Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit OegstgeestDe raad van de gemeente Oegstgeest; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 maart 2023 (zaaknummer Z/21/146019/373621); gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet en afdeling 17.2 van de Omgevingswet; besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Oegstgeest Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: college: college van burgemeester en wethouders; commissie: commissie als bedoeld in artikel 17.9 van de wet, genaamd gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Oegstgeest; goede omgevingskwaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 van de wet; wet: Omgevingswet. Paragraaf2Adviestaak Artikel2Taak en werkzaamheden 1.De commissie heeft als taak de gemeenteraad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. 2.Ter uitvoering van haar taak: adviseert de commissie op verzoek van het college over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen; een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; adviseert de commissie op verzoek van het college of de gemeenteraad over: het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet; of het aan een locatie geven van de functie-aanduiding beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk dorpsgezicht op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de wet; adviseert de commissie op verzoek van het college over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; adviseert de commissie op verzoek van het college in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet en in andere gevallen waarin het college een advies nodig acht in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving; informeert en begeleidt de commissie op verzoek van het college planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces; voert de commissie op verzoek van het college vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning; adviseert de commissie op verzoek van het college over het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen; adviseert de commissie op verzoek van het college over het geven van beschikkingen op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten, te weten reclame in de openbare ruimte, voorwerpen op of aan de weg, standplaatsvergunningen en ligplaatsvergunningen. Paragraaf3Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd Artikel3Verplichte advisering Het college wint advies van de commissie in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, onderdelen 1°tot en met 3°, en onder b. Paragraaf4Samenstelling en inrichting Artikel4Samenstelling 1.De commissie bestaat uit ten minste drie leden, de voorzitter daaronder begrepen, en ten minste drie plaatsvervangers die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 2.De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 3.De commissie heeft, gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de wet, enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. 4.Als leden van de commissie worden ook benoemd minimaal één lokale deskundige met expertise op het gebied van geschiedenis en monumenten en een tweede lokale deskundige. Er worden tevens plaatsvervangers benoemd die deze leden bij afwezigheid kunnen vervangen. 5.De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn: cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratie, landschap, ecologie, stedenbouw, architectuur en duurzaamheid. Als dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, onder 3° of 4°, nodig is, kan het college in aanvulling hierop andere disciplines aanwijzen. 6.De leden en de plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. Artikel5Benoeming 1.De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste vier jaar worden benoemd. 2.Herbenoeming van leden kan eenmaal plaatsvinden voor ten hoogste vier jaar. Dat geldt niet voor plaatsvervangers. 3.De leden worden op eigen verzoek ontslagen. Zij kunnen ook door het college worden geschorst of door de gemeenteraad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 4.Als een lid is ontslagen wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid benoemd voor de resterende zittingsduur van het ontslagen lid. Artikel6Ondersteuning van de commissie 1.De commissie heeft een ambtelijk secretaris. 2.De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 3.De commissie en de secretaris kunnen zich laten ondersteunen door ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de commissie respectievelijk de secretaris. 4.De secretaris en de ambtelijke medewerkers zijn geen lid van de commissie. Paragraaf5Advisering en standpuntbepaling Artikel7Adviestermijn 1.Het college kan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. 2.In geval het college geen termijn heeft gesteld brengt de commissie advies uit binnen een termijn van twee weken na ontvangst van het verzoek van het college. Artikel8Beraadslaging en standpuntbepaling 1.De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de commissie worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de commissie. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. 3.Over de uit te brengen adviezen kan worden besloten in aanwezigheid van één daartoe aangewezen lid van de commissie. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument en over een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg en de lokale deskundige, bedoeld in artikel 4, vierde lid. 4.Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 5.De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissie en de daarvoor werkzame personen. Artikel9Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie De commissie kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de wet de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, of een subcommissie. Artikel10Adviseurs 1.De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door het college aangewezen ambtenaren. 2.De commissie kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3.De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Artikel11Verwerking van het advies 1.Het college kan eenmaal per activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd of waarvoor een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning is opgesteld een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Het college stelt de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte. 2.In geval het college een beschikking geeft in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies verzendt het college een afschrift van die beschikking aan de commissie. Paragraaf6Werkwijze Artikel12Reglement van orde 1.De commissie stelt haar werkwijze binnen de kaders van deze verordening nader vast in een reglement van orde dat de goedkeuring behoeft van het college. 2.In het reglement van orde komt ten minste aan de orde: de werkwijze bij de advisering, bedoeld in artikel 2; de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; de notulering en dossiervorming; de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; de instelling van subcommissies; de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie als bedoeld in artikel 9; en de advisering aan de gemeenteraad over het benoemen van de lokale deskundige, bedoeld in artikel 4, vierde lid, en zijn plaatsvervanger. 3.Het college draagt zorg voor bekendmaking van het door de commissie vastgestelde reglement van orde in het gemeenteblad. Artikel13Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een supervisor, een kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de commissie draagt het college zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van die supervisor, dat kwaliteitsteam of die andere adviseur en de commissie. Artikel14Vergoeding De leden ontvangen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen overeenkomstig het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college kan een vergoedingsregeling vaststellen op grond waarvan de leden en adviseurs, bedoeld in artikel 10, tweede lid, een aanvullende vergoeding ontvangen Paragraaf7Jaarverslag Artikel15Jaarverslag 1.De commissie brengt jaarlijks voor 1 juni verslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. 2.In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet; de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen. Paragraaf8Overgangs- en slotbepalingen Artikel16Overgangsrecht Als voor de inwerkingtreding van de wet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn. Artikel17Intrekking oude regeling De Verordening op de monumentencommissie wordt ingetrokken. Artikel18Wijziging Verordening fysieke leefomgeving De Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest wordt als volgt gewijzigd: in de artikelen 6.1, eerste lid, 6.2, eerste lid, en 6.3, eerste lid, wordt “Monumentencommissie, bedoeld in de Verordening op de monumentencommissie” vervangen door “commissie, bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit”; paragraaf 6.1.2 vervalt. Artikel19Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 april 2023.De voorzitter,De griffier,Toelichting Algemeen Met de Omgevingswet (hierna: de wet) die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking treedt, wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. De wet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Belangrijk verbeterdoel van de wet is een kader te bieden dat overheden meer afwegingsruimte biedt om doelen voor de leefomgeving te bereiken. “Decentraal, tenzij” is een belangrijk principe van de wet. Dit betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij het lokale bestuur, zoals de gemeente liggen. Alleen indien het gaat om een nationaal of internationaal belang of als dat doelmatiger of doeltreffender is, stelt het Rijk regels. Eén van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 van de wet). Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Oegstgeest (hierna: commissie) daarbij. Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van deze commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit. Deze verordening is opgesteld volgens het model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie van de VNG van september 2020. Artikelsgewijs Artikel 1 Definities Commissie Met de commissie als bedoeld in artikel 17.9 van de wet wordt de commissie bedoeld die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, met betrekking tot een monument. Volgens artikel 17.9 van de wet moeten binnen deze commissie enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Volgens dat artikel moet de commissie in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een rijksmonumentenactiviteit. Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet). Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 2013-2014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit. Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. Artikel 2 Taak en werkzaamheden Eerste lid Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de gemeenteraad en het college op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Tweede lid Onderdeel a Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit als het college geen bevoegd gezag is. De commissie adviseert op verzoek van het college over een aanvraag om: 1°. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: “een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”. De commissie adviseert niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissie brengt advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Uitgangspunten daarbij zijn: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten; het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) dat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit bevat. Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. De gemeenten spelen desalniettemin in de archeologie een cruciale rol. De afweging om archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) te behouden, wordt meestal door de gemeente gemaakt in het kader van het opstellen van het omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke omgevingsplanactiviteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld. De gemeente is op grond van artikel 5.130 van het Bkl verplicht om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten. Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissie kan hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten is de commissie wel het aangewezen adviesorgaan. 2°. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Overgangsrecht gemeentelijke monumenten Het overgangsrecht in de wet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat er bij het in werking treden van de wet een vergunningplicht geldt voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten die nog op grond van de Erfgoedverordening Oegstgeest 2017 of de Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest zijn aangewezen. De regels uit die verordeningen blijven gelden tot het moment dat dit onderwerp in het nieuwe deel van het omgevingsplan is geregeld. Dit volgt uit de artikelen 22.4 en 22.8 van de wet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met artikel 22.2 van het omgevingsplan (bruidsschat). De in de Erfgoedverordening Oegstgeest 2017 of de Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest opgenomen vergunningplicht geldt als een verbod op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. 3°. een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen De gemeenteraad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de wet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. In de filosofie van de Omgevingswet, waarbij een integrale benadering van de fysieke leefomgeving het uitgangspunt is, zou de commissie ook kunnen worden aangewezen als adviseur voor andere aspecten dan waarin nu is voorzien. Gedacht kan worden aan groen en natuur of milieu. Zolang nog geen nieuwe gevallen in het omgevingsplan zijn aangewezen waarbij advies aan de commissie moet worden gevraagd, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW de commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen. Regels over de aanwijzing van de commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt. Overigens betekent dit niet dat de commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen wordt. Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit). 4°. een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Het college kan – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwint bij de commissie. Daarbij kan het gaan om gevallen waarvoor de commissie nu niet is aangewezen als adviseur, zoals voor groen en natuur of milieu. De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissie Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit. Onderdeel b De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van het college. De commissie is ook adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding beschermd gemeentelijk monument te geven). Onderdeel c Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de wet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit. Onderdeel d Dit onderdeel betreft de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave. In geval van een verkenning in het kader van een projectprocedure of projectbesluit als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning kan het bevoegd gezag inzichten verkrijgen in: de aard van de opgave, de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving, en de mogelijke oplossingen voor die opgave. Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen aandragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning. Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen van het Rijk en de provincie die een mogelijke oplossing hebben aangedragen, kunnen aan het college vragen een deskundige instantie als de commissie over hun oplossing te raadplegen. Het college kan ook zelf advies vragen over de aangedragen oplossingen voor de opgave. De laatste zinsnede van dit onderdeel geeft aan dat ook als er geen sprake is van een projectprocedure of projectbesluit het college aan de commissie advies kan vragen in het kader van een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving. Onderdeel e Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door het college op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak. Onderdeel f Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang. Onderdeel g In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie artikel 22.7 in samenhang met artikel 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan). De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen. Onderdeel h De meeste regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen komen niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om de Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest, Leidingverordening gemeente Oegstgeest 2017 en de Rioolverordening gemeente Oegstgeest. De gemeente kan deze regels tot het einde van de overgangsfase
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.