Woonzorgvisie Kempengemeenten (gemeente Eersel)de gemeenteraad van de gemeente Eersel gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 maart 2023; gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregel: Woonzorgvisie Kempengemeenten (gemeente Eersel) Aanleiding De meeste mensen willen zo lang mogelijk thuis blijven wonen of (weer) zelfstandig gaan wonen. Door de vergrijzing, de decentralisatie van zorgtaken en de wijzigingen in de zorgwetgeving verandert de wijze van het aanbieden van zorg en de kijk op (geschikte) huisvesting. Voor de Kempengemeenten aanleiding om een integrale langetermijnvisie op wonen in relatie tot welzijn en zorg te ontwikkelen. Interpretatie van wonen in relatie tot welzijn en zorg Een langetermijnvisie op wonen in relatie tot welzijn en zorg richt zich primair op voorzieningen op het gebied van wonen, welzijn en zorg die een beslag leggen op de fysieke ruimte. Daarbij gaat het om zowel woonvoorzieningen, variërend van intramuraal tot extramuraal en alle mogelijke tussenvormen, als om voorzieningen die gericht zijn op het tijdelijke verblijf en opvang. Deze woonzorgvisie heeft een relatie met de gemeentelijke woonvisie en dient gezien te worden als uitbreiding hierop. Onderwerpen die overlap hebben met de woonvisie zullen niet in deze woonzorgvisie behandeld worden. Deze visie is in nauwe samenwerking met verschillende stakeholders tot stand gekomen. Het gaat om onder andere de zorgaanbieders, woningcorporaties en welzijnsorganisaties in De Kempen. Daarnaast zijn ook de inwoners, door middel van het benaderen van de diverse wijk- en dorpsraden, KBO’s en informele partijen, gevraagd om knelpunten en oplossingen aan te dragen, om te komen tot een toekomstbestendige inrichting van het woonzorgaanbod binnen de Kempengemeenten. Daarnaast is er een informatiebijeenkomst geweest voor de diverse belangenorganisaties en een werksessie met de stakeholders. De visie richt zich op de behoefte aan passende woonzorgvormen voor de volgende groepen inwoners: Kwetsbare ouderen: ouderen die in mobiliteit of psychische vermogens achteruitgaan. Inwoners met een beperking: waaronder lichamelijke beperking, verstandelijke beperking, zintuiglijke beperking, in alle leeftijden. Kwetsbare jeugdigen en ouders: met opgroei en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Inwoners met een psychische kwetsbaarheid: waaronder autisme, niet aangeboren hersenletsel, dementie, in alle leeftijden. Inwoners met psychiatrische en/of verslavingsachtergrond of complexe psychosociale problemen en/of mensen zover deze vallen onder de doelgroep 'Beschermd wonen’. Inwoners die vanwege persoonlijke of maatschappelijke omstandigheden of problemen tijdelijk niet functioneren of niet veilig thuis kunnen wonen. Leeswijzer Hoofdstuk 1 bevat een korte uiteenzetting van de landelijke trends in wonen en zorg die ook van toepassing zijn in de Kempengemeenten. In hoofdstuk 2 wordt het kwantitatieve en kwalitatieve beeld weergegeven van de woonzorgopgave in de Kempengemeenten. In hoofdstuk 3 worden vervolgens de belangrijke opgaven voor de Kempengemeenten op het vlak van wonen met zorg en welzijn geschetst. Dit hoofdstuk bevat de visie op doelgroep overstijgende onderwerpen en visies per doelgroep. In hoofdstuk 4 worden de afzonderlijke visies opgesomd en hoofdstuk 5 sluit af met een aantal adviezen voor vervolgstappen. 1.Trends wonen en zorg In dit hoofdstuk vindt u een beschrijving van landelijke trends in wonen en zorg die ook van toepassing zijn op de Kempengemeenten. Hier leest u de trends over de bevolkingsontwikkelingen en wat het effect daarvan is op de bevolking en de vraag naar woonzorgvormen. U leest hier welke algemene knelpunten daarbij komen kijken en welke mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor zijn. In hoofdstuk 2 wordt dieper ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkelingen specifiek voor de Kempengemeenten. 1.1Landelijke trends in de Kempengemeenten De afgelopen jaren is er landelijk veel veranderd op het gebied van wonen en zorg. Veel van de landelijke trends zijn uiteraard ook van toepassing op de Kempengemeenten. Trends die van invloed zijn op de samenstelling van de bevolking, de behoefte van inwoners, het gewenste aanbod aan voorzieningen en de wijze waarop dit kan worden georganiseerd. Hieronder een opsomming. Vergrijzing en ontgroening In de Kempengemeenten is sprake van zowel een vergrijzing van de bevolking als een ontgroening. Cijfers laten zien dat de groep ouderen in de bevolking van de Kempengemeenten sterk toeneemt (zie ook hoofdstuk 2). Tevens wordt er gesignaleerd dat het aandeel jongeren en starters afneemt, door onder andere uitstroom naar grote steden binnen de regio. Langer thuis Er komen meer ouderen en die blijven steeds langer thuis wonen. De tijdsduur waarin men intensieve zorg nodig heeft neemt niet toe ondanks de stijging van de gemiddelde leeftijd. Slechts een klein deel van de ouderen woont in een verpleeghuis. Meer regie inwoners Bewoners met een zorgvraag willen meer eigen regie en keuze. Wonen in een dorp of buitengebied, in een groot woon-zorgcomplex of juist kleinschalig. De realiteit bij zorgcomplexen is alleen dat dit wegens exploitatie niet mogelijk is om dat in alle kernen te realiseren. Mantelzorg In de toekomst daalt het aantal beschikbare mantelzorgers. Ondanks dat de mogelijkheden voor mantelzorg momenteel in de Kempengemeenten relatief goed zijn (zie ook hoofdstuk 2), geldt ook hier dat deze mogelijkheden zullen afnemen in de toekomst. Inclusieve samenleving Mensen met een psychiatrische en verstandelijke beperking wonen steeds vaker in gewone woningen in bestaande wijken en dorpen. Voor de buurt hebben ze vaak gedrag dat niet wordt begrepen of veroorzaken ze in een enkel geval echt overlast. In het kader van een inclusieve samenleving is hier aandacht voor nodig. Nieuwe woonvormen Er ontstaat een nieuwe vraag naar woonvormen die de lacune opvullen tussen ‘thuis’ wonen en wonen in een intramurale voorziening met 24-uurs zorg. Dat geldt niet alleen voor kwetsbare ouderen, maar ook voor mensen met een psychiatrische of psychische kwetsbaarheid of verstandelijke beperking. Grote schaarste aan (levensloopbestendige) woningen De vraag naar woningen is groter dan het aanbod, wat betekent dat er een schaarste op de woningmarkt is. Door deze schaarste stagneert de doorstroom (van onder andere senioren) op de woningmarkt. Als (kwetsbare) inwoners zoals senioren al willen verhuizen naar een (meer) passende woning is er weinig tot geen aanbod. Zorgtechnologie Door de zorgkloof (de groeiende vraag naar zorg terwijl de beschikbaarheid van zorg afneemt) wordt het gebruik van zorgtechnologie als een belangrijke en wellicht noodzakelijke ontwikkeling gezien. Door de verschillende vormen van zorgtechnologie, zoals domotica, is het mogelijk om bepaalde taken uit te voeren zonder zorgpersoneel. Daarnaast kan het bijdragen aan de ondersteuning aan mantelzorgers gezien het tekort van mantelzorgers wat gaat ontstaan. Met name in de overgang van zorg thuis naar intramurale zorg liggen kansen voor verbetering door de zorgtechnologie die de cliënt in zijn eigen omgeving al gebruikt ook intramuraal te (blijven) gebruiken. Een tekort aan deskundig en opgeleid personeel Een andere ontwikkeling is de problematiek omtrent het tekort aan (opgeleid) personeel. Bij het invullen van vacatures kampen zorgorganisaties met problemen, waarin met name de specialistische functies lastig te vullen blijken. Voorzieningenniveau Uit de kleine kernen verdwijnen steeds meer voorzieningen. Dit leidt (ook) tot een bereikbaarheidsopgave. Voor ouderen is dat soms de reden om, als ze moeten verhuizen, naar een grotere kern te verhuizen. Inzet belangenorganisaties Er ontstaat steeds vaker samenwerking tussen professionele welzijns- en zorgorganisaties en dorpsbewoners. Vaak in de vorm van dorpscoöperaties, KBO’s of andere burgerinitiatieven. Deze organisaties kunnen worden ingezet om de stem van de burger meer te laten spreken in beleidstukken zoals deze woonzorgvisie. Deze organisaties zijn dan ook geraadpleegd bij de totstandkoming van deze visie. 2.Beeld van de Kempengemeenten In dit hoofdstuk wordt, aansluitend op de geschetste landelijke trends in hoofdstuk 1, een concreter beeld gegeven van de situatie in de Kempengemeenten daar waar het gaat om wonen met zorg. In het verlengde van de gebiedsanalyse1Voor de volledige gebiedsanalyse (inclusief 2020-2040 prognose kaarten) verwijzen we naar bijlage 1. wordt een opsomming gegeven van de lokale ontwikkelingen en opgaven in de Kempengemeenten2Voor een overzicht van de betrokken en gesproken stakeholders verwijzen we naar bijlage 2., zowel in het hier en nu, als met het oog op de toekomst. 2.1Een brede doelgroep Deze woonzorgvisie is gericht op de op pagina 3 beschreven groepen inwoners. Dit zijn inwoners die op diverse manieren kwetsbaar zijn. Kwetsbaar zijn kan in verschillende vormen en maten. Dit kan zijn psychisch kwetsbaar, zoals bijvoorbeeld inwoners met dementie, een licht verstandelijke beperking of met verslavingsproblematiek. Men kan ook kwetsbaar zijn om andere redenen zoals financiële, opvoedkundige, of somatische problematiek. De inwoners van de Kempengemeenten hebben gemiddeld genomen iets minder vaak met een aandoening in vergelijking met de rest van Nederland. Een stijging wordt wel gezien bij de groep cliënten met dementiële problematiek. Deze groep zal toenemen van 700 in 2018 naar 1.200 in 2030. De groep inwoners met somatische problematiek neemt in diezelfde periode toe van 4.300 naar 4.700. In de Kempengemeenten maakt 8,6% van de jongeren gebruik van jeugdzorg, dat lager is dan het landelijk gemiddelde (9,8%). Ook valt op dat het aantal mensen met een licht verstandelijke beperking en/of laaggeletterdheid een stuk lager ligt (circa 9,4%) dan het landelijk gemiddelde (circa 16,2%). Deze groep is niet altijd even goed in beeld, aangezien ze niet per definitie gebruikmaken van zorg of begeleiding. Deze groep is wel kwetsbaar en kan bij een verandering in hun leven, wel die zorg nodig gaan krijgen. Daarnaast wordt een toename verwacht bij de groep met psychiatrische problematiek in de komende periode, namelijk een stijging van 300 naar 400 tot het jaar 2030. Monitoring in de loop van de tijd in relatie tot de capaciteit in woningen bij deze groep is hierbij van belang. Concluderend kan er gesteld worden dat het aantal inwoners met beperkingen in de Kempengemeenten in veel gevallen lager ligt dan de landelijke gemiddelden. 2.2Voortzettende vergrijzing In totaal stonden er begin 2021 bijna 72.000 inwoners ingeschreven in de Kempengemeenten. Ongeveer 920 personen verbleven in een institutioneel huishouden (zoals verpleeghuizen), de andere personen vormden in totaal 30.120 particuliere huishoudens. In figuur 1 staat de leeftijdsopbouw van de inwoners van de Kempengemeenten afgezet tegen het Nederlands en provinciaal gemiddelde. De figuur maakt duidelijk dat de Kempengemeenten anno 2021 sterker zijn vergrijsd dan de rest van het land, en dat er meer vergrijzing in het vooruitzicht ligt (de groep aankomende ouderen tussen de 55 en 75 jaar is fors van omvang). De leeftijdsgroep van 18 tot 55 jaar is ondervertegenwoordigd. Er is dus ook sprake van ontgroening in de Kempengemeenten. Er wonen in de Kempengemeenten meer inwoners van 75 jaar of ouder dan in Nederland (9,7%; landelijk 8,5%). In Eersel wonen met 10,5% de meeste 75-plussers; in Reusel-De Mierden ligt het aandeel met 7,7% onder het landelijk gemiddelde (figuur 2). Deze vergrijzing en ontgroening in relatie tot de arbeidsmarktproblematiek is een grote opgave voor de komende decennia. 2.3Prognose leeftijdsopbouw bevolking De op dit moment sterk vertegenwoordigde groep van 55 tot 65 jaar is over tien jaar tussen de 65 en 75 jaar. Het aantal inwoners in deze laatste leeftijdsklasse neemt dan ook het komende decennium toe (zie ook figuur 3 en figuur 4), net als het aantal 75-plussers. De prognose is dat het aandeel inwoners van 75 jaar of ouder toe neemt van 9,7% in 2021, naar 13% in 2030 en 17% in 2040. In de toekomst wonen deze ouderen meer verspreid over de gemeenten dan dat nu het geval is (momenteel zijn er nog enkele gebieden met een hoge concentratie 75-plussers) (Bijlage 1, figuur 3-6). Mogelijke schaalsprong De Brainportregio De cijfers over de prognoses van de demografische ontwikkeling in figuur 3 en 4 zijn ramingen, waardoor er altijd een onzekerheid in zit. Daarnaast is in deze raming niet opgenomen dat De Brainportregio groeit en staat voor een enorme schaalsprong: tot 2030 moeten er duizenden vacatures vervuld worden. Deze vacatures betekenen ook een toenemende vraag naar woningen. In het Verstedelijkingsakkoord is reeds vastgesteld dat op zijn minst 72.000 arbeidsplaatsen en 62.000 woningen nodig zijn. Tot 2040 zal dit echter naar verwachting nog verder toenemen3https://static.metropoolregioeindhoven.nl/downloads/Bijlage-1-Notitie-ruimtelijke-schaalsprong-Brainport-Eindhoven.pdf. Met name de aankondiging van ASML, dat zij de komende jaren met 15.000 extra werknemers gaan groeien kan een groot effect gaan hebben op de bevolkingssamenstelling. Bovendien levert iedere baan bij ASML nog eens 2,5 banen op in de toeleveringsketen. Dit betekent dat de groei van ASML alleen al zorgt voor 70.000 extra medewerkers in de regio in 2030. Een groot deel van de nieuw te bouwen woningen zal worden gebouwd in de vorm van nieuwe hoogstedelijke gemengde woonmilieus in Eindhoven en Helmond. Deze mutaties zijn niet meegenomen in de prognose tabellen, maar betekent dat de groep 25-55 jarigen niet krimpt, maar juist toeneemt in de periode tot 2030 en 2040. 2.4Aandeel inwoners met een aandoening Het aandeel inwoners met een bepaalde aandoening binnen een gemeente hangt samen met verschillende factoren. Voor de Kempengemeenten geldt dat over het algemeen er gemiddeld minder inwoners zijn met een aandoening dan gemiddeld genomen over heel Nederland (figuur 5). Enkel de doelgroepen met dementie en zintuiglijke aandoeningen komen relatief iets vaker in de Kempengemeenten voor t.o.v. het Nederlandse gemiddelde. Hoewel het aandeel inwoners met LVB-problematiek lager ligt dan het landelijk gemiddelde, gaat het nog altijd om de aandoening die het vaakst voorkomt. Het is zeker niet zo dat de totale groep een acute behoefte heeft aan zorg of ondersteuning, maar men is wel kwetsbaar. Het geschetste beeld van de aandoeningen onder de bevolking verandert niet van de ene op de andere dag. Wel moet er voor de komende jaren rekening worden gehouden met een sterke toename van het aantal mensen met dementie en somatische problematiek (zie figuur 6). Dit vraagt om een toename in passende woonzorgvormen voor deze doelgroep. Daarnaast is er in deze woonzorgvisie nog een doelgroep meegenomen die zowel kwalitatief en kwantitatief moeilijk te duiden is, maar wel belangrijk om aandacht aan te schenken. Dit is namelijk de doelgroep met inwoners die vanwege persoonlijke of maatschappelijke omstandigheden of problemen tijdelijk niet functioneren of niet veilig thuis kunnen wonen. Dit is een heel diverse groep. Het betreft inwoners die om diverse redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen. Een voorbeeld van deze groep zijn de economisch daklozen. De economisch dak- en thuisloze heeft (in eerste instantie) een acute woonvraag. Zware psychische problematiek en verslaving zijn niet aan de orde. Deze life events kunnen van alles zijn, van werkloosheid, ziekte, (v)echtscheiding, schulden, etc4https://www.platform31.nl/publicaties/huisvesting-en-ondersteuning-economische-dak-en-thuislozen#. Bij deze groep ontbreekt het vaak aan zware ondersteuningsvragen, maar de mensen binnen deze groep kunnen zonder tijdig goede hulp sneller afglijden naar zwaardere typen problemen en zijn in die zin kwetsbaar. Deze doelgroep wordt in de praktijk ondersteund door zorgorganisaties in samenwerking met ambtenaren zorg- en welzijn en commerciële marktpartijen. De gemeentelijke afdeling wonen en de woningcorporaties staan duidelijk nog op afstand. Dit heeft diverse oorzaken. De doelgroep klopt letterlijk aan bij zorg- en welzijnspartijen, voornamelijk bij de maatschappelijke opvang. In het hoofdstuk over de opgave wordt verder ingegaan op deze doelgroep. 2.5Wonen met zorg In de voorgaande paragraaf is gefocust op die zorgdoelgroepen die zelfstandig wonen. Het zijn deze groepen waarvoor de gemeente primaire verantwoordelijkheid heeft, onder meer via de Wmo. Bij een ander deel van de zorgdoelgroepen wordt de zorg (en vaak ook het verblijf) gefinancierd via de Wlz. Deze groepen wonen relatief vaak intramuraal. Een indicatie van de omvang van deze groepen kan worden herleid uit de afgegeven indicaties, zoals geregistreerd door het CIZ. In figuur 7 zijn alle afgegeven indicaties te zien en ook weergegeven als aandeel van de totale bevolking. 2.6Mantelzorg Bij grote concentraties van ouderen is het vooral een probleem dat minder geleund kan worden op de informele zorg (er wonen minder mensen die mantelzorg kunnen verlenen). Ontbreekt informele zorg, dan zal men sneller zijn aangewezen op professionele zorg en wordt het zelfstandig wonen bemoeilijkt. Daarom is het van belang om naar de ontwikkeling van het mantelzorgpotentieel te kijken. De mogelijkheden voor informele zorg worden in beeld gebracht aan de hand van de Oldest Old Support Ratio (OOSR).5Toekomstverkenning mantelzorg aan ouderen in 2040, Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, november 2019. Simpel gezegd gaat het hier om de verhouding tussen het aantal 50 tot 75-jarigen en het aantal 85-plussers. Vanuit de eerste leeftijdsgroep wordt vaak mantelzorg geboden, de tweede groep ontvangt deze veelal. Landelijk ligt de OOSR op 13,7, hetgeen betekent dat er tegenover elke 85-plusser 13,7 50 tot 75-jarigen staan. In de Kempengemeenten ligt de OOSR iets hoger, rond de 15,3. Dit betekent dat kijkend naar de leeftijdsverdeling er op dit moment mogelijkheden zijn voor mantelzorg. De OOSR is een heldere doch eenvoudige benadering van de werkelijkheid. Een iets genuanceerder beeld ontstaat als de benadering meer leeftijdsspecifiek wordt gemaakt. Uit onderzoek is bekend dat: 15% van de inwoners in de leeftijdsklasse van 75 tot 80 jaar mantelzorg ontvangt; 21% van de 80 tot 85-jarigen mantelzorg ontvangt; 24% van de 85-plussers mantelzorg ontvangt. En voor de mantelzorgers geldt dat: 9% van de 18 tot 50-jarigen mantelzorg verleent; 24% van de 50 tot 75-jarigen mantelzorg verleent; 19% van de 75-plussers mantelzorg verleent. Op basis van deze leeftijdsspecifieke OOSR is de verhouding tussen potentiële mantelzorg-ontvangers en potentiële mantelzorgverleners in de Kempengemeenten 1 op 7,5. De variatie binnen de gemeenten is echter groot. In sommige kernen ligt deze OOSR boven de 8, in andere kernen onder de 4 (Bijlage 1, figuur 30). Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het verhoudingsgetal is berekend inclusief de bewoners van verpleeghuizen. Deze bewoners ontvangen professionele zorg en hebben daardoor minder behoefte aan mantelzorg. Als puur naar de zelfstandig wonende bevolking zou worden gekeken, valt het verhoudingsgetal hoger uit. Echter, de realiteit is ook dat er in de verpleeghuizen vanwege het ontbreken van professionele zorg (arbeidsmarktproblematiek) een groter beroep wordt gedaan op mantelzorg. Het is van belang te vermelden dat mantelzorg zeker niet altijd door buurtgenoten wordt geleverd. In de meeste gevallen wordt deze geleverd door familieleden die soms tientallen kilometers verderop wonen. De behoefte aan mantelzorg van een oudere kan dan ook snel wijzigen wanneer iemands gezondheidssituatie veranderd. Ook kunnen door maatschappelijke trends meer of minder mensen bereid zijn mantelzorg te verlenen. Bij deze cijfers gaat dus nadrukkelijk om een indicatief beeld (Bijlage 1, figuur 31), van de mate waarin familieleden en buurtgenoten ouderen bij kunnen staan op het moment dat gebreken intreden. Wellicht belangrijker dan het niveau is de trend die de OOSR laat zien: de komende jaren zullen de mogelijkheden voor informele hulp en ondersteuning vanuit de netwerken in buurten en kernen afnemen. 2.7.1Ouderen De groep ouderen die van oudsher op een instelling is aangewezen neemt in de komende jaren sterk toe. Momenteel zijn er 640 ouderen met 24-uurs zorg, maar in 2030 zal dit toenemen tot 970 en in 2040 zelfs tot 1.290. Figuur 9 geeft deze stijging weer voor de Kempengemeenten totaal en per gemeente afzonderlijk. Dit betekent niet per definitie dat de verpleeghuiscapaciteit met soortgelijke aantallen moet worden uitgebreid. Een toenemend aandeel ouderen ontvangt verpleeghuiszorg in de thuissituatie (met een Volledig Pakket Thuis, Modulair Pakket Thuis of Persoonsgebonden Budget). Men kan ervoor kiezen deze situatie te bevorderen/stimuleren. Van belang is dit hierbij in te zetten op moderne technieken zoals sensoren. In Bergeijk en Eersel gebeurt dit al, genaamd het ‘Samen slimmer ouder worden’. Hierbij is er medewerking van de provincie Brabant. 2.7.2Jeugd In totaal ontvingen er in 2020 in de Kempengemeenten 1.500 jongeren een vorm van jeugdhulp. Het gaat hier om 8,6% van alle jongeren tot 23 jaar, wat lager is dan het landelijk gemiddelde van 9,8%. In 2020 ontvingen 135 jongeren jeugdzorg met verblijf. 2.8Huidig aanbod In voorgaande paragrafen is de behoefte/vraag kant van de woonzorgopgave beschreven. In deze paragraaf wordt ingegaan op het woonzorgaanbod en de kenmerken van de reguliere woningvoorraad. De gegevens over het bestaande aanbod zijn geïnventariseerd onder lokale partners. Vanwege het feit dat dit een moment opname is, is er een kans dat het overzicht niet 100% volledig is en met de tijd alweer is gewijzigd. In bijlage 5 is een overzicht te vinden van de geïnventariseerde locaties. De woonzorgvisie richt zich primair op voorzieningen op het gebied van wonen, welzijn en zorg die een beslag leggen op de fysieke ruimte (voor definities zie bijlage 3). Daarbij gaat het om zowel woonvoorzieningen, variërend van intramuraal tot extramuraal en alle mogelijke tussenvormen, als om voorzieningen die gericht zijn op het tijdelijke verblijf en opvang. Er wordt hierbij ook een onderscheid gemaakt tussen voorzieningen met een verblijfscomponent (zoals intramurale verpleegzorg) en voorzieningen zonder een verblijfscomponent (zoals inloopvoorzieningen). Voordat ingegaan wordt op het aanbod per doelgroep wordt een kort overzicht weergegeven van de aanbodinventarisatie op hoofdlijnen. Figuur 11 geeft een overzicht van het aantal locaties, uitgesplitst naar de verschillende woonzorgvormen. Kijkend naar het aantal woonzorg¬locaties dat door middel van een inventarisatie onder zorgaanbieders in kaart is gebracht, vervullen van de 47 in kaart gebrachte locaties met verblijf 32 voorzieningen een intramurale woonfunctie. Figuur 12 geeft het aantal plekken per type voorzieningen met verblijf weer. Deze 47 locaties met verblijf (alle doelgroepen) zijn verspreid over de vier Kempengemeenten. Figuur 13 geeft weer in welke plaatsen deze voorzieningen zich bevinden. Bij de verdeling van het aantal plekken, bestaat het overgrote deel uit intramurale plekken. Hierbij moet de kanttekening gemaakt worden dat de figuren gebaseerd zijn op de uitvraag onder lokale stakeholders en dat bij een vijfde van de aangeleverde voorzieningen met verblijf het aantal beschikbare plekken niet meegeleverd was. Het werkelijke aantal zal dus mogelijk iets hoger liggen dat weergegeven in figuur 12. Naast locaties met verblijf is er ook een overzicht met voorzieningen zonder verblijfscomponent, zoals voorliggende voorzieningen. Het gaat hier om algemene voorzieningen waar ook inwoners zonder indicatie van gebruik kunnen maken (m.u.v. ambulante zorg, dagbesteding en begeleiding). Deze zijn weergegeven in figuur 14. Hierbij is goed te zien dat van het type dagbesteding er de meeste locaties zijn. Figuur 15 geeft het aantal personen weer dat gebruik maakt van deze voorzieningen zonder verblijf. Huidig voorzieningenaanbod Voorzieningen zijn er in vele soorten en maten. Bepaalde zorgdoelgroepen hebben maatwerkvoorzieningen nodig, maar voor vrijwel iedereen met een beperking zijn de volgende voorzieningen van belang: een supermarkt, een huisarts en een apotheek. Deze drie voorzieningen worden ook wel aangeduid als de ‘triple a’ (arts, apotheek en Albert Hein/ Aldi). In de Kempengemeenten zijn er enkele kernen waar de volledige ‘triple a’ aanwezig is, bereikbaar binnen een loopafstand van 500 meter. In de kleinere kernen zijn weinig voorzieningen aanwezig. Dit maakt dat vervoer een belangrijk thema is, om de bereikbaarheid van essentiële voorzieningen te borgen. In de meeste gebieden hoeven de inwoners niet meer dan 500 meter te lopen alvorens bij een halte aan te komen. In enkele gebieden is dit meer dan 500 meter. In de meeste kleine kernen zijn er geen OV-haltes. Wel kan men daar gebruik maken van de buurtbus en in een aantal gevallen vrijwillige vervoersdiensten. Zie bijlage 1 voor een uitgebreidere analyse op de voorzieningen en bereikbaarheid. Huidig woonaanbod Voor de groep met somatische beperkingen en mobiliteitsproblemen is het van belang dat er voldoende gelijkvloerse woningen zijn. Er zijn in de Kempengemeenten ongeveer 1.700 zelfstandig wonende personen die problemen hebben met de mobiliteit binnenhuis. Daar staan ruim 3.300 geschikte woningen tegenover (11% van de voorraad) en daarnaast zijn er bijna 25.300 aanpasbare woningen (geschikt te maken, 81% van de voorraad). Kijkend naar puur de fysieke kenmerken inzake de toe- en doorgankelijkheid van de woningen, is er dus momenteel geen sprake van kwantitatieve tekorten. Ook onder het corporatiebezit zijn de meeste woningen geschikt of aanpasbaar, al ligt het aandeel ongeschikte woningen met 18% wel hoger dan onder de totale woningvoorraad (8%). Het aandeel 75+ dat woont in veelal ongeschikte woningtypen ligt lager in de Kempengemeenten (7%) ten opzichte van landelijk (14%). Onder 65 tot 75 jaar woont circa 6% in de Kempengemeenten in veelal ongeschikte woningtypen, ten opzichte van 15% in Nederland. In een beperkt aantal gebieden met vergrijzing is de woningvoorraad niet geschikt (of aanpasbaar) voor bewoning met mobiliteitsproblemen. Het gaat bijvoorbeeld om woningen rondom het centrum van Reusel of in gebieden in Bladel. Meer informatie over de reguliere woningvoorraad staat in Bijlage 1. Ontwikkeling behoefte geschikte woningen Momenteel is er geen sprake van tekorten kijkend naar de huidige woningvoorraad in relatie tot levensloopbestendigheid. De ontwikkeling van de populatie zorgt echter wel tot een verschuiving. Onderstaande tabel geeft de gewenste aanbodontwikkeling aan geschikte woningen (nultredenwoning, aangepaste ouderenwoningen en/of geclusterde ouderenwoningen) (met zorg) weer tot en met 20306. Bij de tabel is er wel een kanttekening te maken. Veel van de geclusterde woningen gaan om appartementen en betreffen dus ook al nultredenwoningen. Waarbij ook gesteld kan worden dat bij appartementen al snel sprake is van clustering van ouder wordende inwoners met een (potentiële)zorgvraag. Daarom moet vermeld worden dat de cijfers indicatief zijn (raming) en geen recht doen aan de gewenste aanpassingen die verschillen per individu en woonsituatie. Maatwerk bij de feitelijke problematiek van de inwoners is en blijft daarom vereist. Gemeente Nultreden-woning Aangepaste Ouderenwoning Geclusterde Ouderenwoning Totaal Bergeijk 10 0 10 10 Bladel 250 60 60 370 Eersel 280 30 60 370 Reusel-De Mierden 170 40 10 220 Kempentotaal 710 120 140 970 Tabel 1. Raming gewenste aanbodontwikkeling geschikte woningen 2021-2030. Bron: Woonzorganalyse MRE. Bewerking HHM Gemeente Nultreden-woning Aangepaste Ouderenwoning Geclusterde Ouderenwoning Totaal Bergeijk 710 140 110 960 Bladel 1.180 310 170 1.660 Eersel 1.190 260 270 1.720 Reusel-De Mierden 700 190 40 930 Kempentotaal 3.780 900 590 5.270 Tabel 2. Raming totaal aantal benodigde woningen per type in 2030. Bron: Woonzorganalyse MRE 2.9Samenvattend Zorg en ondersteuning De Kempengemeenten anno 2021 zijn sterker vergrijsd dan de rest van het land en meer vergrijzing ligt in het vooruitzicht (de groep aankomende ouderen tussen de 55 en 75 jaar is fors van omvang). De leeftijdsgroep van 18 tot 55 jaar is ondervertegenwoordigd. Op dit moment wonen de 75-plussers nog vrij geconcentreerd, in bepaalde wijken of buurten. Maar dat zal de komende jaren gaan deconcentreren. Met name de behoefte aan 24-uurszorg neemt sterk toe in de komende jaren. Over het algemeen wonen er in de Kempengemeenten minder inwoners met een beperking dan het landelijke gemiddelde. Enkel de groep met dementiële problematiek, zintuigelijke aandoening en ouderdom gerelateerde beperkingen zoals mobiliteit buitenshuis en in huis is gelijk aan of heel iets hoger dan het landelijk gemiddelde. Wel moet er voor de komende jaren rekening worden gehouden met een verdere sterke toename van het aantal mensen met dementie en somatische problematiek. Binnen de Kempengemeenten ontvangt 8,6% van alle jongeren tot 23 jaar jeugdzorg; wat lager is dan het landelijk gemiddelde van 9,8%. Over het algemeen zijn de inwoners uit de Kempengemeenten relatief minder vaak beperkt op een bepaald levensdomein (zoals dagbesteding, algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en cognitief functioneren) t.o.v. het Nederlands gemiddelde. De Kempengemeenten hebben een OOSR (verhouding 50 tot 75-jarigen en het aantal 85-plussers) van 15,3, dat hoger is dan het landelijk gemiddelde (13,7). Dit betekent een gezond mantelzorgpotentieel. De komende jaren zullen de mogelijkheden voor informele hulp en ondersteuning vanuit de netwerken in buurten en kernen wel afnemen. Wonen en omgeving Uit de inventarisatie blijkt dat in de Kempengemeenten circa 1.100 plekken zijn in voorzieningen met verblijf. Deze zijn verdeeld over intramurale, beschermd wonen, extramurale en geclusterd wonen voorzieningen. Daarnaast maken nog zo’n 550 inwoners gebruik van voorzieningen zonder verblijf, zoals dagbesteding, ontmoetingsplekken en ambulante begeleiding. Op het gebied van aanpasbaarheid, kijkend naar puur de fysieke kenmerken inzake de toe-en doorgankelijkheid van de woning, is geconcludeerd dat er geen sprake is van kwantitatieve tekorten. Wel is geconcludeerd dat vervoer een belangrijk thema is, omdat in de kleinere kernen weinig voorzieningen aanwezig zijn. 3.De opgaven en visie In dit hoofdstuk wordt het beeld van de Kempengemeenten verbonden met de geconstateerde en geïnventariseerde trends en ontwikkelingen. Dit leidt tot een overzicht van de kwantitatieve en kwalitatieve opgaven voor nu en in de toekomst. Dit hoofdstuk begint met een opsomming van de kwalitatieve doelgroep overstijgende opgaven en visies. Deze opgaven worden geclusterd aan de hand van drie groepen: Vastgoed en wonen Zorg, welzijn en leefbaarheid Samenwerking Vervolgens worden de gekwantificeerde en gekwalificeerde woonzorgopgaven per zorgdoelgroep beschreven. Hierin wordt naast de visie per doelgroep ook de vraagontwikkeling, het huidige aanbod en een advies voor het te realiseren aanbod per doelgroep weergegeven. 3.1Vastgoed en wonen Kwalitatieve woonopgaven Verschillende kwetsbare groepen blijven langer zelfstandig thuis wonen. Dit stelt andere voorwaarden aan reguliere, zelfstandige woningen. Woningen moeten (waar nodig) aangepast worden aan de ondersteuningsbehoefte van deze doelgroepen, door ze levensloopbestendig te maken. Doordat het overgrote deel van de ouderen in de Kempengemeenten in grondgebonden koopwoning woont, dient met name ingezet te worden op de eigen verantwoordelijkheid d.m.v. communicatie. Daarnaast ontstaat er een behoefte aan tussenvormen. De behoefte aan deze tussenvorm geldt niet alleen voor kwetsbare ouderen, maar ook voor mensen met een psychiatrische of psychische kwetsbaarheid of verstandelijke beperking, over alle leeftijdsgroepen heen. Zo is er benoemd dat voor jeugdigen die bijvoorbeeld vanuit beschermd wonen uitstromen een behoefte is aan tussenvormen tussen beschermd wonen en zelfstandig wonen. Dit kan in de vorm van een trainingshuis, waarbij de jeugdigen zelfstandig wonen maar ambulante ondersteuning ontvangen. Hetzelfde geldt voor de doelgroep met een verstandelijke beperking; ook hier is behoefte aan een tussenvorm zoals woningen in een geclusterde setting waarbij ambulante zorg (gemakkelijk) te verlenen is. De behoefte bij ouderen aan geclusterde woonvormen/ tussenvormen is veelkleurig. Er is een groep voor wie de geclusterde woonvorm een noodzaak is. Deze groep bestaat uit een deel die voorheen een ZZP3 kreeg en een deel die verpleeghuiszorg in een zelfstandige woonvorm (via een VPT, MPT of PGB) wil ontvangen. Daarnaast is er een groep die simpelweg de wens heeft om naar een dergelijke geclusterde woning te verhuizen. Op dit moment gaat het om een kwaliteitsvraag, maar op de langere termijn zal een deel van deze groep met (ernstige) beperkingen te maken krijgen (gaat tot de noodzaak groep behoren) en op dat moment is een verhuizing niet langer nodig. In de uitwerking zal het zoeken zijn naar de juiste balans tussen beide groepen. Vanuit het oogpunt voor draagvlak van bepaalde zorg en ondersteuning zal minimaal een deel van de inwoners tot de noodzaak groep moeten behoren. Mocht het zo zijn dat de capaciteit in de verpleeghuizen niet toeneemt met de behoefte, dan zal de noodzaak groep sterk in omvang gaan groeien. Van belang is te beseffen dat voor geclusterde woningen niet altijd nieuwbouw noodzakelijk is. Ook in de bestaande voorraad kunnen ouderen geclusterd wonen en kan door het in de straat of het complex opofferen van één woning een gezamenlijke ruimte/zorgpost worden gecreëerd. Er is in de gebiedsanalyse (bijlage 1) geconstateerd dat het aantal levensloopbestendige woningen in de Kempengemeenten (11%) lager ligt dan het Nederlands gemiddelde (21%). De woningen zijn daarentegen wel vaker (81%) aanpasbaar dan het landelijk gemiddelde (61%). Het is niet zo dat iedereen die met mobiliteitsproblemen te maken krijgt direct ‘passend’ woont. Voor inwoners met somatische beperkingen en mobiliteitsproblemen zijn er met de huidige woningvoorraad, i.r.t. geschiktheid van woningen, geen tekorten. De hoge mate van aanpasbaarheid kan eventuele verschillen indien nodig opvangen. Het zoveel mogelijk in stand houden van sociale verbanden is van belang, zeker in de wetenschap dat er door de vergrijzing relatief steeds meer hulpbehoevenden zijn (ten opzichte van het aantal mensen dat hulp kan bieden). Dat zou ervoor kunnen pleiten mensen zoveel mogelijk in de vertrouwde kern te huisvesten. Maar om de zorg en ondersteuning efficiënt te kunnen bieden, is een bepaalde mate van concentratie wenselijk. Dit betekent dat maatwerk bij de praktische uitwerking van de woonzorgvisie van essentieel belang is. Naast behoefte aan wooncapaciteit ontbreken ook (aantrekkelijke) alternatieve woningen dan wel woonvormen om de doorstroom op gang te brengen. Ouderen hebben, zoals eerder benoemd, behoefte aan meer woonvormen tussen thuis en verpleeghuis. Voor de doelgroep (kwetsbare) jongeren wordt een tekort ervaren aan goedkope, kleine studiowoningen met optioneel begeleiding of 24-uurs bereikbaarheid. Dit geldt zowel voor de jongeren die vanuit hun ouderlijke huis zelfstandig willen gaan wonen als jongeren (jongvolwassenen) die uitstromen uit een intramurale voorziening. Doordat uitstroom niet mogelijk is, ziet men dat in een aanzienlijk aantal gevallen de problemen oplopen of (onnodig) gebruik gemaakt wordt van verlengde Jeugdzorg of vormen van beschermd wonen. De schaalsprong in de Brainport regio resulteert in een toename van het aantal inwoners in de komende 10 à 20 jaar en dit heeft ook zijn weerslag op de behoefte aan woonzorgvoorzieningen. Op het gebied van wonen, werken en recreëren zijn de Kempengemeenten complementair aan de rest van de Brainport. Dat maakt de Brainportregio als geheel sterker. Deze toegevoegde waarde is echter niet vanzelfsprekend. De opgave onder vastgoed en wonen is om voldoende woonzorgvoorzieningen te hebben, óók voor deze grote aankomende groep inwoners. De regio zal zich blijvend dienen te ontwikkelen om het vestigingsklimaat aantrekkelijk te houden en de brede welvaart van de inwoners te bevorderen7https://static.metropoolregioeindhoven.nl/downloads/Bijlage-1-Notitie-ruimtelijke-schaalsprong-Brainport-Eindhoven.pdf. Visie en doelen vastgoed en wonen Stimuleren van woningaanpassingen om woningen levensloopbestendiger te maken door communicatie. Toegankelijk maken van de mogelijkheden tot woningsplitsing en erfdeling. Meer ruimte bieden voor de ontwikkeling van ontbrekend (innovatief) woonzorgaanbod. Hiervoor ontwikkelen de gemeenten een afwegingskader om initiatieven te beoordelen. De doorstroom naar zelfstandig wonen borgen en inzetten op continue verbetering van de uitstroomregeling. Realiseren van extra woonzorgvoorzieningen, i.r.t. de schaalsprong van de Brainportregio, mits het de brede welvaart bevorderd van de Kempische inwoners. 3.2Zorg, welzijn en leefbaarheid Zorgtrends die steeds duidelijker zichtbaar worden zijn de extramuralisering en ambulantisering van zorg. Bij extramuralisering vindt er namelijk steeds meer het fysiek scheiden van wonen en zorg plaats, waarbij lichtere zorg geleverd wordt in de thuissituatie en aanspraak op verblijf in een intramurale omgeving vervalt. Bij ambulantisering wordt gestreefd om mensen met een beperking zo ‘normaal’ mogelijk te laten participeren en de benodigde hulp aan te huis te bieden. Daarnaast wordt een trend gesignaleerd dat het voorzieningenniveau in de kleinere kernen afneemt, wat druk uitoefent op de leefbaarheid in de diverse kernen. Dit is een beweging die druk zet op vraagstuk 'concentreren of deconcentreren' van zorg. Iets wat in een landelijk gebied als de Kempengemeenten tot keuzes moet leiden. Door deze trends wordt zorg steeds meer lokaal en thuis georganiseerd, maar hierbij is personeel wel een beperkende factor. Aanbieders hebben veelvuldig aangegeven dat de arbeidsproblematiek momenteel aanzienlijk is. Bij het aannemen van nieuw personeel vissen organisaties veelal uit dezelfde vijver van werknemers. De druk op de werkgevers zal hierdoor in de komende tijd verder toenemen. Het is aan de aanbieders om hier in samenspraak een oplossing voor te vinden. Door de gevolgen van deze arbeidsmarktproblematiek is het niet realistisch om in elke kern/wijk complexere zorg op planbare/niet planbare momenten te organiseren. Hierdoor is het des te meer belangrijk dat inwoners nadenken over hoe ze willen wonen met een ondersteuningsvraag, wanneer zelfstandig wonen zonder ondersteuningsvraag niet meer gaat. In hoofdstuk twee is benoemd dat het mantelzorgpotentieel (OOSR-score) rond de 15,3 ligt, dat hoger is ten opzichte van het landelijk gemiddelde (13,7). Naar de toekomst toe geldt dat het kan zijn dat de gezondheidssituatie van ouderen verandert en daarmee ook de behoefte aan mantelzorg. Een trend die de OOSR laat zien is dat de komende jaren de mogelijkheden voor informele hulp en ondersteuning vanuit de netwerken in buurten en kernen afnemen. Dit betekent dat op dit moment er mogelijkheden zijn voor mantelzorg, maar dat dit in de periode tot en met 2040 afneemt. Op dit moment wordt er al mantelzorgondersteuning en respijtzorg georganiseerd. Desalniettemin vraagt in dit in de komende continue aandacht. In hoofdstuk twee is benoemd dat in sommige kernen het voorzieningenniveau afneemt. Dit maakt dat mobiliteit een belangrijk thema is, om de bereikbaarheid van essentiële voorzieningen te borgen. Visie en doelen zorg, welzijn en leefbaarheid Bewustwording vergroten van inwoners over wonen met een kwetsbaarheid/zorgvraag. Stimuleren samenwerking zorgaanbieders om samen het personeelstekort aan te pakken. Mantelzorgondersteuning/respijtzorg blijven organiseren en faciliteren, zodat langer thuis ook echt kan. Stimuleren van (collectieve) vervoersregelingen. 3.3Samenwerking Partijen hebben aangegeven winst te zien in het verbeteren van de samenwerking in de driehoek van gemeente (sociaal domein en ruimtelijk domein), woningcorporaties/maatschappelijke aanbieders en inwoners om de woonzorgopgaven aan te pakken. Op dit moment vindt domein overstijgende samenwerking in beperkte mate plaats. Door de gesproken partijen wordt verondersteld dat dit wel een goede bijdrage kan hebben bij het leveren van kwalitatief goede en beschikbare zorg. Om de samenwerking te stimuleren is een bestuurstafel wenselijk. Deze bestuurstafel speelt een belangrijke rol bij het vertalen van deze woonzorgvisie, naar een concrete uitvoeringsagenda. Daarnaast is de woonzorgvisie niet een op zichzelf staande visie. De woonzorgvisie voor de Kempengemeenten hangt samen met zowel lokale visies op wonen, zorg en/of welzijn als met regionale ontwikkelagenda’s. Een voorbeeld hiervan is het Manifest Brabants Netwerk Wonen-Zorg-Welzijn. Dit manifest roept gemeenten op in de bestuursakkoorden de urgentie van de woonzorgopgave goed op te nemen en te borgen. Zo wordt het woningaanbod voor kwetsbare inwoners verrijkt, én ontstaat ruimte en beweging voor andere groepen op de vastzittende woningmarkt. De samenwerking tussen gemeente, woningbouwcorporaties, andere woningmarktpartijen en aanbieders van zorg, welzijn en ondersteuning is hierbij van groot belang. Maar ook de verbinding met aanpalende beleidsterreinen en organisaties die hierop actief zijn moet daarbij niet vergeten worden. De gezamenlijke partijen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van deze Woonzorgvisie zetten zich gezamenlijk in om de samenwerking te behouden en in de toekomst verder te versterken. Visie en doelen samenwerking Totstandkoming van een bestuurstafel met een gemeenschappelijke agenda voor zorgaanbieders. Afstemmen welke voorzieningen en woonopgaven Kempisch, lokaal of zelfs bovenregionaal worden opgepakt. Helderheid en duidelijke afspraken maken over wat (zorg)partijen van elkaar kunnen verwachten door middel van een uitvoeringsagenda. Aansluiting vinden en houden met regionale ontwikkelingsagenda’s. 3.4Visie en doelen per doelgroep De volgende paragrafen beschrijven de gekwantificeerde en gekwalificeerde woonzorgopgave per zorgdoelgroep. Dit beschrijft de kwantitatieve vraagontwikkeling, het huidige aanbod, het ontbrekend aanbod, een advies op het te realiseren aanbod, de zienswijze van de stakeholders op de betreffende doelgroep en de visie per doelgroep. 3.4.1Kwetsbare ouderen Kwantitatieve ontwikkeling en advies Kwantitatieve vraagontwikkeling De komende jaren wordt een forse toename verwacht van het aantal (kwetsbare) ouderen. De groep ouderen in de bevolking van de Kempengemeenten zal de komende jaren fors toenemen: het aandeel inwoners van 75 jaar of ouder neemt toe van 10% in 2021, naar 13% in 2030 en 17% in 2040. Daarnaast is er de volgende ontwikkelingen bij de doelgroep ouderen: Het aantal thuiswonende ouderen met somatische problematiek stijgt van 4.300 in 2018 naar 4.700 in 2030. Het aantal ouderen met een behoefte aan zorg op afroep neemt de komende jaren sterk toe, van 1.030 in 2021 naar 1.360 in 2030 naar 1.570 in 2040. Ouderen met behoefte aan 24-uurszorg neemt de komende jaren sterk toe, van 640 in 2021 naar 970 in 2030 naar 1.290 in 2040. Bij de doelgroep met dementie wordt een stijging van zo’n 71% in de periode 2018 naar 2030 verwacht. Deze stijging is te verklaren door de relatie van vergrijzing met dementie Huidige aanbod Op dit moment zijn er (op basis van de uitvraag onder stakeholders) 284 intramurale woonplekken. Ontbrekend aanbod Uitgaande van gelijkblijvende omstandigheden en een doorzettende vraagontwikkeling zou de capaciteit voor 24-uurs zorg in de jaren tot en met 2040 toe moeten nemen met circa 100%. Een stijging van 71% bij de doelgroep met dementiële problematiek zou vragen om een eenzelfde stijging van capaciteit, uitgaande van gelijkblijvende omstandigheden. Hierbij moet er wel goed gekeken worden naar de kwalitatieve ontwikkeling van de kwalitatieve zorgvraag en het aanbod en eventuele veranderingen in het zorglandschap zoals nieuwe concepten zoals geclusterd wonen, semimuraal wonen of thuishuizen (een kleinschalige zelfstandige woonvorm voor alleenstaande ouderen die niet alleen willen wonen en/of die (dreigen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.