Beleidsregel voor de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur van de gemeente NoordwijkDe burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; overwegende, dat de Wetbevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze Wet voortvloeiende bevoegdheden; gelet op het bepaalde in: De Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur; Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; De artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Alcoholwet; Artikel 30b van de Wet op de kansspelen; De artikelen 9.2.2.3 en 11a.2 van de Wet milieubeheer; De artikelen 2.1, 2.12, 2.17, 2.20 en 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; De artikelen 8, eerste lid, 1518, 22, 23, 25, 26, 43 en 44 van de Huisvestingswet 2014; De artikelen 2:25, 2:28, 2:39, 2:72, 2:81 en 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021; De Algemene subsidieverordening Noordwijk. De Aanbestedingswet 2022 besluiten vast te stellen de: Beleidsregel voor de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur van de gemeente Noordwijk. Paragraaf1:Algemeen Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.De definities in artikel 1.1 van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel, tenzij daarover in lid 2 anders is bepaald. 2.In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Bestuursorgaan – de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot het nemen van beschikkingen; Het Bureau – het Landelijk Bureau Bibob; APV – Algemene plaatselijke verordening gemeente Noordwijk 2021; Wabo – Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Wet – Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob); RIEC – Regionaal informatie- en expertisecentrum t.b.v. de aanpak van georganiseerde criminaliteit; Ondermijningsbeeld – Een in opdracht van de burgemeester, door het RIEC, opgesteld beeld van lokale verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit in de gemeente Noordwijk; Risicocategorie – bedrijfsactiviteit (branche) welke op basis van artikel 2:81 van de APV als risicovol worden aangewezen; Risicogebied – gebied dat op basis van artikel 2:81 APV als risicovol wordt aangewezen; Risicogebouw – gebouw dat op grond van artikel 2:81 APV als risicovol wordt aangewezen; Vastgoed/grondtransactie: een overeenkomst (of een voornemen daartoe bv. bij een anterieure overeenkomst) of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als (uiteindelijk) doel: het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht; huur of verhuur; het verlenen van een gebruikrecht; de deelname, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of zal hebben of die onroerende zaak huurt, zal huren, verhuurt, of zal verhuren; Zakelijk samenwerkingsverband / ‘derde’: De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid wet Bibob, indien: hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschap hebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan. Eigen onderzoek – de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij met toepassing van de Wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren, respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen; Tip – Op basis van artikel 26 van de Wet verstrekt de Officier van Justitie aan het bestuursorgaan of rechtspersonen met een overheidstaak Informatie als bedoeld in artikel 11van de Wet die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van ernstig en/of mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet; Tip Landelijk Bureau Bibob: Op basis van artikel 11 van de Wet verstrekte informatie van het Bureau aan het bestuursorgaan en rechtspersonen met een overheidstaak die het vermoeden rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig en/of mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet; Tip bestuursorgaan: Op basis van artikel 26 van de Wet verstrekken bestuursorganen of rechtspersonen met een overheidstaak elkaar onderling informatie als bedoeld in artikel 11 van de Wet die het vermoeden rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig en/of mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet; Het bestuursorgaan of rechtspersoon met overheidstaak: Tenzij anders vermeld wordt hiermee de gemeente Noordwijk bedoeld. Overige bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak – een algemene aanduiding voor allerlei soorten overheidsorganisaties, die “dicht tegen de overheid aan zitten” en die: wettelijke taken uitvoeren en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang en een publieke financiering hebben. Paragraaf2Publiekrechtelijke beschikkingen Artikel2.1Toepassing beleidsregel Onderhavige beleidsregel is uitsluitend van toepassing op de toepassing van de Wet door de rechtspersoon met een overheidstaak en het bestuursorgaan. De beleidsregel laat dus onverlet dat binnen de grenzen van de Wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming worden betrokken. Artikel2.2Uitvoering Bibob onderzoek in afwijking van beleidsregel Deze beleidsregel laat onverlet dat al dan niet in afwijking van de hiernavolgende bepalingen tot uitvoering van een Bibob onderzoek kan worden besloten, indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. Artikel2.3Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen De toepassing van de Wet zal door het bestuursorgaan op de hieronder aangeduide beschikkingen op de volgende wijze plaatsvinden: Artikel 2.3.1 uitvoering van het Bibob onderzoek vindt plaats bij elke aanvraag voor een beschikking als bedoeld in: Artikel 3 Drank- en horecawet (drank- en horecavergunning), indien er sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming tenzij sprake is van een slijterij of para-commerciële inrichting; Artikel 30b van de Wet op de kansspelen (vergunning kansspelautomaten); Artikel 3:3 van de APV (vergunning seksbedrijf); Artikel 2:25 van de APV (evenementenvergunning); Artikel 2:28 van de APV (exploitatievergunning); Artikel 2:39 van de APV (vergunning speelgelegenheden); Artikel 2:72 van de APV (vergunning vuurwerkverkoop). Strandpaviljoens Het bestuursorgaan zal, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregel daarover is bepaald, de Wet toepassen met betrekking tot beschikkingen en (huur)overeenkomsten, indien sprake is van: een reeds bestaand strandpaviljoen; vestiging van een nieuw strandpaviljoen; de overname van een bestaand strandpaviljoen; de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand strandpaviljoen of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming. Artikel 2.3.1.1 Het bestuursorgaan zal bij aanvragen om een beschikking als bedoeld in artikel 2.3.1 een Bibob onderzoek uitvoeren en zo nodig het Bureau verzoeken om een advies over de mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet. Artikel 2.3.1.2 Het bestuursorgaan zal, naast het bepaalde in artikel 2.3.1, een Bibob onderzoek uitvoeren als bij de aanvraag: vanuit eigen informatie en/of vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (tip) en/of vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of indicatoren kunnen duiden, dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging of behoud van de vergunning. Artikel 2.3.1.3 Het Bibob onderzoek zal niet worden toegepast indien de aanvraag afkomstig is van: Overheidsinstanties; Overige bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak; Woning(bouw)corporaties; Door het College van burgemeester en wethouders bij besluit aangewezen aanvragers. Artikel2.3.2– Toepassingsbereik bij seksinrichting, escortbedrijf, speelautomatenhal Artikel 2.3.2.1 Het bestuursorgaan zal een Bibob onderzoek uitvoeren voor de aangevraagde beschikking, zoals genoemd in artikel 3:3 van de APV, artikel 30b Wet op de kansspelen en artikel 2:39 van de APV indien sprake is van: vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf, een nieuw bestuur van een bestaand bedrijf of wijziging van financier of rechtsvorm van de onderneming en de aanvrager de vier voorgaande jaren niet is getoetst aan de Wet. Artikel 2.3.2.2 Het bestuursorgaan zal, naast het bepaalde in artikel 2.3.2.1, een Bibob onderzoek uitvoeren als bij de aanvraag: vanuit eigen informatie en/of vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (tip) en/of vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of indicatoren kunnen duiden, dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging of behoud van de vergunning. Artikel 2.3.2.3 Het bestuursorgaan zal bij een reeds verleende beschikking, als bedoeld in artikel 2.3.2.1 periodiek een Bibob onderzoek uitvoeren. Deze periodieke toets zal eens in de vier jaar worden uitgevoerd. Artikel 2.3.2.4 het bestuursorgaan kan bij een Bibob onderzoek, in het kader van inrichtingen genoemd in artikel 2.3.2.1, het Bureau om advies vragen over de mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet. Artikel2.3.3– Toepassingsbereik bij risicocategorieën, -gebieden, -gebouwen en branches Artikel 2.3.3.1 Uitvoering van het Bibob onderzoek vindt plaats bij aanvraag voor de navolgende beschikkingen: Omgevingsvergunning bouwactiviteit (artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo); Omgevingsvergunning inrichtingen Wet Milieubeheer (artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet); Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder i van de Wabo), voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 Wet kan worden geweigerd. Bij de uitvoering van het Bibob onderzoek bij de vergunningen hiervoor benoemd kan het bestuursorgaan: risicogebieden en/of risicobranches en/of risicogebouwen als bedoeld in artikel 2:81 APV en/of limiteringen (bv. bij de bouwsom of een vastgoed/grondtransactie) aanwijzen c.q. benoemen, alsmede kan zij kiezen: voor een actieve toepassing van de Wet (te allen tijde de Wet toepassen en een Bibob-vragenformulier uitreiken aan de betrokkene ter invulling) voor een passieve toepassing van de Wet (men doet verricht pas een Bibob-onderzoek na ontvangen interne- c.q. externe signalen). Het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak zal een Bibob-onderzoek starten, vanuit eigen informatie en/of vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (tip) en/of vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld en/of indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vergunning zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging of behoud van de vergunning. Het Bibob onderzoek zal niet worden toegepast indien de aanvraag afkomstig is van: Overheidsinstanties; Overige bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak; Woning(bouw)corporaties; Door het College van burgemeester en wethouders bij besluit aangewezen aanvragers. Artikel2.3.4Toepassingsbereik bij een vermoeden van ernstig gevaar Artikel 2.3.4.1 Toepassing van het Bibob onderzoek vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking, subsidie, gunning of transactie plaats, als er sprake is van: ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC en/of informatie verkregen vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet (tip) en/of indicatoren die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de Wet: de aanvraag als bedoeld in artikel 30a Drank- en horecawet (leidinggevenden); de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet, in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet (paracommerciële instelling); de aanvraag als bedoeld in het artikel 2.12 Wabo in verband met artikel 30 en 33 van de Huisvestingswet (vergunning voor onttrekking aan de woonfunctie en vergunning tot splitsing gebouw met woonfunctie). Artikel2.4Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen Artikel 2.4.1 Het bestuursorgaan zal de Wet toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien: De verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie of branche, die op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, op basis van het ondermijningsbeeld, is aangewezen als risicogebied, risicobranche of risicogebouw; De verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen voor een generiek Bibob onderzoek; Als vanuit eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet; Informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet verkregen, vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak, die duidt op een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet; Bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob onderzoek een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan betrokkene alhier een soortgelijke beschikking is verstrekt; In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een soortgelijke beschikking is aangevraagd dan wel verleend, zal het bestuur in overleg met haar partners zorgdragen dat coördinatie in het Bibob onderzoek wordt georganiseerd. Artikel 2.4.2 Bij een weigering om de Bibob vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Awb toegepast worden. Bij verdere weigering zal deze worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 juncto 3 van de Wet. De verstrekte vergunning zal als gevolg daarvan worden ingetrokken. Artikel2.5Toepassingsbereik bij subsidies Artikel 2.5.1 het bestuursorgaan zal de Wet toepassen met betrekking tot een aanvraag voor dan wel de intrekking van een reeds verleende subsidie als bedoeld in de gemeentelijke subsidieregeling. Het Bibob onderzoek wordt daarbij beperkt tot de gevallen, waar indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een subsidie zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de subsidie. Het besluit tot uitvoering van het Bibob onderzoek zal gebaseerd zijn op: Eigen ambtelijke informatie, en/of Informatie verkregen vanuit het Bureau, en/of Informatie verkregen vanuit het OM het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak conform artikel 11 juncto 26 van de Wet (tip), en/of Informatie vanuit het ondermijningsbeeld, en/of Informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC. Paragraaf3:privaatrechtelijke transacties Artikel3.1Toepassingsbereik bij vastgoed/grondtransacties Artikel 3.1.1 De rechtspersoon met een overheidstaak zal de Wet toepassen met betrekking tot vastgoed/grondtransacties zoals bedoeld in artikel 1 onder o van de Wet, waarbij de gemeente partij is. Bij de start van onderhandelingen daartoe, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob onderzoek deel kan uitmaken van de procedure. De bij een vastgoed/grondtransactie, of een voornemen daartoe, betrokken partijen, kunnen worden onderworpen aan een Bibob – onderzoek. In ieder geval zal dat gebeuren wanneer er sprake is van een vastgoed/grondtransactie die één of meerdere van onderstaande kenmerken in zich heeft, of aan die vastgoed/grondtransactie gerelateerd is: Hoge mate van financiële complexiteit; Behorend tot een als zodanig door college van burgemeester en wethouders benoemde risicocategorie en/of risicogebied en/of risicogebouw; Hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur; exceptioneel financieel risico voor de gemeente; Waar indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een vastgoedtransactie zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van een strafbaar feit met als doel het aangaan van een vastgoedtransactie. De bevoegdheid tot het onderwerpen van de vastgoed/grondtransactie en de betrokken partijen aan een Bibob – onderzoek, kan worden aangewend wanneer er sprake is van feiten en omstandigheden die daartoe naar mening van de gemeente aanleiding geven en gebaseerd zijn op: Eigen ambtelijke informatie, en/of Informatie verkregen vanuit het Bureau, en/of Informatie verkregen vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak conform artikel 11 juncto 26 van de Wet (OM-tip), en/of Informatie vanuit het ondermijningsbeeld, en/of Informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC. Het Bibob onderzoek zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van: Overheidsinstanties; Overige bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak; Woning(bouw)corporaties; Door het college van burgemeester en wethouders bij besluit aangewezen aanvragers. Artikel 3.1.2 In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst. Artikel 3.1.3 Indien de Bibob procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen. Indien is besloten tot uitvoering van een Bibob onderzoek neemt de rechtspersoon met een overheidstaak geen definitief besluit tot het aangaan van een vastgoedtransactie totdat het Bibob onderzoek volledig is afgerond. Artikel3.2Toepassingsbereik bij verhuur van onroerend goed en het verlenen van een gebruiksrecht Artikel 3.2.1 Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 zal voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de verhuur van onroerend goed door de rechtspersoon met een overheidstaak dan wel het verlenen van een gebruiksrecht, in ieder geval aanleiding kunnen bestaan voor het uitvoeren van een Bibob onderzoek indien sprake is van verhuur in de aangewezen risicocategorieën en/of risicogebieden en/of risicogebouwen en de in artikel 2.3.3 genoemde branches. Artikel 3.2.2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan de rechtspersoon met een overheidstaak in huur- en verhuurovereenkomsten met betrekking tot een onroerende zaak een beëindigingsclausule opnemen als bedoeld in artikel 5a, sub b van de Wet. De rechtspersoon met een overheidstaak zal zo nodig in plaats van instemming met een contractovername, een nieuwe huurovereenkomst sluiten met een opvolgende huurder zodat bedoelde beëindigingsclausule kan worden opgenomen. Artikel3.3Toepassingsbereik bij vergunningen binnen de Huisvestingswet 2022 Het bestuursorgaan c.q. de rechtspersoon met een overheidstaak zal de Wet toepassen binnen de Huisvestingswet 2022 bij vergunningen bij gebouwen met woonfunctie voor, Splitsing van het gebouw van de woonfunctie; Samenvoeging van het gebouw tot woonfunctie; Onttrekking aan gebouwen van de woonfunctie; Omzetting van het gebouw tot woonfunctie. Het besluit tot uitvoering van het Bibob onderzoek zal gebaseerd zijn op: Eigen ambtelijke informatie, en/of Informatie verkregen van het Bureau, en/of Informatie verkregen vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak conform artikel 11 juncto artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of Informatie verkregen vanuit een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, en/of Vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld. Artikel3.4Toepassingsbereik bij aanbestedingen Artikel 3.4.1 De rechtspersoon met een overheidstaak zal het Bibob onderzoek ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de Wet uitvoeren bij overheidsopdrachten die vallen onder de algemene inkoopvoorwaarden van de stichting RIJK waarbij de gemeente is aangesloten. Deze algemene voorwaarden zijn bedoeld voor aanbesteden van werken respectievelijk van diensten en leveringen die openbaar moeten worden aanbesteed. Een Bibob onderzoek wordt beperkt tot de gevallen, waar indicatoren kunnen duiden dat er een gevaar bestaat dat een aanbesteding zal worden gebruikt voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten, en/of het plegen van strafbare feiten, dan wel het plegen van en strafbaar feit ter verkrijging van de aanbesteding. Het besluit tot uitvoering van het Bibob onderzoek zal gebaseerd zijn op: Eigen ambtelijke informatie, en/of Informatie verkregen van het Bureau, en/of Informatie verkregen vanuit het OM, het Bureau of van een ander bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak conform artikel 11 juncto artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of Informatie verkregen vanuit een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, en/of Vanuit informatie op basis van het ondermijningsbeeld. Ook kan het bestuursorgaan bedingen dat onderaannemers alleen met toestemming van de gemeente kunnen worden gecontracteerd en dat in dat kader een advies kan worden gevraagd. Paragraaf4Uitvoering Artikel4.1Eigen onderzoek De Wet is een ultimum remedium. Dat betekent dat de Bibob gronden een aanvulling vormen op de reeds bestaande mogelijkheden om een beschikking, subsidie, gunning of transactie te weigeren, in te trekken en/of niet aan te gaan. Het bevoegd gezag zal, op basis van het subsidiariteitsbeginsel, echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken, en zo nodig, toepassen. Artikel 4.1.1 In de in deze beleidsregel bepaalde gevallen zal betrokkene, naast de gebruikelijke aanvraagformulieren, de Bibob-vragenformulieren dienen in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in deze vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. De Bibob vragenformulieren bevatten in elk geval de in artikel 7a van de Wet genoemde vragen en daarnaast aanvullende vragen, die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen om het eigen onderzoek te kunnen verrichten. Artikel 4.1.2 In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag hiervoor. Artikel 4.1.3 Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld worden conform de bepalingen van de Awb en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning. Artikel 4.1.4 bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van bestuursorganen versterkt worden vanuit het RIEC. Ook kan de gemeente desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC. Artikel4.2Uitvoering eigen onderzoek Artikel 4.2.1 Het eigen onderzoek van de gemeente is gericht op het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet. Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van: De door aanvrager/houder van de vergunning aangereikte informatie/documenten bij de Bibob vragenformulier(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.