Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 7 maart 2023, nr UTSP-1088738041- 9761 tot vaststelling van de Subsidieregeling verplaatsing en beëindiging veehouderijen Utrecht (Subsidieregeling verplaatsing en beëindiging veehouderijen Utrecht)Gedeputeerde Staten van Utrecht; Gelet op artikel 1.
(1992), en de Klimaatwet zijn overheden en maatschappelijke partijen het Klimaatakkoord met elkaar aangegaan waarin is vastgelegd hoeveel de CO2-uitstoot ten opzichte van het niveau in 1990 naar beneden moet worden gebracht (49% reductie in 2030 en 95% reductie in 2050). In het Klimaatakkoord is ook afgesproken dat in 2030 1 MTon CO2 vanuit de veenweidebodem moet worden gereduceerd door de provincies waar veenweidegebieden liggen, waaronder dus Utrecht. Dit kan door het opzetten van waterpeil en het vernatten van de bodem, wat consequenties kan hebben voor het agrarisch grondgebruik. Op sommige plekken in de veenweidegebieden zal hier minder ruimte voor zijn. Het stoppen en verplaatsen van agrarische bedrijven is daarom noodzakelijk. Vanwege landbouwactiviteiten is er sprake van een achteruitgang van de biodiversiteit en de waterkwaliteit. Deze achteruitgang kan worden tegengegaan door een meer duurzame op bodem- en waterkwaliteit gerichte bedrijfsvoering. Dit is echter niet voldoende. De natuur moet robuuster worden onder andere door afronding van het Natuurnetwerk Nederland, versterking van de natuur daarom heen en de verbindingen daartussen. Dit kan ook met behulp van agrarische bedrijven door over te schakelen naar meer natuurgerichte, extensieve, landbouw. Om te kunnen extensiveren en landbouwgrond meer natuurgericht in te zetten heeft een agrarisch bedrijf meer grond nodig, een schaars goed in een klein land als Nederland. De oplossing kan worden gevonden in het verplaatsen van agrarische bedrijven die in de nabijheid van het NNN zijn gelegen en meer intensief willen blijven werken en in het stoppen van bedrijven nabij NNN. Doelstelling en effecten De subsidieregeling heeft tot doel opgaven zoals stikstofreductie of CO2-reductie vanuit de veenweidebodem mede te realiseren door het verplaatsen of beëindigingen van veehoudende bedrijven op bepaalde plekken in Utrecht. Met de subsidieregeling wordt de verplaatsing en beëindiging van veehoudende bedrijven gestimuleerd in daartoe door Gedeputeerde Staten aan te wijzen gebieden in Utrecht, waar dit gelet op de opgaven als stikstofreductie of CO2-reductie vanuit de veenbodem nodig is. Veehouders in een daartoe aangewezen gebied kunnen – als zij voldoen aan de subsidievoorwaarden - subsidie aanvragen als bijdrage in verschillende kosten verbonden aan verplaatsing of beëindiging van hun bedrijf. De te verlenen subsidie moet het aantrekkelijker maken voor veehouders om hun bedrijf te kunnen verplaatsen of - eerder - te beëindigen. Dit is nodig omdat in de praktijk blijkt dat de combinatie van hoge kosten vanwege verplaatsing plus een hogere marktprijs voor het verwerven van de nieuwe locatie ten opzichte van de verkoopopbrengst van de bestaande locatie, tot een zodanig kostenplaatje leidt, dat dit in weg kan staan bij verplaatsing. Door bij te dragen in de verplaatsingskosten valt deze financiële belemmering weg. Ingeval van bedrijfsbeëindiging geldt dat er veel bedrijven zijn die binnen nu en 10 jaar zullen stoppen bij gebrek aan opvolging. Voor de realisatie van de opgaven is het in sommige gebieden wenselijk dat deze bedrijven eerder stoppen en er geen nieuwe stikstof veroorzakende activiteiten opgezet worden. Dit heeft grote gevolgen. Een stoppende agrariër zal geen inkomsten meer krijgen uit het bedrijf. Door het beëindigen van de agrarische functie van de gronden (door verkoop aan de provincie, het vestigen van KV’en dan wel door omzetting naar natuur) daalt de waarde van grond waarop de bedrijfsgebouwen en de woning staan. De bedrijfsgebouwen kunnen niet meer worden ingezet voor de functie waarvoor zij zijn opgericht dan wel een andere stikstof veroorzakende activiteit, zodat sloop gewenst is. Dit ter voorkoming van verrommeling van het landschap vanwege bedrijfsgebouwen die niet meer worden onderhouden of het toch gebruiken van deze gebouwen voor stikstof veroorzakende activiteiten. Om ervoor te zorgen dat het voor deze groep van agrariërs aantrekkelijk is om eerder te stoppen, is het dus wenselijk om te voorzien in een bijdrage in de waardedaling en de sloopkosten. Verwacht wordt dat agrariërs in de hiervoor aan te wijzen gebieden vanwege de subsidiemogelijkheden sneller tot verplaatsing of bedrijfsbeëindiging zullen overgaan en daarmee bijdragen aan de realisatie van de opgaven voor een gebied. De subsidieregeling voorziet hiermee ook in de vraag van de agrarische sector om middelen en instrumenten die hen ondersteunen in hun verdere toekomst. Verhouding tot bestaande regelgeving Algemene wet bestuursrecht en Algemene subsidieverordening Utrecht 2013 Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Utrecht 2013 (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling is vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten, algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht en de algemene weigeringsgronden. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling. Europeesrechtelijke aspecten De onderhavige regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. Geconstateerd is dat de subsidie die wordt verstrekt op grond van deze regeling voor verplaatsing en beëindiging van landbouwbedrijven kan worden aangemerkt als staatssteun. In paragraaf 2 wordt gebruikgemaakt van de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) waardoor er bij subsidieverstrekking op basis van deze regeling sprake is van een geoorloofde vorm van staatssteun. Voor de subsidieverstrekking voor de verplaatsing van landbouwbedrijven is gebruik gemaakt van artikel 16 LVV. De voorwaarden die voor deze vrijstelling gelden zijn voor zover nodig in paragraaf 2 van de regeling opgenomen. Paragraaf 3 is opgesteld met in achtneming van de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (2014/C 204/01). Deze Richtsnoeren bevatten een paragraaf die specifiek betrekking heeft op steun voor de sluiting van productiecapaciteit om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen, sanitaire, ethische of milieuredenen (paragraaf 1.2.2.1, randnummers 423 tot en met 436). Dergelijke steun dient ook te voldoen aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van de richtsnoeren (deel I, hoofdstuk 3). In verband hiermee wordt in deze paragraaf beschreven hoe deze regeling past binnen de richtsnoeren. Paragraaf 3 zal worden genotificeerd bij de Europese Commissie en zal pas na goedkeuring door de Europese Commissie in werking treden. Andere regelingen De subsidieregeling ziet uitdrukkelijk niet op de verwerving van de gronden en gebouwen door de provincie, dan wel de afwaardering van de landbouwgronden indien er een kwalitatieve verplichting wordt gevestigd om de realisatie van de opgave(
- n)te borgen. Eigendomsoverdracht van de gronden aan de provincie of de vestiging van een kwalitatieve verplichting is wel een subsidieverplichting. De eigendomsoverdracht ziet op de gronden die in eigendom zijn van de subsidieaanvrager. Een kwalitatieve verplichting wordt gevestigd op de gronden van een derde die bij de subsidieaanvrager in gebruik zijn via een pachtovereenkomst. Gronden en gebouwen worden – vooralsnog – aangekocht uit hiervoor beschikbare provinciale middelen, dan wel met behulp van de verschillende aankoopregelingen van het Rijk. Er wordt aangekocht voor een marktconforme prijs gebaseerd op de taxatie door een beëdigd taxateur. De subsidieregeling werkt dus ook in aanvulling op de aankoopregelingen van het Rijk, die eveneens alleen voorzien in een marktconforme vergoeding voor de verkoop van de gronden en gebouwen. Daarmee kan de subsidieregeling dus ook de inzet van de aankoopregelingen van het Rijk in Utrecht en dus de rijksmiddelen versterken. Als het gaat om landbouwgronden waarop een kwalitatieve verplichting wordt gevestigd, kan er minnelijk een vergoeding worden overeengekomen voor de waardedaling van de gronden, dan wel kan er een afwaarderingssubsidie worden aangevraagd op grond van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap Utrecht, indien de gronden als zodanig zijn aangewezen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natuurbeheerplan. De subsidieregeling voorziet ingeval van bedrijfsbeëindiging, de agrariër woonachtig blijft op de woon/bedrijfskavel, wel in een vergoeding van de waardedaling van deze gronden omdat de hierop rustende bestemming niet meer kan worden benut. Neveneffecten De realisatie van maatschappelijke opgaven zoals stikstofreductie en CO2-reductie met inzet vanuit de landbouwsector vindt binnen Utrecht meestal plaats binnen een gebiedsgerichte aanpak. Samen met de bij een gebied betrokken overheden, agrariërs, terreinbeheerders en andere maatschappelijke partijen wordt gezocht naar maatregelen om deze opgaven te realiseren. Een van deze maatregelen is de beëindiging en verplaatsing van een deel van de agrarische bedrijven in zo’n gebied. Andere maatregelen zijn de omvorming van de blijvende agrarische bedrijven naar een meer extensief, op kringloop en natuur, gerichte bedrijfsvorm, de realisatie van extra natuur, waterbuffers etc. Hiervoor is grond nodig. Met de verplaatsing en bedrijfsbeëindiging van een deel van de bedrijven komt grond beschikbaar om deze maatregelen te kunnen uitvoeren. De subsidieregeling helpt dus niet alleen de agrariërs die willen stoppen of verplaatsen, maar ook de agrariërs die willen blijven en bereid zijn om hun bedrijf om te vormen, terreinbeheerders en overheden met de realisatie van meer natuur en biodiversiteit en waterbeheerders met hun opgaven op het gebied van waterkwaliteit- en kwantiteit. Nalevings-, uitvoerings- en handhavingsaspecten Openstellingsbesluit De subsidieregeling geldt voor de hele provincie. Echter, subsidie kan alleen worden aangevraagd door veehouders die zijn gevestigd in door Gedeputeerde Staten aan te wijzen gebieden, die voldoen aan de subsidievoorwaarden zoals opgenomen in de subsidieregeling. Bij openstellingsbesluit wijzen Gedeputeerde Staten een of meer gebieden aan waar de subsidieregeling voor wordt opengesteld. In het openstellingsbesluit wordt ook bepaald voor welk doel, dat wil zeggen de opgave(
- n)behorende bij het gebied, de subsidieregeling wordt opengesteld. Indien nodig kunnen Gedeputeerde Staten in het openstellingsbesluit nadere subsidievoorwaarden vaststellen. Hierbij wordt nadrukkelijk opgemerkt, dat het alleen om een aanscherping van de in de subsidieregeling opgenomen subsidievoorwaarden kan gaan. Doel van de subsidieregeling is de beëindiging van een deel van de agrarische bedrijven in een door Gedeputeerde Staten bij openstellingsbesluit aan te wijzen gebied in Utrecht. In het openstellingsbesluit kunnen naast een begrenzing van het gebied ook nadere eisen, voorwaarden en verplichtingen worden opgenomen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Zo kan worden gedacht aan het vereiste dat een aanvrager over een toestemmingsbesluit beschikt waaraan een minimale stikstofemissie is verbonden. Alleen bedrijven die over een toestemmingbesluit beschikken waaraan deze of een hogere emissie is verbonden, kunnen dan subsidie aanvragen. Op die manier kan worden gestimuleerd dat alleen de bedrijven die een relevante bijdrage kunnen leveren aan de voor het gebied noodzakelijke stikstofreductie stoppen of verplaatsen. Op een vergelijkbare manier kan worden gehandeld als het gaat om het stimuleren van bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing ten behoeve van de realisatie van andere opgaven. Zo kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit bepalen dat alleen grondeigenaren en -gebruikers van die percelen in een aangewezen gebied subsidie kunnen aanvragen, indien hiermee een minimale hoeveelheid CO2-emissie en/of bodemdaling kan worden gereduceerd. Artikel 1.3 van de subsidieregeling bepaalt wat Gedeputeerde Staten nader kunnen regelen in een openstellingsbesluit. Hierbij wordt nadrukkelijk opgemerkt dat het gaat om een verdere inperking en niet om een verruiming van de subsidieregeling. De subsidieregeling is opgesteld met inachtneming het recht van de Europese Unie, in het bijzonder de Landbouwvrijstellingsverordening2 Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij categorieën steun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L193/1.. Voorkomen voortzetting stikstofdepositie veroorzakende activiteiten op locatie Met de verplaatsing en beëindiging van een agrarisch bedrijf in een daartoe aangewezen gebied wordt de realisatie van een of meerdere maatschappelijke opgaven beoogd. Om te voorkomen dat na verplaatsing of beëindiging op de betreffende locatie, dan wel elders in het gebied waarvoor de subsidieregeling is opengesteld, een nieuwe – agrarische – activiteit wordt gestart die hieraan afbreuk doet, zijn de volgende voorwaarden opgenomen in de subsidieregeling: Ingeval van verplaatsing moet het bedrijf zich vestigen buiten het gebied waarvoor de subsidieregeling is opengesteld. Daarbij moet sprake zijn van de overname van een bestaand bedrijf en de hiervoor verleende vergunning. Een subsidieaanvraag wordt geweigerd indien de aanvrager een volledig nieuw bedrijf start op een nieuwe locatie waar geen vergunning op rust. Dit laatste is ter voorkoming van extra milieubelastende activiteiten elders; De gronden waarop het te verplaatsen of te beëindigen bedrijf worden uitgeoefend worden verkocht en in eigendom overgedragen aan de provincie, of ten laste van deze gronden wordt een kwalitatieve verplichting gevestigd op grond waarvan de eigenaar niet is toegestaan de grond te gebruiken als landbouwgrond of voor andere stikstofemissie veroorzakende activiteiten; Ten laste van de gronden waarop het te verplaatsen of te beëindigen landbouwbedrijf wordt uitgeoefend wordt een kwalitatieve verplichting gevestigd om de met deze gronden te realiseren natuurdoelen te borgen, indien de eigenaar deze wil inrichten en beheren als natuur; De subsidieaanvrager moet het daartoe bevoegde gezag verzoeken om intrekking van de toestemming voor de landbouwactiviteit van het te verplaatsen of te beëindigen bedrijf; De subsidieaanvrager mag de met het niet meer uitoefenen van de landbouwactiviteit op de betreffende locatie vrijgekomen depositieruimte niet gebruiken voor extern salderen of inzetten als mitigerende maatregel. Dit betekent dat zowel de provincie als de agrariër meer moeten doen dan alleen subsidie aanvragen, verlenen en de bedrijfsvoering op de bewuste locatie staken. De provincie moet grond en in sommige gevallen ook gebouwen aankopen, de subsidieaanvrager moet elders een bestaand bedrijf dat over een vergunning beschikt overnemen dan wel plannen maken voor natuurinrichting en -beheer op de bestaande locatie. De subsidieregeling is daarmee onderdeel van een totale aanpak om ervoor te zorgen dat opgaven worden gerealiseerd en vrijkomende landbouwgrond wordt ingezet voor natuur of extensivering van de agrarische bedrijven die in het gebied of in het aangrenzende gebied doorgaan. Naleving en handhaving Het gebruik van de gronden die door de provincie in eigendom zijn verworven overeenkomstig de opgaven van het gebied, wordt enerzijds bepaald door Gedeputeerde Staten. Door het stellen van bijvoorbeeld pachtvoorwaarden die specifieke eisen stellen aan het grondgebruik kan het juiste gebruik worden afgedwongen, desnoods in rechte. In afstemming met de gemeente zal er gezorgd moeten worden voor een bestemmingswijziging, zodat ook via het spoor van ruimtelijke ordening wordt voorkomen dat gronden wederom landbouwkundig dan wel voor een andere stikstofemissie veroorzakende activiteit worden gebruikt waardoor negatieve effecten ontstaan voor de N2000-instandhoudingsdoelstellingen. Tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik kan handhavend worden opgetreden. Zoals hiervoor is genoemd, moet de subsidieaanvrager Gedeputeerde Staten verzoeken om intrekking van de aan hem verleende toestemming voor het uitvoeren van de stikstofemissie veroorzakende activiteit(en). Het verzoek wordt ingediend bij en behandeld door het daartoe bevoegde gezag. Indien de toestemming een natuurvergunningen betreft dat moet de aanvrager zich richten tot de Provincie Utrecht. Namens Gedeputeerde Staten zal het verzoek worden ingewilligd. Met de intrekking van de toestemming is niet langer meer toegestaan om op de betreffende locatie een landbouwactiviteit of een andere activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt uit te oefenen. Mocht dit onverhoopt toch gebeuren, dan kan hiertegen handhavend worden opgetreden door de activiteit stil te leggen. Bezwaar en beroep Verplaatsingskosten, sloopkosten en de waardevermindering zijn 100% subsidiabel. Investeringskosten kunnen voor maximaal 40% worden gesubsidieerd. Dit percentage kan met 20% worden verhoogd, indien de aanvrager een jonge landbouwer is. Per subsidieaanvrager kan maximaal € 500.000,00 subsidie worden verleend. Dit is verregaand toereikend3 De verplaatsingskosten bedragen gemiddeld tussen de € 100.000 en € 200.000. Een nieuwe stalvloer kost gemiddeld € 100.000 tot € 150.000. Stel dat een agrariër € 150.000 aan verplaatsingskosten heeft en een nieuwe vloer laat plaatsen op de nieuwe locatie voor een bedrag van € 125.000. Dan bedraagt de totaal te verlenen subsidie € 200.000 (€ 150.000 + 40 % van € 125.000) of ingeval van een jonge landbouwer € 240.000 (€ 150.000 + 60 % van € 125.000)., gelet op de verplaatsingskosten, investeringskosten, afwaardering of sloopkosten waarmee een gemiddelde veehouder wordt geconfronteerd. Als het gaat om de hoogte van de subsidieverlening conform de aanvraag dan ligt het niet in de lijn der verwachtingen dat de subsidieaanvrager of een derde hiertegen bezwaar zal maken en ingeval van een afwijzende beslissing op bezwaar in beroep zal gaan. Wel kan er een dispuut worden verwacht bij een aanvraag voor subsidie vanwege waardevermindering omdat er verschil van mening bestaat over de juistheid van het taxatierapport. Indien de aanvrager het niet eens is met in opdracht van de provincie opgestelde NRVT-taxatierapport, dan kan bezwaar en beroep worden verwacht tegen het hierop gebaseerde subsidiebesluit. Bezwaar en beroep kan ook worden verwacht na vaststelling van de subsidie, indien bijvoorbeeld de kosten lager uitvallen dan begroot. In dat geval wordt de subsidie lager vastgesteld en kan het zijn dat een deel van het reeds verstrekte voorschot moet worden terugbetaald. Administratieve lasten In de subsidieregeling zijn weinig aanvraagvereisten opgenomen. Via het openstellingsbesluit en subsidieformulering wordt een aanvrager wel verzocht om de gevraagde subsidie zoveel mogelijk met bewijsstukken te onderbouwen. Dit zal naar verwachting weinig inspanning van de aanvrager verlangen. Bij een subsidieaanvraag voor verplaatsingskosten of sloopkosten zal het gevraagde subsidiebedrag kunnen worden onderbouwd door offertes van de makelaar, de adviseur en/of het demonteren, verplaatsen en monteren van de installaties, dan wel het slopen en afvoeren van het loopafval. Ingeval van een subsidieaanvraag voor een tegemoetkoming in de waardedaling van de achterblijvende gronden, zal een taxatierapport opgesteld door een beëdigd taxateur bij de aanvraag moeten worden gevoegd. Het vaststellen van de subsidie gebeurt aan de hand van de werkelijk betaalde kosten, voor zover het een subsidie voor verplaatsingskosten of sloopkosten betreft. De subsidieontvanger dient daartoe de facturen te overleggen dan wel facturen te laten controleren door een accountant (indien de maximale subsidie de grens voor een controleverklaring overschrijdt). Niet iedere veehouder heeft grond in eigendom. Soms wordt - een deel van - de landbouwgrond gepacht. Om te voorkomen dat deze grond na het vertrek van de veehouder tevens subsidieaanvrager weer wordt verpacht aan een andere landbouwer is medewerking van de verpachter, de grondeigenaar, nodig. Indien een derde eigenaar is van de gronden waarop de subsidieaanvrager zijn bedrijf uitoefent, dan moet bij de aanvraag een door de grondeigenaar ondertekende en gedagtekende verklaring van geen bezwaar over het intrekken van de toestemming, de eigendomsoverdracht of het vestigen van een kwalitatieve verplichting worden overgelegd. Kortom, bij subsidieaanvragers waar dit aan de orde is, zijn drie partijen betrokken die allemaal een of meer handelingen moeten verrichten om subsidie te kunnen aanvragen en te verlenen. Omdat de subsidieregeling gebiedsgericht zal worden opengesteld, zal het steeds om een relatief beperkt aantal veehouders gaan waarvan bedrijfsverplaatsing- of beëindiging wenselijk is gezien de gebiedsopgaven. Daarbij wordt nadrukkelijk opgemerkt, dat in een gebied niet altijd alle veehouders zouden moeten verplaatsen of hun bedrijf zouden moeten beëindigen. Dit betekent dat het aantal aanvragen dat jaarlijks door de provincie in behandeling moet worden genomen relatief klein is. Financiële gevolgen Hiervoor is aangegeven dat er maximaal € 500.000,00 per aanvraag kan worden verleend. In de meeste gevallen zal een lager subsidiebedrag toereikend zijn. De gemiddelde subsidie zal naar verwachting € 250.000,00 bedragen. Wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat de subsidieregeling gebiedsgericht zal worden ingezet, dan gaat het uiteindelijk om een relatief beperkt aantal aanvragers.