Beleidsregels sociaal domein gemeente Eemnes 2023 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes, overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van de wetten in het sociaal domein (Participatiewet, Wet op het primair onderwijs (Wpo), Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo), Wet op de expertisecentra (Wec), (Passend onderwijs) en Wmo) en de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018; gelet de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b, 36 en 36b en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ artikel 4 van Wpo, Wvo en Wec (Passend onderwijs), de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018; dat het college de “Beleidsregels behorende bij de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018” en de “Beleidsregels bekostiging Leerlingenvervoer Eemnes 2022”, hierbij intrekt en daarvoor in de plaats de “Beleidsregels sociaal domein gemeente Eemnes 2023” vaststelt. Hoofdstuk1en 2 Algemene bepalingen, Integrale benadering Geen beleidsregels (Hoofdstuk 3 reserve) Hoofdstuk4en 5 Inkomensvoorziening Participatie Artikel4.1Begrippen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: •Geldlening: geldlening als bedoeld in artikel 50, lid 2 van de Participatiewet; •Krediethypotheek: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op registergoederen; •Stil pandrecht: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op niet-registergoederen; •Woning: woning als bedoeld in 50 lid 1 en artikel 3, lid 6 van de Participatiewet; Artikel4.2Uitsluitingen individuele inkomenstoeslag Niet voor een individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de cliënt: a.die uit Rijkskas bekostigd onderwijs volgt of tijdens de referte periode heeft gevolgd. b.van wie het perspectief op inkomensverbetering is verminderd ten gevolge van enige schending van de arbeids- of re-integratieverplichting. Artikel4.3Verlaging bij ontbreken woonkosten (indien geen kostendelersnorm van toepassing is) Het college verlaagt de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 met 15% van de norm van gehuwden als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, van de Participatiewet als de cliënt lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of het niet aanhouden van een woning. Artikel4.4Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot: a.het opschorten van het recht op een bijstand of uitkering als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 17, eerste lid, van de IOAW, artikel 17, eerste lid, van de IOAZ; b.herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand of uitkering is verleend, anders dan als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en artikel 13, eerste lid, van de IOAZ; c.het terugvorderen van de kosten van bijstand of uitkering zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, en artikel 59, van de Participatiewet, paragraaf 5 van de IOAW, paragraaf 5, van de IOAZ; d.invorderen bij dwangbevel zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 28, van de IOAW of artikel 28, van de IOAZ; e.het betekenen van een dwangbevel per post als bedoeld in artikel 60, vijfde lid, Participatiewet, of artikel 28, vijfde lid, IOAW en artikel 28, vijfde lid, IOAZ; f.verrekening van een vordering zoals bedoeld in artikel 60a, van de Participatiewet. g.verrekening van een geldlening als bedoeld in artikel 48, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel4.5Afzien van terugvordering Het college kan afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit: a.indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150; b.voor zover het betalingen betreft die zijn gedaan na een periode van zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het college had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel werd betaald, tenzij de cliënt de inlichtingenplicht heeft geschonden; c.indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is. Artikel4.6Kwijtschelding bij schuldregeling (vordering niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht) Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien naar het oordeel van het college: a.de cliënt niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 4.7 bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en c.de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand, uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. d.de vordering is niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht Artikel4.7Afzien van kwijtschelding bij schuldregeling Kwijtschelding als bedoeld in artikel 4.6 is niet mogelijk indien de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. Artikel4.8Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering, als bedoeld in artikel 4.6, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en cliënt een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.9Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in artikel 4.6 wordt ingetrokken of ten nadele van de cliënt gewijzigd indien: a.de cliënt zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of b.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid c.niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.10Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting bij terugvordering Het college kan besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, met uitzondering van de gevallen waarbij de vordering door schending van de inlichtingenplicht is ontstaan, indien de cliënt: a.gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en tenminste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of; b.gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of; c.gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d.een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten in één keer aflost, of; e.naar oordeel van het college op grond van dringende redenen voor kwijtschelding in aanmerking komt. Artikel4.11Geen kwijtschelding bij pand of hypotheekrecht Kwijtschelding als bedoeld in artikel 4.10 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. Artikel4.12Verplichtingen met betrekking tot de invordering 1.De verplichting tot betaling en de betalingstermijn worden in het besluit tot terugvordering medegedeeld. 2.Het college kan op verzoek van cliënt of in het kader van een schuldregeling uitstel van betaling verlenen. Indien uitstel van betaling wordt verleend stelt het college een betalingsregeling vast. 3.Het aflossingsbedrag in het besluit tot terugvordering of het aflossingsbedrag van de betalingsregeling geldt als opgelegde betalingsverplichting. 4.Indien tijdens de looptijd van de betalingsregeling een tweede vordering ontstaat, kan de betalingsregeling wordenbeëindigd. 5.Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van de vordering. 6.Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. Artikel4.13Verrekening en beslaglegging 1.Indien de cliënt algemene bijstand of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ontvangt wordt de opgelegde betalingsverplichting als bedoeld in artikel 4.12 verrekend met de algemene bijstand of de uitkering. 2.Indien verrekening als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk is en cliënt de opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: a.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; b.beslag in de zin van het Tweede boek van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of c.een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Artikel4.14Afzien van verrekening met vorderingen op het college Het college kan afzien van verrekening zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid van de Participatiewet indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is. Artikel4.15Rente en kosten 1.De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de cliënt in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb). 2.Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb). 3.Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Artikel4.16Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt behoudens de in deze regels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot: a.het opleggen van de verplichting ingevolge artikel 55 van de Participatiewet een verzoek in te stellen tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de cliënt hierop aanspraak heeft; b.het verhalen van de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 62 van de Participatiewet; c.het verhalen van de kosten van bijstand op de ontvanger van een schenking zoals bedoeld in artikel 62 f, onderdeel a van de Participatiewet; d.het verhalen van kosten van bijstand op een nalatenschap als bedoeld in artikel 62 f, onderdeel b van de Participatiewet; e.Het doen van een verzoek aan de rechter tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet. Artikel4.17Afzien van verhaal Het college kan afzien van het nemen van een verhaalbesluit indien: a.de kosten van bijstand meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt; b.het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen; c.de periode waarover bijstand is verstrekt beperkt is en het verhaalsbedrag op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 600,00; d.daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn. Artikel4.18Kwijtschelding bij schuldregeling Het college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: a.redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van alle schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en c.de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. Artikel4.19Inwerkingtreding van het besluit tot kwijtschelding wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal, als bedoeld in artikel 4.18, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en persoon een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.20Intrekking besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal als bedoeld in artikel 4.18 wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: a.de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of b.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; c.niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.21Verhaal in rechte 1.In het besluit tot verhaal, anders dan met toepassing van artikel 62b van de Participatiewet, wordt het verhaalsbedrag en de betalingstermijn medegedeeld. 2.Indien de cliënt niet alle informatie aan het college verstrekt die voor verhaal van belang is dan wel niet, of niet tijdig de verlangde gelden aan het college betaalt, gaat het college over tot verhaal in rechte. 3.Het college ziet, in afwijking van het tweede lid, af van verhaal in rechte indien het te verhalen bedrag een bedrag van € 600,00 per jaar niet te boven gaat. Artikel4.22Verhaal volgens rechterlijke uitspraak (artikel 62b van de Participatiewet) 1.Met inachtneming van het recht van degene die bijstand ontvangt om zelf de inning van alimentatie over te dragen aan het LBIO, vindt inning van alimentatieverplichtingen bij onderhoudsplichtigen, voor zover niet vrijwillig door deze onderhoudsplichtigen aan de betalingsverplichting wordt voldaan, plaats volgens lid 2 t/m 4 van dit artikel. 2.Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak ongeacht de hoogte van het verhaalsbedrag. 3.Het besluit tot verhaal wordt aan cliënt medegedeeld, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van het besluit te voldoen. 4.Indien aan de aanmaning geen gevolg wordt gegeven vordert het college het verschuldigde met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt. Artikel4.23Rente en kosten 1.De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de cliënt in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb). 2.Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb). 3.Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Artikel4.24Onderzoek naar draagkracht a.Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbedrag. b.Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. c.Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van het verhaalsbedrag indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen. d.Er wordt geen verzoek aan de rechter gedaan tot wijziging van het verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand. Artikel4.25Hoogte geldlening De geldlening als bedoeld in artikel 50, tweed lid van de Participatiewet bedraagt ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden. Artikel4.26Krediethypotheek 1.De algemene bijstand voor de cliënt die eigenaar is van een woning, heeft de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek indien de overwaarde in de woning, na toepassing van de vermogensvrijlating van artikel 34, tweede lid, onder d van de Participatiewet, hoger is dan € 10.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.