkvoorzieningen in ZIN In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de afweging van de maatwerkvoorzieningen die in Zorg in Natura (ZIN) worden verstrekt. Het betreft hier: Diensten uit het arrangementenmodel Verplaatsing in en om de woning en vervoer Verplaatsing over (middel)lange afstand Wonen in een geschikt huis Hieronder volgt eerst een toelichting op het arrangementenmodel. Daarna volgt een beschrijving van de 6 resultaatgebieden, waarop de gemeente Oostzaan arrangementen heeft ingekocht. Artikel4.1Omschrijving arrangementen Een arrangement houdt in dat een zorgaanbieder een geldbedrag per maad ontvangt, waarmee de zorgaanbieder, samen met de cliënt, resultaten gaat behalen op een zestal resultaatgebieden. Deze resultaatgebieden zijn: Ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden Ondersteuning bij administratie en financiën Zinvolle dagbesteding Respijtzorg ter ontlasting mantelzorgers Opplusmogelijkheid Resultaatgebied 5 Zelfzorg is vanaf 2019 geen apart resultaatgebied meer maar onderdeel geworden van resultaatgebied 1. Resultaatgebied 6 Beschermd wonen is wel opgenomen in deze beleidsregels maar hebben een andere werkwijze dan de overige resultaatgebieden. De essentie van het arrangementenmodel is dat het Wmo team samen met de inwoner de doelen en beoogde resultaten bepaalt (het wat) en dat de zorgaanbieder vanuit de eigen expertise binnen een bepaalde bandbreedte bepaalt hoe en wanneer er, samen met de cliënt, aan deze doelen en resultaten gewerkt gaat worden (het hoe). Binnen de resultaatgebieden onderscheiden we verschillende intensiteiten. Welke intensiteit wordt ingezet is afhankelijk van de zwaarte van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De zorgaanbieder is vervolgens vrij om te bepalen hoeveel eenheden (uren of dagdelen) worden ingezet en door welk type medewerker (veel of weinig ervaring, lager of hoger opleidingsniveau), zolang het beoogde resultaat maar wordt bereikt. Een arrangement biedt meer flexibiliteit om de dienstverlening te leveren die echt nodig is. Dit betekent ook dat zorgaanbieders afhankelijk van de behoeften van de client de ene week meer ondersteuning kunnen bieden dan de andere week. De arrangementen zijn in drie sectoren ingedeeld. Dit betreft : de groep Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT): voornamelijk ouderen met een lichamelijk- of cognitieve achteruitgang en chronische zieken. de groep Geestelijke gezondheidszorg (GGZ); mensen met psychische, psychiatrische of psychosociale beperkingen, inclusief autismespectrum stoornissen. de groep Gehandicaptenzorg (GZ); mensen met lichamelijke, verstandelijke- of zintuigelijke (soms meervoudige) beperkingen, waaronder ook niet aangeboren hersenletsel. De tarieven per sector verschillen bij sommige resultaatgebieden vanwege verschillen in de zorgzwaarte. Als er sprake is van meerdere aandoeningen, waardoor mensen bij meerdere sectoren thuishoren, is het aan de consulent om de meest passende sector te bepalen. Mocht bij een oudere inwoner met psychiatrische problematiek beter ingezet worden op zijn psychiatrische problematiek dan zijn lichamelijke of cognitieve achteruitgang, kan een arrangement vanuit de sector GGZ worden ingezet. Paragraaf4.2Resultaatgebied 1 Sociaal en Persoonlijk functioneren Artikel4.2.1Omschrijving Resultaatgebied 1 Door inzet van dit resultaatgebied wordt de zelfredzaamheid van de cliënt zoveel mogelijk behouden of vergroot, waarbij de cliënt één-op-één wordt ondersteund door een begeleider. Het sociaal en persoonlijk functioneren omvat onderdelen als: het hebben en onderhouden van een gezond netwerk, het kunnen aangaan van relaties en daarin een passende rol innemen, waarmee (onder meer) eenzaamheid wordt voorkomen of verminderd het hebben van een positief zelfbeeld en zelfvertrouwen het vermijden van contacten met personen die schadelijk voor de cliënt zijn het niet in aanraking komen met politie en justitie het onder controle hebben van verslaving en het houden aan gemaakte afspraken die daaromtrent zijn gemaakt het kennen van eigen (psychische) beperkingen, daarmee om kunnen gaan en het vragen van hulp wanneer het niet goed gaat het zichzelf goed kunnen verzorgen (wassen, aankleden, tandenpoetsen, haren kammen, e.d.) Wanneer een cliënt leerbaar is, vindt tijdelijke inzet van dit arrangement plaats. Daarna kan zo nodig nog lichte begeleiding door een vrijwilliger plaatsvinden. Artikel4.2.1.1Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging vanuit de wijkverpleging (Zvw) is van toepassing wanneer een cliënt geholpen moet worden bij het uitvoeren van de persoonlijke verzorging; denk aan douchen, wassen en kleden. Dit is vooral van toepassing in de sector Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Wanneer de cliënt deze taken lichamelijk zelfstandig kan uitvoeren maar vanwege een psychische, een zintuigelijke, een verstandelijke of een cognitieve beperking hierbij aansturing nodig heeft, kan een indicatie vanuit resultaatgebied 1 worden ingezet. Dit wordt ook wel ‘handen op de rug zorg’ genoemd en zal alleen van toepassing zijn bij de sectoren GZ en GGZ. Een cliënt te eten geven betreft persoonlijke verzorging. Indien de persoonlijke verzorging overwegend geneeskundige zorg of een hoog risico daarop betreft (bv verslikgevaar), dan valt de persoonlijke verzorging onder de Zvw. Indien de persoonlijke verzorging echter in het verlengde ligt van begeleiding, dan valt de persoonlijke verzorging onder de Wmo 2015. Bijvoorbeeld wanneer de cliënt reeds begeleiding ontvangt bij het bereiden van een maaltijd. Bij twijfel in de praktijk is afstemming met de wijkverpleging hierover noodzakelijk. Artikel4.2.2Afweging inzet Resultaatgebied 1 1. Gebruikelijke hulp In de afweging voor het verstrekken van dit resultaatgebied wordt de gebruikelijke hulp meegenomen die partners en ouders kunnen bieden. Het gaat om de volgende onderdelen: het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie; het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek, huisarts et cetera; het bieden van hulp bij/overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie; het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de cliënt. 2. Voorliggende voorzieningen Voorbeelden van voorzieningen voor dit resultaatgebied die voorliggend zijn: Lichte begeleiding door een GGZ-ervaringsdeskundige Maatjesprojecten Bezoeken van (GGZ)-inlopen Sociale alarmering Behandeling Trainingen Dagbesteding uit resultaatgebied 4 Artikel4.2.3Inzet Resultaatgebied 1 Bij het aanleren van praktische vaardigheden/handelingen kan worden gedacht aan: het uitvoeren van vaardigheden die geleerd zijn tijdens eventuele behandeling, zoals sociale vaardigheden; het zelfstandig uitvoeren van zelfzorg, zoals wassen, aankleden, eten en drinken; het zelfstandig beheren van geld, de administratie bijhouden, het gebruik van openbaar vervoer, post openen en regelen, praktisch inrichten van de woning (bijvoorbeeld bij een visuele beperking of mensen met een lichamelijke beperking ) of digitale vaardigheden; het kunnen plannen en onderhouden van contacten in de sociale omgeving. Bij het aanbrengen van structuur en routine moet gedacht worden aan: het nemen van besluiten en inzicht hebben in de gevolgen; het regelen van randvoorwaarden op het gebied van het leven van alledag (bv wonen, onderwijs, werk, inkomen); het kunnen aankopen/betalen, het kunnen aangaan van een gesprek met instanties het kunnen plannen van activiteiten; het op/bijstellen van dag/weekplanning, inslijten van de dagelijkse routine; zich aan regels/afspraken houden. Aansturing en coaching bij uitvoering van taken is vooral nodig bij mensen met cognitieve problemen. Als er met name ondersteuning rondom de financiën nodig is, wordt een arrangement uit resultaatgebied 3 (financiën) ingezet. Vanuit dit arrangement kan worden toegewerkt naar meer gespecialiseerde financiële begeleiding zoals inzet van budgetbeheer, beschermingsbewind of het aanvragen van schulddienstverlening. Als het beheren van geld en het bijhouden van de administratie slechts één van de taken is die moet worden aangeleerd, is inzet van resultaatgebied 1 passender. Hieronder volgt een nadere omschrijving van de profielen: Profiel 1 Laag: aanleren en aanbrengen structuur In deze groep ligt de focus op de het ondersteunen in regie en structuur en/of het aanleren van praktische vaardigheden. Denk hierbij aan een inwoner die niet in staat is zijn sociaal netwerk te onderhouden en waarbij ondersteuning nodig is om noodzakelijke instanties aan te spreken. De ondersteuning is een kort moment in de week om de benodigde praktische vaardigheden aan te leren en te toetsen zodat de dagelijkse en/of wekelijkse routine een onderdeel van de reguliere activiteiten wordt. Profiel 2 Laag/Midden: aanleren, toetsen en aanbrengen structuur Deze groep (laag/midden) heeft net meer ondersteuning nodig en zal daarin onderhouden moet worden om de zelfstandigheid te vergroten en/of te behouden. Deze groep verschilt niet veel met de lichtere (lage) ondersteuning maar heeft meer intensievere en regelmatiger ondersteuning per week nodig. De ondersteuning is een moment in de week om de benodigde praktische vaardigheden aan te leren en te toetsen zodat de dagelijkse en/of wekelijkse routine een onderdeel van de reguliere activiteiten wordt. Profiel 3 Midden: aanleren, toetsen, aanbrengen structuur en aansturen De groep die een middelmatig inzet nodig heeft net meer ondersteuning nodig dan de voorgaande groep. Zij hebben meer sturing en begeleiding nodig om hun leven zelfstandig te kunnen leiden. Vooral bij cliënten met cognitieve problemen zijn controlemomenten nodig om het leven op de rit te krijgen en behouden. De ondersteuning is een klein dagdeel in de week om de benodigde praktische vaardigheden aan te leren en te toetsen zodat de dagelijkse en/of wekelijkse routine een onderdeel van de reguliere activiteiten wordt. Profiel 4 Midden/hoog: Ook overname van taken Deze groep heeft begeleiding nodig om de (sociale) vaardigheden onder de knie te krijgen en zich daarin te ontwikkelen. De ondersteuner kan hierbij taken overnemen en zal coachend en begeleidend optreden naar de cliënt om te voorkomen dat er een terugkerend patroon ontstaat in het overnemen. Mensen met cognitieve problematiek hebben vaak te maken met toenemende en afnemende zorgmomenten waardoor wisselende inzet noodzakelijk is. Om hier goed op in te springen kan dit profiel ingezet worden. De ondersteuning is wisselend van één moment in de week naar een klein dagdeel per week. Profiel 5 Hoog: Ook veel overname van taken Deze zware vorm van ondersteuning wordt ingezet als de cliënt zowel op structuur en regievoering als op de praktische vaardigheden hulp nodig heeft. De ondersteuning is aan de orde bij mensen, die het risico lopen op opname in een instelling (psychiatrisch opvang, ziekenhuis, penitentiaire inrichting etc). Het overnemen van taken is hier duidelijk aanwezig. De inzet in deze gradatie kan een dagelijkse inzet zijn om zowel het persoonlijk als sociaal functioneren in goede banen te leiden. Paragraaf4.3Resultaatgebied 2 Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden Artikel4.3.1Omschrijving resultaatgebied 2 Het beoogde resultaat op dit resultaatgebied is een schoon en leefbaar huis. Het gaat hierbij om het schoonhouden van de ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn: De woonkamer De gebruikte slaapkamers De keuken en sanitaire ruimten Een balkon of inpandige berging, alleen als die daadwerkelijk worden gebruikt De ondersteuning behelst zo nodig meer dan alleen schoonmaakactiviteiten, namelijk ook: Organisatie, advies en/of instructie van het huishouden Plannen en organiseren van huishoudelijke activiteiten Helpen met verkrijgen van structuur Instructie en stimulering bij uitvoering van huishoudelijke taken Begeleiden bij het laten doen van het huishouden Instructie geven hoe de activiteiten te doen Instructie bij omgaan met hulpmiddelen Voordoen, aanleren van activiteiten De ondersteuner neemt de verantwoordelijkheid van de cliënt niet over, maar helpt de cliënt op weg om het resultaat (een schoon en leefbaar huis) te behalen. Artikel4.3.2Beschikken over schone kleding Ondersteuning vanuit dit resultaat wordt geboden als een cliënt een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van zijn kleding. Het doel van dit resultaat is dat de cliënt beschikt over schone kleding. Verwacht mag worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort de aanschaf van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt. Daarnaast wordt van de cliënt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. De cliënt dient ten behoeve van dit resultaat zoveel mogelijk gebruik te maken van de door zorgaanbieders ingerichte collectieve diensten. Artikel4.3.3Het verzorgen van de (brood)maaltijd Het gaat bij de verzorgen van de (brood)maaltijd om cliënten die door een beperking (tijdelijk) hun maaltijd niet kunnen bereiden en (nog) geen medische indicatie hebben. Wat betreft de wetgeving zijn er drie groepen cliënten te onderscheiden: De cliënten met persoonlijke verzorging (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.