← Nederland

Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede 2023 (Enschede)

Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede 2023De raad van de gemeente Enschede, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 april 2023, nummer 2300026701; Gelet op: de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet; artikel 12 en 15 van de Monumentenwet BES; de wet wijziging Monumentenwet 1988 en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken; artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Overwegende dat: de Omgevingswet naar verwachting in werking treedt op 1 januari 2024; het doel van de Omgevingswet is: 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit'; dit wordt vertaald in twee maatschappelijke doelen: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden; de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen; deze Verordening kwaliteit leefomgeving Enschede door een bundeling van verschillende verordeningen en beleids-, nadere en algemene regels bijdraagt aan deze maatschappelijke doelen door: het stellen van regels voor een doelmatig beheer en gebruik van de openbare ruimte, het beperken van hinder en overlast voor de fysieke leefomgeving en het beperken van hinder en overlast voor een gezonde leefomgeving; het voornemen is om deze verordening te zijner tijd op te nemen in het nog vast te stellen omgevingsplan Enschede; met deze verordening en de daarop gebaseerde regels een kwalitatief goede omgevingskwaliteit wordt nagestreefd. B E S L U I T: vast te stellen de navolgende Verordening kwaliteit leefomgeving gemeente Enschede 2023 Hoofdstuk1Activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving Afdeling1.1 Inleidende bepalingen Artikel1.1Toepassingsbereik Deze verordening gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Artikel1.2Begripsbepalingen 1.Bijlage 1.2 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. 2.Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1. van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn na inwerkingtreding van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing op deze verordening, tenzij in bijlage 1.2 daarvan in aanvulling op en voor zo ver nodig voor een goede normstelling en uitvoering van deze verordening is afgeweken. Artikel1.3Normadressaat Dit hoofdstuk is van toepassing op diegene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet: Artikel 5.37 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing. Artikel1.4Algemene beoordelingsregels 1.Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in deze verordening, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels uit deze verordening kan worden uitgevoerd, kan nochtans een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: Er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk in verband met het oog op een van de doelen, bedoeld in artikel 1.13; De activiteit levert een bijdrage aan het bereiken van een of meer omgevingsdoelen en leidt niet tot onevenredig nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving; Het met de weigering van de omgevingsvergunning of met handhaving van de algemene regel te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het oogmerk van de activiteit. 2.Bij de toepassing van het eerste lid weegt het college de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingswaarden of omgevingsdoelen zoals bedoeld in afdeling 1.2, af voor zover niet uit een instructieregel [vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet: Besluit kwaliteit leefomgeving of de provinciale Omgevingsverordening of het omgevingsplan] of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit. Artikel1.5Voorbescherming 1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 5 kunnen geen omgevingsvergunningen voor het slopen of bouwen van een gemeentelijk monument worden verleend in het gebied dat in een geografisch informatieobject – als het Kadaster - is opgenomen. 2.[ Gereserveerd. ] Artikel1.6Activiteiten De in deze verordening genoemde activiteiten gaan over activiteiten die gebruik maken van de bestaande fysieke leefomgeving, waaronder bouwwerken, terreinen, bodem, ondergrond, water en infrastructuur en voor zover deze activiteiten niet (uitputtend) hier zijn opgenomen op andere wettelijke voorschriften m.b.t. de fysieke leefomgeving. Artikel1.7Oogmerk De in deze verordening opgenomen regels zijn gesteld met het oog op de belangen die voortvloeien uit: een of meer van de doelen zoals die zijn opgenomen in artikel 1.13; de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zoals opgenomen in artikel 1.3 van de Omgevingswet; het beschermen van het gebruik overeenkomstig de toegekende functie(s). Artikel1.8Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in deze verordening verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.7 is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die onevenredige gevolgen te voorkomen; als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die onevenredige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die onevenredige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel1.9Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften 1.[ Gereserveerd, voor het geval het wenselijk is om bij specifieke onderwerpen naast de algemene bepalingen ook de mogelijkheid te creëren om maatwerkvoorschriften te stellen ]. 2.Een maatwerkvoorschrift kan niet worden gesteld over een onderwerp waarvoor een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Artikel1.10Beoordelingsregels omgevingsvergunning en meldingsplicht 1.Een omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de in artikel 1.7 vermelde belangen. 2.Bij een melding kunnen alleen maatwerkvoorschriften worden gesteld ter bescherming van de in artikel 1.7 vermelde belangen. Artikel1.11Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere -, algemene - of beleidsregels afwijken voor zover de toepassing daarvan gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen. Artikel1.12Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning [ Gereserveerd ] Afdeling1.2 Gemeentelijke omgevingsdoelen Artikel1.13Gemeentelijke omgevingsdoelen 1.Deze verordening is onder meer gericht op: Het waarborgen van de veiligheid; Het beschermen van de gezondheid; Het beschermen van het milieu; Het duurzaam veilig stellen van de openbare drinkwatervoorziening; Het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; Het behoud van cultureel erfgoed en de uitzonderlijke waarde van werelderfgoed; De natuurbescherming; Het tegengaan van klimaatverandering; De kwaliteit van bouwwerken; Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; Het beheer van infrastructuur; Het beheer van watersystemen; Het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; Het beheer van natuurlijke hulpbronnen; Het beheer van natuurgebieden; Het gebruik van bouwwerken; Het beschermen van de luchtkwaliteit; Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. 2.Deze verordening is ook gericht op de instandhouding van het bosareaal van de gemeente. Artikel1.14Doelen voor bijzondere gebieden of thema’s [ gereserveerd ] Nader in te vullen als er sprake is van gebieden of bepaalde thema’s waarvoor het gewenst is specifieke of gerichte doelen te stellen (als concretisering van de in artikel 1.7 geformuleerde doelen). Hoofdstuk2Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten en sloopactiviteiten Artikel2.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over de niet-technische regels die gelden voor het bouwen, het slopen en het aanleggen van (bouw)werken en hebben geen betrekking op het technische deel [ waarvoor regels zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving]. Artikel2.2Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel2.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel2.4Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel2.5Beoordelingsregels activiteit Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen en gebruik van antenne-installaties zendamateurs (zie bijlage 2.10). Artikel2.6Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel2.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel2.8Omgevingsvergunning [ gereserveerd ] Artikel2.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Artikel2.10Antenne-installaties zendamateurs 1.Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een antenne-installatie hoger dan 5 meter op te richten, te plaatsen of geplaatst te houden. Deze omgevingsvergunning kan worden verleend indien: er sprake is van een positief welstandsadvies; de antenne-installatie wordt gebruikt voor zenden of ontvangen van radiosignalen in het kader van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM); per woning en/of perceel slechts sprake is van één antenne-installatie. Aan een antenne-installatie mogen meerdere antennes worden opgehangen; de aanvrager beschikt over een Radio Amateur Radio Station Licence; geen sprake is van plaatsing van een antenne-installatie in, bij of aan een beschermd monument of beschermd stads- en dorpsgezicht; 2.In de woonmilieus “villa’s in het groen”, “bedrijfsmilieus” en “landelijke milieus” (groene gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10) zijn vrijstaande antenne-installaties met een hoogte van maximaal 15 meter toegestaan. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de hoogste antenne. In deze woonmilieus zijn antenne-installaties bevestigd aan de gevel of het dak van de woning mogelijk, als de totale hoogte daarvan maximaal 15 meter is. 3.Binnen de woonmilieus “groene woonwijken” en “dorps milieu” (oranje gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10) worden vrijstaande antenne-installaties met een hoogte van maximaal 15 meter mogelijk gemaakt. De hoogte wordt gerekend vanaf het maaiveld tot aan de top van de hoogste antenne. Plaatsing is hier alleen mogelijk op woonpercelen die aan 2 of meer zijden grenzen aan de openbare ruimte, uitsluitend op een afstand van maximaal 2 meter van de achter- of zijgevel van de woning en op een afstand van minimaal 5 meter uit de erfgrens (met de buren). In deze woonmilieus zijn ook antenne-installaties bevestigd aan de gevel of het dak van deze hoekwoningen mogelijk. De totale hoogte daarvan is maximaal 15 meter (gerekend vanaf maaiveld tot aan de top van de antenne). 4.In de overige woonmilieus (“centrum stedelijk”, “stedelijk compact”, “stedelijke villa’s “, “suburbaan wonen” en “wijkcentrum wonen”) (rode gebieden op de uitwerking van de woonmilieukaart, zie bijlage 2.10 ) worden (vrijstaande) antenne-installaties niet mogelijk gemaakt (tenzij vergunningvrij). Artikel2.11[ gereserveerd ] Artikel2.12[ gereserveerd ] Hoofdstuk3Aantasting en ontsiering van de leefomgeving Artikel3.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die de leefomgeving kunnen ontsieren zoals, maar niet uitsluitend autowrakken, het parkeren van onder meer (grote) voertuigen, het parkeren van (brom/snor)fietsen, reclamevoertuigen en crossterreinen. Artikel3.2Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening. Artikel3.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel3.4Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel3.5Beoordelingsregels activiteit Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van crossterreinen in het belang van de veiligheid van de deelnemers van wedstrijden en ritten en/of van het publiek. Artikel3.6Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel3.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel3.8Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: Het als autobedrijf parkeren van voertuigen op de weg (art. 3.11 van deze Verordening); het te koop aanbieden van voertuigen op aangewezen wegen of weggedeelten (art. 3.12 van deze Verordening); het berijden of parkeren met voertuigen in groenvoorzieningen (art. 3.15 van deze Verordening); het parkeren van kampeervoertuigen e.d. op de weg langer dan 3 dagen (art. 3.16 van deze Verordening); parkeren van reclamevoertuigen (art. 3.17 van deze Verordening); parkeren van grote voertuigen (art. 3.18 van deze Verordening) en het zich met een motorvoertuig of (brom/snor)fietsen bevinden in aangewezen natuurgebieden of parken e.d. Artikel3.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Ontsiering en overlast door auto’s, wrakken, grote voertuigen e.d. Artikel3.10Ontsiering en overlast door auto’s, autowrakken, motoren, (brom)fietsen, grote voertuigen, opslag voorwerpen, e.d. 1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, of buiten de weg gelegen plaatsen een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen, snorfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, zijn gebaseerd op het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Overijssel van toepassing is en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet . Artikel3.11Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Het is verboden om zonder vergunning van het college een bedrijf of nevenbedrijf uit te oefenen of om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen waarbij: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg worden geparkeerd binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen wordt gebruikt; 2.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan 1 uur vergen, gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon; 3.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 4.Op de aanvraag om een omgevingsvergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.12Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college op de door hen aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het voertuig te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Op de aanvraag om een omgevingsvergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.13Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren. Artikel3.14Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer [en na inwerkingtreding: de Omgevingswet] Artikel3.15Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Plaatsen van caravans en campers Artikel3.16Caravans e.d. 1.Het is verboden zonder een omgevingsvergunning van het college een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd, langer dan 3 achtereenvolgende dagen op de openbare weg te parkeren. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Omgevingsverordening. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Reclamevoertuigen en grote voertuigen Artikel3.17Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.18Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente (Besluit parkeren grote voertuigen). 2.Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte, met uitzondering van werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur (zie bijlage 3.18). 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel3.19Parkeren van uitzicht-belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, zodanig op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Overlast door geparkeerde voertuigen Artikel3.20Parkeren van voertuigen met stank-verspreidende stoffen Het is verboden een voertuig met stank-verspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Artikel3.21Parkeren van voertuigen met ontsierende zichtbare lading Het is verboden voertuigen met aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken of tweedehands voorwerpen of andere ontsierende lading op of aan wegen te parkeren behalve op werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Overlast en hinder door fietsen en bromfietsen e.d. Artikel3.22Overlast en hinder van fiets, bromfiets of snorfiets 1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid fietsen of bromfietsen of snorfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of snorfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 3.Het is verboden fietsen of brom-, of snorfietsen die rij-technisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan. 4.Het is verboden zonder noodzaak met een motorvoertuig of een brom- of snorfiets hinder te veroorzaken of zonder noodzaak de motor van een motorvoertuig in werking te hebben. 5.Het is verboden een motorvoertuig op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor zonder noodzaak hinder wordt veroorzaakt. Crossterreinen Artikel3.23Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden de veiligheid van de deelnemers en het publiek van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet, van toepassing is. Verkeer in natuurgebieden Artikel3.24Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Ter voorkoming van overlast en/of schade aan natuur- en milieuwaarden is het verboden op door het college aangewezen en voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, te rijden met een motorvoertuig, een (brom)fiets of een paard. 2.Het is zonder vergunning van het college verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: zich met een motorvoertuig of een (brom/snor)fiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel zich met een motorvoertuig, met een (brom/snor)fiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en (brom/snor)fietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van Politie, Brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de Minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie op door het college aangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Hoofdstuk4Activiteiten op of bij wegen of water in beheer bij de gemeente Artikel4.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die plaatsvinden op of bij openbare wegen en wateren en betreft onder meer de volgende activiteiten: het aanleggen dan wel veranderen van uitwegen, plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte, reclame-uitingen zichtbaar vanaf de weg, terrassen bij horecabedrijven in de openbare ruimte, vissen in gemeentelijke vijvers en het aanbieden van deelvoertuigen. Dit hoofdstuk gaat niet over het parkeren van voertuigen. Artikel4.2Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de in art. 1.13 van deze Verordening gestelde gemeentelijke omgevingsdoelen. Artikel4.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel4.4Algemene regels Voor het uitstallen in de openbare ruimte , het aanleggen en veranderen van een uitweg , het voeren van handelsreclame en het exploiteren van terrassen bij horecabedrijven en het aanbieden van deelvoertuigen gelden door het college respectievelijk de door de burgemeester vastgestelde nadere – of algemene regels waaraan moet worden voldaan. Artikel4.5Beoordelingsregels activiteit [ gereserveerd ] Artikel4.6Meldingsplicht Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een melding vereist: het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte (artikel 4.10 lid 1 van deze Verordening) Artikel4.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel4.8Omgevingsvergunning Het is verboden zonder omgevingsvergunning te verrichten een activiteit voor: Het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte (artikel 4.10 lid 2); het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 4.11); het maken of veranderen van een uitweg (artikel 4.12); het voeren van handelsreclame (artikel 4.13) en; het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf (artikel 4.14). Artikel4.9Aanbieden van deelvoertuigen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college deelvoertuigen aan te bieden. 2.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van het aanbieden van deelvoertuigen als bedoeld in dit artikel. 3.Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen. 4.Het college kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, of schorsen, indien: niet wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het vergunningenbeleid; het ter gebruik aanbieden van de voertuigen: gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; een nadelige invloed heeft op het milieu; onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. 5.In afwijking van het eerste lid treedt het verbod niet eerder in werking dan na de vaststelling van de nadere regels door het college. 6.In afwijking van het eerste en vijfde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds vergunningplichtige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten vanaf 1 maart 2024. 7.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte Artikel4.10.Het plaatsen van voorwerpen in de publieke ruimte in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden om zonder melding of vergunning de openbare ruimte anders te gebruiken dan in overeenstemming met de publieke functie daarvan. 2.Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden om een voorwerp te plaatsen en/of werkzaamheden uit te voeren genoemd in dit artikel wanneer: Er schade wordt toegebracht aan de openbare ruimte of de bruikbaarheid van de openbare ruimte nadelig wordt beïnvloed; Er nadelig invloed is op het veilig gebruik van de openbare ruimte, dan wel een belemmering wordt gevormd voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; Er hinder, overlast dan wel gevaarzetting voor derden wordt veroorzaakt; Het beoogde gebruik langer plaatsvindt dan voor het doel waarvoor het voorwerp wordt geplaatst dan wel de termijn zoals beschreven in de artikelen 4.10.1 en/of 4.10.2 wordt overschreden. 3.Het college kan, in aanvulling op de regels in dit artikel, nadere regels opstellen voor het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte. 4.Een melding of vergunning, mede inbegrepen een verlenging of kennisgeving daarvan als bedoeld in de artikelen 4.10.1 en 4.10.2, kan in ieder geval worden geweigerd indien: Niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in dit artikel; Niet wordt voldaan aan de Nadere regels (indien deze zijn opgesteld); Het college van mening is dat het plaatsen van het voorwerp in strijd is met de bruikbaarheid van de openbare ruimte of anderszins niet wenselijk is. 5.Het verbod in de artikelen 4.10.1 en 4.10.2 geldt niet voor evenementen indien het te plaatsen voorwerp onderdeel uitmaakt van het evenement. 6.Het verbod in de artikelen 4.10.1 en 4.10.2 geldt niet voor uitstallingen als bedoeld in de Beleidsregel uitstallingen in de openbare ruimte. 7.De kosten van het eventuele herstel van schade aan openbare eigendommen en de kosten van het opruimen van achtergebleven afval kunnen voor rekening komen van de indiener van de melding/vergunning. 8.De indiener van de melding/vergunning is tevens verantwoordelijk voor alle schade die ontstaat, als gevolg van het plaatsen van het voorwerp, aan derden. 9.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene Wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4.10.1.Melding 1.Het is verboden om, zonder melding aan het college, een voorwerp in de openbare ruimte te plaatsen op/in: Een voetpad of trottoir (minimale breedte van 1,20m moet vrij worden gehouden); De onmiddellijke nabijheid van een uitweg; De directe nabijheid van brandkranen (diameter van 1,80m moet vrij worden gehouden); De directe nabijheid van boven de grond gelegen kabels dan wel leidingen; Openbaar groen; Minder dan 70cm aan weerszijden van blindegeleidestroken; Parkeerplaatsen; Het stadserf van Enschede. 2.Onverminderd het bepaalde in lid 1 is een vergunning vereist indien wordt voldaan aan één van de in artikel 4.10.2 gestelde voorwaarden. 3.De melding voor het plaatsen van een voorwerp dient: Tenminste 5 werkdagen voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan, doch; Maximaal 1 maand voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan; Via het digitale loket van de gemeente Enschede te worden ingediend. 4.Het voorwerp mag pas geplaatst worden na acceptatie van de melding (niet zijnde de ontvangstbevestiging). 5.In de acceptatie van de melding kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen. 6.Binnen het stadserf: Mag een voorwerp door middel van een melding maximaal 5 opeenvolgende werkdagen (maandag t/m vrijdag) worden geplaatst, mits het voorwerp niet op de dagen zoals genoemd in art. 4.10.2 lid 2 sub b t/m e wordt geplaatst; Is verlenging van de in sub

  1. a)genoemde termijn maximaal 1 keer mogelijk met maximaal 5 opeenvolgende werkdagen (maandag t/m vrijdag). 7.Buiten het stadserf: Mag een voorwerp door middel van een melding maximaal 3 opeenvolgende maanden worden geplaatst; Is verlenging van de in sub
  2. a)genoemde termijn maximaal 1 keer mogelijk met maximaal 1 opvolgende maand Art. 4.10.2. Vergunning 1.Onverminderd het bepaalde in art. 4.10.1. is het verboden de daarin genoemde activiteiten zonder vergunning van het college uit te voeren wanneer er sprake is van: Hijswerkzaamheden; Het deels dan wel volledig gebruik van een rijbaan; Plaatsing van het voorwerp binnen 5 meter van een kruising van wegen; Plaatsing van het voorwerp op een kroonprojectie van een boom conform artikel 6.19; Het deels dan wel volledig gebruik van een fietspad; Het volledig gebruik van een voetpad of trottoir, of indien er minder dan 1.20m vrije ruimte over is; Plaatsing van het voorwerp binnen 10 meter vanaf de rand van het evenemententerrein, indien dat voorwerp geen deel uitmaakt van het evenement; Plaatsing van het voorwerp op een plek die is aangewezen als standplaats; 2.Naast de voorwaarden genoemd in lid 1, is het in het stadserf verboden om zonder vergunning van het college de activiteiten uit te voeren wanneer er sprake is van: Een doorgang die overblijft van minder dan 3,50 meter breed en 4,20 meter doorrijhoogte; Plaatsing van het voorwerp tijdens weekenden; Plaatsing van het voorwerp op marktdagen daar waar de markt is; Plaatsing van het voorwerp tijdens officiële nationale feestdagen, 1 tot en met 31 december, Goede Vrijdag, 5 mei en de dag na Hemelvaart; Plaatsen van het voorwerp tijdens Duitse feestdagen (1 mei, 16 juni, 3 oktober, 31 oktober en 1 november); Plaatsing van een voorwerp wat zwaarder is dan 30 ton; plaatsing van een voorwerp wat langer is dan 11 meter. 3.De aanvraag voor een vergunning dient altijd: Tenminste 15 werkdagen voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan; Maximaal 1 maand voor aanvang van het plaatsen van het voorwerp te worden gedaan; Via het digitale loket van de gemeente Enschede te worden ingediend. 4.Een vergunning is geldig voor de duur van de werkzaamheden met een maximum van een jaar. 5.In de beschikking kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen. 6.Het is mogelijk om in één aanvraag voor meerdere locaties een vergunning voor maximaal 1 maand aan te vragen, indien: De vergunning niet eerder wordt aangevraagd dan 1 maand voorafgaand aan het plaatsen van het eerste voorwerp; Er tussen het plaatsen van het eerste en laatste voorwerp, maximaal een tijdsverloop van 1 maand zit. 7.Het is mogelijk om in één aanvraag een vergunning voor een jaar aan te vragen, indien: Het één voorwerp voor één locatie betreft; Het om kortdurende repeterende werkzaamheden gaat; Het voorwerp maximaal 5 opeenvolgende werkdagen (maandag tot en met vrijdag) wordt geplaatst; De vergunning niet eerder wordt aangevraagd dan 1 maand voorafgaand aan het plaatsen van het voorwerp; De daarop volgende keren minimaal 5 werkdagen en maximaal één maand van tevoren per mail of telefonisch wordt doorgeven wanneer het voorwerp wordt geplaatst. Aanleg wegen en uitwegen Artikel4.11Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een weg aan te leggen; de verharding daarvan op te breken; in een weg te graven of te spitten; de aard of breedte van de wegverharding te veranderen; of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4.12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg aan te leggen, tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels. 2.Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen van een uitweg. 3.Het college kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de nadere regels. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Handelsreclame Artikel4.13Het voeren van handelsreclame 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een roerende of een onroerende zaak (handels)reclame te maken, te voeren of toe te staan door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde nadere regels voeren handelsreclame bij, op of aan (on)roerende zaken in Enschede 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Erfgoedwet en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet. 3.Het college kan in het belang van de openbare orde, het verkeer, het voorkomen van ernstige hinder of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van handelsreclame. 4.Het college kan bij vergunning afwijken van het verbod in het eerste lid en van de Nadere regels als bedoeld in het derde lid. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Exploiteren van terrassen bij horecabedrijven Artikel4.14Het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf 1.Het is verboden een terras in te richten, in gebruik te nemen en te houden, tenzij wordt voldaan aan de door de burgemeester vastgestelde Nadere regels terrassen bij horecabedrijven. 2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar terrassen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van terrassen. 3.De burgemeester kan een vergunning verlenen in afwijking van het verbod in het eerste lid en van de Nadere regels als bedoeld in het tweede lid. 4.De burgemeester kan op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde en veiligheid locaties aanwijzen waar het verboden is om een terras in te richten, in gebruik te nemen of te exploiteren. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Vissen in gemeentelijke vijvers Artikel4.15Vissen in gemeentelijke vijvers 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden te vissen in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere dergelijke waterpartij. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien het vissen geschiedt op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan. Artikel4.16[ Gereserveerd] Hoofdstuk5Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Artikel5.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en cultureel erfgoed. Artikel5.2Oogmerk [ gereserveerd ] Artikel5.3Specifieke zorgplicht Diegene die eigenaar is van een gemeentelijk monument is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor het monument te voorkomen. Artikel5.4Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel5.5Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.21 en 5.25 van deze Verordening kan in aanvulling op de in artikel 1.4 opgenomen beoordelingsregels worden geweigerd indien: niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden opgericht; geen sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning bouwen. Artikel5.6Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel5.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel5.8Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: het slopen of anderszins wijzigen van een gemeentelijk monument (artikel 5.21 van deze Verordening); het slopen of anderszins wijzigen van een bouwwerk in een beschermd stads- en dorpsgezicht (artikel 5.25 van deze Verordening). Artikel5.9Gegevens en bescheiden 1.Ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.21 en 5.25 worden in ieder geval de navolgende gegevens door de aanvrager verstrekt: Tekeningen van de bestaande en de nieuwe toestand; (situatie, plattegronden, gevelaanzichten, langs- en dwarsdoorsneden, details); Foto's van het monument (bij ingrepen interieur ook foto's van het interieur); Foto's van de directe omgeving van het monument; Duidelijk werkomschrijving; Beschrijving van de toe te passen materialen. 2.Ter beoordeling en op verzoek van het college worden de navolgende gegevens verstrekt: Bestek; Kleurhistorisch / tuinhistorisch /, interieurhistorisch onderzoek in de vorm van een quick scan; Schriftelijke toelichting met (bouw)historisch onderzoek met waardenstelling (conform de Richtlijn bouwhistorisch onderzoek); Inspectierapport Monumentenwacht of ander inspectierapport; Fotomateriaal van vroegere situaties; Monsters van toe te passen materialen en kleuren; De opgave bij welke instantie voor de voorgenomen wijziging een aanvraag om subsidie of een financiële bijdrage is of zal worden gedaan. Erfgoedregister Artikel5.10Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzameling Artikel5.11Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. 2.Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van cultuurgoederen, dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, aan te wijzen als beschermde gemeentelijke verzameling. 3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor, vraagt het college advies aan de betreffende gemeentelijke adviescommissie. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel5.12Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het vorige artikel, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. 2.Op het bepaalde in het eerste lid is het vorige artikel, vierde lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 4.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel5.13Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan – al dan niet op aanvraag - besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.De beoordeling van de monumentwaardigheid op basis van de criteria in lid 1 van dit artikel wordt getoetst op basis van de door het college vast te stellen nadere regels en/of selectiecriteria. 3.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten; monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel5.14Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5.13 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Artikel5.15Voorbescherming 1.De bescherming van artikel 5.20 en 5.21 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5.14 is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel5.16Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing als bedoelt in art. 5.13 van deze Verordening dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel5.17Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel5.18Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 5.26 van deze Verordening wordt in dat geval aan de betreffende gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5.13 van deze Verordening. 3.Artikelen 5.20 en 5.21 van deze Verordening zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 5.26 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel5.19Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 5.13 tot en met 5.18 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is teniet gegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Bescherming gemeentelijk monument Artikel5.20Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel5.21Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vergunning, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen als bedoeld in het tweede lid. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Kerkelijk monument Artikel5.22Kerkelijk monument Het college neemt geen besluit tot aanwijzing van een kerkelijk monument anders dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zo ver daarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het aan te wijzen monument in het geding zijn. Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel5.23Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan – op voorstel van het college - stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 5.26 van deze Verordening. Tegelijkertijd wordt mededeling gedaan van het voorstel om een stads- en dorpsgezicht als beschermd stads- en dorpsgezicht aan te wijzen aan alle zakelijk gerechtigden op een onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 3.De voorbescherming van artikel 5.15 juncto 5.20 en 5.21 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. 4.De beoordeling van de beschermwaardigheid van een stads- en dorpsgezicht vindt plaats op basis van de door het college vast te stellen nadere regels en/of selectiecriteria. 5.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 6.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening en na inwerkingtreding van de Omgevingswet, een daarop afgestemde regeling in het omgevingsplan. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 7.Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen en na inwerkingtreding van de Omgevingswet een daarop afgestemde regeling in het omgevingsplan, als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen dan wel kan worden aangemerkt, dan wel of een beheerverordening kan worden vastgesteld. 8.Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen door de betreffende Minister of op basis van een provinciale verordening. Artikel5.24Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5.23, eerste lid van deze Verordening, wijzigen of intrekken. Het tweede lid van dat artikel is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- en dorpsgezicht op basis van een besluit door de betreffende Minister, of beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale verordening. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Slopen in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Artikel5.25Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk al dan niet gedeeltelijk te slopen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Gemeentelijke adviescommissie over erfgoed Artikel5.26Gemeentelijke adviescommissie 1.Er is een gemeentelijke adviescommissie die het college gevraagd of ongevraagd adviseert over onderwerpen die het gemeentelijk erfgoed aangaan of op dat erfgoed van invloed zijn. 2.In ieder geval vraagt het college deze commissie om advies bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen of veranderen van een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. 3.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan het aanwijzen als gemeentelijk monument advies aan deze commissie. 4.Het college kan nadere regels stellen betreffende: de samenstelling van deze commissie; de vorm en wijze van advisering door deze commissie; de termijn van advisering door deze commissie; de openbaarheid van de vergadering van deze commissie. Artikel5.27[gereserveerd] Hoofdstuk6Activiteiten met betrekking tot bomen, planten en dieren Artikel6.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het kappen en snoeien van houtopstanden en over het beperken van overlast door dieren. Artikel6.2Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel6.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel6.4Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel6.5Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel6.6Meldingsplicht [ vervallen ] Artikel6.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel6.8Omgevingsvergunning Het is verboden zonder omgevingsvergunning een houtopstand te kappen als aangegeven in de tabel in 6.14 lid 4 van deze Verordening. Artikel6.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Overlast door dieren Artikel6.10Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen: binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of trapveld of op een andere door het college aangewezen plaats; in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere waterpartij, tenzij deze door het college is aangewezen als hondenzwemplaats; op de weg of openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het college kan gebieden in de openbare ruimte binnen de bebouwde kom aanwijzen als losloopgebied of renveld. 3.Het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet in losloopgebieden en op renvelden. 4. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond. Artikel6.11Geluidhinder door dieren Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel6.12Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet binnen de bebouwde kom op een openbare plaats. 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven: indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd; in gebieden die door het college zijn aangewezen als losloopgebieden. 3.De eigenaar of houder van een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond een deugdelijk hulpmiddel bij zich heeft, dat gezien de vorm en constructie als zodanig geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen. 4.De verplichtingen genoemd in het eerste en het derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een blindengeleide- of hulp hond laat begeleiden en de hond daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot blindengeleide- of hulp hond. Artikel6.13Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 2.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, onder b, mogen uitsluitend zijn gebaseerd op het voorkomen of opheffen van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of gevaar voor verstoring van de openbare orde. 3.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is aangegeven. 4.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente vergunning verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Indien het aanwezig hebben van een of meer dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid, kan het college degene die het dier of de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar voor mens of dier of verstoring van de openbare orde. 6.Het bepaalde in dit artikel geldt niet: voor het in de gemeente optreden van een circus waarvoor de Burgemeester overeenkomstig artikel 2:25 Algemene plaatselijke verordening gemeente Enschede 2009 vergunning heeft verleend; voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is [ na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet]. Kappen van bomen en houtopstanden Artikel6.14Omgevingsvergunning voor het kappen van bomen 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te kappen of te doen kappen in de gevallen, zoals aangegeven in de in lid 4 opgenomen tabel. 2.De raad stelt de ''Bomenkaart'' vergunningplichtige houtopstanden vast. 3. De criteria voor het aanwijzen van vergunningplichtige houtopstanden zijn als bijlage 6.14 opgenomen in deze VKL. Het betreft houtopstanden die een vergunningplicht hebben op basis van boomcriteria zoals de soort, standplaats, leeftijd of functie van de houtopstand. Het college is bevoegd, na vaststelling door de raad, wijzigingen op de kaart aan te brengen. De vergunningplichtige bomenlanen zoals op de bomenkaart aangegeven maken onderdeel uit van een pilot. Het college is bevoegd de pilot te verlengen, te wijzigen of te stoppen. 4.Het college stelt de ''kaart Boomkroonbedekking'' met gemeentelijke vergunningplichtige houtopstanden vast. De criteria voor het aanwijzen van vergunningplichtige houtopstanden zijn als bijlage 6.14 opgenomen in deze VKL . Het betreft houtopstanden die een vergunningplicht hebben op basis van de aanwezige hoeveelheid boomkroonbedekking binnen een buurt. Dit betreft een pilot. Het college is bevoegd de pilot te verlengen, te wijzigen of te stoppen. 5.Tabel van vergunningplichtige houtopstanden als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid: Omschrijving Vergunning vereist voor het kappen van een houtopstand 1 Binnen de bebouwingscontour houtkap als bedoeld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) Artikel 5.165b Het kappen van een Houtopstand, waarbij de bomen een stamomtrek hebben gelijk aan of groter dan 100 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 5 van deze tabel. JA Het kappen van een Houtopstand waarvoor geldt dat de houtopstand een boom betreft die als individu is opgenomen op de Bomenkaart. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 5 van deze tabel. JA Het kappen van een Houtopstand, waarbij de boom en/ of bomen een stamomtrek hebben gelijk aan of groter dan 50 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld waarvoor geldt: De houtopstand betreft een gemeentelijke boom/ bomen die deel uitmaakt van een bomenlaan langs de op de Bomenkaart opgenomen stadsstraten en wijkstraten op openbaar gebied, of De gemeentelijke boom/ bomen bevindt zich conform de kaart Boomkroonbedekking in een rood gekleurde buurt op openbaar gebied met uitzondering van bomen in parken of groenvakken groter dan 1ha. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 5 van deze tabel. JA 2 Buiten de bebouwingscontour houtkap volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) Artikel 5.165b en niet vallend onder de bevoegdheid van de provincie volgens Artikel 11.111. lid 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Het kappen van een Houtopstand, waarbij de bomen een stamomtrek hebben van gelijk aan of groter dan 100 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 4 en 5 van deze tabel. JA Het kappen van een Houtopstand waarvoor geldt dat de houtopstand een boom betreft die als individu is opgenomen op de Bomenkaart op openbaar of privaat gebied. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 5 van deze tabel. JA Het kappen van een Houtopstand waarvoor geldt dat de houtopstand een houtwal/ houtsingel/ bosperceel betreft. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 4 en 5 van deze tabel. JA Het kappen van een Houtopstand, waarbij de gemeentelijke boom en/ of bomen een stamomtrek hebben gelijk aan of groter dan 50 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld waarvoor geldt dat de houtopstand onderdeel uitmaakt van een bomenlaan langs de op de Bomenkaart opgenomen stadsstraten en wijkstraten op openbaar gebied. Dit geldt niet als de houtopstand valt onder een van de uitzonderingen die genoemd worden in punt 4 en 5 van deze tabel. JA 3 Buiten de bebouwingscontour houtkap volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) Artikel 5.165b en tevens vallend onder de bevoegdheid van de provincie volgens Artikel 11.111. lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Het kappen van een houtwal/ houtsingel/bosperceel, groter dan 1000m2, die zich op de Bomenkaart bevindt binnen een gebied met landschapswaardering zeer hoog Tenzij de houtopstand onder de genoemde zaken onder punten 4 en 5 in deze tabel valt. JA Het kappen van een houtopstand van meer dan 20 bomen, waarbij de boom en/ of bomen een stamomtrek hebben gelijk aan of groter dan 50 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld, welke onderdeel uitmaakt van een bomenlaan langs de op de Bomenkaart opgenomen stadsstraten en wijkstraten op openbaar gebied Tenzij de houtopstand onder de genoemde zaken onder punten 4 en 5 in deze tabel valt. JA 4 Uitzonderingen op de vergunningplicht buiten de bebouwingscontour houtkap Populieren en/ of wilgen, die als wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden zijn toegepast. NEE Vruchtbomen en windschermen om boomgaarden NEE Kweekgoed, zoals kerstbomen, coniferen e.a. NEE Afzetten van een houtwal/ houtsingel/bosperceel bedoeld als verzorgingsmaatregel ter instandhouding of groei van het betreffende houtwal/houtsingel/bosperceel (bestendig beheer). Of het afzetten van hakhout als onderdeel van de instandhouding van dit hakhout. NEE Reguliere dunningswerkzaamheden tot 20% van de oppervlakte van de houtopstand bedoeld als verzorgingsmaatregel ter instandhouding of groei van de betreffende houtopstand. (bestendig beheer) NEE 5 Uitzonderingen op de vergunningplicht zowel binnen als buiten de bebouwde kom van de bebouwingscontour houtkap Het kappen van een houtopstand op grond van de Plantgezondheidswet of na een aanschrijving van het college. NEE Als er direct gevaar ontstaat voor de veiligheid en de burgemeester toestemming geeft tot direct kappen. NEE Houtopstanden die zijn aangeplant vanuit een herplantplicht. Ook als deze bestaat uit bomen met een omtrek van minder dan 100 cm. JA Het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud (bestendig beheer). NEE Houtopstanden van een soort die op de Unielijst Invasieve Exoten staan NEE Artikel6.15Nadere eisen aanvraag; beoordelingsregels; voorschriften of beperkingen 1.Het college kan nadere eisen stellen aan de gegevens en documenten, die de rechthebbende bij een aanvraag van een omgevingsvergunning tot het kappen van een boom/ houtopstand moet indienen. 2.Het college kan nadere regels vaststellen. Hierin worden onder andere opgenomen: beoordelingsregels aan de hand waarvan zij beoordeelt of een omgevingsvergunning kan worden verleend en voorschriften. 3.Het college kan aan een omgevingsvergunning voorschriften of beperkingen verbinden, zoals het opleggen van een herplantplicht genoemd in art 6.16. Artikel6.16Herplantplicht 1.Het college kan aan de rechthebbende een verplichting opleggen tot herplant, of tot het betalen van een vergoeding: als aanvullend voorschrift bij het verlenen van een vergunning; als een vergunningplichtige houtopstand zonder vergunning is geveld. 2.Het college kan aan de rechthebbende: voorschriften stellen ten aanzien van het aantal, de soort en locatie van de herplant; Bijvoorbeeld via de nadere regels. voorschriften stellen aan de termijn waarbinnen de herplant moet zijn uitgevoerd en waarbinnen niet aangeslagen beplanting vanuit de herplantplicht moet zijn vervangen; een verplichting opleggen tot het betalen van een, door het college aan de hand van de boomwaarde te bepalen, vergoeding en deze te laten storten op de rekening van de gemeente, indien herplant in ruimtelijke zin niet mogelijk is of als herplant de waarde van de gevelde houtopstand naar redelijkheid onvoldoende compenseert. Vergunning en melding Artikel6.17Vervaltermijn vergunning De omgevingsvergunning mag uitsluitend worden verleend voor de termijn van één jaar. Na het verstrijken van deze termijn mag geen uitvoering meer worden gegeven aan de omgevingsvergunning. Artikel6.18Verrichten van een melding [ vervallen ] Bescherming van bomen en houtopstanden Artikel6.19Bescherming bomen / houtopstanden 1.Het is verboden om houtopstanden die zijn gelegen in de openbare ruimte: te beschadigen, te bekladden of te beplakken daaraan snoeiwerk te verrichten, behalve als het gaat om snoeiwerk door of in opdracht van het college. 2.Het aanbrengen of bevestigen van één of meer voorwerpen in, op of aan een houtopstand in de openbare ruimte is verboden, tenzij hiervoor toestemming is verleend door het college. 3.Bij (ernstige) bedreiging van het voortbestaan van een houtopstand, of boom gelegen in de openbare ruimte, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om deze bedreiging weg te nemen. Het college kan daarbij een termijn opleggen waarbinnen de bedreiging moet zijn weggenomen en maatregelen opleggen over de wijze waarop de bedreiging moet worden weggenomen. 4. Het college kan nadere eisen stellen aan de bescherming van bomen bij de uitvoering van projecten en (bouw)werkzaamheden nabij vergunningplichtige en gemeentelijke bomen. Artikel6.20Overgangsrecht 1. Vergunningen voor het kappen van bomen die zijn verleend voordat de wijzigingsverordening die door de raad op 7 juli 2025 is vastgesteld in werking is getreden, blijven van kracht totdat deze zijn vervallen of ingetrokken. 2. Vergunningen voor het kappen van bomen die zijn aangevraagd voordat de wijzigingsverordening die door de raad op 7 juli 2025 is vastgesteld in werking is getreden, maar die nog niet zijn verleend worden beoordeeld volgens de regels zoals de golden voordat de wijzigingsverordening in werking is getreden. 3. Meldingen voor het kappen van bomen worden beoordeeld volgens de regels die golden voordat de wijzigingsverordening die door de raad op 7 juli 2025 is vastgesteld in werking is getreden, mits deze 15 werkdagen voordat de wijzigingsverordening in werking is getreden zijn ingediend. Hoofdstuk7Activiteiten met betrekking tot markten en standplaatsen Artikel7.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het innemen van standplaatsen. Artikel7.2Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op uitbreiding of beperking van de algemene doelen uit artikel 1.13 van deze verordening. Artikel7.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel7.4Algemene regels Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar standplaatsen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van standplaatsen (bijlage 7.10). Artikel7.5Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel7.6Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel7.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel7.8Omgevingsvergunning [ gereserveerd ] Artikel7.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Innemen van een standplaats Artikel7.10Standplaatsen in de openbare ruimte 1.Het is verboden een standplaats in te nemen tenzij wordt voldaan aan de door het college vastgestelde Nadere regels standplaatsen gemeente Enschede 2026. 2.Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de locaties waar standplaatsen mogen worden ingericht, het gebruik en de gebruiksduur van standplaatsen. Algemene warenmarkten Artikel7.11Inrichtingsplan Burgemeester en wethouders leggen voor elke algemene warenmarkt in de gebruiksovereenkomst afspraken vast met de organisatie van de betreffende warenmarkt over onder meer, maar niet beperkt tot, dagen en tijdstippen voor het in bruikleen geven van (een) marktterrein(en), de fysieke grenzen van het marktterrein, inrichting van terrassen en onvoorziene omstandigheden. Hoofdstuk8Activiteiten met betrekking tot havens en ligplaatsen Artikel8.1Activiteiten Dit hoofdstuk is van toepassing op de havens en het gemeentelijk vaarwater van de gemeente Enschede, die op de kaart (bijlage 8.1) als zodanig zijn aangewezen. Artikel8.2Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel8.3Specifieke zorgplicht 1.Een ieder die met zijn vaartuig in de havens of op het gemeentelijk vaarwater verblijft, is verplicht het aan boord van zijn vaartuig aanwezige huisvuil te deponeren in de daarvoor bestemde door of vanwege de gemeente geplaatste containers. 2.De ligplaatshouder, dan wel de schipper, is verplicht: zodanige maatregelen te nemen dat het te water geraken van (vloei)stoffen en voorwerpen, die tot nadelige gevolgen voor het milieu kunnen leiden, wordt voorkomen; onmiddellijk na het te water geraken van de in sub a genoemde (vloei)stoffen en voorwerpen, daarvan mede kennis te geven aan de havenmeester en er zorg voor te dragen, dat deze vloeistoffen en voorwerpen onmiddellijk, of binnen de door de havenmeester te bepalen tijd, uit het water worden verwijderd. 3.Degene aan wie een vergunning is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft. Artikel8.4Algemene regels 1.Het college kan nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over: de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen; de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, moet plaatsvinden; de wijze waarop een aanvraag van een vergunning moet plaatsvinden; de voorwaarden waaronder schepen zich in een door het college aangewezen gebied mogen bevinden, die betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen; de aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 8.12 en 8.24 van deze Verordening; de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats. 2.Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen. 3.Het college kan een ligplaatsenoverzicht vaststellen, dat in elk geval bevat een kaart van de haven met daarop aangegeven: de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen; indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor bepaalde categorieën schepen; indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor ligplaatsvergunninghouders. 4.Het college kan stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken aanwijzen waarvoor nader bepaalde aanvullende risicobeheersende maatregelen getroffen dienen te worden. Artikel8.5Beoordelingsregels activiteit Het college kan een vergunning in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als: dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is; de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening daarvan, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist; ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. Artikel8.6Meldingsplicht 1.Voor het verrichten van de volgende activiteiten of gebeurtenissen is een melding vereist: het plaatsen van een steiger, meerpaal of ander voorwerp in gemeentelijk vaarwater (8.16 lid 2 van deze Verordening); het gebruik maken van een anker e.d. (8.25 lid 4 van deze Verordening); bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving; indien een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt; 2.De meldingen vinden plaats bij de havenmeester per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail. Artikel8.7Maatwerkvoorschriften 1.Het college kan stoffen die stank of hinder kunnen veroorzaken aanwijzen waarvoor nader bepaalde aanvullende risico beheersende maatregelen getroffen dienen te worden. 2.Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk, die onder meer betrekking kunnen hebben op: de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan; geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen; de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen; de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt; het meedelen van het tarief van de kosten die in rekening worden gebracht aan schepen die scheepsafvalstoffen afgeven; melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent; de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent, of; het afleveren van de ontvangen stoffen. Artikel8.8Omgevingsvergunning 1.Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een (omgevings)vergunning vereist: het innemen van een ligplaats (8.11 van deze Verordening), het langer dan 7 x 24 uur achtereen met een schip verblijven in de haven (8.12 van deze Verordening), het plaatsen van constructies in gemeentelijk vaarwater (8.16 lid 3 van deze Verordening), het gebruiken van verkeersobjecten in gemeentelijk vaarwater (8.18 van deze Verordening), het gebruiken van een generator door een binnenschip in de haven (8.19 van deze Verordening), het zwemmen of duiken in gemeentelijk vaarwater (8.22 van deze Verordening), het (laten of hebben) liggen van voorwerpen in gemeentelijk vaarwater (8.23 van deze Verordening), het gebruiken van voorstuwers (8.24 van deze Verordening, het gebruik van een anker e.d. (8.25 van deze Verordening), het laden en lossen van een ondeugdelijk afgemeerd schip (8.26 van deze Verordening), het zich voortbewegen op een zeilplank, jetski e.d. in gemeentelijk vaarwater (8.28 van deze Verordening), het in werking hebben van de hoofdmotor van een afgemeerd schip (8.29 van deze Verordening), het verrichten van werkzaamheden i.v.m. de bedrijfsgereedheid of herstel van een schip (8.31 van deze Verordening), het ontsmetten van een schip of lading met gassen en stoffen (8.32 van deze Verordening), het laten ontsnappen van hinder veroorzakende stoffen (8.35 van deze Verordening), het in ontvangst nemen van afvalstoffen van een zeeschip (8.37 van deze Verordening), het niet binnen 24 uren na beëindiging van werkzaamheden reinigen van de kaden e.d. (8.39 van deze Verordening). 2.Tenzij bij of op grond van dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt een vergunning verleend voor de duur van 1 jaar. 3.Een vergunning voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, op voorwaarde dat de vergunning voor maximaal zes maanden wordt verleend. 4.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning op basis van dit hoofdstuk binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 5.Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 8 weken verlengen. Artikel8.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Artikel8.10Normadressaat 1.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van deze verordening. 2.Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of op grond van deze verordening. Innemen van een ligplaats Artikel8.11Innemen van een ligplaats 1.Het is verboden zich met een schip te bevinden op een plaats die: daartoe niet is bestemd; is bestemd voor schepen van een andere categorie; is bestemd voor ligplaatsvergunninghouders. 2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet als dit gebeurt in overeenstemming met de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein. 3.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor ligplaatsvergunninghouders. Algemene bepalingen Artikel8.12Verblijfsduur in de haven 1.Het is verboden met een schip langer dan 7 x 24 uur achtereen te verblijven in het havengebied. 2.Als een schip terugkeert in de haven zonder dat er sprake is geweest van bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, wordt de looptijd of overschrijding van de periode, bedoeld in het eerste lid, geacht niet te zijn onderbroken of beëindigd. 3.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.13Aanwijzingen 1.Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden onder de door het college nader te bepalen voorwaarden. 2.Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. 3.Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is verplicht de aanwijzing onmiddellijk op te volgen. Artikel8.14Aanwijzing van een havenmeester Het college van Enschede wijst een havenmeester aan. Ordening in en gebruik van de havens en gemeentelijk vaarwater Artikel8.15Overlast aan vaartuigen Tenzij bij of op grond van deze verordening anders bepaald is het anderen dan de eigenaar of schipper van een schip niet toegestaan, zonder goedkeuring van de eigenaar of schipper dat schip vast te houden, zich daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken. Artikel8.16Voorwerpen in, op en boven gemeentelijk vaarwater 1.Het is verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen. 3.Het college kan van het in het eerste lid vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.17Bereikbaarheid van afgemeerde vaartuigen 1.Een afgemeerd schip beschikt over een toegang die geen gevaar of schade aan personen kan opleveren. 2.Het eerste lid geldt niet voor schepen indien: tijdens laad- en/of loshandelingen een veilige toegang niet gegarandeerd kan worden; of het afmeren slechts van korte duur is. Artikel8.18Gebruik van (verkeers)objecten en verkeerstekens 1.Voor zover hierin niet door het Binnenvaartpolitiereglement wordt voorzien, is het verboden, meerboeien en tonnen in gemeentelijk vaarwater, alsmede tekens, lantaarnpalen, bomen, beschoeiingen, railingen, werken, kadeterreinen, loswallen, taluds, oevers, steigers, trappen, bruggen, sluizen en daarmee vergelijkbare kunstwerken, meergelegenheden, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven, los- en laadplaatsen, bouwwerken of daarmee vergelijkbare objecten op of langs de openbare weg voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor deze zijn bestemd. 2.Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen. 3.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.19Gebruik van generatoren door binnenschepen 1.Het is verboden om aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken. 2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.20Maximumvaarsnelheid Het college kan een maximumvaarsnelheid in stellen onder de door het college nadere te bepalen voorwaarden. Artikel8.21Breken van ijs Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wil innemen of verlaten, of een aanwijzing van het college daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken. Artikel8.22 Verbod tot baden en duiken 1.Het verboden om in de havens en het gemeentelijk vaarwater of op een andere dan een bij openbare kennisgeving door het college aangegeven openbare zwemplaats te baden of te zwemmen of duikwerkzaamheden uit te voeren. 2.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.23Onbeheerd drijvende vaartuigen en drijvende voorwerpen 1.Het college is bevoegd onbeheerd drijvende vaartuigen die in de havens of het gemeentelijk vaarwater worden aangetroffen, te meren, te verhalen en in bewaring te nemen voor rekening en risico van de rechthebbende(
  3. n)van het vaartuig. 2.Het is verboden om houtvlotten, balken, bomen, planken, visbunnen of daarmee vergelijkbare voorwerpen in de havens en het gemeentelijk vaarwater te deponeren. 3.Het college kan in afwijking van het verbod in het tweede lid vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Gebruik van voortstuwers, ankers Artikel8.24Gebruik van voortstuwers 1.Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip: aan de grond zit; is afgemeerd, ten anker of op spudpalen ligt, of ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren. 2.Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien om schade te voorkomen. 4.Het college kan in afwijking van het eerste lid vergunning verlenen. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.25Gebruik van ankers 1.Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij: ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats, of dit gebeurt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld. 2.De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail. 3.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.26Deugdelijk afmeren 1.Het is verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd. 2.Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden. 3.Het college kan in afwijking van het in dit artikel bepaalde vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.27Hond aan boord Ligplaatshouders die (een) hond(
  4. en)aan boord van hun vaartuig hebben, zijn, indien ambtenaren die belast zijn met de zorg voor de nakoming van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften dit verlangen, verplicht om deze hond(
  5. en)bij het betreden van het vaartuig door die ambtenaren en gedurende hun verblijf aan boord vast te leggen en vastgelegd te houden. Artikel8.28Zeilplanken e.d. 1.Het is een ieder verboden om zich in de havens en het gemeentelijk vaarwater met een zeilplank, een jetski, hovercraft, waterscooter of daarmee vergelijkbaar vaartuig dan wel zich met waterski’s of daarmee vergelijkbare voorwerpen voort te bewegen. 2.Het college kan in afwijking van het verbod in het eerste lid vergunning verlenen. 3.Het college kan nadere voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning bedoeld in het tweede lid. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.29Verbod gebruik hoofdmotor 1.Het is verboden in de haven op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, met uitzondering van direct voor vertrek van het schip. 2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.30Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe in de omgeving van de havens en het gemeentelijk vaarwater aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Werkzaamheden aan schepen en ontsmetten Artikel8.31Werkzaamheden 1.Het is verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij: het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, of per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en: als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden; dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, en de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal. 2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.32Ontsmetten van schepen 1.Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan. 2.In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met los gestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de Wet gewasbescherming en biociden, en voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen. 3.Het college kan in afwijking van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden vergunning verlenen. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Bunkeren Artikel8.33Bunkeren 1.Het is verboden om een binnenschip te bunkeren, tenzij: de daarbij betrokken schepen beschikken over een bunkercontrolelijst die volledig, positief en naar waarheid is ingevuld; deze bunkerlijst is ondertekend door de voor het bunkeren verantwoordelijke personen; tijdens het bunkeren het daarover in de bunkercontrolelijst gestelde wordt nageleefd. 2.De bunkercontrolelijst wordt tijdens en tot vierentwintig uur na het einde van de bunkering aan boord van de daarbij betrokken schepen gehouden. 3.Als meer dan één bunkerlichter betrokken is bij de aanlevering van een partij bunkerolie vult iedere bunkerlichter voor zich een afzonderlijke bunkercontrolelijst in, die wordt ondertekend door bij de bunkering betrokken partijen. Artikel8.34Stuwadoorsmaterieel en garneren van goederen 1.Het is verboden om zonder toestemming van de havenmeester na afloop van de laad- en loswerkzaamheden stuwadoorsmaterieel op of bij gemeentelijke werken en wegen achter te laten. 2.Het is verboden om goederen, die met vorkhefwagens moeten worden verwerkt, op of bij gemeentelijke werken en wegen anders op te slaan dan met gebruikmaking van houten onderliggers van voldoende dikte om bij het onderschuiven van de vork beschadiging aan het oppervlak van de gemeentelijke werken en wegen te voorkomen. Veiligheid en milieu Artikel8.35Milieuschade en hinder veroorzakende stoffen 1.Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. 2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. Artikel8.36Gebruik afvalverbrandingsoven Het is verboden aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben. Artikel8.37 Vergunning ontvangstvoorzieningen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen die rechtstreeks afkomstig zijn van schepen die de haven aandoen in ontvangst te nemen. 2.Onverminderd artikel 8.7 lid 2 kan het college voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid, die onder meer betrekking kunnen hebben op: de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan; geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen; de verplichting tot het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen; de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt; melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens daaromtrent; de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van registratie daaromtrent, of; het afleveren van de ontvangen stoffen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel8.38Verplaatsen van schepen 1.Het college kan een exploitant of schipper schriftelijk opdragen een schip te verplaatsen of te laten verplaatsen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is. 2.Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verplaatsen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verplaatsen. 3.In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verplaatsen. Artikel8.39Reinigen van openbare kaden, terreinen en wegen 1.Onverminderd het bepaalde in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente zijn de gebruikers van de gemeentelijke werken en wegen, verplicht er op toe te zien dat, indien ten gevolge van door hen of op hun last verrichte werkzaamheden, waaronder transporten mede zijn begrepen, restanten lading, emballage, garnering, vuilnis, puin, gruis, kalk, sintels, kolen, aarde, olieproducten of afvallen daarvan, smeer of daarmee vergelijkbare (vloei)stoffen op de gemeentelijke werken en wegen na afloop van de werkzaamheden achterblijven, behoorlijk, zulks ter beoordeling van de havenmeester, te reinigen binnen 24 uren na beëindiging van de werkzaamheden, en indien die werkzaamheden langer dan een dag duren, ten minste één

(1)maal per etmaal. 2.Indien de gebruikers aan de in het vorige bedoelde verplichting niet of niet tijdig voldoen, kan het college besluiten de schoonmaakwerkzaamheden op kosten van degenen, die het reinigen hebben nagelaten, te laten verrichten. 3.Het college kan in afwijking van de in het eerste lid opgenomen verplichting vergunning verlenen. Plezier- en zeilvaart in de haven Artikel8.40Plezier- en zeilvaart in de haven 1.Het is verboden zich met een pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, tenzij: het schip ligplaats heeft genomen in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen of met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein, of het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar een in de haven gelegen ligplaats waar het in overeenstemming met het ligplaatsenoverzicht, de geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen of met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein ligplaats zal nemen. 2.Het college kan in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod vergunning verlenen. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Handhaving en toezicht Artikel8.41Toezicht 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of op grond van deze verordening bepaalde is belast de havenmeester. 2.Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Artikel8.42Binnentreden woning op vaartuig Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of op grond van deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Overgangsrecht Artikel8.43Overgangsrecht 1.Op aanvragen om een vergunning of ontheffing die vóór de inwerkingtreding van de Verordening kwaliteit leefomgeving zijn gedaan en waarop door het college op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden de desbetreffende bepalingen van deze verordening toegepast. 2.De intrekking van de "Havenverordening Enschede 2018" heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover deze besluiten niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. Hoofdstuk9Activiteiten met betrekking tot het maken van geluid Artikel9.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op het veroorzaken van geluidsoverlast. Artikel9.2Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel9.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel9.4Algemene regels [ gereserveerd ] Artikel9.5Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel9.6Meldingsplicht [ gereserveerd ] Artikel9.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel9.8Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: het veroorzaken van geluid op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt (artikel 9.13 van deze verordening). Artikel9.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Geluidhinder bij collectieve en incidentele festiviteiten Artikel9.10Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Besluit) [ en na inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten ] en artikel 9.12 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende (stads)delen noord, zuid, centrum, oost en west exclusief het gebied buiten de bebouwde kom. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door activiteiten, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut. 7.De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 9.12 van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Dit tijdstip is met één uur verlengd indien de dag volgend op de festiviteit een zaterdag of zondag betreft dan wel de volgende dag: valt binnen de basisschoolvakanties; Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag of Tweede Pinksterdag is. Artikel9.11Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is degene die een activiteit verricht waarbij geluid wordt gemaakt toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten en artikel 9.10 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut. 7.De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 9.12 van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd. Dit tijdstip is met één uur verlengd indien de dag volgend op de festiviteit een zaterdag of zondag betreft dan wel de volgende dag: valt binnen de basisschoolvakanties; Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag of Tweede Pinksterdag is. Onversterkte muziek Artikel9.12Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2.Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 3.Het eerste lid geldt niet indien artikel 9.10 of artikel 9.11 van deze verordening van toepassing is. Overige geluidhinder Artikel9.13Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer toestellen of geluidsapparaten en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan in afwijking van het verbod vergunning verlenen. 3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Omgevingsverordening en na de inwerkingtreding, de Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Hoofdstuk10Activiteiten met betrekking tot inzamelen en verbranden van afvalstoffen Artikel10.1Activiteiten Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op de inzameling en verbranding van afvalstoffen en bevat regels die zijn gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In bijlage 10.1.is in het kader van dit hoofdstuk de begrenzing van de Binnenstad aangegeven. Artikel10.2Oogmerken [ gereserveerd ] Artikel10.3Specifieke zorgplicht [ gereserveerd ] Artikel10.4Algemene regels Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van het milieu nadere regels vaststellen: voor het verbranden van niet ingezamelde of afgegeven afvalstoffen in de open lucht of anderszins in de open lucht vuur aanleggen of stoken; over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen; voor categorieën van ter inzameling aanbieden of achterlaten van bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.16 van deze Verordening; voor categorieën van percelen m.b.t. de wijze en plaats van aanbieding van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.18 van deze Verordening; voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 10.21 van deze Verordening. Artikel10.5Beoordelingsregels [ gereserveerd ] Artikel10.6Vervallen Artikel10.7Maatwerkvoorschriften [ gereserveerd ] Artikel10.8Omgevingsvergunning Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist: het buiten een daartoe bestemde voorziening storten van afvalstoffen (artikel 10.22 van deze Verordening). Artikel10.9Gegevens en bescheiden [ gereserveerd ] Verbranden van afvalstoffen en stoken Artikel10.10Verbod afvalstoffen te verbranden in de open lucht of anderszins in de open lucht vuur te stoken 1.Het is verboden niet ingezamelde of afgegeven afvalstoffen te verbranden in de open lucht of anderszins in de open lucht vuur aan te leggen, te stoken, in stand te houden of te hebben. 2.Het verbod als bedoeld in lid 1 geldt niet indien sprake is van: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven (indien geen afvalstoffen worden verbrand); vuur voor koken, bakken en braden en geen gevaar, overlast of hinder wordt veroorzaakt voor de omgeving. 3.Vervallen. 4.Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van het milieu nadere regels vaststellen voor het verbranden van afvalstoffen in de open lucht of voor het anderszins in de open lucht vuur aanleggen of stoken. 5.Vervallen. 6.Vervallen. 7.Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 10.10a Definities 1. Afgegeven takken- en snoeiafval: takken- en snoeiafval dat door iemand is afgegeven om buiten zijn eigen terrein te verbranden. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om het afgeven van snoeihout voor de brandstapel van een paasvuur, het afgeven van snoeihout bij een afvalbrengpunt of het afgeven van snoeihout aan de buurman. 2. Evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Enschede 2009. 3. Ingezameld takken- en snoeiafval: takken- en snoeiafval dat door iemand of een bedrijf is opgehaald om op een specifieke locatie te verbranden. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om inzamelen van snoeihout voor de brandstapel van een paasvuur of om inzamelen van snoeihout door een gespecialiseerd afvalverwerkingsbedrijf. 4. Openbaar toegankelijk paasvuur: paasvuur wat voor een ieder vrij toegankelijk is, al dan niet op vertoon van een toegangsbewijs. 5. Paasvuur: een locatiegebonden vreugdevuur, dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen wordt ontstoken. 6. Niet openbaar toegankelijk paasvuur: een besloten paasvuur wat niet voor een ieder vrij toegankelijk is maar alleen voor een specifieke en beperkte groep personen op persoonlijke uitnodiging van degene die het paasvuur organiseert. 7. Takken- en snoeiafval: afval afkomstig na onderhoudswerkzaamheden in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden dat alleen bestaat uit takken, blad of stammen. Artikel 10.10b Toepassingsbereik 1. De regels in de artikelen 10.10a tot en met 10.10l zijn uitsluitend van toepassing op het in de open lucht verbranden van niet ingezameld of niet afgegeven droog, onbehandeld takken- en snoeiafval en paasvuren. 2. De in lid 1 genoemde regels gelden alleen voor het werkingsgebied ‘landelijk gebied’, zoals weergegeven in groene kleur op de verbeelding in bijlage 1 bij deze regels. Artikel 10.10c Algemene stookontheffing 1. Burgemeester en wethouders verlenen met toepassing van artikel 10.63, 1e lid van de Wet milieubeheer een algemene stookontheffing voor het verbranden van takken- en snoeiafval als bedoeld in artikel 10.10b. 2. De in lid 1 genoemde algemene stookontheffing wordt verleend onder de hierna genoemde voorwaarden: de algemene stookontheffing geldt voor telkens de periode van 21 september tot en met 21 maart; van de algemene stookontheffing mag maximaal 5 x per jaar gebruik worden gemaakt; de algemene stookontheffing geldt niet op zondagen en algemeen erkende feestdagen. Artikel 10.10d Locatie en opbouw van de brandstapel en aan te houden veiligheidsafstanden 1. Het opbouwen en verbranden moet plaatsvinden op een terrein dat vrij is van brandbare objecten en op een onbrandbare ondergrond. 2. Bij een brandstapel dienen de in tabel 1 in bijlage 2 bij deze regels genoemde veiligheidsafstanden in acht te worden genomen. Artikel 10.10e Verbranden van takken- en snoeiafval 1. De inhoud van de brandstapel mag per keer niet meer bedragen dan 150 m3. 2. Verbranden van takken- en snoeiafval mag alleen plaatsvinden tussen zonsopkomst en zonsondergang. 3. Bij het verbranden van takken- en snoeiafval wordt de algemene zorgplicht in artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet in acht genomen. 4. Het te verbranden materiaal moet volledig verbranden en mag niet smeulen. 5. Het is verboden afgegeven of ingezameld takken- en snoeiafval aan de brandstapel toe te voegen. 6. Voor het aanmaken van het vuur mag geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen. 7. De aanwezigheid van andere brandbare stoffen en/of afval dan takken- en snoeiafval in de brandstapel of op en/of bij de stookplaats valt onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het perceel en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde. Artikel 10.10f Beëindiging van het verbranden 1. Voor het verlaten van het terrein moet het vuur geheel worden gedoofd en de verbrandingsresten met een laag zand worden afgedekt. Voorkomen dient te worden dat vonken elders terecht kunnen komen. 2. Eventuele resten niet verbrand materiaal, anders dan asresten van verbrand takken- en snoeiafval, moeten binnen 5 dagen na de verbranding worden verwijderd en afgevoerd naar een erkend afvalinzameling- of verwerkingsbedrijf. 3. De stookplaats dient na beëindiging van de verbranding zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat te worden hersteld. 4. Het afvoeren van niet verbrand materiaal als bedoeld in lid 2 valt onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het perceel en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde. Artikel 10.10gVerbod tot verbranding en stookverbod 1. Er mag geen verbranding plaatsvinden: bij windkracht 5 Beaufort of meer (de windsnelheid bedraagt dan meer dan 8 m/s); bij droogte, in geval voor de regio Twente de status Fase 2, “extra alert”, geldt, zoals kenbaar gemaakt op de website www.natuurbrandrisico.nl van de gezamenlijke veiligheidsregio’s; bij andere onvoorziene extreme weersomstandigheden, zoals mist, zware en langdurige regenval of ander (dreigend) noodweer. 2. Er mag geen verbranding plaatsvinden van andere afvalstoffen dan takken- en snoeiafval als bedoeld in artikel 10.10b, lid 1. 3. Er mag geen verbranding plaatsvinden als er in de brandstapel wordt genesteld door vogels en/of wordt gehuisd door andere dieren. Artikel 10.10h Toezicht 1. De verbranding vindt plaats onder verantwoordelijkheid en continu toezicht van de eigenaar van het perceel waarop de verbranding plaatsvindt en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde. 2. De eigenaar van het perceel waarop de verbranding plaatsvindt en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde degene is verplicht al het mogelijke te doen en na te laten dat redelijkerwijs kan worden gevraagd om letsel, gevaar, schade of hinder ten gevolge van het verbranden te voorkomen en/of te beperken. 3. De in lid 1 en 2 genoemde verplichtingen gelden totdat het vuur volledig is gedoofd en eventueel niet verbrand materiaal is afgevoerd overeenkomstig artikel 10.10f, lid 2. Artikel 10.10i Aanvullende en afwijkende regels voor paasvuren 1. Het bepaalde in de artikelen 10.10a tot en met 10.10h is van overeenkomstige toepassing voor paasvuren. 2. De periode in artikel 10.10c, lid 2 onderdeel a., geldt niet voor het verbranden van een paasvuur. 3. Het maximum aantal in artikel 10.10c, lid 2 onderdeel b., geldt niet voor het verbranden van een paasvuur. 4. Het verbod in artikel 10.10c, lid 2 onderdeel c., geldt niet voor het verbranden van een paasvuur. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 10.10e, lid 1, bedraagt de inhoud van de brandstapel voor een paasvuur niet meer dan 500 m3. 6. De periode in artikel 10.10e, lid 2, geldt niet voor het verbranden van een paasvuur. 7. Een paasvuur dat niet ontstoken kan worden (bijvoorbeeld vanwege een stookverbod als bedoeld in artikel 10.10g, lid 1), moet binnen 14 kalenderdagen na de geplande datum van branden zijn opgeruimd. De melder dan wel de in artikel 10.10k, lid 1, bedoelde verantwoordelijke persoon draagt op eigen kosten zorg voor het verwijderen en afvoeren van niet verbrand stookmateriaal naar een erkend afvalinzameling- of verwerkingsbedrijf. 8. Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 7 besluiten dat een paasvuur dat niet ontstoken kan worden op een ander tijdstip alsnog ontstoken mag

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.